HOOFDSTUK 3.
Bepalingen over het beheer van specifieke materiaalkringlopen en afvalstoffen


Afdeling 1.
Algemene bepalingen


Art. 22.

Alle afvalstoffen worden volgens hun herkomst of aard in een van de volgende hoofdcategorieën ingedeeld :

 

1°  huishoudelijke afvalstoffen; 
2°  bedrijfsafvalstoffen. 

 

Afvalstoffen kunnen bovendien in een of meer van de volgende aanvullende categorieën worden ingedeeld :

 

1°  gevaarlijke afvalstoffen; 
2°   bijzondere afvalstoffen;
gemengd stedelijk afval. 

 

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen over het beheer van de afvalstoffen ingedeeld in de categorieën, vermeld in het eerste en het tweede lid.

De voorschriften die gelden voor de hoofdcategorie en de aanvullende categorieën waarin een afvalstof is ingedeeld, zijn cumulatief van toepassing, zoals bepaald in artikel 29 of 32.


Afdeling 2.
Bedrijfsafvalstoffen


Art. 23.

De producenten van bedrijfsafvalstoffen houden een chronologisch afvalstoffenregister bij waarin onder meer de aard, oorsprong, samenstelling, hoeveelheid, bestemming en wijze van nuttige toepassing of verwijdering van de afvalstoffen worden vermeld. De Vlaamse Regering stelt de nadere regels vast voor de inhoud en de structuur van het afvalstoffenregister.

 

De producenten van bedrijfsafvalstoffen melden sommige gegevens uit het afvalstoffenregister aan de OVAM. De Vlaamse Regering bepaalt welke gegevens op welke wijze gemeld worden. Ze kan de melding laten doen via het integraal milieujaarverslag, vermeld in artikel 3.5.3 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.

 

De Vlaamse Regering kan bepaalde categorieën van producenten ontslaan van de verplichtingen, vermeld in het eerste en het tweede lid, wegens de geringe hoeveelheden en de geringe schadelijkheidsgraad van de door hen voortgebrachte afvalstoffen.


Art. 24.

Producenten van bedrijfsafvalstoffen moeten op hun kosten de afvalstoffen een nuttige toepassing geven of verwijderen, tenzij het anders bepaald is door de Vlaamse Regering overeenkomstig artikel 10.


Art. 25.

§ 1.

Houders van bedrijfsafvalstoffen en afvalstoffenmakelaars en -handelaars moeten de afvalstoffen nuttig toepassen of verwijderen :

1°  binnen de onderneming waarin de afvalstoffen zijn ontstaan of worden behandeld, in overeenstemming met de

omgevingsvergunning, vermeld in artikel 11, of met de andere toepasselijke wettelijke, decretale of reglementaire

voorschriften; 

2°  door afgifte aan een natuurlijk persoon of rechtspersoon die overeenkomstig artikel 11 houder is van een

vergunning voor de verwijdering of nuttige toepassing van de afvalstoffen, of die voldaan heeft aan de meldingsplicht,

of die een geregistreerde afvalstoffenhandelaar of -makelaar is als vermeld in artikel 13; 

3°  door afgifte aan een in een ander gewest of land gevestigde natuurlijk persoon of rechtspersoon die

overeenkomstig de daar geldende wetgeving de afvalstoffen : 

a)  mag verwijderen als er geen merkelijk dichterbij gelegen, vergunde verwijderingsinrichting is die de afvalstoffen

op een verantwoorde wijze kan verwijderen onder vergelijkbare voorwaarden;

b)  nuttig mag toepassen. 

 

§ 2.

Iedere afgifte van bedrijfsafvalstoffen als vermeld in paragraaf 1, 2° en 3°, gebeurt tegen de ontvangst van een afgiftebewijs, al dan niet in elektronische vorm. Met behoud van de toepassing van artikel 23 moeten de houders van bedrijfsafvalstoffen dat afgiftebewijs op elk moment kunnen voorleggen tot minstens vijf jaar na de datum van de afgifte van de afvalstoffen.

 

Het eerste lid is niet van toepassing als voldaan is aan de volgende cumulatieve voorwaarden:

de aard, samenstelling en hoeveelheid van het bedrijfsafval van de afvalstoffenproducent zijn vergelijkbaar met de aard, samenstelling en hoeveelheid van huishoudelijke afvalstoffen. De Vlaamse Regering kan hiertoe nadere regels bepalen;
het bedrijfsafval van de afvalstoffenproducent wordt samen met huishoudelijk afval in één ronde ingezameld.

