Materialendecreet
23 DECEMBER 2011. - Decreet betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen

Artikel 1. Dit decreet regelt een gewestaangelegenheid.

Art. 2.

Dit decreet voorziet in de gedeeltelijke omzetting van richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen.


Art. 3.

§1

In dit decreet wordt verstaan onder :

afvalstof : elke stof of elk voorwerp waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen. Worden niet als afvalstoffen beschouwd :
  a) gasvormige effluenten die in de atmosfeer worden uitgestoten, en koolstofdioxide dat wordt afgevangen en getransporteerd met het oog op geologische opslag, en dat geologisch is opgeslagen overeenkomstig het decreet van 8 mei 2009 betreffende de diepe ondergrond, dan wel op grond van artikel 37, tweede lid, van het decreet van 8 mei 2009 betreffende de diepe ondergrond buiten het toepassingsgebied van dit laatstgenoemde decreet valt;
  b) dierlijke mest als vermeld in het decreet van 22 december 2006 houdende de bescherming van water tegen de verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen;
  c) het al dan niet verontreinigde water dat wordt geloosd in een oppervlaktewater of in de openbare waterzuiveringsinfrastructuur; in deze context wordt de in-situbehandeling, met inbegrip van de ontwatering van het ter plaatse geproduceerde slib, die bedoeld is om dat water in overeenstemming te brengen met de milieuvoorwaarden die gelden voor de lozing, niet als een afvalstoffenverwerking aanzien;
  d) huishoudelijk en bedrijfsafvalwater dat overeenkomstig de bepalingen van het decreet van 24 januari 1984 inzake het grondwaterbeheer en van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning indirect wordt geloosd in het grondwater;
  e) onuitgegraven bodem, met inbegrip van duurzaam met de bodem verbonden gebouwen;
  f) radioactieve afvalstoffen, voor zover ze niet als vrijgegeven afvalstoffen worden beschouwd als vermeld in het samenwerkingsakkoord tussen de federale Staat en de Gewesten van 17 oktober 2002 met betrekking tot het beheer van vrijgegeven afvalstoffen;
afvalstoffenhandelaar : iedere onderneming die als verantwoordelijke optreedt bij het aankopen en vervolgens verkopen van afval, met inbegrip van handelaars die de afvalstoffen niet fysiek in hun bezit hebben;
afvalstoffenmakelaar : iedere onderneming die ten behoeve van anderen de verwijdering of de nuttige toepassing van afvalstoffen organiseert, met inbegrip van makelaars die de afvalstoffen niet fysiek in hun bezit hebben;
afvalstoffenproducent : elke natuurlijke persoon of rechtspersoon wiens activiteiten afvalstoffen voortbrengen, zijnde de eerste afvalproducent, of eenieder die voorbehandelingen, vermengingen of andere bewerkingen verricht die leiden tot een wijziging in de aard of de samenstelling van die afvalstoffen;
afvalstoffenverwerking : nuttige toepassing of verwijdering, met inbegrip van voorbereidende handelingen die aan nuttige toepassing of verwijdering voorafgaan;
5°/1 asbesthoudende materialen: de materialen die op basis van -voorkennis en een beoordeling met het blote oog of op basis van een geldige monstername en analyse asbest bevatten;
bedrijfsafvalstoffen : afvalstoffen die ontstaan ten gevolge van een industriėle, ambachtelijke of wetenschappelijke activiteit, en de afvalstoffen die daarmee gelijkgesteld worden bij een besluit van de Vlaamse Regering;
beheren van afvalstoffen : het inzamelen, het tussentijds opslaan en overslaan, het vervoeren, het nuttig toepassen en het verwijderen van afvalstoffen, met inbegrip van het houden van toezicht op die handelingen en het uitvoeren van de nazorg voor de stortplaatsen na sluiting, en met inbegrip van activiteiten van afvalstoffenhandelaars of -makelaars;
beste beschikbare technieken: beste beschikbare technieken als vermeld bij of krachtens titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning;
bijzondere afvalstoffen : huishoudelijke, gevaarlijke, bedrijfsafvalstoffen of andere afvalstoffen die wegens hun aard, samenstelling, herkomst of verwerking een bijzondere regeling behoeven. De Vlaamse Regering kan bepalen welke afvalstoffen als bijzondere afvalstoffen worden beschouwd;
10° de OVAM : de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij, vermeld in artikel 10.3.1, § 1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid;
11° gemengd stedelijk afval : huishoudelijk afval, alsmede bedrijfs-, industrieel en institutioneel afval dat qua aard en samenstelling te vergelijken is met huishoudelijk afval, behoudens de in bijlage van beschikking 2000/532/EG onder 20 01 genoemde fracties die afzonderlijk aan de bron worden ingezameld, en de onder 20 02 van die bijlage genoemde andere afvalstoffen;
12° gescheiden inzameling : de inzameling waarbij een afvalstroom gescheiden wordt naar soort en aard van het afval om een specifieke behandeling te vergemakkelijken;
13° gevaarlijke afvalstoffen : afvalstoffen die een bijzonder gevaar voor de gezondheid van de mens of voor het milieu opleveren of kunnen opleveren of die in speciale inrichtingen verwerkt moeten worden. De Vlaamse Regering bepaalt welke afvalstoffen als gevaarlijke afvalstoffen worden beschouwd overeenkomstig de geldende Europese voorschriften;
14° grondstofverklaring : een verklaring afgeleverd door de Vlaamse overheid waarin wordt gesteld dat een bepaald materiaal niet of niet meer als een afvalstof moet worden beschouwd, eventueel gekoppeld aan een aantal randvoorwaarden;
15° hergebruik : elke handeling waarbij voorwerpen of componenten van voorwerpen die geen afvalstoffen zijn, opnieuw worden gebruikt voor hetzelfde doel als dat waarvoor zij waren bedoeld;
16° houder van afvalstoffen : de afvalstoffenproducent of de natuurlijke persoon of rechtspersoon die de afvalstoffen in zijn bezit heeft;
17° huishoudelijke afvalstoffen : afvalstoffen die ontstaan door de normale werking van een particuliere huishouding en afvalstoffen die daarmee gelijkgesteld worden bij een besluit van de Vlaamse Regering;
18° inzameling : het verzamelen van afvalstoffen, inclusief de voorlopige sortering en de voorlopige opslag van afvalstoffen, om deze daarna te vervoeren naar een afvalverwerkingsinstallatie;
19° levenscyclusdenken : een benadering waarbij wordt gekeken naar de effecten die optreden tijdens de hele levenscyclus van een materiaal;
20° lokale besturen : provincies, provinciebedrijven, gemeenten, gemeentebedrijven en intergemeentelijke samenwerkingsverbanden;
21 materiaal : elke stof die wordt of is ontgonnen, gewonnen, geteeld, verwerkt, geproduceerd, verdeeld, in gebruik genomen, afgedankt of opnieuw verwerkt, of elk voorwerp dat wordt geproduceerd, verdeeld, in gebruik genomen, afgedankt of opnieuw gebruikt, inclusief de daaruit ontstane afvalstoffen;
22° materiaalkringloop : het geheel van opeenvolgende handelingen in een levenscyclus of stofstroom, gaande van de ontginning of winning en teelt, over de verwerking, de productie, de distributie, de opslag of overslag, het transport, het gebruik en hergebruik, de afdanking, de verwijdering en het eventueel opnieuw inzetten waarbij een of meer materialen, bedoeld of onbedoeld, worden doorgegeven van de ene fase in de levenscyclus naar een andere;
23° nuttige toepassing : elke handeling met als voornaamste resultaat dat afvalstoffen een nuttig doel dienen door hetzij in de betrokken installatie, hetzij in de ruimere economie andere materialen te vervangen die anders voor een specifieke functie zouden zijn gebruikt, of waardoor de afvalstof voor die functie wordt klaargemaakt, alsook de handelingen die als dusdanig worden bepaald door de Vlaamse Regering;
24° preventie : maatregelen die worden genomen voordat een stof of voorwerp afvalstof is geworden, ter vermindering van :
  a) de hoeveelheid afvalstoffen, inclusief via het hergebruik van voorwerpen of de verlenging van de levensduur van voorwerpen;
  b) de negatieve gevolgen van de geproduceerde afvalstoffen voor het milieu en de menselijke gezondheid;
  c) het gehalte aan schadelijke stoffen in stoffen en voorwerpen;
     
25° recyclage : elke nuttige toepassing waardoor afvalstoffen opnieuw worden bewerkt tot producten of stoffen, voor het oorspronkelijke doel of voor een ander doel. Dat omvat het opnieuw bewerken van organisch afval, maar het omvat niet energieterugwinning, noch het opnieuw bewerken tot materialen die bestemd zijn om te worden gebruikt als brandstof of als opvulmateriaal;
26° verwijdering : iedere handeling die geen nuttige toepassing is, zelfs indien de handeling er in tweede instantie toe leidt dat stoffen of energie worden teruggewonnen, alsook de handelingen die als dusdanig worden bepaald door de Vlaamse Regering;
27° voorbereiding voor hergebruik : elke nuttige toepassing die bestaat uit het controleren, schoonmaken of repareren, waarbij voorwerpen of componenten van voorwerpen die afvalstoffen zijn geworden, worden klaargemaakt zodat ze kunnen worden hergebruikt zonder dat verdere voorbehandeling nodig is.

 

§2

Voor de toepassing van afdeling 6 van hoofdstuk 3 wordt verstaan onder:

asbest: de vezelachtige silicaten actinoliet, amosiet, anthofylliet, chrysotiel, crocidoliet en tremoliet;
constructie met risicobouwjaar: de constructie met inbegrip van al wat onroerend is geworden door bestemming of incorporatie, met bouwjaar 2000 of ouder, met uitsluiting van de openbare ondergrondse infrastructuur die bestemd is voor de transit, het transport, de transmissie of de distributie van vaste, vloeibare of gasvormige stoffen, energie of informatie. Een constructie is een gebouw, een bouwwerk, een vaste inrichting, een verharding met uitzondering van steenslag, al dan niet bestaande uit duurzame materialen, in de grond ingebouwd, aan de grond bevestigd of op de grond steunend omwille van de stabiliteit, en bestemd om ter plaatse te blijven staan of liggen, ook al kan het goed uit elkaar genomen worden, verplaatst worden, of is het goed volledig ondergronds;
eenvoudig bereikbare asbesthoudende materialen: de asbesthoudende materialen die waar te nemen en weg te nemen zijn zonder de bouwkundige integriteit van een constructie of erfgoedkenmerken van een beschermd onroerend erfgoed aan te tasten binnen de normale beheers- en onderhoudscycli of een vergelijkbare stilstand bij industriėle installaties. Asbesthoudende materialen die bedekt zijn door een ander materiaal, met uitzondering van een laag verf, coating, behang, kunststof of textiel, zijn niet eenvoudig bereikbaar, tenzij het bedekkend materiaal kan worden weggenomen zonder het te beschadigen;
eigenaar: de volle of blote eigenaar. Wanneer het eigendomsrecht in onverdeeldheid is, wordt elk van de onverdeelde houders van dat recht hoofdelijk en ondeelbaar beschouwd als eigenaar;
hechtgebonden asbesthoudende materialen: asbestcement, asbesthoudende vloertegels en vloerbekledingen, asbesthoudende bitumen en roofingproducten en asbesthoudende pakkingen en dichtingen waarvan het bindmiddel bestaat uit cement, bitumen, kunststof of lijm;
niet-hechtgebonden asbesthoudende materialen: alle asbesthoudende materialen die niet hechtgebonden zijn;
openbare, technische toegankelijke constructie met risicobouwjaar: een voor mensen toegankelijke constructie met risicobouwjaar die van openbaar nut is met hoofdzakelijk technische functie vervat onder kunstwerken en lijninfrastructuur en hun aanhorigheden;
overdracht: het onder levenden overdragen van een eigendomsrecht, het onder levenden vestigen of overdragen van een recht van vruchtgebruik, een erfpacht, een opstalrecht of een zakelijk recht van gebruik. Een onteigening en een erfenis worden niet beschouwd als een overdracht;
toegankelijke constructie met risicobouwjaar: elke constructie met risicobouwjaar die mensen binnen kunnen betreden. Een constructie kan binnen betreden worden als ze minstens bestaat uit een dak dat gedragen wordt door constructie-elementen, en als een mens er normaal in kan staan of lopen;
10° publieke constructie met risicobouwjaar: elke constructie met risicobouwjaar die een publieke organisatie huisvest die aan een groot aantal personen overheidsdiensten verstrekken. Een publieke organisatie is een overheid, een parastatale, of een organisatie die publieke diensten aanbiedt die door een overheid worden verzorgd, uitbesteed of gesubsidieerd.

 

 

 

 

 

 

 


Art. 4.

§ 1.

Dit decreet draagt bij aan het bereiken van de doelstellingen met betrekking tot duurzame ontwikkeling, als vermeld in artikel 7bis van de gecoördineerde Grondwet.

 

§ 2.

De doelstelling van dit decreet is het vaststellen van maatregelen voor het tot stand brengen van materiaalkringlopen waarbij :


de gezondheid van de mens en het milieu gevrijwaard worden tegen de schadelijke invloed van de productie en het beheer van afvalstoffen;

de uitputting van hernieuwbare en niet-hernieuwbare hulpbronnen, de verspilling van materialen en energie in het algemeen en de schadelijke gevolgen voor mens en milieu, verbonden aan materiaalgebruik en -verbruik, worden tegengegaan.

 

 

§ 3.

In het bijzonder worden in dit decreet maatregelen vastgesteld:

waarbij steeds wordt gestreefd naar het beste resultaat voor milieu en gezondheid, rekening houdend met de effecten die optreden tijdens de volledige levenscyclus, en waarbij als prioriteitsvolgorde de volgende hiėrarchie wordt gehanteerd :
a)
de preventie van afvalstoffen en een efficiėnter en minder milieubelastend gebruik en verbruik van materialen via aangepaste productie- en consumptiepatronen;
b)
de voorbereiding van afvalstoffen voor hergebruik;
c)
de recyclage van afvalstoffen en de inzet van materialen in gesloten materiaalkringlopen;
d)
andere vormen van nuttige toepassing van afvalstoffen, zoals energieterugwinning en de inzet van materialen als energiebron;
e)
de verwijdering van afvalstoffen, met storten als laatste optie; 

om ervoor te zorgen dat het beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen geen gevaar oplevert voor de gezondheid van de mens en geen nadelige gevolgen heeft voor het milieu, met name :
a) zonder risico voor water, lucht, bodem, fauna en flora en klimaat op te leveren;
b)
zonder geluids- en geurhinder te veroorzaken;
c)
zonder schade aan natuur- en landschapsschoon te berokkenen.

 

 


Art. 4/1. De procedures, opgelegd in en krachtens dit decreet, kunnen geheel of gedeeltelijk elektronisch verlopen, overeenkomstig de regels die de Vlaamse Regering bepaalt.

HOOFDSTUK 2.
Algemene bepalingen rond het beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen


Art. 5.

De Vlaamse Regering kan met het oog op het bereiken van de doelstellingen, vermeld in artikel 4, materialen aanduiden en voorwaarden bepalen voor het gebruik of verbruik ervan.

 

De Vlaamse Regering kan overeenkomstig de doelstellingen, vermeld in artikel 4, voor bepaalde materialen nadere regels vaststellen ter waarborging van hun traceerbaarheid, hun verwerking overeenkomstig artikel 9, § 1, en hun rechtmatig gebruik.


Art. 6.

§ 1.

De natuurlijke personen en rechtspersonen die afvalstoffen beheren, houden een chronologisch afvalstoffenregister bij waarin onder meer de aangevoerde en afgevoerde hoeveelheid, aard, oorsprong en, als dat van toepassing is, bestemming, frequentie van de inzameling, wijze van vervoer en van behandeling van de ingezamelde, opgehaalde, vervoerde, verwijderde of nuttig toegepaste afvalstoffen zijn vermeld. De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast met betrekking tot de inhoud en de voorwaarden van dat afvalstoffenregister. De Vlaamse Regering kan groepen van natuurlijke personen en rechtspersonen van die plicht ontslaan. Met behoud van de bepalingen van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, kan de Vlaamse Regering toestaan dat bij de individuele beoordeling van vergunningsplichtige of meldingsplichtige activiteiten, vermeld in artikel 11, wordt afgeweken van de inhoud en de voorwaarden van het afvalstoffenregister.

 

De natuurlijke personen en rechtspersonen die afvalstoffen beheren, melden bepaalde gegevens met betrekking tot de ingezamelde, opgehaalde, verwijderde of nuttig toegepaste afvalstoffen aan de OVAM. De Vlaamse Regering kan vaststellen dat de OVAM natuurlijke personen en rechtspersonen selecteert om gegevens te melden. De Vlaamse Regering bepaalt welke gegevens worden gemeld en op welke wijze dat gebeurt.

 

§ 2.

De Vlaamse Regering kan bepalen dat afvalstoffen bij hun vervoer vergezeld moeten gaan van een identificatieformulier, al dan niet in elektronische vorm.

 

§ 3.

