VLAREMA
17 FEBRUARI 2012. - Besluit van de Vlaamse Regering tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen

HOOFDSTUK 1.
Algemene Bepalingen


Afdeling 1.1.
Inleidende bepalingen


Art. 1.1.1.

Dit besluit voorziet in de omzetting van de volgende richtlijnen :

richtlijn 86/278/EEG van de Raad van 12 juni 1986 betreffende de bescherming van het milieu, in het bijzonder de bodem, bij het gebruik van zuiveringsslib in de landbouw; 
richtlijn 93/3/EEG van de Commissie van 5 februari 1993 tot wijziging van richtlijn 66/403/EEG betreffende het in de handel brengen van pootaardappelen; 
richtlijn 96/59/EG van de Raad van 16 september 1996 betreffende de verwijdering van polychloorbifenylen en polychloorterfenylen (pcb’s / pct’s); 
richtlijn 2000/53/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 september 2000 betreffende autowrakken; 
richtlijn 2000/59/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 september 2000 betreffende havenontvangstvoorzieningen voor scheepsafval en ladingresiduen; 
richtlijn 2000/76/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 december 2000 betreffende de verbranding van afval; 
richtlijn 2012/19/EU van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende afgedankte elektrische en elektronische apparatuur, (AEEA);
richtlijn 2006/66/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 september 2006 inzake batterijen en accu’s, alsook afgedankte batterijen en accu’s en tot intrekking van richtlijn 91/157/EEG; 
richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen. 
10° richtlijn 2013/56/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 tot wijziging van Richtlijn 2006/66/EG van het Europees Parlement en de Raad inzake batterijen en accu’s, alsook afgedankte batterijen en accu’s, wat het op de markt brengen van cadmiumhoudende draagbare batterijen en accu’s voor gebruik in draadloos elektrisch gereedschap en van knoopcellen met een laag kwikgehalte betreft, en houdende intrekking van Beschikking 2009/603/EG van de Commissie;
11° richtlijn 2015/1127 van de Commissie van 10 juli 2015 tot wijziging van bijlage II bij Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen;
12° richtlijn (EU) 2015/2087 van de Commissie van 18 november 2015 houdende wijziging van bijlage II van Richtlijn 2000/59/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende havenontvangstvoorzieningen voor scheepsafval en ladingresiduen.
13° richtlijn (EU) 2018/851 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 tot wijziging van Richtlijn 2008/98/EG betreffende afvalstoffen;
14° richtlijn (EU) 2015/720 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2015 tot wijziging van Richtlijn 94/62/EG betreffende de vermindering van het verbruik van lichte plastic draagtassen.

 

Dit besluit voorziet in de omzetting van het besluit van de Commissie van 18 december 2014 tot wijziging van Beschikking 2000/532/EG betreffende de lijst van afvalstoffen overeenkomstig Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad.


Afdeling 1.2.
Definities


Art. 1.2.1.

§ 1.

De begrippen en definities, vermeld in het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen, zijn van toepassing op dit besluit.

 

§ 2.

In dit besluit wordt verstaan onder :

afgedankte EEA : EEA die afvalstoffen vormen in de zin van artikel 3, 1°, van het Materialendecreet, daaronder begrepen alle onderdelen, subeenheden en verbruiksmaterialen die deel uitmaken van het product op het moment dat het wordt afgedankt;
1°/1 afvalolie : alle soorten minerale, synthetische, plantaardige of dierlijke smeerolie of industriėle olie die ongeschikt is geworden voor het gebruik waarvoor ze oorspronkelijk bestemd was, zoals gebruikte olie van verbrandingsmotoren en versnellingsbakken, alsook smeerolie, olie voor turbines en hydraulische oliėn;
afval van de zeevaart : scheepsafval en ladingresiduen;
asfaltgranulaat : granulaat dat afkomstig is van de opbraak of het frezen van asfaltverhardingen;
baggerspecie : baggerspecie als vermeld in artikel 2, 35°, van het Bodemdecreet;
band : elke volle of luchtrubberband, met inbegrip van bandages, met uitzondering van fietsbanden;
batterij of accu : bron van door rechtstreekse omzetting van chemische energie verkregen elektrische energie, bestaande uit een of meer primaire (niet-oplaadbare) batterijcellen of uit een of meer secundaire (oplaadbare) batterijcellen. De volgende batterijen vallen niet onder deze definitie : batterijen en accu’s in apparatuur die bestemd is om de ruimte ingestuurd te worden, en batterijen en accu’s in apparatuur die wordt aangewend in samenhang met de bescherming van wezenlijke belangen in verband met de veiligheid van de lidstaten, wapens, munitie, en oorlogsmateriaal, met uitzondering van producten die niet voor specifieke militaire doeleinden zijn bestemd;
6/1° bedrijfsrestafval: de fractie van bedrijfsafvalstoffen die niet selectief wordt aangeboden of ingezameld;
behandeld zuiveringsslib : zuiveringsslib dat overeenkomstig bijlage 2.3.1.D biologisch, chemisch of thermisch behandeld is door langdurige opslag of volgens een ander geschikt procedé, om de vergistbaarheid ervan en de hygiėnische bezwaren tegen het gebruik ervan aanzienlijk te verminderen;
beoefenaar van een geneeskundig beroep : iedereen, bijvoorbeeld een arts, tandarts, dierenarts of verpleegkundige, die als werknemer of zelfstandige geneeskundige of diergeneeskundige behandelingen verstrekt;
betongranulaat : granulaat dat afkomstig is van het breken van beton;
9/1° beveiligde zending: een van de hiernavolgende betekeningswijzen:
  a) een aangetekend schrijven;
  b) een afgifte tegen ontvangstbewijs;
  c) elke andere door de Vlaamse Regering toegelaten betekeningswijze waarbij de datum van kennisgeving met zekerheid kan worden vastgesteld;
10° bodem : de bodem, zoals gedefinieerd in artikel 2, 1°, van het Bodemdecreet;
11° Bodemdecreet : het decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming;
12° bouwstof: materiaal dat, naargelang de toepassing en voor zover beschikbaar, voldoet aan bouwtechnische geharmoniseerde Europese normen of standaarden, standaardbestekken, voorschriften van de Vlaamse overheid, gestandaardiseerde bouwtechnische specificaties of andere bouwtechnische voorschriften;
[...]  
14° brekerzeefzand : zand dat afkomstig is van het zeven, voorafgaand aan het breken van puin met uitzondering van asfaltpuin en freesasfalt;
15° calorische waarde : stookwaarde bij constante druk of onderste verbrandingswaarde nat;
15/1° categorie 3-materiaal: categorie 3-materiaal als vermeld in artikel 10 van de verordening (EG) 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1774/2002;
16° compost : het stabiele, gehygiėniseerde en humusrijke eindproduct van de compostering van selectief ingezameld organisch-biologisch afval en ander biologisch materiaal;
17° compostering : gecontroleerd proces waarbij in aanwezigheid van zuurstof, door natuurlijke opwarming als gevolg van microbiėle afbraakprocessen, organisch-biologisch afval en organisch-biologisch materiaal onder gecontroleerde omstandigheden worden omgezet in een gehygiėniseerd, gestabiliseerd en gehomogeniseerd product dat als bodemverbeterend middel kan worden gebruikt. Het composteerproces kan voorafgegaan worden door een anaerobe vergistingsstap;
18° recyclagepark : een met toepassing van titel V van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid vergunde inrichting waar particulieren en eventueel ook bedrijven onder toezicht op vastgestelde dagen en uren bepaalde gesorteerde huishoudelijke afvalstoffen en eventueel met huishoudelijke afvalstoffen vergelijkbare bedrijfsafvalstoffen kunnen deponeren;
19° dierlijke en plantaardige vetten en oliėn : alle eetbare dierlijke of plantaardige oliėn en vetten, en een mengsel ervan, die geschikt zijn om aangewend te worden bij het frituren van voedingsmiddelen, als vermeld in het koninklijk besluit van 22 januari 1988 betreffende het gebruik van eetbare oliėn en voedingsvetten bij het frituren van voedingsmiddelen, door huishoudens of professionele gebruikers;
20° digestaat : het eindproduct van de anaerobe vergisting van selectief ingezameld organisch-biologisch afval, eventueel samen met mest of energiegewassen, met inbegrip van de nabehandeling;
21° drukwerk : dagbladen, weekbladen, maandbladen, tijdschriften, periodieken, gratis regionale pers, gratis publicaties, telefoongidsen en reclamedrukwerk die verdeeld worden in het Vlaamse Gewest;
22° eindverkoper : iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die in het Vlaamse Gewest producten te koop aanbiedt aan de consument;
23° elektrische en elektronische apparatuur, afgekort EEA: apparaten die om naar behoren te werken, afhankelijk zijn van elektrische stromen of elektromagnetische velden en apparaten voor het opwekken, overbrengen en meten van die stromen en velden, die bedoeld zijn voor gebruik met een spanning van maximaal 1000 volt bij wisselstroom en 1500 volt bij gelijkstroom en die onderworpen zijn aan de aanvaardingsplicht, vermeld in artikel 3.4.4.1;
23/1° elektronische melding: elke melding die voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 2281 van het Burgerlijk Wetboek, via de elektronische webloketten op de website van de OVAM;
24° EURAL-code : een code uit de lijst van afvalstoffen, vermeld in bijlage 2.1;
25° financieringsovereenkomst: een lenings-, lease-, huur- of afbetalingsovereenkomst of een regeling met betrekking tot enig product, ongeacht of volgens die overeenkomst of regeling, dan wel volgens een aanvullende overeenkomst of regeling, eigendomsoverdracht van het product zal of kan plaatsvinden;
25/1° folies: folies die worden gebruikt als secundaire verpakking of tertiaire verpakking;
26° geneeskundige of diergeneeskundige behandeling : elke behandeling, met of zonder instrumenten, die erop gericht is de lichamelijke en de geestelijke gezondheid van de mens of van het dier te bevorderen of te controleren. Medisch onderzoek in laboratoria en alle behandelingen in mortuaria, in onderzoeksinrichtingen, in bloedtransfusiecentra en in instellingen voor forensische geneeskunde worden ook als een geneeskundige of diergeneeskundige behandeling beschouwd;
27° geneeskundige praktijk : elke praktijk of groepspraktijk van een arts, tandarts, dierenarts of van een andere zelfstandige beoefenaar van een geneeskundig beroep, waar geneeskundige of diergeneeskundige behandelingen worden verstrekt of die de basis vormt voor de niet-georganiseerde thuisverzorging, alsook alle organisaties voor thuisverzorging, alle dierenklinieken en alle instellingen voor verzorging, vermeld in 42°, en alle andere psychiatrische ziekenhuizen dan de psychiatrische ziekenhuizen, vermeld in 42°;
28° gerecycleerde brokken : brokken die afkomstig zijn van afgebroken, al dan niet gewapende betonmassieven, of van herwonnen steen of herwonnen bewerkte breuksteen, of van afgebroken baksteenmassieven;
29° gerecycleerde granulaten : granulaten die ontstaan door mechanische behandeling van anorganisch materiaal dat afkomstig is van bouwkundige constructies, zoals betongranulaat, asfaltgranulaat, menggranulaat, metselwerkgranulaat, gerecycleerde brokken, brekerzand van asfalt, brekerzeefzand, sorteerzeefgranulaat en sorteerzeefzand;
30° gft-afval: het keuken- en tuinafval dat afkomstig is van het gescheiden ingezamelde organische deel van het huishoudelijk afval. Het omvat composteerbaar keukenafval en etensresten en het gedeelte van het tuinafval dat bestaat uit niet-houtig, fijn materiaal;
31° gratis publicaties : elk drukwerk dat gratis verspreid wordt en dat geen reclamedrukwerk of gratis regionale pers is;
32° gratis regionale pers : alle drukwerk met vast verschijningsritme dat gratis verspreid wordt, met uitsluiting van het drukwerk dat uitgaat van een adverteerder of een daartoe opgerichte groep van adverteerders, waarin op jaarbasis minimaal 30 % van de gedrukte oppervlakte besteed wordt aan artikelen met algemene informatie;
33° groenafval : het composteerbaar organisch afval dat onder meer vrijkomt in tuinen, plantsoenen, parken, oevers van waterlopen en wegbermen en natuurgebieden;
34° grofvuil : afvalstoffen die ontstaan door de normale werking van een particuliere huishouding, en de vergelijkbare afvalstoffen die door hun omvang, hun aard of hun gewicht niet in de recipiėnt voor huisvuilophaling kunnen worden geborgen en die huis aan huis worden ingezameld, alsook de restfractie die overblijft voor verbranden of storten na aanbieding in het recyclagepark;
35° grondstoffen : bijproducten of materialen die het einde van de afvalfase hebben bereikt, overeenkomstig artikel 36, 37 of 39 van het Materialendecreet;
36° grondstoffenproducent : elke natuurlijke persoon of rechtspersoon waarvan de activiteit bijproducten of materialen die het einde van de afvalfase hebben bereikt, voortbrengt, overeenkomstig artikel 36, 37 of 39 van het Materialendecreet;
37° grondstoffengebruiker : elke natuurlijke of rechtspersoon die bijproducten of materialen die het einde van de afvalfase hebben bereikt, overeenkomstig artikel 36, 37 of 39 van het materialendecreet, inzet in zijn procesvoering;
38° haven : plaats of geografisch gebied met verbeteringswerken en voorzieningen die voornamelijk dienen voor de ontvangst van schepen, met inbegrip van vissersvaartuigen en pleziervaartuigen;
39° havenontvangstvoorziening : vaste, drijvende of mobiele voorziening die geschikt is voor de ontvangst van scheepsafval of ladingresiduen;
40° houder van pcb-houdende apparaten : de natuurlijke persoon of rechtspersoon die pcb’s of een pcb-houdend apparaat in zijn bezit heeft;
41° ingedeelde inrichting : een inrichting waar een activiteit wordt uitgeoefend die is opgenomen in de indelingslijst, vermeld in 5.2.1, §1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid;
42° instelling voor geneeskunde : alle openbare en private ziekenhuizen, met uitzondering van de psychiatrische ziekenhuizen, alle poliklinieken, alle vaste of mobiele instellingen en eenheden of inrichtingen die geneeskundige behandelingen verstrekken aan ambulante of bedlegerige patiėnten, alle psychiatrische ziekenhuizen op de campus van een ziekenhuis die behoren tot dezelfde inrichtende macht, alle rust- en verzorgingstehuizen op de campus van een ziekenhuis en die behoren tot dezelfde inrichtende macht en niet onder de erkenning van een rusthuis vallen, alle psychiatrische verzorgingstehuizen die gelegen zijn op de campus van een ziekenhuis en behoren tot dezelfde inrichtende macht, alle laboratoria en onderzoeksinrichtingen die, intern of extern aan een instelling verbonden, voor die instellingen en voor geneeskundige praktijken onderzoeken verrichten, alle laboratoria van de farmaceutische nijverheid, alle mobiele of vaste bloedtransfusiecentra, alle mortuaria waar lijkverzorging wordt uitgevoerd, en alle instellingen voor forensische geneeskunde;
43° instelling voor verzorging : alle andere rust- en verzorgingstehuizen dan de rust- en verzorgingstehuizen, vermeld in 42°, alle rusthuizen, al dan niet met rvt-woongelegenheid, alle dagverzorgingscentra en alle andere psychiatrische verzorgingstehuizen dan de psychiatrische verzorgingstehuizen, vermeld in 42°;
44° inzamelaar : de natuurlijke persoon of rechtspersoon die overgaat tot de inzameling van afvalstoffen;
44°/1 keukenafval en etensresten:alle voedselresten, met inbegrip van afgewerkte bak- en braadolie afkomstig van restaurants, cateringfaciliteiten en keukens, met inbegrip van centrale keukens en keukens van huishoudens;
45° kga : klein gevaarlijk afval van huishoudelijke oorsprong en van vergelijkbare bedrijfsmatige oorsprong als vermeld in punt 54°;
46° kringloopcentrum : een door de OVAM erkende rechtspersoon die over een inzamelingsdienst, sortering en verkoopsruimte beschikt en die in een binnen zijn erkenning afgebakend verzorgingsgebied potentieel herbruikbare goederen inzamelt, opslaat, sorteert, herstelt en verkoopt met producthergebruik als doel;
47° ladingresiduen : de restanten van lading in ruimen of tanks aan boord die na het lossen en schoonmaken achterblijven, met inbegrip van restanten na lading of lossing en morsingen;
48° landbouwfolie : kunststoffolie die wordt gebruikt in het kader van een landbouw, tuinbouw- of veeteeltactiviteit, met uitzondering van verpakkingen als vermeld in het samenwerkingsakkoord van 4 november 2008 betreffende de preventie en het beheer van verpakkingsafval;
49° Marpol : het internationale verdrag van 1973 ter voorkoming van verontreiniging door schepen, zoals gewijzigd door het protocol van 17 februari 1978 bij dat verdrag, en de eventuele latere wijzigingen ervan;
50° Materialendecreet : het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen;
50/1° matrassen : producten die bestemd zijn om op te slapen en te rusten, geschikt voor het gebruik door de mens voor een lange periode, bestaande uit een sterke hoes, gevuld met materialen, en die kunnen worden geplaatst op een bestaande ondersteunende bedstructuur;
51° medisch afval : een bijzondere afvalstof die bestaat uit alle afvalstoffen, ongeacht de aard, het voorkomen of de samenstelling, die afkomstig zijn van geneeskundige of diergeneeskundige behandelingen;
52° menggranulaat : granulaat dat afkomstig is van het breken van metselwerk en beton, zodat het mengsel een minimaal gehalte aan beton bevat;
53° meststof of bodemverbeterend middel : elke stof waaraan een specifieke werking ter bevordering van de plantaardige productie wordt toegeschreven als vermeld in de federale wetgeving betreffende de handel in meststoffen en bodemverbeterende middelen en teeltsubstraten;
54° met huishoudelijke afvalstoffen vergelijkbare bedrijfsafvalstoffen : bedrijfsafvalstoffen van vergelijkbare aard, samenstelling en hoeveelheid als huishoudelijke afvalstoffen, die ontstaan ten gevolge van activiteiten die van dezelfde aard zijn als activiteiten van de normale werking van een particuliere huishouding;
55° metselwerkgranulaat : granulaat dat afkomstig is van het breken van metselwerk;
56° milieutechnische eenheid : de milieutechnische eenheid, vermeld in artikel 1.1.2 van titel II van het VLAREM;
57° decreet betreffende de omgevingsvergunning: het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning;
58° minister : de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu en het waterbeleid;
59° niet-vormgegeven bouwstof : bouwstof die niet aan alle criteria van een vormgegeven bouwstof voldoet;
60° olie : alle soorten smeerolie of industriėle olie, op minerale, synthetische, plantaardige of dierlijke basis, in het bijzonder olie voor verbrandingsmotoren, transmissiesystemen, alsook olie voor machines, turbines, warmteoverdracht en hydraulische systemen met uitzondering van pcb-oliėn;
61° organisch-biologische afvalstoffen : groenafval, gft-afval of organisch-biologische bedrijfsafvalstoffen;
61°/1 organisch-biologisch bedrijfsafval: het organisch-biologisch afval van bedrijven, met inbegrip van keukenafval en etensresten en Levensmiddelenafval;
62° oude en vervallen geneesmiddelen : restanten van geneesmiddelen als vermeld in artikel 1 van de wet van 25 maart 1964 op de geneesmiddelen, met uitzondering van artikel 1bis van die wet, die farmaceutische specialiteiten zijn, en die aan een particulier werden verstrekt en waarvan hij zich ontdoet, wil ontdoen of moet ontdoen. Een specialiteit is elk vooraf bereid geneesmiddel dat onder een speciale benaming en in een bijzondere verpakking in de handel wordt gebracht;
63° pcb-houdend apparaat : elk toestel dat pcb’s bevat of heeft bevat, zoals transformatoren, condensatoren, recipiėnten die resthoeveelheden bevatten, en dat niet is gereinigd. Tenzij redelijkerwijs het tegendeel kan worden aangenomen, worden toestellen die mogelijk pcb’s bevatten als pcb-houdende apparaten beschouwd;
64° pcb’s : polychloorbifenylen, polychloorterfenylen, monomethyltetrachloordifenylmethaan, monomethyldichloordifenylmethaan, monomethyldibroomdifenylmethaan en alle mengsels waarvan het totale gehalte aan de bovenvermelde stoffen hoger is dan 0,005 gewichtsprocent;
65° percentage van hergebruik en recyclage : het percentage van het gewicht aan afvalstoffen, onderverdeeld per materiaalsoort als vermeld in artikel 3.4.4.5, die tot grondstof gerecycleerd worden, vermeerderd met de apparatuur, onderverdeeld per materiaalsoort, die wordt voorbereid voor hergebruik, ten opzichte van het totale gewicht van de overeenkomstige materiaalsoort van de afgedankte elektrische en elektronische apparatuur die werd ingezameld;
66° pleziervaartuig : schip, bestemd of gebruikt voor sport of vrijetijdsbesteding, ongeacht het type en de wijze van voortstuwing;
67° pmd-afval : afval van plastic flessen en flacons, metalen verpakkingen en drankkartons bestemd voor gebruik door huishoudens of vergelijkbaar bedrijfsmatig gebruik;
68° producent: elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die ongeacht de gebruikte verkooptechniek, met inbegrip van verkoop op afstand overeenkomstig de wet van 6 april 2010 betreffende marktpraktijken en consumentenbescherming:
  a) is gevestigd op het grondgebied en een product vervaardigt onder zijn eigen naam of merk, of laat een product ontwerpen of vervaardigen dat hij onder zijn naam of merk op het grondgebied verhandelt of bestemt voor eigen gebruik;
  b) is gevestigd op het grondgebied en een product op het grondgebied wederverkoopt of bestemt voor eigen gebruik dat door andere leveranciers is geproduceerd onder zijn eigen naam of merk . Daarbij wordt de wederverkoper niet als producent van het product aangemerkt als het merkteken van de producent, vermeld in punt a), op het product zichtbaar is;
  c) is gevestigd op het grondgebied en brengt beroepsmatig voor het eerst op het grondgebied een product op de markt, al dan niet voor eigen gebruik;
  d) is gevestigd buiten het grondgebied en een product via verkoop op afstand rechtstreeks aan particuliere huishoudens op het grondgebied verkoopt.
Diegene die uitsluitend voorziet in financiering op grond van of in het kader van een financieringsovereenkomst, en die de voor- en nadelen verbonden aan de eigendom niet draagt, wordt niet als producent van het product aangemerkt, tenzij hij ook optreedt als producent als vermeld in punt a) tot en met d);
69° producent van drukwerk : de uitgever of de persoon die handelt in opdracht van een buitenlandse uitgever, die drukwerk verspreidt in het Vlaamse Gewest. De uitgever is de persoon die het drukwerk laat aanmaken en die verantwoordelijk is voor de vorm en de inhoud;
70° puin : steenachtige fractie uit bouw- en sloopafval;
71° reclamedrukwerk : al het drukwerk dat minder dan vijfmaal per week verschijnt en waarin minder dan 30 % van de gedrukte oppervlakte besteed wordt aan artikelen met algemene informatie;
72° recyclagevoet : het percentage van het gewicht aan gerecycleerd drukwerk ten opzichte van het totale gewicht aan drukwerk dat tijdens het voorgaande kalenderjaar door om het even welke producent van om het even welk drukwerk verspreid werd in het Vlaamse Gewest;
73° regeneratie van afgewerkte olie : iedere recyclingshandeling waardoor basisoliėn kunnen worden geproduceerd door raffinage van afgewerkte olie, in het bijzonder door uit die olie de verontreinigende stoffen, oxidatieproducten en additieven te verwijderen;
74° reiniging van pcb-houdende apparaten : het geheel van werkzaamheden waardoor een pcb-houdend apparaat opnieuw gebruikt, gerecycleerd of onder veilige omstandigheden verwijderd kan worden. De vervanging, namelijk de werkzaamheden waarbij pcb’s worden vervangen door een passende vloeistof die geen pcb’s bevat, wordt ook als reiniging beschouwd;
74/1° risicohoudende medische afvalstoffen die in aanmerking komen voor decontaminatie : alle risicohoudende
medische afvalstoffen, behalve als ze zijn opgenomen in de lijst, vermeld in bijlage 5.2.3.C;
75° ruimingsspecie : ruimingsspecie als vermeld in artikel 2, 36°, van het Bodemdecreet;
76° scheepsafval : afval, met inbegrip van sanitair afval, en residuen, die geen ladingresiduen zijn, die ontstaan tijdens de bedrijfsvoering van een schip en onder het toepassingsgebied vallen van bijlage I, IV en V van Marpol 73/78, en ladinggebonden afval als vermeld in de Guidelines voor de uitvoering van bijlage V van Marpol 73/78;
77° schip : zeegaand vaartuig, ongeacht het type, dat in het mariene milieu opereert, met inbegrip van draagvleugelboten, luchtkussenvaartuigen, onderwatervaartuigen en drijvende vaartuigen;
77/1° sorteerinrichting voor bouw- en sloopafval: een vergunde inrichting voor het uitsorteren van bouw- en sloopafval via een aparte installatie. De sortering is een aparte activiteit en vindt plaats voor het eventuele breekproces;
78° sorteerzeefgranulaat : verzamelterm voor stenen die verkregen worden door het zeven van puin, verkregen na voorafzeving en sorteren van bouw- en sloopafval dat afkomstig is van een vaste sorteerinrichting;
78°/1 sorteerzeefpuin: grove inerte puinfractie van een geregistreerde sorteerinrichting voor bouw- en sloopafval bekomen na het afzeven op een zeef;
79° sorteerzeefzand: het zand dat ontstaat bij het zeven van puin bij een vergunde sorteerinrichting voor bouwen sloopafval;
79/1° thuisverzorging: de geneeskundige of diergeneeskundige behandelingen in het huis van de belanghebbende, verstrekt door de beoefenaar van een geneeskundig beroep, al dan niet in georganiseerd verband;
[...]  
81° titel II van het VLAREM : het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiėne;
82° tussenhandelaar : iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die producten verdeelt aan één of meer eindverkopers of andere tussenhandelaars in het Vlaamse Gewest;
83° vergisting : gecontroleerd afbraakproces door micro-organismen van organisch-biologisch afval en ander organisch-biologisch materiaal in afwezigheid van zuurstof waardoor biogas en een gehomogeniseerd product (het digestaat) worden gevormd
83/1° verstoking: een procedé als vermeld in bijlage 1, 41, van de verordening (EU) 142/2011 van de Commissie van 25 februari 2011 tot uitvoering van verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot uitvoering van Richtlijn 97/78/EG van de Raad wat betreft bepaalde monsters en producten die vrijgesteld zijn van veterinaire controles aan de grens krachtens die richtlijn;
84° vervoer van afvalstoffen : afvalstoffen van de ene plaats naar de andere brengen over de openbare weg, spoorweg, waterweg, via luchtvaart of via pijpleiding;
85° vervoerder van afvalstoffen : de natuurlijke persoon of rechtspersoon die in opdracht van derden beroepsmatig afvalstoffen vervoert. Beroepsmatig houdt in dat afvalstoffen worden vervoerd in het kader van een professionele activiteit, ongeacht of deze professionele activiteit exclusief bestaat uit het vervoer en de inzameling van afvalstoffen of bestaat uit het, al dan niet occasioneel, inzamelen en vervoeren van afvalstoffen als onderdeel van een bredere professionele activiteit;
86° vissersvaartuig : schip, uitgerust of met commercieel oogmerk gebruikt voor het vangen van vis of andere levende rijkdommen van de zee;
87° VLAREBO : het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2007 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de bodemsanering en de bodembescherming;
87°/1 Levensmiddelenafval: alle levensmiddelen als omschreven in artikel 2 van de Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad die afvalstoffen zijn geworden. Levensmiddelen bestaan uit alle stoffen en producten, verwerkt, gedeeltelijk verwerkt of onverwerkt, die bestemd zijn om door de mens te worden geconsumeerd of waarvan redelijkerwijs kan worden verwacht dat zij door de mens worden geconsumeerd.
88° vormgegeven bouwstof : bouwstof die aan de volgende criteria voldoet :
  a)
b)
c)
ze kan een proefstuk omvatten waarvan de afmeting van twee van de drie dimensies groter is dan 40 millimeter; 
  ze heeft een druksterkte van minstens 9 N/mm2, bepaald volgens de proefmethode uit de NBN-reeksen, aangepast aan het eindproduct; 
  ze heeft een oppervlaktegerelateerde afgifte, zoals bepaald volgens de diffusieproef, opgenomen in het Compendium voor Monsterneming en Analyse; 
89° werk : waterwerk, dijklichaam, wegenbouwkundig werk, bouwwerk of bouwkundig grondwerk dat duidelijk te onderscheiden is van de bodem;
89/1° zeefzand van asfalt : brekerzeefzand en brekerzand van asfalt bekomen voor en na het breken of zeven van het asfaltpuin en freesasfalt;
90° zuiveringsslib :
  a) slib dat afkomstig is van zuiveringsinstallaties voor huishoudelijk of stedelijk afvalwater;
  b) slib dat afkomstig is van zuiveringsinstallaties voor bedrijfsafvalwater;
91° zwerfvuil : klein vast afval dat terug te vinden is op een niet daarvoor bestemde plaats.
[...]    
[...]  
[...]  
95° bouw- en sloopmateriaal: materiaal afkomstig van bouw-, infrastructuur-, sloop-, ontmantelings- of renovatiewerken.

 

§ 3.

Voor de toepassing van onderafdeling 3.4.2 van hoofdstuk 3 en onderafdeling 5.2.4 van hoofdstuk 5 wordt verstaan onder :

demontage-informatie : alle informatie die voor een doelmatige en milieuvriendelijke verwerking van een afgedankt voertuig noodzakelijk is. De informatie is opgenomen in handboeken of is beschikbaar in elektronische vorm; 
hergebruik : elke handeling waarbij onderdelen of vloeistoffen van een afgedankt voertuig voor hetzelfde doel worden gebruikt als waarvoor ze initieel geconcipieerd werden; 
hergebruiken : het uitvoeren van elke handeling waarbij onderdelen of vloeistoffen van een afgedankt voertuig voor hetzelfde doel worden gebruikt als waarvoor ze initieel geconcipieerd werden; 
 recycleren : terugwinnen van materialen en grondstoffen, afkomstig van de verwerking van afgedankte voertuigen, in het oorspronkelijke productieproces dat aan de basis lag van de afvalstoffen, of in een ander productieproces, niet inbegrepen de terugwinning van energie. In dit kader betekent terugwinning van energie het gebruik van brandbare afvalstoffen om energie op te wekken door directe verbranding met of zonder andere afvalstoffen, maar met terugwinning van warmte; 
recycling : de handeling van het recycleren; 
shredder : toestel dat voor het stuktrekken of versnijden van afgedankte voertuigen wordt gebruikt, ook om direct recycleerbaar schroot te verkrijgen; 
voertuig : voertuigen die onder categorie M1 of N1 vallen, vermeld in richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 september 2007 tot vaststelling van een kader voor de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd, alsmede driewielige motorvoertuigen als vermeld in richtlijn 2002/24/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 maart 2002 betreffende de goedkeuring van twee- of driewielige motorvoertuigen en de intrekking van Richtlijn 92/61/EEG van de Raad, met uitzondering van driewielers, ongeacht hoe het voertuig tijdens het gebruik werd onderhouden of gerepareerd en ongeacht of het werd uitgerust met door de producent geleverde onderdelen dan wel met andere onderdelen die als vervangings- of inbouwonderdeel in overeenstemming met de relevante gemeenschapsbepalingen of interne bepalingen werden aangebracht; 
voertuigproducent : de voertuigfabrikant of de beroepsimporteur van een voertuig in een lidstaat van de Europese Unie. 

 

 

§ 3/1.

Voor de toepassing van onderafdeling 3.4.4 van hoofdstuk 3 en onderafdeling 5.2.5 van hoofdstuk 5 wordt verstaan onder:

actief implanteerbaar medisch hulpmiddel: een actief implanteerbaar medisch hulpmiddel als vermeld in het koninklijk besluit van 15 juli 1997 betreffende de actieve implanteerbare medische hulpmiddelen, dat EEA is;
afzondering: de manuele, mechanische, chemische of metallurgische behandeling die ervoor zorgt dat gevaarlijke stoffen, mengsels en onderdelen tijdens het verwerkingsproces in een identificeerbare stroom of als identificeerbaar deel van een stroom zijn afgescheiden. Stoffen, mengsels of onderdelen zijn identificeerbaar als zij kunnen worden gemonitord om te verifiėren dat zij worden verwerkt op een wijze die veilig is voor het milieu;
distributeur van EEA: elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die deel uitmaakt van de toeleveringsketen en EEA op de markt brengt. Een distributeur van EEA kan tezelfdertijd een producent van EEA als vermeld in 16° zijn;
gebruikte EEA: EEA dat al is gebruikt, maar dat niet noodzakelijk een afvalstof is;
grote, niet-verplaatsbare industriėle werktuigen: een groot geheel van machines, apparatuur en/of onderdelen die samenwerken voor een bepaalde toepassing, op een vaste plaats door vakmensen worden geļnstalleerd of afgebroken, en door vakmensen worden gebruikt en onderhouden in een industriėle productieomgeving of een centrum voor onderzoek en ontwikkeling;
grote, vaste installatie: een grootschalig samenstel van diverse typen apparaten en eventueel andere hulpmiddelen die cumulatief voldoen aan de volgende voorwaarden:
  a) ze wordt door vakmensen gemonteerd, geļnstalleerd en afgebroken;
  b) ze is bestemd voor permanent gebruik als onderdeel van een gebouw of een structuur op een vooraf bepaalde en speciaal daarvoor bestemde plaats;
  c) ze kan uitsluitend door dezelfde speciaal ontworpen apparatuur vervangen worden;
heel kleine afgedankte EEA: afgedankte EEA met buitenafmetingen van ten hoogste 25 cm;
hergebruikcentrum voor EEA : een rechtspersoon of natuurlijke persoon die gebruikte EEA beroepsmatig opslaat, sorteert en scheidt in potentieel herbruikbare EEA en niet-herbruikbare afgedankte EEA, en die potentieel herbruikbare EEA voorbereidt voor hergebruik;
huishoudelijke afgedankte EEA: afgedankte EEA die afkomstig is van particuliere huishoudens en afgedankte EEA die afkomstig is van commerciėle, industriėle, institutionele en andere bronnen en die volgens de aard en hoeveelheid met die van particuliere huishoudens vergelijkbaar is. Afval van EEA die waarschijnlijk zowel door particuliere huishoudens als door andere gebruikers dan particuliere huishoudens wordt gebruikt, wordt in elk geval als huishoudelijk afgedankte EEA beschouwd;
10° in de handel brengen van EEA: het voor het eerst beroepsmatig op de markt brengen van een product op het grondgebied;
11° medisch hulpmiddel: een medisch hulpmiddel of hulpstuk als vermeld in het koninklijk besluit van 18 maart 1999 betreffende medische hulpmiddelen, dat EEA is;
12° medisch hulpmiddel voor in-vitrodiagnostiek: een hulpmiddel of hulpstuk voor in-vitrodiagnostiek als vermeld in het koninklijk besluit van 14 november 2001 betreffende medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek, dat EEA is;
13° niet voor de weg bestemde mobiele machine: een machine met een interne krachtbron, waarvan de werking ofwel mobiliteit vereist, ofwel permanente of semipermanente beweging tussen een reeks vaste werklocaties tijdens het werk;
14° op de markt brengen van EEA: het in het kader van een commerciėle activiteit, al dan niet tegen betaling, verstrekken van een product met het oog op distributie, consumptie of gebruik;
15° percentage van nuttige toepassing en voorbereiding voor hergebruik en recyclage: dat cijfer wordt berekend voor elke categorie overeenkomstig artikel 3.4.4.2 door het gewicht van de afgedankte EEA dat de inrichting voor nuttige toepassing of voorbereiding voor hergebruik en recyclage binnenkomt, na passende verwerking overeenkomstig artikel 5.2.5.3, te delen door het gewicht van alle gescheiden ingezamelde AEEA voor elke categorie, uitgedrukt als percentage;
16° producent van EEA: elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die ongeacht de gebruikte verkooptechniek, met inbegrip van verkoop op afstand overeenkomstig de wet van 6 april 2010 betreffende marktpraktijken en consumentenbescherming:
  a) is gevestigd op het grondgebied en een product vervaardigt onder zijn eigen naam of merk, of laat een product ontwerpen of vervaardigen dat hij onder zijn naam of merk op het grondgebied verhandelt;
  b) is gevestigd op het grondgebied en een product wederverkoopt dat door andere leveranciers is geproduceerd onder zijn eigen naam of merk. Daarbij wordt de wederverkoper niet als producent van het product aangemerkt als het merkteken van de producent, vermeld in punt a), op het product zichtbaar is;
  c) is gevestigd op het grondgebied en brengt beroepsmatig een product op de markt;
  d) is gevestigd buiten het grondgebied en een product via verkoop op afstand rechtstreeks aan particuliere huishoudens of aan andere gebruikers dan particuliere huishoudens op het grondgebied verkoopt.
  Diegene die uitsluitend voorziet in financiering op grond van of in het kader van een financieringsovereenkomst, en die de voor- en nadelen verbonden aan de eigendom niet draagt, wordt niet als producent van het product aangemerkt, tenzij hij ook optreedt als producent als vermeld in punt a) tot en met d);
17° professionele afgedankte EEA: alle afgedankte EEA die niet als huishoudelijk afgedankte EEA aangemerkt kunnen worden.

