Afdeling 2.
Milieuheffingen


Art. 44.

De definities, vermeld in het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, zijn van overeenkomstige toepassing in deze afdeling.


Art. 45.

De exploitanten van de vergunningsplichtige inrichtingen, vermeld in artikel 46, § 1, eerste lid, 1° tot en met 18°, en § 2, eerste lid, alsook de ondernemingen en inrichtingen die op beroepsmatige basis afvalstoffen inzamelen of vervoeren en afvalstoffenhandelaars of -makelaars met het oog op verwerking ervan buiten het Vlaamse Gewest, vermeld in artikel 46, § 1, eerste lid, 19°, zijn onderworpen aan een milieuheffing.

 

De gemeenten of de in hun plaats tredende verenigingen van gemeenten kunnen voor de door hen opgehaalde huishoudelijke en gemeentelijke afvalstoffen rechtstreeks als heffingsplichtige worden aangemerkt als zij daarvoor een machtiging ontvangen van OVAM. De machtiging vermeldt de afvalstroom, de concrete bestemming en het toe te passen heffingstarief. Een kopie van die machtiging wordt bezorgd aan de exploitant van de inrichting waarnaar de concrete afvalstroom wordt afgevoerd. De exploitant vermeldt de betreffende hoeveelheden in een bijlage bij zijn aangifte met verwijzing naar de respectieve machtiging. De exploitant deelt die hoeveelheden tijdig mee aan de gemeenten of aan de in hun plaats tredende verenigingen van gemeenten die voor de betreffende hoeveelheden zelf als heffingsplichtige optreden en een aangifte doen overeenkomstig de bepalingen van dit decreet.

 

Met behoud van de uitzondering, vermeld in artikel 47, tweede lid, geldt de heffing, vermeld in artikel 46, § 1, eerste lid, 1° tot en met 18°, en § 2, eerste lid, voor de hoeveelheden afvalstoffen zoals ze worden gestort, verbrand of meeverbrand, inclusief de toeslagstoffen die werden toegevoegd met het oog op het storten, verbranden of meeverbranden van de afvalstoffen.


Art. 46.

§ 1.

Het bedrag van de milieuheffing wordt, afhankelijk van de soort afvalstof en de soort verwerkingswijze, als volgt vastgesteld :

voor het verbranden van afvalstoffen als de afvalverbranding niet gedekt is door een omgevings- of exploitatievergunning overeenkomstig de geldende wetgeving : 150 euro per ton; Daarbij geldt een minimum van 250 euro.
voor het achterlaten of het beheren van afvalstoffen in strijd met de voorschriften van dit decreet of de uitvoeringsbesluiten ervan zoals bedoeld in artikel 12, § 1 : 150 euro per ton;
voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van brandbare afvalstoffen : 75 euro per ton; Vanaf 1 juli 2016 geldt een tarief van 100 euro per ton;
voor het storten van huishoudelijke afvalstoffen die niet konden worden verwerkt in een inrichting vergund voor het verwerken van huishoudelijke afvalstoffen, aangezien de exploitant zijn inrichting op vrijwillige basis tijdelijk en buiten de normale onderhoudsperiodes buiten dienst heeft gesteld omdat hij niet kan voldoen aan de opgelegde vergunningsvoorwaarden : 20 euro per ton. Die afwijking geldt voor elke inrichting slechts gedurende een periode van achttien maanden te rekenen vanaf de eerste dag van de maand waarin de inrichting op vrijwillige basis werd gesloten;
voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van niet-brandbare afvalstoffen : 40 euro per ton; Vanaf 1 juli 2016 geldt een tarief van 55 euro per ton;
a) voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van procesresidu’s die vrijkomen bij een nat reinigingsproces en afkomstig van bedrijven die grond, rioolkolkenslib, zeefzand, veegvuil en vergelijkbare zandhoudende afvalstoffen in een daartoe vergunde inrichting fysicochemisch reinigen met het oog op het herwinnen van zand en granulaten als nieuwe grondstof: 2 euro per ton. De hoeveelheid te storten procesresidu’s moet kleiner zijn dan 40 gewichtsprocent op droge stof basis. Dit percentage moet beschouwd worden als een maximum van 40% op droge stof basis per gereinigde partij, tenzij OVAM op verzoek van de exploitant toestemming verleent om voor een bepaalde partij van het gewichtspercentage af te wijken; Vanaf 1 januari 2019 geldt een tarief van 0 euro per ton.
b) Voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van afvalstoffen van bodemsaneringsoperaties, niet reinigbare grond en van residu’s andere dan bedoeld in artikel 46, § 1, 6°, a), van het reinigen van grond, rioolkolkenslib, zeefzand, veegvuil en vergelijkbare zandhoudende afvalstoffen, waarbij overeenkomstig het advies van de OVAM andere sanerings- of verwerkingswijzen dan uitgraven en/of storten onredelijk hoge kosten met zich meebrengen of onmogelijk zijn: 2 euro per ton. Vanaf 1 januari 2019 geldt een tarief van 0 euro per ton. In afwijking hiervan geldt het heffingstarief van 0 euro per ton voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van afvalstoffen afkomstig van door de OVAM goedgekeurde bodemsaneringswerken, al dan niet in het kader van een overeengekomen convenant, waarvoor uiterlijk op 31 december 2012 door de OVAM een verklaring is afgeleverd dat het nultarief van toepassing is. In afwijking hiervan geldt het heffingstarief van 0 euro per ton voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van afvalstoffen afkomstig van door de OVAM goedgekeurde Enhanced Landfill Mining-projecten die voldoen aan de volgende voorwaarden:
– het ELFM-project betreft een stortplaats;
– de afgraving en herontwikkeling is opgenomen in een bodemsaneringsproject of levert een grondstoffen-, energie- of ruimtewinst op.
c) vanaf 1 juli 2016 : 15 euro per ton voor het storten van niet-brandbare, niet-recycleerbare slibresidu’s afkomstig van PST-installaties op een daarvoor vergunde stortplaats;
voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van residu’s afkomstig van de verwerking van rioolkolkenslib in daartoe vergunde inrichtingen : 3 euro per ton; Dit tarief geldt tot en met het vierde kwartaal van 2017.
voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van slibresidu’s afkomstig van de reiniging van zeefzand in daartoe vergunde bedrijven : 3 euro per ton; Dit tarief geldt tot en met het vierde kwartaal van 2017.
voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van geïmmobiliseerde niet-brandbare afvalstoffen afkomstig van daartoe vergunde bedrijven, op voorwaarde dat de immobilisatie noodzakelijk is om te voldoen aan de vergunningsvoorwaarden van de stortplaats : 23 euro per ton; Vanaf 1 juli 2016 geldt een tarief van 30 euro per ton. Ook in geval van export naar een ander gewest of lidstaat geldt het tarief slechts voor niet-brandbare afvalstoffen waarvoor wordt aangetoond dat de immobilisatie noodzakelijk is om te voldoen aan de in het Vlaamse Gewest geldende voorwaarden voor het storten van de betreffende afvalstoffen;
10° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van ijzeroxide afvalstoffen van de zinkproductie bekend onder de naam jarosiet en goethiet : 5 euro per ton;
11° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van gips of calciumchloride afvalstoffen van de productie van fosforzuur en van metallurgische processen : 1 euro per ton; Voor de aanslagjaren 2013 en 2015 geldtdit tarief ook voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van selectief ingezameld gipsafval, afkomstig van bedrijven die selectief ingezameld gipsafval verwerken tot grondstof voor de productie van nieuwe gipsproducten, dat overeenkomstig het advies van de OVAM niet gerecycleerd kan worden. Vanaf 1 januari 2019 geldt dit tarief ook voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van gipshoudend slib van de productie van calciumchloride en van loodslakken van metallurgische processen. Vanaf 1 juli 2016 tot en met 2019 geldt dit tarief ook voor niet-recycleerbare residu’s van selectief ingezameld gipsafval, afkomstig van bedrijven die selectief ingezameld gipsafval verwerken tot grondstof voor de productie van nieuwe gipsproducten. Dit tarief geldt voor een hoeveelheid die voor 2016 15 % en voor 2017, 2018 en 2019 10 % bedraagt van de hoeveelheid selectief ingezameld gipsafval dat bij betreffende bedrijven wordt aangevoerd;
12° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van ertsresten van de productie van titaandioxidepigmenten volgens het chloorproces : 5 euro per ton;
13° voor het storten op een vergunde stortplaats van baggerspecie : 0,1 euro per ton;
14° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van ruimingspecie : 0,1 euro per ton;
15° voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van inerte afvalstoffen en van slib van de productie van drinkwater : 11 euro per ton;
16° voor het verbranden van afvalstoffen in een daartoe vergunde installatie : 7 euro per ton; 
17° voor het meeverbranden van afvalstoffen in een daartoe vergunde installatie : 7 euro per ton;
18° voor het sorteren of voorbehandelen van afvalstoffen in een daartoe vergunde inrichting : de bedragen overeenkomstig punt 1° tot en met 17°, die worden bepaald door de op de niet-gerecycleerde of hergebruikte afvalstoffen toegepaste verwerkingswijze. Indien de verwerking van de niet-gerecycleerde of niet-hergebruikte afvalstoffen buiten het Vlaamse Gewest plaatsvindt, zijn de bepalingen van het hierna vermelde punt 19° van toepassing;
19° voor de afvalstoffen geproduceerd in het Vlaamse Gewest die worden overgebracht met het oog op het verwerken ervan in een daartoe vergunde inrichting buiten het Vlaamse Gewest : de bedragen vermeld in punt 1° tot en met 18°, die worden bepaald door de toegepaste verwerkingswijze. Indien een gelijksoortige milieuheffing van toepassing is in het gewest of land waar de bedoelde afvalstoffen worden verwerkt, wordt het bedrag van de heffing verminderd met het bedrag van de voormelde gelijksoortige milieuheffing zonder dat dit evenwel tot lager dan nul kan worden herleid.

