HOOFDSTUK 3.
Bepalingen over het beheer van specifieke materiaalkringlopen en afvalstoffen


Afdeling 1.
Algemene bepalingen


Art. 22.

Alle afvalstoffen worden volgens hun herkomst of aard in een van de volgende hoofdcategorieėn ingedeeld :

 

1°  huishoudelijke afvalstoffen; 
2°  bedrijfsafvalstoffen. 

 

Afvalstoffen kunnen bovendien in een of meer van de volgende aanvullende categorieėn worden ingedeeld :

 

1°  gevaarlijke afvalstoffen; 
2°   bijzondere afvalstoffen;
gemengd stedelijk afval. 

 

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen over het beheer van de afvalstoffen ingedeeld in de categorieėn, vermeld in het eerste en het tweede lid.

De voorschriften die gelden voor de hoofdcategorie en de aanvullende categorieėn waarin een afvalstof is ingedeeld, zijn cumulatief van toepassing, zoals bepaald in artikel 29 of 32.


Afdeling 2.
Bedrijfsafvalstoffen


Art. 23.

De producenten van bedrijfsafvalstoffen houden een chronologisch afvalstoffenregister bij waarin onder meer de aard, oorsprong, samenstelling, hoeveelheid, bestemming en wijze van nuttige toepassing of verwijdering van de afvalstoffen worden vermeld. De Vlaamse Regering stelt de nadere regels vast voor de inhoud en de structuur van het afvalstoffenregister.

 

De producenten van bedrijfsafvalstoffen melden sommige gegevens uit het afvalstoffenregister aan de OVAM. De Vlaamse Regering bepaalt welke gegevens op welke wijze gemeld worden. Ze kan de melding laten doen via het integraal milieujaarverslag, vermeld in artikel 3.5.3 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.

 

De Vlaamse Regering kan bepaalde categorieėn van producenten ontslaan van de verplichtingen, vermeld in het eerste en het tweede lid, wegens de geringe hoeveelheden en de geringe schadelijkheidsgraad van de door hen voortgebrachte afvalstoffen.


Art. 24.

Producenten van bedrijfsafvalstoffen moeten op hun kosten de afvalstoffen een nuttige toepassing geven of verwijderen, tenzij het anders bepaald is door de Vlaamse Regering overeenkomstig artikel 10.


Art. 25.

§ 1.

Houders van bedrijfsafvalstoffen en afvalstoffenmakelaars en -handelaars moeten de afvalstoffen nuttig toepassen of verwijderen :

1°  binnen de onderneming waarin de afvalstoffen zijn ontstaan of worden behandeld, in overeenstemming met de

omgevingsvergunning, vermeld in artikel 11, of met de andere toepasselijke wettelijke, decretale of reglementaire

voorschriften; 

2°  door afgifte aan een natuurlijk persoon of rechtspersoon die overeenkomstig artikel 11 houder is van een

vergunning voor de verwijdering of nuttige toepassing van de afvalstoffen, of die voldaan heeft aan de meldingsplicht,

of die een geregistreerde afvalstoffenhandelaar of -makelaar is als vermeld in artikel 13; 

3°  door afgifte aan een in een ander gewest of land gevestigde natuurlijk persoon of rechtspersoon die

overeenkomstig de daar geldende wetgeving de afvalstoffen : 

a)  mag verwijderen als er geen merkelijk dichterbij gelegen, vergunde verwijderingsinrichting is die de afvalstoffen

op een verantwoorde wijze kan verwijderen onder vergelijkbare voorwaarden;

b)  nuttig mag toepassen. 

 

§ 2.

Iedere afgifte van bedrijfsafvalstoffen als vermeld in paragraaf 1, 2° en 3°, gebeurt tegen de ontvangst van een afgiftebewijs, al dan niet in elektronische vorm. Met behoud van de toepassing van artikel 23 moeten de houders van bedrijfsafvalstoffen dat afgiftebewijs op elk moment kunnen voorleggen tot minstens vijf jaar na de datum van de afgifte van de afvalstoffen.

 

§ 3.

Het afgiftebewijs vermeldt :

1°  datum van afgifte; 
2°  naam en woonplaats van de producent of de inrichting waarvan de afvalstoffen in ontvangst worden genomen; 
3°  naam en woonplaats van de natuurlijke persoon of rechtspersoon, vermeld in paragraaf 1, 2° en 3°, aan wie de

afvalstoffen worden afgegeven; 

4°  aard, herkomst, samenstelling en hoeveelheid van de afgegeven afvalstoffen; 
5°  beoogde wijze van verwerking. 

 

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor het afgiftebewijs, vermeld in paragraaf 2 en 3.


Afdeling 3.
Huishoudelijke afvalstoffen


Art. 26.