 

 

§ 4.

Voor de toepassing van onderafdeling 3.4.5 van hoofdstuk 3 en onderafdeling 5.2.7 van hoofdstuk 5 wordt verstaan onder :

autobatterij of -accu : batterij of accu die gebruikt wordt voor het starten, voor de verlichting of het ontstekingsvermogen van een voertuig; 
batterijpak : set batterijen of accu’s die onderling verbonden zijn of die voorzien zijn van een buitenverpakking, die één complete eenheid vormt en niet is bestemd om door de eindgebruiker te worden opgedeeld of geopend; 
 dr aagbare batterij of accu : elke batterij, elke knoopcel, elk batterijpak of elke accu waarvoor tegelijk geldt dat ze : 
a) afgedicht zijn;
b) met de hand kunnen worden gedragen;
c) geen industriėle batterij of accu, noch een autobatterij of -accu zijn;
industriėle batterij of accu : batterij of accu die uitsluitend voor gebruik voor industriėle of professionele doeleinden is ontworpen of die in elk type elektrisch voertuig wordt gebruikt;
knoopcel : kleine ronde draagbare batterij of accu met een diameter die groter is dan de hoogte en die wordt gebruikt voor speciale doeleinden, zoals gehoorapparaten, horloges, kleine draagbare apparatuur en als back-up- stroomvoorziening;
op de markt brengen van batterijen en accu’s : het leveren of ter beschikking stellen, al dan niet tegen betaling, aan een derde, met inbegrip van invoer in het douanegebied;
producent van batterijen en accu’s : persoon die, ongeacht de gebruikte verkooptechniek, met inbegrip van de techniek voor communicatie op afstand, batterijen of accu’s, met inbegrip van die welke in apparaten of voertuigen zijn ingebouwd, beroepsmatig voor het eerst op het grondgebied op de markt brengt, al dan niet voor eigen gebruik;
recycling van batterijen en accu’s : het in een productieproces opnieuw verwerken van afvalmaterialen, voor het oorspronkelijke doel of voor een ander doel, met uitzondering van de terugwinning van energie;
verwerking van batterijen en accu’s : iedere activiteit die afgedankte batterijen en accu’s ondergaan nadat ze zijn overgedragen aan een faciliteit voor sortering, voorbereiding op recycling of voorbereiding op verwijdering.

 

 

§ 5.

Voor de toepassing van onderafdeling 5.2.11 van hoofdstuk 5 en bijlage 3.4.6 gelden de definities, vermeld in het verdrag inzake de verzameling, afgifte en inname van afval in de Rijn- en binnenvaart, ondertekend in Straatsburg op 9 september 1996.

 

§ 6.

Voor de toepassing van onderafdeling 5.3.11 en 5.3.12 van hoofdstuk 5 wordt verstaan onder:

cateringmateriaal: alles wat gebruikt wordt voor het aanbieden en het nuttigen van etenswaren en drank, met uitsluiting van voorverpakte dranken of etenswaren;
bereide voedingsmiddelen: voedingsmiddelen die ter plaatse worden klaargemaakt, samengesteld, geschikt, opgewarmd, geregenereerd of ontdooid;
plastic: een polymeer in de zin van artikel 3, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1907/2006 van 18 december 2006 van het Europees Parlement en de Raad inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie, waaraan additieven of andere stoffen kunnen zijn toegevoegd, en dat kan fungeren als structureel hoofdbestanddeel van draagtassen;
plastic draagtassen: van plastic gemaakte draagtassen, met of zonder handgreep, die aan consumenten worden verstrekt op de plaats van verkoop van goederen of producten;
lichte plastic draagtassen: plastic draagtassen met een wanddikte van minder dan 50 micron en meer dan of gelijk aan 15 micron.

 

§ 7.

Voor de toepassing van onderafdeling 5.3.13 van hoofdstuk 5 wordt verstaan onder:

afvalzak: elke zak bestemd voor de verzameling en/of inzameling van afvalstoffen;
gehalte gerecycleerde kunststoffen: het gehalte aan gerecycleerde kunststoffen in afvalzakken wordt bepaald als de verhouding van de massa gerecycleerde kunststoffen t.o.v. de totale massa kunststoffen in de geproduceerde afvalzakken, vermenigvuldigd met 100;
kunststoffen afvalzak: elke afvalzak waarbij een polymeer in de zin van artikel 3, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1907/2006 van 18 december 2006 van het Europees Parlement en de Raad inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie, waaraan additieven of andere stoffen kunnen zijn toegevoegd, fungeert als structureel hoofdbestanddeel van de afvalzak.

HOOFDSTUK 2.
Afbakening van de afvalfase


Afdeling 2.1.
Lijst van afvalstoffen


Art. 2.1.1.

De lijst van afvalstoffen is opgenomen in bijlage 2.1.

 

Stoffen en voorwerpen die in de lijst van afvalstoffen zijn opgenomen, worden alleen als afvalstof beschouwd als ze aan de definitie van afvalstof voldoen.


Afdeling 2.2.
Algemene bepalingen


Art. 2.2.1. Beoogde grondstoffen mogen alleen als grondstoffen worden beschouwd als ze bij oordeelkundig gebruik geen gevaar voor de gezondheid van de mens en geen nadelige gevolgen voor het milieu kunnen inhouden.

Art. 2.2.2.

De specifieke criteria die minimaal vervuld moeten zijn opdat een bepaald materiaal kan worden beschouwd als een grondstof, bestemd voor een bepaald toepassingsgebied, worden, waar nodig, vastgesteld in afdeling 2.3. Elk materiaal afzonderlijk moet aan die criteria voldoen.

 

Als een materiaal niet voldoet aan de specifieke criteria vastgesteld in afdeling 2.3 kan ze slechts toegelaten worden, mits er vanuit milieuoogpunt valabele argumenten zijn en hiervoor een grondstofverklaring wordt bekomen.

 

Materialen voor gebruik in kunstmatige afdichtingslagen met waterglas, hoeven niet afzonderlijk te voldoen aan de criteria, vermeld in het eerste lid.


Art. 2.2.3.

In de lijst met materialen, vermeld in bijlage 2.2, is aangegeven voor welke materialen een grondstofverklaring vereist is. Om een grondstofverklaring te verkrijgen, moet worden voldaan aan de toepasselijke criteria, vermeld in afdeling 2.3.

 

Beoogde grondstoffen die bestemd zijn voor gebruik als meststof of bodemverbeterend middel, voor gebruik als bouwstof, [...] of voor gebruik in kunstmatige afdichtingslagen met waterglas, en die niet vermeld worden in bijlage 2.2, kunnen pas als grondstof worden beschouwd als alle toepasselijke criteria, vermeld in afdeling 2.3, zijn vervuld en de OVAM een toelating heeft gegeven in de vorm van een grondstofverklaring.

 

Het gebruik van een grondstof als bodem is niet toegelaten.

 

[...]


Art. 2.2.4. Materialen kunnen beschouwd worden als grondstoffen die bestemd zijn voor gebruik in bodemsaneringswerken of voor risicobeheersmaatregelen, als ze voldoen aan de voorwaarden van samenstelling of gebruik, vastgesteld in het conformiteitsattest van het bodemsaneringsproject, het beperkte bodemsaneringsproject of het risicobeheersplan, afgeleverd door de OVAM conform de bepalingen van het Bodemdecreet.

Art. 2.2.5.

Als de OVAM voor andere materialen dan de materialen, vermeld in artikel 2.2.3, een grondstofverklaring aflevert, houdt ze bij de beoordeling in elk geval rekening met de elementen, vermeld in afdeling 2.4.


Art. 2.2.6.

Een grondstofverklaring wordt alleen afgeleverd voor een specifiek materiaal dat wordt geproduceerd door een specifieke producent of dat voortkomt uit een specifiek productieproces, en waarvoor een specifieke toepassing wordt beoogd.

 

De grondstofverklaringen worden afgeleverd volgens de procedure, vermeld in afdeling 2.4.


Art. 2.2.7.

§ 1.

In afwijking van deze afdeling, afdeling 2.3 en afdeling 2.4 zal, als dat van toepassing is, bij de beoordeling van een materiaal dat als grondstof en niet als afvalstof kan worden beschouwd, rekening worden gehouden met de Europees vastgestelde voorwaarden of criteria.

 

Er is geen grondstofverklaring vereist als er voor materialen die als beoogde grondstoffen op de markt worden gebracht, rechtstreeks toepasselijke Europees vastgestelde voorwaarden en criteria gelden.

 

§ 2.

De inrichting of onderneming die voldoet aan rechtstreeks toepasselijke Europees vastgestelde voorwaarden of criteria ten aanzien van grondstoffen, en die ze op de markt wil brengen, moet zijn opgenomen in een register.  De minister stelt nadere regels vast voor de vorm en de inhoud van het register en voor de registratieprocedure.

 

Op eenvoudig verzoek van de OVAM of de toezichthouder moet de betreffende inrichting of onderneming de conformiteit met de Europese eisen kunnen aantonen. Niet-conformiteit kan aanleiding geven tot schrapping uit het register. De minister kan vaststellen welke informatie beschikbaar moet zijn om de conformiteit te kunnen aantonen en stelt nadere regels vast voor de schrapping uit het register.

 

In uitvoering van Europees vastgestelde voorwaarden en criteria, kan de minister de persoon aanwijzen die als onafhankelijke expert ter verificatie van een Europees opgelegd kwaliteitsborgingssysteem mag optreden.


Art. 2.2.8.

§ 1.

De grondstoffenproducent of in afwijking daarvan, de persoon die in zijn naam optreedt, vermeld in artikel 2.4.2.1, is ervoor verantwoordelijk dat de verplichtingen, vermeld in dit hoofdstuk, nageleefd worden. Hij brengt elke afnemer van de grondstof op de hoogte van de gebruiksvoorwaarden, vermeld in hoofdstuk 5, afdeling 5.3, en van de specifieke criteria, vermeld in afdeling 2.3 van dit hoofdstuk.


Het is de verantwoordelijkheid van de grondstoffenproducent of de persoon die in zijn naam optreedt, om de toezichthouder binnen zeven kalenderdagen op de hoogte te brengen, als hij over informatie beschikt waaruit kan worden besloten dat een partij materialen niet meer aan de bepalingen, vermeld in dit hoofdstuk, voldoet. In dat geval wordt die partij materialen beschouwd als afvalstof.

 

§ 2.

De materialen, vermeld in artikel 2.2.3 die worden beschouwd als grondstoffen, worden minstens eenmaal per jaar bemonsterd en geanalyseerd, tenzij anders bepaald in de grondstofverklaring, door een erkend laboratorium in de discipline afvalstoffen en andere materialen als vermeld in artikel 6, 5°, e), van het VLAREL van 19 november 2010.

Het monster moet representatief zijn voor de productie in een bepaald tijdsinterval. De conformiteit met de geldende criteria moet worden verzekerd op basis van een representatieve bemonstering en analyse. Afhankelijk van de herkomst, de verontreinigingsgraad en aanwending kan de grondstoffenproducent of in afwijking daarvan, de persoon die in zijn naam optreedt in overleg met de OVAM de parameterlijst, vermeld in bijlage 2.3.1 en 2.3.2, beperken.

 

§ 3.

De analysegegevens worden bijgehouden op een elektronische drager met het oog op een eenvoudige uitwisseling tussen de OVAM en de voormelde persoon. De minister bepaalt de technische specificaties waaraan de analysegegevens moeten voldoen, en de technische specificaties in verband met de uitwisseling van gegevens op verzoek van de OVAM worden opgenomen in een standaardprocedure.


Houders van een grondstofverklaring bezorgen deze analysegegevens jaarlijks op elektronische wijze aan de OVAM. Voor die elektronische overdracht stelt de OVAM een webloket voor grondstofverklaringen ter beschikking via de website van de OVAM. De analyses die de conformiteit met het ministerieel besluit overeenkomstig onderafdeling 2.3.6 aantonen, moeten eveneens door de producent jaarlijks op elektronische wijze aan de OVAM bezorgd worden.

 

De analysegegevens die niet moeten gerapporteerd worden overeenkomstig de bepalingen opgenomen in het tweede lid van deze paragraaf moeten door de persoon, vermeld in paragraaf 1, gedurende vijf jaar ter beschikking gehouden worden van de toezichthouder en de OVAM.


Afdeling 2.3.
Specifieke criteria


Onderafdeling 2.3.1.
Criteria voor grondstoffen, bestemd voor gebruik als meststof of bodemverbeterend middel


Art. 2.3.1.1.

Om de materialen, vermeld in bijlage 2.2, afdeling 1, te beschouwen als grondstoffen, bestemd voor gebruik als meststof of bodemverbeterend middel, moeten de voorwaarden van samenstelling, namelijk de maximale gehalten aan verontreinigende stoffen vervuld zijn. De samenstellingsvoorwaarden voor grondstoffen die 2 % of meer dan 2 % droge stof bevatten, zijn vermeld in bijlage 2.3.1.A. De samenstellingsvoorwaarden voor grondstoffen die minder dan 2 % droge stof bevatten, zijn vermeld in bijlage 2.3.1.B.


Art. 2.3.1.2.

De behandeling, bemonstering en analyse van behandeld zuiveringsslib worden uitgevoerd volgens de bepalingen, vermeld in bijlage 2.3.1.D.


Art. 2.3.1.3.

§ 1.

Gft-compost, groencompost en het eindmateriaal van de biologische behandeling van organisch-biologische afvalstoffen moeten geproduceerd worden in een vergunde inrichting voor de biologische verwerking van organisch-biologische afvalstoffen die beschikt over een keuringsattest.

 

§ 2.

De biologische verwerking van organisch-biologische afvalstoffen is onderworpen aan het kwaliteitsgarantiesysteem Meststoffen-Bodemverbeterende Middelen. Het kwaliteitsgarantiesysteem heeft tot doel te garanderen dat afvalstoffen worden omgezet in kwalitatief hoogwaardige eindmaterialen voor nuttige toepassing. Het kwaliteitsgarantiesysteem wordt beheerd door de OVAM. Het kwaliteitsgarantiesysteem wordt goedgekeurd bij ministerieel besluit en wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.

 

§ 3.

De inrichtingen voor de biologische verwerking van organisch-biologische afvalstoffen met het oog op de productie van bodemverbeterende middelen en/of meststoffen vergoeden de OVAM voor de ontwikkeling en het beheer van het kwaliteitsgarantiesysteem. De minister kan bindende voorschriften vaststellen voor de berekening van de vergoeding. Ze worden opgesteld in overleg met de betrokken partners.

 

§ 4.

Het keuringsattest, vermeld in paragraaf 1, wordt afgeleverd door een certificeringsinstelling overeenkomstig het kwaliteitsgarantiesysteem Meststoffen-Bodemverbeterende Middelen. Een certificeringsinstelling wordt erkend door de minister, na advies van de OVAM. De procedure is opgenomen in het Algemeen Reglement van de Certificering.

 

§ 5.

De certificeringsinstellingen voeren de certificeringsactiviteiten op het terrein uit zoals beschreven in het kwaliteitsgarantiesysteem Meststoffen-Bodemverbeterende Middelen. Hun taken zijn:

de uitvoering en opvolging van monsternemingen, analyses en audits conform het Algemeen Reglement van de Certificering;
de aflevering, schorsing of intrekking van keuringsattesten conform het Algemeen Reglement van de Certificering;
de rapportering aan de OVAM, onder meer door: 
  a) een maandelijks overzicht van de afgeleverde, geschorste of ingetrokken keuringsattesten; 
  b) verslagen van audits en actieplannen die opgelegd zijn naar aanleiding van non-conformiteiten bij vergunde inrichtingen voor het verwerken van organisch-biologische afvalstoffen, om hun keuringsattest te verkrijgen of te behouden;
  c) jaarlijkse rapportering over de certificeringsactiviteiten. 

 

§ 6.

Het Algemeen Reglement van de Certificering wordt goedgekeurd bij ministerieel besluit en wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Het bestaat uit een organisatorisch deel waarin voorwaarden voor de certificeringsinstellingen zijn opgenomen en uit een uitvoerend deel met voorwaarden voor de inrichtingen voor de biologische verwerking van organisch-biologische afvalstoffen.

 

§ 7.

De OVAM houdt als onafhankelijk toezichtsorgaan toezicht op het kwaliteitsgarantiesysteem Meststoffen-Bodemverbeterende Middelen.


De OVAM zal onder meer de volgende taken uitvoeren:

toezicht houden op het Algemeen Reglement van de Certificering en op het kwaliteitsgarantiesysteem;
behandelen van de beroepen tegen beslissingen over de verlening, schorsing of intrekking van de keuringsattesten.

Onderafdeling 2.3.2.
Criteria voor grondstoffen, bestemd voor gebruik als bouwstof


Art. 2.3.2.1.

§ 1.

Rekening houdend met de geldende voorwaarden voor werken of bouwstoffen moeten de volgende criteria voor de samenstelling minimaal zijn vervuld om de materialen, vermeld in bijlage 2.2, afdeling 2, te beschouwen als grondstoffen die bestemd zijn voor gebruik als bouwstof :

de maximale totaalconcentraties aan organische verbindingen, vermeld in bijlage VI van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2007 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de bodemsanering en de bodembescherming, worden niet overschreden; 
de maximale totaalconcentraties aan metalen, vermeld in bijlage VI van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2007 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de bodemsanering en de bodembescherming, zijn richtwaarden. Voor de metalen waarbij de totaalconcentraties lager zijn dan de waarden voor vrij gebruik van uitgegraven bodem, vermeld in bijlage V van het VLAREBO, moet de uitloogbaarheid niet bepaald worden; 
de maximale uitloogbaarheidswaarden van metalen voor gebruik in of als niet-vormgegeven bouwstof, vermeld in bijlage 2.3.2.B, worden niet overschreden. De maximale uitloogbaarheid geldt voor een standaardgebruik waarbij de toepassingshoogte van de niet-vormgegeven bouwstof, gemeten loodrecht op het aardoppervlak, 0,7 m bedraagt, het soortelijk gewicht 1550 kg/m3 is, en de effectieve infiltratie in het werk 300 mm/j bedraagt. Bij afwijkende uitloogbaarheid, afwijkend soortelijk gewicht en een afwijkende beoogde toepassingshoogte moet de berekende immissiegrenswaarde voor de bodem voldoen aan bijlage 2.3.2.C; 
de uitloogbaarheid van metalen, voor gebruik in of als vormgegeven-bouwstoffen, moet resulteren in berekende immissiegrenswaarden die voldoen aan de waarden, vermeld in bijlage 2.3.2.C; 
het berekende totaalgehalte aan asbestvezels bedraagt maximaal 100 mg/kg droge stof. 
de maximale gehalten aan fysische verontreinigingen zijn voor vlottende verontreinigingen 5,0 cm³/kg droge stof, voor niet-vlottende verontreinigingen 1,0% (massa/massa) en voor glas 2,0% (massa/massa).

 

§ 2.

In afwijking van paragraaf 1 hoeven de materialen, vermeld in bijlage 2.2, afdeling 2, meer bepaald asfaltgranulaat, gerecycleerde bitumineuze granulaten en zeefzand van asfalt, niet te voldoen aan de totaalconcentratie voor de parameter minerale olie.

Onder pak-houdend zeefzand van asfalt wordt verstaan dat de norm voor een van de polycyclische aromatische koolwaterstoffen, vermeld in bijlage 2.3.2.A, wordt overschreden.


Om vast te stellen of asfaltgranulaat pak-houdend is, wordt de pak-spray-test gebruikt. Als de pak-spraytest een gele verkleuring vertoont, wordt het asfaltgranulaat geacht pak-houdend te zijn. Bij een onduidelijke verkleuring kan een bevestigingsproef met infraroodspectroscopie worden uitgevoerd. Het asfaltgranulaat wordt geacht pak-houdend te zijn als de infraroodspectroscopie duidelijke pieken vertoont voor pak. Pak-houdendheid mag kwalitatief getest worden met infraroodspectroscopie zonder voorafgaande pak-spray-test. Bij twijfel bepaalt een tegenproef met een chemische analyse op pak via GC-MS of de normen niet zijn overschreden. Het eenheidsreglement voor gerecycleerde granulaten vermeldt de proefmethode en de conformiteitscontrole van de pak-spraytest.


In afwijking van paragraaf 1, punt 1°, hoeft het voormelde pak-houdende asfaltgranulaat en pak-houdend zeefzand van asfalt niet te voldoen aan de totaalconcentratie voor de parameters pak bij gebruik overeenkomstig artikel 5.3.3.4.

 

§ 3.

In afwijking van paragraaf 1, punt 6°, mag in sorteer- en brekerzeefzand het maximale gehalte aan vlottende verontreinigingen 7,5 cm³/kg bedragen.


Art. 2.3.2.2.

De OVAM stelt een globaal beheersysteem voor gerecycleerde granulaten vast. Dat beheersysteem bevat minstens een door de minister goed te keuren eenheidsreglement dat de voorwaarden en de procedure voor de keuring van gerecycleerde granulaten regelt.

 

De gerecycleerde granulaten die als grondstof worden ingezet, moeten voldoen aan de bepalingen van het eenheidsreglement. Het eenheidsreglement voor gerecycleerde granulaten wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.

 

Sorteerinrichtingen voor bouw- en sloopafval waarvan het sorteerzeefpuin na verdere bewerking bij een breker wordt afgezet als gerecycleerd granulaat, beschikken over een kwaliteitsborgingssysteem als vermeld in het eenheidsreglement gerecycleerde granulaten.

 

De parameterlijsten uit de bijlagen, vermeld in artikel 2.3.2.1, kunnen beperkt worden tot een lijst als vermeld in het eenheidsreglement.


Art. 2.3.2.3.

§ 1.

[...]

 

§ 2.

Een beoogde grondstof waarvoor op het moment van de aanvraag nog niet kan worden aangetoond dat wordt voldaan aan de dwingende samenstellingsvoorwaarden van de toepassing, vermeld in artikel 2.3.2.1, omdat de concrete toepassing ervan nog niet operationeel is, kan, indien het een aanvraag van de initiėle grondstofproducent betreft, toch als grondstof worden toegelaten. Op basis van laboratoriumonderzoek moet worden aangetoond dat kan voldaan worden aan de samenstellingsvoorwaarden van de toepassing, vermeld in artikel 2.3.2.1. De initiėle grondstoffenproducent die het einde van de afvalfase wil voor het materiaal, stuurt een aanvraag tot het verkrijgen van een grondstofverklaring naar de OVAM.


Onderafdeling 2.3.3.
Criteria voor grondstoffen, bestemd voor gebruik als bodem

 

 


Art. 2.3.3.1. [...]

Onderafdeling 2.3.4.
Criteria voor grondstoffen, bestemd voor gebruik in kunstmatige afdichtingslagen met waterglas op stortplaatsen van categorieėn 1 en 2


Art. 2.3.4.1.

§ 1.

Rekening houdend met de geldende voorwaarden voor afdichtingslagen, vermeld in bijlage 2.3.4.A, moeten minimaal de volgende criteria zijn vervuld om de materialen, vermeld in bijlage 2.2, afdeling 4, te beschouwen als grondstoffen die geschikt zijn voor gebruik in kunstmatige afdichtingslagen met waterglas op stortplaatsen van categorie 1 en 2 :

de concentraties aan organische verbindingen overschrijden de waarden, vermeld in bijlage 2.3.4.B, niet; 
de beschikbaarheden voor uitloging van anorganische bestanddelen overschrijden de waarden, vermeld in bijlage 2.3.4.B, niet; 
de uitloogbaarheidswaarden van anorganische bestanddelen overschrijden de waarden, vermeld in bijlage 2.3.4.B, niet; 
het massa- en volumepercentage niet-steenachtige materialen, zoals gips, rubber, kunststof, isolatie, roofing of andere verontreinigingen, bedraagt maximaal 1 %. 

 

In afwijking van het eerste lid, 1°, 2° en 3°, geldt voor zuiveringsslib, bitumineuze granulaten, brekerzand van asfalt, brekerzeefzand en sorteerzand, afkomstig van het zeven en breken van asfalt, dat die niet hoeven te voldoen aan de parameter minerale olie en DOC.

 

§ 2.

In afwijking van paragraaf 1 kan het materiaal dat niet voldoet aan de voorwaarden voor gebruik in kunstmatige afdichtingslagen met waterglas, na aanvullend onderzoek dat voldoende garanties biedt inzake milieubescherming, eventueel als grondstof worden toegelaten, op voorwaarde dat een grondstofverklaring toegekend wordt.


Onderafdeling 2.3.5.
Criteria voor grondstoffen afkomstig van en bestemd voor metallurgische productieprocessen voor non-ferrometalen


Art. 2.3.5.1.

§ 1.

Materialen afkomstig van metallurgische productieprocessen voor non-ferrometalen, worden beschouwd als grondstoffen als ze rechtstreeks, zonder verdere andere behandeling, worden gebruikt in een ander metallurgisch productieproces voor non-ferrometalen.

 

De beoogde grondstoffen zijn afkomstig van en bestemd voor een metallurgisch productieproces, vermeld in bijlage 2.3.5.

 

De beoogde grondstoffen mogen geen verontreinigingen bevatten die niet eigen zijn aan het metallurgisch proces of gevaarlijke stoffen bevatten die niet in de samenstellingscriteria van de lijst, vermeld in paragraaf 2, zijn opgenomen.

 

§ 2.

De minister stelt de vorm en de inhoud vast van de lijst met materialen, afkomstig van en bestemd voor metallurgische productieprocessen voor non-ferrometalen, die als grondstof kunnen worden beschouwd.

 

§ 3.

Artikel 2.4.2.2, 2°, c) en 3°, en artikel 2.4.2.5, 3°, zijn niet van toepassing in het geval een grondstofverklaring wordt aangevraagd voor materialen afkomstig van metallurgische productieprocessen voor non-ferrometalen, die rechtstreeks, zonder verdere andere behandeling, worden gebruikt in een ander metallurgisch productieproces voor non-ferrometalen, op voorwaarde dat het specifieke productieproces waaruit het materiaal voorkomt, goed omschreven is.


Onderafdeling 2.3.6.
Criteria voor grondstoffen afkomstig van metallurgische productieprocessen voor ferrometalen


Art. 2.3.6.1.

§ 1.

Materialen afkomstig van metallurgische productieprocessen voor ferrometalen, worden beschouwd als grondstoffen als ze rechtstreeks, zonder verdere andere behandeling, worden gebruikt.

 

De beoogde grondstoffen zijn afkomstig van een metallurgisch productieproces en bestemd voor gebruik, vermeld in bijlage 2.3.6.

 

De beoogde grondstoffen mogen geen verontreinigingen bevatten die niet eigen zijn aan het metallurgisch proces of gevaarlijke stoffen bevatten die niet in de samenstellingscriteria van de lijst, vermeld in paragraaf 2, zijn opgenomen.

 

§ 2.

De minister stelt de vorm en de inhoud vast van de lijst met materialen, afkomstig van metallurgische productieprocessen voor ferrometalen, die als grondstof worden gebruikt.

 

§ 2/1.

De producent laat het materiaal dat afkomstig is van metallurgische productieprocessen voor ferrometalen en als grondstof wordt gebruikt, registreren. Daarvoor maakt hij gebruik van het webloket registraties op de website van de OVAM.


De OVAM stelt een register van geregistreerde materialen die afkomstig zijn van metallurgische productieprocessen voor ferrometalen en als grondstof worden gebruikt, ter beschikking via haar website.

 

§ 3.

Artikel 2.4.2.2, 2°, c) en 3°, en artikel 2.4.2.5, 3°, zijn niet van toepassing in het geval een grondstofverklaring wordt aangevraagd voor materialen afkomstig van metallurgische productieprocessen voor ferrometalen, op voorwaarde dat het specifieke productieproces waaruit het materiaal voorkomt, goed omschreven is.


Art. 2.3.6.2.

§ 1.

De registratie bevat de volgende gegevens:

de identificatiegegevens van de grondstoffenproducent: maatschappelijke naam, rechtsvorm, voor Belgische ondernemingen het ondernemingsnummer en eventueel het vestigingsnummer en voor buitenlandse ondernemingen het btw-nummer, het adres van de maatschappelijke zetel en van de exploitatiezetel, van de verantwoordelijke bij de exploitatiezetel de naam, het contactadres, het telefoonnummer, het e-mailadres en eventueel het faxnummer;
de identificatiegegevens van de contactpersoon: naam, contactadres, telefoonnummer en e-mailadres;
de identificatie van het materiaal: gebruikelijke naam, jaarlijkse hoeveelheid en de materiaalcode;
de beschrijving van de specifiek beoogde toepassing of het gebruik van het materiaal;
een verklaring dat de verstrekte gegevens correct en volledig zijn, en dat het materiaal voldoet aan de voorwaarden voor gebruik.

 

§ 2.

De OVAM brengt de aanvrager op de hoogte van de correcte registratie via een melding in het webloket registraties van de OVAM. Zolang de aanvrager geen elektronische melding ontvangt, moet de registratie beschouwd worden als niet ingediend.


De registratie geldt voor een periode van tien jaar.

 

§ 3.

Elke wijziging in de geregistreerde gegevens wordt elektronisch aan de OVAM meegedeeld. Daarvoor maakt de producent gebruik van het webloket registraties op de website van de OVAM. De gewijzigde gegevens worden aangepast in het register van geregistreerde materialen die afkomstig zijn van metallurgische productieprocessen voor ferrometalen en als grondstof worden gebruikt.

 

De registratie kan niet aan derden worden doorgegeven, uitgezonderd wanneer de grondstoffenproducent wordt overgenomen.

 

Bij een overname van de grondstoffenproducent deelt de grondstoffenproducent de identificatiegegevens zoals vermeld in 1° en 2° van paragraaf 1 van dit artikel en een bewijs van de overname mee aan de OVAM. Daarvoor maakt hij gebruik van het webloket registraties op de website van de OVAM. De nieuwe registratie is geldig met onmiddellijke ingang.

 

Bij stopzetting van het gebruik van het materiaal als grondstof kan de producent op zijn verzoek de registratie laten opheffen. De registratie als materiaal wordt dan geschrapt uit het register. De producent meldt de stopzetting elektronisch aan de OVAM. Daarvoor maakt hij gebruik van het webloket registraties op de website van de OVAM.

 

§ 4.

Elk misbruik van de registratie en elke overtreding van de voorwaarden voor het gebruik van het materiaal, kan leiden tot het schorsen van de registratie.


Bij vaststelling van misbruik van de registratie of van een overtreding van de voorwaarden voor het gebruik van het materiaal wordt de producent door de OVAM met een beveiligde zending op de hoogte gebracht van de voorgenomen beslissing tot schorsing en de motieven daarvoor. De producent beschikt over een termijn van veertien dagen na ontvangst van de beveiligde zending om zijn verweermiddelen kenbaar te maken of om aan te tonen dat zijn zaken ondertussen in orde zijn gebracht. Hij kan vragen om gehoord te worden.


De schorsing wordt door de OVAM met een beveiligde zending aan de producent meegedeeld, met vermelding van de motieven. Na de schorsing wordt het materiaal opgenomen in het register van geschorste registraties van materialen die afkomstig zijn van metallurgische productieprocessen voor ferrometalen.


Een schorsing van de registratie van een materiaal dat afkomstig is van metallurgische productieprocessen voor ferrometalen, blijft van kracht voor een termijn die afloopt samen met de einddatum van de registratie. Als door de producent intussen kan worden aangetoond dat de aanleiding tot schorsing niet meer bestaat, kan de schorsing ongedaan worden gemaakt. Tijdens de periode van de schorsing kan de producent voor dat materiaal geen nieuwe registratie verkrijgen.


Afdeling 2.4.
Grondstofverklaring


Onderafdeling 2.4.1.
Algemene bepalingen


Art. 2.4.1.1.

Bij de beoordeling of een materiaal kan worden aangemerkt als grondstof, toetst de OVAM het betreffende materiaal aan de definitie van een afvalstof als vermeld in artikel 3,1°, van het Materialendecreet, en houdt daarbij rekening met de elementen, vermeld in artikel 36, 37 en 39 van voormeld decreet.

 

Het gebruik van de betreffende materialen betekent niet dat de prioriteitsvolgorde, vermeld in artikel 4, § 3, van het Materialendecreet, wordt verlaten, onverminderd de mogelijkheid tot afwijking hiervan, zoals bepaald in artikel 8, § 1, van voormeld decreet.


Art. 2.4.1.2.

In een grondstofverklaring kunnen bijzondere voorwaarden worden opgelegd. Die voorwaarden kunnen onder meer betrekking hebben op de herkomst van het materiaal, de manier waarop het is ingezameld, geproduceerd of verwerkt, de aard en samenstelling van het materiaal, de grenswaarden voor verontreinigende stoffen, de toegelaten toepassing, de toegelaten wijze van aanwending en de aanwezigheid van een kwaliteitsborgingssysteem als vermeld in afdeling 2.5.


Art. 2.4.1.3. [...]

Onderafdeling 2.4.2.
Aanvraagprocedure voor een grondstofverklaring


Art. 2.4.2.1. De producent van de beoogde grondstof of de persoon die in zijn naam optreedt, dient een elektronische aanvraag tot het verkrijgen van een grondstofverklaring in bij de OVAM. Voor die elektronische aanvraag stelt de OVAM een webloket voor grondstofverklaringen ter beschikking via de website van de OVAM.

Art. 2.4.2.2.