 

In de gevallen vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, is de heffingsplichtige de natuurlijke persoon of rechtspersoon die de afvalstoffen respectievelijk verbrandt, achterlaat of beheert.

 

In het eerste lid, 3°, 5° en 9°, wordt verstaan onder brandbare afvalstoffen : afvalstoffen met een gloeiverlies > 10 % en een TOC-gehalte > 6 %.

 

In afwijking van de gevallen vermeld in het eerste lid, 16° en 17°, geldt met ingang van het heffingsjaar 2019 voor de verwerking van verpulpingsresidu’s en ontinktingsslib van papier- en kartonafval die ontstaan bij bedrijven die papier- en kartonafval gebruiken als grondstof voor de aanmaak van nieuwe stoffen of producten volgende heffingen:

voor het verbranden en meeverbranden met een energierecuperatie kleiner dan 65 %: 7 euro per ton;
voor het verbranden en meeverbranden met een energierecuperatie tussen 65 % en 80 %: 2 euro per ton;
voor het verbranden en meeverbranden met energierecuperatie van meer dan 80 %: 0 euro per ton.

In afwijking van de gevallen vermeld in het eerste lid, 16° en 17°, geldt voor recyclageresidu’s van kunststofafval van bedrijven die kunststofafval gebruiken als grondstof voor de aanmaak van nieuwe stoffen of producten, met ingang van het heffingsjaar 2010, een heffingstarief van 2 euro per ton.

 

In afwijking van de gevallen vermeld in het eerste lid, 16° en 17°, geldt voor het verbranden of meeverbranden van afvalstoffen van bodemsaneringsoperaties waarbij overeenkomstig het advies van de OVAM andere saneringswijzen dan uitgraven en verbranden of meeverbranden onredelijk hoge kosten met zich meebrengen of onmogelijk zijn, met ingang van het heffingsjaar 2013, een heffingstarief van 2,2 euro/ton. Vanaf 1 januari 2019 geldt een tarief van 0 euro per ton. In afwijking hiervan geldt het heffingstarief van 0 euro per ton voor het verbranden of meeverbranden in een daartoe vergunde inrichting van afvalstoffen afkomstig van door de OVAM goedgekeurde bodemsaneringswerken, al dan niet in het kader van een overeengekomen convenant, waarvoor uiterlijk op 31 december 2012 door de OVAM een verklaring is afgeleverd dat het nultarief van toepassing is.

 

In afwijking van de gevallen vermeld in het eerste lid, 16° en 17°, geldt voor het verbranden of meeverbranden van residu’s afkomstig van de reiniging van grond in daartoe vergunde grondreinigingscentra, met ingang van het heffingsjaar 2013, een heffingstarief van 2,2 euro/ton. Vanaf 1 januari 2019 geldt een tarief van 0 euro per ton.