De Vlaamse Regering kan bepalen dat voor specifieke materialen materialenregisters worden bijgehouden met het oog op het verkrijgen van informatie over het efficiėnt en rechtmatig gebruik van materialen overeenkomstig de doelstelling, vermeld in artikel 4. Die registers kunnen slaan op hoeveelheden van in- en uitgaande materiaalstromen en hun herkomst en bestemming. De Vlaamse Regering kan daarvoor nadere regels vaststellen.

 

De Vlaamse Regering kan vaststellen dat de OVAM natuurlijke personen en rechtspersonen selecteert om gegevens uit het materialenregister te melden. De Vlaamse Regering bepaalt welke gegevens worden gemeld en op welke wijze dat gebeurt. 


Art. 7.

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de monsterneming en analyse van materialen.

 

De OVAM kan analyses op stalen van afvalstoffen en bodem laten uitvoeren in laboratoria die de Vlaamse Regering heeft erkend of die volgens de geldende internationale normen geaccrediteerd zijn. Laboratoria worden door de Vlaamse Regering erkend overeenkomstig de bepalingen van titel V, hoofdstuk 6, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en haar uitvoeringsbesluiten.


Art. 8.

§ 1.

De maatregelen, vermeld in artikel 4, § 3, moeten de opties stimuleren die over het geheel genomen het beste resultaat opleveren voor milieu en gezondheid. Dat kan betekenen dat bij het vaststellen van maatregelen voor bepaalde materialen moet worden afgeweken van de hiėrarchie, vermeld in artikel 4, § 3, als dat op grond van het levenscyclusdenken gerechtvaardigd is.

 

§ 2.

De Vlaamse Regering bepaalt na advies van de OVAM wanneer de afwijkingen, vermeld in paragraaf 1, gerechtvaardigd zijn. Ze houdt hierbij rekening met de beginselen, vermeld in artikel 1.2.1, § 2, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, de technische uitvoerbaarheid en de economische haalbaarheid, de bescherming van hulpbronnen, de algemene effecten voor het milieu en de menselijke gezondheid en op economisch en maatschappelijk gebied, de doelstellingen, vermeld in artikel 4, en de geldende Europese voorschriften.

 

Het advies van de OVAM, vermeld in het eerste lid, bevat de uitgangspunten, randvoorwaarden en methodieken die zijn gebruikt om op basis van het levenscyclusdenken tot een gewenste optie te komen.

 

Voor het advies, vermeld in het eerste lid, en voor het vastleggen van de uitgangspunten, randvoorwaarden en methodieken met betrekking tot het levenscylusdenken, wordt een overlegplatform opgericht, overeenkomstig artikel 19.

 

Als voor het formuleren van dat advies de resultaten van wetenschappelijke studies worden gebruikt, moeten die studies door een onafhankelijke partij zijn uitgevoerd of geverifieerd.

 

§ 3.

Als een afwijking overeenkomstig paragraaf 1 werd toegestaan, kan de Vlaamse Regering die afwijking na advies van de OVAM en overeenkomstig paragraaf 2 herzien in functie van gewijzigde technische, economische of sociale omstandigheden of in functie van gewijzigde inzichten in effecten op milieu en gezondheid.


Art. 9.

§ 1.

De Vlaamse Regering neemt de nodige passende maatregelen om ervoor te zorgen dat :

het hergebruik van voorwerpen en componenten van voorwerpen en activiteiten ter voorbereiding van hergebruik worden bevorderd;
afvalstoffen overeenkomstig artikel 4, § 3, of artikel 8, een handeling van hergebruik, recyclage of andere vorm van nuttige toepassing ondergaan;
recyclage van een hoge kwaliteit wordt bevorderd.

 

Met het oog op de naleving van de bepalingen in het eerste lid, en overeenkomstig de doelstellingen, vermeld in artikel 4, neemt de Vlaamse Regering de nodige maatregelen opdat, als dat haalbaar is op technisch, milieu- en economisch gebied, afvalstoffen gescheiden worden ingezameld, en niet gemengd worden met afvalstoffen of materialen die niet dezelfde eigenschappen hebben.

 

De Vlaamse Regering kan :

de gescheiden aanbieding en inzameling van bepaalde afvalstoffen verplichten en regels vaststellen voor hun inzamelwijze; 
doelstellingen vastleggen voor gescheiden inzameling en voor hergebruik, recyclage en andere vormen van nuttige toepassing;
voor bepaalde afvalstoffen afvalverwerkingshandelingen opleggen of verbieden.

 

§ 2.

De natuurlijke personen of rechtspersonen die een kringloopcentrum uitbaten waar voorwerpen die in aanmerking komen voor producthergebruik worden ingezameld voor selectie met het oog op hergebruik, of worden opgeslagen, gesorteerd, gereinigd of hersteld en verkocht, moeten beschikken over een erkenning. De Vlaamse Regering stelt de nadere regels voor de erkenning vast. Ze bepaalt de voorwaarden en de procedure tot erkenning en
de voorwaarden en de procedure tot opheffing, intrekking en schorsing ervan.


Art. 10. Overeenkomstig het beginsel ’de vervuiler betaalt’ worden de kosten van het afvalstoffenbeheer gedragen door de eerste afvalstoffenproducent, de huidige of de vorige houders van afvalstoffen, de producent van het product waaruit het afval is voortgekomen, of de distributeurs of invoerders van een dergelijk product. De Vlaamse Regering kan daarvoor nadere regels vaststellen.

Art. 11.

§ 1.

De verwijdering van afvalstoffen en voorbereidende handelingen die aan de verwijdering voorafgaan, zijn aan een vergunningsplicht onderworpen.

 

De nuttige toepassing van afvalstoffen en aan nuttige toepassing voorafgaande voorbereidende handelingen zijn aan een vergunnings- of meldingsplicht onderworpen.

 

De Vlaamse Regering kan het gebruik van materialen aan een vergunnings- of meldingsplicht onderwerpen, overeenkomstig de doelstellingen, vermeld in artikel 4.

 

§ 2.

Op de vergunningen en meldingen, vermeld in paragraaf 1, zijn de bepalingen van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning van toepassing.

 

De Vlaamse Regering kan sectorale voorwaarden uitvaardigen voor de activiteiten, vermeld in paragraaf 1.

 

§ 3.

Met behoud van de toepassing van de aangelegenheden die geregeld zijn door het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, kunnen de omgevingsvergunningen, vermeld in paragraaf 1, alleen worden verleend als ze niet strijdig zijn met de bepalingen van dit decreet, de uitvoeringsbesluiten ervan en de uitvoeringsplannen.

 

Met behoud van de toepassing van de aangelegenheden die geregeld zijn door het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, kunnen bij het verlenen van de omgevingsvergunningen, vermeld in paragraaf 1, voorwaarden worden gesteld met betrekking tot :

de soort en hoeveelheid van de afvalstoffen en materialen die mogen worden verwerkt of gebruikt;
de technische en andere voorschriften die op de locatie in kwestie van toepassing zijn;
de te nemen veiligheids- en voorzorgsmaatregelen; 
de wijze waarop afvalstoffen worden verwerkt of de efficiėntie waarmee materialen worden verbruikt;
de maatregelen van controle en bewaking;
de afvalstoffen en materialen die uit de verwerking of het gebruik resulteren, en hun eventuele gebruiksbeperkingen;
bepalingen over sluiting en nazorg, voor zover die noodzakelijk zijn.

 

De Vlaamse Regering kan voor de voorwaarden, vermeld in het tweede lid, nadere regels vaststellen.


Art. 12.

§ 1.

Het is verboden afvalstoffen achter te laten of te beheren in strijd met de voorschriften van dit decreet of de uitvoeringsbesluiten ervan

 

§ 2.

Het is verboden materialen te gebruiken of te verbruiken in strijd met de voorschriften van dit decreet of de uitvoeringsbesluiten ervan.

 

§ 3.

De natuurlijke persoon of rechtspersoon die afvalstoffen beheert, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs kunnen worden genomen om gevaar voor de gezondheid van de mens of voor het milieu, meer bepaald risico voor water, lucht, bodem, fauna en flora, geluids- of geurhinder, schade aan natuur- en landschapsschoon te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken.

 

De Vlaamse Regering kan die maatregelen nader omschrijven.

 

§4.

De natuurlijke persoon of rechtspersoon die asbesthoudende materialen beheert, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs kunnen worden genomen om het gevaar voor de gezondheid van de mens of voor het milieu, meer bepaald het risico voor water, lucht en bodem te voorkomen of zoveel mogelijk te beperken.

 

Asbestverdacht materiaal wordt als asbesthoudend materiaal beschouwd tenzij op basis van een geldige monstername en analyse de afwezigheid van asbest met zekerheid kan worden aangetoond. Onder asbestverdacht materiaal wordt verstaan: materiaal dat op basis van voorkennis en een beoordeling met het blote oog mogelijk asbest bevat.

 

De Vlaamse Regering kan de maatregelen, vermeld in het eerste lid, nader omschrijven.


Art. 13.

§ 1.

Ondernemingen en inrichtingen die op beroepsmatige basis afvalstoffen inzamelen of vervoeren, afvalstoffenmakelaars en -handelaars, alsook ondernemingen en inrichtingen die afvalstoffen verwerken en meldingsplichtig zijn overeenkomstig artikel 11, moeten zich laten opnemen in een register.

 

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de registratieplicht en de opmaak van het register, vermeld in het eerste lid.

 

§ 2.

De Vlaamse Regering kan met het oog op het bereiken van de doelstellingen, vermeld in artikel 4, voorwaarden opleggen aan :

de onderneming of inrichting die afvalstoffen inzamelt, vervoert of regelingen treft voor hun nuttige toepassing of verwijdering;
de afvalstoffenhandelaars of -makelaars.

 

De voorwaarden, vermeld in het eerste lid, kunnen ook betrekking hebben op de wijze van inzameling en vervoer.


Art. 13/1.

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen betreffende het beheer, de verwerking en het gebruik van materialen afkomstig van bouw- en infrastructuurwerken en van sloop-, ontmantelings-, en renovatiewerken bij bouwen infrastructuurwerken.


De Vlaamse Regering kan sloopbeheerorganisaties erkennen. De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden en de procedure tot erkenning. Ze bepaalt ook de voorwaarden voor het gebruik van de erkenning.


Art. 14.

De Vlaamse Regering kan de invoer, uitvoer en doorvoer van afvalstoffen verbieden of reglementeren.

 

De Vlaamse Regering kan alle maatregelen nemen met betrekking tot de invoer, uitvoer en doorvoer van afvalstoffen die nodig zijn voor de uitvoering van de verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen, en van het verdrag inzake de beheersing van de grensoverschrijdende overbrenging van gevaarlijke afvalstoffen en de verwijdering ervan, ondertekend in Bazel op 22 maart 1989. De Vlaamse Regering kan hiertoe onder meer :

elke invoer, uitvoer of doorvoer van afvalstoffen binnen de werkingssfeer van verordening (EG) nr. 1013/2006 onderwerpen aan het stellen van een bankgarantie, een borgsom of een gelijkwaardige financiėle zekerheid om de kosten te dekken van het vervoer en van de verwijdering of nuttige toepassing, vermeld in artikel 6 van de genoemde verordening (EG) nr. 1013/2006;
bij invoer, uitvoer of doorvoer van afvalstoffen aan de kennisgever de betaling opleggen van een vergoeding om de administratieve kosten te dekken die verbonden zijn aan de uitvoering van de kennisgevings- en toezichtsprocedure, alsook de betaling vorderen van de gangbare kosten van de passende analyses en inspecties, vermeld in artikel 29 van de genoemde verordening (EG) nr. 1013/2006.

 

De grensoverschrijdende overbrenging van afvalstoffen in strijd met de bepalingen van de verordening, vermeld in het tweede lid, of met de bepalingen vastgesteld krachtens het eerste of het tweede lid, is verboden.

 

In afwijking van de verordening, vermeld in het tweede lid, kan de OVAM in het geval van invoer binnenkomende overbrengingen van afval die bestemd zijn voor als nuttige toepassing ingedeelde afvalverbrandingsinstallaties, beperken als vaststaat dat die overbrengingen ertoe zouden leiden dat in het Vlaamse Gewest ontstaan afval moet worden verwijderd of dat afval moet worden verwerkt op een wijze die niet in overeenstemming is met de uitvoeringsplannen, vermeld in artikel 18.


Art. 15.

De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast voor het toekennen van subsidies aan :

natuurlijke personen of rechtspersonen die maatregelen en initiatieven nemen overeenkomstig de doelstellingen, vermeld in artikel 4, onder meer ter bevordering van :
a) de preventie van afvalstoffen, het hergebruik en het efficiėnter en minder milieubelastend gebruik van materialen via aangepaste productie- en consumptiepatronen;
b) de samenwerking tussen verschillende actoren binnen een of meer materiaalkringlopen met het oog op het verlagen van de milieueffecten van die materiaalkringlopen;
c) de gescheiden inzameling van afvalstoffen, de recyclage en het aanwenden van materialen in gesloten materiaalkringlopen;
d) de afzetmarkt voor uit afvalstoffen teruggewonnen producten en grondstoffen;
e) een optimalisatie van het beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen;
f) het onderzoek en de ontwikkeling voor de verwezenlijking van schonere en minder verspillende technologieėn, producten en diensten, alsook de verspreiding en toepassing van de resultaten van onderzoek en ontwikkeling op dat gebied;
lokale besturen ten behoeve van opdrachten ter uitvoering van de uitvoeringsplannen die van toepassing zijn, als vermeld in artikel 18;
de natuurlijke personen of rechtspersonen, vermeld in artikel 9, § 2, die een kringloopcentrum uitbaten, voor de werking, investeringen of personeel;
de gemeenten en verenigingen van gemeenten, vermeld in artikel 27, eerste lid, voor de kosten van selectieve ophaling of inzameling.
natuurlijke personen, rechtspersonen en overheden voor de inventarisatie, de ontmanteling, de inzameling, het transport of de verwerking van asbesthoudende materialen, vermeld in hoofdstuk 3, afdeling 6;
lokale besturen voor de organisatie van het toezicht op en de handhaving van het asbestafbouwbeleid.

 

De subsidies worden steeds toegekend binnen de perken van de in de begroting opgenomen kredieten.


Art. 16.

In de bestekken van besturen van het Vlaamse Gewest en van lokale besturen worden bepalingen opgenomen om de aankoop te bevorderen van :


producten of diensten die, rekening houdend met de volledige levenscyclus, bijdragen aan het beter sluiten van materiaalkringlopen of een lagere milieu-impact hebben dan vergelijkbare alternatieven;

uit afvalstoffen teruggewonnen grondstoffen of producten die daaruit vervaardigd zijn.

 

De Vlaamse Regering kan daarvoor nadere regels vaststellen.


Art. 17.

§ 1.

De OVAM coördineert de opmaak van preventieprogramma’s en hun eventuele herziening, en volgt de uitvoering ervan op. De Vlaamse Regering wijst de overheidsinstellingen aan die worden betrokken bij de opmaak en de uitvoering van de preventieprogramma’s.

 

Voor de opmaak en uitvoering van preventieprogramma’s worden overlegplatformen opgericht, overeenkomstig artikel 19.

 

§ 2.

De preventieprogramma’s bestaan minimaal uit maatregelen en initiatieven die worden genomen ter bevordering van de preventie van afvalstoffen, een efficiėnter en minder milieubelastend gebruik en verbruik van materialen via ecodesign en aangepaste productie- en consumptiepatronen, en een beter beheer van materiaalkringlopen overeenkomstig artikel 4. Ze zijn erop gericht de milieueffecten van materiaalkringlopen en in het bijzonder van de productie van afvalstoffen, los te koppelen van de economische groei. Voor zover dat noodzakelijk of raadzaam is, wordt bij het vaststellen van die maatregelen samengewerkt met omliggende landen of regio’s, lokale besturen of de federale overheid.

 

Aan de maatregelen, vermeld in het eerste lid, worden in de preventieprogramma’s passende kwalitatieve en kwantitatieve indicatoren, streefcijfers of doelstellingen verbonden, aan de hand waarvan de voortgang en het effect van de maatregelen en hun bijdrage tot de doelstelling worden geėvalueerd.

 

§ 3.

De ontwerpen van preventieprogramma’s of de ontwerpen van wijziging van preventieprogramma’s worden bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad en voor een termijn van twee maanden ter inzage gelegd bij de gemeenten en bij de OVAM. Gedurende die termijn kan iedereen bezwaren of opmerkingen schriftelijk ter kennis brengen van de OVAM.

 

§ 4.

Tegelijkertijd met hun bekendmaking worden de ontwerpen van preventieprogramma’s bezorgd aan de Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen, die een met redenen omkleed advies uitbrengt binnen een vervaltermijn van twee maanden na ontvangst van het ontwerp. Dit advies is niet bindend.

 

Tegelijk met de bezorging van de ontwerpen van preventieprogramma’s aan de Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen, worden deze ook overgemaakt aan het Vlaams Parlement.

 

§ 5.

De Vlaamse Regering stelt de preventieprogramma’s vast, rekening houdend met de gegeven adviezen en met de ingediende bezwaren of opmerkingen. Als de Vlaamse Regering de uitgebrachte adviezen niet volgt of niet aan de ingediende bezwaren of opmerkingen tegemoetkomt, hetzij geheel of gedeeltelijk, dan verantwoordt ze dat in een verslag dat wordt gevoegd bij de bekendmaking, vermeld in paragraaf 6.