De aanvraag bevat de volgende documenten en gegevens, voor zover ze nog niet aan de OVAM zijn bezorgd :

het gewenste gebruik van het materiaal als grondstof; 
de identificatiegegevens van de aanvrager : 
a) [...]
b) de maatschappelijke naam, de rechtsvorm, het ondernemingsnummer, het adres van de maatschappelijke zetel, de naam en het contactadres van de verantwoordelijke, het telefoonnummer, het e-mailadres en eventueel het faxnummer;
c) de relatie ten opzichte van de grondstoffenproducent onder punt 3°; 
de identificatiegegevens van de grondstoffenproducent : 
a)  [...]
b) de maatschappelijke naam, de rechtsvorm, het ondernemingsnummer, het adres van de maatschappelijke zetel, de naam en het contactadres van de verantwoordelijke, het telefoonnummer, het e-mailadres en eventueel het faxnummer;
de identificatie van het materiaal : gebruikelijke naam, jaarlijkse hoeveelheid en de EURAL-code van het materiaal, vermeld in bijlage 2.1; 
een overzicht van het productieproces met beschrijving van de gebruikte inputstromen en de stappen waarbij het materiaal vrijkomt, indien van toepassing; 
een kopie van de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit voor het proces of het werk waaruit het materiaal vrijkomt, indien van toepassing; 
indien van toepassing, een monsternemings- en analyseverslag van een representatief monster van het materiaal, opgesteld door een erkend laboratorium in de discipline afvalstoffen en andere materialen, vermeld in artikel 6, 5°, e), van het VLAREL. Het aantal monsters en analyses is afhankelijk van de verwachte spreiding van de samenstelling. Indien van toepassing, wordt de uitloogbaarheidstest uitgevoerd op het monster met de hoogste verontreiniging aan metalen. [...] Als een materiaal slechts een deel uitmaakt van de massa van de vormgegeven bouwstof, moet een bijkomend monsternemings- en analyseverslag van het eindproduct opgesteld worden, tenzij artikel 2.3.2.3, § 2, van toepassing is. Het aantal te onderzoeken eindproducten is afhankelijk van de verwachte spreiding van het gehalte aan de grondstof in het eindproduct. De uitloogbaarheidstesten worden uitgevoerd op het eindproduct met het hoogste gehalte aan grondstof met de hoogste verontreiniging aan metalen. De analyseverslagen moeten aantonen dat de grondstof of de vormgegeven bouwstof voldoet aan de voorwaarden voor het aanwendingsgebied in kwestie. Deze analysegegevens worden bijgehouden op een elektronische drager met het oog op een eenvoudige uitwisseling tussen de OVAM en de aanvrager. De technische specificaties waaraan de analysegegevens moeten voldoen, en de technische specificaties in verband met de uitwisseling van gegevens op verzoek van de OVAM worden opgenomen in een standaardprocedure, vastgesteld door de minister; 
een beschrijving van de specifiek beoogde toepassing of het gebruik van het materiaal, en de staving ervan door middel van rapporten; 
een verklaring dat de verstrekte gegevens correct en volledig zijn.

 

Een verslag van de monsterneming van een representatief monster van het materiaal, uitgevoerd en opgesteld onder leiding van een erkende bodemsaneringsdeskundige in het kader van de taken, vermeld in artikel 6, 6°, van het VLAREL van 19 november 2010, wordt ook aanvaard als een monsternemingsverslag als vermeld in het eerste lid, 7°.


Art. 2.4.2.3.

§ 1.

De OVAM brengt de aanvrager op de hoogte van de ontvangst van de aanvraag door een elektronische melding in het webloket voor grondstofverklaringen. Zolang de aanvrager geen elektronische ontvangstmelding ontvangt, moet de aanvraag beschouwd worden als niet ingediend.

 

§ 2.

De OVAM verleent of weigert een grondstofverklaring bij beslissing en brengt de aanvrager daarvan op de hoogte via een elektronische melding uiterlijk dertig kalenderdagen na de ontvangstdatum van de aanvraag. De behandeltermijn start op de eerstvolgende werkdag. In de grondstofverklaring kan een beperkte geldigheidstermijn worden opgenomen.

 

§ 3.

Als de OVAM bij de behandeling van de aanvraag, vermeld in paragraaf 2, om aanvullingen verzoekt, wordt de termijn van de behandeling, vermeld in paragraaf 2, geschorst vanaf de verzending van dat verzoek en begint die opnieuw te lopen op de eerstvolgende werkdag vanaf de ontvangst van de aanvullingen. Als de aanvrager nalaat om de aanvullingen binnen een termijn van negentig kalenderdagen aan de OVAM te bezorgen, wordt de aanvraag geacht geweigerd te zijn. De voormelde termijn van negentig kalenderdagen kan in overleg tussen de aanvrager en de OVAM verlengd worden.

 

Voor de verzending van het verzoek tot aanvullingen door de OVAM en het ontvangen van de aanvullingen stelt de OVAM een webloket voor grondstofverklaringen ter beschikking via de website van de OVAM. De OVAM stuurt een elektronische ontvangstmelding van de aanvullingen naar de aanvrager.

 

Na een weigering van een grondstofverklaring wordt een nieuwe aanvraag door de OVAM alleen behandeld als de aanvrager elementen kan aandragen die een nieuwe aanvraag rechtvaardigen.

 

§ 4.

Een grondstofverklaring kan niet aan derden worden doorgegeven, uitgezonderd wanneer de grondstoffenproducent wordt overgenomen.

 

Bij een overname van de grondstoffenproducent of de houder van de grondstofverklaring deelt de houder van de grondstofverklaring de identificatiegegevens zoals vermeld in 2° en 3° van artikel 2.4.2.2 en een bewijs van de overname mee aan de OVAM. Daarvoor maakt hij gebruik van het webloket voor grondstofverklaringen op de website van de OVAM. De nieuwe grondstofverklaring op naam van de overnemer is geldig met onmiddellijke ingang.

 

Bij stopzetting van de activiteiten kan de houder van een grondstofverklaring op zijn verzoek de grondstofverklaring laten opheffen. De grondstofverklaring wordt dan geschrapt uit het register van verleende grondstofverklaringen. De houder van een grondstofverklaring meldt de stopzetting van de activiteiten elektronisch aan de OVAM. Daarvoor maakt hij gebruik van het webloket voor grondstofverklaringen van de OVAM op de website van de OVAM.

 

De OVAM stuurt een elektronische ontvangstmelding van de aanvraag tot opheffing en een elektronische melding van de opheffing.

 


Art. 2.4.2.4.

Tegen de beslissing van de OVAM kan beroep worden ingesteld bij de minister, die uitspraak doet binnen een termijn van drie maanden na de ontvangst van het beroepsschrift.

 

Het beroep wordt met een beveiligde zending ingediend binnen een termijn van dertig dagen na verzending van de bestreden beslissing.

 

Het beroep is met redenen omkleed en gaat in op de specifieke elementen van de beslissing [...].

 

De minister doet uitspraak door middel van een gemotiveerde beoordeling van de aanspraken en bezwaren geformuleerd door de indiener(s) van het beroep en houdt daarbij rekening met de definitie van een afvalstof als vermeld in artikel 3,1° van het Materialendecreet, evenals met de elementen, vermeld in artikelen 36, 37 en 39 van voormeld decreet, en de prioriteitsvolgorde, vermeld in artikel 4, § 3, van voormeld decreet, onverminderd de mogelijkheid tot afwijking hiervan, zoals bepaald in artikel 8, § 1, van voormeld decreet.


Art. 2.4.2.5.

De grondstofverklaring bevat de volgende gegevens :

het dossiernummer;  
de identificatie van de aanvrager; 
de identificatie van de grondstoffenproducent;  
de naam van de grondstof en de beschrijving van het productieproces of het werk waaruit het oorspronkelijke materiaal is ontstaan; 
de beoogde toepassing van de grondstof; 
de voorwaarden voor het gebruik; 
de geldigheidstermijn. 

 


Art. 2.4.2.6.

Tijdens het transport en de opslag van grondstoffen wordt door de houder van de grondstoffen, op verzoek, een bewijs van de grondstofverklaring voorgelegd aan de toezichthouder.

In de grondstofverklaring kan afgeweken worden van de verplichting, vermeld in het eerste lid.


De grondstofverklaringen zijn beschikbaar in het webloket voor grondstofverklaringen op de website van de OVAM en in het online register, vermeld in artikel 2.4.3.2.


Onderafdeling 2.4.3.
Opheffing van de grondstofverklaring


Art. 2.4.3.1.

§ 1.

De OVAM kan de grondstofverklaring opheffen als :

de toezichthouder of de OVAM vaststelt, rekening houdend met alle systematische en toevallige fouten van de monsterneming en de analyse, dat de samenstelling van het materiaal niet voldoet aan de toepasselijke voorwaarden van dit besluit; 
er zich wijzigingen voordoen aan onder meer het productieproces, de behandeling voor nuttige toepassing of de toepassing van het betreffende materiaal, waardoor het materiaal niet meer voldoet aan de voorwaarden van dit besluit.  
het gebruik van de grondstof niet in overeenstemming is met de grondstofverklaring;
de grondstoffenproducent of in afwijking daarvan, de persoon die in zijn naam optreedt, niet voldoet aan de verplichtingen, vermeld in artikel 2.2.8;
in het aanvraagdossier van de grondstofverklaring inhoudelijk foutieve gegevens worden vermeld die bepalend waren voor de aflevering van de grondstofverklaring.

 

De OVAM brengt de houder van de grondstofverklaring met een beveiligde zending op de hoogte van het voornemen tot opheffing.

 

§ 2.

Vanaf de ontvangst van de brief met het voornemen tot opheffing beschikt de houder van de grondstofverklaring over dertig kalenderdagen om zijn verweermiddelen in een beveiligde zending aan de OVAM te sturen.

 

Bij overschrijding van de termijn of bij ontoereikende verweermiddelen heft de OVAM de grondstofverklaring op. Ze doet dat binnen zestig kalenderdagen na de ontvangst van de verweermiddelen of het verstrijken van de termijn, vermeld in het eerste lid. De OVAM brengt de houder van de grondstofverklaring op de hoogte van die beslissing met een beveiligde zending.

 

Het voornemen tot opheffing kan worden beschouwd als ingetrokken, als de OVAM uiterlijk binnen dertig kalenderdagen na de ontvangst van de verweermiddelen een beslissing tot intrekking heeft gestuurd naar de houder van de grondstofverklaring, of bij het verstrijken van die termijn. Als de OVAM na ontvangst van de verweermiddelen om bijkomende informatie verzoekt, wordt de termijn vermeld in dit lid geschorst vanaf de verzending van het verzoek en begint die opnieuw te lopen op de eerstvolgende werkdag vanaf de ontvangst van de bijkomende informatie.

 

Tegen de beslissing van opheffing kan beroep worden ingesteld bij de minister, met inachtneming van de termijnen, vermeld in artikel 2.4.2.4.


Art. 2.4.3.2. De OVAM stelt een register met de verleende en opgeheven grondstofverklaringen ter beschikking via haar website.

HOOFDSTUK 3.
Uitgebreide producentenverantwoordelijkheid


Afdeling 3.1.
Algemene bepalingen


Art. 3.1.1.

Overeenkomstig artikel 21, § 2, van het Materialendecreet worden de volgende afvalstoffen aangewezen als afvalstoffen waarvoor een vorm van uitgebreide producentenverantwoordelijkheid geldt :

drukwerkafval; 
afgedankte voertuigen; 
afvalbanden; 
afgedankte elektrische en elektronische apparatuur; 
afgedankte batterijen en accu’s; 
afvalolie als vermeld in bijlage 3.4.6; 
oude en vervallen geneesmiddelen; 
afgedankte matrassen; 
[...]
10° [...]
11° zwerfvuil; 
12° [...]
13° gebruikte wegwerpluiers. 

 

De wijze waarop invulling wordt gegeven aan de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid, wordt bepaald in afdeling 3.4.


Art. 3.1.2. Alle verplichtingen en kosten voor de natuurlijke personen en rechtspersonen die aan de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid onderworpen zijn, gelden vanaf de datum van de invoering van de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid.

Afdeling 3.2.
Aanvaardingsplicht


Onderafdeling 3.2.1.
Algemene bepalingen


Art. 3.2.1.1.

§ 1.

De aanvaardingsplicht voor de eindverkoper houdt in dat hij, als een consument een product aanschaft, verplicht is het overeenstemmende product waarvan de consument zich ontdoet, gratis in ontvangst te nemen. De tussenhandelaars zijn verplicht de door de eindverkopers in ontvangst genomen afvalstoffen gratis te aanvaarden, in verhouding tot de door hen aan de eindverkopers gedane leveringen van producten. De producenten zijn verplicht de door de eindverkopers of door de tussenhandelaars in ontvangst genomen afvalstoffen gratis te aanvaarden en te zorgen voor de nuttige toepassing of de verwijdering ervan, in verhouding tot de door hen aan de eindverkopers of tussenhandelaars gedane leveringen van producten.

 

§ 2.

De eindverkoper, tussenhandelaar en producent moeten de afvalstoffen waarvoor een aanvaardingsplicht geldt, gratis in ontvangst nemen, zelfs als de consument geen vervangende producten aanschaft.

In de aanvaardingsplichtconvenant of in het individuele aanvaardingsplichtplan kan echter van die plicht worden afgeweken :

voor huishoudelijke afvalstoffen : als de producenten de gratis inontvangstneming organiseren op de recyclageparken of op andere inzamelpunten met vergelijkbare geografische spreiding en dekking; 
voor bedrijfsafvalstoffen : als de producenten de gratis inontvangstneming organiseren op een wijze die rekening houdt met de specificiteit van de producten en voldoende garanties biedt voor een milieuverantwoorde behandeling. 

 

§ 3.

Tenzij anders is vermeld in de afdelingen 3.3 en 3.4, worden de huishoudelijke afvalstoffen ingezameld in samenwerking met de gemeenten.


De producenten dragen in het geval, vermeld in het eerste lid, de nettokosten ten laste voor de inzameling en scheiding van de afvalstoffen die onderworpen zijn aan de aanvaardingsplicht en die werden ingezameld via de gemeentelijke inzamelkanalen. De vergoeding van de nettokosten wordt onderling afgesproken. Als geen akkoord wordt bereikt, kan de minister, na advies van de OVAM, bindende voorschriften vaststellen voor de aanrekening van die kosten. Die voorschriften bevatten onder meer een lijst van te vergoeden kosten. Ze worden opgesteld in overleg met de betrokken partners.


Om recht te hebben op de vergoeding, vermeld in het tweede lid, moet de inzameling gratis zijn voor de consument.

 

§ 4.

De aanvaarding van afvalstoffen, vermeld in paragrafen 1, 2 en 3, is gratis op voorwaarde dat ze geen afvalstoffen bevatten die vreemd zijn aan het afgedankte product, tenzij die er door normaal gebruik in aanwezig kunnen zijn.

 

Zolang niet aan de voorwaarde, vermeld in het eerste lid, wordt voldaan, kan de aanvaarding geweigerd worden.

 

§ 4/1.

De producent waarvoor de aanvaardingsplicht geldt, kan bijkomende inzamelkanalen opzetten voor de afvalstoffen waarop de aanvaardingsplicht van toepassing is. De producenten kunnen daarbij een beroep doen op derden om bepaalde taken uit te voeren.


De inzamelkanalen, vermeld in het eerste lid, moeten voldoen aan de volgende voorwaarden:

de afvalstoffen worden opgeslagen zonder schade of verontreiniging van mens, milieu of directe omgeving;
bij de opslag wordt gezorgd voor een georganiseerde regelmatige afvoer van de afvalstoffen;
de afvalstoffen worden ingezameld conform de wettelijke bepalingen;
het inzamelsysteem draagt bij tot een duurzaam materialenbeheer;
een zekere continuļteit van de inzameling wordt gegarandeerd.

 

De inzamelkanalen, vermeld in het eerste lid, worden goedgekeurd door de OVAM. Een schriftelijke beschrijving van het inzamelsysteem, de inzamelpunten, de deelnemende actoren en hun verantwoordelijkheden wordt aan de OVAM voorgelegd. De OVAM heeft 30 dagen de tijd om dergelijke inzamelkanalen al dan niet goed te keuren. Als de OVAM om aanvullende informatie verzoekt, kan de termijn maximaal met één maand worden verlengd. Die termijn gaat in vanaf de datum van de ontvangst van alle opgevraagde informatie.


De producent informeert de gemeenten en intercommunales:

over elke goedkeuring van een inzamelkanaal dat actief is op hun grondgebied;
jaarlijks over de hoeveelheid afvalstoffen die de inzamelkanalen hebben ingezameld en de wijze van verwerking.

 

 

§ 5.

Iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon is verantwoordelijk voor de financiering van de verplichtingen die de aanvaardingsplicht voor hem meebrengt. De financiering kan worden georganiseerd via een collectieve of individuele regeling.

 

§ 6.

Het gedeelte van de kostprijs van een product dat wordt doorgerekend om de kosten te dekken die verbonden zijn aan de uitvoering van de aanvaardingsplicht, moet zichtbaar worden vermeld op de factuur, tenzij het anders is bepaald in dit besluit, in de aanvaardingsplichtconvenant of in het individuele aanvaardingsplichtplan.

 

§ 7.

De eindverkoper van producten waarvoor de aanvaardingsplicht geldt, moet op een duidelijk zichtbare plaats in elk van zijn verkooppunten een bericht aanbrengen waarop onder de titel ″AANVAARDINGSPLICHT″ is aangegeven op welke wijze hij voldoet aan de bepalingen van dit besluit en op welke wijze de koper zich kan ontdoen van zijn afgedankte product. Ook bij verkoop buiten een verkoopsruimte moet de consument daarover geļnformeerd worden.

 

§ 8.

Ongeacht de datum van ondertekening van een aanvaardingsplichtconvenant of de datum van de goedkeuring van het individuele aanvaardingsplichtplan gelden alle verplichtingen en kosten voor degenen die aan de aanvaardingsplicht onderworpen zijn, vanaf de datum van de inwerkingtreding van de plicht.


Art. 3.2.1.2.

§ 1.

De wijze waarop aan de aanvaardingsplicht wordt voldaan, wordt vastgelegd in een van de volgende documenten:

een individueel aanvaardingsplichtplan als vermeld in paragraaf 2 en onderafdeling 3.2.3;
een aanvaardingsplichtconvenant als vermeld in paragraaf 2 en artikel 3.2.2.1/1

 

§1/1.

De producent waarvoor de aanvaardingsplicht geldt, kan aan de aanvaardingsplicht voldoen door:

te beschikken over een door de OVAM goedgekeurd individueel aanvaardingsplichtplan;
rechtstreeks of onrechtstreeks, via hun organisatie, door een toetredingsovereenkomst, aangesloten te zijn bij een beheersorganisme als vermeld in artikel 3.2.2.1, op voorwaarde dat het beheersorganisme voldoet aan de verplichtingen die het worden opgelegd in deze afdeling en in de aanvaardingsplichtconvenant.

 

§ 2.

 

De aanvaardingsplichtconvenant of het individuele aanvaardingsplichtplan bevat in elk geval :

maatregelen voor de kwalitatieve en kwantitatieve preventie en het hergebruik, voor ecodesign en voor het hoogwaardig sluiten van de kringloop bovenop de vastgelegde inzamel- en verwerkingsdoelstellingen
maatregelen voor de selectieve inzameling van de afvalstoffen; 
maatregelen voor de optimale verwerking van de afvalstoffen; 
maatregelen voor een goede registratie van de afvalstoffenstromen en onderbouwing van het behalen van de doelstellingen; 
maatregelen voor de vergoeding van de gemeentelijke inzamelkanalen; 
maatregelen voor de sensibilisering van de diverse doelgroepen; 
maatregelen voor eigen controlesystemen op de maatregelen, vermeld in 1° tot en met 6°; 
bepalingen over de rapportering aan de OVAM met betrekking tot alle maatregelen, vermeld in 1° tot en met 7°; 
maatregelen voor de financiering van de inzameling en de verwerking. 

 

De maatregelen, opgesomd onder 1°, 2° en 3°, moeten leiden tot een betere sluiting van de betreffende materiaalkringlopen door toename van preventie, hergebruik of recyclage van de corresponderende afvalstoffen.

 

Voor huishoudelijke afvalstoffen bevat de aanvaardingsplichtconvenant of het individuele aanvaardingsplichtplan bovendien een financiėle zekerheid die overeenstemt met de geschatte kosten voor het overnemen door het Vlaamse Gewest van de aanvaardingsplicht gedurende zes maanden. In een aanvaardingsplichtconvenant kunnen andere zekerheden overeengekomen worden om de voortgang van de verbintenissen uit de overeenkomst te garanderen.


Art. 3.2.1.3.

§ 1.

De producent waarvoor de aanvaardingsplicht geldt, moet jaarlijks rapporteren aan de OVAM over de wijze waarop hij uitvoering geeft aan de aanvaardingsplicht. De producent kan een organisatie aanduiden om de rapportage uit te voeren.

 

Voor de rapportering geldt dat :

de cijfergegevens die in het kader van de aanvaardingsplicht aan de OVAM worden verstrekt, worden gevalideerd door een onafhankelijke keuringsinstelling; 
de cijfergegevens van inzamelaars, afvalstoffenhandelaars of -makelaars, hergebruikcentra en verwerkers die in het kader van de aanvaardingsplicht aan het beheersorganisme of de producent worden geleverd, worden gevalideerd door een onafhankelijke keuringsinstelling;  
de cijfergegevens die in het kader van de aanvaardingsplicht door de producenten aan het beheersorganisme worden verstrekt, worden gevalideerd door een onafhankelijke keuringsinstelling. Het beheersorganisme of een door dat organisme aangestelde derde kan die taak overnemen, op voorwaarde dat alle leden minstens eenmaal om de drie jaar gecontroleerd worden en het beheersorganisme over die actie en de resultaten jaarlijks aan de OVAM rapporteert; 
van de verplichtingen, vermeld in punt 1°, 2° en 3°, kan worden afgeweken in een aanvaardingsplichtconvenant of in een individueel aanvaardingsplichtplan als de kwaliteit van de cijfergegevens op een andere manier gegarandeerd kan worden. 

 

§ 2.

De producenten, eindverkopers, tussenhandelaars en beheersorganismen verstrekken aan de OVAM alle informatie die de OVAM nuttig acht voor de evaluatie van de doelstellingen en voor de controle van de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid, vermeld in hoofdstuk 3 en 5 en in artikel 21 van het Materialendecreet. Als de partijen dat nodig achten, wordt een systeem uitgewerkt dat confidentialiteit garandeert.


Art. 3.2.1.4.

§ 1.

De eindverkoper, de tussenhandelaar en de producent, die in het kader van de aanvaardingsplicht afvalstoffen aanvaarden, houden een register bij dat de volgende gegevens met betrekking tot de aanvaarde afvalstoffen bevat :

de hoeveelheid afgevoerde afvalstoffen;  
de datum van de afvoer;
de aard van de afvalstoffen;
indien van toepassing, de naam en het adres van de inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar van de afgevoerde afvalstoffen; 
de naam en het adres van de ontvanger van de afvalstoffen.

 

Dat register wordt ten minste elke maand aangevuld met de meest recente gegevens

 

§ 2.

Als afvalstoffenregister kan een verzameling van identificatieformulieren overeenkomstig artikel 6.1.1.2 gebruikt worden, aangevuld met de gegevens, vermeld in paragraaf 1, waarvoor overeenkomstig artikel 6.1.1.2, § 1, geen identificatieformulier vereist is.

 

§ 3.

Van de plicht tot het bijhouden van een register door de eindverkoper, de tussenhandelaar en de producent kan worden afgeweken in de aanvaardingsplichtconvenant of in het individuele aanvaardingsplichtplan als de inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar van de afgevoerde afvalstoffen aan de OVAM online-inzagerecht geeft in zijn register als vermeld in onderafdeling 7.2.1, op voorwaarde dat de bepalingen van het online-inzagerecht zijn goedgekeurd door de OVAM.


Art. 3.2.1.5.

Elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die gevestigd is buiten het grondgebied en die, via verkoop op afstand, rechtstreeks verkoopt aan particuliere huishoudens op het grondgebied, wijst een op het grondgebied gevestigde natuurlijke persoon of rechtspersoon aan als gevolmachtigde die verantwoordelijk is voor het nakomen van de verplichtingen van de producent die uit dit besluit voortvloeien.


Elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die gevestigd is buiten het grondgebied en die, ongeacht de verkooptechniek, verkoopt aan andere personen dan particuliere huishoudens of andere gebruikers dan particuliere op het grondgebied, kan een op het grondgebied gevestigde natuurlijke persoon of rechtspersoon aanduiden als gevolmachtigde die verantwoordelijk is voor het nakomen van de verplichtingen van de producent die uit dit besluit voortvloeien.


De op het grondgebied gevestigde gevolmachtigde is onderworpen aan dezelfde verplichtingen als de producent.


Een gevolmachtigde wordt aangewezen via een schriftelijke volmacht vooraleer er producten op de markt worden gebracht. Bij de aanduiding van een gevolmachtigde en bij beėindiging van die volmacht wordt de OVAM onmiddellijk door beide partijen schriftelijk op de hoogte gebracht en wordt er een nieuwe gevolmachtigde aangewezen.


Onderafdeling 3.2.2.
Collectieve invulling van de aanvaardingsplicht


Art. 3.2.2.1.

§1.

Een aanvaardingsplichtconvenant kan gesloten worden onder de voorwaarde dat door de organisaties van ondernemingen die producenten vertegenwoordigen waarvoor de aanvaardingsplicht geldt, een of meer beheersorganismen worden aangewezen die de aanvaardingsplicht van de bij hen aangesloten producenten waarvoor de aanvaardingsplicht geldt op zich nemen.

 

§2.

Een beheersorganisme voldoet aan al de volgende voorwaarden:

het beheersorganisme is opgericht conform de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de stichtingen en de Europese politieke partijen en stichtingen;
het beheersorganisme heeft als statutair doel het ten laste nemen van de aanvaardingsplicht voor rekening van de aangesloten producenten;
de beheerders of de personen die de vereniging kunnen verbinden, bezitten hun burgerlijke en politieke rechten;
de beheerders of de personen die de vereniging kunnen verbinden, zijn tijdens de laatste vijf jaar niet veroordeeld voor een inbreuk op de milieuwetgeving van de Gewesten of van een lidstaat van de Europese Unie;
het beheersorganisme beschikt over de nodige financiėle, menselijke en technische middelen om de aanvaardingsplicht te vervullen;
het beheersorganisme bedient op homogene wijze het gehele grondgebied waar de producenten hun producten op de markt brengen zodat de inzameling, recyclage en nuttige toepassing van het afval, met het oog op het vervullen van de aanvaardingsplicht, gewaarborgd is.

 

§3.

Het beheersorganisme legt uiterlijk zes maanden na de ondertekening van de aanvaardingsplichtconvenant een beheerplan voor de looptijd van de aanvaardingsplichtconvenant ter goedkeuring voor aan de OVAM, waarin het aangeeft hoe het de bepalingen van de aanvaardingsplichtconvenant zal uitvoeren.

 

Het beheerplan bevat minimaal de uitvoeringsvoorwaarden van de bepalingen in de aanvaardingsplichtconvenant conform artikel 3.2.1.2, §2.

 

Het beheersorganisme legt jaarlijks voor 15 november een actualisatie van het beheerplan voor het volgende kalenderjaar ter goedkeuring voor aan de OVAM.

 

§4.

Het beheersorganisme legt uiterlijk zes maanden na de ondertekening van de aanvaardingsplichtconvenant een financieel plan voor de looptijd van de aanvaardingsplichtconvenant voor advies voor aan de OVAM.

 

Het financieel plan omvat:

het budget;
de berekening van eventuele bijdragen;
het beleid rond provisies en reserves;
de wijze van financiering van eventuele verliezen;
de wijze van financiering van afgedankte producten waarvan de producent niet meer actief is of geļdentificeerd kan worden. De verantwoordelijkheid van het beheersorganisme is hierbij beperkt tot de producten die bij het op de markt brengen aangegeven werden bij het beheersorganisme. Als dit niet meer kan nagegaan worden, draagt het beheersorganisme een verantwoordelijkheid die overeenstemt met haar aandeel in de markt;
het beleggingsbeleid.

 

In het budget, vermeld in het tweede lid, 1°, wordt als apart onderdeel opgenomen in welke middelen het beheersorganisme voorziet voor preventie en voor het hoogwaardig sluiten van de kringloop bovenop de vastgelegde inzamel- en verwerkingsdoelstellingen. In de aanvaardingsplichtconvenant wordt bepaald welk aandeel van het budget daarvoor ter beschikking gesteld wordt.

 

Het beheersorganisme legt jaarlijks voor 15 november een actualisatie van het financieel plan voor het volgende kalenderjaar ter advies voor aan de OVAM.

 

§5.

Als het beheersorganisme de inzameling en verwerking organiseert in het kader van een collectief systeem, gebeurt de toewijzing op basis van een lastenboek waarover een openbare bevraging wordt georganiseerd, en wordt de gunningsbeslissing gebaseerd op de in het lastenboek vastgelegde criteria. De lastenboeken moeten voor goedkeuring aan de OVAM worden voorgelegd. Elke wijziging in de lastenboeken moet vooraf goedgekeurd worden. In de aanvaardingsplichtconvenant kan worden afgeweken van de plicht om de toewijzing op basis van een lastenboek te organiseren.

 

De bepaling in het eerste lid geldt niet in geval van inzameling en/of verwerking in opdracht van individuele producenten of andere actoren op contractuele basis.

 

§6.

De OVAM vervult namens het Vlaamse Gewest de rol van waarnemer in de raad van bestuur en de algemene vergadering van het beheersorganisme. De OVAM ontvangt de uitnodigingen daarvoor en verslagen daarvan op tijd.

 

§7.

Het beheersorganisme mag de toetreding van geen enkele onderneming weigeren waarop de aanvaardingsplicht van toepassing zou kunnen zijn. Het beheersorganisme kan van die verplichting afwijken als er ernstige redenen zijn en na de goedkeuring van de OVAM.

 

§8.

Op verzoek van de OVAM organiseert het beheersorganisme overleg met de representatieve organisaties van alle actoren die bij de uitvoering van de aanvaardingsplicht betrokken zijn.


Art. 3.2.2.1/1.

§1.

Een aanvaardingsplichtconvenant wordt gesloten tussen de OVAM en een of meer organisaties van ondernemingen die producenten vertegenwoordigen waarop de aanvaardingsplicht van toepassing is. Op verzoek van de partijen kunnen andere actoren toetreden tot de aanvaardingsplichtconvenant.

 

De organisaties van ondernemingen, vermeld in het eerste lid, moeten rechtspersoonlijkheid bezitten en door hun leden of een groep ervan gemandateerd zijn om een aanvaardingsplichtconvenant te sluiten en de betrokken leden daardoor te verbinden.

 

§2.

Een aanvaardingsplichtconvenant kan niet in minder strenge zin afwijken van de bepalingen van dit hoofdstuk.

 

§3.

Een aanvaardingsplichtconvenant is verbindend voor de partijen. Naargelang van wat bepaald is in de aanvaardingsplichtconvenant, is ze ook verbindend voor al de leden van de organisaties van ondernemingen die conform paragraaf 1, tweede lid, een mandaat hebben gegeven, tenzij een producent via een individueel aanvaardingsplichtplan of een andere aanvaardingsplichtconvenant aan zijn aanvaardingsplicht voldoet.

 

§4.

Voor de ondertekening van de aanvaardingsplichtconvenant wordt een consultatie georganiseerd waarbij de belanghebbende partijen actief betrokken worden en de mogelijkheid krijgen om hun standpunt over de aanvaardingsplichtconvenant kenbaar te maken bij de partijen die de aanvaardingsplichtconvenant gaan ondertekenen.

 

§5.

Een aanvaardingsplichtconvenant wordt, na ondertekening door de partijen, integraal bekendgemaakt op de website van de OVAM.

 

§6.

In een aanvaardingsplichtconvenant wordt de looptijd van de convenant opgenomen.

 

De looptijd van een aanvaardingsplichtconvenant kan, na akkoord door alle partijen, eenmalig worden verlengd met twee jaar. Voor een verlenging wordt opnieuw een consultatie georganiseerd als vermeld in paragraaf 4. De verlenging van de looptijd wordt bekendgemaakt op de website van de OVAM.

 

§7.

Tijdens de looptijd van de aanvaardingsplichtconvenant kunnen de partijen overeenkomen om ze te wijzigen. De wijzigingen worden bekendgemaakt op de website van de OVAM.

 

§8.

De partijen kunnen op elk moment een aanvaardingsplichtconvenant opzeggen, op voorwaarde dat ze een opzeggingstermijn in acht nemen. Behalve als er een andersluidend beding in de aanvaardingsplichtconvenant is, bedraagt die opzegtermijn zes maanden. In geen geval mag de opzeggingstermijn die in de aanvaardingsplichtconvenant bepaald is, langer zijn dan een jaar. Elke langere termijn wordt van rechtswege herleid tot een jaar. De opzegging wordt op straffe van nietigheid meegedeeld met een beveiligde zending. De opzeggingstermijn begint te lopen vanaf de eerste dag van de maand die volgt op de kennisgeving.


Art. 3.2.2.2.

§ 1.

Alle documenten die in het kader van de uitvoering van een aanvaardingsplichtconvenant moeten worden opgesteld en die van strategisch belang zijn, worden ter goedkeuring voorgelegd aan de OVAM. Dat zijn ten minste het beheerplan, de lastenboeken en het communicatieplan.

 

De OVAM heeft één maand de tijd om die documenten al dan niet goed te keuren. Als de OVAM geen beslissing neemt binnen die periode, worden de documenten geacht goedgekeurd te zijn. Als de OVAM om aanvullende informatie verzoekt, kan de termijn maximaal met één maand worden verlengd. Die termijn gaat in vanaf de datum van de ontvangst van alle opgevraagde informatie. Als de OVAM de documenten afkeurt, moet een aangepast voorstel opnieuw voorgelegd worden voor goedkeuring. Een voorstel kan niet worden uitgevoerd zonder de goedkeuring van de OVAM.

 

§ 2.

In afwijking van paragraaf 1 worden het financieel plan en de toetredingsovereenkomst voor advies voorgelegd.

 

De OVAM heeft één maand de tijd om advies te geven. Als geen advies gegeven wordt binnen die periode, wordt de OVAM geacht een gunstig advies te hebben gegeven. Als de OVAM om aanvullende informatie verzoekt, kan de termijn maximaal met één maand worden verlengd. Die termijn gaat in vanaf de datum van de ontvangst van alle opgevraagde informatie.


Onderafdeling 3.2.3.
Individuele invulling van de aanvaardingsplicht


Art. 3.2.3.1.

Het individuele aanvaardingsplichtplan moet, met behoud van de maatregelen, vermeld in artikel 3.2.1.2, § 2, ten minste de volgende gegevens en verbintenissen bevatten :

 identificatiegegevens :
  a) naam, rechtsvorm, zetel en nummer van het handelsregister of een overeenstemmend registratie- en ondernemingsnummer van de producent van producten waarvoor voor de overeenstemmende afvalstoffen de aanvaardingsplicht geldt;
  b) woonplaats en adres van de producent en, in voorkomend geval, van de maatschappelijke zetels, de administratieve zetels en de exploitatiezetels; 
  c) telefoonnummer en eventueel faxnummer van de woonplaats, zetel of standplaats, binnen het Vlaamse Gewest, waar de producent bereikt kan worden;  
  d) als de aanvrager niet beschikt over een woonplaats, of, in voorkomend geval, over een maatschappelijke zetel in het Vlaamse Gewest, de vermelding van een standplaats, filiaal of kantoor waar het register op elk ogenblik door de bevoegde overheid geraadpleegd kan worden; 
  e) inhoudstafel van het volledige individuele aanvaardingsplichtplan
  f) naam en functie van de ondertekenaar van het individuele aanvaardingsplichtplan
 voorwerp :  
  a) vermelding van de onder de aanvaardingsplicht vallende afvalstoffen en de overeenkomstige producten waarop het individuele aanvaardingsplichtplan van toepassing is; 
  b) omschrijving van de wijze waarop aan de aanvaardingsplicht, vermeld in artikel 3.2.1.1, wordt voldaan, in het bijzonder rekening houdend met de specifieke voorschriften voor die afvalstoffen, vermeld in dit hoofdstuk; 
  c) de gegevens die overeenkomstig artikel 3.2.1.2 specifiek in het individuele aanvaardingsplichtplan vermeld moeten worden voor de afvalstoffen, zoals omschreven ter uitvoering van punt a); 
  d) de omschrijving van de wijze waarop de producent garandeert dat er geen kosten, voortkomend uit de aanvaardingsplicht voor producten die door hem op de markt zijn gebracht, zullen worden afgewenteld op andere producenten;
verbintenissen : de schriftelijke verbintenis, gedateerd en ondertekend door de producent, of in voorkomend geval, door een natuurlijke persoon die de vennootschap ertoe kan verbinden, dat de afvalstoffen die onder de toepassing van het afvalpreventie- en afvalbeheerplan vallen en die hem met toepassing van dit besluit en artikel 21 van het Materialendecreet worden aangeboden, door hem : 
  a) gratis in ontvangst zullen worden genomen, tenzij het anders is bepaald in afdeling 3.4;  
  b)  zullen worden verwerkt met inachtneming van de voorschriften, vermeld in dit besluit.  

