Art. 55.

Binnen een termijn van dertig dagen na de datum van verzending, per aangetekende brief, van een ambtelijke aanslag of een navordering kan de heffingsplichtige per aangetekende brief beroep instellen bij de door de Vlaamse Regering aangeduide Vlaamse minister, die uitspraak doet binnen zes maanden vanaf de datum van verzending van het beroepschrift. Een afschrift van dat beroep moet per aangetekende brief aan de OVAM worden betekend. Op straffe van nietigheid verwijst het beroep naar het dossiernummer, het aanslagjaar en het kwartaal, vermeld in de ambtelijke aanslag of in de navordering. Met een met redenen omklede aangetekende brief, gericht aan de heffingsplichtige, kan de door de Vlaamse Regering aangeduide Vlaamse minister de voormelde termijn eenmalig verlengen met een periode van zes maanden.

 

Vooraleer een beslissing te nemen, legt de door de Vlaamse Regering aangeduide Vlaamse minister de in het eerste lid bedoelde geschillen voor aan een adviescommissie.

 

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels met betrekking tot de werking en samenstelling van de geschillencommissie.

 

Bij gebrek aan een uitspraak van de door de Vlaamse Regering aangeduide Vlaamse minister binnen de termijn, vermeld in het eerste lid, wordt het beroep van de heffingsplichtige als ingewilligd beschouwd.

 

De minister verzendt zijn beslissing per aangetekende brief aan de heffingsplichtige. Tegen de beslissing van de minister kan een vordering worden ingesteld overeenkomstig de bepalingen van artikel 1385decies en artikel 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek.

 

In het geval een procedure voor het Hof van Cassatie wordt gevoerd mag in afwijking van artikel 1080 van het Gerechtelijk Wetboek het verzoekschrift houdende voorziening in cassatie en het antwoord op de voorziening door een advocaat worden ondertekend en neergelegd