 

In het eerste lid, 18°, wordt verstaan onder voorbehandelen : het behandelen van afvalstoffen waarbij de aard en de samenstelling van de afvalstoffen wijzigt zodat ze geschikt gemaakt worden voor een verdere stap in de voorbehandeling of voor recyclage of voor eindverwerking van afvalstoffen.

 

In afwijking van de gevallen vermeld in het eerste lid, 18°, is deze milieuheffing niet verschuldigd indien de vergunde opslag-, overslag-, sorteer- of voorbehandelinginrichting aantoont dat de afvalstoffen na opslag, overslag, sortering of voorbehandeling gerecycleerd of hergebruikt werden en, voor wat betreft het niet-gebruikte en niet-gerecycleerde gedeelte, werden verwerkt met betaling van de milieuheffing overeenkomstig het vermelde in punten 1° tot en met 17°.

 

Onverminderd de bepalingen, vermeld in punt 19°, wordt het bedrag van de milieuheffing voor het overbrengen van in het Vlaamse Gewest geproduceerd papier- en kartonafval naar een vergunde inrichting buiten het Vlaamse Gewest waar het betrokken papier- en kartonafval wordt onderworpen aan handelingen met EU-code R12/R13, berekend op de toegepaste verwerkingswijze van de uit de R12/R13 handeling ontstane residu’s, volgens de bedragen vermeld in punt 1° tot en met 18°, die worden bepaald door de toegepaste verwerkingswijze van de residu’s indien deze ontstaan uit handelingen met EU-code R12/R13 die binnen het Vlaamse Gewest worden gesteld.

 

§ 2.

Voor recyclageresidu’s van bedrijven die afvalstoffen afkomstig van selectieve inzamelingen, zoals hieronder vermeld, gebruiken of voorbehandelen als grondstof voor de aanmaak van nieuwe stoffen of producten, zijn de volgende bedragen vastgesteld :

75 * K euro per ton voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van brandbare afvalstoffen; Vanaf 1 juli 2016 geldt een tarief van 100 * K euro per ton;
40 * K euro per ton voor het storten op een daartoe vergunde stortplaats van niet-brandbare afvalstoffen. Vanaf 1 juli 2016 geldt een tarief van 55 * K euro per ton.

 

De factor K, vermeld in het eerste lid, heeft de volgende waarde :

a) K = 0 met ingang van het heffingsjaar 2007 tot en met het heffingsjaar 2013 voor recyclageresidu’s van lompenafval;
b) K = 0,2 met ingang van het heffingsjaar 2014 tot en met het vierde kwartaal van 2017 en K = 0,25 vanaf het eerste kwartaal van 2018 voor recyclageresidu’s van bedrijven die selectief ingezameld gebruikt textiel (kledij, huishoudlinnen en schoenen) sorteren of voorbehandelen voor de aanmaak van nieuwe stoffen of producten; 
a) K = 0 met ingang van het heffingsjaar 2007 tot en met het heffingsjaar 2020 en K = 0,05 met ingang van het heffingsjaar 2021 voor het storten van:
– recyclageresidu’s afkomstig van bedrijven die gelaagd glas voorbehandelen met het oog op de herwinning van polyvinylbutyral, afgekort PVB-polymeren voor de aanmaak van nieuwe producten, meer bepaald residu’s afkomstig van de scheiding van het glas en PVB-folie;
– recyclageresidu’s van bedrijven die glasafval afkomstig van selectieve inzamelingen gebruiken of voorbehandelen als grondstof voor de aanmaak van nieuw glas, meer bepaald brandbare residu’s en niet-brandbare residu’s (zogenaamde keramiek-steen-porselein-fractie, afgekort KSP-fractie) afkomstig van het sorteerproces;
  b) K = 0 met ingang van het heffingsjaar 2007 voor het storten van niet-brandbare residu’s van bedrijven die glasafval afkomstig van selectieve inzamelingen gebruiken of voorbehandelen als grondstof voor de aanmaak van nieuw glas, meer bepaald residu’s van het sorteerproces en bestaande uit de uitgesorteerde fijne glasfractie met een korrelgrootte <3 mm, die geen afzet kennen in de glasindustrie;
K = 0,05 met ingang van het heffingsjaar 2007 voor niet-brandbare recyclageresidu’s van papier- en kartonafval;
K = 0,03 met ingang van het heffingsjaar 2007 tot en met het heffingsjaar 2009 voor brandbare recyclageresidu’s van papier- en kartonafval;
K = 1 met ingang van het heffingsjaar 2010 voor brandbare recyclageresidu’s van papier- en kartonafval;
K = 0,15 met ingang van het heffingsjaar 2007 tot en met het heffingsjaar 2009 voor recyclageresidu’s van elektronisch en elektrisch schrootafval, van schrootafval en van shredderafval afkomstig van schrootverwerking, voor recyclageresidu’s van kunststofafval van bedrijven die kunststofafval gebruiken als grondstof voor de aanmaak van nieuwe stoffen of producten, en voor recyclageresidu’s van de compostering en vergisting;
K = 1 met ingang van het heffingsjaar 2010 voor recyclageresidu’s van elektronisch en elektrisch schrootafval, van schrootafval en van shredderafval afkomstig van schrootverwerking, voor recyclageresidu’s van kunststofafval van bedrijven die kunststofafval gebruiken als grondstof voor de aanmaak van nieuwe stoffen of producten, en voor recyclageresidu’s van de compostering en vergisting;
K = 0,2 met ingang van het heffingsjaar 2007 voor recyclageresidu’s afkomstig van de normale activiteiten van door de OVAM erkende kringloopcentra;
K = 0,6 voor het heffingsjaar 2007 voor recyclageresidu’s afkomstig van bouw- en sloopafval;
10° K = 1 met ingang van het heffingsjaar 2008 voor recyclageresidu’s afkomstig van bouw- en sloopafval;
11° K = 0,04 met ingang van het heffingsjaar 2008 voor het storten van recyclageresidu’s van de verwerking van beton, metselwerken ander steenpuin tot gekeurde granulaten, afkomstig van bedrijven die de gekeurde granulaten op de markt brengen. De te storten restfractie moet kleiner zijn dan 1 gewichtsprocent. Dit percentage moet beschouwd worden ten opzichte van de totale productie van de gekeurde granulaten op jaarbasis in de daartoe vergunde inrichting. Wanneer de te storten restfractie het percentage van 1 % overschrijdt, moet voor het overschrijdende deel het milieuheffingstarief toegepast worden waarbij K = 1. Onder recyclageresidu’s van de verwerking van beton, metselwerken ander steenpuin wordt verstaan de residu’s die vrijkomen bij het breken van het puin en zuiveren van de granulaten, met uitzondering van residu’s die voorafgaand aan het breken worden uitgesorteerd;
12° K = 0,4 voor het heffingsjaar 2007 voor andere recyclageresidu’s dan deze vermeld in punt 1° tot en met 11°;
13° K = 0,6 voor het heffingsjaar 2008 voor andere recyclageresidu’s dan deze vermeld in punt 1° tot en met 11°;
14° K = 0,8 voor het heffingsjaar 2009 voor andere recyclageresidu’s dan deze vermeld in punt 1° tot en met 11°;
15° K = 1 met ingang van het heffingsjaar 2010 voor andere recyclageresidu’s dan deze vermeld in punt 1° tot en met 11°.
16° K = 0,15 met ingang van het heffingsjaar 2018 voor recyclageresidu’s van bedrijven die ovenpuin afkomstig van de productie van roestvrij staal via nieuwe scheidingstechnieken verwerken voor de aanmaak van nieuwe stoffen en producten;