 

In de verbintenis wordt ook vermeld hoe de kosten voor inzameling, scheiding en verwerking van alle afgedankte producten worden gedekt.

 

Daarbij moet ten minste een locatie in het Vlaamse Gewest vermeld worden waar derden die afvalstoffen kunnen afleveren. De producten moeten gratis afgeleverd worden, tenzij het anders is bepaald in afdeling 3.4.

 


Art. 3.2.3.2.

Het individuele aanvaardingsplichtplan, vermeld in artikel 3.2.1.2, § 1, 1°, wordt goedgekeurd volgens de volgende procedure :

  de aanvraag tot goedkeuring van het individuele aanvaardingsplichtplan wordt met een beveiligde zending naar de OVAM verstuurd of bij de OVAM tegen ontvangstbewijs afgegeven, bij voorkeur in naam van de aanvrager, gedateerd en ondertekend door de aanvrager of, in voorkomend geval, door een natuurlijke persoon die de vennootschap kan verbinden, met de volgende bijlagen : 
  a) in voorkomend geval, een afschrift van de oprichtingsakte en van de eventuele wijzigingen ervan gedurende de laatste vijf jaar; 
  b) het ontwerp van het individuele aanvaardingsplichtplan waarvoor de goedkeuring wordt gevraagd; 
  de OVAM onderzoekt de aanvraag op volledigheid overeenkomstig de bepalingen in artikel 3.2.3.1 :  
  a) als wordt vastgesteld dat de aanvraag onvolledig is, brengt de OVAM de aanvrager binnen veertien kalenderdagen na de indiening of de aanvulling van de aanvraag daarvan met een beveiligde zending op de hoogte, met vermelding van de inlichtingen en de gegevens die ontbreken; 
  b)  als wordt vastgesteld dat de aanvraag volledig is, brengt de OVAM de aanvrager daarvan met een beveiligde zending op de hoogte binnen veertien kalenderdagen na de indiening of de aanvulling van de aanvraag; 
  binnen een termijn van vier maanden, te rekenen vanaf de datum waarop is vastgesteld dat de aanvraag volledig is, doet de OVAM uitspraak over de aanvraag. Tijdens die vier maanden kan de OVAM alle toelichtingen en informatie opvragen die nodig zijn voor de inhoudelijke beoordeling van de aanvraag; 
  de OVAM stuurt haar beslissing met een beveiligde zending aan de aanvrager, binnen tien kalenderdagen na de uitspraak. 
  een individueel aanvaardingsplichtplan wordt, na goedkeuring door de OVAM, bekendgemaakt op de website van de OVAM.

 


Art. 3.2.3.3.

§ 1.

De goedkeuring, vermeld in artikel 3.2.3.2, 3°, kan slechts voor een termijn van maximaal vijf jaar worden verleend.

 

Elke goedkeuringsbeslissing die voor een kortere termijn geldt, moet gemotiveerd zijn. Een hernieuwing van de goedkeuring is overeenkomstig de procedure, vermeld in artikel 3.2.3.2, mogelijk, telkens voor een termijn van maximaal vijf jaar.

 

§ 2.

De goedkeuring kan door de OVAM :

1°  worden opgeheven op verzoek van de houder van de goedkeuring; 
2°  ambtshalve worden opgeheven of geschorst, na overlegging van een verslag van vaststelling of een proces-verbaal waarin een inbreuk op de voorschriften van dit besluit of een misdrijf wordt vastgesteld. 

 

Behoudens bij een dreigend en onmiddellijk gevaar voor mens of milieu, wordt de houder van de goedkeuring, met een beveiligde zending en minstens veertien dagen voor de betekening ervan, op de hoogte gebracht van de voorgenomen beslissing en de motieven. Binnen die termijn kan de houder van de goedkeuring zich verweren of zijn zaken in orde brengen.


Art. 3.2.3.4.

De houder van de goedkeuring, vermeld in artikel 3.2.3.2, 3°, is verplicht om, wijzigingen van de volgende gegevens in zijn dossier onmiddellijk mee te delen aan de OVAM met een beveiligde zending :

1°  naam, rechtsvorm, zetel en nummer van het handelsregister of een overeenstemmend registratie- en ondernemingsnummer; 
2°  zijn woonplaats, adres of fax- en telefoonnummer en, in voorkomend geval, adres, fax- en telefoonnummer van de maatschappelijke zetels, de administratieve zetels en de exploitatiezetels of van de standplaats binnen het Vlaamse Gewest; 
3°  het voorwerp van het goedgekeurde individuele aanvaardingsplichtplan;
4°  de verbintenissen in het goedgekeurde individuele aanvaardingsplichtplan. 

Art. 3.2.3.5.

De natuurlijke persoon of rechtspersoon moet de in het goedgekeurde individuele aanvaardingsplichtplan opgenomen verbintenissen stipt na leven.


Afdeling 3.3.
Collectief plan


Art. 3.3.1.

Een collectief plan houdt voor de producenten in dat een gemeenschappelijk plan moet worden ingediend waarin beschreven staat hoe uitvoering zal worden gegeven aan de specifieke bepalingen, vermeld in afdeling 3.4. Elke individuele producent die gevat wordt door deze uitgebreide producentenverantwoordelijkheid, moet toetreden tot een collectief plan.

 

Een collectief plan omvat minimaal een beschrijving van :

de producenten die het collectieve plan indienen 
de afvalstoffen waarop het collectieve plan van toepassing is; 
de concrete engagementen en doelstellingen van de producenten. 

Art. 3.3.2. Ter uitvoering van het collectieve plan stellen de producenten een actieplan op. Het actieplan wordt jaarlijks, na evaluatie en actualisering, ingediend voor 1 oktober van het jaar voorafgaand aan het jaar waarop het actieplan betrekking heeft. Het actieplan bevat een opsomming van de geplande acties met een duidelijke timing, vooropgestelde resultaten en een taakverdeling.

Art. 3.3.3.

Het collectieve plan en het jaarlijkse actieplan moeten ter goedkeuring worden voorgelegd aan de OVAM.

 

De OVAM heeft twee maanden de tijd om die documenten al dan niet goed te keuren. Als de OVAM om aanvullende informatie verzoekt, kan de termijn maximaal met één maand worden verlengd. Die termijn gaat in vanaf de datum van de ontvangst van alle opgevraagde informatie. Als de OVAM de documenten afkeurt, moet een aangepast voorstel opnieuw voorgelegd worden voor goedkeuring. Een voorstel kan niet worden uitgevoerd zonder goedkeuring van de OVAM.


Art. 3.3.4. Een collectief plan is maximaal geldig voor vijf jaar en kan, op voorwaarde van goedkeuring door de OVAM, telkens voor een periode van maximaal vijf jaar worden verlengd.

Art. 3.3.5. Jaarlijks wordt voor 1 april gerapporteerd over de uitvoering van het collectieve plan gedurende het voorgaande kalenderjaar.

Art. 3.3.6.

Iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon, die via een collectief plan onderworpen is aan de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid, kan andere inzamelkanalen naast de gemeentelijke inzamelkanalen opzetten voor huishoudelijke afvalstoffen waarop het collectief plan van toepassing is. De natuurlijke personen en rechtspersonen kunnen daarbij een beroep doen op derden om bepaalde taken uit te voeren.


De inzamelkanalen, vermeld in het eerste lid, moeten voldoen aan de volgende voorwaarden:

het inzamelsysteem kan alleen opgezet worden bij de eindverkopers van de huishoudelijke producten waarvan de afvalstoffen het toepassingsgebied vormen van het collectief plan;
de afvalstoffen worden opgeslagen zonder schade of verontreiniging van mens, milieu of directe omgeving;
bij de opslag wordt gezorgd voor een georganiseerde regelmatige afvoer van de afvalstoffen;
de afvalstoffen worden ingezameld conform de wettelijke bepalingen;
het inzamelsysteem draagt bij tot een duurzaam materialenbeheer;
een zekere continuļteit van de inzameling wordt gegarandeerd.


De inzamelkanalen, vermeld in het eerste lid, worden goedgekeurd door de OVAM. Een schriftelijke beschrijving van het inzamelsysteem, de inzamelpunten, de deelnemende actoren en hun verantwoordelijken wordt aan de OVAM voorgelegd. De OVAM heeft 30 dagen de tijd om dergelijke inzamelkanalen al dan niet goed te keuren. Als de OVAM om aanvullende informatie verzoekt, kan de termijn maximaal met een maand worden verlengd. Die termijn gaat in vanaf de datum van de ontvangst van alle opgevraagde informatie.


De natuurlijke persoon of rechtspersoon die een inzamelkanaal als vermeld in het eerste lid heeft opgezet, rapporteert jaarlijks voor 1 april aan de OVAM:

over de aard en hoeveelheid ingezamelde afvalstoffen;
over de wijze van verwerking van de ingezamelde afvalstoffen.

 

De OVAM informeert de gemeenten en de intercommunales:

over elke goedkeuring van een inzamelkanaal dat actief is op hun grondgebied;
jaarlijks over de door die inzamelkanalen ingezamelde hoeveelheid afvalstoffen en de wijze van verwerking.

Afdeling 3.4.
Afvalstofspecifieke bepalingen


Onderafdeling 3.4.1.
Drukwerkafval


Art. 3.4.1.1. Stickers die de OVAM heeft geaccepteerd en die worden gebruikt om aan te geven dat in een brievenbus al dan niet reclamedrukwerk of gratis regionale pers mag worden gestoken, worden gerespecteerd.

Art. 3.4.1.2.

De sector van de uitgevers van gratis regionale pers:

stelt gratis stickers ter beschikking van de mensen die dat willen ter beperking van de verspreiding van ongewenst reclamedrukwerk en gratis regionale pers;
rapporteert aan de OVAM over het aantal verdeelde stickers en het gebruik van de stickers.


Er wordt een overeenkomst, die de modaliteiten van deze bepalingen vastlegt, gesloten tussen de OVAM en de sector van de uitgevers van gratis regionale pers indien een van de partijen hiertoe verzoekt.


Art. 3.4.1.3. [...]

Art. 3.4.1.4. [...]

Art. 3.4.1.5. [...]

Art. 3.4.1.6. [...]

Onderafdeling 3.4.2.
Afgedankte voertuigen


Art. 3.4.2.1.

§ 1.

Voor afgedankte voertuigen wordt de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid ingevuld door middel van de aanvaardingsplicht, vermeld in afdeling 3.2. De aanvaardingsplicht is van toepassing vanaf 1 juli 1999.

 

§ 2.

De eindverkopers, tussenhandelaars en producenten van voertuigen voldoen aan de verplichting, vermeld in artikel 3.2.1.1, § 1 en § 2, door een voldoende aantal punten van inontvangstname op te stellen. De punten van inontvangstname zijn op evenwichtige wijze verdeeld zodat een voldoende dekkingsgraad van het grondgebied van het Vlaamse Gewest gegarandeerd wordt. De punten van inontvangstname voorzien in de aanvaarding van afgedankte voertuigen.

 

§ 3.

In aanvulling op de voorwaarde, vermeld in artikel 3.2.1.1, § 4, is de aanvaarding van afgedankte voertuigen, vermeld in artikel 3.2.1.1, § 1 en § 2, gratis onder voorwaarde dat :

ze alle onderdelen bevatten die noodzakelijk zijn voor het functioneren van het voertuig;  
ze geen afvalstoffen bevatten die vreemd zijn aan het afgedankte voertuig. 

 

Als aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, niet wordt voldaan, kunnen kosten worden bedongen in verhouding tot het gebrek.

 

Zolang niet aan de voorwaarde, vermeld in het eerste lid, 2°, wordt voldaan, kan de aanvaarding geweigerd worden.

 

§ 4.

In afwijking van artikel 3.2.1.1, § 3, is de samenwerking met de gemeenten voor de inzameling van afgedankte voertuigen niet verplicht.


Art. 3.4.2.2.

§ 1.

De verwerking van de met toepassing van de aanvaardingsplicht ingezamelde afgedankte voertuigen moet ertoe leiden dat de volgende doelstellingen worden bereikt :

minimaal 95% van het gewicht van alle afgedankte voertuigen moet worden hergebruikt of nuttig toegepast;
minimaal 85% van het gewicht van alle afgedankte voertuigen moet worden hergebruikt of gerecycleerd.

 

§ 2.

Voor de onderstaande onderdelen van afgedankte voertuigen geldt dat :

afgedankte batterijen en accu’s worden verwerkt overeenkomstig artikel 3.4.5.2; 
afvalolie wordt verwerkt overeenkomstig artikel 3.4.6.2; 
afvalbanden worden verwerkt overeenkomstig artikel 3.4.3.2. 

 


Art. 3.4.2.3.

Het individuele aanvaardingsplichtplan en de aanvaardingsplichtconvenant, vermeld in artikel 3.2.1.2, § 1, regelen in het bijzonder, in voorkomend geval :

de verplichting van de eindverkopers van voertuigen om elk afgedankt voertuig dat de consument aanbiedt, op een punt van inontvangstname te aanvaarden; 
2°  de verplichting van de voertuigproducenten om alle aanvaarde afgedankte voertuigen bij de punten van inontvangstname die geen erkend centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen zijn, op regelmatige basis in te zamelen en op eigen kosten te laten verwerken in een daartoe erkend centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen. 

 


Art. 3.4.2.4.

De voertuigproducent of de organisatie die hij hiervoor heeft aangeduid, stelt voor 1 juli van elk jaar de volgende gegevens over het voorgaande kalenderjaar ter beschikking van de OVAM :

1°  de totale hoeveelheid voertuigen die op de markt werden gebracht in het Vlaamse Gewest, uitgedrukt in kilogram en aantallen; 
de totale hoeveelheid afgedankte voertuigen, uitgedrukt in kilogram, categorie M1 of N1, of driewielige motorvoertuigen en aantallen, die in het Vlaamse Gewest werden aanvaard door de erkende centra voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen; 
het gewicht van de onderdelen, materialen en afvalstoffen die afkomstig zijn van afgedankte voertuigen, uitgedrukt in kilogram, die gedurende het voorafgaande kalenderjaar werden :  
  a) hergebruikt en gerecycleerd; 
  b) verwerkt in vergunde installaties met terugwinning van energie; 
  c) verwijderd in vergunde installaties voor de verbranding van afvalstoffen; 
  d) verwijderd in of op stortplaatsen; 
4°  de locatie van de verschillende erkende centra voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen of vergunde verwerkingsinstallaties voor afgedankte voertuigen, en de wijze waarop de aanvaarde afgedankte voertuigen in het Vlaamse Gewest werden verwerkt. 

 

 In aanvulling op artikel 3.2.1.4 vermelden de eindverkoper, tussenhandelaar en producent van voertuigen ook het chassisnummer van de afgedankte voertuigen in het afvalstoffenregister. Ze verschaffen aan de OVAM alle informatie die de OVAM nuttig acht om de te bereiken doelstellingen, vermeld in artikel 3.4.2.2, te beoordelen.


Art. 3.4.2.5.

De voertuigproducenten verschaffen aan de erkende centra voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen binnen zes maanden nadat een nieuw voertuigtype in de handel is gebracht, alle demontage-informatie. In die informatie worden de verschillende voertuigonderdelen en -materialen en de plaats van alle gevaarlijke stoffen in de voertuigen aangegeven.

 

De producenten van voertuigonderdelen verschaffen op verzoek van de erkende centra voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen, rekening houdend met de vertrouwelijkheid van commerciėle en industriėle gegevens, ook demontage-informatie, informatie over de opslag en informatie over het testen van onderdelen die opnieuw kunnen worden gebruikt.


Onderafdeling 3.4.3.
Afvalbanden


Art. 3.4.3.1.

In afwijking van artikel 3.1.1, 3°, geldt de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid voor afvalbanden alleen voor de afvalbanden uit de vervangmarkt en uit eerste montage.

 

Voor afvalbanden wordt de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid ingevuld door middel van de aanvaardingsplicht, vermeld in afdeling 3.2. De aanvaardingsplicht is van toepassing :

voor afvalbanden uit de vervangmarkt vanaf 1 juli 1999; 
voor afvalbanden uit eerste montage vanaf 1 mei 2009. 

 

In afwijking van artikel 3.2.1.1, § 3, is de samenwerking met de gemeenten voor de inzameling van afvalbanden niet verplicht.


Art. 3.4.3.2.

Voor de verwerking van de met toepassing van de aanvaardingsplicht ingezamelde afvalbanden geldt dat :

alle afvalbanden die worden aangeboden, worden ingezameld met een maximum van 100 % van de hoeveelheid nieuwe banden die door de producenten op de markt gebracht worden; 
de ingezamelde banden in de eerste plaats worden gesorteerd op herbruikbare banden en op rechapeerbare banden; 
het totale percentage hergebruik, loopvlakvernieuwing en recyclage van de ingezamelde banden minstens 55 % bedraagt;
de rest van de ingezamelde afvalbanden energetisch wordt gevaloriseerd; 
de verwijdering van afvalbanden niet is toegestaan. 

Art. 3.4.3.3.

Het individuele aanvaardingsplichtplan en de aanvaardingsplichtconvenant, vermeld in artikel 3.2.1.2, § 1, regelen in het bijzonder, in voorkomend geval :

de verplichting van de eindverkopers van banden om, overeenkomstig artikel 3.2.1.1, § 2, elke afvalband in ontvangst te nemen die door de consument wordt aangeboden; 
de verplichting van de tussenhandelaars van banden om alle met toepassing van dit besluit in ontvangst genomen afvalbanden op regelmatige basis ter plaatse bij de eindverkopers in te zamelen en aan de producent van banden aan te bieden;  
de verplichting van de producenten van banden om alle aanvaarde afvalbanden bij de tussenhandelaar of, bij gebrek daaraan, bij de eindverkoper op regelmatige basis in te zamelen en op eigen kosten te laten verwerken in een daartoe vergunde inrichting.

 


Art. 3.4.3.4.

De eindverkoper van banden of de organisatie die hiervoor is aangeduid, bezorgt de OVAM voor 1 juli van elk jaar een overzicht van de totale hoeveelheid afvalbanden, uitgedrukt in kilogram en soorten, die in het kader van de uitoefening van de aanvaardingsplicht in ontvangst werd genomen gedurende het voorgaande kalenderjaar.

 

De tussenhandelaar in banden of de organisatie die hiervoor is aangeduid, bezorgt de OVAM voor 1 juli van elk jaar een overzicht van de totale hoeveelheid afvalbanden, inclusief die welke in aanmerking komen voor hergebruik, uitgedrukt in kilogram en soorten, die in het kader van de uitoefening van de aanvaardingsplicht in ontvangst werd genomen gedurende het voorgaande kalenderjaar.

 

De producent van banden of de organisatie die hiervoor is aangeduid, stelt voor 1 juli van elk jaar de volgende gegevens over het voorgaande kalenderjaar ter beschikking van de OVAM :

de  totale hoeveelheid banden, uitgedrukt in kilogram, soorten en aantallen, die in het Vlaamse Gewest in omloop werd gebracht; 
de totale hoeveelheid afvalbanden, inclusief die welke in aanmerking komen voor hergebruik, uitgedrukt in kilogram en soorten, die in het kader van de uitoefening van de aanvaardingsplicht werd ingezameld; 
de inrichtingen waar en de wijze waarop de ingezamelde afvalbanden werden verwerkt; 
de totale hoeveelheid afvalbanden, uitgedrukt in kilogram, die : 
a) werd uitgesorteerd voor hergebruik; 
b) een nieuw loopvlak kreeg;
c) werd gebruikt voor materiaalrecyclage; 
d) energetisch werd gevaloriseerd. 

 


Onderafdeling 3.4.4.
Afgedankte elektrische en elektronische apparatuur


Art. 3.4.4.1.

§ 1.

Voor afgedankte EEA wordt de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid ingevuld door middel van de aanvaardingsplicht, vermeld in afdeling 3.2. Met behoud van de uitzonderingen, vermeld in paragraaf 2 en 3, is de aanvaardingsplicht van toepassing op:

de grote huishoudelijke apparaten (categorie 1) vanaf 1 juli 1999;
de kleine huishoudelijke apparaten (categorie 2) vanaf 1 juli 1999;
de IT- en telecommunicatieapparatuur (categorie 3) vanaf 1 juli 1999;
de consumentenapparatuur (categorie 4) vanaf 1 juli 1999;
de afgedankte fotovoltaļsche zonnepanelen (categorie 4) vanaf 1 januari 2013;
de afgedankte huishoudelijke en niet-huishoudelijke verlichtingsapparatuur (categorie 5) vanaf 1 januari 2004;
de gasontladingslampen (categorie 5) vanaf 1 juli 2005;
het elektrisch en elektronisch tuingereedschap, met uitzondering van grote, niet-verplaatsbare industriėle installaties (categorie 6) vanaf 1 juli 1999;
ander elektrisch en elektronisch gereedschap, met uitzondering van grote, niet-verplaatsbare industriėle installaties (categorie 6) vanaf 1 januari 2004;
10° het speelgoed en de apparatuur voor sport en ontspanning (categorie 7) vanaf 1 januari 2004;
11° de medische hulpmiddelen, met uitzondering van alle geļmplanteerde en geļnfecteerde producten (categorie 8) vanaf 13 augustus 2005;
12° de meet- en controle-instrumenten (categorie 9) vanaf 1 januari 2004;
13° de automaten (categorie 10) vanaf 13 augustus 2005;
14° de professionele afgedankte EEA (van categorie 1 tot en met 10) vanaf 13 augustus 2005;
15° alle afgedankte EEA die niet zijn opgenomen in de categorieėn, vermeld in punt 1° tot en met 14°, vanaf 15 augustus 2018.

 

§ 2.

De aanvaardingsplicht is niet van toepassing op de volgende apparatuur:

de apparatuur die noodzakelijk is voor de bescherming van de wezenlijke belangen van de veiligheid van lidstaten, met inbegrip van wapens, munitie en oorlogsmateriaal voor specifiek militaire doeleinden;
de apparatuur die specifiek is ontworpen en geļnstalleerd om deel uit te maken van andere apparatuur die is uitgesloten van de aanvaardingsplicht of niet onder het toepassingsgebied van de aanvaardingplicht valt, en die haar functie alleen kan vervullen als ze deel uitmaakt van die laatst vermelde apparatuur;
de gloeilampen.


 

 

§ 3.

Vanaf 15 augustus 2018 is de aanvaardingsplicht bovendien niet van toepassing op:

de apparatuur die is ontworpen om de ruimte ingestuurd te worden;
de grote, niet-verplaatsbare industriėle werktuigen;
de grote, vaste installaties, met uitzondering van apparatuur die zich in zulke installaties bevindt, maar die niet specifiek is ontworpen en geļnstalleerd als onderdeel van zulke installaties;
de vervoermiddelen voor personen of goederen, uitgezonderd elektrische voertuigen op twee wielen waarvoor geen type goedkeuring is verleend;
de niet voor de weg bestemde mobiele machines die uitsluitend voor beroepsmatig gebruik ter beschikking zijn gesteld;
de apparatuur die speciaal is ontworpen en uitsluitend dient voor doeleinden van onderzoek en ontwikkeling en die alleen door een bedrijf aan een ander bedrijf ter beschikking wordt gesteld;
de medische hulpmiddelen en medische hulpmiddelen voor in-vitrodiagnostiek, als die hulpmiddelen naar verwachting vóór het einde van hun levensduur infectieus zijn en niet gedesinfecteerd kunnen worden, en actieve implanteerbare medische hulpmiddelen.

 

§ 4.

Distributeurs van EEA die beschikken over een verkoopoppervlak voor EEA van ten minste 400 m2, zorgen in de onmiddellijke nabijheid voor de inzameling, die gratis is voor de laatste houder van heel kleine afgedankte EEA, zonder de verplichting EEA van een vergelijkbaar type te kopen. De producenten van EEA stellen daarvoor gratis een aangepast inzamelrecipiėnt ter beschikking. De distributeur van EEA plaatst dat inzamelrecipiėnt op een duidelijk zichtbare plaats in zijn verkoopruimte. Deze verplichting vervalt als een onderzoek, voorgelegd aan en goedgekeurd door de OVAM, uitwijst dat alternatieve bestaande of nieuwe inzamelingsregelingen waarschijnlijk minstens even doeltreffend zijn.

 

§ 5.

In aanvulling op de voorwaarde, vermeld in artikel 3.2.1.1, § 4, is de aanvaarding van huishoudelijke afgedankte EEA, vermeld in artikel 3.2.1.1, § 1, § 2 en § 3, gratis, onder de volgende cumulatieve voorwaarden:

de apparatuur alle onderdelen bevat die noodzakelijk zijn voor het functioneren van het apparaat;
de apparatuur geen afvalstoffen bevat die vreemd zijn aan het afgedankte EEA;
de apparatuur geen verontreinigingen bevat die een risico voor de gezondheid en de veiligheid van het personeel bij de inleveringspunten opleveren, gelet op de geldende veiligheids- en gezondheidsvoorschriften.


Als aan de voorwaarde, vermeld in het eerste lid, 1°, niet is voldaan, kunnen kosten worden bedongen in verhouding tot het gebrek.


Zolang niet aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, 2° of 3°, is voldaan, kan de aanvaarding geweigerd worden.

 

§ 6.

In afwijking van artikel 3.2.1.1, § 3, is de samenwerking met de gemeenten voor de inzameling van afgedankte professionele EEA en afgedankte fotovoltaļsche zonnepanelen niet verplicht.


Art. 3.4.4.2.

Elektrische en elektronische apparatuur wordt ingedeeld in de volgende tien categorieėn:

categorie 1: de grote huishoudelijke apparaten;
categorie 2: de kleine huishoudelijke apparaten;
categorie 3: de IT- en telecommunicatieapparatuur;
categorie 4: de consumentenapparatuur en fotovoltaļsche zonnepanelen;
categorie 5: de verlichtingsapparatuur;
categorie 6: het elektrisch en elektronisch gereedschap, met uitzondering van grote, niet-verplaatsbare industriėle installaties;
categorie 7: het speelgoed en de ontspannings- en sportapparatuur;
categorie 8: de medische hulpmiddelen, met uitzondering van alle geļmplanteerde en geļnfecteerde producten;
categorie 9: de meet- en controle-instrumenten;
10° categorie 10: de automaten.

 

Vanaf 15 augustus 2018 wordt elektrische en elektronische apparatuur ingedeeld in de volgende zes categorieėn:

categorie 1: de warmte of koude -uitwisselende apparatuur;
categorie 2: de schermen-, monitors en apparatuur met schermen die een oppervlakte hebben van meer dan 100 cm2;
categorie 3: de lampen, inclusief led lampen;
categorie 4: de grote apparatuur met een buitenafmeting van meer dan 50 cm;
categorie 5: de kleine apparatuur met een buitenafmeting van ten hoogste 50 cm;
categorie 6: de kleine IT- en telecommunicatieapparatuur met een buitenafmeting van ten hoogste 50 cm.


De minister kan een lijst vaststellen van de apparatuur die onder de categorieėn, vermeld in het eerste en tweede lid, vallen.


Art. 3.4.4.3.

Aanvullend op de voorwaarden, vermeld in artikel 3.2.1.3, § 1, tweede lid, 1°, 2° en 3°, geldt dat de onafhankelijke keuringsinstelling geaccrediteerd moet zijn overeenkomstig ISO 17020.

 

De kosten van de validatie van de cijfergegevens van producenten van EEA, inzamelaars, afvalstoffenhandelaars of -makelaars, hergebruikcentra en verwerkers die in het kader van de aanvaardingsplicht een contract hebben met een beheersorganisme of de producent van EEA, worden gedragen door het beheersorganisme of de producent van EEA. Als echter een zware fout of nalatigheid wordt vastgesteld, zijn de kosten ten laste van de contractant.


Art. 3.4.4.4.

Voor de financiering van de aanvaardingplicht geldt:

voor huishoudelijke afgedankte EEA:
  a) wat producten betreft die na de startdatum van de aanvaardingsplicht op de markt gebracht werden, is elke producent verantwoordelijk voor de financiering van de aanvaardingsplicht. De producent kan kiezen tussen een collectieve regeling en een individuele regeling;
  b) de verantwoordelijkheid voor de financiering van de kosten van het beheer van afgedankte EEA die voor de startdatum van de aanvaardingsplicht op de markt zijn gebracht, berust bij een of meer systemen waaraan alle producenten die op de markt aanwezig zijn op het tijdstip waarop die kosten ontstaan, naar evenredigheid bijdragen, bijvoorbeeld naar evenredigheid van hun marktaandeel voor de apparatuur in kwestie;
  c) de producenten stellen een financiėle zekerheid waaruit blijkt dat het beheer van de afgedankte EEA zal worden gefinancierd als ze een product op de markt brengen. De financiėle zekerheid heeft betrekking op de financiering van de inzameling en de milieuhygiėnisch verantwoorde verwerking van dat product. Ze kan de vorm hebben van een recyclageverzekering, een geblokkeerde bankrekening of een deelneming van de producent aan passende financiėle regelingen voor de financiering van het beheer van afgedankte EEA;
  d) de producenten zorgen voor een passende regeling of vergoedingsprocedure voor de terugbetaling van de bijdragen aan de distributeur van EEA als er EEA worden uitgevoerd;
voor professionele afgedankte EEA:
  a) voor producten die vanaf 13 augustus 2005 op de markt gebracht worden, is elke producent verantwoordelijk voor de financiering van de inzameling en de milieuhygiėnisch verantwoorde verwerking van de afgedankte EEA die afkomstig zijn van andere dan particuliere huishoudens;
  b) voor de historische voorraad van producten die voor 13 augustus 2005 op de markt werden gebracht en die worden vervangen door nieuwe, gelijkwaardige producten met dezelfde functie, worden de kosten gedragen door de producenten van die nieuwe producten op het moment dat ze worden geleverd. Voor de andere historische voorraad worden de kosten gedragen door de andere gebruikers dan particuliere huishoudens;
  c) producenten en andere gebruikers dan particuliere huishoudens kunnen met behoud van de toepassing van de bepalingen van dit artikel andere financieringsregelingen overeenkomen. Die voorwaarden worden duidelijk opgenomen in de verkoopsovereenkomst of de offerte van het nieuwe product.

Art. 3.4.4.5.

De afgedankte EEA die met toepassing van de aanvaardingsplicht, vermeld in artikel 3.2.1.1, in ontvangst worden genomen, alsook de afgedankte EEA die door of in opdracht van de gemeenten worden ingezameld, worden met het oog op het hergebruik in de eerste plaats gescheiden in potentieel herbruikbare afgedankte EEA enerzijds, en niet-herbruikbare afgedankte EEA anderzijds, op basis van een visuele voorselectie op herbruikbaarheid ervan voor hetzelfde doel.


De eindverkopers, tussenhandelaars, producenten van EEA, alsook de gemeenten, kunnen voor de scheiding, vermeld in het eerste lid, een beroep doen op kringloopcentra en hergebruikcentra voor EEA.


De visuele voorselectie op herbruikbaarheid, alsook de verdere voorbereiding op hergebruik, gebeurt overeenkomstig artikel 5.2.5.8 en 5.2.5.10.


Art. 3.4.4.6.

De minimale inzameldoelstelling van afgedankte EEA met toepassing van de aanvaardingsplicht bedraagt 11 kg per inwoner per jaar. Het totale gewicht van het ingezamelde afgedankte EEA neemt geleidelijk aan toe, tenzij het inzamelingspercentage, vermeld in het tweede lid, al werd bereikt.


Vanaf januari 2016 bedraagt het inzamelpercentage 45 %, berekend op basis van het totale gewicht van de afgedankte EEA die in de loop van een gegeven jaar is ingezameld, uitgedrukt als percentage van de jaarlijkse gemiddelde gewichtshoeveelheid EEA die de voorgaande drie jaren in de handel werd gebracht.


Vanaf 1 januari 2019 bedraagt het jaarlijks te halen inzamelingspercentage 65 % ten opzichte van het gemiddelde van de gewichtshoeveelheid EEA die de voorgaande drie jaren in de handel werd gebracht, of anders 85 % ten opzichte van de hoeveelheid beschikbare afgedankte EEA in gewicht.


De berekening van de hoeveelheid beschikbare afgedankte EEA in gewicht, vermeld in het derde lid, kan worden vastgesteld door de minister.


Art. 3.4.4.7.

Voor nuttige toepassing, voorbereiding voor hergebruik en recyclage van materialen, onderdelen en stoffen zijn de volgende doelstellingen van toepassing:

minimale doelstellingen, van toepassing op de categorieėn, vermeld in artikel 3.4.4.2, eerste lid: 
a) voor afgedankte EEA die onder categorie 1 of 10 als vermeld in artikel 3.4.4.2, eerste lid, vallen, gelden de volgende twee doelstellingen:
1) 85 % wordt nuttig toegepast; 
2) 80 % wordt voorbereid voor hergebruik en gerecycleerd; 
b)

voor afgedankte EEA die onder categorie 3 of 4 als vermeld in artikel 3.4.4.2, eerste lid, vallen, gelden de volgende twee doelstellingen:

1) 80 % wordt nuttig toegepast; 
2) 70 % wordt voorbereid voor hergebruik en gerecycleerd; 
c)  voor afgedankte EEA die onder categorie 2, 5, 6, 7, 8 of 9 als vermeld in artikel 3.4.4.2, eerste lid, vallen, gelden de volgende twee doelstellingen: 
1) 75 % wordt nuttig toegepast; 
2) 70 % wordt voorbereid voor hergebruik en gerecycleerd; 
d) van gasontladingslampen wordt 80 % gerecycleerd;
de verwerking leidt ertoe dat de volgende percentages van voorbereiding voor hergebruik en recyclage van materialen worden behaald:
a) voor het ferrometaal: 95 %;
b) voor het non-ferrometaal: 95 %;
c) voor de kunststoffen: 50 %;
de kunststoffen worden voor 80 % nuttig toegepast;   

de afgedankte batterijen en accu’s worden verwerkt overeenkomstig artikel 3.4.5.2.


Vanaf 15 augustus 2018 zijn voor nuttige toepassing, voorbereiding voor hergebruik en recyclage van materialen, onderdelen en stoffen de volgende doelstellingen van toepassing:

minimale doelstellingen van toepassing op de categorieėn vermeld in artikel 3.4.4.2, tweede lid:
a) voor afgedankte EEA die onder categorie 1 of 4 als vermeld in artikel 3.4.4.2, tweede lid, vallen, gelden de volgende twee doelstellingen:
1) 85 % wordt nuttig toegepast;
2) 80 % wordt voorbereid voor hergebruik en gerecycleerd;
b) voor afgedankte EEA die onder categorie 2 als vermeld in artikel 3.4.4.2, tweede lid, vallen, gelden de volgende twee doelstellingen:
1) 80 % wordt nuttig toegepast;
2) 70 % wordt voorbereid voor hergebruik en gerecycleerd;
c) voor afgedankte EEA die onder categorie 5 of 6 als vermeld in artikel 3.4.4.2, tweede lid, vallen, gelden de volgende twee doelstellingen:
1) 75 % wordt nuttig toegepast;
2) 70 % wordt voorbereid voor hergebruik en gerecycleerd;
d) voor afgedankte EEA die onder categorie 3 als vermeld in artikel 3.4.4.2, tweede lid, vallen, wordt 80 % gerecycleerd;
de verwerking leidt ertoe dat de volgende percentages van voorbereiding voor hergebruik en recyclage van materialen worden behaald:
a) voor het ferrometaal: 95 %;
b) voor het non-ferrometaal: 95 %;
c) voor de kunststoffen: 50 %;
de kunststoffen worden voor 80 % nuttig toegepast;
de afgedankte batterijen en accu’s worden verwerkt overeenkomstig artikel 3.4.5.2.

