Verordening Commissie certificering van bedrijven en personeel op het gebied van stationaire brandbeveiligingssystemen en brandblusapparaten met gefluoreerde broeikasgassen
Verordening 304/2008/EG van 2 april 2008 van de Commissie tot vaststelling, ingevolge Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad, van minimumeisen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning van de certificering van bedrijven en personeel op het gebied van stationaire brandbeveiligingssystemen en brandblusapparaten die bepaalde gefluoreerde broeikasgassen bevatten

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,
Gelet op Verordening (EG) nr.á842/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 17ámei 2006 inzake bepaalde gefluoreerde broeikasgassen, en met name op artikelá5, lidá1,
Overwegende hetgeen volgt:
(1)
In het kader van de eisen van Verordening (EG) nr.á842/2006 is het nodig regels vast te stellen ten aanzien van de kwalificatie van personeel dat, op de locatie waar bepaalde gefluoreerde broeikasgassen bevattende systemen in bedrijf zijn, activiteiten uitvoert die mogelijk lekkage kunnen veroorzaken.
(2)
Personeel dat nog niet gecertificeerd is, maar dat ingeschreven is voor een opleidingscursus voor het behalen van een certificaat, moet voor beperkte tijd toestemming krijgen activiteiten te ondernemen waarvoor een dergelijke certificering vereist is, om de praktische vaardigheden te verwerven die nodig zijn voor het examen, op voorwaarde dat het onder toezicht staat van gecertificeerd personeel.
(3)
Een aantal lidstaten beschikt momenteel niet over kwalificerings- of certificeringssystemen. Personeel en ondernemingen moeten bijgevolg enige tijd krijgen om een certificaat te behalen.
(4)
Om overmatige administratieve lasten te voorkomen, moet worden toegestaan een certificeringssysteem op bestaande kwalificeringsstelsels te baseren, op voorwaarde dat de vaardigheden en kennis waarin het voorziet en het desbetreffende kwalificeringsstelsel equivalent zijn aan de in deze verordening beoogde minimumnormen.
(5)
Examinering is een effectieve manier om te testen of een kandidaat geschikt is om de activiteiten die direct of indirect tot lekkage zouden kunnen leiden, naar behoren uit te voeren.
(6)
Om de opleiding en certificering van personeel dat momenteel actief is op de onder deze verordening vallende gebieden mogelijk te maken zonder hun beroepsactiviteit te onderbreken, is een adequate overgangsperiode vereist tijdens welke certificering gebaseerd moet zijn op bestaande kwalificeringsstelsels en beroepservaring.
(7)
Officieel aangewezen evaluerings- en certificeringsinstanties moeten de naleving verzekeren van de in deze verordening opgenomen minimumeisen en daardoor bijdragen tot de effectieve en efficiŰnte wederzijdse erkenning van certificaten in de hele Gemeenschap.
(8)
Wederzijdse erkenning dient niet van toepassing te zijn op tussentijdse certificaten, aangezien de eisen voor het behalen van deze certificaten aanzienlijk lager kunnen zijn dan de bestaande eisen in sommige lidstaten.
(9)
Informatie over het certificeringssysteem voor de afgifte van certificaten die onderworpen zijn aan wederzijdse erkenning moet ter kennis worden gebracht van de Commissie volgens het model dat is vastgesteld bij Verordening (EG) nr.á308/2008 van de Commissie van 2áapril 2008 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EG) nr.á842/2006 van het Europees Parlement en de Raad, van het model voor de kennisgeving van de opleidings- en certificeringsprogramma's van de lidstaten. Informatie over tussentijdse certificeringssystemen moet aan de Commissie ter kennis worden gebracht.
(10)
De maatregelen van deze verordening zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikelá18, lidá1, van Verordening (EG) nr.á2037/2000 van het Europees Parlement en de Raad opgerichte comitÚ,
(...)

Artikel 1. Onderwerp

Bij deze verordening worden minimumeisen vastgesteld voor de certificering als bedoeld in artikelá5, lidá1, van Verordening (EG) nr.á842/2006 in verband met stationaire brandbeveiligingssystemen en brandblusapparaten die bepaalde gefluoreerde broeikasgassen bevatten, alsmede de voorwaarden voor wederzijdse erkenning van in overeenstemming met die eisen afgegeven certificaten.

Art. 2. Toepassingsgebied

1.
Deze verordening is van toepassing op personeel dat de volgende activiteiten uitvoert ten aanzien van brandbeveiligingssystemen:
a)
lekkagecontrole van toepassingen die 3ákg of meer gefluoreerde broeikasgassen bevatten;
b)
terugwinning, ook ten aanzien van brandblusapparaten;
c)
installatie;
d)
onderhoud of revisie.
2.
Deze verordening is ook van toepassing op bedrijven die de volgende activiteiten uitvoeren ten aanzien van brandbeveiligingssystemen:
a)
installatie;
b)
onderhoud of revisie.
3.
Deze verordening is niet van toepassing op fabricage- en reparatieactiviteiten op vestigingsplaatsen van de fabrikant voor houders of de bijbehorende onderdelen van stationaire brandbeveiligingssystemen die bepaalde gefluoreerde broeikasgassen bevatten.