 

In afwijking van het tweede lid, 5°, geldt K = 0,03 voor het heffingsjaar 2010 voor brandbare recyclageresidu’s van papier- en kartonafval van nieuwe bedrijven die papier- en kartonafval gebruiken als grondstof voor de aanmaak van nieuwe stoffen of producten.

 

In afwijking van het tweede lid, 7°, geldt K = 0,40 voor de heffingsjaren 2010 en 2011 voor shredderafval, afkomstig van de verwerking van schroot, van gedepollueerde wrakken en van elektronisch en elektrisch schrootafval. Voor deze afvalstoffen geldt K = 0,70 voor het heffingsjaar 2012 en K = 1 met ingang vanaf het heffingsjaar 2013.

 

In afwijking van het vierde lid geldt K = 0,15 voor het storten van het residu van shredderafval dat in een post-shredder-technologie-installatie (PST-installatie : verwerkt de lichte fractie die wordt afgezogen uit een cycloon, en de zware fractie die overblijft na metallische scheiding en na de lineaire motor) verwerkt is, en dit voor de volgende hoeveelheden :

in de heffingsjaren 2010 en 2011 voor een te storten hoeveelheid die maximaal het viervoudige bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die teruggewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;
in het heffingsjaar 2012 voor een te storten hoeveelheid die maximaal gelijk is aan de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd, vermenigvuldigd met factor 2,5;
in het heffingsjaar 2013 voor een te storten hoeveelheid die maximaal gelijk is aan de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd, vermenigvuldigd met factor 1,5;
in het heffingsjaar 2014 voor een te storten hoeveelheid die maximaal gelijk is aan de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;
in het heffingsjaar 2015 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 80 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;
in het heffingsjaar 2016 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 60 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;
in de heffingsjaren 2017, 2018 en 2019 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 50 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;
in het heffingsjaar 2020 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 40 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;
in het heffingsjaar 2021 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 30 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;
10° in het heffingsjaar 2022 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 20 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;
11° in het heffingsjaar 2023 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 10 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd.

 

Voor de berekening van de te storten hoeveelheid, vermeld in het vijfde lid, 6° tot en met 11° :

a) wordt de hoeveelheid kunststoffen die gewonnen werd voor de aanmaak van nieuwe kunststoffen vermenigvuldigd met een factor 2;
b) wordt de hoeveelheid non-ferro kleiner dan 5 mm, kabeltjes en printplaten die gewonnen werd voor afvoer naar en verwerking in een daartoe vergund bedrijf met het oog op de recuperatie van non-ferrometalen en edele metalen vermenigvuldigd met een factor 20. De hoeveelheid non-ferro kleiner dan 5 mm, kabeltjes en printplaten wordt niet meegerekend in de 3 % metalen, vermeld in punt 6° tot 11° hierboven.

 

In al die gevallen mag de som van de hoeveelheid materialen die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd, en de hoeveelheid shredderafval die wordt gestort aan het heffingstarief met K = 0,15, niet meer bedragen dan de input van de PST-installatie. Overeenkomstig de bepalingen van artikel 52, tweede lid, bezorgt de exploitant van de PST-installatie ter staving van het toepassen van het verlaagde heffingstarief vanaf 2011 ieder jaar voor 31 januari aan de OVAM een rapport met een volledige en gedetailleerde massabalans van de verwerkte stromen en van de teruggewonnen stromen met hun respectieve bestemming.

 

In afwijking van het tweede lid, 7°, geldt voor recyclageresidu’s van kunststofafval van bedrijven die kunststofafval gebruiken als grondstof voor de aanmaak van nieuwe stoffen of producten, voor het heffingsjaar 2010 K = 0,15, voor het heffingsjaar 2011 K = 0,3, voor het heffingsjaar 2012 K = 0,6 en met ingang van het heffingsjaar 2013 K = 1.

 

Om de heffing, vermeld in het eerste lid, te kunnen toepassen, moet de te storten restfractie na (voor)behandeling kleiner zijn dan de hierna vermelde percentages die beschouwd moeten worden ten opzichte van de totale aanvoer van de betreffende afvalstoffen op jaarbasis in de daartoe vergunde inrichting. Als de te storten restfractie de hierna vermelde percentages overschrijdt, moet voor het overschrijdende deel het milieuheffingstarief toegepast worden waarbij K = 1 :

