Art. 17.

§ 1.

De OVAM coördineert de opmaak van preventieprogramma’s en hun eventuele herziening, en volgt de uitvoering ervan op. De Vlaamse Regering wijst de overheidsinstellingen aan die worden betrokken bij de opmaak en de uitvoering van de preventieprogramma’s.

 

Voor de opmaak en uitvoering van preventieprogramma’s worden overlegplatformen opgericht, overeenkomstig artikel 19.

 

§ 2.

De preventieprogramma’s bestaan, voor zover van toepassing, minimaal uit maatregelen met de volgende doelstellingen:

duurzame productie- en consumptiemodellen bevorderen en ondersteunen;
het ontwerp, de fabricage en het gebruik van producten aanmoedigen die voldoen aan één of meer van de volgende voorwaarden:
  a) ze zijn hulpbronnenefficiėnt;
  b) ze zijn duurzaam, ook wat betreft levensduur. Er is dus geen geplande veroudering;
  c) ze zijn repareerbaar, zowel naar praktische mogelijkheden als naar betaalbaarheid ten opzichte van de aanschaf van een nieuw toestel;
  d) ze zijn herbruikbaar;
  e) ze zijn opwaardeerbaar;
de producten die kritieke grondstoffen bevatten, in kaart brengen om te voorkomen dat die materialen afval worden;
producten hergebruiken en systemen invoeren die reparatie- en hergebruikactiviteiten stimuleren, namelijk voor elektrische en elektronische apparatuur, textiel en meubelen, verpakkingen, bouwmaterialen en -producten;
in voorkomend geval en met behoud van de toepassing van de intellectuele eigendomsrechten de beschikbaarheid van losse onderdelen, handleidingen, technische informatie of andere instrumenten, apparatuur of software die de reparatie en het hergebruik van producten mogelijk maken, aanmoedigen, zonder afbreuk te doen aan de kwaliteit en veiligheid ervan;
de afvalproductie verminderen in processen in verband met de industriėle productie, de winning van mineralen, de verwerkende industrie en bouw- en sloopwerkzaamheden, rekening houdend met de beste beschikbare technieken;
de productie van levensmiddelenafval in de primaire productie, de verwerking en de industrie, in de detailhandel en de overige distributie van levensmiddelen, in restaurants, catering en huishoudens verminderen;
voedselschenkingen en andere herverdeling voor menselijke consumptie aanmoedigen, waarbij het menselijke gebruik voorrang heeft op diervoeding en op de herverwerking tot producten die niet voor de voeding bestemd zijn;
de vermindering van het gehalte aan gevaarlijke stoffen in materialen en producten bevorderen, onverminderd de geharmoniseerde wettelijke vereisten voor die materialen en producten;
10° de productie verminderen van afvalstoffen die niet geschikt zijn voor de voorbereiding voor hergebruik of recycling;
11° vaststellen welke producten de belangrijkste bronnen van zwerfafval vormen, namelijk in het natuurlijke en mariene milieu, en zwerfafval van die producten voorkomen en verminderen;
12° de productie van zwerfvuil in zee voorkomen;
13° voorlichtingscampagnes ontwikkelen en ondersteunen om de bewustwording over afvalpreventie en zwerfafval te bevorderen.


Een preventieprogramma omschrijft verder, indien relevant, het nut en de bijdrage aan de afvalpreventie van de hierna genoemde niet-limitatieve lijst van instrumenten en maatregelen, zoals:

planningsmaatregelen invoeren of andere economische instrumenten toepassen die een efficiėnt gebruik van grondstoffen bevorderen;
onderzoek en ontwikkeling bevorderen met het oog op schonere technologieėn en producten die minder verspilling veroorzaken, en de resultaten van onderzoek en ontwikkeling op dat gebied verspreiden en toepassen;
relevante en doeltreffende indicatoren ontwikkelen voor de milieudruk als gevolg van de productie van afvalstoffen. Die indicatoren helpen bij de preventie van afvalproductie op alle niveaus, van productvergelijkingen op communautair niveau tot acties die plaatselijke instanties ondernemen;
ecologische ontwerpen en de systematische integratie van milieuaspecten in het ontwerp van een product bevorderen om de milieuprestaties van het product gedurende de hele levenscyclus ervan te verbeteren;
informatie over afvalpreventietechnieken verstrekken om de toepassing van de beste beschikbare technieken door het bedrijfsleven te vergemakkelijken;
het personeel van de bevoegde instanties opleiden om afvalpreventie-eisen in vergunningen op te nemen;
afvalpreventiemaatregelen in installaties opnemen;
bewustmakingscampagnes voeren of financiėle, besluitvormings- of andere steun aan bedrijven verlenen;
vrijwillige overeenkomsten, consumenten- of producentenpanels of sectoraal overleg gebruiken om ervoor te zorgen dat de betrokken bedrijven of industriėle sectoren eigen afvalpreventieplannen of -doelstellingen vaststellen of maatregelen nemen om verspilling die door producten of verpakkingen veroorzaakt is, een halt toe te roepen;
10° geloofwaardige milieumanagementsystemen bevorderen, bijvoorbeeld EMAS en ISO 14001;
11° economische instrumenten inzetten, zoals de beloning van “schoon” aankoopgedrag of de instelling van een door de consument verplicht te betalen vergoeding voor een verpakkingsartikel of -element dat anders gratis ter beschikking zou worden gesteld;
12° bewustmakingscampagnes voeren en informatie verstrekken voor het brede publiek of specifieke categorieėn van consumenten;
13° geloofwaardige milieukeurmerken bevorderen;
14° overeenkomsten met het bedrijfsleven of met de distributie sluiten over de beschikbaarheid van afvalpreventieinformatie en van producten met een minder groot milieueffect;
15° in het kader van aankopen door publieke organisaties en bedrijven: milieu-, recyclage- en afvalpreventiecriteria integreren in aanbestedingen en contracten;
16° hergebruik of herstelling bevorderen van afgedankte producten of componenten ervan die daarvoor in aanmerking komen, namelijk via educatieve, economische, logistieke of andere maatregelen, zoals het ondersteunen of opzetten van erkende herstellings- en kringloopcentra en -netwerken, in het bijzonder in dichtbevolkte gebieden;
17° de vervanging van producten bevorderen door alternatieven die een aantoonbare lagere ecologische voetafdruk hebben.

 

De Vlaamse Regering stelt een specifiek programma vast voor de preventie van levensmiddelenafval en bepaalt wie dit coördineert, opvolgt en welke overheidsinstanties daar buiten de OVAM bij worden betrokken.
 

 

§ 3.

De ontwerpen van preventieprogramma’s of de ontwerpen van wijziging van preventieprogramma’s worden bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad en voor een termijn van twee maanden ter inzage gelegd bij de gemeenten en bij de OVAM. Gedurende die termijn kan iedereen bezwaren of opmerkingen schriftelijk ter kennis brengen van de OVAM.

 

§ 4.

Tegelijkertijd met hun bekendmaking worden de ontwerpen van preventieprogramma’s bezorgd aan de Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen, die een met redenen omkleed advies uitbrengt binnen een vervaltermijn van twee maanden na ontvangst van het ontwerp. Dit advies is niet bindend.

 

Tegelijk met de bezorging van de ontwerpen van preventieprogramma’s aan de Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen, worden deze ook overgemaakt aan het Vlaams Parlement.

 

§ 5.

De Vlaamse Regering stelt de preventieprogramma’s vast, rekening houdend met de gegeven adviezen en met de ingediende bezwaren of opmerkingen. Als de Vlaamse Regering de uitgebrachte adviezen niet volgt of niet aan de ingediende bezwaren of opmerkingen tegemoetkomt, hetzij geheel of gedeeltelijk, dan verantwoordt ze dat in een verslag dat wordt gevoegd bij de bekendmaking, vermeld in paragraaf 6.

 

§ 6.

De preventieprogramma’s worden bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Ze liggen ter inzage bij de OVAM, de provincies en de gemeenten en worden geplaatst op de website van de OVAM.

 

§ 7.

De preventieprogramma’s kunnen worden geļntegreerd in de uitvoeringsplannen voor het beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen, vermeld in artikel 18. In voorkomend geval zullen ze als duidelijk onderscheiden preventiemaatregelen worden aangegeven.

 

§ 8.

De preventieprogramma’s gelden voor de administratieve overheden van het Vlaamse Gewest, de provincies, de gemeenten en de publiekrechtelijke of privaatrechtelijke instellingen die belast zijn met taken van openbaar nut inzake milieubeleid. De geldigheidsduur van de preventieprogramma’s wordt in ieder programma afzonderlijk bepaald. De preventieprogramma’s worden minstens eenmaal om de zes jaar geėvalueerd en zo nodig herzien.

 

§ 9.

Bepalingen van de preventieprogramma’s zijn bindend, behalve als uitdrukkelijk in die programma’s is aangegeven dat ze niet bindend zijn. In die gevallen zijn ze indicatief. Van de bindende bepalingen kan alleen worden afgeweken bij een beslissing van de Vlaamse Regering, als daarvoor gewichtige redenen zijn en met behoorlijke motivering. Bepalingen van preventieprogramma’s die strijdig zijn met een gewestelijk plan of programma van latere datum met verordenende of verbindende kracht, verliezen hun geldigheid.

 

§ 10.

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de opmaak, vaststelling, opvolging en uitvoering van de preventieprogramma’s en de daarin opgenomen inspraak door belanghebbenden.