 

§ 3.

Het afgiftebewijs vermeldt :

1°  datum van afgifte; 
2°  naam en woonplaats van de producent of de inrichting waarvan de afvalstoffen in ontvangst worden genomen; 
3°  naam en woonplaats van de natuurlijke persoon of rechtspersoon, vermeld in paragraaf 1, 2° en 3°, aan wie de

afvalstoffen worden afgegeven; 

4°  aard, herkomst, samenstelling en hoeveelheid van de afgegeven afvalstoffen; 
5°  beoogde wijze van verwerking. 

 

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor het afgiftebewijs, vermeld in paragraaf 2 en 3.


Afdeling 3.
Huishoudelijke afvalstoffen


Art. 26.

Elke gemeente draagt er, al dan niet in samenwerking met andere gemeenten, zorg voor dat de huishoudelijke afvalstoffen zo veel mogelijk worden voorkomen of hergebruikt, op regelmatige tijdstippen worden opgehaald of op een andere wijze worden ingezameld, en nuttig worden toegepast of verwijderd, overeenkomstig artikel 11, 12 en 13, § 2.

 

De gemeenten verhalen, overeenkomstig artikel 10, de kosten van het beheer van huishoudelijk afval op de afvalproducenten. De gemeente kan haar verzelfstandigde entiteiten of intergemeentelijke samenwerkingsverbanden ertoe machtigen die kosten te innen, ook als ze in de vorm van belastingen en retributies worden verhaald. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de wijze waarop de gemeenten de kosten van het beheer van huishoudelijke afvalstoffen berekenen.

 

Met behoud van de toepassing van de bepalingen van dit decreet worden de ophaling en inzameling van huishoudelijke afvalstoffen bij gemeentelijk reglement geregeld.

 

De prestaties van elke persoon die nodig zijn voor de normale werking van de diensten die met het ophalen van de huishoudelijke afvalstoffen zijn belast, alsook het nodige materiaal daarvoor, mogen door de burgemeester, de arrondissementscommissaris en de gouverneur worden opgeëist.


Art. 27.

De gemeenten en verenigingen van gemeenten kunnen met de OVAM overeenkomsten sluiten om de organisatie van de selectieve ophaling of inzameling van huishoudelijke afvalstoffen te bevorderen of te begeleiden.

 

De provincies kunnen, binnen het kader van het Vlaamse afvalstoffenbeleid, ondersteunende initiatieven en acties aanbieden die gericht zijn op concrete realisaties op het terrein.


Art. 28.

Als een gemeente of een provincie of hun samenwerkingsverbanden de verplichtingen opgelegd door of krachtens artikel 26, eerste lid, of door de programma’s en plannen, vermeld in artikel 17 en 18, niet nakomen binnen de door de Vlaamse Regering bepaalde termijn en daardoor het algemeen belang schaden, kan de Vlaamse Regering, na ingebrekestelling bij een met redenen omkleed besluit, in de plaats treden van de gemeente of de provincie of hun samenwerkingsverbanden in kwestie voor de uitvoering van alle maatregelen die nodig zijn om de voormelde verplichtingen na te komen. Het Vlaamse Gewest kan de kosten van de vermelde maatregelen verhalen op de gemeente of de provincie of hun samenwerkingsverbanden.

 

Zowel bij de coördinatie als bij de organisatie hebben de gemeenten, de provincies en hun samenwerkingsverbanden de mogelijkheid om beroep aan te tekenen bij de Vlaamse minister bevoegd voor het leefmilieu. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor die beroepsprocedure.


Afdeling 4.
Gevaarlijke afvalstoffen


Art. 29.

De bepalingen van afdeling 1 en 2 en van hoofdstuk 2 zijn van toepassing op de gevaarlijke afvalstoffen als er in deze afdeling niet uitdrukkelijk van wordt afgeweken.


Art. 30.

§ 1.

Gevaarlijke afvalstoffen die worden verwijderd, moeten worden geregistreerd en geďdentificeerd.

 

§ 2.