a) 25% voor residu’s afkomstig van de scheiding van het glas en PVB;
  b) 7% voor brandbare residu’s afkomstig van recyclage van glas;
  c) 7% voor niet-brandbare residu’s afkomstig van recyclage van glas, afkomstig van het optische sorteerproces (KSP-fractie);
  d) 12% voor niet-brandbare residu’s afkomstig van recyclage van glas bestaand uit fijne fractie (<3 mm) die geen afzet kennen in de glasindustrie;
a) 20 gewichtsprocent voor lompenafval tot en met het heffingsjaar 2013;
b) 8 gewichtsprocent voor selectief ingezameld gebruikt textiel (kledij, huishoudlinnen en schoenen) vanaf het heffingsjaar 2014;  
20 gewichtsprocent voor kunststofafval, geldend voor de bedrijven die kunststofafval gebruiken als grondstof voor de aanmaak van nieuwe stoffen of producten;
5 gewichtsprocent voor kunststofafval, geldend voor de bedrijven die kunststofafval voorbehandelen als grondstof voor de aanmaak van nieuwe stoffen of producten;
10 gewichtsprocent voor elektronisch en elektrisch schrootafval; 
in het heffingsjaar 2016 voor een te storten hoeveelheid die maximaal 60 % bedraagt van de hoeveelheid materialen, waarvan maximaal 3 % metalen, die gewonnen werd in de PST-installatie en die voor nuttige toepassing werd afgevoerd;
5 gewichtsprocent voor houtafval;
5 gewichtsprocent voor papier- en kartonafval;
3 gewichtsprocent voor groenafval;
10°  5 gewichtsprocent voor piepschuimafval;
11° 5 gewichtsprocent voor groente-, fruit- en tuinafval (gft) afkomstig van aerobe compostering;
12°  8 gewichtsprocent voor groente-, fruit- en tuinafval (gft) afkomstig van anaerobe vergisting;
13° 5 gewichtsprocent voor bouw- en sloopafval;
14° 10 gewichtsprocent voor rubberafval, ander afval dan bandenafval;
15° 5 gewichtsprocent voor bandenafval;
16° 20 gewichtsprocent voor plastic verpakkingen, metalen verpakkingen en drankkartons (pmd);
17° 25 gewichtsprocent voor shredderafval, afkomstig van schrootverwerking;
18° 5 gewichtsprocent voor voedselafval;
19° 25 gewichtsprocent voor gebruikte oplosmiddelen;
20° 10 gewichtsprocent voor recyclageresidu’s, afkomstig van de normale activiteiten van door de OVAM erkende kringloopcentra;
21° 3 gewichtsprocent voor recyclageresidu’s van de behandeling van bodemassen.

 

De heffing, vermeld in het eerste lid, voor recyclageresidu’s van bedrijven die ovenpuin afkomstig van de productie van roestvrij staal verwerken voor de aanmaak van nieuwe stoffen en producten, geldt voor de volgende hoeveelheden:

in het eerste jaar dat de betreffende installatie overeenkomstig de goedkeuring van de OVAM werd in gebruik genomen, voor een te storten hoeveelheid die maximaal gelijk is aan de hoeveelheid teruggewonnen materialen die voor nuttige toepassing werden afgevoerd vermenigvuldigd met een factor 4;
in het tweede jaar voor een te storten hoeveelheid die maximaal gelijk is aan de hoeveelheid teruggewonnen materialen die voor nuttige toepassing werden afgevoerd vermenigvuldigd met een factor 2,5;
in het derde jaar voor een te storten hoeveelheid die maximaal gelijk is aan de hoeveelheid teruggewonnen materialen die voor nuttige toepassing werden afgevoerd vermenigvuldigd met een factor 1,75;
in het vierde jaar voor een te storten hoeveelheid die maximaal gelijk is aan de hoeveelheid teruggewonnen materialen die voor nuttige toepassing werden afgevoerd vermenigvuldigd met een factor 1,25;
in het vijfde jaar voor een te storten hoeveelheid die maximaal gelijk is aan de hoeveelheid teruggewonnen materialen die voor nuttige toepassing werden afgevoerd vermenigvuldigd met een factor 1;
in het zesde jaar voor een te storten hoeveelheid die maximaal gelijk is aan de hoeveelheid teruggewonnen materialen die voor nuttige toepassing werden afgevoerd vermenigvuldigd met een factor 0,8;
in het zevende jaar voor een te storten hoeveelheid die maximaal gelijk is aan de hoeveelheid teruggewonnen materialen die voor nuttige toepassing werden afgevoerd vermenigvuldigd met een factor 0,4.

 

In deze paragraaf wordt verstaan onder brandbare afvalstoffen : afvalstoffen met een gloeiverlies > 10 % en een TOC-gehalte > 6 %.

 

§ 3.

Voor de volgende afvalstoffen geldt een tarief van 0 euro per ton :

vanaf 1 juli 2016 voor het storten van asbesthoudende afvalstoffen met een gehalte aan asbest of gelijkaardige keramische vezels van meer dan 10.000 mg/kg, bepaald als gewogen gemiddelde concentratie, op een daartoe vergunde stortplaats. De gewogen gemiddelde concentratie is gelijk aan de som van de concentratie hechtgebonden asbest en 10 maal de concentratie niet-hechtgebonden asbest (cf. Compendium voor monsterneming en analyse CMA/2/II/C2 en 3).
Het tarief van 0 euro per ton geldt tevens voor met asbest (of gelijkaardige keramische vezels) verontreinigde gronden en puin met een asbestgehalte groter dan 1.000 mg/kg (0,1 %), bepaald als totale asbestconcentratie, en kleiner dan of gelijk aan 10.000 mg/kg, bepaald als gewogen gemiddelde concentratie, die overeenkomstig het advies van OVAM niet kunnen gereinigd worden via de beste beschikbare technieken;
[...] 
het verbranden of meeverbranden in een daartoe vergunde inrichting, met recuperatie van energie, van verwerkte dierlijke vetten, eiwitten en meel die conform de Europese, federale en regionale regelgeving vernietigd moeten worden;
het verbranden of meeverbranden in een daartoe vergunde inrichting, met recuperatie van energie, vanrecyclageresidu’s van selectief ingezameld gebruikt textiel, zoals kledij, huishoudlinnen en schoenen, en van recyclageresidu’s van bedrijven die glasafval, afkomstig van selectieve inzamelingen, gebruiken of voorbehandelen als grondstof voor de aanmaak van nieuw glas; 
het inzetten in een meeverbrandingsinstallatie van niet-gevaarlijke afvalstoffen waarvan de onderste verbrandingswaarde, berekend op de droogrest, kleiner is dan 8 MJ/kg, en waarvan de minerale fractie, inclusief carbonaten, uitgedrukt als gewichtpercent asrest op de droogrest, groter is dan 50 %, en die ingezet worden omwille van hun minerale fractie, met uitzondering van afvalstoffen die ingezet worden als afvalwater. 
vanaf 1 juli 2016 voor het verbranden of meeverbranden in een daartoe vergunde inrichting van de hierna vermelde afvalstoffen geproduceerd in een ander land dan België en die worden overgebracht onder toepassing van de bepalingen van de Verordening (EG) Nr 1013/2006 van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen :
a) gevaarlijke afvalstoffen;
b) ongevaarlijke slibs, behorende tot de hoofdstukken 04, 05, 06, 07, 08, 12, 16 en 19 van de lijst, bedoeld in artikel 35.
Het nultarief geldt zowel voor de ingevoerde gevaarlijke afvalstoffen en ongevaarlijke slibs die rechtstreeks naar de verbrandings- of meeverbrandingseenheid worden overgebracht als voor de afvalstoffen en slibs die na een nuttige voorbehandeling in een daartoe vergunde inrichting, al of niet samen met Vlaamse afvalstoffen, worden verbrand of meeverbrand.
Onverminderd de bepalingen hierboven geldt het nultarief slechts voor die hoeveelheden die overeenkomstig de goedkeuring van OVAM aan de gestelde voorwaarden voldoen en volledig traceerbaar zijn.
voor wat betreft het in het Vlaamse Gewest geproduceerd papier- en kartonafval dat wordt overgebracht naar een vergunde inrichting buiten het Vlaamse Gewest waar het betrokken papier- en kartonafval wordt onderworpen aan handelingen voor nuttige toepassing met EU-code R3 of wordt opgeslagen in afwachting van de overbrenging naar een dergelijke vergunde inrichting met het oog op de onderwerping aan handelingen met EU-code R3: de recyclageresidu’s afkomstig van dit papier- en kartonafval.