Art. 3. Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
1.
installatie”: het voor het eerst, op de plaats waar zij zullen worden toegepast, aansluiten van ÚÚn of meer blusmiddel met gefluoreerde broeikasgassen bevattende houders of houders die daartoe ontworpen zijn, met de bijbehorende onderdelen, met uitzondering van die onderdelen die niet van invloed zijn op de insluiting van het blusmiddel voordat het wordt gebruikt om vuur te blussen;
2.
onderhoud of revisie”: alle activiteiten waarbij wordt gewerkt aan de blusmiddel met gefluoreerde broeikasgassen bevattende houders of houders die daartoe ontworpen zijn, of aan de bijbehorende onderdelen, met uitzondering van die onderdelen die niet van invloed zijn op de insluiting van het blusmiddel voordat het wordt gebruikt om vuur te blussen.

Art. 4. Certificering van personeel

1.
Personeel dat de in artikelá2, lidá1, bedoelde activiteiten uitvoert, dient houder te zijn van een in artikelá5 of artikelá6 bedoeld certificaat.
2.
Lidá1 is gedurende een maximumperiode van ÚÚn jaar niet van toepassing op personeel dat een van de in artikelá2, lidá1, bedoelde activiteiten uitvoert en dat is ingeschreven voor een opleidingscursus voor het behalen van een certificaat voor de betrokken activiteit, mits het de activiteit uitvoert onder toezicht van een persoon die houder is van een certificaat voor de betrokken activiteit.
3.
De lidstaten mogen besluiten dat lidá1 gedurende een periode die de in artikelá5, lidá4, van Verordening (EG) nr.á842/2006 genoemde termijn niet overschrijdt, niet van toepassing is op personeel dat voor de in artikelá5, lidá2, van Verordening (EG) nr.á842/2006 genoemde datum een of meer van de in artikelá2, lidá1, van deze verordening bedoelde activiteiten onderneemt.
Dergelijk personeel wordt gedurende de in de eerste alinea bedoelde periode geacht ten aanzien van die activiteiten gecertificeerd te zijn in het kader van de eisen van Verordening (EG) nr.á842/2006.

Art. 5. Personeelscertificaten

1.
Een certificeringsinstantie als bedoeld in artikelá10 geeft een certificaat af aan personeel dat geslaagd is voor een door een evalueringsinstantie als bedoeld in artikelá11 georganiseerd theoretisch en praktisch examen over de in de bijlage vastgestelde minimumvaardigheden en -kennis.
2.
Het certificaat bevat ten minste het volgende:
a)
de naam van de certificeringsinstantie, de volledige naam van de houder, een certificaatnummer en de eventuele vervaldatum;
b)
de activiteiten die de houder van het certificaat mag verrichten;
c)
de afgiftedatum en de handtekening van de afgever.
3.
Voor zover een bestaand certificeringssysteem op basis van examens betrekking heeft op de minimumvaardigheden en -kennis die in de bijlage zijn vastgesteld en voldoet aan de eisen van de artikelená10 en 11, maar het betrokken attest de in lidá2 bedoelde gegevens niet bevat, mag een in artikelá10 bedoelde certificeringsinstantie aan de houder van deze kwalificatie een certificaat afgeven zonder nieuw examen.
4.
Voor zover een bestaand certificeringssysteem op basis van examens voldoet aan de eisen van de artikelená10 en 11 en gedeeltelijk betrekking heeft op de minimumvaardigheden die in de bijlage zijn vastgesteld, mogen certificeringsinstanties een certificaat afgeven mits de aanvrager slaagt voor een door een in artikelá11 bedoelde evalueringsinstantie afgenomen aanvullend examen over de vaardigheden en kennis die niet onder de bestaande certificering vallen.

Art. 6. Tussentijdse certificaten voor personeel

1.
De lidstaten mogen voor personeel als bedoeld in artikelá2, lidá1, een systeem van tussentijdse certificering toepassen in overeenstemming met de ledená2 en/of 3 van dit artikel.
De tussentijdse certificaten als bedoeld in de ledená2 en 3 vervallen uiterlijk op 4ájuli 2010.
2.
Personeel dat houder is van een krachtens een bestaand kwalificeringssysteem afgegeven attest voor activiteiten als bedoeld in artikelá2, lidá1, wordt geacht houder te zijn van een tussentijds certificaat.
De lidstaten specificeren welke attesten geldig zijn als tussentijds certificaat voor de in artikelá2, lidá1, bedoelde activiteiten die de houder mag verrichten.
3.
Aan personeel met beroepservaring op het gebied van de activiteiten die is verworven voor de in artikelá5, lidá2, van Verordening (EG) nr.á842/2006 genoemde datum, wordt door een door de lidstaat aangewezen instantie een tussentijds certificaat afgegeven.
Het tussentijdse certificaat vermeldt de daaronder vallende activiteiten en de vervaldatum.