Gevaarlijke afvalstoffen moeten bij de inzameling, het vervoer en de tijdelijke opslag deugdelijk zijn verpakt of opgeslagen en voorzien worden van een etiket, overeenkomstig de geldende internationale en Europese voorschriften. Telkens als gevaarlijke afvalstoffen worden vervoerd, moet er een identificatieformulier bijgevoegd zijn, al dan niet in elektronische vorm, met de toepasselijke gegevens, vermeld in bijlage I B van verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen.

 

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de verpakking, opslag en identificatie van gevaarlijke afvalstoffen.

 

§ 3.

De natuurlijke personen of rechtspersonen die aan afvalstoffenverwerking doen, mogen gevaarlijke afvalstoffen niet mengen met andere categorieën gevaarlijke afvalstoffen, noch met andere afvalstoffen, stoffen of materialen. Onder mengen wordt ook het verdunnen van gevaarlijke stoffen verstaan.

 

Van de verbodsbepaling, vermeld in het eerste lid, kan worden afgeweken, indien de Vlaamse Regering andere maatregelen voorziet om ervoor te zorgen dat gevaarlijke afvalstoffen niet worden gemengd met andere categorieën gevaarlijke afvalstoffen, noch met andere afvalstoffen, stoffen of materialen.

 

§ 4.

In afwijking van paragraaf 3 kan in de vergunning, vermeld in artikel 11, worden toegelaten dat gevaarlijke afvalstoffen gemengd worden met andere gevaarlijke afvalstoffen of met andere afvalstoffen, stoffen of materialen, als :

dit vereist is om de veiligheid bij de verwijdering of de nuttige toepassing te verbeteren; 
2°  daarmee geen afbreuk wordt gedaan aan de bepalingen van artikel 12, § 3; 
3°  daarmee de negatieve gevolgen van het afvalbeheer op de menselijke gezondheid en het milieu niet worden vergroot; 
4°  de handeling in kwestie in overeenstemming is met de beste beschikbare technieken. 

 

§ 5.

Als gevaarlijke afvalstoffen in strijd met paragraaf 3 en 4 gemengd zijn, moet een scheidingsbehandeling worden uitgevoerd, als dat technisch en economisch haalbaar is en als dat voor de naleving van artikel 12, § 3, nodig is.

 

Als conform het eerste lid geen scheiding vereist is, wordt het gemengd afval verwerkt in een faciliteit die beschikt over een vergunning om dat mengsel te verwerken conform artikel 11.


Art. 31.

De bepalingen van artikel 30, § 2 en § 5, gelden niet voor door huishoudens geproduceerd gemengd afval.

 

De bepalingen van artikel 30, § 2, gelden niet voor afzonderlijke fracties van gevaarlijke afvalstoffen die afkomstig zijn uit huishoudens tot die stoffen worden aanvaard voor inzameling, verwijdering of nuttige toepassing door een inrichting of een onderneming die een vergunning heeft gekregen of die is geregistreerd overeenkomstig artikel 11 en 13.


Afdeling 5.
Bijzondere afvalstoffen


Art. 32.

De Vlaamse Regering stelt overeenkomstig artikel 4 nadere regels vast voor het beheer van de bijzondere afvalstoffen, vermeld in artikel 22, tweede lid, 2°.

 

De regels, vermeld in het eerste lid, vullen de regels aan vermeld in afdeling 1, 2, 3, 4 of 5 en in hoofdstuk 2. Ze kunnen voor welbepaalde bijzondere afvalstoffen en activiteiten die gericht zijn op het beheer van de afvalstoffen, voorschriften omvatten die afwijken van de bepalingen van artikel 6, 11, 13 en 26, als dat vereist is voor de doelmatige verwijdering of de nuttige toepassing van de afvalstoffen.


Art. 32/1.

Het depollueren, demonteren, vernietigen met inbegrip van indrukken van afgedankte voertuigen of het uitvoeren van een andere behandeling op afgedankte voertuigen kan door de Vlaamse Regering afhankelijk worden gemaakt van een vooraf te verkrijgen erkenning als centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen.


De Vlaamse Regering stelt de nadere regels voor de erkenning vast. Ze bepaalt de voorwaarden en de procedure tot erkenning, de mogelijkheid en de procedure tot opheffing ervan en de voorwaarden voor het gebruik van de erkenning.


De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen waaraan de centra voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen moeten voldoen vanaf dat ze erkend zijn.