 

In het eerste lid, 1°, wordt onder asbesthoudende afvalstoffen verstaan : afvalstoffen geheel of gedeeltelijk bestaande uit keramische vezels met gelijkaardige carcinogene eigenschappen.

 

§ 4.

De volgende activiteiten zijn niet aan een milieuheffing onderworpen :

het gebruik in de afdichtlaag van een vergunde stortplaats van mengsels van enerzijds reagentia en/of toeslagstoffen en anderzijds de volgende afvalstoffen die overeenkomstig de beste beschikbare technieken (BBT) niet reinigbaar zijn : zuiveringsslib, gronden/zanden, bodemassen en assen, afkomstig van de verbranding van zuiveringsslib;
het storten van gronden die beantwoorden aan de voorwaarden voor het gebruik als bodem en die gebruikt worden als tussenafdek;
het verbranden of meeverbranden van houtafval in een daartoe vergunde inrichting, met recuperatie van energie.

 

§ 5.

Bij het berekenen van de heffingstarieven worden de bedragen steeds afgerond tot de hogere cent.

 

De bedragen van de milieuheffing, vermeld in paragraaf 1 en paragraaf 2, worden aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer van de consumptieprijzen van december 2006, basis 1996. De bedragen worden jaarlijks automatisch geïndexeerd zonder voorafgaande mededeling, op 1 januari van elk jaar. De aangepaste bedragen worden eveneens afgerond op de hogere cent. Vanaf het begrotingsjaar 2017 gebeurt de jaarlijkse indexering op basis van het indexcijfer van de maand november van het voorgaande jaar, een eerste keer op 1 januari 2017 op basis van het indexcijfer van november 2016, basis 2006.

 

In afwijking van het tweede lid worden de vanaf 1 januari 2018 ingevoerde bedragen, vermeld in punt 6°, a) en b), van paragraaf 1 aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen met als basisindex het indexcijfer van de consumptieprijzen van november 2017, basis 1996.

 

§ 6.

De bedragen van de milieuheffing, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 3° tot en met 19°, en paragraaf 2, eerste lid, worden vanaf 2007 tot en met het tweede kwartaal van 2015 vermenigvuldigd met 0,70 voor de heffingsplichtigen die overeenkomstig artikel 179 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting.


De bedragen van de milieuheffing, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 1° tot en met 19°, en paragraaf 2, eerste lid, worden vanaf 1 juli 2015 vermenigvuldigd met 1,5.

 

§ 7.

Vanaf 1 januari 2017 worden de bedragen vermeld in paragraaf 1, 16° en 17°, en geïndexeerd overeenkomstig de bepalingen van paragraaf 5, met 4 euro per ton verminderd, meer bepaald in de gevallen dat de betreffende afvalstoffen per schip worden aangevoerd.

 

§ 8.

Vanaf 1 januari 2019 worden de bedragen, vermeld in paragraaf 1, 16° en 17°, en geïndexeerd overeenkomstig de bepalingen van paragraaf 5, met 4 euro per ton verminderd, meer bepaald in de gevallen dat de betreffende afvalstoffen per trein worden aangevoerd.


Art. 47.

De milieuheffing, vermeld in artikel 45, is verschuldigd :

op het tijdstip dat de afvalstoffen worden verwerkt in de inrichtingen, vermeld in artikel 46, § 1, eerste lid, 1° tot en met 18°, en § 2, eerste lid, voor wat betreft de bedragen, vermeld in artikel 46, § 1, eerste lid, 1° tot en met 18°, en § 2, eerste lid;
op het tijdstip dat de afvalstoffen geproduceerd in het Vlaamse Gewest worden overgebracht met het oog op het verwerken ervan buiten het Vlaamse Gewest, voor wat betreft de bedragen, vermeld in artikel 46, § 1, eerste lid, 19°.

 

Als een afvalstof verschillende verwerkingswijzen ondergaat, is de heffing alleen verschuldigd voor de heffingsplichtige verwerkingswijze die het eerst wordt toegepast. De vrijstelling van heffing geldt ook voor de toeslagstoffen die in de eerste verwerkingswijze worden toegevoegd.


Art. 48.

Als voor de exploitatie van een inrichting de vergunning, verleend conform de bepalingen van dit decreet, is vervallen en voor dezelfde inrichting een nieuwe vergunning werd verleend, wordt voor de toepassing van de milieuheffingen, vermeld in artikel 46, § 1 en § 2, de nieuwe vergunning geacht te zijn verleend met ingang van ofwel het tijdstip, vermeld in het vergunningsbesluit als de vergunningverlenende overheid binnen de wettelijk vastgestelde termijn een beslissing heeft genomen, ofwel het tijdstip waarop die beslissing conform de wettelijke termijn genomen had moeten worden.


Art. 49.

De inning van de heffing vindt eenmaal per kwartaal plaats, namelijk :

in de loop van de maanden april en mei voor het eerste kwartaal;
in de loop van de maanden juli en augustus voor het tweede kwartaal;
in de loop van de maanden oktober en november voor het derde kwartaal;
in de loop van de maanden januari en februari van het volgende jaar voor het vierde kwartaal.

 

De Vlaamse Regering stelt de nadere regels vast met betrekking tot de inning van de heffing.