 

De doelstellingen, vermeld in het eerste en het tweede lid, gelden voor elk van de categorieėn, vermeld in artikel 3.4.4.2, en worden jaarlijks gerapporteerd aan de OVAM voor 1 juli overeenkomstig artikel 3.4.4.12 en 5.2.5.4.


De percentages, vermeld in het eerste en het tweede lid, worden op de twee volgende wijzen berekend:

de hoeveelheid van materialen die nuttig worden toegepast, worden voorbereid voor hergebruik en worden gerecycleerd;
alleen de werkelijke hoeveelheid van materialen die nuttig werden toegepast en werden voorbereid voor hergebruik en werden gerecycleerd mogen in rekening worden genomen.

 


Art. 3.4.4.8.

Aanvullend op de verplichtingen, vermeld in artikel 3.2.1.1, § 1, zijn de eindverkopers van EEA die een elektrisch of elektronisch apparaat bij de consument aan huis leveren, verplicht om bij de levering het overeenstemmende afgedankte apparaat ter plaatse bij de consument in ontvangst te nemen.


Art. 3.4.4.9.

De producenten van EEA zorgen ervoor, in het bijzonder met voorlichtingscampagnes, dat de eindgebruikers volledig worden geļnformeerd over:

de verplichting om afgedankte EEA selectief aan te bieden;
de voor hen beschikbare inzamelings- en recyclagesystemen;
hun rol bij de bevordering van hergebruik, recyclage en andere nuttige toepassing van afgedankte EEA;
de mogelijke gevolgen voor het milieu en de volksgezondheid van de aanwezigheid van gevaarlijke bestanddelen in EEA;
de betekenis van het symbool van de doorgestreepte vuilnisbak op wieltjes.

Art. 3.4.4.10.

De producenten van EEA, of de organisatie die ze daarvoor hebben aangewezen, registreren zich.


Daarvoor stellen ze de volgende gegevens ter beschikking van de OVAM of van de organisatie die ze daarvoor hebben aangewezen:

de naam van de producent of gevolmachtigde, het postnummer en de plaats, de straatnaam en het nummer, het land, het telefoon- en faxnummer, het e-mailadres en de voor- en achternaam van een contactpersoon. In geval van een gevolmachtigde als vermeld in artikel 3.4.4.15, ook de contactgegevens van de producent die wordt vertegenwoordigd;
het ondernemingsnummer van de producent van EEA;
de categorie waartoe het EEA behoort, vermeld in artikel 3.4.4.2;
de soort EEA, huishoudelijke of professionele apparatuur;
de merknaam van de EEA;
de informatie over de wijze waarop de producent zijn verantwoordelijkheden nakomt, individueel of via een collectieve regeling, met inbegrip van informatie over de financiėle zekerheid;
de gebruikte verkooptechniek, bijvoorbeeld verkoop op afstand;
de verklaring dat de verstrekte informatie in overeenstemming is met de waarheid.

Art. 3.4.4.11.

De producenten van EEA bepalen in overleg met de distributeur van EEA, de inzamelaar, de afvalstoffenhandelaar of -makelaar, de verwerker, het hergebruikcentrum en de kennisgever, vermeld in verordening (EG) 1013/2006 van 14 juni 2006 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de overbrenging van afvalstoffen, de modaliteiten voor het verstrekken van de informatie, vermeld in artikel 3.4.4.12. en 5.2.5.4.


De modaliteiten houden rekening met de confidentialiteit van de informatie en omvatten ook de mogelijkheid van toegang tot het systeem voor de toezichthouders en de onafhankelijke keuringsinstelling, geaccrediteerd overeenkomstig ISO 17020 in het kader van de validatie van die gegevens.


Art. 3.4.4.12.

§ 1.

De distributeur van EEA of de organisatie die daarvoor is aangewezen, stelt voor 1 juli van elk jaar de volgende gegevens over het voorgaande kalenderjaar ter beschikking van de OVAM of van de organisatie die daarvoor is aangewezen:

de naam van de distributeur van EEA, het ondernemingsnummer, het postnummer en de plaats, de straatnaam en het nummer, het land, het telefoon- en faxnummer, het e-mailadres en de voor- en achternaam van een contactpersoon;
de rapportageperiode;
de hoeveelheid afgedankte EEA, uitgedrukt in kilogram en aantallen EEA, huishoudelijke of professionele apparatuur en per categorie als vermeld in artikel 3.4.4.2, die op het grondgebied, dan wel binnen of buiten de Unie is overgebracht die:
a) in het kader van de uitoefening van de aanvaardingsplicht werd ingezameld;
b) werden aangeboden aan een inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar;
c) werden aangeboden aan een producent van EEA;
d) werden aangeboden aan een hergebruikcentrum voor EEA met het oog op de voorbereiding voor hergebruik;
e) werden aangeboden aan een vergunde verwerker van afgedankte EEA;
[...]


De gegevens van de distributeur van EEA die aan de OVAM of aan de organisatie die daarvoor is aangewezen, worden verstrekt, worden op vraag van de OVAM gevalideerd door een onafhankelijke keuringsinstelling, geaccrediteerd overeenkomstig ISO 17020.


Als voor één of meer van de voormelde activiteiten een beroep werd gedaan op een derde, worden de volgende contactgegevens van die derde telkens vermeld: de firmanaam, het ondernemingsnummer, het adres, het telefoon- en faxnummer, het e-mailadres en de voor- en achternaam van een contactpersoon.

 

§ 2.

De producent van EEA of de organisatie die daarvoor is aangewezen, stelt voor 1 juli van elk jaar de volgende gegevens over het voorgaande kalenderjaar ter beschikking van de OVAM of de organisatie die daarvoor is aangewezen:

het ondernemingsnummer van de producent van EEA;
de rapportageperiode;
de categorie waartoe de EEA behoort, vermeld in artikel 3.4.4.2, met de aparte vermelding van de hoeveelheden, uitgedrukt in kilogram en per stuk, die op het grondgebied op de markt werden gebracht;
de hoeveelheid afgedankte EEA, uitgedrukt in kilogram en aantallen EEA, huishoudelijke of professionele apparatuur en per categorie als vermeld in artikel 3.4.4.2, die op het grondgebied, dan wel binnen of buiten de Unie is overgebracht die:
a) in het kader van de uitoefening van de aanvaardingsplicht werden ingezameld;
b) werden aangeboden aan een inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar;
c) werden aangeboden aan een andere producent van EEA;
d) werden aangeboden aan een hergebruikcentrum voor EEA met het oog op de voorbereiding voor hergebruik;
e) werden aangeboden aan een vergunde verwerker van afgedankte EEA;
de hoeveelheden afvalstoffen die voortkomen uit de verwerking van afgedankte EEA, uitgedrukt in kilogram en opgesplitst per materiaal als vermeld in artikel 3.4.4.7, en per categorie als vermeld in artikel 3.4.4.2, die :
a) werden voorbereid voor hergebruik;
b) werden gerecycleerd;
c) op een andere wijze nuttig werden toegepast;
d) werden verwijderd in installaties voor de verbranding van afvalstoffen;
e) werden verwijderd door storten.


Als voor een of meer van de voormelde activiteiten een beroep werd gedaan op een derde, worden de volgende contactgegevens van die derde telkens vermeld: de firmanaam, het ondernemingsnummer, het adres, het telefoon- en faxnummer, het e-mailadres en de voor- en achternaam van een contactpersoon.

 

§ 3.

Met behoud van de toepassing van artikel 3.2.1.4 vermelden de distributeur van EEA en de producent van EEA ook de gegevens, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 3°, en paragraaf 2, eerste lid, 4°, van dit artikel, in het afvalstoffenregister.


Art. 3.4.4.13.

De producenten van EEA verstrekken informatie om de correcte en milieuhygiėnisch verantwoorde verwerking van afgedankte EEA, inbegrepen onderhoud, voorbereiding voor hergebruik, verbetering en ombouw, te vergemakkelijken. De producenten van afgedankte EEA geven informatie voor elk in de handel gebracht nieuw type EEA over de voorbereiding voor hergebruik en de verwerking. Ze doen dat binnen het jaar nadat ze die voor de eerste keer in de handel hebben gebracht. Voor zover de centra die de voorbereiding voor hergebruik verrichten, de verwerkings- en recyclageinrichtingen en de bevoegde overheden dat nodig hebben, bevat de informatie aanwijzingen over de verschillende onderdelen en materialen van de apparatuur, over de energielabels, alsook over de plaatsen in de apparatuur waar zich gevaarlijke stoffen en mengsels bevinden. De producenten van EEA verstrekken die informatie gratis aan de centra die de voorbereiding voor hergebruik verrichten, de verwerkings- en recyclageinrichtingen en de bevoegde overheden in de vorm van handboeken of via elektronische media.


Art. 3.4.4.14. De producenten van EEA of de organisatie die ze daarvoor hebben aangewezen, organiseren minimaal tweemaal per jaar een overleg met de verwerkers en hergebruikcentra met het oog op hergebruik en een betere recycleerbaarheid van de EEA.

Art. 3.4.4.15.

Elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die gevestigd is op het grondgebied en die, via verkoop op afstand, rechtstreeks EEA verkoopt aan particuliere huishoudens of aan andere gebruikers dan particuliere huishoudens buiten het grondgebied, wijst binnen dat grondgebied een natuurlijke persoon of rechtspersoon aan als de gevolmachtigde die verantwoordelijk is voor het nakomen van de verplichtingen als producent van EEA, die uit de wetgeving van dat land met betrekking tot de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid voortvloeien.


Elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die gevestigd is buiten het grondgebied en die, via verkoop op afstand, rechtstreeks EEA verkoopt aan particuliere huishoudens of aan andere gebruikers dan particuliere huishoudens op het grondgebied, wijst een op het grondgebied gevestigde natuurlijke persoon of rechtspersoon aan als gevolmachtigde die verantwoordelijk is voor het nakomen van de verplichtingen van de producent van EEA die uit dit besluit voortvloeien.


Elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die gevestigd is buiten het grondgebied en die, ongeacht de verkooptechniek, EEA verkoopt op het grondgebied, kan een op het grondgebied gevestigde natuurlijke persoon of rechtspersoon aanduiden als gevolmachtigde die verantwoordelijk is voor het nakomen van de verplichtingen van de producent van EEA die uit dit besluit voortvloeien.


De op het grondgebied gevestigde gevolmachtigde is onderworpen aan dezelfde verplichtingen als de producent van EEA.


Een gevolmachtigde wordt aangewezen via een schriftelijke volmacht vooraleer er producten op de markt worden gebracht. Bij beėindiging van die volmacht wordt de OVAM onmiddellijk door beide partijen schriftelijk op de hoogte gebracht en wordt er een nieuwe gevolmachtigde aangewezen.


Onderafdeling 3.4.5.
Afgedankte batterijen en accu's


Art. 3.4.5.1.

Voor afgedankte batterijen en accus wordt de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid ingevuld door middel van de aanvaardingsplicht, vermeld in afdeling 3.2. De aanvaardingsplicht is van toepassing vanaf 1 juni 1998.

 

Voor gebruikte batterijen die in eenzelfde of een andere toepassing opnieuw op de markt worden gebracht, wordt de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid ingevuld via de aanvaardingsplicht, vermeld in afdeling 3.2. Hierbij wordt degene die de gebruikte batterijen opnieuw op de markt brengt, beschouwd als de producent.

 

In aanvulling op de voorwaarde vermeld in artikel 3.2.1.1, § 4, is de aanvaarding van afgedankte batterijen, vermeld in artikel 3.2.1.1, § 1 en § 2, gratis, onder de cumulatieve voorwaarden: 

de batterijpacks, de batterijen, al dan niet onderdeel van een batterijpack, de stacks, de modules en de cellen, zijn volledig. Voor afgedankte cellen geldt de gratis aanvaarding enkel indien de cellen ook apart op de markt worden gebracht;
de batterijen bevatten geen afvalstoffen die vreemd zijn aan de afgedankte batterij.

 

Als aan de voorwaarde, vermeld in 1°, niet is voldaan, kunnen kosten worden bedongen in verhouding tot het gebrek.

 

Zolang niet aan de voorwaarde, vermeld in 2°, is voldaan, kan de aanvaarding geweigerd worden.

 

In afwijking van artikel 3.2.1.1, § 3, is de samenwerking met de gemeenten niet verplicht voor de inzameling van:

afgedankte industriėle batterijen en accu’s van meer dan 20 kg of zoals bepaald door de OVAM;
afgedankte autobatterijen en -accu’s als de marktwaarde van afgedankte autobatterijen en -accu’s bij een inzamelpunt positief is. 

 

 

 

 


Art. 3.4.5.2.

De aanvaardingsplicht heeft tot doel, enerzijds preventieve acties te stimuleren, en anderzijds de verwerking en de recycling van de afgedankte batterijen en accu’s te maximaliseren, om de volgende doelstellingen te behalen :

preventieve acties : 
  a) inspanningen leveren om de gemiddelde kwaliteit te verhogen van de batterijen en accu’s die op de markt worden gebracht, te meten aan de capaciteit, de levensduur en de houdbaarheid;
  b) sensibiliseringscampagnes voeren die aan alle consumentengroepen gericht zijn en waarbij de nadruk ligt op een gepast gebruik van draagbare batterijen en accu’s : 
    1) batterijen en accu’s vermijden door apparaten te gebruiken die op meer milieuverantwoorde energiebronnen werken; 
    2) herlaadbare batterijen en accu’s gebruiken omdat die in vele toepassingen het meest geschikt zijn; 
2°  voor afgedankte draagbare batterijen en accu’s : 
  a) een inzamelingspercentage van 45 %, waarbij het inzamelingspercentage het percentage is dat wordt verkregen door het gewicht van de afgedankte draagbare batterijen en accu’s die zijn ingezameld, te delen door het gemiddelde gewicht van draagbare batterijen en accu’s die producenten, rechtstreeks verkopen aan de eindgebruiker of leveren aan derde partijen om ze te verkopen aan de eindgebruiker gedurende dat kalenderjaar en de voorafgaande twee kalenderjaren; 
  b) een recyclingpercentage van 65 % van het gemiddelde gewicht van loodzuurbatterijen en -accu’s : 
    1) met een zo groot mogelijke recycling van het loodgehalte als technisch haalbaar is, met vermijding van buitensporige kosten; 
    2) met een zo groot mogelijke verwerking van de kunststoffen in een productieproces als technisch haalbaar is, met vermijding van buitensporige kosten, voor het oorspronkelijke doel of voor een ander doel, met uitzondering van de terugwinning van energie; 
  c) recycling van 75 % van het gemiddelde gewicht van nikkel-cadmiumbatterijen en -accu’s, met zo groot mogelijke recycling van het cadmiumgehalte als technisch haalbaar is, met vermijding van buitensporige kosten; 
  d) tijdens recycling wordt het kwik afgezonderd in een identificeerbare stroom, die een veilige bestemming krijgt en geen nadelige gevolgen voor mens of milieu kan veroorzaken;
  e) een recyclingpercentage van 50 % van het gemiddelde gewicht van andere afgedankte batterijen en accu’s; 
  f) alle inzamelmiddelen die ter beschikking worden gesteld van de burger voor de inzameling van afgedankte batterijen en accu’s, worden verzameld en verwerkt; 
voor afgedankte autobatterijen en -accu’s en afgedankte industriėle batterijen en accu’s : 
  a) een inzameling van alle afgedankte batterijen en accu’s; 
  b) een recyclingpercentage van 65 % van het gemiddelde gewicht van loodzuurbatterijen en -accu’s :  
    1) met een zo groot mogelijke recycling van het loodgehalte als technisch haalbaar is, met vermijding van buitensporige kosten; 
    2) met een zo groot mogelijke verwerking van de kunststoffen in een productieproces als technisch haalbaar is, met vermijding van buitensporige kosten voor het oorspronkelijke doelof voor een ander doel, met uitzondering van de terugwinning van energie; 
  c) recycling van 75 % van het gemiddelde gewicht van nikkel-cadmiumbatterijen en -accu’s, met zo groot mogelijke recycling van het cadmiumgehalte als technisch haalbaar is, met vermijding van buitensporige kosten; 
  d) tijdens recycling wordt het kwik afgezonderd in een identificeerbare stroom, die een veilige bestemming krijgt en geen nadelige gevolgen voor mens of milieu kan veroorzaken;
  e) een recyclingpercentage van 50 % van het gemiddelde gewicht van andere afgedankte batterijen en accu’s. 

 

Alle producenten, eindverkopers, inzamelaars, afvalstoffenhandelaars of –makelaars, recyclingondernemingen en andere verwerkers, en alle bevoegde overheidsinstanties moeten kunnen deelnemen in de systemen voor inzameling, verwerking en recycling. Er kan van die verplichting afgeweken worden als er ernstige redenen zijn en na de goedkeuring van de OVAM.


Art. 3.4.5.3.

De producenten van batterijen en accu’s zijn verantwoordelijk voor de financiering van de inzameling, de verwerking en de recycling van het afval van alle batterijen en accu’s, ongeacht wanneer die op de markt zijn gebracht. De producenten van batterijen en accu’s moeten ook de kosten dragen van de publieke voorlichtingscampagnes die handelen over de preventie, de inzameling, de verwerking en de recycling van afgedankte draagbare batterijen en accu’s.

 

De producenten stellen, wanneer zij een batterij of accu in de handel brengen, een waarborg waaruit blijkt dat het beheer van de afgedankte batterijen en accu’s zal worden gefinancierd. Deze waarborg verzekert de financiering van de in het eerste lid bedoelde handelingen met betrekking tot deze batterijen en accu’s. Hij kan de vorm hebben van:

de deelname van de producent aan een beheersorganisme als bedoeld in artikel 3.2.2.1, §1, waarbij hij een bijdrage betaalt die minstens de toekomstige kosten, vermeld in het eerste lid, dekt.
de deelname van de producent aan een passende financiėle regeling;
een geblokkeerde bankrekening of een bankgarantie op eerste verzoek die ter goedkeuring wordt voorgelegd aan de OVAM.

 

Een passende financiėle regeling als vermeld in 2° moet beantwoorden aan de volgende criteria:

De waarborgen worden beheerd door een beheersorganisme als bedoeld in artikel 3.2.2.1, §1;
De hoogte van de waarborg wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de OVAM;
Bij de bepaling van de hoogte van de waarborg kan rekening gehouden worden met de levensduur, de duurzaamheid van de materialen, de garanties die door de producenten gegeven worden en de hoeveelheden die op de markt gebracht worden;
De betaling van deze bijdrage werkt niet bevrijdend ten aanzien van de financiėle en operationele verantwoordelijkheden van de betrokken producent;
De waarborg dekt de kosten verbonden aan het beheer van de afgedankte batterijen en accu’s waarvan de producent niet meer bestaat of niet identificeerbaar is, en die terechtkomen in het inzamelsysteem van het betrokken beheersorganisme of van een ander beheersorganisme voor batterijen en accu’s of van individuele producenten;
Het beheersorganisme als bedoeld in artikel 3.2.2.1, §1 waaraan de betrokken producent een waarborg heeft betaald, vergoedt de kosten verbonden aan de inzameling, het transport, de verwerking en de recycling van de betrokken afgedankte batterijen en accu’s waarvan de producent niet meer bestaat of niet identificeerbaar is.
Indien de producent en het beheersorganisme als bedoeld in artikel 3.2.2.1, §1 waaraan hij een waarborg heeft betaald niet geļdentificeerd kunnen worden, worden de kosten verbonden aan de inzameling, het transport, de verwerking en de recycling van de betrokken afgedankte batterijen en accu’s vergoed door alle beheersorganismen voor afgedankte batterijen en accu’s volgens een verdeelsleutel die in gemeenschappelijk overleg wordt vastgelegd en ter goedkeuring voorgelegd aan de OVAM.

 

De producenten van batterijen en accu’s, of de personen die door hen zijn aangesteld, halen op verzoek van de exploitant gratis alle afgedankte batterijen en accu’s op die in het Vlaamse Gewest ontstaan in inrichtingen die vergund zijn voor de ontmanteling van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur, in erkende centra voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen of in inrichtingen die vergund zijn voor de ontmanteling van andere gebruiksgoederen.

 

In afwijking van artikel 3.2.1.1, § 6, worden bij de verkoop van nieuwe draagbare batterijen en accu’s de kosten van de inzameling, de verwerking en de recycling voor de eindgebruikers niet afzonderlijk vermeld.

 

De producenten en de gebruikers van industriėle en autobatterijen en -accu’s mogen overeenkomsten sluiten waarin andere financieringsregelingen worden gestipuleerd die voldoen aan de bepalingen, vermeld in het eerste lid.


Art. 3.4.5.4.

Het individuele aanvaardingsplichtplan en de aanvaardingsplichtconvenant, vermeld in artikel 3.2.1.2, § 1, regelen :

de verplichting van de eindverkopers van batterijen en accu’s om, overeenkomstig artikel 3.2.1.1, § 2, elke afgedankte batterij en accu in ontvangst te nemen die door de consument wordt aangeboden; 
de verplichting van de tussenhandelaars in batterijen en accu’s om alle afgedankte batterijen en accu’s die met toepassing van dit besluit in ontvangst genomen zijn, op regelmatige basis ter plaatse bij de eindverkopers in te zamelen en aan de producent van batterijen en accu’s aan te bieden; 
de verplichting van de producenten van batterijen en accu’s om alle aanvaarde afgedankte batterijen en accu’s bij de tussenhandelaar van batterijen en accu’s, of, bij gebrek daaraan, bij de eindverkoper van batterijen en accu’s, op regelmatige basis in te zamelen en op eigen kosten te laten verwerken in een daarvoor vergunde inrichting; 
de manier waarop het gepaste gebruik van batterijen en accu’s wordt aangemoedigd. 

 


Art. 3.4.5.5.

De producenten van batterijen en accu’s zorgen ervoor, in het bijzonder door middel van voorlichtingscampagnes, dat de eindgebruikers volledig worden geļnformeerd over :

de potentiėle effecten van in batterijen en accu’s gebruikte stoffen op het milieu en de menselijke gezondheid; 
de wenselijkheid dat afgedankte batterijen en accu’s niet als ongesorteerd huishoudelijk en vergelijkbaar afval worden weggegooid, en dat wordt deelgenomen aan de gescheiden inzameling ervan, om de verwerking en recycling te vergemakkelijken; 
de voor hen beschikbare inzamelings- en recyclingsystemen; 
hun rol bij de recycling van afgedankte batterijen en accu’s; 
de betekenis van het symbool van de doorgestreepte vuilnisbak op wieltjes en van de chemische symbolen Hg, Cd en Pb. 

Art. 3.4.5.5/1.

De producenten van batterijen en accu’s worden eenmalig geregistreerd en krijgen bij registratie een registratienummer toegekend. Voor de registratie stellen de producenten de volgende gegevens ter beschikking van de OVAM of van de organisatie die ze daarvoor hebben aangewezen:

de naam van de producent en, in voorkomend geval, de commerciėle benamingen waaronder hij zijn activiteiten ontplooit;
de adres(sen) van de producent: postcode en plaats, straatnaam en huisnummer, land, URL en telefoonnummer, alsook, in voorkomend geval, de contactpersoon, het fax en het e-mailadres van de producent;
de vermelding van het type batterijen of accu’s dat door de producent op de markt wordt gebracht: draagbare batterijen en accu’s, industriėle batterijen en accu’s of autobatterijen en -accu’s;
de informatie over de wijze waarop de producent zijn verantwoordelijkheden nakomt: met een individuele of een collectieve regeling;
de datum van de registratieaanvraag;
de nationale identificatiecode van de producent, inclusief Europees belastingnummer of nationaal belastingnummer van de producent (facultatief);
de verklaring dat de verstrekte informatie waarheidsgetrouw is.


Bij wijziging van de geregistreerde gegevens moeten de producenten van batterijen en accu’s de OVAM of de organisatie die is aangewezen voor de uitvoering van de registratie, daarvan uiterlijk een maand na de wijziging op de hoogte brengen. Als producenten niet langer actief zijn, moeten ze zich uitschrijven uit het register met een kennisgeving aan de OVAM of aan de organisatie die is aangewezen om van de registratie uit te voeren.


Als de organisatie die is aangewezen om de registratie uit te voeren, een registratievergoeding wil opleggen, moet die kostengerelateerd en evenredig zijn. De OVAM wordt dan op de hoogte gebracht van de kostenberekeningsmethodiek die toegepast is om de vergoeding vast te stellen.


Art. 3.4.5.6.

De producenten van batterijen en accu’s of de organisatie die zij hiervoor hebben aangeduid, stellen voor 1 april van elk jaar de volgende gegevens over het voorgaande kalenderjaar ter beschikking van de OVAM:

de totale hoeveelheid batterijen en accu’s, uitgedrukt in kilogram, die in het Vlaamse Gewest op de markt werd gebracht, opgesplitst in de categorieėn draagbare, industriėle en autobatterijen en -accu’s en de volgende soorten:

a) zink-bruinsteenbatterijen  en -accu’s;
b) alkali-mangaanbatterijen  en -accu’s;
c) zilveroxidebatterijen en -accu’s;
d) zink-luchtbatterijen en -accu’s;
e) primaire lithiumbatterijen en -accu’s;
f) nikkel-cadmiumbatterijen  en -accu’s; 
g) loodhoudende batterijen en  -accu’s; 
h) nikkelmetaalhydride batterijen en -accu’s; 
i) herlaadbare lithiumbatterijen en -accu’s;
j) overige batterijen en -accu’s;
de totale hoeveelheid afgedankte batterijen en accu’s, uitgedrukt in kilogram, die in het kader van de uitoefening van de aanvaardingsplicht werd ingezameld, opgesplitst in de volgende soorten:
  a) afgedankte knoopcellen;
  b) afgedankte alkali-mangaan- en zink-bruinsteenbatterijen en -accu’s en andere vergelijkbare afgedankte batterijen en accu’s;
  c) afgedankte primaire lithiumbatterijen en  –accu’s;
  d) afgedankte nikkel-cadmiumbatterijen en  –accu’s;
  e) afgedankte loodbatterijen en accu’s;
  f) afgedankte nikkel-metaalhydridebatterijen en –accu’s;
  g) afgedankte herlaadbare lithiumbatterijen en –accu’s;
  h) andere afgedankte batterijen en accu’s.
  i) het inzamelpercentage voor draagbare batterijen en accu’s, met vermelding van de berekeningswijze en de wijze waarop de benodigde gegevens voor de berekening van het inzamelpercentage zijn verkregen;
de inrichtingen en de wijze waarop de ingezamelde batterijen en accu’s werden verwerkt of werden voorbereid voor hergebruik of opnieuw werden gebruikt als batterij of accu in eenzelfde of een andere toepassing; 
het gehaalde recyclageniveau voor loodzuurbatterijen en accu’s, nikkel-cadmiumbatterijen en -accu’s, en andere afgedankte batterijen en accu’s : hoeveelheid ingezamelde batterijen waarop recycling is toegepast;
het recyclagepercentage voor loodzuurbatterijen en -accu’s, nikkel-cadmiumbatterijen en -accu’s, en andere afgedankte batterijen en accu’s, berekend overeenkomstig Verordening (EG) 493/2012 van 11 juni 2012 hou- dende nadere bepalingen voor de berekening van de recyclingrendementen van de recyclingprocessen van afgedankte batterijen en accu’s overeenkomstig Richtlijn 2006/66/EG van het Europees Parlement en de Raad;
een overzicht van de acties voor preventie en de acties om gebruikte batterijen in eenzelfde of andere toepassing opnieuw op de markt te brengen.

 

 


Onderafdeling 3.4.6.
Afvalolie


Art. 3.4.6.1.

Voor de afvalolie, vermeld in bijlage 3.4.6, wordt de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid ingevuld door middel van de aanvaardingsplicht, vermeld in afdeling 3.2. De aanvaardingsplicht is van toepassing vanaf 1 januari 2004.

 

In afwijking van artikel 3.2.1.1, § 1, zijn de eindverkopers, tussenhandelaars en producenten niet verplicht de producten waarvan de consument zich ontdoet, in ontvangst te nemen als aan die plicht wordt voldaan overeenkomstig artikel 3.2.1.1, § 2, tweede lid.


Art. 3.4.6.2.

De aanvaardingsplicht voor afvalolie moet ertoe leiden dat de potentieel beschikbare hoeveelheid afvalolie wordt ingezameld. Bij de bepaling van de potentieel beschikbare hoeveelheid afvalolie wordt rekening gehouden met de hoeveelheid olie die op de markt werd gebracht en de verliezen die ontstaan door de consumptie.

 

De ingezamelde afvalolie moet worden verwerkt met toepassing van de beste beschikbare technieken. Minstens 90% van de ingezamelde afvalolie wordt verwerkt door middel van regeneratie of andere recyclinghandelingen die gelijkwaardige of betere algehele milieuresultaten opleveren dan regeneratie. Het resterende deel wordt maximaal verbrand met terugwinning van energie.


Art. 3.4.6.3.

Het individuele aanvaardingsplichtplan en de aanvaardingsplichtconvenant, vermeld in artikel 3.2.1.2, § 1, regelen in het bijzonder de wijze van inontvangstneming zodat de afvalolie die vrijkomt in het kader van de aanvaardingsplicht, maximaal kan worden ingezameld en verwerkt. De inzameling en verwerking van die afvalolie moeten georganiseerd worden door de eindverkopers, tussenhandelaars en producenten en zijn gratis voor de particuliere verbruikers. Voor de organisatie van de inzameling en de verwerking van afvalolie die afkomstig is van professionele verbruikers, kunnen in de aanvaardingsplichtconvenant stimulerende maatregelen opgenomen worden.


Art. 3.4.6.4.

De eindverkoper en de tussenhandelaar van olie of de organisatie die hiervoor is aangeduid, bezorgen de OVAM voor 1 juli van elk jaar een overzicht van de totale hoeveelheid afvalolie, uitgedrukt in liter, die in het kader van de uitoefening van de aanvaardingsplicht in ontvangst werd genomen gedurende het voorgaande kalenderjaar.

 

De producent van olie of de organisatie die hij hiervoor heeft aangeduid, stelt voor 1 juli van elk jaar de volgende gegevens over het voorgaande kalenderjaar ter beschikking van de OVAM :

de totale hoeveelheid olie, uitgedrukt in liter, die in het Vlaamse Gewest op de markt is gebracht; 
de totale hoeveelheid afvalolie, uitgedrukt in liter, die in het kader van de uitoefening van de aanvaardingsplicht werd ingezameld. Hij geeft daarbij op een gemotiveerde wijze aan wat de verliezen zijn die ontstaan door de consumptie; 
de inrichtingen waar en de wijze waarop de ingezamelde afvalolie werd verwerkt; 
de totale hoeveelheden aan stoffen die voortkomen uit de verwerking van afvalolie, uitgedrukt in liter, die : 
a) opnieuw werden gebruikt als olie; 
b) opnieuw geraffineerd werden; 
c) op een andere wijze nuttig werden toegepast; 
d) werden verwijderd. 
de totale hoeveelheid biodegradeerbare olie, uitgedrukt in liter, die in het Vlaamse Gewest op de markt is gebracht.

Onderafdeling 3.4.7.
Oude en vervallen geneesmiddelen


Art. 3.4.7.1.

Voor oude en vervallen geneesmiddelen wordt de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid ingevuld door middel van een collectief plan als vermeld in afdeling 3.3, dat de betrokken farmaceutische bedrijven, groothandelaars-verdelers en apothekers opstellen tegen 1 juli 2014.


Art. 3.4.7.2.

In het collectief plan wordt een selectieve inzameling en verwerking van oude en vervallen geneesmiddelen opgezet waarbij:

de apothekers verplicht zijn de oude en vervallen geneesmiddelen in ontvangst te nemen die hen door de burgers worden aangeboden;
de groothandelaars-verdelers verantwoordelijk zijn voor de ophaling van de oude en vervallen geneesmiddelen bij de apothekers en voor de afvoer naar de verwerkingsinstallaties;
de farmaceutische bedrijven belast zijn met de verwerking van de oude en vervallen geneesmiddelen.

Art. 3.4.7.3. De actoren, vermeld in artikel 3.4.7.1, leveren de nodige sensibiliseringsinspanningen voor het welslagen van de selectieve inzameling. De ontwerpen van de sensibiliseringsacties worden minstens één maand voor de aanvang van de actie ter goedkeuring voorgelegd aan de OVAM.

Art. 3.4.7.4. Er wordt een begeleidingscommissie opgericht door de actoren, vermeld in artikel 3.4.7.1. De begeleidingscommissie coördineert de uitvoering van het collectief plan en is belast met de opmaak van de jaarlijkse rapportage en actieplannen. De begeleidingscommissie komt minstens één maal per jaar samen. De OVAM wordt uitgenodigd op de vergaderingen van de begeleidingscommissie.

Art. 3.4.7.5.

De begeleidingscommissie rapporteert jaarlijks voor 1 april aan de OVAM over:

de modaliteiten van de inzameling, de ophaling en de verwerking van de oude en vervallen geneesmiddelen;
de hoeveelheid ingezamelde oude en vervallen geneesmiddelen en de wijze van verwerking;
de acties en initiatieven die werden genomen om de selectieve inzameling via de apothekers te stimuleren.

Onderafdeling 3.4.8.
Afgedankte matrassen


Art. 3.4.8.1. Voor afgedankte matrassen wordt de uitgebreide producenten-verantwoordelijkheid ingevuld door middel van de aanvaardingsplicht, vermeld in afdeling 3.2. De aanvaardingsplicht is van toepassing vanaf 1 januari 2021.

Art. 3.4.8.2.

De aanvaardingsplicht voor afgedankte matrassen moet ertoe leiden dat alle afgedankte matrassen die worden aangeboden, worden ingezameld.

 

De ingezamelde afgedankte matrassen moeten nuttig worden toegepast.


Art. 3.4.8.3.

De eindverkoper en de tussenhandelaar van matrassen of de organisatie die daarvoor is aangewezen, bezorgen de OVAM vóór 1 juli van elk jaar een overzicht van de totale hoeveelheid matrassen, uitgedrukt in aantal en in kilogram, die in het kader van de aanvaardingsplicht in ontvangst zijn genomen gedurende het voorgaande kalenderjaar.

 

De producent van matrassen of de organisatie die hij daarvoor heeft aangewezen, stelt jaarlijks vóór 1 juli de volgende gegevens over het voorgaande kalenderjaar ter beschikking van de OVAM :

de totale hoeveelheid matrassen, uitgedrukt in aantal en in kilogram, die in het Vlaamse Gewest op de markt zijn gebracht;
de totale hoeveelheid afgedankte matrassen, uitgedrukt in aantal en in kilogram, die in het Vlaamse Gewest zijn ingezameld in het kader van de aanvaardingsplicht;
de inrichtingen waar en de wijze waarop de ingezamelde afgedankte matrassen zijn verwerkt;
de totale hoeveelheid van de materialen die voortkomen uit de verwerking van de afgedankte matrassen, uitgedrukt in kilogram, die :
a) zijn hergebruikt;
b) zijn gerecycleerd;
c) nuttig zijn toegepast;
d) zijn verwijderd.

Onderafdeling 3.4.9.
Afgedankte fotovoltaļsche zonnepanelen


Art. 3.4.9.1. [...]

Art. 3.4.9.2. [...]

Art. 3.4.9.3. [...]

Onderafdeling 3.4.10.
Afvallandbouwfolies


Art. 3.4.10.1. [...]

Art. 3.4.10.2. [...]

Art. 3.4.10.3. [...]

Onderafdeling 3.4.11.
Zwerfvuil


Art. 3.4.11.1.

Voor [...] verbruiksgoederen die door de minister worden aangeduid als goederen die vaak terug te vinden zijn in het zwerfvuil, wordt de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid ingevuld door de verplichting voor de betrokken producenten om te beschikken over een collectief plan als vermeld in afdeling 3.3, dat de betrokken producenten moeten opstellen tegen 1 januari 2013.