Art. 7. Certificering van bedrijven

1.
In artikelá2, lidá2, bedoelde bedrijven dienen houder te zijn van een in artikelá8 of artikelá9 bedoeld certificaat.
2.
De lidstaten mogen besluiten dat lidá1 gedurende een periode die de in artikelá5, lidá4, van Verordening (EG) nr.á842/2006 genoemde termijn niet overschrijdt, niet van toepassing is op bedrijven die voor de in artikelá5, lidá2, van Verordening (EG) nr.á842/2006 genoemde datum betrokken zijn bij een of meer van de in artikelá2, lidá2, van deze verordening bedoelde activiteiten.

Art. 8. Bedrijfscertificaten

1.
Een certificeringsinstantie als bedoeld in artikelá10 geeft voor een of meer van de in artikelá2, lidá2, bedoelde activiteiten een certificaat af aan een bedrijf, mits dit bedrijf aan de volgende eisen voldoet:
a)
het heeft voldoende in overeenstemming met artikelá5 gecertificeerd personeel in dienst voor de certificeringsplichtige activiteiten om het verwachte activiteitenvolume te halen;
b)
het levert het bewijs dat de nodige instrumenten en procedures beschikbaar zijn voor personeel dat certificeringsplichtige activiteiten uitvoert.
2.
Het certificaat bevat ten minste het volgende:
a)
de naam van de certificeringsinstantie, de volledige naam van de houder, een certificaatnummer en de eventuele vervaldatum;
b)
de activiteiten die de houder van het certificaat mag verrichten;
c)
afgiftedatum en handtekening van de afgever.

Art. 9. Tussentijdse certificaten voor bedrijven

1.
De lidstaten mogen voor bedrijven als bedoeld in artikelá2, lidá2, een systeem van tussentijdse certificering toepassen in overeenstemming met de ledená2 en/of 3 van dit artikel.
De tussentijdse certificaten als bedoeld in de ledená2 en 3 vervallen uiterlijk op 4ájuli 2010.
2.
Bedrijven die krachtens een bestaand certificeringssysteem voor in artikelá2, lidá2, bedoelde activiteiten gecertificeerd zijn, worden geacht houder te zijn van een tussentijds certificaat.
De lidstaten specificeren welke attesten geldig zijn als tussentijds certificaat voor de in artikelá2, lidá2, bedoelde activiteiten die de houder mag verrichten.
3.
Aan bedrijven die personeel in dienst hebben dat houder is van een certificaat voor de activiteiten waarvoor certificering in het kader van artikelá2, lidá2, vereist is, wordt door een door de lidstaat aangewezen instantie een tussentijds certificaat afgegeven.
Het tussentijdse certificaat vermeldt de activiteiten die de houder mag uitvoeren en de vervaldatum.

Art. 10. Certificeringsinstantie

1.
Bij nationale wet- of regelgeving wordt voorzien in een certificeringsinstantie, of door de bevoegde autoriteit van een lidstaat of een andere daartoe gerechtigde instantie wordt een certificeringsinstantie aangewezen die certificaten mag afgeven aan personeel of bedrijven die betrokken zijn bij een of meer van de in artikelá2 bedoelde activiteiten.
De certificeringsinstantie voert op onafhankelijke en onpartijdige wijze haar activiteiten uit.
2.
De certificeringsinstantie stelt procedures in voor de afgifte, opschorting en intrekking van certificaten en past deze toe.
3.
De certificeringsinstantie houdt een register bij aan de hand waarvan de status van een gecertificeerde persoon of onderneming kan worden gecontroleerd. Dit register toont aan dat het certificeringsproces daadwerkelijk is afgerond. Het register wordt ten minste 5 jaar bewaard.

Art. 11. Evalueringsinstantie

1.
Een door de bevoegde autoriteit van een lidstaat of een andere daartoe gerechtigde instantie aangewezen evalueringsinstantie organiseert examens voor het in artikelá2, lidá1, bedoelde personeel. Een certificeringsinstantie als bedoeld in artikelá10 komt eveneens in aanmerking als evalueringsinstantie.
De evalueringsinstantie voert op onafhankelijke en onpartijdige wijze haar activiteiten uit.
2.
Examens worden op zodanige wijze gepland en gestructureerd dat de in de bijlage vastgestelde minimumvaardigheden en -kennis worden getoetst.
3.
De evalueringsinstantie keurt rapportageprocedures goed en houdt een register bij waarmee de individuele en algemene resultaten van de evaluering kunnen worden gedocumenteerd.
4.
De evalueringsinstantie zorgt ervoor dat voor een test aangewezen examinatoren goed op de hoogte zijn van de relevante examenmethoden en examendocumenten en de nodige competentie bezitten op het gebied waarin moet worden geŰxamineerd. De evalueringsinstantie zorgt er eveneens voor dat de nodige apparatuur, instrumenten en materialen beschikbaar zijn voor de praktische tests.