 

§ 6.

De preventieprogramma’s worden bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Ze liggen ter inzage bij de OVAM, de provincies en de gemeenten en worden geplaatst op de website van de OVAM.

 

§ 7.

De preventieprogramma’s kunnen worden geļntegreerd in de uitvoeringsplannen voor het beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen, vermeld in artikel 18. In voorkomend geval zullen ze als duidelijk onderscheiden preventiemaatregelen worden aangegeven.

 

§ 8.

De preventieprogramma’s gelden voor de administratieve overheden van het Vlaamse Gewest, de provincies, de gemeenten en de publiekrechtelijke of privaatrechtelijke instellingen die belast zijn met taken van openbaar nut inzake milieubeleid. De geldigheidsduur van de preventieprogramma’s wordt in ieder programma afzonderlijk bepaald. De preventieprogramma’s worden minstens eenmaal om de zes jaar geėvalueerd en zo nodig herzien.

 

§ 9.

Bepalingen van de preventieprogramma’s zijn bindend, behalve als uitdrukkelijk in die programma’s is aangegeven dat ze niet bindend zijn. In die gevallen zijn ze indicatief. Van de bindende bepalingen kan alleen worden afgeweken bij een beslissing van de Vlaamse Regering, als daarvoor gewichtige redenen zijn en met behoorlijke motivering. Bepalingen van preventieprogramma’s die strijdig zijn met een gewestelijk plan of programma van latere datum met verordenende of verbindende kracht, verliezen hun geldigheid.

 

§ 10.

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de opmaak, vaststelling, opvolging en uitvoering van de preventieprogramma’s en de daarin opgenomen inspraak door belanghebbenden.


Art. 18.

§ 1.

De OVAM ontwerpt uitvoeringsplannen voor het beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen, ontwerpt hun eventuele herziening en volgt de uitvoering ervan op. Die plannen bestrijken, afzonderlijk of gezamenlijk, het hele geografische grondgebied van het Vlaamse Gewest.

 

Voor de opmaak van het ontwerp en de uitvoering van de uitvoeringsplannen worden overlegplatformen opgericht, overeenkomstig artikel 19.

 

§ 2.

In de uitvoeringsplannen worden de maatregelen opgenomen voor het tot stand brengen van een adequaat geļntegreerd netwerk van installaties voor de verwijdering van afval en van installaties voor de nuttige toepassing van gemengd stedelijk afval, ingezameld van particuliere huishoudens, ook als die inzameling dergelijk afval van andere producenten omvat, rekening houdend met de beste beschikbare technieken. Die maatregelen worden genomen met het oog op zelfvoorziening voor de verwijdering van afval en voor de nuttige toepassing van bovengenoemde afvalstromen en moeten het mogelijk maken om de respectieve afvalstromen te verwijderen of nuttig toe te passen in een van de meest nabijgelegen installaties die daarvoor geschikt is met behulp van de meeste geschikte methoden en technologieėn om een hoog niveau van bescherming van milieu en volksgezondheid te waarborgen. Voor zover dat noodzakelijk of raadzaam is, wordt bij het vaststellen van die maatregelen samengewerkt met omliggende landen of regio’s.

 

Tenzij in gevallen van overmacht, kan gemengd stedelijk afval dat volledig apart van afval van particuliere huishoudens wordt ingezameld, slechts worden uitgevoerd wanneer het in Vlaanderen werd ingezameld volgens de regels opgesteld door de Vlaamse Regering.

 

§ 3.

De uitvoeringsplannen kunnen een analyse bevatten van een of meer materiaalkringlopen en hun effecten op milieu en gezondheid, alsook een overzicht van maatregelen die moeten worden genomen in verschillende fasen van de levenscyclus om de milieu- en gezondheidseffecten van het gebruik en verbruik van de materialen in kwestie te verlagen, overeenkomstig de doelstellingen, vermeld in artikel 4.

 

§ 4.

De uitvoeringsplannen bevatten minimaal een analyse van de bestaande situatie in verband met afvalbeheer in het algemeen of voor een of meer categorieėn van afvalstoffen in het bijzonder, alsook de maatregelen die moeten worden genomen om voorbereiding voor hergebruik, recyclage, andere vormen van nuttige toepassing en verwijdering van afvalstoffen milieuvriendelijker te maken, alsook een evaluatie van hoe het plan de uitvoering van de doelstellingen en de bepalingen van dit decreet zal ondersteunen.

 

§ 5.

De uitvoeringsplannen hebben als doel de samenhang te bevorderen van maatregelen die door verschillende actoren, betrokken bij het beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen, worden genomen.

 

§ 6.

In het bijzonder bevatten de uitvoeringsplannen ten minste de volgende elementen :

1°  soort, hoeveelheid en bron van de binnen het Vlaamse Gewest geproduceerde afvalstoffen en van de afvalstoffen

die naar verwachting vanuit of naar het Vlaamse Gewest zullen worden overgebracht, en een evaluatie van de

ontwikkeling van de afvalstromen in de toekomst;  

2°  bestaande regelingen voor afvalinzameling en grote verwijderingsinstallaties en installaties voor nuttige

toepassing, inclusief speciale regelingen voor afgewerkte oliėn, gevaarlijke afvalstoffen of afvalstromen waarvoor

specifieke communautaire wetgeving bestaat; 

3°  een beoordeling van de behoefte aan nieuwe inzamelingsregelingen, sluiting van bestaande afvalinstallaties,

extra afvalverwerkingsinstallaties, overeenkomstig paragraaf 2, en, indien nodig, de daarmee samenhangende

investeringen; 

4°  voldoende informatie over locatiecriteria voor de keuze van locaties, en capaciteit van toekomstige

verwijderingsinstallaties of belangrijke installaties voor nuttige toepassing, indien nodig;

algemeen afvalbeheerbeleid, inclusief geplande afvalbeheertechnologieėn en -methoden of beleid voor afval dat

specifieke beheersproblemen oplevert;

6°  passende kwalitatieve en kwantitatieve indicatoren, streefcijfers of doelstellingen, verbonden aan de

maatregelen, vermeld in paragraaf 2, aan de hand waarvan de voortgang en het effect van de maatregelen en hun

bijdrage tot de doelstelling, vermeld in artikel 4, wordt geėvalueerd.

 

§ 7.

De ontwerpen van uitvoeringsplannen of de ontwerpen van wijziging van de uitvoeringsplannen worden bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad en voor een termijn van twee maanden ter inzage gelegd bij de gemeenten en bij de OVAM. Gedurende die termijn kan iedereen bezwaren of opmerkingen schriftelijk ter kennis brengen van de OVAM.

 

§ 8.

Tegelijkertijd met hun bekendmaking worden de ontwerpen, vermeld in paragraaf 7, bezorgd aan de Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen, die een met redenen omkleed advies uitbrengt binnen een vervaltermijn van twee maanden na ontvangst van het ontwerp. Dit advies is niet bindend.

 

Tegelijk met de bezorging van de ontwerpen van uitvoeringsplannen of de ontwerpen van wijziging van uitvoeringsplannen aan de Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen, worden deze ook overgemaakt aan het Vlaams Parlement.

 

§ 9.

De Vlaamse Regering stelt de uitvoeringsplannen of wijzigingen daaraan vast, rekening houdend met de gegeven adviezen en met de ingediende bezwaren of opmerkingen. Als de Vlaamse Regering de uitgebrachte adviezen niet volgt of niet aan de ingediende bezwaren of opmerkingen tegemoetkomt, hetzij geheel of gedeeltelijk, dan verantwoordt ze dat in een verslag dat wordt gevoegd bij de bekendmaking, vermeld in paragraaf 10.

 

§ 10.

De uitvoeringsplannen worden bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Ze liggen ter inzage bij de OVAM, de provincies en de gemeenten en worden geplaatst op de website van de OVAM.

 

§ 11.

De uitvoeringsplannen gelden voor de administratieve overheden van het Vlaamse Gewest, de provincies, de gemeenten en de publiekrechtelijke of privaatrechtelijke instellingen die belast zijn met taken van openbaar nut inzake milieubeleid. De geldigheidsduur van de uitvoeringsplannen wordt in ieder plan afzonderlijk bepaald. De uitvoeringsplannen worden minstens eenmaal om de zes jaar geėvalueerd en zo nodig herzien.

 

§ 12.

Bepalingen van de uitvoeringsplannen zijn bindend, behalve als uitdrukkelijk in die plannen is aangegeven dat ze niet bindend zijn. In die gevallen zijn ze indicatief. Van de bindende bepalingen kan alleen worden afgeweken bij een beslissing van de Vlaamse Regering, als daarvoor gewichtige redenen zijn en met behoorlijke motivering. Bepalingen van de uitvoeringsplannen die strijdig zijn met een gewestelijk plan van latere datum met verordenende of verbindende kracht, verliezen hun geldigheid.

 

§ 13.

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de opmaak, vaststelling, opvolging en uitvoering van de uitvoeringsplannen en de daarin voorziene inspraak door belanghebbenden.


Art. 19.

§ 1.

De Vlaamse Regering kan overlegplatformen oprichten die bestaan uit belanghebbende overheidsorganen, instellingen en privaatrechtelijke organisaties die betrokken zijn bij het beheer van een of meer categorieėn afvalstoffen of bij het beheer van een of meer materiaalkringlopen, alsook belanghebbenden uit het bredere maatschappelijke middenveld. De Vlaamse Regering wijst de betrokkenen aan. De OVAM kan bijkomend betrokkenen aanwijzen.

 

De overlegplatformen, vermeld in het eerste lid, hebben onder meer als doel :

1°  te komen tot afstemming van maatregelen, genomen door publieke en private actoren in verschillende fasen van

een of meer materiaalkringlopen met het oog op het bereiken van de doelstellingen, vermeld in artikel 4; 

2°  te komen tot uitwisseling van informatie tussen publieke en private actoren met betrekking tot het beheer van

materiaalkringlopen; 

de uitvoering van maatregelen op te volgen en te evalueren. 

 

§ 2.

Onder meer worden overlegplatformen opgericht in het kader van :

1°  het opstellen, opvolgen en evalueren van de preventieprogramma's, vermeld in artikel 17; 
2°  het rechtvaardigen van de afwijkingen op de hiėrarchie, vermeld in artikel 8; 
3°  het opstellen, opvolgen en evalueren van de milieubeleidsovereenkomsten, vermeld in artikel 20; 
4°  het opstellen, opvolgen en evalueren van de uitvoeringsplannen voor het beheer van materiaalkringlopen en

afvalstoffen, vermeld in artikel 18. 

 

§ 3.

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de oprichting en werking van de overlegplatformen, vermeld in paragraaf 1.


Art. 20.

Om de doelstellingen, vermeld in artikel 4, te realiseren, kan de Vlaamse Regering milieubeleidsovereenkomsten sluiten overeenkomstig de decretale bepalingen die van toepassing zijn.

 

Om uitvoering te geven aan de maatregelen, vermeld in artikel 21, § 1, kan de Vlaamse Regering voorzien in de mogelijkheid om convenanten te sluiten. De Vlaamse Regering kan aan het sluiten van een convenant voorwaarden opleggen en kan nadere regels vaststellen over de inhoud, wijze van totstandkoming, bekendmaking, wijziging en opzegging van een convenant.


Art. 21.

§ 1.

Om preventie, hergebruik, recyclage en andere nuttige toepassingen van afvalstoffen te stimuleren kan de Vlaamse Regering maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die beroepsmatig producten ontwikkelt, vervaardigt, behandelt, verwerkt, verkoopt of invoert (producent van het product), een uitgebreide producentenverantwoordelijkheid draagt.

 

De maatregelen, vermeld in het eerste lid, kunnen bestaan uit het opleggen van regels en verplichtingen aan de natuurlijke personen en rechtspersonen, vermeld in het eerste lid, en hebben betrekking op :

1°  het volledig of gedeeltelijk verantwoordelijk stellen voor de organisatie van de inzameling van de afvalstoffen

die voortkomen uit producten die ze op de markt gebracht hebben; 

2°  het verplicht doen aanvaarden van die afvalstoffen; 
3°  het volledig of gedeeltelijk verantwoordelijk stellen voor het daaropvolgende beheer van die afvalstoffen; 
4°  het toewijzen van de financiėle verantwoordelijkheid voor de inzameling en verwerking van die afvalstoffen

overeenkomstig artikel 10; 

5° 

het verstrekken van openbaar beschikbare informatie over milieuverantwoord productgebruik en over de mate

waarin en de manier waarop het product herbruikbaar en recycleerbaar is. 

 

De maatregelen, vermeld in het eerste lid, kunnen ook maatregelen zijn die stimuleren om producten in die mate te ontwerpen dat de milieueffecten en de afvalproductie zowel bij de vervaardiging als bij het latere gebruik van de producten worden verminderd, en om ervoor te zorgen dat de producten die afval zijn geworden, nuttig worden toegepast en verwijderd als vermeld in artikel 4. Dergelijke maatregelen kunnen onder meer aanmoedigen tot het ontwikkelen, vervaardigen en in de handel brengen van producten die geschikt zijn voor meervoudig gebruik, die technisch duurzaam zijn en die, zodra ze afval zijn geworden, geschikt zijn voor een passende en veilige recyclage, voor andere nuttige toepassing en voor milieuverantwoorde verwijdering.

 

§ 2.

De Vlaamse Regering wijst de producten of afvalstoffen aan waarvoor een vorm van uitgebreide producentenverantwoordelijkheid geldt. Ze houdt daarbij rekening met de technische uitvoerbaarheid, de economische haalbaarheid en de effecten in hun totaliteit op het milieu, de volksgezondheid en de maatschappij, met inachtneming van de noodzaak een goede werking van de markt te garanderen.

 

§ 3.

De uitgebreide producentenverantwoordelijkheid wordt toegepast met behoud van de toepassing van de verantwoordelijkheid voor afvalbeheer, vermeld in artikel 12, § 3, en met behoud van de toepassing van de bestaande specifieke wetgeving inzake afvalstromen en producten.

 

§ 4.

De natuurlijke personen of rechtspersonen, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, kunnen voor de nakoming van de verplichtingen die hen door of krachtens dit artikel worden opgelegd, op eigen kosten een beroep doen op derden, onder de voorwaarden die de Vlaamse Regering bepaalt.

 

Voor de inzameling van huishoudelijke afvalstoffen is, naast eventuele andere inzamelkanalen, de samenwerking met de gemeenten verplicht. De Vlaamse Regering stelt in dat geval nadere regels vast voor het bepalen van een billijke vergoeding die de natuurlijke personen of rechtspersonen, vermeld in paragraaf 1, moeten betalen aan de gemeenten voor de inzameling van de huishoudelijke afvalstoffen die in de gemeentelijke inzamelkanalen terechtkomen.

 

De Vlaamse Regering kan van die verplichting tot samenwerking afwijken als andere inzamelingskanalen efficiėnter en effectiever zijn. Voor afvalstoffen waarvoor de samenwerking met de gemeenten niet verplicht is, zijn de gemeenten niet verplicht de afvalstoffen te aanvaarden via de gemeentelijke inzamelkanalen en hebben de gemeenten derhalve ook geen recht op de billijke vergoeding, vermeld in het tweede lid.


HOOFDSTUK 3.
Bepalingen over het beheer van specifieke materiaalkringlopen en afvalstoffen


Afdeling 1.
Algemene bepalingen


Art. 22.

Alle afvalstoffen worden volgens hun herkomst of aard in een van de volgende hoofdcategorieėn ingedeeld :

 

1°  huishoudelijke afvalstoffen; 
2°  bedrijfsafvalstoffen. 

 

Afvalstoffen kunnen bovendien in een of meer van de volgende aanvullende categorieėn worden ingedeeld :

 

1°  gevaarlijke afvalstoffen; 
2°   bijzondere afvalstoffen;
gemengd stedelijk afval. 

 

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen over het beheer van de afvalstoffen ingedeeld in de categorieėn, vermeld in het eerste en het tweede lid.

De voorschriften die gelden voor de hoofdcategorie en de aanvullende categorieėn waarin een afvalstof is ingedeeld, zijn cumulatief van toepassing, zoals bepaald in artikel 29 of 32.


Afdeling 2.
Bedrijfsafvalstoffen


Art. 23.

De producenten van bedrijfsafvalstoffen houden een chronologisch afvalstoffenregister bij waarin onder meer de aard, oorsprong, samenstelling, hoeveelheid, bestemming en wijze van nuttige toepassing of verwijdering van de afvalstoffen worden vermeld. De Vlaamse Regering stelt de nadere regels vast voor de inhoud en de structuur van het afvalstoffenregister.

 

De producenten van bedrijfsafvalstoffen melden sommige gegevens uit het afvalstoffenregister aan de OVAM. De Vlaamse Regering bepaalt welke gegevens op welke wijze gemeld worden. Ze kan de melding laten doen via het integraal milieujaarverslag, vermeld in artikel 3.5.3 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.

 

De Vlaamse Regering kan bepaalde categorieėn van producenten ontslaan van de verplichtingen, vermeld in het eerste en het tweede lid, wegens de geringe hoeveelheden en de geringe schadelijkheidsgraad van de door hen voortgebrachte afvalstoffen.