Elke gemeente draagt er, al dan niet in samenwerking met andere gemeenten, zorg voor dat de huishoudelijke afvalstoffen zo veel mogelijk worden voorkomen of hergebruikt, op regelmatige tijdstippen worden opgehaald of op een andere wijze worden ingezameld, en nuttig worden toegepast of verwijderd, overeenkomstig artikel 11, 12 en 13, § 2.

 

De gemeenten verhalen, overeenkomstig artikel 10, de kosten van het beheer van huishoudelijk afval op de afvalproducenten. De gemeente kan haar verzelfstandigde entiteiten of intergemeentelijke samenwerkingsverbanden ertoe machtigen die kosten te innen, ook als ze in de vorm van belastingen en retributies worden verhaald. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de wijze waarop de gemeenten de kosten van het beheer van huishoudelijke afvalstoffen berekenen.

 

Met behoud van de toepassing van de bepalingen van dit decreet worden de ophaling en inzameling van huishoudelijke afvalstoffen bij gemeentelijk reglement geregeld.

 

De prestaties van elke persoon die nodig zijn voor de normale werking van de diensten die met het ophalen van de huishoudelijke afvalstoffen zijn belast, alsook het nodige materiaal daarvoor, mogen door de burgemeester, de arrondissementscommissaris en de gouverneur worden opgeėist.


Art. 27.

De gemeenten en verenigingen van gemeenten kunnen met de OVAM overeenkomsten sluiten om de organisatie van de selectieve ophaling of inzameling van huishoudelijke afvalstoffen te bevorderen of te begeleiden.

 

De provincies kunnen, binnen het kader van het Vlaamse afvalstoffenbeleid, ondersteunende initiatieven en acties aanbieden die gericht zijn op concrete realisaties op het terrein.


Art. 28.

Als een gemeente of een provincie of hun samenwerkingsverbanden de verplichtingen opgelegd door of krachtens artikel 26, eerste lid, of door de programma’s en plannen, vermeld in artikel 17 en 18, niet nakomen binnen de door de Vlaamse Regering bepaalde termijn en daardoor het algemeen belang schaden, kan de Vlaamse Regering, na ingebrekestelling bij een met redenen omkleed besluit, in de plaats treden van de gemeente of de provincie of hun samenwerkingsverbanden in kwestie voor de uitvoering van alle maatregelen die nodig zijn om de voormelde verplichtingen na te komen. Het Vlaamse Gewest kan de kosten van de vermelde maatregelen verhalen op de gemeente of de provincie of hun samenwerkingsverbanden.

 

Zowel bij de coördinatie als bij de organisatie hebben de gemeenten, de provincies en hun samenwerkingsverbanden de mogelijkheid om beroep aan te tekenen bij de Vlaamse minister bevoegd voor het leefmilieu. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor die beroepsprocedure.


Afdeling 4.
Gevaarlijke afvalstoffen


Art. 29.

De bepalingen van afdeling 1 en 2 en van hoofdstuk 2 zijn van toepassing op de gevaarlijke afvalstoffen als er in deze afdeling niet uitdrukkelijk van wordt afgeweken.


Art. 30.

§ 1.

Gevaarlijke afvalstoffen die worden verwijderd, moeten worden geregistreerd en geļdentificeerd.

 

§ 2.

Gevaarlijke afvalstoffen moeten bij de inzameling, het vervoer en de tijdelijke opslag deugdelijk zijn verpakt of opgeslagen en voorzien worden van een etiket, overeenkomstig de geldende internationale en Europese voorschriften. Telkens als gevaarlijke afvalstoffen worden vervoerd, moet er een identificatieformulier bijgevoegd zijn, al dan niet in elektronische vorm, met de toepasselijke gegevens, vermeld in bijlage I B van verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen.

 

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de verpakking, opslag en identificatie van gevaarlijke afvalstoffen.

 

§ 3.

De natuurlijke personen of rechtspersonen die aan afvalstoffenverwerking doen, mogen gevaarlijke afvalstoffen niet mengen met andere categorieėn gevaarlijke afvalstoffen, noch met andere afvalstoffen, stoffen of materialen. Onder mengen wordt ook het verdunnen van gevaarlijke stoffen verstaan.

 

Van de verbodsbepaling, vermeld in het eerste lid, kan worden afgeweken, indien de Vlaamse Regering andere maatregelen voorziet om ervoor te zorgen dat gevaarlijke afvalstoffen niet worden gemengd met andere categorieėn gevaarlijke afvalstoffen, noch met andere afvalstoffen, stoffen of materialen.

 

§ 4.