Art. 33.

§ 1.

De Vlaamse Regering kan ter aanvulling of uitvoering van verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1774/2002, nadere regels vaststellen voor het beheer van dierlijke bijproducten en afgeleide producten als vermeld in de verordening, als ze voldoen aan de definitie van afvalstof.

 

§ 2.

De Vlaamse Regering kan de producenten van de afvalstoffen, vermeld in paragraaf 1, ontslaan van de meldingsplicht, vermeld in artikel 23, tweede en derde lid, en stelt daarvoor nadere regels vast.

 

§ 3.

Behoudens in de gevallen die uitdrukkelijk bepaald zijn door de Vlaamse Regering, is de afgifte van deze afvalstoffen alleen toegestaan aan een hiervoor erkend of geregistreerd natuurlijke persoon of rechtspersoon of door deze erkende of geregistreerde natuurlijke persoon of rechtspersoon aan een hiervoor erkende en vergunde inrichting.

 

De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast voor de procedure van afgifte, de erkenning en de registratie.

 

In de door de Vlaamse Regering bepaalde gevallen kunnen de toezichthouders besluiten dat de afvalstoffen kunnen of moeten worden verwijderd door verbranding of begraving.

 

§ 4.

De Vlaamse Regering wijst de categorieën van producenten van de afvalstoffen aan die ertoe gehouden zijn een overeenkomst te sluiten over de financiering van de ophaling ervan door een inrichting als vermeld in paragraaf 3.

 

De Vlaamse Regering kan de maximumtarieven bepalen die in geval van een vergoeding per prestatie mogen worden toegepast.

 

De inzameling en verwerking van deze afvalstoffen, als het hele kadavers van landbouwhuisdieren betreft, anders dan bij de categorieën van producenten, vermeld in het eerste lid, geschiedt kosteloos. De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden waaronder de erkende inrichtingen worden vergoed voor die prestaties ten laste van het Vlaamse Gewest.

 

De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden waaronder handelingen in het kader van het beheer van de afvalstoffen worden vergoed ten laste van het Vlaamse Gewest.


Afdeling 6.
Asbesthoudende materialen


Onderafdeling 6.1.
Algemene bepalingen


Art. 33/1.

Het is verboden constructies zoals zonnepanelen, overzetdaken en reclamepanelen te bevestigen aan of over asbesthoudende dak- en gevelbekleding. Het is eveneens verboden asbesthoudende dak- en gevelbekleding in te sluiten of te bedekken met andere materialen.


Art. 33/2.

Het is verboden dak- en gevelbekleding van asbestcement te reinigen of te ontmossen.


Art. 33/3.

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor het beheer van afstromend hemelwater van een dak- of gevelbekleding van asbestcement om de impact op mens en milieu te minimaliseren.


Art. 33/4.

De Vlaamse Regering kan het afleveren van een afgiftebewijs bij afgifte van asbesthoudende huishoudelijke afvalstoffen aan een natuurlijk persoon of rechtspersoon die overeenkomstig artikel 11 houder is van een vergunning voor de verwijdering van de afvalstoffen of aan een geregistreerde afvalstoffenhandelaar of -makelaar als vermeld in artikel 13, verplichten.

 

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen betreffende de inhoud en de aflevering van het afgiftebewijs, vermeld in het eerste lid.


Onderafdeling 6.2.
Verwijderingsplicht asbesthoudende materialen


Art. 33/5.

Elke eigenaar van een publieke constructie met risicobouwjaar is verplicht zijn constructie met risicobouwjaar tegen 1 januari 2034 te ontdoen van de volgende asbesthoudende materialen:

alle eenvoudig bereikbare niet-hechtgebonden asbesthoudende materialen met uitzondering van asbesthoudend pleisterwerk op wanden dat een laag risico vormt als vermeld in artikel 33/6, derde lid;
alle dak- en gevelbekledingen, dakgoten, rookgaskanalen en hemelwaterafvoerkanalen bestaande uit asbestcement als ze zich aan de buitenzijde bevinden.

 

Voor publieke constructies met risicobouwjaar waarvoor de eigenaar overeenkomstig artikel 33/9 over een asbestinventarisattest moet beschikken, bewijst dit attest of al dan niet aan de verplichting, vermeld in het eerste lid, is voldaan. Voor de andere constructies met risicobouwjaar kan de Vlaamse Regering bepalen hoe de naleving van deze verplichting kan worden aangetoond.