 

De Vlaamse Regering wijst de ambtenaren en contractuele personeelsleden van de OVAM aan die belast zijn met de inning en de invordering van de heffing en met de controle op de naleving van de verplichtingen inzake de heffing, en stelt de nadere regels met betrekking tot hun bevoegdheden vast.


Art. 50.

§ 1.

De heffingsplichtige is verplicht om in de loop van de maanden april, juli, oktober en januari een aangifte in te dienen met betrekking tot de heffing verschuldigd voor het voorafgaande kwartaal.

 

§ 2.

De heffingsplichtige is verplicht om voor 10 mei, 10 augustus, 10 november, alsook 10 februari, de heffing voor het voorafgaande kwartaal te betalen. De heffingsplichtige is ook ertoe verplicht voor 10 december van elk jaar een voorschot te betalen op de heffing voor het vierde kwartaal van dat jaar. Dat voorschot wordt forfaitair vastgesteld op zesenzestig procent van het bedrag dat verkregen wordt door de voor de eerste drie kwartalen door de heffingsplichtige verschuldigde heffing te delen door drie. Het aldus verkregen forfaitaire bedrag wordt afgerond tot op het lagere tiental. Als op basis van de aangifte voor het vierde kwartaal blijkt dat de werkelijk verschuldigde heffing lager is dan het verschuldigde voorschot, wordt dat voorschot, verminderd met de werkelijk verschuldigde heffing, maar vermeerderd met de wettelijke verwijlintrest op het aldus berekende verschil, aan de heffingsplichtige teruggestort binnen negentig kalenderdagen na ontvangst van de behoorlijk opgestelde aangifte voor het vierde kwartaal. Het voorschot is niet verschuldigd als de heffingsplichtige voor 10 december het bewijs levert dat hij zijn belastingplichtige activiteit heeft stopgezet voor de aanvang van het vierde kwartaal.

 

§ 3.

Als de heffingsplichtige niet tot de betaling van het aangegeven bedrag overgaat of als na controle door de met de inning en de invordering van de heffing belaste ambtenaar blijkt dat de aangegeven bedragen onjuist zijn, kan door de met de inning en de invordering van de heffing belaste ambtenaar een navordering worden opgelegd ten laste van de heffingsplichtige.

 

§ 4.

Als de heffingsplichtige verschillende kwartalen moet vereffenen, worden de betalingen eerst aangerekend op de oudste schulden en in volgorde eerst op de administratieve geldboeten, de nalatigheidsintresten en de hoofdsom.

 

§ 5.

De Vlaamse Regering stelt de nadere regels vast met betrekking tot de aangifte en betaling van de heffing.


Art. 51.

De heffingsplichtige kan het gedeelte van de heffing dat hij heeft opgenomen in zijn aangifte en dat hij regelmatig voldaan heeft op de wijze, vermeld in artikel 50, § 2, terugvorderen onder de volgende voorwaarden :

de heffing is onbetwistbaar en is duidelijk omschreven op een factuur uitgereikt door de heffingsplichtige aan een medecontractant, met verwijzing naar het register, vermeld in artikel 52, eerste lid;
de vordering van de heffingsplichtige blijkt definitief oninbaar te zijn bij gebrek aan activa na opname als onbetwistbare vordering in het passief van het faillissement van de medecontractant op grond van een attest, uitgereikt door de behandelende curator;
de aanvraag tot teruggave van de heffing wordt ingediend met een aangetekende brief bij de OVAM, en de factuur, vermeld in punt 1°, en een afschrift van het attest, uitgereikt door de behandelende curator, vermeld in punt 2°, zijn erbij gevoegd.

 


Art. 52.

De heffingsplichtige is verplicht om de hoeveelheden afvalstoffen, uitgedrukt in ton, dagelijks en in volgorde van verwerking in een register in te schrijven.

 

De heffingsplichtige is verplicht om alle bescheiden die nodig zijn om de voldoening van de heffing of de juistheid van de aangegeven bedragen na te gaan, voor te leggen op ieder verzoek van de ambtenaren die belast zijn met de controle op de naleving van de verplichtingen inzake de heffing.

 

De heffingsplichtige is verplicht om op ieder verzoek van de ambtenaren die belast zijn met de controle op de naleving van de verplichtingen inzake de heffing, mondeling of schriftelijk alle inlichtingen te verschaffen die hem gevraagd worden om de voldoening van de heffing of de juistheid van de aangegeven bedragen na te gaan.


Art. 53.

Als de heffing niet is betaald na het verstrijken van de termijn, vermeld in artikel 50, § 2, is van rechtswege de wettelijke intrest verschuldigd, vermeld in het koninklijk besluit van 4 augustus 1996 tot wijziging van de wettelijke rentevoet.


Art. 54.

Als een heffingsplichtige, om welke redenen dan ook, de aangifte vermeld in artikel 50, § 1, niet of te laat heeft ingediend of de verplichtingen vermeld in artikel 52, niet is nagekomen, kan hem door de met invordering belaste ambtenaar een ambtelijke aanslag opgelegd worden voor het bedrag van de heffing die vermoedelijk verschuldigd is.

 

De heffing wordt in de gevallen, vermeld in het eerste lid, vastgesteld op basis van de gevraagde stukken of, bij ontstentenis daarvan, op basis van gegevens die bewezen kunnen worden door documenten, getuigen en vermoedens.

 

De ambtelijke aanslag wordt opgelegd onverminderd de mogelijkheid van navordering binnen de termijn, vermeld in artikel 59.


Art. 55.

Binnen een termijn van dertig dagen na de datum van verzending, per aangetekende brief, van een ambtelijke aanslag of een navordering kan de heffingsplichtige per aangetekende brief beroep instellen bij de door de Vlaamse Regering aangeduide Vlaamse minister, die uitspraak doet binnen zes maanden vanaf de datum van verzending van het beroepschrift. Een afschrift van dat beroep moet per aangetekende brief aan de OVAM worden betekend. Op straffe van nietigheid verwijst het beroep naar het dossiernummer, het aanslagjaar en het kwartaal, vermeld in de ambtelijke aanslag of in de navordering. Met een met redenen omklede aangetekende brief, gericht aan de heffingsplichtige, kan de door de Vlaamse Regering aangeduide Vlaamse minister de voormelde termijn eenmalig verlengen met een periode van zes maanden.

 

Vooraleer een beslissing te nemen, legt de door de Vlaamse Regering aangeduide Vlaamse minister de in het eerste lid bedoelde geschillen voor aan een adviescommissie.

 

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels met betrekking tot de werking en samenstelling van de geschillencommissie.