In afwijking van paragraaf 3 kan in de vergunning, vermeld in artikel 11, worden toegelaten dat gevaarlijke afvalstoffen gemengd worden met andere gevaarlijke afvalstoffen of met andere afvalstoffen, stoffen of materialen, als :

dit vereist is om de veiligheid bij de verwijdering of de nuttige toepassing te verbeteren; 
2°  daarmee geen afbreuk wordt gedaan aan de bepalingen van artikel 12, § 3; 
3°  daarmee de negatieve gevolgen van het afvalbeheer op de menselijke gezondheid en het milieu niet worden vergroot; 
4°  de handeling in kwestie in overeenstemming is met de beste beschikbare technieken. 

 

 

§ 5.

Als gevaarlijke afvalstoffen in strijd met paragraaf 3 en 4 gemengd zijn, moet een scheidingsbehandeling worden uitgevoerd, als dat technisch en economisch haalbaar is en als dat voor de naleving van artikel 12, § 3, nodig is.


Art. 31.

De bepalingen van artikel 30, § 2 en § 5, gelden niet voor door huishoudens geproduceerd gemengd afval.

 

De bepalingen van artikel 30, § 2, gelden niet voor afzonderlijke fracties van gevaarlijke afvalstoffen die afkomstig zijn uit huishoudens tot die stoffen worden aanvaard voor inzameling, verwijdering of nuttige toepassing door een inrichting of een onderneming die een vergunning heeft gekregen of die is geregistreerd overeenkomstig artikel 11 en 13.


Afdeling 5.
Bijzondere afvalstoffen


Art. 32.

De Vlaamse Regering stelt overeenkomstig artikel 4 nadere regels vast voor het beheer van de bijzondere afvalstoffen, vermeld in artikel 22, tweede lid, 2°.

 

De regels, vermeld in het eerste lid, vullen de regels aan vermeld in afdeling 1, 2, 3, 4 of 5 en in hoofdstuk 2. Ze kunnen voor welbepaalde bijzondere afvalstoffen en activiteiten die gericht zijn op het beheer van de afvalstoffen, voorschriften omvatten die afwijken van de bepalingen van artikel 6, 11, 13 en 26, als dat vereist is voor de doelmatige verwijdering of de nuttige toepassing van de afvalstoffen.


Art. 32/1.

Het depollueren, demonteren, vernietigen met inbegrip van indrukken van afgedankte voertuigen of het uitvoeren van een andere behandeling op afgedankte voertuigen kan door de Vlaamse Regering afhankelijk worden gemaakt van een vooraf te verkrijgen erkenning als centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen.


De Vlaamse Regering stelt de nadere regels voor de erkenning vast. Ze bepaalt de voorwaarden en de procedure tot erkenning, de mogelijkheid en de procedure tot opheffing ervan en de voorwaarden voor het gebruik van de erkenning.


De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen waaraan de centra voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen moeten voldoen vanaf dat ze erkend zijn.


Art. 33.

§ 1.

De Vlaamse Regering kan ter aanvulling of uitvoering van verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1774/2002, nadere regels vaststellen voor het beheer van dierlijke bijproducten en afgeleide producten als vermeld in de verordening, als ze voldoen aan de definitie van afvalstof.

 

§ 2.

De Vlaamse Regering kan de producenten van de afvalstoffen, vermeld in paragraaf 1, ontslaan van de meldingsplicht, vermeld in artikel 23, tweede en derde lid, en stelt daarvoor nadere regels vast.

 

§ 3.

Behoudens in de gevallen die uitdrukkelijk bepaald zijn door de Vlaamse Regering, is de afgifte van deze afvalstoffen alleen toegestaan aan een hiervoor erkend of geregistreerd natuurlijke persoon of rechtspersoon of door deze erkende of geregistreerde natuurlijke persoon of rechtspersoon aan een hiervoor erkende en vergunde inrichting.

 

De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast voor de procedure van afgifte, de erkenning en de registratie.

 

In de door de Vlaamse Regering bepaalde gevallen kunnen de toezichthouders besluiten dat de afvalstoffen kunnen of moeten worden verwijderd door verbranding of begraving.

 

§ 4.

De Vlaamse Regering wijst de categorieėn van producenten van de afvalstoffen aan die ertoe gehouden zijn een overeenkomst te sluiten over de financiering van de ophaling ervan door een inrichting als vermeld in paragraaf 3.

 

De Vlaamse Regering kan de maximumtarieven bepalen die in geval van een vergoeding per prestatie mogen worden toegepast.

 

De inzameling en verwerking van deze afvalstoffen, als het hele kadavers van landbouwhuisdieren betreft, anders dan bij de categorieėn van producenten, vermeld in het eerste lid, geschiedt kosteloos. De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden waaronder de erkende inrichtingen worden vergoed voor die prestaties ten laste van het Vlaamse Gewest.

 

De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden waaronder handelingen in het kader van het beheer van de afvalstoffen worden vergoed ten laste van het Vlaamse Gewest.