 

De Vlaamse Regering kan een uitstel voor een duur van maximaal twee jaar verlenen voor de uitvoering van de verplichting, vermeld in het eerste lid, zowel voor bepaalde doelgroepen als voor bepaalde categorieën van constructies met risicobouwjaar.

 

De Vlaamse Regering kan bepalen dat een uitstel kan worden bekomen tot 2040 als wordt aangetoond dat de verplichting, vermeld in het eerste lid, niet kan worden gerealiseerd zonder de openbare gezondheid of veiligheid in gevaar te brengen. De Vlaamse Regering bepaalt hiervoor de voorwaarden en de modaliteiten van de aanvraag.


Art. 33/6.

Elke eigenaar van een publieke constructie met risicobouwjaar is verplicht om:

tegen 1 januari 2040 zijn constructie met risicobouwjaar asbestveilig te maken;
de asbestveilige toestand na 1 januari 2040 te behouden.

 

Een asbestveilige toestand is een toestand waarin bij normaal gebruik van de publieke constructie met risicobouwjaar geen blootstellingsrisico’s kunnen ontstaan voor mens en milieu doordat men zich heeft ontdaan van alle eenvoudig bereikbare asbesthoudende materialen met niet-laag risico en de resterende asbesthoudende materialen veilig worden beheerd.

 

Asbesthoudende materialen hebben een laag risico wanneer het op basis van hun aard, staat en voorkomen weinig waarschijnlijk is dat asbestvezels kunnen vrijkomen. Asbesthoudende materialen worden veilig beheerd als de materialen met laag risico deze status behouden en er voor de materialen met niet-laag risico maatregelen zijn getroffen om het risico op het vrijkomen van asbestvezels te verhinderen. In het inspectieprotocol, vermeld in artikel 33/10, § 3, kunnen nadere regels worden vastgesteld omtrent de risico-evaluatie en het veilig beheer van asbesthoudende materialen.

 

Voor publieke constructies met risicobouwjaar waarvoor de eigenaar overeenkomstig artikel 33/9 over een asbestinventarisattest moet beschikken, bewijst dit attest of al dan niet aan de verplichting, vermeld in het eerste lid, 1°, is voldaan. Voor de andere publieke constructies met risicobouwjaar kan de Vlaamse Regering bepalen hoe de naleving van deze verplichting kan worden aangetoond.


Art. 33/7.

Met behoud van de toepassing van de artikelen 33/5 en 33/6 ontdoet de eigenaar van een constructie zich via de geëigende kanalen bij onderhouds-, herstellings- of ontmantelingswerken in constructies altijd van alle asbesthoudende materialen die door de werken eenvoudig bereikbaar geworden zijn.


Art. 33/8.

De OVAM kan overgaan tot het uitvoeren van de ontmanteling, de inzameling, het transport of de verwerking van asbesthoudende materialen. Voor de ontzorging, prefinanciering en financiering daarvan door de OVAM kan de Vlaamse Regering een regeling treffen of een overeenkomst sluiten.


Onderafdeling 6.3.
Asbestinventarisatie


Art. 33/9.

§1.

Met behoud van de toepassing van artikel 33/14 beschikt de eigenaar van een toegankelijke constructie met risicobouwjaar uiterlijk op 31 december 2031 over een [...] asbestinventarisattest.

 

Bij wooneenheden mag een asbestinventaris als vermeld in artikel 33/10, §1, en een asbestinventarisattest maar betrekking hebben op één wooneenheid.

 

Als de toegankelijke constructie met risicobouwjaar onder het stelsel van gedwongen mede-eigendom, vermeld in artikel 577-3 van het Burgerlijk Wetboek, valt, of onder de toepassing van artikel 577-2 van het Burgerlijk Wetboek, beschikt de eigenaar over een afzonderlijk [...] asbestinventarisattest voor zowel de gemeenschappelijke delen als voor het privédeel. Voor de toegankelijke constructies met risicobouwjaar die niet vallen onder het stelsel van gedwongen mede-eigendom, vermeld in artikel 577-3 van het Burgerlijk Wetboek, of onder de toepassing van artikel 577-2 van het Burgerlijk Wetboek, kan de Vlaamse Regering de regels bepalen voor de opmaak van een asbestinventaris voor de gemeenschappelijke delen.