 

Het collectieve plan omschrijft acties die de producenten ondernemen om de aanwezigheid van hun goederen en verpakkingen in het zwerfvuil tegen te gaan, en handelt specifiek over mogelijke sensibiliseringsmaatregelen om een gedragsverandering te verkrijgen.

 

Ter vervanging van de plicht tot het opstellen van een collectief plan kan een individuele onderneming of bedrijfsfederatie een overeenkomst over haar inspanningen rond zwerfvuil sluiten met de OVAM. De overeenkomst omvat de voorwaarden van de samenwerking met andere bedrijven en de Vlaamse overheid binnen een project dat gericht is op het verminderen van zwerfvuil, en de financiėle engagementen van de individuele onderneming of de bedrijfsfederatie namens haar leden voor het project.


Onderafdeling 3.4.12.
Gebruikte injectienaalden


Art. 3.4.12.1. [...]

Onderafdeling 3.4.13.
Gebruikte wegwerpluiers


Art. 3.4.13.1.

Voor gebruikte wegwerpluiers wordt de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid ingevuld door middel van een collectief plan als vermeld in afdeling 3.3, dat de betrokken producenten moeten opstellen tegen 1 januari 2013.

 

Het collectieve plan handelt over hergebruik, sensibilisering en ecodesign. Het plan verstrekt bovendien informatie over de mate waarin en de manier waarop gebruikte wegwerpluiers nuttig toe te passen zijn.


HOOFDSTUK 4.
Algemene bepalingen over het beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen


Afdeling 4.1.
Indeling van afvalstoffen


Art. 4.1.1. Straat- en veegvuil worden gelijkgesteld aan huishoudelijke afvalstoffen.

Art. 4.1.2.

Overeenkomstig artikel 22 van het Materialendecreet worden de volgende afvalstoffen als bijzondere afvalstoffen aangewezen :

drukwerkafval; 
afgedankte voertuigen; 
afvalbanden; 
afgedankte elektrische en elektronische apparatuur; 
afgedankte batterijen en accu’s; 
andere afvalolie dan de olie, vermeld in 16°, g);  
oude en vervallen geneesmiddelen;
gebruikte dierlijke en plantaardige vetten en oliėn; 
gebruikte wegwerpluiers; 
10° fvallandbouwfolies; 
11° zwerfvuil; 
12° afval van de zee- en binnenvaart; 
13° gebruikte injectienaalden; 
14° afgedankte fotovoltaļsche zonnepanelen; 
15° bagger- en ruimingsspecie die vanuit bouwtechnisch of milieukundig oogpunt niet valoriseerbaar is om te gebruiken als bodem, voor bouwkundig bodemgebruik of in een vormvast product in het kader van titel III, hoofdstuk XIII, van het VLAREBO;
16° de volgende afvalstoffen die ontstaan bij het onderhouden, herstellen of slopen van motorvoertuigen, motorvaartuigen, motorvliegtuigen en hun toebehoren : 
  a) stof dat vrije asbestvezels bevat;  
  b) remschoenen, remschijven, remplaten, remblokken en koppelingsplaten die asbest bevatten;
  c) afgedankte batterijen en accu’s; 
  d) vervuilde of onbruikbare solventen; 
  e) destillatieresidu’s van solventrecuperatie, resten van verf, lak en vernis, slib van spuitcabines; 
  f) synthetische remvloeistof;  
  g) afvalolie; 
  h) vervuilde of onbruikbare brandstoffen; 
  i) koelvloeistoffen; 
  j) koelmiddelen die ozonafbrekende stoffen of gefluoreerde broeikasgassen bevatten;
  k) vervuilde filters van spuitcabines, spuitbussen, verpakkingen die gevaarlijke stoffen, met uitzondering van olie, hebben bevat of die door die stoffen werden verontreinigd en niet meer gebruikt worden; 
  l) oliehoudende stoffen, zoals oliefilters, brandstoffilters, gebruikt absorptiemateriaal, afvalstoffen uit de olie-waterafscheider, oliehoudende schokdempers, verpakkingen die olie hebben bevat of die door olie werden verontreinigd en niet meer gebruikt worden; 
  m) katalysatoren; 
  n) patronen van airbags, die chemicaliėn bevatten;   
17° klein gevaarlijk afval; 
18° papier- en kartonafval; 
19° asbesthoudend afval; 
20° pvc-afval; 
21° afgedankte apparatuur en recipiėnten die ozonafbrekende stoffen of gefluoreerde broeikasgassen bevatten; 
22° gebruikte pcb’s; 
23° medisch afval; 
24° bouw- en sloopafval;  
25° dierlijke bijproducten die voldoen aan de definitie van afvalstof; 
26° afvalstoffen van de titaandioxide-industrie; 
27° landbouwafvalstoffen;  
28° mijnbouwafvalstoffen;  
29° slib dat afkomstig is van de drinkwaterproductie, de reiniging van riolen, septische putten en vetvangers, en van waterzuiveringsinstallaties. 
30° afgedankte matrassen.
31° met fipronil verontreinigde pluimveemest: de mest, afkomstig van een pluimveebedrijf in het Vlaamse Gewest dat naar aanleiding van de fipronilcrisis geblokkeerd is, die op basis van een analyserapport van een laboratorium dat de Vlaamse overheid daarvoor erkend heeft, een totaal gehalte aan fipronil van meer dan 0,01 mg per kg verse stof bevat.

Art. 4.1.3.

Onder gevaarlijke afvalstoffen worden de afvalstoffen verstaan die in de lijst, vermeld in bijlage 2.1, met een asterisk zijn aangeduid.

 

De afvalstoffen, vermeld in het eerste lid, worden geacht minstens een van de gevaarlijke eigenschappen te bezitten als vermeld in verordening (EU) 1357/2014 van de Commissie van 18 december 2014 ter vervanging van bijlage III bij Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen of als vermeld in verordening (EU) 2017/997 van de Raad van 8 juni 2017 tot wijziging van bijlage III bij Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de gevaarlijke eigenschap HP 14 „Ecotoxisch".


Art. 4.1.4.

§ 1.

De minister kan op verzoek van de houder beslissen dat een specifieke op de lijst als gevaarlijk aangegeven afvalstof in individuele gevallen geen van de eigenschappen, vermeld in artikel 4.1.3, tweede lid, bezit en dus geen gevaarlijke afvalstof is.

 

Een declassering kan worden toegestaan voor een bepaalde afvalstof van een specifieke productieplaats en voor een specifieke productiestap binnen het productieproces.

 

§ 2.

De houder van de afvalstof dient per aangetekende brief een verzoek tot declassering in op het adres van de OVAM. De aanvraag moet minstens de volgende gegevens bevatten :

de identificatie van de houder; 
de identificatie van de maatschappelijke zetel en van de exploitatiezetel waarop het verzoek betrekking heeft; 
de aard van de afvalstof (de EURAL-code, vermeld in bijlage 2.1); 
een kopie van de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit voor het proces waaruit de afvalstof vrijkomt, indien van toepassing; 
een gedetailleerde beschrijving van de stap uit het productieproces waarin de afvalstof ontstaat. De beschrijving moet zo opgesteld worden dat aangetoond wordt waarom de gevaarlijke eigenschappen, vermeld in artikel 4.1.3, tweede lid, niet van toepassing zijn; 
voor de gevaarlijke eigenschappen HP3 tot en met HP8, HP10 en HP11 wordt aan de hand van analyseresultaten aangetoond dat de grenswaarden, vermeld in artikel 4.1.3, tweede lid, niet overschreden worden; 
7°  voor de andere gevaarlijke eigenschappen, vermeld in artikel 4.1.3, tweede lid, wordt gemotiveerd waarom ze niet aanwezig kunnen zijn in de afvalstof waarvoor het verzoek wordt ingediend. De houder van de afvalstof ondertekent en dateert het verzoek tot declassering. De naam en de functie van de ondertekenaar worden vermeld. 

 

De minister doet uitspraak binnen een termijn van drie maanden na de ontvangst van de aanvraag. Voorafgaand aan die uitspraak wint de minister het advies in van de OVAM.

 

De OVAM stuurt de beslissing op naar de houder van de afvalstof, per beveiligde zending, binnen een termijn van tien kalenderdagen na de datum van de beslissing.

 

Elke wijziging van de administratieve gegevens van de houder van de afvalstof wordt aan de OVAM meegedeeld.


Art. 4.1.5.

De minister kan in met redenen omklede uitzonderingssituaties, gemotiveerd op wetenschappelijke gronden, beslissen dat individuele afvalstoffen die op de lijst als niet-gevaarlijk zijn aangeduid, toch een of meer van de eigenschappen, vermeld in artikel 4.1.3, tweede lid, bezitten. Die afvalstoffen worden gevaarlijke afvalstoffen.

 

De EURAL-code van de afvalstof en de specifieke omstandigheden waarin de afvalstof als gevaarlijk wordt geklasseerd, worden bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad en gepubliceerd op de website van de OVAM.


Art. 4.1.6.

In afwijking van artikel 4.1.3 worden, voor zover dit selectief ingezameld huishoudelijk verpakkingsafval niet onder artikel 5.2.2.1, 10°, valt, niet als een gevaarlijke afvalstof beschouwd :

het selectief ingezameld afval van geledigde, leeggegoten of leeggeschraapte verpakkingen van huishoudelijke oorsprong die reinigings- of onderhoudsmiddelen hebben bevat die uitsluitend in waterige fase kunnen worden gebruikt, en die een of meer gevaarlijke stoffen hebben bevat die worden aangeduid door de pictogrammen GHS07 (uitroepingsteken), GHS05 (corrosief), subcategorie H318, overeenkomstig verordening (EG) 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels tot wijziging en intrekking van de richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG en tot wijziging van verordening (EG) 1907/2006 of door de pictogrammen Xi-irriterend en C-corrosief overeenkomstig de richtlijn 67/548/EEG van de Raad van 27 juni 1967 betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen en de richtlijn 1999/45/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 mei 1999 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke preparaten;
het selectief ingezameld afval van geledigde, leeggegoten of leeggeschraapte verpakkingen van huishoudelijke oorsprong die voeding of cosmetica hebben bevat, en die een of meer gevaarlijk stoffen hebben bevat die worden aangeduid door het pictogram GHS02 (ontvlambaar) overeenkomstig verordening (EG) 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels tot wijziging en intrekking van de richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG en tot wijziging van verordening (EG) 1907/2006 of door het pictogram F–ontvlambaar overeenkomstig de richtlijn 67/548/EEG van de Raad van 27 juni 1967 betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen en de richtlijn 1999/45/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 mei 1999 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke preparaten.

Afdeling 4.2.
Indeling van afvalstoffenhandelingen


Art. 4.2.1.

Onder verwijderingshandelingen van afvalstoffen als vermeld in artikel 3, 26°, van het Materialendecreet, worden de volgende handelingen verstaan :

 

EU-code

handelingen

D1

storten op of in de bodem (bijvoorbeeld op een vuilstortplaats)

D2

uitrijden (bijvoorbeeld biologische afbraak van vloeibaar of slibachtig afval in de bodem)

D3

injectie in de diepe ondergrond (bijvoorbeeld injectie van verpompbare afvalstoffen in putten, zoutkoepels of van natuurlijk gevormde holten)

D4

opslag in waterbekkens (bijvoorbeeld het lozen van vloeibaar of slibachtig afval in putten, vijvers of lagunen)

D5

verwijderen op speciaal ingerichte locaties (bijvoorbeeld in afzonderlijk beklede, afgedekte cellen die van elkaar en van de omgeving afgeschermd zijn)

D6

lozen/storten in wateren, behalve zeeėn en oceanen

D7

lozen/storten in zeeėn en oceanen, inclusief inbrengen in de zeebodem

D8

biologische behandeling op een andere wijze dan de wijzen, vermeld in dit artikel, waardoor verbindingen of mengsels ontstaan die worden verwijderd volgens een van de methoden, vermeld in D1 tot en met D12

D9

fysisch-chemische behandeling op een andere wijze dan de wijzen, vermeld in dit artikel, waardoor verbindingen of mengsels ontstaan die worden verwijderd volgens een van de methoden, vermeld in D1 tot en met D12 (bijvoorbeeld verdampen, drogen, calcineren)

D10

verbranding op het land

D11

verbranding op zee (*)

D12

permanente opslag (bijvoorbeeld plaatsen van houders in mijnen)

D13

vermengen voorafgaand een van de handelingen, vermeld in D1 tot en met D12 (**)

D14

herverpakken, voorafgaand aan de behandelingen, vermeld in  D1 tot en met D13

D15

opslag, in afwachting van de behandelingen, vermeld in D1 tot en met D14 (met uitsluiting van voorlopige opslag die voorafgaat aan inzameling op de plaats van productie)

 

(*) verboden op grond van EU-wetgeving en internationale verdragen en overeenkomsten

 (**) als er geen andere passende D-code voorhanden is, kan dat voorbereidende handelingen, voorafgaand aan verwijdering, omvatten, inclusief voorbehandeling, zoals sorteren, verbrijzelen, verdichten, pelletiseren, drogen, versnipperen, conditioneren of scheiden, voorafgaand aan een van de handelingen, vermeld in D1 tot en met D12. 


Art. 4.2.2.

Onder handelingen voor de nuttige toepassing van afvalstoffen als vermeld in artikel 3, 23°, van het Materialendecreet, worden de volgende handelingen verstaan :

 

EU-code

handelingen

R1

hoofdgebruik als brandstof of als ander middel voor energieopwekking (*)

R2

terugwinning/regeneratie van oplosmiddelen

R3

recyclage/terugwinning van organische stoffen die niet als oplosmiddel worden gebruikt (met inbegrip van compostering en andere biologische omzettingsprocessen) (**)

R4

recyclage/terugwinning van metalen en metaalverbindingen

R5

recyclage/terugwinning van andere anorganische materialen (***)

R6

regeneratie van zuren of basen

R7

terugwinning van bestanddelen die worden gebruikt om vervuiling tegen te gaan

R8

terugwinning van bestanddelen uit katalysatoren

R9

herraffinage van olie en ander hergebruik van olie

R10

uitrijden voor landbouwkundige of ecologische verbetering

R11

gebruik van afvalstoffen die bij een van de handelingen, vermeld in R1 tot en met R10 vrijkomen

R12

uitwisseling van afvalstoffen voor een van de handelingen, vermeld in R1 tot en met R11 (****)

R13

opslag van afvalstoffen voor een van de handelingen, vermeld in R1 tot en met R12 (met uitsluiting van tijdelijke opslag, voorafgaand aan inzameling op de plaats van productie)(*****)

 

(*) Hieronder vallen ook verbrandingsinstallaties die specifiek bestemd zijn om vast stedelijk afval te verwerken, op voorwaarde dat hun energie-efficiėntie ten minste :

  0,60 bedraagt bij installaties die voor 1 januari 2009 in bedrijf zijn en over een vergunning beschikken overeenkomstig het Decreet betreffende de omgevingsvergunning; 
 

0,65 bedraagt bij installaties waarvoor na 31 december 2008 een vergunning wordt afgegeven, zoals berekend met de volgende formule :

energie-efficiėntie = (Ep – (Ef + Ei)) / (0,97 × (Ew + Ef)),

waarbij : 

  a) Ep = de hoeveelheid energie die jaarlijks als warmte of elektriciteit wordt geproduceerd. Bij de berekening wordt energie in de vorm van elektriciteit vermenigvuldigd met een factor 2,6, en warmte die wordt geproduceerd voor commerciėle toepassingen, met een factor 1,1 (in GJ/jaar); 
  b) Ef = de jaarlijkse energie-input in het systeem, afkomstig van brandstoffen die voor de productie van stoom worden gebruikt (in GJ/jaar); 
  c) Ew = de hoeveelheid energie die is besloten in de jaarlijks verwerkte hoeveelheid afvalstoffen, berekend aan de hand van de netto calorische waarde van de afvalstoffen (in GJ/jaar); 
  d) Ei = de hoeveelheid energie die jaarlijks wordt geļmporteerd, Ew en Ef niet meegerekend (in GJ/jaar); 
  e) 0,97 = correctiefactor om rekening te houden met energieverliezen via bodemas en straling. 

 

De waarde van de energie-efficiėntieformule wordt op de onderstaande wijze met een klimaatcorrectiefactor (CCF) vermenigvuldigd :

1.

CCF voor installaties die vóór 1 september 2015 in bedrijf zijn en over een vergunning beschikken overeenkomstig het toepasselijke Unierecht :
  CCF = 1 als HDD >= 3 350
  CCF = 1,25 als HDD <= 2 150
  CCF = – (0,25/1 200) × HDD + 1,698 als 2 150 < HDD < 3 350
2. CCF voor installaties waarvoor na 31 augustus 2015 een vergunning wordt afgegeven en voor installaties bedoeld in punt 1 na 31 december 2029 :
  CCF = 1 als HDD >= 3 350
  CCF = 1,12 als HDD <= 2 150
  CCF = – (0,12/1 200) × HDD + 1,335 als 2 150 < HDD < 3 350

(De daaruit resulterende CCF-waarde zal worden afgerond tot op drie decimalen). Als HDD-waarde (Heating Degree Days — graaddagen voor verwarming) moet het gemiddelde van de jaarlijkse HDD-waarden voor de locatie van de verbrandingsinstallatie gelden, berekend over een periode van 20 opeenvolgende jaren vóór het jaar waarvoor de CCF wordt berekend.


De HDD-waarde moet aan de hand van de volgende door Eurostat vastgestelde methode worden berekend : HDD is gelijk aan (18 °C – Tm) × d als Tm minder bedraagt dan of gelijk is aan 15 °C (verwarmingsdrempel), en is gelijk aan nul als Tm meer bedraagt dan 15 °C, waarbij Tm de gemiddelde (Tmin + Tmax)/2 buitentemperatuur over een periode van d dagen is. De berekeningen moeten dagelijks worden uitgevoerd (d = 1) en voor een heel jaar worden opgeteld.


De formule wordt toegepast overeenkomstig het Europese referentiedocument over de beste beschikbare technieken voor afvalverbranding. De berekeningswijze en de toepassing van de formule worden goedgekeurd en geverifieerd door de OVAM.

 

(**) Hieronder vallen ook vergassing en pyrolyse waarbij de componenten worden gebruikt als chemicaliėn.

(***) Hieronder valt ook bodemreiniging die resulteert in terugwinning van de bodem en het recycleren van anorganisch bouwmateriaal.

(****) Als er geen andere passende R-code voorhanden is, kan dat voorbereidende handelingen, voorafgaand aan nuttige toepassing, omvatten, inclusief voorbehandeling, zoals demonteren, sorteren, verbrijzelen, verdichten, pelletiseren, drogen, versnipperen, conditioneren, herverpakken, scheiden of mengen, voorafgaand aan een van de handelingen, vermeld in R1 tot en met R11.

(*****) Tijdelijke opslag als vermeld in dit artikel, betekent voorlopige opslag die niet plaatsvindt op de plaats van de productie. 


Afdeling 4.3.
Afzonderlijke inzameling van afvalstoffen


Art. 4.3.1.

Ten minste de volgende huishoudelijke afvalstoffen moeten gescheiden worden aangeboden en verder afzonderlijk worden gehouden bij de ophaling of inzameling :

klein gevaarlijk afval van huishoudelijke oorsprong; 
glazen flessen en bokalen; 
papier- en kartonafval; 
grofvuil; 
groenafval; 
textielafval; 
afgedankte elektrische en elektronische apparatuur; 
afvalbanden; 
puin; 
10° asbestcementhoudende afvalstoffen; 
11° pmd-afval;
13° recycleerbare harde kunststoffen;
14° gebruikte dierlijke en plantaardige vetten en oliėn.

 

Ten minste de volgende huishoudelijke afvalstoffen moeten gescheiden worden aangeboden en verder afzonderlijk worden gehouden bij de ophaling of inzameling, of, indien aantoonbaar niet mogelijk, naderhand uitgesorteerd worden :

houtafval; 
metaalafval. 

Art. 4.3.2.

Tenminste de volgende bedrijfsafvalstoffen moeten gescheiden worden aangeboden door de afvalstoffenproducent en afzonderlijk worden gehouden bij de ophaling of inzameling :

klein gevaarlijk afval van vergelijkbare bedrijfsmatige oorsprong; 
glasafval; 
papier- en kartonafval; 
gebruikte dierlijke en plantaardige oliėn en vetten; 
groenafval; 
textielafval; 
afgedankte elektrische en elektronische apparatuur; 
afvalbanden; 
puin; 
10° afvalolie; 
11° gevaarlijke afvalstoffen; 
12° asbestcementhoudende afvalstoffen; 
13° afgedankte apparatuur en recipiėnten die ozonafbrekende stoffen of gefluoreerde broeikasgassen bevatten;  
14° afvallandbouwfolies; 
15° afgedankte batterijen en accu’s. 
16° pmd-afval.
17° houtafval; 
18° metaalafval;
20° recycleerbare harde kunststoffen;
21° geėxpandeerd polystyreen;
22° folies.

 

Onder het woord geėxpandeerd polystyreen, vermeld in het eerste lid, 21°, wordt verstaan: zuiver piepschuim van verpakkingen met bolletjesstructuur.

 

Het eerste lid, 23° en 24°, geldt voor:

bedrijven en instellingen, waar regelmatig en minstens éénmaal per week warme maaltijden worden geserveerd of bereid:

 

a)

onderwijsinstellingen met meer dan driehonderd leerlingen;

 

b)

ziekenhuizen en psychiatrische ziekenhuizen met meer dan vijfentwintig erkende bedden;
 

c)

woonzorgcentra met een erkende capaciteit van meer dan dertig bedden;
 

d)

penitentiaire centra;

 

e)

kazernes van de strijdmachten met meer dan honderd werknemers;

 

f)

bedrijven en instellingen met meer dan honderd werknemers;
 

g)

restaurants, brasserieėn en hotels met meer dan vijftig maaltijden per dag;
 

h)

feestzalen en polyvalente zalen met een capaciteit van meer van tweehonderdvijftig zitplaatsen;
 

i)

cateringbedrijven.
super- en hypermarkten met een netto verkoopsoppervlakte van vierhonderd vierkante meter.

 

De afvalstoffenproducent die bedrijfsrestafval heeft, is verplicht om met de inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar van het bedrijfsrestafval een contract te sluiten waarin de afvalfracties, vermeld in het eerste lid, en hun vooropgestelde inzamelwijze duidelijk vermeld worden.

 

In afwijking van het eerste lid mag de afvalstoffenproducent verschillende afvalfracties die in aanmerking komen voor hoogwaardige materiaalrecyclage, alsook houtafval, samenvoegen in hetzelfde recipiėnt, onder de volgende cumulatieve voorwaarden:

het zijn droge, niet-gevaarlijke afvalfracties waarbij de samenvoeging van de fracties het uitsorteren en de hoogwaardige verwerking van de afzonderlijke afvalfracties niet verhindert;
het recipiėnt wordt overgebracht naar een vergunde sorteerinrichting waar de fracties volledig worden uitgesorteerd;
de afvalstoffenproducent daarover een contract heeft gesloten met een inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar, waarin de samengevoegde fracties worden gespecificeerd.

 

In afwijking van het tweede lid geldt dat het sluiten van een contract voor het bedrijfsrestafval niet verplicht is als voldaan is aan de volgende cumulatieve voorwaarden:

het bedrijfsrestafval van de afvalstoffenproducent is vergelijkbaar naar aard, samenstelling en hoeveelheid met huishoudelijke afvalstoffen;
het bedrijfsrestafval van de afvalstoffenproducent wordt ingezameld in één ronde met huishoudelijk afval;
voor de inzameling van het bedrijfsrestafval wordt de volledige en reėle kost doorgerekend aan de afvalstoffenproducent.

 

[...]


Art. 4.3.3.

§ 1.

Een sloopopvolgingsplan is vereist bij: 

sloop-, renovatie- of ontmantelingswerken bij gebouwen waarvoor een omgevingsvergunning vereist is en waarvan het totale bouwvolume groter is dan 1000 m³ voor alle niet-residentiėle gebouwen waarop de vergunning betrekking heeft, of groter dan 5000 m³ voor alle in hoofdzaak residentiėle gebouwen, met uitzondering van eengezinswoningen, waarop de vergunning betrekking heeft;
sloop-, renovatie- of ontmantelingswerken in het kader van infrastructuurwerken waarvoor een omgevingsvergunning vereist is en waarvan het volume groter is dan 250 m³ en onderhoudswerken aan infrastructuur waarvoor een omgevingsvergunning vereist is en waarvan het volume groter is dan 250 m³.

 

Het sloopopvolgingsplan wordt opgesteld in opdracht van de aanvrager van de omgevingsvergunning.

 

§ 2.

Het sloopopvolgingsplan omvat de identificatie van de werf met daaraan gekoppeld een overzicht van alle afvalstoffen die zullen vrijkomen.

 

Per afvalstof worden de volgende gegevens opgenomen:

 

de benaming;
de bijbehorende EURAL-code, vermeld in bijlage 2.1;
de vermoedelijke hoeveelheid, uitgedrukt in hoeveelheid of gewicht;

de plaats in het gebouw of infrastructuurwerk waar de afvalstof voorkomt, alsook de verschijningsvorm ervan; 5° de wijze waarop de afvalstof overeenkomstig artikel 4.3.2 tijdens de sloop-, renovatie, onderhouds- en

ontmantelingswerken selectief zal worden ingezameld, opgeslagen en afgevoerd.

 

Het sloopopvolgingsplan wordt opgesteld op basis van een standaardprocedure die wordt vastgesteld door de minister, op voorstel van de OVAM.

 

§ 3.

Het sloopopvolgingsplan maakt deel uit van het vergunningsaanvraagdossier, de aanbestedingsdocumenten, de prijsvraag en de contractuele documenten.

 

§ 4.

De uitvoerder van bouw-, infrastructuur-, sloop-, ontmantelings- en renovatiewerken bezorgt alle kopieėn van de identificatieformulieren en alle afgiftebewijzen van de afgevoerde afvalstoffen die verkregen zijn bij selectieve sloop of ontmanteling, voor de oplevering van de sloop- of ontmantelingswerken aan de houder van de omgevingsvergunning.

 

De houder van de omgevingsvergunning houdt alle identificatieformulieren en alle afgiftebewijzen bij gedurende een periode van vijf jaar


Art. 4.3.4.

Als de volgende afvalstoffen die afkomstig zijn van de zeevaart, gescheiden worden aangeboden, moeten die afzonderlijk worden gehouden bij de ophaling of inzameling :

plastic;
voedselafval, inclusief internationaal keukenafval;  
spijsolie en -vetten; 
papier en karton; 
metaal; 
glazen flessen en bokalen;   
as van de verbrandingskamer; 
dierlijke karkassen; 
vistuig; 
10° cargoresiduen; 
11° grijs water;  
12° zwart water 
13° andere kleine gevaarlijke afvalstoffen, zoals : 
a) batterijen; 
b) verfafval; 
c) afgedankte vuurpijlen; 
d) lichtarmaturen; 
14° oliehoudende vaste afvalstoffen; 
15° bilges en sludge; 
16° andere occasionele afvalstoffen, zoals : 
a) waswater dat afkomstig is van het cleanen van de ruimen; 
b) sediment uit de ballastwatertanks;
c) hull biofouling; 
d) antifouling paintresidues; 
e) sludge, afkomstig van afvalwaterbehandeling aan boord;  
f) afval, afkomstig van apparatuur ter voorkoming van luchtemissies; 
g) afgedankte elektrische en elektronische apparatuur. 

 

“In afwijking van het eerste lid mag de inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar verschillende afvalfracties die in aanmerking komen voor hoogwaardige materiaalrecyclage, alsook houtafval, samenvoegen in hetzelfde recipiėnt, onder de volgende cumulatieve voorwaarden:

het zijn droge, niet-gevaarlijke afvalfracties waarbij de samenvoeging van de fracties het uitsorteren en de hoogwaardige verwerking van de afzonderlijke afvalfracties niet verhindert;
het recipiėnt wordt overgebracht naar een vergunde sorteerinrichting waar de fracties volledig worden uitgesorteerd;
de afvalstoffenproducent, zijn agent of zijn vertegenwoordiger in de haven, daarover een contract heeft afgesloten met een inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar, waarin de samengevoegde fracties worden gespecifieerd.

 


Art. 4.3.5.

§ 1.

In dit artikel wordt verstaan onder sloopmateriaal: materiaal dat afkomstig is van bouw-, infrastructuur-, sloop-, ontmantelings- of renovatiewerken.

 

Voor de puinfractie van sloopmateriaal afkomstig van de activiteiten zoals vermeld in artikel 4.3.3, paragraaf 1, die selectief ingezameld werd in uitvoering van een sloopopvolgingsplan en afgevoerd wordt naar een inrichting voor de productie van gerecycleerde granulaten onder het eenheidsreglement, kan voorafgaandelijk aan de afvoer een verwerkingstoelating afgeleverd worden door een erkende sloopbeheerorganisatie. Deze verwerkingstoelating attesteert de selectieve inzameling van de puinfractie van het sloopmateriaal.

 

Voor alle ander sloopmateriaal, dat selectief is ingezameld in uitvoering van een goedgekeurd sloopopvolgingsplan, kan een erkende sloopbeheerorganisatie eveneens een verwerkingstoelating afleveren voorafgaandelijk aan de afvoer. Deze verwerkingstoelating attesteert de selectieve inzameling van het sloopmateriaal.

 

§ 2.

Voor de puinfractie van sloopmateriaal afkomstig van de activiteiten zoals vermeld in artikel 4.3.3, paragraaf 1, waarvoor een verwerkingstoelating is afgeleverd en dat verwerkt is in een inrichting voor de productie van gerecycleerde granulaten onder het eenheidsreglement, kan een sloopattest afgeleverd worden door een erkende sloopbeheerorganisatie.

 

Voor alle ander sloopmateriaal waarvoor een verwerkingstoelating is afgeleverd, kan een erkende sloopbeheerorganisatie eveneens een sloopattest afleveren

 

§ 3.

Het sloopattest attesteert de selectieve inzameling van het sloopmateriaal en de traceerbaarheid van de herkomst tot aan de gecontroleerde verwerking van de sloopmaterialen. Het sloopattest wordt pas afgeleverd nadat het traceerbaarheidssysteem van een erkende sloopbeheerorganisatie correct is doorlopen, zodat er garanties zijn over de kwaliteit van het puin.


De voorwaarden waaraan een traceerbaarheidssysteem moet voldoen, worden opgenomen in een standaardprocedure die wordt vastgesteld door de minister, op voorstel van OVAM.

 

De standaardprocedure bepaalt:

de wijze van opmaak van een sloopopvolgingsplan door een deskundige;
de voorwaarden tot het behalen van een conformiteitsverklaring door een erkende sloopbeheerorganisatie binnen dertig dagen na de ontvangst van het sloopopvolgingsplan. Die conformiteitsverklaring kan een advies bevatten over de hergebruiks- en verwerkingsmogelijkheden van de sloopmaterialen;
de voorwaarden waaronder een controleverslag door een deskundige vereist is en de wijze van opmaak van het controleverslag. Het controleverslag moet worden goedgekeurd door een erkende sloopbeheersorganisatie;
de voorwaarden tot het aanvragen en het verkrijgen van een verwerkingstoelating door een erkende sloopbeheersorganisatie binnen vijf dagen na de ontvangst van de aanvraag voor de afvoer en verwerking van sloopmateriaal door de uitvoerder van de bouw-, infrastructuur-, sloop-, ontmantelings- en renovatiewerken, voorafgaand aan de afvoer en verwerking van het sloopmateriaal bij de bestemmeling;
een controlesysteem dat het mogelijk maakt het transport van herkomst tot aan de gecontroleerde verwerking te traceren. Dit controlesysteem bevat minstens de verplichte vermelding van de aanwezigheid van een verwerkingstoelating in de identificatieformulieren bij het transport van sloopmateriaal en in het acceptatieregister;
het opsturen van een ontvangstbevestiging van de geleverde hoeveelheid sloopmateriaal door de bestemmeling van het materiaal naar de erkende sloopbeheersorganisatie;

de voorwaarden voor de aflevering en de inhoud van een sloopattest door de erkende sloopbeheerorganisatie binnen een termijn van dertig dagen na de ontvangst van de aanvraag.


De minister kan nadere regels vaststellen voor de procedure tot aanvraag van een sloopattest.


Art. 4.3.6.

§ 1.

Om als sloopbeheerorganisatie erkend te worden en erkend te blijven, moet de organisatie aan de volgende voorwaarden voldoen:

opgericht zijn als een vereniging zonder winstoogmerk conform de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen, en als leden alleen organisaties hebben zonder winstgevend doel;
voldoende representatief zijn voor de verschillende sectoren die betrokken zijn bij de uitvoering van bouw- en sloopwerken. Een sloopbeheerorganisatie is representatief als in de raad van bestuur twee of meer beroepsorganisaties zitten die voldoende representatief zijn voor de sectoren die actief zijn in de uitvoering van bouw- en sloopwerken;
de leden van de raad van bestuur kunnen aantonen dat ze voldoende onafhankelijk zijn van individuele bedrijven;
als statutair doel ‘het afleveren van sloopattesten, het leveren van studiewerk over selectieve sloop, het slopen en verwerken van afvalstoffen afkomstig van bouw- en sloopwerken en het verstrekken van informatie en advies over bouw- en sloopmaterialen’ hebben;
een of meer natuurlijke personen in dienst hebben die samen een grondige kennis hebben van milieu en traceerbaarheidssystemen;
voldoen aan een intern systeem dat de organisatie in staat stelt de taken die opgelegd zijn krachtens dit besluit, correct en kwaliteitsvol uit te voeren, met inbegrip van de uitvoering van steekproefsgewijze werfcontroles en het bijhouden van de volgende registers, die ter inzage van de toezichthoudende overheid op de exploitatiezetel liggen:
  a) een klachtenregister;
  b) een register van de sloopopvolgingsplannen, met inbegrip van de opmerkingen van de slooporganisatie op die verslagen. De sloopopvolgingsplannen inclusief de opmerkingen van de slooporganisatie worden gedurende een termijn van vijf jaar bewaard;
  c) een register van conformverklaringen van selectieve sloop. Die conformverklaringen worden gedurende een termijn van vijf jaar bewaard;
  d) een register van de sloopattesten. De sloopattesten worden gedurende een termijn van vijf jaar bewaard;
beschikken over een traceerbaarheidssysteem dat minstens voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 4.3.5, § 3;
beschikken over een verzekering die haar beroepsaansprakelijkheid dekt;
voor de bestuurders en de personen die de rechtspersoon kunnen verbinden: beschikken over burgerlijke en politieke rechten en de laatste vijf jaar geen strafrechtelijke veroordeling opgelopen hebben voor overtredingen van de milieuwetgeving in een lidstaat van de Europese Unie;
10° op verzoek van de OVAM de gegevens verstrekken over specifieke transporten;
11° op verzoek van de OVAM de gegevens verstrekken over de aard, de herkomst, de kwaliteit en de kwantiteit van de materiaalstromen, zoals opgenomen in het sloopattest.


In de gevallen, vermeld in het eerste lid, 9° en 10°, worden alle documenten in een leesbare en verstaanbare vorm aan de OVAM bezorgd.

 

§ 2.

De grondige kennis, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 5°, wordt aangetoond aan de hand van een curriculum vitae of een interview, afgenomen door en op verzoek van de OVAM, of academische diploma’s, diploma’s van het hoger onderwijs van het lange type in een wetenschappelijke richting, of met daarmee gelijkgestelde diploma’s, uitgereikt in een lidstaat van de Europese Unie.


Art. 4.3.7.

De aanvraag om erkend te worden als sloopbeheerorganisatie wordt met een beveiligde zending gericht aan de minister, op het adres van de OVAM.