Art. 24.

Producenten van bedrijfsafvalstoffen moeten op hun kosten de afvalstoffen een nuttige toepassing geven of verwijderen, tenzij het anders bepaald is door de Vlaamse Regering overeenkomstig artikel 10.


Art. 25.

§ 1.

Houders van bedrijfsafvalstoffen en afvalstoffenmakelaars en -handelaars moeten de afvalstoffen nuttig toepassen of verwijderen :

1°  binnen de onderneming waarin de afvalstoffen zijn ontstaan of worden behandeld, in overeenstemming met de

omgevingsvergunning, vermeld in artikel 11, of met de andere toepasselijke wettelijke, decretale of reglementaire

voorschriften; 

2°  door afgifte aan een natuurlijk persoon of rechtspersoon die overeenkomstig artikel 11 houder is van een

vergunning voor de verwijdering of nuttige toepassing van de afvalstoffen, of die voldaan heeft aan de meldingsplicht,

of die een geregistreerde afvalstoffenhandelaar of -makelaar is als vermeld in artikel 13; 

3°  door afgifte aan een in een ander gewest of land gevestigde natuurlijk persoon of rechtspersoon die

overeenkomstig de daar geldende wetgeving de afvalstoffen : 

a)  mag verwijderen als er geen merkelijk dichterbij gelegen, vergunde verwijderingsinrichting is die de afvalstoffen

op een verantwoorde wijze kan verwijderen onder vergelijkbare voorwaarden;

b)  nuttig mag toepassen. 

 

§ 2.

Iedere afgifte van bedrijfsafvalstoffen als vermeld in paragraaf 1, 2° en 3°, gebeurt tegen de ontvangst van een afgiftebewijs, al dan niet in elektronische vorm. Met behoud van de toepassing van artikel 23 moeten de houders van bedrijfsafvalstoffen dat afgiftebewijs op elk moment kunnen voorleggen tot minstens vijf jaar na de datum van de afgifte van de afvalstoffen.

 

§ 3.

Het afgiftebewijs vermeldt :

1°  datum van afgifte; 
2°  naam en woonplaats van de producent of de inrichting waarvan de afvalstoffen in ontvangst worden genomen; 
3°  naam en woonplaats van de natuurlijke persoon of rechtspersoon, vermeld in paragraaf 1, 2° en 3°, aan wie de

afvalstoffen worden afgegeven; 

4°  aard, herkomst, samenstelling en hoeveelheid van de afgegeven afvalstoffen; 
5°  beoogde wijze van verwerking. 

 

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor het afgiftebewijs, vermeld in paragraaf 2 en 3.


Afdeling 3.
Huishoudelijke afvalstoffen


Art. 26.

Elke gemeente draagt er, al dan niet in samenwerking met andere gemeenten, zorg voor dat de huishoudelijke afvalstoffen zo veel mogelijk worden voorkomen of hergebruikt, op regelmatige tijdstippen worden opgehaald of op een andere wijze worden ingezameld, en nuttig worden toegepast of verwijderd, overeenkomstig artikel 11, 12 en 13, § 2.

 

De gemeenten verhalen, overeenkomstig artikel 10, de kosten van het beheer van huishoudelijk afval op de afvalproducenten. De gemeente kan haar verzelfstandigde entiteiten of intergemeentelijke samenwerkingsverbanden ertoe machtigen die kosten te innen, ook als ze in de vorm van belastingen en retributies worden verhaald. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de wijze waarop de gemeenten de kosten van het beheer van huishoudelijke afvalstoffen berekenen.

 

Met behoud van de toepassing van de bepalingen van dit decreet worden de ophaling en inzameling van huishoudelijke afvalstoffen bij gemeentelijk reglement geregeld.

 

De prestaties van elke persoon die nodig zijn voor de normale werking van de diensten die met het ophalen van de huishoudelijke afvalstoffen zijn belast, alsook het nodige materiaal daarvoor, mogen door de burgemeester, de arrondissementscommissaris en de gouverneur worden opgeėist.


Art. 27.

De gemeenten en verenigingen van gemeenten kunnen met de OVAM overeenkomsten sluiten om de organisatie van de selectieve ophaling of inzameling van huishoudelijke afvalstoffen te bevorderen of te begeleiden.

 

De provincies kunnen, binnen het kader van het Vlaamse afvalstoffenbeleid, ondersteunende initiatieven en acties aanbieden die gericht zijn op concrete realisaties op het terrein.


Art. 28.

Als een gemeente of een provincie of hun samenwerkingsverbanden de verplichtingen opgelegd door of krachtens artikel 26, eerste lid, of door de programma’s en plannen, vermeld in artikel 17 en 18, niet nakomen binnen de door de Vlaamse Regering bepaalde termijn en daardoor het algemeen belang schaden, kan de Vlaamse Regering, na ingebrekestelling bij een met redenen omkleed besluit, in de plaats treden van de gemeente of de provincie of hun samenwerkingsverbanden in kwestie voor de uitvoering van alle maatregelen die nodig zijn om de voormelde verplichtingen na te komen. Het Vlaamse Gewest kan de kosten van de vermelde maatregelen verhalen op de gemeente of de provincie of hun samenwerkingsverbanden.

 

Zowel bij de coördinatie als bij de organisatie hebben de gemeenten, de provincies en hun samenwerkingsverbanden de mogelijkheid om beroep aan te tekenen bij de Vlaamse minister bevoegd voor het leefmilieu. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor die beroepsprocedure.


Afdeling 4.
Gevaarlijke afvalstoffen


Art. 29.

De bepalingen van afdeling 1 en 2 en van hoofdstuk 2 zijn van toepassing op de gevaarlijke afvalstoffen als er in deze afdeling niet uitdrukkelijk van wordt afgeweken.


Art. 30.

§ 1.

Gevaarlijke afvalstoffen die worden verwijderd, moeten worden geregistreerd en geļdentificeerd.

 

§ 2.

Gevaarlijke afvalstoffen moeten bij de inzameling, het vervoer en de tijdelijke opslag deugdelijk zijn verpakt of opgeslagen en voorzien worden van een etiket, overeenkomstig de geldende internationale en Europese voorschriften. Telkens als gevaarlijke afvalstoffen worden vervoerd, moet er een identificatieformulier bijgevoegd zijn, al dan niet in elektronische vorm, met de toepasselijke gegevens, vermeld in bijlage I B van verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen.

 

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de verpakking, opslag en identificatie van gevaarlijke afvalstoffen.

 

§ 3.

De natuurlijke personen of rechtspersonen die aan afvalstoffenverwerking doen, mogen gevaarlijke afvalstoffen niet mengen met andere categorieėn gevaarlijke afvalstoffen, noch met andere afvalstoffen, stoffen of materialen. Onder mengen wordt ook het verdunnen van gevaarlijke stoffen verstaan.

 

Van de verbodsbepaling, vermeld in het eerste lid, kan worden afgeweken, indien de Vlaamse Regering andere maatregelen voorziet om ervoor te zorgen dat gevaarlijke afvalstoffen niet worden gemengd met andere categorieėn gevaarlijke afvalstoffen, noch met andere afvalstoffen, stoffen of materialen.

 

§ 4.

In afwijking van paragraaf 3 kan in de vergunning, vermeld in artikel 11, worden toegelaten dat gevaarlijke afvalstoffen gemengd worden met andere gevaarlijke afvalstoffen of met andere afvalstoffen, stoffen of materialen, als :

dit vereist is om de veiligheid bij de verwijdering of de nuttige toepassing te verbeteren; 
2°  daarmee geen afbreuk wordt gedaan aan de bepalingen van artikel 12, § 3; 
3°  daarmee de negatieve gevolgen van het afvalbeheer op de menselijke gezondheid en het milieu niet worden vergroot; 
4°  de handeling in kwestie in overeenstemming is met de beste beschikbare technieken. 

 

 

§ 5.

Als gevaarlijke afvalstoffen in strijd met paragraaf 3 en 4 gemengd zijn, moet een scheidingsbehandeling worden uitgevoerd, als dat technisch en economisch haalbaar is en als dat voor de naleving van artikel 12, § 3, nodig is.


Art. 31.

De bepalingen van artikel 30, § 2 en § 5, gelden niet voor door huishoudens geproduceerd gemengd afval.

 

De bepalingen van artikel 30, § 2, gelden niet voor afzonderlijke fracties van gevaarlijke afvalstoffen die afkomstig zijn uit huishoudens tot die stoffen worden aanvaard voor inzameling, verwijdering of nuttige toepassing door een inrichting of een onderneming die een vergunning heeft gekregen of die is geregistreerd overeenkomstig artikel 11 en 13.


Afdeling 5.
Bijzondere afvalstoffen


Art. 32.

De Vlaamse Regering stelt overeenkomstig artikel 4 nadere regels vast voor het beheer van de bijzondere afvalstoffen, vermeld in artikel 22, tweede lid, 2°.

 

De regels, vermeld in het eerste lid, vullen de regels aan vermeld in afdeling 1, 2, 3, 4 of 5 en in hoofdstuk 2. Ze kunnen voor welbepaalde bijzondere afvalstoffen en activiteiten die gericht zijn op het beheer van de afvalstoffen, voorschriften omvatten die afwijken van de bepalingen van artikel 6, 11, 13 en 26, als dat vereist is voor de doelmatige verwijdering of de nuttige toepassing van de afvalstoffen.


Art. 32/1.

Het depollueren, demonteren, vernietigen met inbegrip van indrukken van afgedankte voertuigen of het uitvoeren van een andere behandeling op afgedankte voertuigen kan door de Vlaamse Regering afhankelijk worden gemaakt van een vooraf te verkrijgen erkenning als centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen.


De Vlaamse Regering stelt de nadere regels voor de erkenning vast. Ze bepaalt de voorwaarden en de procedure tot erkenning, de mogelijkheid en de procedure tot opheffing ervan en de voorwaarden voor het gebruik van de erkenning.


De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen waaraan de centra voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen moeten voldoen vanaf dat ze erkend zijn.


Art. 33.

§ 1.

De Vlaamse Regering kan ter aanvulling of uitvoering van verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1774/2002, nadere regels vaststellen voor het beheer van dierlijke bijproducten en afgeleide producten als vermeld in de verordening, als ze voldoen aan de definitie van afvalstof.

 

§ 2.

De Vlaamse Regering kan de producenten van de afvalstoffen, vermeld in paragraaf 1, ontslaan van de meldingsplicht, vermeld in artikel 23, tweede en derde lid, en stelt daarvoor nadere regels vast.

 

§ 3.

Behoudens in de gevallen die uitdrukkelijk bepaald zijn door de Vlaamse Regering, is de afgifte van deze afvalstoffen alleen toegestaan aan een hiervoor erkend of geregistreerd natuurlijke persoon of rechtspersoon of door deze erkende of geregistreerde natuurlijke persoon of rechtspersoon aan een hiervoor erkende en vergunde inrichting.

 

De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast voor de procedure van afgifte, de erkenning en de registratie.

 

In de door de Vlaamse Regering bepaalde gevallen kunnen de toezichthouders besluiten dat de afvalstoffen kunnen of moeten worden verwijderd door verbranding of begraving.

 

§ 4.

De Vlaamse Regering wijst de categorieėn van producenten van de afvalstoffen aan die ertoe gehouden zijn een overeenkomst te sluiten over de financiering van de ophaling ervan door een inrichting als vermeld in paragraaf 3.

 

De Vlaamse Regering kan de maximumtarieven bepalen die in geval van een vergoeding per prestatie mogen worden toegepast.

 

De inzameling en verwerking van deze afvalstoffen, als het hele kadavers van landbouwhuisdieren betreft, anders dan bij de categorieėn van producenten, vermeld in het eerste lid, geschiedt kosteloos. De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden waaronder de erkende inrichtingen worden vergoed voor die prestaties ten laste van het Vlaamse Gewest.

 

De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden waaronder handelingen in het kader van het beheer van de afvalstoffen worden vergoed ten laste van het Vlaamse Gewest.


Afdeling 6.
Asbesthoudende materialen


Onderafdeling 6.1.
Algemene bepalingen


Art. 33/1.

Het is verboden constructies zoals zonnepanelen, overzetdaken en reclamepanelen te bevestigen aan of over asbesthoudende dak- en gevelbekleding. Het is eveneens verboden asbesthoudende dak- en gevelbekleding in te sluiten of te bedekken met andere materialen.


Art. 33/2.

Het is verboden dak- en gevelbekleding van asbestcement te reinigen of te ontmossen.


Art. 33/3.

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor het beheer van afstromend hemelwater van een dak- of gevelbekleding van asbestcement om de impact op mens en milieu te minimaliseren.


Art. 33/4.

De Vlaamse Regering kan het afleveren van een afgiftebewijs bij afgifte van asbesthoudende huishoudelijke afvalstoffen aan een natuurlijk persoon of rechtspersoon die overeenkomstig artikel 11 houder is van een vergunning voor de verwijdering van de afvalstoffen of aan een geregistreerde afvalstoffenhandelaar of -makelaar als vermeld in artikel 13, verplichten.

 

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen betreffende de inhoud en de aflevering van het afgiftebewijs, vermeld in het eerste lid.


Onderafdeling 6.2.
Verwijderingsplicht asbesthoudende materialen


Art. 33/5.

Elke eigenaar van een publieke constructie met risicobouwjaar is verplicht zijn constructie met risicobouwjaar tegen 1 januari 2034 te ontdoen van de volgende asbesthoudende materialen:

alle eenvoudig bereikbare niet-hechtgebonden asbesthoudende materialen met uitzondering van asbesthoudend pleisterwerk op wanden dat een laag risico vormt als vermeld in artikel 33/6, derde lid;
alle dak- en gevelbekledingen, dakgoten, rookgaskanalen en hemelwaterafvoerkanalen bestaande uit asbestcement als ze zich aan de buitenzijde bevinden.

 

Voor publieke constructies met risicobouwjaar waarvoor de eigenaar overeenkomstig artikel 33/9 over een asbestinventarisattest moet beschikken, bewijst dit attest of al dan niet aan de verplichting, vermeld in het eerste lid, is voldaan. Voor de andere constructies met risicobouwjaar kan de Vlaamse Regering bepalen hoe de naleving van deze verplichting kan worden aangetoond.

 

De Vlaamse Regering kan een uitstel voor een duur van maximaal twee jaar verlenen voor de uitvoering van de verplichting, vermeld in het eerste lid, zowel voor bepaalde doelgroepen als voor bepaalde categorieėn van constructies met risicobouwjaar.

 

De Vlaamse Regering kan bepalen dat een uitstel kan worden bekomen tot 2040 als wordt aangetoond dat de verplichting, vermeld in het eerste lid, niet kan worden gerealiseerd zonder de openbare gezondheid of veiligheid in gevaar te brengen. De Vlaamse Regering bepaalt hiervoor de voorwaarden en de modaliteiten van de aanvraag.


Art. 33/6.

Elke eigenaar van een publieke constructie met risicobouwjaar is verplicht om:

tegen 1 januari 2040 zijn constructie met risicobouwjaar asbestveilig te maken;
de asbestveilige toestand na 1 januari 2040 te behouden.

 

Een asbestveilige toestand is een toestand waarin bij normaal gebruik van de publieke constructie met risicobouwjaar geen blootstellingsrisico’s kunnen ontstaan voor mens en milieu doordat men zich heeft ontdaan van alle eenvoudig bereikbare asbesthoudende materialen met niet-laag risico en de resterende asbesthoudende materialen veilig worden beheerd.

 

Asbesthoudende materialen hebben een laag risico wanneer het op basis van hun aard, staat en voorkomen weinig waarschijnlijk is dat asbestvezels kunnen vrijkomen. Asbesthoudende materialen worden veilig beheerd als de materialen met laag risico deze status behouden en er voor de materialen met niet-laag risico maatregelen zijn getroffen om het risico op het vrijkomen van asbestvezels te verhinderen. In het inspectieprotocol, vermeld in artikel 33/10, § 3, kunnen nadere regels worden vastgesteld omtrent de risico-evaluatie en het veilig beheer van asbesthoudende materialen.

 

Voor publieke constructies met risicobouwjaar waarvoor de eigenaar overeenkomstig artikel 33/9 over een asbestinventarisattest moet beschikken, bewijst dit attest of al dan niet aan de verplichting, vermeld in het eerste lid, 1°, is voldaan. Voor de andere constructies met risicobouwjaar kan de Vlaamse Regering bepalen hoe de naleving van deze verplichting kan worden aangetoond.


Art. 33/7.

Met behoud van de toepassing van de artikelen 33/5 en 33/6 ontdoet de eigenaar van een constructie zich via de geėigende kanalen bij onderhouds-, herstellings- of ontmantelingswerken in constructies altijd van alle asbesthoudende materialen die door de werken eenvoudig bereikbaar geworden zijn.


Art. 33/8.

De OVAM kan overgaan tot het uitvoeren van de ontmanteling, de inzameling, het transport of de verwerking van asbesthoudende materialen. Voor de ontzorging, prefinanciering en financiering daarvan door de OVAM kan de Vlaamse Regering een regeling treffen of een overeenkomst sluiten.