 

Met het oog op de realisatie van de beleidsdoelstelling ‘Asbestveilig Vlaanderen 2040’ kan de Vlaamse Regering bepaalde categorieën van toegankelijke constructies met risicobouwjaar uitsluiten van de verplichting, vermeld in het eerste lid, als het op basis van hun bouwtechnische karakteristieken niet redelijk of proportioneel is om onder de verplichting te vallen. De Vlaamse Regering kan een uitstel voor een duur van maximaal vier jaar verlenen voor de verplichting, vermeld in het eerste lid, voor bepaalde categorieën van toegankelijke constructies met risicobouwjaar na 1980. De Vlaamse Regering kan de verplichting tot het opstellen van een asbestinventaris per wooneenheid, vermeld in het tweede lid, en het opmaken van een afzonderlijke asbestinventaris voor de gemeenschappelijke delen als voor de privatieve delen, vermeld in het derde lid, verder uitwerken. De Vlaamse Regering kan richtlijnen bepalen voor gebouwen en gebouweenheden bij de opmaak van een asbestinventaris.

 

§2.

Elke verhuurder van een toegankelijke constructie met risicobouwjaar die over een geldig asbestinventarisattest beschikt, overhandigt een kopie aan de huurder bij het aangaan van de huur of binnen een termijn van één maand na de datum vermeld op het asbestinventarisattest als dit afgeleverd werd tijdens een lopende huurperiode.


Art. 33/10.

§1.

Een asbestinventarisattest wordt verkregen nadat een asbestinventaris is opgemaakt.

 

§2.

De asbestinventaris bevat minstens:

de identificatie van de toegankelijke constructie met risicobouwjaar;
een opsomming van de aangetroffen asbesthoudende of asbestverdachte materialen;
een aanduiding van de geďnventariseerde asbesthoudende materialen waarvoor conform artikel 33/5 of 33/6 een verwijderingsplicht geldt;
een risico-evaluatie van de asbesthoudende materialen;
een advies over urgente maatregelen ter remediëring van de vastgestelde acute blootstellingsrisico’s, als dat nodig is.

 

§3.

Een asbestinventaris wordt opgemaakt door een asbestdeskundige inventarisatie als vermeld in artikel 33/16, conform een inspectieprotocol asbestinventarisatie.

 

De Vlaamse Regering bepaalt hoe het inspectieprotocol asbestinventarisatie wordt vastgesteld. De Vlaamse Regering kan de verdere inhoud van het inspectieprotocol asbestinventarisatie bepalen. Het inspectieprotocol asbestinventarisatie kan bepalen welke constructies met risicobouwjaar bijkomend deel moeten uitmaken van de asbestinventaris, kan bepaalde constructies met risicobouwjaar of bepaalde materialen uitsluiten van de asbestinventaris en kan de modaliteiten bepalen voor het opmaken van een asbestinventaris per gebouw, gebouweenheid, wooneenheid en gemeenschappelijk deel.

 

De eigenaar van een toegankelijke constructie met risicobouwjaar stelt zijn eigendom open en toegankelijk opdat de asbestdeskundige inventarisatie veilig een volledige asbestinventaris kan opmaken. Dit recht van toegang moet uitgeoefend worden op een redelijke en proportionele wijze. De Vlaamse Regering kan hiervoor nadere regels bepalen.
 

De Vlaamse Regering kan bepalen onder welke voorwaarden een interne preventieadviseur of interne milieucoördinator die de werkgever heeft aangesteld, de taken van de asbestdeskundige inventarisatie, vermeld in artikel 33/16, kan vervullen om een asbestinventaris op te maken voor de toegankelijke constructie met risicobouwjaar waar de werkgever werknemers tewerkstelt.

 

§4.

De asbestdeskundige inventarisatie, vermeld in artikel 33/16, geeft de asbestinventaris in een databank asbestinventarisatie in. De asbestdeskundige inventarisatie kan conform de bepalingen van de regelgeving over de bescherming en verwerking van persoonsgegevens hierbij de volgende categorieën van persoonsgegevens verwerken: persoonlijke contactgegevens, woningkenmerken en rijksregisternummer/identificatienummer van de sociale zekerheid. De asbestdeskundige inventarisatie bewaart deze persoonsgegevens maximaal tot een geldig asbestinventarisattest afgeleverd werd, overeenkomstig artikel 33/11.