Om ontvankelijk te zijn, bevat de aanvraag tot erkenning minstens de volgende gegevens:

de statuten van de rechtspersoon;
de namen van de natuurlijke personen die door de rechtspersoon aangesteld zijn als verantwoordelijk persoon;
het bewijs van de grondige kennis van milieu en traceerbaarheidssystemen, vermeld in artikel 4.3.6, § 1, eerste lid, 5°;
een onvoorwaardelijke verbintenis waarin de aanvrager verklaart dat hij de gegevens waarover hij zal beschikken, toegankelijk zal beheren;
een onvoorwaardelijke verbintenis waarin de aanvrager verklaart dat hij binnen dertig dagen na de erkenning een verzekering voor beroepsaansprakelijkheid zal afsluiten als vermeld in artikel 4.3.6, § 1, eerste lid, 8°, en de OVAM van de afgesloten polis op de hoogte zal brengen;
een verklaring dat de bestuurders en de personen die de rechtspersoon kunnen verbinden, de laatste vijf jaar geen strafrechtelijke veroordeling opgelopen hebben voor overtredingen van milieuwetgeving in een lidstaat van de Europese Unie;
een recent attest waaruit blijkt dat de aanvrager aan zijn sociale en fiscale verplichtingen voldaan heeft.

Art. 4.3.8.

De aanvragen tot erkenning als sloopbeheerorganisatie worden behandeld volgens de volgende procedure:

de OVAM stuurt binnen een termijn van dertig dagen na de datum van ontvangst van de aanvraag een ontvangstbewijs naar de aanvrager, waarbij ze zich ook uitspreekt over de ontvankelijkheid van de aanvraag;
de OVAM verklaart de aanvraag ontvankelijk of verzoekt om de nodige aanvullingen.
 

Als de OVAM niet binnen de termijn, vermeld in punt 1°, om aanvullingen heeft verzocht, wordt de aanvraag geacht ontvankelijk te zijn.

Als de OVAM binnen de termijn, vermeld in punt 1°, om aanvullingen verzoekt, wordt de aangevulde aanvraag opnieuw met een beveiligde zending naar de OVAM gestuurd.

De OVAM stuurt binnen een termijn van dertig dagen na de datum van ontvangst van de aangevulde aanvraag het ontvangstbewijs naar de aanvrager, waarbij de OVAM zich ook uitspreekt over de ontvankelijkheid van de aangevulde aanvraag;

de OVAM onderzoekt de ontvankelijke aanvraag en stuurt die samen met haar advies binnen een termijn van negentig dagen na de datum van het ontvangstbewijs van de ontvankelijke aanvraag naar de minister;
de minister neemt binnen een termijn van honderdtwintig dagen na de datum van het ontvangstbewijs van de ontvankelijke aanvraag een beslissing over de erkenning;
binnen een termijn van honderdvijftig dagen na de datum van het ontvangstbewijs van de ontvankelijke aanvraag wordt de beslissing over de erkenning door de OVAM met een beveiligde zending aan de aanvrager betekend. De erkenningsbeslissing wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.

Art. 4.3.9.

De minister kan de erkenning op elk moment schorsen voor een termijn van maximaal zes maanden in de volgende gevallen:

de houder van de erkenning voert de taken waarmee hij met toepassing van dit besluit is belast, niet reglementair of niet objectief uit;
de houder van de erkenning voldoet niet meer aan de erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 4.3.6;
de houder van de erkenning begaat onregelmatigheden bij het uitreiken van conformverklaringen selectieve sloop, verwerkingstoelatingen en/of sloopattesten;
de houder van de erkenning is bij een vonnis of arrest dat in kracht van gewijsde is gegaan, veroordeeld voor een misdrijf dat door de aard ervan de beroepsmoraal van de betrokken rechtspersoon aantast;
de houder van de erkenning heeft zich niet onafhankelijk getoond ten opzichte van betrokkenen.


De minister brengt de houder van de erkenning met een beveiligde zending op de hoogte van de voorgenomen beslissing tot schorsing, met vermelding van de redenen. Binnen een termijn van dertig dagen na de datum van ontvangst van die brief kan de houder van de erkenning alle nodige formaliteiten vervullen om de schorsing te voorkomen of kan hij zijn verweermiddelen aan de minister kenbaar maken.


De beslissing tot schorsing wordt door de OVAM met een beveiligde zending aan de houder van de erkenning betekend en wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.


De schorsing gaat in op de dertigste dag na de datum van de betekening van de beslissing aan de betrokkene.


Art. 4.3.10.

De minister kan de erkenning, vermeld in artikel 4.3.6, op elk moment opheffen in de volgende gevallen:

als de houder van de erkenning de taken waarmee hij is belast krachtens dit besluit herhaaldelijk niet reglementair of niet objectief uitvoert;
als de houder van de erkenning bij het verstrijken van de schorsingsperiode nog altijd niet voldoet aan de erkenningsvoorwaarden waarvoor hij met toepassing van artikel 4.3.9, eerste lid, 2°, geschorst is;
als de houder van de erkenning ernstige onregelmatigheden of bij herhaling onregelmatigheden begaat bij het uitreiken van conformverklaringen selectieve sloop, verwerkingstoelatingen en/of sloopattesten;
als de houder van de erkenning bij een vonnis of arrest dat in kracht van gewijsde is gegaan, veroordeeld is voor een misdrijf dat door de aard ervan de beroepsmoraal van de betrokken rechtspersoon in ernstige mate aantast;
als de houder van de erkenning zich niet onafhankelijk heeft getoond ten opzichte van betrokkenen.


De minister brengt de houder van de erkenning met een beveiligde zending op de hoogte van de voorgenomen beslissing tot opheffing, met vermelding van de redenen. Binnen een termijn van dertig dagen na de datum van ontvangst van die brief kan de houder van de erkenning alle nodige formaliteiten vervullen om de opheffing te voorkomen of kan hij zijn verweermiddelen aan de minister kenbaar maken.


De beslissing tot opheffing wordt door de OVAM met een beveiligde zending aan de houder van de erkenning betekend en wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.


De opheffing gaat in op de dertigste dag na de datum van de betekening van de beslissing aan de betrokkene.


Art. 4.3.11. Erkenningen zijn niet overdraagbaar.

Art. 4.3.12.

De OVAM kan in geval van schorsing of opheffing van de erkenning van een sloopbeheerorganisatie de volgende taken overnemen:

de uitreiking van de conformverklaringen selectieve sloop;
de aflevering van de verwerkingstoelating;
de uitreiking van de sloopattesten.

Afdeling 4.4.
Algemene regels voor verwerking van afvalstoffen


Art. 4.4.1.

De toepassing van één van de volgende verwijderingshandelingen of de afvoer van afvalstoffen met het oog op het toepassen van één van de volgende verwijderingshandelingen, is verboden :

 

EU-code

handelingen

D2

uitrijden (bijvoorbeeld biologische afbraak van vloeibaar of slibachtig afval in de bodem)

D3

injectie in de diepe ondergrond (bijvoorbeeld injectie van verpompbare afvalstoffen in

putten, zoutkoepels of in natuurlijk gevormde holten)

D11

verbranding op zee


 


Art. 4.4.2.

Het is verboden om een afvalstof of beoogde grondstof te mengen met een of meer andere materialen om door de lagere concentratie van een of meer in de afvalstof aanwezige stoffen :

voor de aldus verdunde afvalstof een verwijderingsmethode in aanmerking te laten komen die voor de niet-verdunde afvalstof niet is toegelaten; 
een afvalstof die moet worden verwijderd, alsnog nuttig te kunnen toepassen; 
een afvalstof of beoogde grondstof die niet in aanmerking komt om te worden aangewend als of om te worden omgevormd tot een grondstof, alsnog te kunnen aanwenden als of om te vormen tot een grondstof. 

 


Art. 4.4.3. Het gebruik van stortkokers om huishoudelijke afvalstoffen af te voeren in appartementsgebouwen, is verboden.

Art. 4.4.4.

De volgende afvalstromen worden, na inzameling, op- of overslag of eventuele mechanische behandeling op een daartoe vergunde inrichting, gemeld aan een centraal meldpunt :

organisch-biologisch composteerbaar afval, dat vrijkomt : 
  a) in natuurgebieden en kleine landschapselementen; 
  b) bij aanleg en onderhoud van tuinen, plantsoenen, parken en vergelijkbare groenaanplantingen; 
  c) bij onderhoud van wegbermen en waterlopen; 
de deelfracties van bovengenoemde afvalstromen. 

 

Het centraal meldpunt kan deze afvalstromen naar een vergunde inrichting voor de meest geschikte nuttige toepassing sturen, onverminderd artikel 4, § 3, en artikel 8, § 1, van het Materialendecreet, en rekening houdende met volgende criteria :

- het vermijden van discriminatie; 
- effectiviteit en efficiėntie; 
- beschikbare verwerkingscapaciteiten; 
- minimale transportafstanden. 

 

De minister stelt hiervoor nadere maatregelen vast.


Art. 4.4.5.

Aan boord van een schip of ander vervoersmiddel zijn de volgende handelingen op olie-watermengsels verboden:

het opwarmen met als enige doel het verkrijgen van een efficiėntere scheiding;
het toevoegen van chemicaliėn, afvalstoffen of andere producten;
een opmenging met waswaters die afkomstig zijn van het spoelen van ruimen en tanks die chemicaliėn hebben bevat.

Afdeling 4.5.
Stort- en verbrandingsverboden


Art. 4.5.1.

Voor de volgende afvalstoffen is de verwerkingshandeling « D1 – storten op of in de bodem », evenals de afvoer met het oog op het toepassen van de verwijderingshandeling « D1 – storten op of in de bodem », verboden :

afvalstoffen waarvoor overeenkomstig artikel 4.5.2 een verbrandingsverbod geldt; 

gemengd stedelijk afval; 
afvalstoffen die met het oog op de nuttige toepassing ervan afzonderlijk zijn ingezameld; 
afvalstoffen die door hun aard, hun hoeveelheid of hun homogeniteit overeenkomstig de beste beschikbare technieken in aanmerking komen voor hergebruik of voor materiaalrecyclage; 
de brandbare of voor materiaalrecyclage in aanmerking komende fracties die ontstaan bij het sorteren of voorbehandelen van huishoudelijke afvalstoffen of met huishoudelijke afvalstoffen vergelijkbare bedrijfsafvalstoffen; 
oude en vervallen geneesmiddelen. 

 


Art. 4.5.2.

§ 1.

Voor de volgende afvalstoffen zijn de verwerkingshandelingen « R1 - hoofdgebruik als brandstof of als ander middel voor energieopwekking » en « D10 - verbranding op het land » verboden, evenals de afvoer met het oog op het toepassen van de verwerkingshandelingen « R1 - hoofdgebruik als brandstof of als ander middel voor energieopwekking » en « D10 - verbranding op het land », verboden :

afvalstoffen die door hun aard, hun hoeveelheid of hun homogeniteit overeenkomstig de beste beschikbare technieken in aanmerking komen voor hergebruik of voor recyclage. Het verbod geldt evenwel niet voor handeling R1 met de volgende afvalstoffen, als de calorische waarde ervan groter is dan 11 500 kJ/kg : 
  a) plantaardig afval van land- en bosbouw; 
  b) plantaardig afval van de voedingsmiddelenindustrie; 
  c) vezelachtig plantaardig afval, afkomstig van het sorteren, ziften en wassen bij de rauwe pulp en de papierproductie; 
  d) houtafval; 
  e) kurkafval; 
bedrijfsafvalstoffen, andere dan vermeld in 1°, die niet overeenkomstig artikel 4.3.2 zijn ingezameld;
onbehandeld grofvuil.

 

Het huisvuil, zoals vermeld in het uitvoeringsplan voor huishoudelijke afvalstoffen, en het vergelijkbaar bedrijfsafval dat samen wordt opgehaald met het huisvuil, vallen niet onder het verbrandingsverbod.

 

§ 2.

Voor gesmolten dierlijke vetten afgeleid van categorie 3-materiaal is verstoking en verbranding verboden.


Art. 4.5.3.

§ 1.

De minister kan bij gemotiveerd besluit individuele afwijkingen toestaan van de verbodsbepalingen, vermeld in artikelen 4.5.1 en 4.5.2.

 

§ 2.

De afwijkingsaanvragen voor artikel 4.5.1 en 4.5.2, § 1, worden schriftelijk aangevraagd door de exploitant van de stortplaats of verbrandingsinstallatie of, in geval van uitvoer van de afvalstoffen, door de afvalstoffenproducent, -makelaar of -handelaar.

 

De afwijkingsaanvraag moet de volgende elementen bevatten :

de vermelding van de verbodsbepalingen van dit besluit waarvoor de afwijking wordt aangevraagd; 
de redenen die de afwijking motiveren, in het bijzonder in het licht van de aard en de hoeveelheden van de afvalstoffen enerzijds, en de beschikbare verwerkingscapaciteit anderzijds. 

 

De minister doet uitspraak over de afwijkingsaanvraag binnen een termijn van drie maanden na de indiening ervan. Voorafgaand aan die uitspraak wint de minister het advies in van de OVAM. De afwijkingen kunnen worden toegestaan voor maximaal twee jaar.

 

De verleende afwijkingen worden gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad en op de website van de OVAM.

 

§ 3.

De afwijkingsaanvraag voor artikel 4.5.2, § 2, wordt schriftelijk aangevraagd door de exploitant van de verbrandingsinstallatie of de exploitant van de installatie voor het verstoken van gesmolten dierlijke vetten afgeleid van categorie 3-materiaal. De aanvragen worden ingediend voor 1 december van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin men gesmolten dierlijke vetten afgeleid van categorie 3-materiaal wil verstoken of verbranden.


De afwijkingsaanvraag bevat de volgende elementen:

de vermelding van de verbodsbepalingen van dit besluit waarvoor de afwijking wordt aangevraagd;
de redenen die de afwijking motiveren, in het bijzonder in het licht van de aard en de hoeveelheden van de afvalstoffen, en de beschikbare verwerkingscapaciteit;
de vergunde en de geļnstalleerde verbrandings- of verstokingscapaciteit op het moment van de afwijkingsaanvraag.

 
Om de individuele afwijkingsaanvragen op gelijke basis te behandelen en tegelijkertijd een bepaalde mate van sturing in het kader van de afvalverwerkingshiėrarchie te behouden, bepaalt de minister jaarlijks vóór 1 januari een contingent van gesmolten dierlijke vetten afgeleid van categorie 3-materiaal die het volgende jaar verbrand of verstookt mogen worden, en verdeelt dat contingent onder de aanvragen die voor 1 december werden ingediend. Aanvragen die na 1 december ingediend worden, kunnen niet meer meegenomen worden in de voormelde verdeling.

 

De verleende afwijkingen worden bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad en op de website van de OVAM.


HOOFDSTUK 5.
Bepalingen over het beheer van specifieke materiaalkringlopen en afvalstoffen


Afdeling 5.1.
Bepalingen over het beheer van huishoudelijke afvalstoffen


Art. 5.1.1. De gemeenten passen het principe « de vervuiler betaalt » toe bij de berekening van de bijdrage in de kosten door de burger van het beheer van huishoudelijk afval dat via de gemeentelijke kanalen wordt ingezameld, rekening houdend met de werkelijke kosten overeenkomstig de bepalingen van dit besluit.

Art. 5.1.2. De bijdrage in de kosten van het beheer van huishoudelijk afval door de burger wordt berekend op basis van de specifieke dienstverlening en de kosten worden aangerekend naargelang de hoeveelheid van het afval, per gewichtseenheid, per afvalrecipiėnt of op een andere wijze.

Art. 5.1.3.

Bij het bepalen van het bedrag en de voorwaarden van de bijdrage in de kosten van het beheer van huishoudelijk afval houdt de gemeente rekening met volgende kosten :

de aankoop en de verdeling van de zakken of vignetten of andere recipiėnten, bestemd voor de inzameling van afvalstoffen; 
het onderhoud en herstel van recipiėnten, bestemd voor de inzameling van afvalstoffen; 
de afschrijving of huur van afvalcontainers; 
de huis-aan-huisinzameling van de diverse afvalstromen; 
de verwerkingskosten van de ingezamelde afvalstoffen; 
het beheer en het onderhoud van de recyclageparken of de andere inleverpunten voor afval; 
de inspanningen voor de preventie van afval; 
de sensibilisatie; 
de indirecte kosten, zoals ICT-ondersteuning, informatieverstrekking en klachtenbehandeling. 

 

De gemeente brengt daarbij onder meer de bijdragen ingevolge de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid, de opbrengst van afvalstromen en de subsidies van de gewestelijke overheid in mindering.


Art. 5.1.4.

De gemeente berekent het bedrag en de voorwaarden van de bijdrage in de kosten van het beheer van huishoudelijk afval te goeder trouw, en houdt rekening met de minima en maxima, opgenomen in bijlage 5.1.4.

 

De minima en maxima, vermeld in bijlage 5.1.4, worden jaarlijks op 1 januari aangepast op basis van de evolutie van de gezondheidsindex en wel als volgt: elk bedrag wordt vermenigvuldigd met een factor met in de teller de gezondheidsindex die van toepassing was op 1 november van het jaar dat voorafgaat aan het jaar waarin het bedrag wordt gewijzigd, en met in de noemer de gezondheidsindex die van toepassing was op 1 november van het jaar dat voorafgaat aan de vaststelling van het vigerende bedrag. Het zo verkregen getal wordt afgerond tot twee decimalen na de komma. Het derde decimaal uit de voormelde berekening wordt altijd naar boven afgerond.


Art. 5.1.5. De OVAM kan de berekeningswijze van de bijdragen in de kosten van het beheer van afvalstoffen altijd opvragen bij de gemeente. De gemeente beschikt over dertig dagen om de berekeningsnota aan de OVAM te bezorgen.

Art. 5.1.6.

Als de gemeente aantoont dat het, conform artikel 5.1.1, noodzakelijk is een hoger bedrag dan het in de vork vastgestelde maximum voor de fractie huisvuil aan te rekenen op basis van de werkelijke kosten van haar beheer van alle huishoudelijk afval, berekend conform artikel 5.1.3, kan de OVAM op gemotiveerd verzoek een afwijking verlenen van het maximum voor de fractie huisvuil, vermeld in bijlage 5.1.4.

 

Als de gemeente aantoont dat ze vanwege de specifieke lokale situatie structureel afwijkt van een omrekeningsfactor als vermeld in bijlage 5.1.4, kan de OVAM op gemotiveerd verzoek een afwijking verlenen van die omrekeningsfactor.


Art. 5.1.7.

De gemeente stimuleert hergebruik door minstens een overeenkomst te sluiten met een door de OVAM erkend kringloopcentrum. Die overeenkomst omvat minstens bepalingen over de sensibilisering, de onderlinge doorverwijsfunctie, de inzamelwijzen, het restafval en de vergoeding voor herbruikbare goederen.

 

Het erkende kringloopcentrum onderneemt geen activiteiten die kunnen leiden tot marktverstoring.


Afdeling 5.2.
Bepalingen over het beheer van sommige bijzondere afvalstoffen


Onderafdeling 5.2.1.
Afvalstoffen die ontstaan bij het onderhouden, herstellen en slopen van motorvoertuigen, motorvaartuigen, motorvliegtuigen en hun toebehoren


Art. 5.2.1.1.

De groepen van bijzondere afvalstoffen, vermeld in artikel 4.1.2, 16°, mogen niet met elkaar worden vermengd.

 

Om een efficiėnte en milieuvriendelijke verwerkingswijze van de afvalstoffen te bevorderen, moeten de afvalstoffen die ontstaan tijdens het slopen en tijdens de herstellings- of onderhoudswerkzaamheden, worden opgeslagen en ingezameld in de groepen, vermeld in artikel 4.1.2, 16°.


Onderafdeling 5.2.2.
Klein gevaarlijk afval


Art. 5.2.2.1.

De volgende afvalstoffen worden als kga beschouwd :

verven, lakken, vernissen, lijmen, siliconen, kleurstoffen, toners, inkten en inktcartridges; 

smeeroliėn, brandstoffen en antivries;

gechloreerde koolwaterstoffen, aromatische koolwaterstoffen, ontvlambare oplosmiddelen, verf- en cellulose- verdunners en terpentijn;

schoonmaak- en onderhoudsmiddelen: bijtende en gefluoreerde schoonmaakmiddelen;

de volgende ongebruikte en afgedankte chemicaliėn:

  a)

zuren; 

  b) basen;
  c)

fotografische vloeistoffen;

  d)

andere bekende chemicaliėn inclusief chloortabletten en formol;

  e)

chemische restanten met onbekende samenstelling; 

bestrijdingsmiddelen inclusief schimmelwerende beschermingsmiddelen en curatieve en preventieve houtbeschermingsmiddelen; 
batterijen en  accus;
metallisch kwik en kwikhoudende afvalstoffen inclusief gasontladingslampen; 
brandblusmiddelen;
10°

vuurwerk en vuurpijlen;

11° injectienaalden, pennaalden en bloedlancetten;
12° rookdetectoren;
13° analoge röntgenfotos en nitraatfilms;
14° niet-geperforeerde gasflessen voor eenmalig gebruik en gaspatronen;
15° technisch lege verpakkingen van kga als vermeld in punt 1°, 2°, 5°, e), en 6°, met uitzondering van antivries; 
16° technisch lege verpakkingen van kga als vermeld in punt 3° tot en met 5°, met een kindveilige sluiting;
17°

technisch lege verpakkingen van kga als vermeld in punt 3° tot en met 5°, met het symbool doodshoofd of lange termijn gezondheidsgevaarlijk conform de bepalingen van verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie;

18° technisch lege verpakkingen van kga als vermeld in punt 3° tot en met 5°, met het symbool doodshoofd of corrosief conform de bepalingen van Richtlijn 67/548/EEG van de Raad van 27 juni 1967 betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen of Richtlijn 1999/45/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 mei 1999 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke preparaten, en met het symbool doodshoofd of lange termijn gezondheidsgevaarlijk volgens de bepalingen van Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels tot wijziging en intrekking van de Richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006.

 


Art. 5.2.2.2.

Het is verboden om zich van klein gevaarlijk afval van huishoudelijke oorsprong te ontdoen op een andere wijze dan die welke omschreven wordt in dit besluit.

 

Het door of in opdracht van de gemeente ingezamelde kga mag in geen geval verwerkt worden met als bestemming of eindbestemming de voedselketen van mens of dier.


Art. 5.2.2.3.

§ 1.

De gemeenten zijn verplicht om het klein gevaarlijk afval van huishoudelijke oorsprong op regelmatige wijze selectief in te zamelen.

 

Met uitzondering van klein gevaarlijk afval van huishoudelijke oorsprong dat onderworpen is aan een aanvaardingsplicht of terugnameplicht in het kader van het samenwerkingsakkoord van 4 november 2008 betreffende de preventie en het beheer van verpakkingsafval, wordt het klein gevaarlijk afval ingezameld op kosten van de gemeente.

 

§ 2.

Als de inzameling van het klein gevaarlijk afval van huishoudelijke oorsprong daardoor niet wordt gehinderd, kunnen de gemeenten klein gevaarlijk afval van vergelijkbare bedrijfsmatige oorsprong inzamelen. Dat klein gevaarlijk afval wordt ingezameld op kosten van de afvalstoffenproducent.

 

§ 3.

De gescheiden inzameling moet, naar keuze, ten minste gebeuren door een van de volgende inzamelwijzen :

bij recyclageparken in een inrichting voor de aanvoer en aanvaarding van kga; 
het kga regelmatig laten ophalen door daartoe geregistreerde inzamelaars, afvalstoffenhandelaars of -makelaars per wijk of per straat, of huis aan huis; 
een combinatie van de inzamelwijzen, vermeld in 1° en 2°. 

 


Art. 5.2.2.4.

§ 1.

Het kga moet, afzonderlijk van andere afvalstoffen, aangeboden worden in een daartoe geschikt recipiėnt.

 

Het kga, vermeld in artikel 5.2.2.1, 11°, moet worden aangeboden in een naaldcontainer die voldoet aan de ADR-reglementering.

 

§ 2.

De afvalstoffen die als kga worden ingezameld overeenkomstig paragraaf 1, zijn geen gevaarlijke afvalstoffen zolang de afvalstoffen in de inrichting bij het recyclagepark zijn opgeslagen en door die inrichting niet zijn afgegeven aan een geregistreerde inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar.

 

§ 3.

De selectieve ophaling van kga verloopt per wijk, per straat, of huis aan huis, uitsluitend met daartoe geschikte voertuigen.

 

Het kga moet aan het ophaalvoertuig worden aangeboden in een daartoe geschikte recipiėnt.

 

Het kga, vermeld in artikel 5.2.2.1, 11°, moet worden aangeboden in een naaldcontainer die voldoet aan de ADR-reglementering.

 

Het kga wordt door de begeleider van het ophaalvoertuig gecontroleerd en gesorteerd op een manier die elk risico vermijdt.

 

Het gesorteerde kga wordt opgeslagen in de daartoe gereserveerde compartimenten van het ophaalvoertuig, dat verlucht moet zijn.

 

§ 4.

De afvalstoffen die als kga worden ingezameld overeenkomstig paragraaf 1, zijn geen gevaarlijke afvalstoffen zolang die afvalstoffen niet zijn afgegeven aan een inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar.


Onderafdeling 5.2.3.
Medisch afval


Art. 5.2.3.1.

§ 1.

Medische afvalstoffen worden onderverdeeld in :

risicohoudende medische afvalstoffen : afvalstoffen die een bijzonder risico inhouden doordat ze een microbiologische of virale besmetting, een vergiftiging of een verwonding met zich kunnen meebrengen, of afvalstoffen die om ethische redenen een bijzondere behandeling vereisen;  
niet-risicohoudende medische afvalstoffen : afvalstoffen die geen bijzonder risico inhouden en die door hun aard vergelijkbaar zijn met huishoudelijke afvalstoffen, maar door hun samenstelling of waardebeleving niet vergelijkbaar zijn met huishoudelijke afvalstoffen. 

 

 

§ 2.

Elke vermenging en elke gezamenlijke verpakking van de afvalstoffen, vermeld in paragraaf 1, en elke vermenging en elke gezamenlijke verpakking van de afvalstoffen, vermeld in paragraaf 1, 1°, met huishoudelijke afvalstoffen of met de met huishoudelijke afvalstoffen vergelijkbare bedrijfsafvalstoffen, heeft tot gevolg dat die afvalstoffen tot de risicohoudende medische afvalstoffen worden gerekend en overeenkomstig beheerd moeten worden.

 

Elke vermenging en elke gezamenlijke verpakking van de afvalstoffen, vermeld in paragraaf 1, 2°, met huishoudelijke afvalstoffen of met huishoudelijke afvalstoffen vergelijkbare bedrijfsafvalstoffen, heeft tot gevolg dat die afvalstoffen tot de niet-risicohoudende medische afvalstoffen worden gerekend en overeenkomstig beheerd moeten worden.

 

De verplichtingen van artikel 4.3.2. zijn onverminderd van toepassing op vaste niet-risicohoudende medische afvalstoffen.

 

§ 3.

Een lijst van de verschillende medische afvalstoffen, vermeld in paragraaf 1, is opgenomen in bijlage 5.2.3.A.

 

§ 4.

Medische afvalstoffen die niet voorkomen op de lijst, vermeld in paragraaf 3, moeten door de instelling voor geneeskunde of de geneeskundige praktijk ingedeeld worden bij de risicohoudende of niet-risicohoudende medische afvalstoffen.

 

§ 5.

Medische afvalstoffen die niet voorkomen op de lijst, vermeld in paragraaf 3, en waarover twijfel kan bestaan met betrekking tot het risicohoudende karakter ervan, moeten beheerd worden als risicohoudende medische afvalstoffen.

 

§ 6.

De lijst van medische afvalstoffen, vermeld in paragraaf 3, aangevuld met alle aanvullende risicohoudende en niet-risicohoudende medische afvalstoffen, vermeld in paragraaf 4 en 5, moet binnen elke instelling voor geneeskunde en elke geneeskundige praktijk ter beschikking worden gesteld van de toezichthouder en van elke persoon die betrokken is bij de productie en de behandeling van medische afvalstoffen.

 

§ 7.

Risicohoudende medische afvalstoffen die in aanmerking komen voor decontaminatie, worden, na een afdoende decontaminatie overeenkomstig de bepalingen van subafdeling 5.2.2.13 van titel II van het VLAREM, beschouwd als vaste niet-risicohoudende medische afvalstoffen en worden overeenkomstig beheerd.

 

§ 8.

Elke vermenging en elke gezamenlijke verpakking van risicohoudende medische afvalstoffen die in aanmerking komen voor decontaminatie, met huishoudelijke afvalstoffen of met bedrijfsafvalstoffen die door de aard en samenstelling ervan vergelijkbaar zijn met huishoudelijke afvalstoffen, heeft tot gevolg dat die afvalstoffen worden beschouwd als risicohoudende medische afvalstoffen die in aanmerking komen voor decontaminatie.

 

§ 9.

Elke vermenging en elke gezamenlijke verpakking van risicohoudende medische afvalstoffen die in aanmerking komen voor decontaminatie, met risicohoudende medische afvalstoffen die niet in aanmerking komen voor decontaminatie, heeft tot gevolg dat die afvalstoffen niet meer in aanmerking komen voor decontaminatie en
moeten worden beschouwd als risicohoudende medische afvalstoffen.

 

§ 10.

Ggo’s en pathogene organismen van inrichtingen die ingedeeld zijn in rubriek 51 van de indelingslijst, vermeld in artikel 5.2.1, § 1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid vallen onder de bepalingen van deze rubriek. Decontaminatie sluit de mogelijkheden van ingeperkt gebruik niet uit.


Art. 5.2.3.2. Alle andere stoffen, vloeistoffen en producten, met uitzondering van steriliseerbare en herbruikbare medische instrumenten of producten die rechtstreeks in aanraking komen met risicohoudend medisch afval, moeten als zodanig worden beheerd.

Art. 5.2.3.3.

Risicohoudend medisch afval moet worden verpakt in recipiėnten die ten minste voldoen aan de eisen van het Europees verdrag betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke goederen over de weg, ondertekend op 30 september 1957 in Genčve en goedgekeurd bij de wet van 10 augustus 1960, hierna ADR-reglementering te noemen, en die voldoen aan de volgende bijkomende voorwaarden :

vloeibare en pasteuze afvalstoffen, met inbegrip van de afvalstoffen, vermeld in punten 1.4 en 1.7 van bijlage 5.2.3.A, worden opgeborgen in eenmalig te gebruiken vormvaste recipiėnten;   
vaste afvalstoffen, met uitzondering van afvalstoffen besmet met een infectueuze stof als vermeld in artikel 2.2.62.1.4.1 van de ADR-reglementering, worden opgeborgen in een eenmalig te gebruiken recipiėnt.   
risicohoudende medische afvalstoffen die in aanmerking komen voor decontaminatie, worden voorafgaand aan het decontaminatieproces :  
  a) bij transport buiten de instelling : verpakt als vermeld in punt 1°;  
  b) bij transport binnen de instelling, met als doel de afvalstoffen te vervoeren naar de decontaminatie-installatie of naar de opslagruimte waar de betreffende afvalstoffen opgeslagen worden voor decontaminatie, verpakt op een van de volgende wijzen :  
    1) verpakt in kartonnen dozen met een binnenzak, vervaardigd uit een kunststofsoort die aangepast is aan de aard en het gewicht van de inhoud, goed afsluitbaar en lekvrij;  
    2) verpakt in lekdichte zakken, vervaardigd uit een kunststofsoort met een dubbele wand die voldoende dik is om scheuren tijdens intern transport of opslag, voorafgaande aan decontaminatie, te voorkomen, met dubbele lasnaden, aangepast aan de aard en het gewicht van de inhoud, goed afsluitbaar en lekvrij. De zakken worden voor opslag en transport verzameld in duidelijk identificeerbare, vormvaste, geschikte transportmiddelen.  
  Het afval dat gedecontamineerd moet worden, wordt getransporteerd overeenkomstig artikel 5.2.3.11, 1°. De shredder van de decontaminatie-installatie moet in staat zijn de gebruikte recipiėnt te vermalen tot de voorbestemde deeltjesdiameters.  

 


Art. 5.2.3.4.

Met behoud van de bepalingen van de ADR-reglementering wordt op elke recipiėnt van risicohoudend medisch afval door de fabrikant van de recipiėnt de vermelding « risicohoudend medisch afval » aangebracht. De vermelding « risicohoudend medisch afval » is waterbestendig en wordt, in zwarte drukletters van minimaal 2 centimeter hoog, gekleefd, gedrukt of in reliėf gezet op een gele achtergrond van minimaal een A4-formaat.

 

Op elke vormvaste recipiėnt of op een gesloten container van risicohoudend medisch afval wordt door de instelling voor geneeskunde of de geneeskundige praktijk de naam, het adres en het telefoonnummer van de instelling voor geneeskunde of de geneeskundige praktijk in kwestie aangebracht.

 

De naam, het adres en het telefoonnummer van de inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar wordt door hem zelf aangebracht op elke oververpakking van risicohoudend medisch afval die bij dezelfde producent van medisch afval wordt opgehaald.

 

De datum van de ophaling wordt door de instelling voor geneeskunde, door de geneeskundige praktijk of door de inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar onder toezicht van de instelling voor geneeskunde of van de geneeskundige praktijk aangebracht op elke oververpakking van risicohoudend medisch afval.


Art. 5.2.3.4/1.

Met behoud van de bepalingen van de ADR-reglementering wordt op elke recipiėnt van risicohoudend medisch afval, die in aanmerking komt voor decontaminatie, door de fabrikant van de recipiėnt de vermelding ’risicohoudend medisch afval voor decontaminatie’ aangebracht. De vermelding ‘’risicohoudend medisch afval voor decontaminatie’ is waterbestendig en wordt in zwarte drukletters van minimaal 2 cm hoog gekleefd, gedrukt of in reliėf gezet op een groene achtergrond van minimaal een A4-formaat.


Na decontaminatie als vermeld in subafdeling 5.2.2.13 van titel II van het VLAREM, worden de gedecontamineerde afvalstoffen aangezien als vaste niet-risicohoudende medische afvalstoffen en moeten de recipiėnten voldoen aan de bepalingen, vermeld in artikel 5.2.3.5 en 5.2.3.6 van dit besluit.


Op de recipiėnten, vermeld in artikel 5.2.3.10, voor intern transport, voorafgaande aan het decontaminatieproces, in een installatie die gevestigd is in de instelling voor geneeskunde, wordt ten minste de afdeling van de inrichting vermeld waar de afvalstoffen ontstaan zijn. Artikel 5.2.3.4 is niet van toepassing op die recipiėnten.


Art. 5.2.3.5.

Niet-risicohoudend medisch afval kan, afhankelijk van de fysische toestand ervan, verpakt worden overeenkomstig artikel 5.2.3.3 en 5.2.3.4 en moet minstens als volgt verpakt worden :

vloeibare en pasteuze afvalstoffen worden opgeborgen in een recipiėnt als vermeld in artikel 5.2.3.3,1°; 
vaste afvalstoffen worden opgeborgen in een eenmalig te gebruiken, blauwe zak, vervaardigd uit een halogeenvrije kunststofsoort met een maximaal gehalte aan gerecycleerde kunststoffen. De zak heeft dubbele lasnaden, is weinig doorzichtig, scheurbestendig, goed afsluitbaar, lekvrij en aangepast aan de aard en het gewicht van de inhoud. 

 


Art. 5.2.3.6. Op elke recipiėnt of elke zak van niet-risicohoudend medisch afval wordt door de fabrikant van de recipiėnt of van de zak de vermelding « niet-risicohoudend medisch afval » aangebracht. Die vermelding is waterbestendig en wordt in zwarte drukletters van minimaal 2 centimeter hoog, gekleefd, gedrukt of in reliėf gezet.

Art. 5.2.3.7.

Artikelen 5.2.3.5, 2° en 5.2.3.6 zijn niet van toepassing op vast niet-risicohoudend medisch afval dat voortkomt uit de geneeskundige praktijk.


Art. 5.2.3.8.

