Art. 30.

§ 1.

Gevaarlijke afvalstoffen die worden verwijderd, moeten worden geregistreerd en geļdentificeerd.

 

§ 2.

Gevaarlijke afvalstoffen moeten bij de inzameling, het vervoer en de tijdelijke opslag deugdelijk zijn verpakt of opgeslagen en voorzien worden van een etiket, overeenkomstig de geldende internationale en Europese voorschriften. Telkens als gevaarlijke afvalstoffen worden vervoerd, moet er een identificatieformulier bijgevoegd zijn, al dan niet in elektronische vorm, met de toepasselijke gegevens, vermeld in bijlage I B van verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen.

 

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen voor de verpakking, opslag en identificatie van gevaarlijke afvalstoffen.

 

§ 3.

De natuurlijke personen of rechtspersonen die aan afvalstoffenverwerking doen, mogen gevaarlijke afvalstoffen niet mengen met andere categorieėn gevaarlijke afvalstoffen, noch met andere afvalstoffen, stoffen of materialen. Onder mengen wordt ook het verdunnen van gevaarlijke stoffen verstaan.

 

Van de verbodsbepaling, vermeld in het eerste lid, kan worden afgeweken, indien de Vlaamse Regering andere maatregelen voorziet om ervoor te zorgen dat gevaarlijke afvalstoffen niet worden gemengd met andere categorieėn gevaarlijke afvalstoffen, noch met andere afvalstoffen, stoffen of materialen.

 

§ 4.

In afwijking van paragraaf 3 kan in de vergunning, vermeld in artikel 11, worden toegelaten dat gevaarlijke afvalstoffen gemengd worden met andere gevaarlijke afvalstoffen of met andere afvalstoffen, stoffen of materialen, als :

dit vereist is om de veiligheid bij de verwijdering of de nuttige toepassing te verbeteren; 
2°  daarmee geen afbreuk wordt gedaan aan de bepalingen van artikel 12, § 3; 
3°  daarmee de negatieve gevolgen van het afvalbeheer op de menselijke gezondheid en het milieu niet worden vergroot; 
4°  de handeling in kwestie in overeenstemming is met de beste beschikbare technieken. 

 

 

§ 5.

Als gevaarlijke afvalstoffen in strijd met paragraaf 3 en 4 gemengd zijn, moet een scheidingsbehandeling worden uitgevoerd, als dat technisch en economisch haalbaar is en als dat voor de naleving van artikel 12, § 3, nodig is.