Onderafdeling 6.3.
Asbestinventarisatie


HOOFDSTUK 4.
Afbakening van de afvalfase


Art. 34. De afvalfase van een materiaal neemt een aanvang als aan de definitie van afvalstof is voldaan.

Art. 35. De Vlaamse Regering stelt een lijst van afvalstoffen op, overeenkomstig de geldende Europese voorschriften, waarin wordt opgesomd welke code wordt toegekend aan afvalstoffen, welke afvalstoffen als gevaarlijk moeten worden aangemerkt en welke analysemethoden eventueel van toepassing zijn om uit te maken of een stof voldoet aan de omschrijving die is gegeven aan een in de lijst opgenomen afvalstof.

Art. 36.

Sommige specifieke afvalstoffen zijn niet langer afvalstoffen als ze een behandeling voor nuttige toepassing, waaronder recyclage, hebben ondergaan, en als ze voldoen aan specifieke criteria die opgesteld moeten worden onder de volgende voorwaarden :

1° de stof of het voorwerp wordt gebruikelijk toegepast voor specifieke doelen; 
2° er is een markt voor of vraag naar de stof of het voorwerp; 
3° de stof of het voorwerp voldoet aan de technische voorschriften voor de specifieke doelen en aan de voor producten geldende wetgeving en normen; 
4° het gebruik van de stof of het voorwerp heeft over het geheel genomen geen ongunstige effecten op het milieu of de menselijke gezondheid. 

 

Die criteria moeten worden uitgewerkt overeenkomstig artikel 39 en 40.


Art. 37.

Een stof die of een voorwerp dat het resultaat is van een productieproces dat niet in de eerste plaats bedoeld is voor de productie van die stof of dat voorwerp, kan alleen als een bijproduct en niet als een afvalstof worden aangemerkt, als wordt voldaan aan de volgende voorwaarden :

1° het is zeker dat de stof of het voorwerp zal worden gebruikt; 
2° de stof of het voorwerp kan rechtstreeks worden gebruikt zonder verdere andere behandeling dan die welke bij de normale productie gangbaar is; 
3° de stof of het voorwerp wordt geproduceerd als een integraal onderdeel van een productieproces;  
4° verder gebruik is rechtmatig, met andere woorden de stof of het voorwerp voldoet aan alle voorschriften voor producten, milieu en gezondheidsbescherming voor het specifieke gebruik en zal niet leiden tot over het geheel genomen ongunstige effecten op het milieu of de menselijke gezondheid. 

 

 


Art. 38.

Bodemmaterialen, als vermeld in artikel 2, 33°, van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006, worden niet beschouwd als afvalstoffen als zij gebruikt worden overeenkomstig de bepalingen voor het gebruik en de traceerbaarheid van bodemmaterialen, vermeld in het Bodemdecreet van 27 oktober 2006 en de uitvoeringsbesluiten ervan.


Art. 39.

§ 1.

De Vlaamse Regering wijst indien nodig, overeenkomstig Europese voorschriften, de materialen aan en legt specifieke criteria op om aan te geven of het betreffende materiaal kan worden beschouwd als een bijproduct of als een materiaal dat de einde-afvalfase heeft bereikt.

 

§ 2.

Als er voor een specifiek materiaal geen Europese criteria zijn vastgelegd, kan de Vlaamse Regering voor dat materiaal specifieke criteria uitwerken die moeten garanderen dat de voorwaarden, vermeld in artikel 36 en 37, zijn vervuld.

 

De criteria, vermeld in het eerste lid, kunnen onder meer betrekking hebben op de herkomst van het materiaal, de manier waarop het is ingezameld, geproduceerd of verwerkt, de aard en samenstelling van het materiaal, grenswaarden voor verontreinigende stoffen, het toegelaten gebruiksgebied, de toegelaten wijze van aanwending en de aanwezigheid van een kwaliteitsborgingssysteem dat waakt over input, procesvoering en eindkwaliteit.

 

Bij de evaluatie van de over het geheel genomen ongunstige effecten op het milieu en de menselijke gezondheid, vermeld in artikel 36, 4°, en artikel 37, 4°, wordt rekening gehouden met de doelstellingen, vermeld in artikel 4, § 3.

 

§ 3.

De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast voor de wijze waarop materialen worden aangewezen, en voor de wijze waarop daarvoor criteria worden uitgewerkt, overeenkomstig paragraaf 1 en 2.

 

§ 4.

Afvalstoffen die overeenkomstig de criteria, vermeld in paragraaf 1 en 2, niet langer als afvalstoffen gelden, gelden ook als gerecycleerd of nuttig toegepast in het kader van het halen van eventuele doelstellingen voor recyclage of nuttige toepassing.


Art. 40.

De Vlaamse Regering kan eisen dat een grondstofverklaring wordt afgeleverd die aantoont dat aan de voorwaarden en criteria, vermeld in artikel 36, 37 en 39, is voldaan.

 

De OVAM beslist over de aanvragen voor het afleveren van een grondstofverklaring. Tegen de beslissingen van de OVAM over het afleveren van een grondstofverklaring kan beroep worden ingediend bij de Vlaamse minister bevoegd voor het leefmilieu.

 

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de procedure voor het afleveren van een grondstofverklaring, de behandeling van de beroepen en de voorwaarden van een grondstofverklaring.


HOOFDSTUK 5.
Milieubijdragen, milieuheffingen en retributies


Afdeling 1.
Milieubijdragen


Art. 41.

De havenbeheerder zorgt ervoor dat de kosten voor het gebruik van de havenontvangstvoorzieningen die verbonden zijn aan de afgifte van scheepsafval van de zeevaart, met inbegrip van de behandeling en verwerking van het scheepsafval, worden betaald met bijdragen van de schepen via een kostendekkingssysteem dat niet mag aanzetten tot de lozing van afval in zee.

 

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen waaraan het kostendekkingssysteem moet voldoen.


Art. 42.

Voor de financiering van de inzameling en verwerking van olie- en vethoudend scheepsbedrijfsafval dat ontstaat bij het in bedrijf zijn en onderhoud van binnenschepen, is overeenkomstig de bepalingen van het verdrag inzake de verzameling, afgifte en inname van afval in de Rijnen binnenvaart, ondertekend in Straatsburg op 9 september 1996 en goedgekeurd bij instemmingsdecreet van 9 mei 2008, een milieubijdrage verschuldigd in verhouding tot de aankoop van gasolie voor de binnenvaart. Daaronder valt uitsluitend brandstof die van douanerechten en andere belastingen is vrijgesteld en die bedoeld is voor schepen, met uitzondering van de schepen die toegelaten zijn tot zee- en kustvaart en die overwegend daartoe zijn bestemd. De milieubijdrage is verschuldigd door degene onder wiens leiding het schip staat dat de gasolie voor binnenvaart betrekt.

 

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen die nodig zijn voor de werking van het financieringssysteem.


Art. 43.

De havenbeheerders die schepen ontvangen uit de binnenvaart, en de waterwegbeheerders werken overeenkomstig de bepalingen van het verdrag inzake de verzameling, afgifte en inname van afval in de Rijn- en binnenvaart, ondertekend in Straatsburg op 9 september 1996 en goedgekeurd bij instemmingsdecreet van 9 mei 2008, een financieringssysteem uit voor de inname en verwijdering van het overige scheepsbedrijfsafval. Die bijdrage kan opgenomen zijn in de haven- of liggelden of afzonderlijk in rekening worden gebracht.

 

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen waaraan het financieringssysteem moet voldoen


Afdeling 2.
Milieuheffingen


Art. 44.

De definities, vermeld in het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, zijn van overeenkomstige toepassing in deze afdeling.


Art. 45.

De exploitanten van de vergunningsplichtige inrichtingen, vermeld in artikel 46, § 1, eerste lid, 1° tot en met 18°, en § 2, eerste lid, alsook de ondernemingen en inrichtingen die op beroepsmatige basis afvalstoffen inzamelen of vervoeren en afvalstoffenhandelaars of -makelaars met het oog op verwerking ervan buiten het Vlaamse Gewest, vermeld in artikel 46, § 1, eerste lid, 19°, zijn onderworpen aan een milieuheffing.

 

De gemeenten of de in hun plaats tredende verenigingen van gemeenten kunnen voor de door hen opgehaalde huishoudelijke en gemeentelijke afvalstoffen rechtstreeks als heffingsplichtige worden aangemerkt als zij daarvoor een machtiging ontvangen van OVAM. De machtiging vermeldt de afvalstroom, de concrete bestemming en het toe te passen heffingstarief. Een kopie van die machtiging wordt bezorgd aan de exploitant van de inrichting waarnaar de concrete afvalstroom wordt afgevoerd. De exploitant vermeldt de betreffende hoeveelheden in een bijlage bij zijn aangifte met verwijzing naar de respectieve machtiging. De exploitant deelt die hoeveelheden tijdig mee aan de gemeenten of aan de in hun plaats tredende verenigingen van gemeenten die voor de betreffende hoeveelheden zelf als heffingsplichtige optreden en een aangifte doen overeenkomstig de bepalingen van dit decreet.

 

Met behoud van de uitzondering, vermeld in artikel 47, tweede lid, geldt de heffing, vermeld in artikel 46, § 1, eerste lid, 1° tot en met 18°, en § 2, eerste lid, voor de hoeveelheden afvalstoffen zoals ze worden gestort, verbrand of meeverbrand, inclusief de toeslagstoffen die werden toegevoegd met het oog op het storten, verbranden of meeverbranden van de afvalstoffen.


Art. 46.

§ 1.

Het bedrag van de milieuheffing wordt, afhankelijk van de soort afvalstof en de soort verwerkingswijze, als volgt vastgesteld :

voor het verbranden van afvalstoffen als de afvalverbranding niet gedekt is door een omgevings- of exploitatievergunning overeenkomstig de geldende wetgeving : 150 euro per ton; Daarbij geldt een minimum van 250 euro.
voor het achterlaten of het beheren van afvalstoffen in strijd met de voorschriften van dit decreet of de uitvoeringsbesluiten ervan zoals bedoeld in artikel 12, § 1 : 150 euro per ton;
voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van brandbare afvalstoffen : 75 euro per ton; Vanaf 1 juli 2016 geldt een tarief van 100 euro per ton;
voor het storten van huishoudelijke afvalstoffen die niet konden worden verwerkt in een inrichting vergund voor het verwerken van huishoudelijke afvalstoffen, aangezien de exploitant zijn inrichting op vrijwillige basis tijdelijk en buiten de normale onderhoudsperiodes buiten dienst heeft gesteld omdat hij niet kan voldoen aan de opgelegde vergunningsvoorwaarden : 20 euro per ton. Die afwijking geldt voor elke inrichting slechts gedurende een periode van achttien maanden te rekenen vanaf de eerste dag van de maand waarin de inrichting op vrijwillige basis werd gesloten;
voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van niet-brandbare afvalstoffen : 40 euro per ton; Vanaf 1 juli 2016 geldt een tarief van 55 euro per ton;
a) voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van procesresidu’s die vrijkomen bij een nat reinigingsproces en afkomstig van bedrijven die grond, rioolkolkenslib, zeefzand, veegvuil en vergelijkbare zandhoudende afvalstoffen in een daartoe vergunde inrichting fysicochemisch reinigen met het oog op het herwinnen van zand en granulaten als nieuwe grondstof: 2 euro per ton. De hoeveelheid te storten procesresidu’s moet kleiner zijn dan 40 gewichtsprocent op droge stof basis. Dit percentage moet beschouwd worden als een maximum van 40% op droge stof basis per gereinigde partij, tenzij OVAM op verzoek van de exploitant toestemming verleent om voor een bepaalde partij van het gewichtspercentage af te wijken; Vanaf 1 januari 2019 geldt een tarief van 0 euro per ton.
b) Voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van afvalstoffen van bodemsaneringsoperaties, niet reinigbare grond en van residu’s andere dan bedoeld in artikel 46, § 1, 6°, a), van het reinigen van grond, rioolkolkenslib, zeefzand, veegvuil en vergelijkbare zandhoudende afvalstoffen, waarbij overeenkomstig het advies van de OVAM andere sanerings- of verwerkingswijzen dan uitgraven en/of storten onredelijk hoge kosten met zich meebrengen of onmogelijk zijn: 2 euro per ton. Vanaf 1 januari 2019 geldt een tarief van 0 euro per ton. In afwijking hiervan geldt het heffingstarief van 0 euro per ton voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van afvalstoffen afkomstig van door de OVAM goedgekeurde bodemsaneringswerken, al dan niet in het kader van een overeengekomen convenant, waarvoor uiterlijk op 31 december 2012 door de OVAM een verklaring is afgeleverd dat het nultarief van toepassing is. In afwijking hiervan geldt het heffingstarief van 0 euro per ton voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van afvalstoffen afkomstig van door de OVAM goedgekeurde Enhanced Landfill Mining-projecten die voldoen aan de volgende voorwaarden:
– het ELFM-project betreft een stortplaats;
– de afgraving en herontwikkeling is opgenomen in een bodemsaneringsproject of levert een grondstoffen-, energie- of ruimtewinst op.
c) vanaf 1 juli 2016 : 15 euro per ton voor het storten van niet-brandbare, niet-recycleerbare slibresidu’s afkomstig van PST-installaties op een daarvoor vergunde stortplaats;
voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van residu’s afkomstig van de verwerking van rioolkolkenslib in daartoe vergunde inrichtingen : 3 euro per ton; Dit tarief geldt tot en met het vierde kwartaal van 2017.
voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van slibresidu’s afkomstig van de reiniging van zeefzand in daartoe vergunde bedrijven : 3 euro per ton; Dit tarief geldt tot en met het vierde kwartaal van 2017.
voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van geļmmobiliseerde niet-brandbare afvalstoffen afkomstig van daartoe vergunde bedrijven, op voorwaarde dat de immobilisatie noodzakelijk is om te voldoen aan de vergunningsvoorwaarden van de stortplaats : 23 euro per ton; Vanaf 1 juli 2016 geldt een tarief van 30 euro per ton. Ook in geval van export naar een ander gewest of lidstaat geldt het tarief slechts voor niet-brandbare afvalstoffen waarvoor wordt aangetoond dat de immobilisatie noodzakelijk is om te voldoen aan de in het Vlaamse Gewest geldende voorwaarden voor het storten van de betreffende afvalstoffen;
10° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van ijzeroxide afvalstoffen van de zinkproductie bekend onder de naam jarosiet en goethiet : 5 euro per ton;
11° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van gips of calciumchloride afvalstoffen van de productie van fosforzuur en van metallurgische processen : 1 euro per ton; Voor de aanslagjaren 2013 en 2015 geldtdit tarief ook voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van selectief ingezameld gipsafval, afkomstig van bedrijven die selectief ingezameld gipsafval verwerken tot grondstof voor de productie van nieuwe gipsproducten, dat overeenkomstig het advies van de OVAM niet gerecycleerd kan worden. Vanaf 1 januari 2019 geldt dit tarief ook voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van gipshoudend slib van de productie van calciumchloride en van loodslakken van metallurgische processen. Vanaf 1 juli 2016 tot en met 2019 geldt dit tarief ook voor niet-recycleerbare residu’s van selectief ingezameld gipsafval, afkomstig van bedrijven die selectief ingezameld gipsafval verwerken tot grondstof voor de productie van nieuwe gipsproducten. Dit tarief geldt voor een hoeveelheid die voor 2016 15 % en voor 2017, 2018 en 2019 10 % bedraagt van de hoeveelheid selectief ingezameld gipsafval dat bij betreffende bedrijven wordt aangevoerd;
12° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van ertsresten van de productie van titaandioxidepigmenten volgens het chloorproces : 5 euro per ton;
13° voor het storten op een vergunde stortplaats van baggerspecie : 0,1 euro per ton;
14° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van ruimingspecie : 0,1 euro per ton;
15° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van inerte afvalstoffen en van slib van de productie van drinkwater : 11 euro per ton;
16° voor het verbranden van afvalstoffen in een daartoe vergunde installatie : 7 euro per ton; 
17° voor het meeverbranden van afvalstoffen in een daartoe vergunde installatie : 7 euro per ton;
18° voor het sorteren of voorbehandelen van afvalstoffen in een daartoe vergunde inrichting : de bedragen overeenkomstig punt 1° tot en met 17°, die worden bepaald door de op de niet-gerecycleerde of hergebruikte afvalstoffen toegepaste verwerkingswijze. Indien de verwerking van de niet-gerecycleerde of niet-hergebruikte afvalstoffen buiten het Vlaamse Gewest plaatsvindt, zijn de bepalingen van het hierna vermelde punt 19° van toepassing;
19° voor de afvalstoffen geproduceerd in het Vlaamse Gewest die worden overgebracht met het oog op het verwerken ervan in een daartoe vergunde inrichting buiten het Vlaamse Gewest : de bedragen vermeld in punt 1° tot en met 18°, die worden bepaald door de toegepaste verwerkingswijze. Indien een gelijksoortige milieuheffing van toepassing is in het gewest of land waar de bedoelde afvalstoffen worden verwerkt, wordt het bedrag van de heffing verminderd met het bedrag van de voormelde gelijksoortige milieuheffing zonder dat dit evenwel tot lager dan nul kan worden herleid.