 

De databank, vermeld in het eerste lid, wordt beheerd door de OVAM. De OVAM kan in de databank, naast de gegevens, vermeld in paragraaf 2 en in artikel 33/14, § 3, tweede lid, ook conform de bepalingen van de regelgeving over de bescherming en verwerking van persoonsgegevens de volgende categorieën van persoonsgegevens verwerken: persoonlijke contactgegevens, woningkenmerken en rijksregisternummer/identificatienummer van de sociale zekerheid.

 

Alle persoonsgegevens die de OVAM verkrijgt en verwerkt in het kader van de toepassing van deze afdeling, mogen uitsluitend worden aangewend voor de verwezenlijking van de bepalingen van deze onderafdeling en artikel 12 en de organisatie van het toezicht op en de handhaving van het asbestafbouwbeleid, vermeld in deze onderafdeling en artikel 12.

 

De persoonlijke contactgegevens en het rijksregisternummer/identificatienummer van de sociale zekerheid die in de databank zijn opgenomen, worden maximaal bewaard tot een overdracht plaatsvindt, overeenkomstig artikel 33/14, § 3.

 

De OVAM geldt als verwerkingsverantwoordelijke, zoals vermeld in artikel 4, 7°, van de Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van richtlijn 95/46/EG.

 

De Vlaamse Regering bepaalt welke persoonsgegevens onder de categorieën, vermeld in het eerste en het tweede lid, worden opgenomen in de databank. De Vlaamse Regering bepaalt welke actoren toegang krijgen tot de databank alsook de omvang en de modaliteiten van hun toegangsrechten.

 

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen omtrent het beheer en de verwerking van de gegevens en de persoonsgegevens die in de databank worden opgenomen.


Art. 33/11.

Nadat een asbestinventaris als vermeld in artikel 33/10 correct is ingegeven in de databank, levert de OVAM een asbestinventarisattest af.

 

Het asbestinventarisattest bevat minstens de geldigheidsduur, de datum, de samenvattende conclusie, de unieke code en de gegevens, vermeld in artikel 33/10, § 2.

 

De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast voor de verdere inhoud, de aflevering en de geldigheidsduur van het asbestinventarisattest.


Art. 33/12.

De OVAM kan overgaan tot de opmaak van een asbestinventaris, conform artikel 33/10. Voor de prefinanciering en de financiering van de inventarisatie door de OVAM kan de Vlaamse Regering een regeling treffen of een overeenkomst sluiten.


Art. 33/13.

De verplichting, vermeld in de artikel 33/9, is niet van toepassing op de openbare, technische toegankelijke constructie met risicobouwjaar.


Art. 33/15.

De verplichtingen, vermeld in artikel 33/14 zijn niet van toepassing op de openbare, technische toegankelijke constructie met risicobouwjaar.


Art. 33/16.

De asbestdeskundige inventarisatie, vermeld in artikel 33/10, is een onafhankelijke deskundige die gecertificeerd is door een certificatie-instelling.

 

De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden voor de certificering van een asbestdeskundige inventarisatie, de nadere regels voor de kwaliteitsborging, de voorwaarden voor het gebruik van het certificaat en de voorwaarden en de procedure tot schorsing en opheffing van het certificaat.

 

Certificatie-instellingen voor de certificering van asbestdeskundigen inventarisatie en de kwaliteitsborging ervan beschikken over een erkenning. De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden en de procedure voor de erkenning, de voorwaarden en de procedure voor de schorsing en de opheffing van de erkenning en de voorwaarden voor het gebruik van de erkenning. De Vlaamse Regering legt ook de taken en kwaliteitseisen vast en kan een instantie aanwijzen die ermee belast is de erkenning van de certificatie-instellingen te controleren.

 

De OVAM is van rechtswege gecertificeerd als asbestdeskundige inventarisatie.

 

Voor de certificering van een asbestdeskundige inventarisatie als vermeld in het eerste en het tweede lid, en de erkenning van een certificatie-instelling als vermeld in het derde lid, kan een certificatiereglement opgesteld worden. De Vlaamse Regering kan bepalen hoe dit certificatiereglement wordt vastgesteld en kan de inhoud ervan bepalen.