 

Bij gebrek aan een uitspraak van de door de Vlaamse Regering aangeduide Vlaamse minister binnen de termijn, vermeld in het eerste lid, wordt het beroep van de heffingsplichtige als ingewilligd beschouwd.

 

De minister verzendt zijn beslissing per aangetekende brief aan de heffingsplichtige. Tegen de beslissing van de minister kan een vordering worden ingesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 1385decies en artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek.

 

In het geval een procedure voor het Hof van Cassatie wordt gevoerd mag in afwijking van artikel 1080 van het Gerechtelijk Wetboek het verzoekschrift houdende voorziening in cassatie en het antwoord op de voorziening door een advocaat worden ondertekend en neergelegd


Art. 56.

Ten aanzien van de heffingsplichtige, vermeld in artikel 45, kan teruggave van door hem te veel aangegeven en betaalde milieuheffingen plaatsvinden door middel van verrekening op het verschuldigde bedrag aan te geven en te betalen voor een volgend kwartaal van het lopende kalenderjaar.

 

De heffingsplichtige voegt bij de kwartaalaangifte de nodige stukken ter staving van de gegrondheid van zijn verrekening. Bij een onjuiste of ten onrechte toegepaste verrekening blijft de mogelijkheid van navordering vermeld in artikel 50, § 3, bestaan.


Art. 57.

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de aanwijzing van de personen die belast zijn met de inning en invordering van de milieuheffingen, de wijze van inning en invordering van de milieuheffingen, de aangifte en de betaling van de milieuheffingen en de behandeling van de beroepen, ingesteld overeenkomstig artikel 55, eerste lid.


Art. 58.

Met behoud van de toepassing van de bepalingen van hoofdstuk 7 wordt voor iedere navordering, vermeld in artikel 50, § 3, en voor elke ambtelijke aanslag, vermeld in artikel 54, eerste lid, een administratieve geldboete opgelegd. Als heffingen niet of onvoldoende aangegeven worden, wordt de geldboete gelijkgesteld aan de heffingen die niet of onvoldoende zijn aangegeven. In geval van niet-tijdige betaling van de aangegeven heffingen wordt de geldboete gelijkgesteld aan 10 % van de heffingen die niet tijdig zijn betaald. In beide gevallen bedraagt de geldboete ten minste 70 euro. Voor de berekening van die administratieve geldboete wordt uitgegaan van de milieuheffing zonder de vermenigvuldigingsfactor 0,70, vermeld in artikel 46, § 6.


Art. 59. De vordering tot voldoening van de heffing, van de intresten en van de administratieve geldboete verjaart door verloop van vijf jaar, te rekenen van de dag waarop ze is ontstaan. De verjaring wordt gestuit op de wijze en onder de voorwaarden, vermeld in het Burgerlijk Wetboek.

Art. 60. De ambtenaar die daartoe aangewezen is door de Vlaamse Regering, kan met de heffingsplichtige dadingen treffen, voor zover die niet leiden tot vrijstelling of vermindering van de heffing.

Art. 61.

De ambtenaar, vermeld in artikel 60, beslist ook over de gemotiveerde verzoeken tot kwijtschelding of vermindering van de administratieve geldboete die de heffingsplichtige per aangetekende brief tot hem richt. Die verzoeken moeten op straffe van verval ingediend worden uiterlijk binnen een maand nadat de beroeper in kennis is gesteld van de beslissing van de door de Vlaamse Regering aangeduide Vlaamse minister over het ingestelde beroep overeenkomstig de bepalingen van artikel 55, vijfde lid.

 

Tegen de beslissing, vermeld in het eerste lid, kan een vordering worden ingesteld overeenkomstig de bepalingen van de artikel 1385decies en 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek.

 

In het geval een procedure voor het Hof van Cassatie wordt gevoerd mag in afwijking van artikel 1080 van het Gerechtelijk Wetboek het verzoekschrift houdende voorziening in cassatie en het antwoord op de voorziening door een advocaat worden ondertekend en neergelegd.


Art. 62.

De ambtenaar, vermeld in artikel 60, beslist ook over de gemotiveerde verzoeken tot uitstel van betaling die de heffingsplichtige per aangetekende brief tot hem richt.


Art. 63.

Bij gebrek aan voldoening van de heffing, de intresten, de administratieve geldboete en toebehoren wordt door de met invordering belaste ambtenaar een dwangbevel uitgevaardigd.

 

Dat dwangbevel wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de ambtenaar die daartoe aangewezen is door de Vlaamse Regering. Het dwangbevel wordt betekend bij gerechtsdeurwaardersexploot of met een aangetekende brief.

 

Op het dwangbevel zijn de bepalingen van toepassing van deel V van het Gerechtelijk Wetboek houdende bewarend beslag en middelen van tenuitvoerlegging.


Art. 64.

Tot zekerheid van de voldoening van de heffing, de intresten, de administratieve geldboete en de kosten heeft het Vlaamse Gewest een algemeen voorrecht op alle roerende goederen van de heffingsplichtige. Het kan een wettelijke hypotheek vestigen op alle goederen die daarvoor vatbaar zijn en die in het Vlaamse Gewest gelegen zijn, van de persoon op wiens naam de navordering of de ambtelijke aanslag is gevestigd.

 

Het voorrecht, vermeld in het eerste lid, neemt rang in onmiddellijk na de voorrechten die vermeld zijn in artikel 19 en 20 van de Hypotheekwet.

 

De rang van de wettelijke hypotheek wordt bepaald door de dagtekening van de inschrijving die genomen wordt.

 

De hypotheek wordt ingeschreven op verzoek van de ambtenaren, vermeld in artikel 60.

 

Artikel 19 van de Faillissementswet is niet van toepassing op de wettelijke hypotheek inzake de verschuldigde heffing waarvoor de inschrijving is genomen en waarvan betekening aan de heffingsschuldige is gedaan voor het vonnis van faillietverklaring.


Art. 65.

De gemeenten zijn ertoe gerechtigd een beroep te doen op de OVAM met het oog op de inning van de opcentiemen, voor zover deze maximaal 20 % opcentiemen bedragen, door de betrokken gemeente te heffen op de door de OVAM geïnde milieuheffingen bedoeld in artikel 46, § 1 en § 2, voor de heffingsplichtige inrichtingen gelegen op hun grondgebied.

 

De Vlaamse Regering stelt de nadere regels met betrekking tot de inningskosten en de wijze van innen van de opcentiemen vast.