Art. 12. Kennisgeving

1.
De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op 4ájuli 2008 in kennis van hun voornemen om een tussentijds certificeringssysteem toe te passen overeenkomstig artikelá6 en/of artikelá9.
2.
In voorkomend geval stellen de lidstaten de Commissie uiterlijk op 4ájanuari 2009 in kennis van de aangewezen instanties die gerechtigd zijn om tussentijdse certificaten af te geven en van de vastgestelde nationale bepalingen op grond waarvan in het kader van bestaande certificeringssystemen afgegeven documenten als tussentijds certificaat worden beschouwd.
3.
De lidstaten stellen de Commissie, onder gebruikmaking van het bij Verordening (EG) nr.á308/2008 vastgestelde model, uiterlijk op 4ájanuari 2009 in kennis van de namen en contactgegevens van de onder artikelá10 vallende certificeringsinstanties voor personeel en bedrijven en van de titels van certificaten voor personeel dat voldoet aan de eisen van artikelá5 en bedrijven die voldoen aan de eisen van artikelá8.
4.
De lidstaten actualiseren de op grond van lidá3 overgelegde kennisgeving met relevante nieuwe informatie, en doen deze zonder uitstel aan de Commissie toekomen.

Art. 13. Voorwaarden voor wederzijdse erkenning

1.
Wederzijdse erkenning van in andere lidstaten afgegeven certificaten geldt alleen voor certificaten afgegeven in overeenstemming met artikelá5 (voor personeel) en artikelá8 (voor bedrijven).
2.
De lidstaten mogen houders van in een andere lidstaat afgegeven certificaten om een vertaling vragen van het certificaat in een andere officiŰle taal van de Gemeenschap.

Art. 14. Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Bijlage.
Minimumeisen ten aanzien van de vaardigheden en kennis die de evalueringsinstanties moeten testen

Het in artikelá5, lidá1, en artikelá11, lidá2, bedoelde examen omvat het volgende:
a)
een theoretische test met een of meer vragen om de vaardigheid of kennis in kwestie te testen, in de kolom “Soort test” aangegeven met (T);
b)
een praktische test waarbij de aanvrager de overeenkomstige taak verricht met de relevante materialen, instrumenten en apparatuur, in de kolom “Soort test” aangegeven met (P).
Minimumvaardigheden en -kennis
Soort test
1.
Basiskennis hebben van de relevante milieuproblematiek (klimaatverandering, Kyotoprotocol en het potentieel van gefluoreerde broeikasgassen om opwarming van de aarde te veroorzaken).
T
2.
Basiskennis hebben van relevante technische normen.
T
3.
Basiskennis hebben van de relevante bepalingen van Verordening (EG) nr.á842/2006 en van de relevante verordeningen houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr.á842/2006.
T
4.
Gedegen kennis hebben van de verschillende soorten brandbeveiligingsapparatuur met gefluoreerde broeikasgassen op de markt.
T
5.
Gedegen kennis hebben van soorten ventielen, aandrijvingsmechanismen, veilige hantering, preventie van uitstroming en lekkage.
T
6.
Gedegen kennis hebben van apparatuur die en gereedschap dat nodig is voor veilige hantering en veilig werken.
T
7.
In staat zijn om houders van brandbeveiligingssystemen te installeren die ontworpen zijn om gefluoreerde broeikasgassen te bevatten.
P
8.
Kennis hebben van de juiste praktijken om houders onder druk die gefluoreerde broeikasgassen bevatten, te verplaatsen.
T
9.
In staat zijn om het apparatuurregister te controleren vˇˇr een lekkagecontrole en om de relevante informatie over terugkerende punten of probleemgebieden die aandacht vereisen, te identificeren.
T
10.
In staat zijn om het systeem te controleren op lekkage in overeenstemming met Verordening (EG) nr.á1497/2007 van de Commissie van 18ádecember 2007 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EG) nr.á842/2006 van het Europees Parlement en de Raad, van basisvoorschriften inzake controle op lekkage van stationaire brandbeveiligingssystemen die bepaalde gefluoreerde broeikasgassen bevatten.
P
11.
Kennis hebben van milieuvriendelijke praktijken voor het terugwinnen van gefluoreerde broeikasgassen uit en het daarmee vullen van brandbeveiligingssystemen.
T