 

In de gevallen vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, is de heffingsplichtige de natuurlijke persoon of rechtspersoon die de afvalstoffen respectievelijk verbrandt, achterlaat of beheert.

 

In het eerste lid, 3°, 5° en 9°, wordt verstaan onder brandbare afvalstoffen : afvalstoffen met een gloeiverlies > 10 % en een TOC-gehalte > 6 %.

 

In afwijking van de gevallen, vermeld in het eerste lid, 16° en 17°, geldt met ingang van het heffingsjaar 2019 voor de verwerking van verpulpingsresidu’s en ontinktingsslib van papier- en kartonafval die ontstaan bij bedrijven die papier- en kartonafval gebruiken als grondstof voor de aanmaak van nieuwe stoffen of producten, een heffingstarief van 0 euro per ton.

 

In afwijking van de gevallen, vermeld in het eerste lid, 16° en 17°, geldt voor recyclageresidu’s van kunststofafval van bedrijven die kunststofafval gebruiken als grondstof voor de aanmaak van nieuwe stoffen of producten, met ingang van het heffingsjaar 2010, een heffingstarief van 3,69 euro per ton.”

 

In afwijking van de gevallen vermeld in het eerste lid, 16° en 17°, geldt voor het verbranden of meeverbranden van afvalstoffen van bodemsaneringsoperaties waarbij overeenkomstig het advies van de OVAM andere saneringswijzen dan uitgraven en verbranden of meeverbranden onredelijk hoge kosten met zich meebrengen of onmogelijk zijn, met ingang van het heffingsjaar 2013, een heffingstarief van 2,2 euro/ton. Vanaf 1 januari 2019 geldt een tarief van 0 euro per ton. In afwijking hiervan geldt het heffingstarief van 0 euro per ton voor het verbranden of meeverbranden in een daartoe vergunde inrichting van afvalstoffen afkomstig van door de OVAM goedgekeurde bodemsaneringswerken, al dan niet in het kader van een overeengekomen convenant, waarvoor uiterlijk op 31 december 2012 door de OVAM een verklaring is afgeleverd dat het nultarief van toepassing is.

 

In afwijking van de gevallen vermeld in het eerste lid, 16° en 17°, geldt voor het verbranden of meeverbranden van residu’s afkomstig van de reiniging van grond in daartoe vergunde grondreinigingscentra, met ingang van het heffingsjaar 2013, een heffingstarief van 2,2 euro/ton. Vanaf 1 januari 2019 geldt een tarief van 0 euro per ton.

 

In het eerste lid, 18°, wordt verstaan onder voorbehandelen : het behandelen van afvalstoffen waarbij de aard en de samenstelling van de afvalstoffen wijzigt zodat ze geschikt gemaakt worden voor een verdere stap in de voorbehandeling of voor recyclage of voor eindverwerking van afvalstoffen.

 

In afwijking van de gevallen vermeld in het eerste lid, 18°, is deze milieuheffing niet verschuldigd indien de vergunde opslag-, overslag-, sorteer- of voorbehandelinginrichting aantoont dat de afvalstoffen na opslag, overslag, sortering of voorbehandeling gerecycleerd of hergebruikt werden en, voor wat betreft het niet-gebruikte en niet-gerecycleerde gedeelte, werden verwerkt met betaling van de milieuheffing overeenkomstig het vermelde in punten 1° tot en met 17°.

 

Onverminderd de bepalingen, vermeld in punt 19°, wordt het bedrag van de milieuheffing voor het overbrengen van in het Vlaamse Gewest geproduceerd papier- en kartonafval naar een vergunde inrichting buiten het Vlaamse Gewest waar het betrokken papier- en kartonafval wordt onderworpen aan handelingen met EU-code R12/R13, berekend op de toegepaste verwerkingswijze van de uit de R12/R13 handeling ontstane residu’s, volgens de bedragen vermeld in punt 1° tot en met 18°, die worden bepaald door de toegepaste verwerkingswijze van de residu’s indien deze ontstaan uit handelingen met EU-code R12/R13 die binnen het Vlaamse Gewest worden gesteld.

 

§ 2.

Voor recyclageresidu’s van bedrijven die afvalstoffen afkomstig van selectieve inzamelingen, zoals hieronder vermeld, gebruiken of voorbehandelen als grondstof voor de aanmaak van nieuwe stoffen of producten, zijn de volgende bedragen vastgesteld :

75 * K euro per ton voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van brandbare afvalstoffen; Vanaf 1 juli 2016 geldt een tarief van 100 * K euro per ton;
40 * K euro per ton voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van niet-brandbare afvalstoffen. Vanaf 1 juli 2016 geldt een tarief van 55 * K euro per ton.

 

De factor K, vermeld in het eerste lid, heeft de volgende waarde :

a) K = 0 met ingang van het heffingsjaar 2007 tot en met het heffingsjaar 2013 voor recyclageresidu’s van lompenafval;
b) K = 0,2 met ingang van het heffingsjaar 2014 tot en met het vierde kwartaal van 2017 en K = 0,25 vanaf het eerste kwartaal van 2018 voor recyclageresidu’s van bedrijven die selectief ingezameld gebruikt textiel (kledij, huishoudlinnen en schoenen) sorteren of voorbehandelen voor de aanmaak van nieuwe stoffen of producten; 
a) K = 0 met ingang van het heffingsjaar 2007 tot en met het heffingsjaar 2020 en K = 0,05 met ingang van het heffingsjaar 2021 voor het storten van:
– recyclageresidu’s afkomstig van bedrijven die gelaagd glas voorbehandelen met het oog op de herwinning van polyvinylbutyral, afgekort PVB-polymeren voor de aanmaak van nieuwe producten, meer bepaald residu’s afkomstig van de scheiding van het glas en PVB-folie;
– recyclageresidu’s van bedrijven die glasafval afkomstig van selectieve inzamelingen gebruiken of voorbehandelen als grondstof voor de aanmaak van nieuw glas, meer bepaald brandbare residu’s en niet-brandbare residu’s (zogenaamde keramiek-steen-porselein-fractie, afgekort KSP-fractie) afkomstig van het sorteerproces;
  b) K = 0 met ingang van het heffingsjaar 2007 voor het storten van niet-brandbare residu’s van bedrijven die glasafval afkomstig van selectieve inzamelingen gebruiken of voorbehandelen als grondstof voor de aanmaak van nieuw glas, meer bepaald residu’s van het sorteerproces en bestaande uit de uitgesorteerde fijne glasfractie met een korrelgrootte <3 mm, die geen afzet kennen in de glasindustrie;
K = 0,05 met ingang van het heffingsjaar 2007 voor niet-brandbare recyclageresidu’s van papier- en kartonafval;
K = 0,03 met ingang van het heffingsjaar 2007 tot en met het heffingsjaar 2009 voor brandbare recyclageresidu’s van papier- en kartonafval;
K = 1 met ingang van het heffingsjaar 2010 voor brandbare recyclageresidu’s van papier- en kartonafval;
K = 0,15 met ingang van het heffingsjaar 2007 tot en met het heffingsjaar 2009 voor recyclageresidu’s van elektronisch en elektrisch schrootafval, van schrootafval en van shredderafval afkomstig van schrootverwerking, voor recyclageresidu’s van kunststofafval van bedrijven die kunststofafval gebruiken als grondstof voor de aanmaak van nieuwe stoffen of producten, en voor recyclageresidu’s van de compostering en vergisting;
K = 1 met ingang van het heffingsjaar 2010 voor recyclageresidu’s van elektronisch en elektrisch schrootafval, van schrootafval en van shredderafval afkomstig van schrootverwerking, voor recyclageresidu’s van kunststofafval van bedrijven die kunststofafval gebruiken als grondstof voor de aanmaak van nieuwe stoffen of producten, en voor recyclageresidu’s van de compostering en vergisting;
K = 0,2 met ingang van het heffingsjaar 2007 voor recyclageresidu’s afkomstig van de normale activiteiten van door de OVAM erkende kringloopcentra;
K = 0,6 voor het heffingsjaar 2007 voor recyclageresidu’s afkomstig van bouw- en sloopafval;
10° K = 1 met ingang van het heffingsjaar 2008 voor recyclageresidu’s afkomstig van bouw- en sloopafval;
11° K = 0,04 met ingang van het heffingsjaar 2008 voor het storten van recyclageresidu’s van de verwerking van beton, metselwerken ander steenpuin tot gekeurde granulaten, afkomstig van bedrijven die de gekeurde granulaten op de markt brengen. De te storten restfractie moet kleiner zijn dan 1 gewichtsprocent. Dit percentage moet beschouwd worden ten opzichte van de totale productie van de gekeurde granulaten op jaarbasis in de daartoe vergunde inrichting. Wanneer de te storten restfractie het percentage van 1 % overschrijdt, moet voor het overschrijdende deel het milieuheffingstarief toegepast worden waarbij K = 1. Onder recyclageresidu’s van de verwerking van beton, metselwerken ander steenpuin wordt verstaan de residu’s die vrijkomen bij het breken van het puin en zuiveren van de granulaten, met uitzondering van residu’s die voorafgaand aan het breken worden uitgesorteerd;
12° K = 0,4 voor het heffingsjaar 2007 voor andere recyclageresidu’s dan deze vermeld in punt 1° tot en met 11°;
13° K = 0,6 voor het heffingsjaar 2008 voor andere recyclageresidu’s dan deze vermeld in punt 1° tot en met 11°;
14° K = 0,8 voor het heffingsjaar 2009 voor andere recyclageresidu’s dan deze vermeld in punt 1° tot en met 11°;
15° K = 1 met ingang van het heffingsjaar 2010 voor andere recyclageresidu’s dan deze vermeld in punt 1° tot en met 11°.
16° K = 0,15 met ingang van het heffingsjaar 2018 voor recyclageresidu’s van bedrijven die ovenpuin afkomstig van de productie van roestvrij staal via nieuwe scheidingstechnieken verwerken voor de aanmaak van nieuwe stoffen en producten;

 

In afwijking van het tweede lid, 5°, geldt K = 0,03 voor het heffingsjaar 2010 voor brandbare recyclageresidu’s van papier- en kartonafval van nieuwe bedrijven die papier- en kartonafval gebruiken als grondstof voor de aanmaak van nieuwe stoffen of producten.

 

In afwijking van het tweede lid, 7°, geldt K = 0,40 voor de heffingsjaren 2010 en 2011 voor shredderafval, afkomstig van de verwerking van schroot, van gedepollueerde wrakken en van elektronisch en elektrisch schrootafval. Voor deze afvalstoffen geldt K = 0,70 voor het heffingsjaar 2012 en K = 1 met ingang vanaf het heffingsjaar 2013.

 

In afwijking van het vierde lid geldt K = 0,15 voor het storten van het residu van shredderafval dat in een post-shredder-technologie-installatie (PST-installatie : verwerkt de lichte fractie die wordt afgezogen uit een cycloon, en de zware fractie die overblijft na metallische scheiding en na de lineaire motor) verwerkt is, en dit voor de volgende hoeveelheden :

in de heffingsjaren 2010 en 2011 voor een te storten hoeveelheid die maximaal het viervoudige bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die teruggewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;
in het heffingsjaar 2012 voor een te storten hoeveelheid die maximaal gelijk is aan de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd, vermenigvuldigd met factor 2,5;
in het heffingsjaar 2013 voor een te storten hoeveelheid die maximaal gelijk is aan de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd, vermenigvuldigd met factor 1,5;
in het heffingsjaar 2014 voor een te storten hoeveelheid die maximaal gelijk is aan de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;
in het heffingsjaar 2015 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 80 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;
in het heffingsjaar 2016 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 60 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;
in de heffingsjaren 2017, 2018 en 2019 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 50 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;
in het heffingsjaar 2020 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 40 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;
in het heffingsjaar 2021 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 30 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;
10° in het heffingsjaar 2022 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 20 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;
11° in het heffingsjaar 2023 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 10 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd.

 

Voor de berekening van de te storten hoeveelheid, vermeld in het vijfde lid, 6° tot en met 11° :

a) wordt de hoeveelheid kunststoffen die gewonnen werd voor de aanmaak van nieuwe kunststoffen vermenigvuldigd met een factor 2;
b) wordt de hoeveelheid non-ferro kleiner dan 5 mm, kabeltjes en printplaten die gewonnen werd voor afvoer naar en verwerking in een daartoe vergund bedrijf met het oog op de recuperatie van non-ferrometalen en edele metalen vermenigvuldigd met een factor 20. De hoeveelheid non-ferro kleiner dan 5 mm, kabeltjes en printplaten wordt niet meegerekend in de 3 % metalen, vermeld in punt 6° tot 11° hierboven.

 

In al die gevallen mag de som van de hoeveelheid materialen die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd, en de hoeveelheid shredderafval die wordt gestort aan het heffingstarief met K = 0,15, niet meer bedragen dan de input van de PST-installatie. Overeenkomstig de bepalingen van artikel 52, tweede lid, bezorgt de exploitant van de PST-installatie ter staving van het toepassen van het verlaagde heffingstarief vanaf 2011 ieder jaar voor 31 januari aan de OVAM een rapport met een volledige en gedetailleerde massabalans van de verwerkte stromen en van de teruggewonnen stromen met hun respectieve bestemming.

 

In afwijking van het tweede lid, 7°, geldt voor recyclageresidu’s van kunststofafval van bedrijven die kunststofafval gebruiken als grondstof voor de aanmaak van nieuwe stoffen of producten, voor het heffingsjaar 2010 K = 0,15, voor het heffingsjaar 2011 K = 0,3, voor het heffingsjaar 2012 K = 0,6 en met ingang van het heffingsjaar 2013 K = 1.

 

Om de heffing, vermeld in het eerste lid, te kunnen toepassen, moet de te storten restfractie na (voor)behandeling kleiner zijn dan de hierna vermelde percentages die beschouwd moeten worden ten opzichte van de totale aanvoer van de betreffende afvalstoffen op jaarbasis in de daartoe vergunde inrichting. Als de te storten restfractie de hierna vermelde percentages overschrijdt, moet voor het overschrijdende deel het milieuheffingstarief toegepast worden waarbij K = 1 :

a) 25% voor residu’s afkomstig van de scheiding van het glas en PVB;
  b) 7% voor brandbare residu’s afkomstig van recyclage van glas;
  c) 7% voor niet-brandbare residu’s afkomstig van recyclage van glas, afkomstig van het optische sorteerproces (KSP-fractie);
  d) 12% voor niet-brandbare residu’s afkomstig van recyclage van glas bestaand uit fijne fractie (<3 mm) die geen afzet kennen in de glasindustrie;
a) 20 gewichtsprocent voor lompenafval tot en met het heffingsjaar 2013;
b) 8 gewichtsprocent voor selectief ingezameld gebruikt textiel (kledij, huishoudlinnen en schoenen) vanaf het heffingsjaar 2014;  
20 gewichtsprocent voor kunststofafval, geldend voor de bedrijven die kunststofafval gebruiken als grondstof voor de aanmaak van nieuwe stoffen of producten;
5 gewichtsprocent voor kunststofafval, geldend voor de bedrijven die kunststofafval voorbehandelen als grondstof voor de aanmaak van nieuwe stoffen of producten;
10 gewichtsprocent voor elektronisch en elektrisch schrootafval; 
in het heffingsjaar 2016 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 60 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;
5 gewichtsprocent voor houtafval;
5 gewichtsprocent voor papier- en kartonafval;
3 gewichtsprocent voor groenafval;
10°  5 gewichtsprocent voor piepschuimafval;
11° 5 gewichtsprocent voor groente-, fruit- en tuinafval (gft) afkomstig van aerobe compostering;
12°  8 gewichtsprocent voor groente-, fruit- en tuinafval (gft) afkomstig van anaerobe vergisting;
13° 5 gewichtsprocent voor bouw- en sloopafval;
14° 10 gewichtsprocent voor rubberafval, ander afval dan bandenafval;
15° 5 gewichtsprocent voor bandenafval;
16° 20 gewichtsprocent voor plastic verpakkingen, metalen verpakkingen en drankkartons (pmd);
17° 25 gewichtsprocent voor shredderafval, afkomstig van schrootverwerking;
18° 5 gewichtsprocent voor voedselafval;
19° 25 gewichtsprocent voor gebruikte oplosmiddelen;
20° 10 gewichtsprocent voor recyclageresidu’s, afkomstig van de normale activiteiten van door de OVAM erkende kringloopcentra;
21° 3 gewichtsprocent voor recyclageresidu’s van de behandeling van bodemassen.

 

De heffing, vermeld in het eerste lid, voor recyclageresidu’s van bedrijven die ovenpuin afkomstig van de productie van roestvrij staal verwerken voor de aanmaak van nieuwe stoffen en producten, geldt voor de volgende hoeveelheden:

in het eerste jaar dat de betreffende installatie overeenkomstig de goedkeuring van de OVAM werd in gebruik genomen, voor een te storten hoeveelheid die maximaal gelijk is aan de hoeveelheid teruggewonnen materialen die voor nuttige toepassing werden afgevoerd vermenigvuldigd met een factor 4;
in het tweede jaar voor een te storten hoeveelheid die maximaal gelijk is aan de hoeveelheid teruggewonnen materialen die voor nuttige toepassing werden afgevoerd vermenigvuldigd met een factor 2,5;
in het derde jaar voor een te storten hoeveelheid die maximaal gelijk is aan de hoeveelheid teruggewonnen materialen die voor nuttige toepassing werden afgevoerd vermenigvuldigd met een factor 1,75;
in het vierde jaar voor een te storten hoeveelheid die maximaal gelijk is aan de hoeveelheid teruggewonnen materialen die voor nuttige toepassing werden afgevoerd vermenigvuldigd met een factor 1,25;
in het vijfde jaar voor een te storten hoeveelheid die maximaal gelijk is aan de hoeveelheid teruggewonnen materialen die voor nuttige toepassing werden afgevoerd vermenigvuldigd met een factor 1;
in het zesde jaar voor een te storten hoeveelheid die maximaal gelijk is aan de hoeveelheid teruggewonnen materialen die voor nuttige toepassing werden afgevoerd vermenigvuldigd met een factor 0,8;
in het zevende jaar voor een te storten hoeveelheid die maximaal gelijk is aan de hoeveelheid teruggewonnen materialen die voor nuttige toepassing werden afgevoerd vermenigvuldigd met een factor 0,4.

 

In deze paragraaf wordt verstaan onder brandbare afvalstoffen : afvalstoffen met een gloeiverlies > 10 % en een TOC-gehalte > 6 %.

 

§ 3.

Voor de volgende afvalstoffen geldt een tarief van 0 euro per ton :

vanaf 1 juli 2016 voor het storten van asbesthoudende afvalstoffen met een gehalte aan asbest of gelijkaardige keramische vezels van meer dan 10.000 mg/kg, bepaald als gewogen gemiddelde concentratie, op een daartoe vergunde stortplaats. De gewogen gemiddelde concentratie is gelijk aan de som van de concentratie hechtgebonden asbest en 10 maal de concentratie niet-hechtgebonden asbest (cf. Compendium voor monsterneming en analyse CMA/2/II/C2 en 3).
Het tarief van 0 euro per ton geldt tevens voor met asbest (of gelijkaardige keramische vezels) verontreinigde gronden en puin met een asbestgehalte groter dan 1.000 mg/kg (0,1 %), bepaald als totale asbestconcentratie, en kleiner dan of gelijk aan 10.000 mg/kg, bepaald als gewogen gemiddelde concentratie, die overeenkomstig het advies van OVAM niet kunnen gereinigd worden via de beste beschikbare technieken;
[...] 
het verbranden of meeverbranden in een daartoe vergunde inrichting, met recuperatie van energie, van verwerkte dierlijke vetten, eiwitten en meel die conform de Europese, federale en regionale regelgeving vernietigd moeten worden;
het verbranden of meeverbranden in een daartoe vergunde inrichting, met recuperatie van energie, vanrecyclageresidu’s van selectief ingezameld gebruikt textiel, zoals kledij, huishoudlinnen en schoenen, en van recyclageresidu’s van bedrijven die glasafval, afkomstig van selectieve inzamelingen, gebruiken of voorbehandelen als grondstof voor de aanmaak van nieuw glas; 
het inzetten in een meeverbrandingsinstallatie van niet-gevaarlijke afvalstoffen waarvan de onderste verbrandingswaarde, berekend op de droogrest, kleiner is dan 8 MJ/kg, en waarvan de minerale fractie, inclusief carbonaten, uitgedrukt als gewichtpercent asrest op de droogrest, groter is dan 50 %, en die ingezet worden omwille van hun minerale fractie, met uitzondering van afvalstoffen die ingezet worden als afvalwater. 
vanaf 1 juli 2016 voor het verbranden of meeverbranden in een daartoe vergunde inrichting van de hierna vermelde afvalstoffen geproduceerd in een ander land dan Belgiė en die worden overgebracht onder toepassing van de bepalingen van de Verordening (EG) Nr 1013/2006 van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen :
a) gevaarlijke afvalstoffen;
b) ongevaarlijke slibs, behorende tot de hoofdstukken 04, 05, 06, 07, 08, 12, 16 en 19 van de lijst, bedoeld in artikel 35.
Het nultarief geldt zowel voor de ingevoerde gevaarlijke afvalstoffen en ongevaarlijke slibs die rechtstreeks naar de verbrandings- of meeverbrandingseenheid worden overgebracht als voor de afvalstoffen en slibs die na een nuttige voorbehandeling in een daartoe vergunde inrichting, al of niet samen met Vlaamse afvalstoffen, worden verbrand of meeverbrand.
Onverminderd de bepalingen hierboven geldt het nultarief slechts voor die hoeveelheden die overeenkomstig de goedkeuring van OVAM aan de gestelde voorwaarden voldoen en volledig traceerbaar zijn.
voor wat betreft het in het Vlaamse Gewest geproduceerd papier- en kartonafval dat wordt overgebracht naar een vergunde inrichting buiten het Vlaamse Gewest waar het betrokken papier- en kartonafval wordt onderworpen aan handelingen voor nuttige toepassing met EU-code R3 of wordt opgeslagen in afwachting van de overbrenging naar een dergelijke vergunde inrichting met het oog op de onderwerping aan handelingen met EU-code R3: de recyclageresidu’s afkomstig van dit papier- en kartonafval.

 

In het eerste lid, 1°, wordt onder asbesthoudende afvalstoffen verstaan : afvalstoffen geheel of gedeeltelijk bestaande uit keramische vezels met gelijkaardige carcinogene eigenschappen.

 

§ 4.

De volgende activiteiten zijn niet aan een milieuheffing onderworpen :

het gebruik in de afdichtlaag van een vergunde stortplaats van mengsels van enerzijds reagentia en/of toeslagstoffen en anderzijds de volgende afvalstoffen die overeenkomstig de beste beschikbare technieken (BBT) niet reinigbaar zijn : zuiveringsslib, gronden/zanden, bodemassen en assen, afkomstig van de verbranding van zuiveringsslib;
het storten van gronden die beantwoorden aan de voorwaarden voor het gebruik als bodem en die gebruikt worden als tussenafdek;
het verbranden of meeverbranden van houtafval in een daartoe vergunde inrichting, met recuperatie van energie.

 

§ 5.

Bij het berekenen van de heffingstarieven worden de bedragen steeds afgerond tot de hogere cent.

 

De bedragen van de milieuheffing, vermeld in paragraaf 1 en paragraaf 2, worden aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer van de consumptieprijzen van december 2006, basis 1996. De bedragen worden jaarlijks automatisch geļndexeerd zonder voorafgaande mededeling, op 1 januari van elk jaar. De aangepaste bedragen worden eveneens afgerond op de hogere cent. Vanaf het begrotingsjaar 2017 gebeurt de jaarlijkse indexering op basis van het indexcijfer van de maand november van het voorgaande jaar, een eerste keer op 1 januari 2017 op basis van het indexcijfer van november 2016, basis 2006.

 

In afwijking van het tweede lid worden de vanaf 1 januari 2018 ingevoerde bedragen, vermeld in punt 6°, a) en b), van paragraaf 1 aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer van de consumptieprijzen van november 2017, basis 1996.

 

§ 6.

De bedragen van de milieuheffing, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 3° tot en met 19°, en paragraaf 2, eerste lid, worden vanaf 2007 tot en met het tweede kwartaal van 2015 vermenigvuldigd met 0,70 voor de heffingsplichtigen die overeenkomstig artikel 179 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting.


De bedragen van de milieuheffing, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 1° tot en met 19°, en paragraaf 2, eerste lid, worden vanaf 1 juli 2015 vermenigvuldigd met 1,5.

 

§ 7.

Vanaf 1 januari 2017 worden de bedragen vermeld in paragraaf 1, 16° en 17°, en geļndexeerd overeenkomstig de bepalingen van paragraaf 5, met 4 euro per ton verminderd, meer bepaald in de gevallen dat de betreffende afvalstoffen per schip worden aangevoerd.

 

§ 8.

Vanaf 1 januari 2019 worden de bedragen, vermeld in paragraaf 1, 16° en 17°, en geļndexeerd overeenkomstig de bepalingen van paragraaf 5, met 4 euro per ton verminderd, meer bepaald in de gevallen dat de betreffende afvalstoffen per trein worden aangevoerd.


Art. 47.

De milieuheffing, vermeld in artikel 45, is verschuldigd :

op het tijdstip dat de afvalstoffen worden verwerkt in de inrichtingen, vermeld in artikel 46, § 1, eerste lid, 1° tot en met 18°, en § 2, eerste lid, voor wat betreft de bedragen, vermeld in artikel 46, § 1, eerste lid, 1° tot en met 18°, en § 2, eerste lid;
op het tijdstip dat de afvalstoffen geproduceerd in het Vlaamse Gewest worden overgebracht met het oog op het verwerken ervan buiten het Vlaamse Gewest, voor wat betreft de bedragen, vermeld in artikel 46, § 1, eerste lid, 19°.

 

Als een afvalstof verschillende verwerkingswijzen ondergaat, is de heffing alleen verschuldigd voor de heffingsplichtige verwerkingswijze die het eerst wordt toegepast. De vrijstelling van heffing geldt ook voor de toeslagstoffen die in de eerste verwerkingswijze worden toegevoegd.


Art. 48.

Als voor de exploitatie van een inrichting de vergunning, verleend conform de bepalingen van dit decreet, is vervallen en voor dezelfde inrichting een nieuwe vergunning werd verleend, wordt voor de toepassing van de milieuheffingen, vermeld in artikel 46, § 1 en § 2, de nieuwe vergunning geacht te zijn verleend met ingang van ofwel het tijdstip, vermeld in het vergunningsbesluit als de vergunningverlenende overheid binnen de wettelijk vastgestelde termijn een beslissing heeft genomen, ofwel het tijdstip waarop die beslissing conform de wettelijke termijn genomen had moeten worden.


Art. 49.

De inning van de heffing vindt eenmaal per kwartaal plaats, namelijk :

in de loop van de maanden april en mei voor het eerste kwartaal;
in de loop van de maanden juli en augustus voor het tweede kwartaal;
in de loop van de maanden oktober en november voor het derde kwartaal;
in de loop van de maanden januari en februari van het volgende jaar voor het vierde kwartaal.

 

De Vlaamse Regering stelt de nadere regels vast met betrekking tot de inning van de heffing.

 

De Vlaamse Regering wijst de ambtenaren en contractuele personeelsleden van de OVAM aan die belast zijn met de inning en de invordering van de heffing en met de controle op de naleving van de verplichtingen inzake de heffing, en stelt de nadere regels met betrekking tot hun bevoegdheden vast.


Art. 50.

§ 1.

De heffingsplichtige is verplicht om in de loop van de maanden april, juli, oktober en januari een aangifte in te dienen met betrekking tot de heffing verschuldigd voor het voorafgaande kwartaal.

 

§ 2.

De heffingsplichtige is verplicht om voor 10 mei, 10 augustus, 10 november, alsook 10 februari, de heffing voor het voorafgaande kwartaal te betalen. De heffingsplichtige is ook ertoe verplicht voor 10 december van elk jaar een voorschot te betalen op de heffing voor het vierde kwartaal van dat jaar. Dat voorschot wordt forfaitair vastgesteld op zesenzestig procent van het bedrag dat verkregen wordt door de voor de eerste drie kwartalen door de heffingsplichtige verschuldigde heffing te delen door drie. Het aldus verkregen forfaitaire bedrag wordt afgerond tot op het lagere tiental. Als op basis van de aangifte voor het vierde kwartaal blijkt dat de werkelijk verschuldigde heffing lager is dan het verschuldigde voorschot, wordt dat voorschot, verminderd met de werkelijk verschuldigde heffing, maar vermeerderd met de wettelijke verwijlintrest op het aldus berekende verschil, aan de heffingsplichtige teruggestort binnen negentig kalenderdagen na ontvangst van de behoorlijk opgestelde aangifte voor het vierde kwartaal. Het voorschot is niet verschuldigd als de heffingsplichtige voor 10 december het bewijs levert dat hij zijn belastingplichtige activiteit heeft stopgezet voor de aanvang van het vierde kwartaal.

 

§ 3.

Als de heffingsplichtige niet tot de betaling van het aangegeven bedrag overgaat of als na controle door de met de inning en de invordering van de heffing belaste ambtenaar blijkt dat de aangegeven bedragen onjuist zijn, kan door de met de inning en de invordering van de heffing belaste ambtenaar een navordering worden opgelegd ten laste van de heffingsplichtige.

 

§ 4.

Als de heffingsplichtige verschillende kwartalen moet vereffenen, worden de betalingen eerst aangerekend op de oudste schulden en in volgorde eerst op de administratieve geldboeten, de nalatigheidsintresten en de hoofdsom.

 

§ 5.

De Vlaamse Regering stelt de nadere regels vast met betrekking tot de aangifte en betaling van de heffing.


Art. 51.

De heffingsplichtige kan het gedeelte van de heffing dat hij heeft opgenomen in zijn aangifte en dat hij regelmatig voldaan heeft op de wijze, vermeld in artikel 50, § 2, terugvorderen onder de volgende voorwaarden :

de heffing is onbetwistbaar en is duidelijk omschreven op een factuur uitgereikt door de heffingsplichtige aan een medecontractant, met verwijzing naar het register, vermeld in artikel 52, eerste lid;
de vordering van de heffingsplichtige blijkt definitief oninbaar te zijn bij gebrek aan activa na opname als onbetwistbare vordering in het passief van het faillissement van de medecontractant op grond van een attest, uitgereikt door de behandelende curator;
de aanvraag tot teruggave van de heffing wordt ingediend met een aangetekende brief bij de OVAM, en de factuur, vermeld in punt 1°, en een afschrift van het attest, uitgereikt door de behandelende curator, vermeld in punt 2°, zijn erbij gevoegd.

 


Art. 52.

De heffingsplichtige is verplicht om de hoeveelheden afvalstoffen, uitgedrukt in ton, dagelijks en in volgorde van verwerking in een register in te schrijven.

 

De heffingsplichtige is verplicht om alle bescheiden die nodig zijn om de voldoening van de heffing of de juistheid van de aangegeven bedragen na te gaan, voor te leggen op ieder verzoek van de ambtenaren die belast zijn met de controle op de naleving van de verplichtingen inzake de heffing.

 

De heffingsplichtige is verplicht om op ieder verzoek van de ambtenaren die belast zijn met de controle op de naleving van de verplichtingen inzake de heffing, mondeling of schriftelijk alle inlichtingen te verschaffen die hem gevraagd worden om de voldoening van de heffing of de juistheid van de aangegeven bedragen na te gaan.


Art. 53.

Als de heffing niet is betaald na het verstrijken van de termijn, vermeld in artikel 50, § 2, is van rechtswege de wettelijke intrest verschuldigd, vermeld in het koninklijk besluit van 4 augustus 1996 tot wijziging van de wettelijke rentevoet.


Art. 54.

Als een heffingsplichtige, om welke redenen dan ook, de aangifte vermeld in artikel 50, § 1, niet of te laat heeft ingediend of de verplichtingen vermeld in artikel 52, niet is nagekomen, kan hem door de met invordering belaste ambtenaar een ambtelijke aanslag opgelegd worden voor het bedrag van de heffing die vermoedelijk verschuldigd is.

 

De heffing wordt in de gevallen, vermeld in het eerste lid, vastgesteld op basis van de gevraagde stukken of, bij ontstentenis daarvan, op basis van gegevens die bewezen kunnen worden door documenten, getuigen en vermoedens.

 

De ambtelijke aanslag wordt opgelegd onverminderd de mogelijkheid van navordering binnen de termijn, vermeld in artikel 59.


Art. 55.

Binnen een termijn van dertig dagen na de datum van verzending, per aangetekende brief, van een ambtelijke aanslag of een navordering kan de heffingsplichtige per aangetekende brief beroep instellen bij de door de Vlaamse Regering aangeduide Vlaamse minister, die uitspraak doet binnen zes maanden vanaf de datum van verzending van het beroepschrift. Een afschrift van dat beroep moet per aangetekende brief aan de OVAM worden betekend. Op straffe van nietigheid verwijst het beroep naar het dossiernummer, het aanslagjaar en het kwartaal, vermeld in de ambtelijke aanslag of in de navordering. Met een met redenen omklede aangetekende brief, gericht aan de heffingsplichtige, kan de door de Vlaamse Regering aangeduide Vlaamse minister de voormelde termijn eenmalig verlengen met een periode van zes maanden.

 

Vooraleer een beslissing te nemen, legt de door de Vlaamse Regering aangeduide Vlaamse minister de in het eerste lid bedoelde geschillen voor aan een adviescommissie.

 

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels met betrekking tot de werking en samenstelling van de geschillencommissie.

 

Bij gebrek aan een uitspraak van de door de Vlaamse Regering aangeduide Vlaamse minister binnen de termijn, vermeld in het eerste lid, wordt het beroep van de heffingsplichtige als ingewilligd beschouwd.

 

De minister verzendt zijn beslissing per aangetekende brief aan de heffingsplichtige. Tegen de beslissing van de minister kan een vordering worden ingesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 1385decies en artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek.

 

In het geval een procedure voor het Hof van Cassatie wordt gevoerd mag in afwijking van artikel 1080 van het Gerechtelijk Wetboek het verzoekschrift houdende voorziening in cassatie en het antwoord op de voorziening door een advocaat worden ondertekend en neergelegd


Art. 56.

Ten aanzien van de heffingsplichtige, vermeld in artikel 45, kan teruggave van door hem te veel aangegeven en betaalde milieuheffingen plaatsvinden door middel van verrekening op het verschuldigde bedrag aan te geven en te betalen voor een volgend kwartaal van het lopende kalenderjaar.

 

De heffingsplichtige voegt bij de kwartaalaangifte de nodige stukken ter staving van de gegrondheid van zijn verrekening. Bij een onjuiste of ten onrechte toegepaste verrekening blijft de mogelijkheid van navordering vermeld in artikel 50, § 3, bestaan.


Art. 57.

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de aanwijzing van de personen die belast zijn met de inning en invordering van de milieuheffingen, de wijze van inning en invordering van de milieuheffingen, de aangifte en de betaling van de milieuheffingen en de behandeling van de beroepen, ingesteld overeenkomstig artikel 55, eerste lid.


Art. 58.

Met behoud van de toepassing van de bepalingen van hoofdstuk 7 wordt voor iedere navordering, vermeld in artikel 50, § 3, en voor elke ambtelijke aanslag, vermeld in artikel 54, eerste lid, een administratieve geldboete opgelegd. Als heffingen niet of onvoldoende aangegeven worden, wordt de geldboete gelijkgesteld aan de heffingen die niet of onvoldoende zijn aangegeven. In geval van niet-tijdige betaling van de aangegeven heffingen wordt de geldboete gelijkgesteld aan 10 % van de heffingen die niet tijdig zijn betaald. In beide gevallen bedraagt de geldboete ten minste 70 euro. Voor de berekening van die administratieve geldboete wordt uitgegaan van de milieuheffing zonder de vermenigvuldigingsfactor 0,70, vermeld in artikel 46, § 6.


Art. 59. De vordering tot voldoening van de heffing, van de intresten en van de administratieve geldboete verjaart door verloop van vijf jaar, te rekenen van de dag waarop ze is ontstaan. De verjaring wordt gestuit op de wijze en onder de voorwaarden, vermeld in het Burgerlijk Wetboek.

Art. 60. De ambtenaar die daartoe aangewezen is door de Vlaamse Regering, kan met de heffingsplichtige dadingen treffen, voor zover die niet leiden tot vrijstelling of vermindering van de heffing.

Art. 61.

De ambtenaar, vermeld in artikel 60, beslist ook over de gemotiveerde verzoeken tot kwijtschelding of vermindering van de administratieve geldboete die de heffingsplichtige per aangetekende brief tot hem richt. Die verzoeken moeten op straffe van verval ingediend worden uiterlijk binnen een maand nadat de beroeper in kennis is gesteld van de beslissing van de door de Vlaamse Regering aangeduide Vlaamse minister over het ingestelde beroep overeenkomstig de bepalingen van artikel 55, vijfde lid.

 

Tegen de beslissing, vermeld in het eerste lid, kan een vordering worden ingesteld overeenkomstig de bepalingen van de artikel 1385decies en 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek.

 

In het geval een procedure voor het Hof van Cassatie wordt gevoerd mag in afwijking van artikel 1080 van het Gerechtelijk Wetboek het verzoekschrift houdende voorziening in cassatie en het antwoord op de voorziening door een advocaat worden ondertekend en neergelegd.


Art. 62.

De ambtenaar, vermeld in artikel 60, beslist ook over de gemotiveerde verzoeken tot uitstel van betaling die de heffingsplichtige per aangetekende brief tot hem richt.


Art. 63.

Bij gebrek aan voldoening van de heffing, de intresten, de administratieve geldboete en toebehoren wordt door de met invordering belaste ambtenaar een dwangbevel uitgevaardigd.

 

Dat dwangbevel wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de ambtenaar die daartoe aangewezen is door de Vlaamse Regering. Het dwangbevel wordt betekend bij gerechtsdeurwaardersexploot of met een aangetekende brief.

 

Op het dwangbevel zijn de bepalingen van toepassing van deel V van het Gerechtelijk Wetboek houdende bewarend beslag en middelen van tenuitvoerlegging.


Art. 64.

Tot zekerheid van de voldoening van de heffing, de intresten, de administratieve geldboete en de kosten heeft het Vlaamse Gewest een algemeen voorrecht op alle roerende goederen van de heffingsplichtige. Het kan een wettelijke hypotheek vestigen op alle goederen die daarvoor vatbaar zijn en die in het Vlaamse Gewest gelegen zijn, van de persoon op wiens naam de navordering of de ambtelijke aanslag is gevestigd.

 

Het voorrecht, vermeld in het eerste lid, neemt rang in onmiddellijk na de voorrechten die vermeld zijn in artikel 19 en 20 van de Hypotheekwet.

 

De rang van de wettelijke hypotheek wordt bepaald door de dagtekening van de inschrijving die genomen wordt.

 

De hypotheek wordt ingeschreven op verzoek van de ambtenaren, vermeld in artikel 60.

 

Artikel 19 van de Faillissementswet is niet van toepassing op de wettelijke hypotheek inzake de verschuldigde heffing waarvoor de inschrijving is genomen en waarvan betekening aan de heffingsschuldige is gedaan voor het vonnis van faillietverklaring.


Art. 65.

De gemeenten zijn ertoe gerechtigd een beroep te doen op de OVAM met het oog op de inning van de opcentiemen, voor zover deze maximaal 20 % opcentiemen bedragen, door de betrokken gemeente te heffen op de door de OVAM geļnde milieuheffingen bedoeld in artikel 46, § 1 en § 2, voor de heffingsplichtige inrichtingen gelegen op hun grondgebied.

 

De Vlaamse Regering stelt de nadere regels met betrekking tot de inningskosten en de wijze van innen van de opcentiemen vast.


Afdeling 3.
Retributies


Art. 66.

§ 1.

De Vlaamse Regering kan de beoordeling van een aanvraag tot erkenning als laboratorium voor de uitvoering van analyses op stalen van afvalstoffen en bodem, vermeld in artikel 7, tweede lid, afhankelijk stellen van de betaling van een retributie.

 

De Vlaamse Regering kan de aanvraag tot opname in een register als vermeld in artikel 13, § 1, afhankelijk stellen van de betaling van een retributie.

 

De Vlaamse Regering kan de beoordeling van een aanvraag tot erkenning of registratie voor het beheer van dierlijke bijproducten als vermeld in artikel 33, § 3, afhankelijk stellen van de betaling van een retributie.

 

De Vlaamse Regering kan de beoordeling van een aanvraag tot aflevering van een grondstofverklaring als vermeld in artikel 40 voor de producent van de beoogde grondstof of de natuurlijke persoon of rechtspersoon die in diens naam optreedt, afhankelijk stellen van de betaling van een retributie.

 

De Vlaamse Regering kan de aflevering van een asbestinventarisattest als vermeld in artikel 33/11 afhankelijk stellen van de betaling van een retributie.

 

De Vlaamse Regering kan derden een retributie laten betalen om de databank asbestinventarisatie, vermeld in artikel 33/10, § 4, te consulteren.

 

De Vlaamse Regering kan een retributie laten betalen om een aanvraag tot erkenning als certificatie-instelling als vermeld in artikel 33/16 te laten beoordelen.

 

§ 2.

Als de Vlaamse Regering in de gevallen, vermeld in paragraaf 1, een retributie vaststelt, moet, op straffe van onontvankelijkheid, het bewijs van betaling van de retributie bij de aanvraag gevoegd worden.

 

§ 3.

De Vlaamse Regering bepaalt het bedrag en de wijze van inning van de retributies, vermeld in paragraaf 1.

 

De Vlaamse Regering wijst de ambtenaren van de OVAM aan die belast zijn met de inning en de invordering van de retributies, vermeld in paragraaf 1, en stelt de nadere regels voor hun bevoegdheid vast


HOOFDSTUK 6.
Transitie naar een circulaire economie


Art. 67.

De OVAM geeft als bevoegde entiteit, in samenwerking met alle betrokken actoren, invulling aan de transitie naar een duurzaam materialenbeheer en een circulaire economie. De invulling van de transitie heeft tot doel het creėren en doen realiseren van concrete doorbraken naar een duurzame materialeneconomie en -maatschappij in het Vlaamse Gewest en het vervullen van een voorbeeldrol in de Europese Unie. De OVAM zet daarvoor een samenwerkingsverband op met de betrokken Vlaamse overheidsinstellingen, het bedrijfsleven, de kenniswereld en het middenveld.


Binnen dat samenwerkingsverband worden afspraken gemaakt over:

de oprichting van een publiek-private stuurgroep die de transitie inhoudelijk en strategisch aanstuurt. De stuurgroep wordt evenwichtig samengesteld uit vertegenwoordigers van organisaties die een belangrijke rol spelen in de transitie naar een circulaire economie, en die het engagement opnemen om er tijd en middelen in te investeren;
de opstelling van een huishoudelijk reglement over de interne werking van de stuurgroep.

 
De Vlaamse Regering kan voor de transitie en het samenwerkingsverband, vermeld in het eerste lid, nadere regels vaststellen.


HOOFDSTUK 7.
Toezicht en strafbepalingen


Art. 68.

Voor dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan worden het toezicht en de bestuurlijke handhaving uitgeoefend en worden veiligheidsmaatregelen genomen volgens de regels, vermeld in titel XVI, hoofdstukken III, IV en VII, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.

 

In afwijking van het eerste lid wordt de controle op en de bestuurlijke handhaving van de naleving van de verplichtingen inzake de milieuheffingen uitgevoerd volgens de regels, vermeld in hoofdstuk 5, afdeling 2.


Art. 69.

Met betrekking tot dit decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan worden het onderzoek, de vaststelling en de bestraffing van de milieu-inbreuken en milieumisdrijven uitgevoerd volgens de regels, vermeld in titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.

 

In afwijking van het eerste lid wordt de overtreding van de verplichting tot aangifte en betaling van milieuheffingen, vermeld in artikel 50, en de verplichting tot betaling van de administratieve geldboete, vermeld in artikel 58, uitsluitend bestraft op de wijze, vermeld in hoofdstuk 5, afdeling 2.


HOOFDSTUK 8.
Wijzigingsbepalingen


Art. 70.

In artikel 3.2.2, § 1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, ingevoegd bij het decreet van 19 april 1995, wordt het woord « afvalstromen » vervangen door het woord « materiaalstromen » en wordt punt d) vervangen door wat volgt :

 

« d) te waken over het bijhouden van het afvalstoffenregister en het materialenregister en de naleving van de meldingsplicht, vermeld in artikel 6, 23 tot en met 25 en 30 van het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen; ».


Art. 71. In artikel 3.4.3, § 1, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 19 april 1995, worden de woorden « Onverminderd de artikelen 17, § 1, en 23 van het decreet van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen » vervangen door de woorden « Met behoud van de toepassing van artikel 23, eerste lid, en artikel 30 van het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen ».

Art. 72.

In artikel 3.5.1 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 19 april 1995, wordt het tweede lid vervangen door wat volgt :

 

« De Vlaamse Regering kan ook voorschrijven dat de met toepassing van artikel 23, tweede lid, van het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen te verstrekken gegevens voor de inrichtingen, vermeld in het eerste lid, opgenomen moeten worden in het milieujaarverslag. ».


Art. 73.

In artikel 10.1.1 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 7 mei 2004, wordt punt 2° vervangen door wat volgt :

 

« 2° Materialendecreet : het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen; ».


Art. 74. In artikel 10.3.2 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 7 mei 2004, worden de woorden « bedoeld in artikel 5 van het Afvalstoffendecreet » vervangen door de woorden « vermeld in artikel 4 van het Materialendecreet » en wordt het woord « stofstromen » vervangen door het woord « materiaalkringlopen ».

Art. 75.

In artikel 10.3.3, § 1, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 7 mei 2004 en gewijzigd bij de decreten van 22 april 2005 en 25 mei 2007, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

 

1° in paragraaf 1 worden de woorden « stofstromen » en « kringlopen van stofstromen » vervangen door het woord « materiaalkringlopen »;

 

2° in paragraaf 2, 1°, a), wordt het woord « stoffenkringlopen » vervangen door het woord « materiaalkringlopen »;

 

3° in paragraaf 2 wordt punt 2° vervangen door wat volgt :

« 2° het ontwerpen van preventieprogramma’s en uitvoeringsplannen als vermeld in artikel 17 en 18 van het Materialendecreet, alsook het controleren en opvolgen van de uitvoering van voormelde preventieprogramma’s en uitvoeringsplannen en het voorbereiden en mee uitwerken van programma’s overeenkomstig de geldende internationale en Europese voorschriften, waarvan de uitvoering binnen het toepassingsgebied van het Materialendecreet valt; »;

 

4° in paragraaf 2 wordt punt 3° vervangen door wat volgt :

« 3° het sluiten van overeenkomsten met de gemeenten of verenigingen van gemeenten ter bevordering of begeleiding van de organisatie van de selectieve ophaling of inzameling van huishoudelijke afvalstoffen als vermeld in artikel 27 van het Materialendecreet; »;

 

5° in paragraaf 2 wordt punt 4° vervangen door wat volgt :

« 4° het voorbereiden van de onderhandelingen met het oog op het sluiten van de milieubeleidsovereenkomsten, vermeld in het Materialendecreet; »;

 

6° in paragraaf 2 wordt punt 5° vervangen door wat volgt :

« 5° het behandelen van de aanvragen en het adviseren van de Vlaamse Regering over de erkenning, vermeld in artikel 7 van het Materialendecreet; »;

 

7° in paragraaf 2 wordt punt 7° vervangen door wat volgt :

« 7° het uitvoeren van de taken in het kader van de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid, vermeld in artikel 21 van het Materialendecreet, en de terugnameplicht, vermeld in het samenwerkingsakkoord Verpakkingsafval; »;

 

8° in paragraaf 2 wordt punt 8° vervangen door wat volgt :

« 8° het vestigen, innen en invorderen van de milieuheffing op de verwerking van afvalstoffen, vermeld in artikel 44 tot en met artikel 65 van het Materialendecreet; »;

 

9° in paragraaf 2 wordt punt 9° vervangen door wat volgt :

« 9° de behandeling van subsidieaanvragen, vermeld in artikel 15 van het Materialendecreet; »;

 

10° in punt 10° wordt het woord « afvalstromen » vervangen door het woord « materiaalstromen »;

 

11° er wordt een punt 12° toegevoegd, dat luidt als volgt :

« 12° het adviseren van de Vlaamse Regering over de afwijkingen van de hiėrarchie als vermeld in artikel 8 van het Materialendecreet. ».


Art. 76. In artikel 10.3.4 van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 7 mei 2004 en gewijzigd bij de decreten van 19 mei 2005 en 12 december 2008, wordt paragraaf 4 opgeheven.

Art. 77.

In artikel 16.1.1, eerste lid, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 21 december 2007 en vervangen bij het decreet van 30 april 2009, wordt punt 10° vervangen door wat volgt :

 

« 10° het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen; ».


Art. 78.

In artikel 16.6.1, § 1, tweede lid, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 21 december 2007 en gewijzigd bij het decreet van 30 april 2009, wordt punt 3° vervangen door wat volgt :

 

« 3° de overtredingen van de verplichting om aan de heffing en aan de administratieve geldboete te voldoen, vermeld in artikel 48 en 58 van het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen; ».


Art. 79. In artikel 16.6.4, eerste lid, van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 21 december 2007, worden de woorden « het decreet van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen » vervangen door de woorden « het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen ».

Art. 80.

In bijlage IV van hetzelfde decreet, ingevoegd bij het decreet van 21 december 2007, wordt punt 12° vervangen door wat volgt :

 

« 12° Elke grensoverschrijdende overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Unie waarvoor een vergunning is vereist of een verbod geldt als vermeld in artikel 14, eerste en tweede lid, van het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen. ».


HOOFDSTUK 9.
Slotbepalingen


Art. 81.

Artikel 1 en 7 van de wet van 22 juli 1974 op de giftige afval worden opgeheven.


Art. 82.

Het decreet van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen, het laatst gewijzigd bij het decreet van 23 december 2010, wordt opgeheven.

 

In alle wetteksten waarin verwezen wordt naar het decreet van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen moet dit gelezen worden als een verwijzing naar dit decreet.


Art. 83. Het koninklijk besluit van 9 februari 1976 houdende algemeen reglement op de giftige afval, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Waalse Regering van 20 december 2001, wordt opgeheven.

Art. 84.

De sectorale uitvoeringsplannen, vastgesteld overeenkomstig het decreet van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen, blijven gelden voor de geldigheidsduur, vastgesteld in het plan.


Art. 85.

De beroepen die voor de inwerkingtreding van dit decreet overeenkomstig artikel 50, § 15, van het decreet van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen tegen een ambtelijke aanslag of navordering werden ingesteld, worden verder behandeld overeenkomstig de procedure, vermeld in artikel 50 van het decreet van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen.


Art. 86.

Dit decreet treedt in werking op een door de Vlaamse Regering vast te stellen datum, met uitzondering van afdeling 2 van hoofdstuk 5 die in werking treedt op 1 januari 2012.