De minister kan op gemotiveerd verzoek een afwijking verlenen van de bepalingen, vermeld in artikelen 5.2.3.3 tot en met 5.2.3.6, met uitzondering van de bepalingen die betrekking hebben op de ADRreglementering.

 

De aanvraag tot afwijking wordt door de producent van de verpakking of in zijn naam met een beveiligde zending verzonden aan de OVAM en de afdeling Toezicht Volksgezondheid van het Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid.

 

Als de aanvraag onvolledig is, wordt de aanvrager daarvan uiterlijk dertig kalenderdagen na de ontvangst van de aanvraag schriftelijk op de hoogte gebracht.

 

Binnen een termijn van dertig kalenderdagen na ontvangst van de volledig verklaarde aanvraag brengen de OVAM en de afdeling Toezicht Volksgezondheid van het Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid een advies uit bij de minister.

 

De minister doet binnen een termijn van dertig kalenderdagen na de ontvangst van de adviezen van de OVAM en de afdeling Toezicht Volksgezondheid van het Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid een uitspraak over de afwijkingsaanvraag.


Art. 5.2.3.9. Elke recipiėnt of elke zak wordt nadat hij volledig gevuld is, onmiddellijk gesloten. Daarbij wordt elke recipiėnt, conform de instructies van de fabrikant van de recipiėnt, definitief gesloten.

Art. 5.2.3.10.

Gevulde en definitief gesloten recipiėnten van medisch afval moeten elke werkdag, met aangepaste middelen, om elke beschadiging van de verpakking te voorkomen, van de afdeling of plaats van productie naar een centrale, interne inzamelplaats worden overgebracht.

 

De daartoe aangewende transportmiddelen, die desinfecteerbaar zijn, moeten geregeld gereinigd en, indien nodig, gedesinfecteerd worden om het ontstaan van microbiologische broeihaarden te voorkomen. Wanneer de recipiėnt niet vormvast is, moet hij ten laatste na de inzameling op de afdelingen worden opgeborgen in gesloten containers.


Art. 5.2.3.11.

Met behoud van de toepassing van de bepalingen van titel II van het VLAREM, bijzondere milieuvoorwaarden zoals vermeld in artikel 72 van het decreet betreffende de omgevingsvergunning die in de verleende omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit ter zake kunnen worden opgelegd, moet de centrale, interne inzamelplaats van medisch afval voldoen aan de volgende voorwaarden :

voor risicohoudend medisch afval : 
  a) de inzamelplaats kan uitsluitend worden ingericht in een gesloten en overdekte, koele opslagruimte of in een gesloten container buiten het eventuele beddengebouw; 
  b) de inzamelplaats is niet toegankelijk voor onbevoegden en voor dieren; 
  c) de inzamelruimte en de container moeten gemakkelijk bereikbaar zijn, zowel met de interne transportmiddelen als met de externe transportmiddelen die worden ingezet voor de ophaling; 
  d) de grootte van de inzamelruimte en van de container moet aangepast zijn aan de periodieke aanvoer van de afvalstoffen; de inzamelruimte moet op regelmatige tijdstippen geleegd worden, conform de bepalingen van dit besluit om elke overlading en elke vorming van microbiologische broeihaarden of geurhinder te voorkomen. Hetzelfde geldt voor de container die evenwel in zijn geheel kan worden opgehaald; 
  e) elke recipiėnt in de inzamelruimte en in de container moet intact blijven. Beschadigde recipiėnten moeten op veilige wijze worden overgebracht in aangepaste bergingsverpakkingen; 
  f) de inzamelruimte en de container zijn slechts beperkt toegankelijk voor de bevoegde personen. Ze zijn vrij van ongedierte en worden nadat ze geleegd zijn, verlucht en gereinigd en indien nodig gedesinfecteerd om het ontstaan van microbiologische broeihaarden te voorkomen; 
  g) de recipiėnten moeten zo gestapeld worden dat ze niet omvallen en dat ze gemakkelijk, snel, veilig en met een minimum aan manipulatie door de inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar kunnen worden geladen; 
  h) de inzamelruimte en de container moeten voldoen aan de volgende technische vereisten :  
    1) ze zijn eenvoudig en efficiėnt te reinigen, te desinfecteren en te verluchten; 
    2) de vloeren en de wanden ervan zijn vloeistofdicht, bestand tegen ontsmettingsmiddelen, voldoende effen en gemakkelijk afwasbaar; 
    3) ze zijn aan de buitenzijde voorzien van de vermelding « inzamelruimte voor risicohoudend medisch afval – toegang verboden voor onbevoegden », samen met het logo van risicohoudend medisch afval. Die vermelding is in zwarte, duidelijk leesbare drukletters op een gele achtergrond aangebracht; 
Voor niet-risicohoudend medisch afval : 
  a)  vloeibare en pasteuze afvalstoffen moeten opgeslagen worden op de wijze vermeld in 1° van dit artikel, al dan niet samen met het daar vermelde risicohoudend medisch afval; 
  b) vaste afvalstoffen moeten opgeslagen worden in een inzamelruimte of in lekvrije containers of perscontainers, binnen het terrein van de instelling, op een of meer vaste, aan het zicht onttrokken locaties die gemakkelijk bereikbaar zijn voor de interne en externe transportmiddelen, en waarvan de toegang voor onbevoegden verboden is; 
  c) het volume van de inzamelruimte, van de containers en de perscontainers moet aangepast zijn aan de periodieke aanvoer van de afvalstoffen. Ze moeten op regelmatige tijdstippen geledigd worden, conform de bepalingen van dit besluit, om elke overlading, vorming van microbiologische broeihaarden of geurhinder te voorkomen; 
  d) elke locatie waar de containers of perscontainers zich bevinden, wordt na ophaling van de containers of perscontainers gereinigd en, indien nodig, gedesinfecteerd om het ontstaan van microbiologische broeihaarden te voorkomen. 
voor risicohoudende medische afvalstoffen die in aanmerking komen voor decontaminatie :
  a) het transport naar de inzamelplaats gebeurt met behulp van geschikte transportmiddelen die na ophaling in de afdelingen in de inzamelruimte worden geplaatst. De transportmiddelen zijn onderworpen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 5.2.3.10. Als gewerkt wordt met een decontaminatie-installatie met automatische belading, worden transportmiddelen gebruikt die daarvoor geschikt zijn;
  b) de inzameling en opslag van de recipiėnten, vermeld in artikel 5.2.3.3, gebeurt volgens de frequenties, vermeld in artikel 5.2.3.10. De inzamelplaats kan uitsluitend worden ingericht in een gesloten en overdekte, koele opslagruimte. De inzamelplaats is fysiek gescheiden van de inzamelplaats van risicohoudende medische afvalstoffen die niet in aanmerking komen voor decontaminatie en mag buiten risicohoudend medisch afval geen andere opslag omvatten;
  c) de inzamelruimte voor te decontamineren risicohoudend medisch afval voldoet aan de voorwaarden voor de opslagplaatsen van risicohoudend medisch afval met als bijkomende voorwaarde dat de inzamelruimte is opgedeeld in een reine en onreine zone om fysiek contact te vermijden tussen gedecontamineerde afvalstoffen en afvalstoffen die nog niet gedecontamineerd zijn.

Art. 5.2.3.12. Elke instelling voor geneeskunde is verantwoordelijk voor het opmaken en het aan de betrokken personeelsleden en de toezichthouder ter beschikking stellen van de richtlijnen over het opslaan van medisch afval. De opslag van die afvalstoffen, de reiniging en eventuele desinfectie van de interne transportmiddelen, de opslagruimten, de containers of de perscontainers, alsook de regelmatige, tijdige afvoer ervan en het toezicht daarop gebeuren onder de verantwoordelijkheid van de instelling voor geneeskunde.

Art. 5.2.3.13.

Risicohoudend medisch afval en vloeibaar en pasteus niet-risicohoudend medisch afval in de geneeskundige praktijk worden opgeslagen in de beschikbare recipiėnten overeenkomstig de bepalingen, vermeld in artikelen 5.2.3.3 tot en met 5.2.3.9. De definitief gesloten recipiėnten worden, in afwachting van de verwijdering ervan, opgeslagen, in de geneeskundige praktijk, of in een lokaal dat gescheiden is van elke woon- of leefruimte en dat niet toegankelijk is voor onbevoegden. Elke recipiėnt in de inzamelruimte en in de container moet intact blijven. Beschadigde recipiėnten moeten op veilige wijze worden overgebracht in aangepaste bergingsverpakkingen.


Art. 5.2.3.14. Het vast niet-risicohoudend medisch afval kan in de geneeskundige praktijk samen met de huishoudelijk vergelijkbare bedrijfsafvalstoffen, worden verzameld en afgegeven.

Art. 5.2.3.15.

Het vervoermiddel van de beoefenaar van een geneeskundig beroep moet bij het vervoer van risicohoudend medisch afval niet voldoen aan de voorwaarden, vermeld in artikel 5.2.3.16.


Art. 5.2.3.16.

Met behoud van de toepassing van elke andere wettelijke en reglementaire bepaling gelden voor de afzonderlijke ophaling en het vervoer van medisch afval de volgende voorwaarden :

risicohoudend medisch afval en vloeibaar of pasteus niet-risicohoudend medisch afval worden ingezameld en vervoerd met een transporteenheid die voldoet aan de ADR-reglementering; 
bij het vervoeren van risicohoudend medisch afval en vloeibaar of pasteus niet-risicohoudend medisch afval : 
  a) moeten lekkende recipiėnten onmiddellijk in een bergingsverpakking worden overgebracht; 
  b) als bij een volgende ophaling gevaar bestaat voor vervuiling of besmetting van de lading, wordt de laadruimte van de transportmiddelen om microbiėle broeihaarden te voorkomen deskundig en aantoonbaar droog gereinigd en gedesinfecteerd met opvang van de residu’s voor verbranding. Indien nodig gebeurt een natte reiniging; 
  c) elke manuele behandeling van de recipiėnten moet bij de ophaling tot een minimum beperkt worden; 
  d) de bestuurderscabine bevat voldoende materiaal voor het wassen en ontsmetten van de handen van de bestuurder; 
voor de container met risicohoudend en vloeibaar of pasteus niet-risicohoudend medisch afval, vermeld in artikel 5.2.3.11 : 
  a) de ophaling en het vervoer van de container moet gebeuren met een transporteenheid die voldoet aan de ADR reglementering; 
  b) de inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar stelt duidelijke, schriftelijke instructies op zowel voor de ophaling en het vervoer van de afvalstoffen als voor noodgevallen. De instructies zijn steeds binnen handbereik te vinden in de transporteenheid, op een duidelijk zichtbare plaats; 
voor vast niet-risicohoudend medisch afval : 
  a) bij het persen van de afvalstoffen moet het vrijkomen van lekvloeistoffen tot een minimum beperkt worden; 
  b) elke manuele behandeling van de recipiėnten moet bij de ophaling tot een minimum beperkt worden. 
risicohoudende afvalstoffen die in aanmerking komen voor decontaminatie worden na decontaminatie overeenkomstig de bepalingen, vermeld in subafdeling 5.2.2.13 van titel II van het VLAREM, behandeld als vaste niet-risicohoudende medische afvalstoffen en voldoen bijgevolg aan de voorwaarden, vermeld in punt 4°.

 


Art. 5.2.3.17.

Met behoud van de toepassing van de bepalingen, van titel II van het VLAREM, bijzondere milieuvoorwaarden zoals vermeld in artikel 72 van het decreet betreffende de omgevingsvergunning die in de verleende omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit ter zake kunnen worden opgelegd, moet elke inzamelplaats van medisch afval buiten de instelling voor geneeskunde, buiten de geneeskundige praktijk en buiten de inrichting vergund voor de definitieve verwerking van medisch afval voldoen aan de bepalingen, vermeld in artikel 5.2.3.11.

 

Medisch afval dat in daartoe vergunde externe opslaglokalen wordt opgeslagen, moet daar ten laatste vijf werkdagen na ophaling bij de producent worden opgehaald.

 

Medisch afval dat in het vervoersmiddel wordt opgeslagen in afwachting van verdere verwerking, moet ten laatste 72 u. na ophaling bij de producent worden verwerkt.

 

Medisch afval afkomstig van geneeskundige praktijken en dat alleen bestaat uit naalden en scherpe voorwerpen moet binnen 14 kalenderdagen na ophaling bij de producent afgevoerd worden naar de verwerkingsinrichting.


Art. 5.2.3.18. Het storten van medisch afval, afkomstig van de instelling voor geneeskunde, en van risicohoudend medisch afval, afkomstig van de geneeskundige praktijk, is verboden.

Art. 5.2.3.19.

Risicohoudend medisch afval en vloeibaar en pasteus niet-risicohoudend medisch afval moet verbrand worden.

 

Risicohoudende medische afvalstoffen die in aanmerking komen voor decontaminatie, mogen samen met risicohoudende medische afvalstoffen en vloeibare en pasteuze niet-risicohoudende medische afvalstoffen verbrand worden. Daarnaast mogen ze gedecontamineerd worden volgens de voorschriften, vermeld in subafdeling 5.2.2.13 van titel II van het VLAREM, waarna ze verbrand worden als vaste niet-risicohoudende medische afvalstoffen.


Art. 5.2.3.20.

De verwerking van niet-risicohoudend medisch afval is niet onderworpen aan de bepalingen, vermeld in artikel 4.5.3.


Onderafdeling 5.2.4.
Afgedankte voertuigen


Art. 5.2.4.1.

§ 1.

Elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die afgedankte voertuigen depollueert, demonteert, vernietigt (met inbegrip van indrukken) of een andere behandeling op afgedankte voertuigen uitvoert, moet erkend zijn als centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen of moet een beroep doen op een centrum dat erkend is voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen dat behoort tot dezelfde milieutechnische eenheid.


Het erkende centrum moet de aangenomen afgedankte voertuigen depollueren en ontdoen van de verplicht te ontmantelen onderdelen overeenkomstig artikel 5.2.2.6.4, § 2, van titel II van het VLAREM. Na depollutie en demontage zorgt het erkende centrum voor de vernietiging van de afgedankte voertuigen.

 

§ 2.

Werkplaatsen voor het nazicht, de herstelling en het onderhouden van motorvoertuigen (met inbegrip van carrosseriewerkzaamheden) hoeven niet erkend te zijn als centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen op voorwaarde dat ze de gedemonteerde onderdelen alleen inzetten bij de herstellingen die uitgevoerd worden in de eigen werkplaats, dat ze het gebruik van de gedemonteerde onderdelen vermelden op de facturen van de herstelling, dat ze niet meer dan vijf afgedankte voertuigen opslaan, dat ze jaarlijks niet meer dan vijftien afgedankte voertuigen daarvoor demonteren en dat de voorraad van gedemonteerde onderdelen niet meer bedraagt dan het totaal van onderdelen afkomstig van dertig afgedankte voertuigen. Ze houden daarvoor een register bij dat de volgende gegevens bevat :

de datum waarop het voertuig materieel de inrichting binnenkomt;
het chassisnummer van het voertuig;
de reden van aanwezigheid : voor demontage van onderdelen of aanvaard in het kader van de aanvaardingsplicht zonder demontage van onderdelen;
de datum van verzending van het voertuig.


Het register moet ingevuld worden op het moment dat het voertuig de inrichting binnenkomt. Het register dat in gebruik is, moet zich in de beroepslokalen bevinden in elke vestiging van het bedrijf.


Art. 5.2.4.2.

§ 1.

De houder moet zich ontdoen van een voertuig :

als het niet is voorzien van de volgende boorddocumenten of als de eigenaar van het voertuig die niet binnen een maand kan voorleggen :
a) een geldige inschrijving;
b) een geldige keuring, tenzij het voertuig er niet over moet beschikken conform het koninklijk besluit van 15 maart 1968 houdende algemeen reglement op de technische eisen waaraan de auto’s, hun aanhangwagens, hun onderdelen en hun veiligheidstoebehoren moeten voldoen;
als de geldigheidsduur van de laatste reglementaire keuring, uitgereikt door een instelling van de technische keuring van een lidstaat van de Europese Unie, meer dan twee jaar verstreken is; 
vanaf twee jaar na de datum waarop het voertuig voor de eerste keer gekeurd had moeten zijn als het in gebruik was gebleven; 
[...] als het een technisch totaal verlies betreft. 

 

Die verplichting geldt evenwel niet voor :

oldtimers ingeschreven in het repertorium van de motorvoertuigen en de aanhangwagens of voertuigen met historische waarde ouder dan 25 jaar die zich slechts bij uitzondering op de openbare weg bevinden; 
voertuigen die als verzamelobject met duidelijke zorg, minstens overdekt en voorzien van een lekbak onder potentieel lekkende mechanische onderdelen bewaard worden;; 
voertuigen die het voorwerp uitmaken van een gerechtelijk onderzoek of een inbeslagname en die nog niet vrijgegeven zijn; 
voertuigen die gebruikt worden voor didactische doeleinden; 
voertuigen die gebruikt worden voor rallycross op voorwaarde dat ze voldoen aan de volgende vereisten :  
a) ze zijn voorzien van de nodige verstevigingen (rolkooi of verstevigingsbalken); 
b) het glas is gedemonteerd;  
c) de binnenbekleding in het voertuig is verwijderd, met uitzondering van de bekleding van de bestuurderszetel. 

 

 

§ 2.

Alle afgedankte voertuigen moeten worden ingeleverd bij een punt van inontvangstname, aangewezen door de voertuigproducenten, of bij een erkend centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen.

 

De punten van inontvangstname leveren de aanvaarde afgedankte voertuigen in bij een erkend centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen.

 

Bij de afgedankte voertuigen zijn bij inlevering de boorddocumenten aanwezig, namelijk het inschrijvingsbewijs [...] en het keuringsbewijs, tenzij paragraaf 1, 1°, van toepassing is.

 

§ 3.

De termijnen waarbinnen de afgedankte voertuigen moeten worden ingeleverd bij een erkend centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen, bedragen :

één maand vanaf het verstrijken van de termijn waarbinnen de ontbrekende documenten, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 1° moeten worden voorgelegd; 
twee jaar vanaf het verlopen van de geldigheidsdatum van de geldige keuring, uitgereikt door een instelling van de technische keuring van een EU-lidstaat, tenzij men alsnog over een geldige keuring beschikt;  
twee jaar vanaf de datum waarop het voertuig voor de eerste keer gekeurd had moeten zijn als het in gebruik was gebleven, tenzij men alsnog over een geldige keuring beschikt; 

4° 

een maand nadat het voertuig een technisch totaal verlies werd tenzij binnen een maand de rehabilitatieprocedure is opgestart.

 

 

§ 4.

Met het oog op de nakoming van die verplichtingen vermeldt het register, vermeld in onderafdeling 7.2.1, ook het chassisnummer van de aan- en afgevoerde afgedankte voertuigen.


Art. 5.2.4.3.

§ 1.

Het is verboden om afgedankte voertuigen die nog niet door een erkend centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen werden gedepollueerd overeenkomstig artikel 5.2.2.6.4, § 2, van titel II van het VLAREM, te vernietigen, met inbegrip van pletten en indrukken.

 

§ 2.

Elk erkend centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen vereist de volgende technische capaciteiten van de uitbater en van zijn materieel en infrastructuur :

een geijkt weegtoestel, een infrastructuur die depollutie en demontage van onderdelen, vloeistoffen, gassen en materialen toelaat, en een mogelijkheid tot het vernietigen van de afgedankte voertuigen. Bij wijze van uitzondering kan een contract gelden met een bedrijf dat over de vernietigingsmogelijkheid beschikt en dat zich op een aanpalend terrein bevindt; 
het nodige rollend materieel, enerzijds voor het intern verplaatsen van afgedankte voertuigen en opslagvoorzieningen van afgetapte vloeistoffen en gedemonteerde onderdelen, en anderzijds voor de aan- en afvoer van de afgedankte voertuigen als wordt geopteerd voor vervoer in eigen beheer; 
het nodige personeel om de operationele taken van het erkende centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen te kunnen vervullen. 

 

 

§ 3.

Zodra een afgedankt voertuig of onderdelen van voertuigen bij een erkend centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen ingeleverd worden, is het erkende centrum volledig verantwoordelijk voor de verwerking ervan. Het afgedankte voertuig wordt zo degelijk mogelijk verwerkt vanuit technisch en markteconomisch oogpunt en op een milieuvriendelijke wijze. Het erkende centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen moet zijn efficiėntiegestaag verhogen en verbeteren, onder meer door efficiėntere verwerkingsmethoden te ontwikkelen.

 

§ 4.

Bij de depollutie, ontmanteling en verwerking van de materialen en onderdelen van de afgedankte voertuigen behaalt het erkende centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen de doelstellingen inzake hergebruik en nuttige toepassing ter uitvoering van de aanvaardingsplicht, vermeld in onderafdeling 3.4.2. De voertuigproducenten of degenen die door hen zijn aangesteld ter uitvoering van de aanvaardingsplicht, vermeld in onderafdeling 3.4.2, verstrekken aan het erkende centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen de informatie over de bereikte percentages inzake nuttige toepassing van die materialen en onderdelen. De erkende centra voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen leveren het bewijs van de bestemming van de materialen. Als er geen vergunning vereist is, leveren de erkende centra voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen de materialen af aan bedrijven die uitgerust zijn met de beste beschikbare technieken.

 

§ 5.

Het erkende centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen bezorgt de laatste houder of eigenaar van het afgedankte voertuig, voor het afgedankte voertuig het terrein verlaat, gratis een certificaat van vernietiging dat minstens de gegevens bevat, vermeld in bijlage 5.2.4. Het erkende centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen vernietigt alle aanwezige boorddocumenten van het vernietigde afgedankte voertuig, namelijk de geldige inschrijving en de geldige keuring met inachtneming van de nodige beveiligingsmaatregelen, en bezorgt de gegevens van alle afgedankte voertuigen elektronisch aan de bevoegde overheid voor de definitieve uitschrijving,vermeld in artikel 34, § 4, van het koninklijk besluit van 20 juli 2001 betreffende de inschrijving van voertuigen, en voor de schrapping bij vernietiging van de registratie in de Kruispuntbank van de voertuigen,vermeld in artikel 32 van de wet van 19 mei 2010 houdende oprichting van de Kruispuntbank van de voertuigen. Het beheersorganisme voor afgedankte voertuigen voorziet in de nodige functionaliteit in het datacommunicatiesysteem met centrale databank om de gegevens van de afgedankte voertuigen elektronisch te bezorgen. De certificaten van vernietiging die door een lidstaat van de Europese Unie of door een van de twee andere Belgische gewesten worden afgegeven, gelden ook voor het Vlaamse Gewest.

 

§ 6.

Het erkende centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen verleent minstens per kwartaal alle informatie die in het kader van de aanvaardingsplicht, vermeld in onderafdeling 3.4.2, moet worden bijgehouden of verstrekt, aan de voertuigproducenten of aan degenen die door hen zijn aangesteld. Als de eindverkopers, tussenhandelaars of voertuigproducenten voor de nakoming van hun aanvaardingsplicht, vermeld in onderafdeling 3.4.2, een beroep doen op een beheersorganisme [...], zullen de gegevens ter beschikking gesteld worden van een geüniformiseerd, geļnformatiseerd datacommunicatiesysteem met de centrale databank van het beheersorganisme, volgens een door dit organisme vast te leggen procedure en periodiciteit. Het chassisnummer van een afgedankt voertuig dat het erkende centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen verlaat, wordt voorafgaandelijk meegedeeld aan het beheersorganisme.

 

§ 7.

Op elk moment moet op verzoek van de toezichthouder een geactualiseerde lijst kunnen worden voorgelegd van de afgedankte voertuigen, alsook van de afvalstoffen en materialen die aanvaard werden of van de hand gedaan werden, en die aanwezig zijn op de inrichting.

 

§ 8.

Het erkende centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen verleent op uitdrukkelijk verzoek van de OVAM de volgende gegevens in verband met de materialenstroom, waarbij het gewicht wordt uitgedrukt in kilogram :

een overzicht van de aangevoerde afgedankte voertuigen met vermelding van het aantal, het totaalgewicht per categorie M1 of N1, en lijsten van de chassisnummers;  
een overzicht van de afgevoerde afgedankte voertuigen, met vermelding van het aantal, het totaalgewicht per categorie M1 of N1, en de lijsten van de chassisnummers; 
een overzicht van de afgevoerde materialen volgens hun gewicht en totaal per bestemming. 

Art. 5.2.4.4.

Om als centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen erkend te zijn, moet voldaan worden aan de volgende vereisten :

natuurlijke personen moeten aan de volgende voorwaarden beantwoorden : 
  a) ze bezitten de burgerlijke en politieke rechten; 
  b) ze hebben de laatste vijf jaar geen effectieve strafrechtelijke veroordeling opgelopen voor een overtreding van de milieuwetgeving; 
  c) ze beschikken over een inrichting die vergund is voor de opslag en mechanische behandeling van voertuigwrakken en die behoort tot dezelfde milieutechnische eenheid en ze voldoen aan de voorwaarden, vermeld in titel II van het VLAREM; 
  d) ze kunnen nuttige kennis of ervaring aantonen met betrekking tot de verwerking van afgedankte voertuigen;  
rechtspersonen moeten aan de volgende voorwaarden beantwoorden : 
  a) ze zijn opgericht overeenkomstig de Belgische vennootschapswetgeving of de overeenstemmende wetgeving van een andere EU-lidstaat; 
  b) de maatschappelijke zetel bevindt zich binnen de EU; 
  c) de natuurlijke personen die de vennootschap kunnen verbinden, bezitten burgerlijke en politieke rechten; 
  d) ze beschikken over een inrichting die vergund is voor de opslag en mechanische behandeling van voertuigwrakken en die behoort tot dezelfde milieutechnische eenheid en ze voldoen aan de voorwaarden, vermeld in titel II van het VLAREM; 
  e) de natuurlijke personen die de vennootschap kunnen verbinden, hebben de laatste vijf jaar voor de aanvraag geen effectieve strafrechtelijke veroordeling opgelopen voor een overtreding van de milieuwetgeving; 
  f) ten minste één lid van het orgaan of een natuurlijke persoon die de vennootschap kan verbinden, kan nuttige kennis of ervaring aantonen met betrekking tot de verwerking van afgedankte voertuigen; 
alle personen die gefluoreerde broeikasgassen terugwinnen uit klimaatregelingsapparatuur in afgedankte voertuigen die onder het toepassingsgebied, vermeld in artikel 1 van verordening (EG) nr. 307/2008 van de Commissie van 2 april 2008 tot vaststelling, ingevolge Verordening (EG) nr. 842/2006 van het Europees Parlement en de Raad, van minimumeisen voor opleidingsprogramma’s en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning van opleidingsgetuigschriften voor personeel op het gebied van bepaalde gefluoreerde broeikasgassen bevattende klimaatregelingssystemen in bepaalde motorvoertuigen, vallen, moeten erkend zijn als technicus voor klimaatregelingsapparatuur in bepaalde motorvoertuigen als vermeld in artikel 6, 2°, i), van het VLAREL. In afwijking daarvan is een persoon die in het bezit is van een inschrijvingsbewijs voor een opleiding om het certificaat te behalen als vermeld in artikel 17/5, 2°, van het VLAREL, gedurende maximaal één jaar, te rekenen vanaf de datum van inschrijving voor de opleiding, vrijgesteld van de erkenningsverplichting op voorwaarde dat hij de terugwinning uitvoert onder toezicht van een erkende technicus voor klimaatregelingsapparatuur in bepaalde motorvoertuigen. Deze vrijstelling van erkenningsverplichting vervalt indien de persoon een erkenning als technicus voor klimaatregelingsapparatuur in bepaalde motorvoertuigen als vermeld in artikel 6, 2°, i), van het VLAREL behaalt. De betrokkene legt op verzoek van de bevoegde toezichthouder een bewijs van inschrijving voor.
een onafhankelijke keuringsinstelling, geaccrediteerd overeenkomstig ISO 17020 controleert de conformiteit van het centrum voor depollutie, ontmanteling en vernietiging van afgedankte voertuigen aan de wettelijke verplichtingen. De voorwaarden voor die conformiteitsverklaring worden nader bepaald door de minister.

Art. 5.2.4.5.

§ 1.

De aanvraag tot erkenning als centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen moet ten minste de volgende gegevens bevatten om volledig te zijn :

administratieve gegevens : naam, straat en nummer, postnummer en gemeente, land, telefoonnummer, faxnummer, contactpersoon en e-mailadres van de maatschappelijke zetel en van de exploitatiezetel waarop de aanvraag betrekking heeft; 
gegevens van de deskundige persoon: voornaam, achternaam, straat en nummer, postnummer en gemeente, functie en deskundigheid van de natuurlijke persoon die verantwoordelijk is voor het dagelijkse toezicht op en de dagelijkse leiding van het centrum. De deskundige persoon kan op verzoek van een ambtenaar van de bevoegde overheid op elk moment een actuele lijst bezorgen van de afgedankte voertuigen, alsook van de materialen die aanvaard zijn, van de hand gedaan zijn en aanwezig zijn op de inrichting;
bijlage in verband met de moraliteit : 
  a) bij een aanvraag door een rechtspersoon : 
    1) een bewijs van goed zedelijk gedrag van de personen die de rechtspersoon kunnen verbinden, en van de personen die verantwoordelijk zijn voor het dagelijkse toezicht, dat aantoont dat die personen de laatste vijf jaar voor de aanvraag geen effectieve strafrechtelijke veroordeling hebben opgelopen voor een overtreding van de milieuwetgeving noch, als het personen betreft die niet van Belgische nationaliteit zijn, in de staat waarvan zij onderdaan zijn; 
    2) een afschrift van de oprichtingsakte en van de eventuele wijzigingen ervan in verband met de personen die deel uitmaken van organen die de rechtspersoon kunnen verbinden; 
  b) bij een aanvraag door een natuurlijke persoon : een bewijs van goed zedelijk gedrag van die persoon en, in voorkomend geval, van de personen die het dagelijks toezicht verzorgen, dat aantoont dat die personen de laatste vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag geen effectieve strafrechtelijke veroordeling hebben opgelopen voor een overtreding van de milieuwetgeving noch, als het personen betreft die niet van Belgische nationaliteit zijn, in de staat waarvan zij onderdaan zijn; 
[...] in verband met de activiteiten van de aanvrager : een overzicht en omschrijving van de bedrijfsactiviteiten van de aanvrager, met inbegrip van zijn huidige vergunnings- en erkenningstoestand ten aanzien van de milieuwetgeving; 
een technisch rapport, gebaseerd op een initiėle keuring door een onafhankelijke keuringsinstelling, geaccrediteerd op basis van ISO 17020, dat de conformiteit van het centrum voor depollutie, ontmanteling en vernietiging van afgedankte voertuigen met de wettelijke bepalingen attesteert. De voorwaarden voor die conformiteitsverklaring worden nader bepaald door de minister. De keuringsinstelling bezorgt het rapport van de initiėle keuring binnen twee maanden aan de OVAM.

 

§ 2.

De aanvrager dient een elektronische aanvraag tot erkenning als centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen in bij de OVAM. Voor die elektronische aanvraag stelt de OVAM een webloket voor centra depollutie afgedankte voertuigen ter beschikking via de website van de OVAM. De aanvrager verklaart dat de verstrekte gegevens correct en volledig zijn.

 

De onafhankelijke keuringsinstelling bezorgt het rapport van de initiėle keuring, vermeld in paragraaf 1, 5°, aan de OVAM via het webloket voor centra depollutie afgedankte voertuigen op de website van de OVAM. De OVAM stuurt een elektronische ontvangstmelding van het keuringsrapport aan de aanvrager en de keuringsinstelling.


Art. 5.2.4.6.

De OVAM brengt de aanvrager op de hoogte van de ontvangst van de aanvraag door een elektronische melding in het webloket voor centra depollutie afgedankte voertuigen. Zolang de aanvrager geen elektronische ontvangstmelding ontvangt, moet de aanvraag beschouwd worden als niet ingediend.

 

De OVAM onderzoekt de aanvraag en neemt binnen een termijn van dertig dagen na de datum van de ontvangstmelding van de aanvraag een beslissing over de erkenning. De OVAM brengt de aanvrager van de beslissing op de hoogte via een melding in het webloket voor centra depollutie afgedankte voertuigen van de OVAM.

 

Als er bepaalde gegevens in de aanvraag ontbreken, verzoekt de OVAM via het webloket voor centra depollutie afgedankte voertuigen om de nodige aanvullingen.

 

Als de OVAM om aanvullingen verzoekt, wordt de termijn van behandeling, vermeld in het tweede lid, geschorst vanaf de verzending van dat verzoek en begint die opnieuw te lopen vanaf de ontvangst van de aanvullingen. Als de aanvrager nalaat om de aanvullingen binnen een termijn van negentig dagen aan de OVAM te bezorgen, wordt de aanvraag geacht geweigerd te zijn.

 

De communicatie tussen de aanvrager en de OVAM wordt gevoerd via het webloket voor centra depollutie afgedankte voertuigen dat ter beschikking wordt gesteld via de website van de OVAM. De OVAM stuurt de aanvrager een elektronische ontvangstmelding van zijn berichten.


Art. 5.2.4.7.

§ 1.

De erkenning als centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen geldt voor onbepaalde duur, als ze niet wordt opgeheven. De erkenning kan niet aan derden worden overgedragen.

 

§ 2.

In het kader van het gebruik van de erkenning is het erkende centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen ertoe gehouden :

onverwijld wijzigingen van de gegevens, vermeld in artikel 5.2.4.5, aan de OVAM te melden; 
jaarlijks een opvolgingskeuring van de bedrijfsactiviteiten door een onafhankelijke keuringsinstelling, geaccrediteerd op basis van ISO 17020, te laten uitvoeren. [...] De voorwaarden voor die conformiteitsverklaring worden nader bepaald door de minister.
vijf jaar na het verlenen van de erkenning een initiėle keuring van de bedrijfsactiviteiten door een onafhankelijke keuringsinstelling, geaccrediteerd op basis van ISO 17020, te laten uitvoeren. [...] De voorwaarden voor die conformiteitsverklaring worden nader bepaald door de minister.
vijfjaarlijks een bewijs van goed zedelijk gedrag als vermeld in artikel 5.2.4.5, aan de OVAM te bezorgen. 

 

§ 2/1.

De onafhankelijke keuringsinstelling bezorgt binnen twee maanden de keuringsrapporten, vermeld in paragraaf 2, 2° en 3°, aan de OVAM via het webloket voor centra depollutie afgedankte voertuigen op de website van de OVAM. De OVAM stuurt de keuringsinstelling een elektronische ontvangstmelding van het keuringsrapport.


Voor de verzending van de gewijzigde gegevens, vermeld in paragraaf 2, 1°, en van een bewijs van goed zedelijk gedrag als vermeld in paragraaf 2, 4°, stelt de OVAM het webloket voor centra depollutie afgedankte voertuigen ter beschikking via de website van de OVAM. De OVAM stuurt een elektronische ontvangstmelding.

 

§ 3.

In afwijking van paragraaf 2, 2°, kan de OVAM op basis van de keuringsrapporten, eventuele aanvullende administratieve stukken en een globale beoordeling beslissen dat een erkend centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen tweejaarlijks een opvolgingskeuring moet laten uitvoeren [...]. De OVAM neemt die beslissing op voorwaarde dat :

het erkende centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen minstens zes jaar ononderbroken erkend is; 
het erkende centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen daarom verzoekt bij de OVAM; 
het erkende centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen de doelstellingen, vermeld in artikel 3.4.2.2, behaalt en een voldoende hoge graad van depollutie bereikt. 

 

De beslissing van de OVAM tot afwijking van paragraaf 2, 2°,wordt schriftelijk meegedeeld aan het erkende centrum binnen dertig kalenderdagen na het verzoek en blijft gelden zolang het erkende centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen aan de voorwaarden, vermeld in lid 1, voldoet of tot de OVAM op basis van een globale beoordeling gemotiveerd beslist dat de afwijking niet meer kan gelden. De OVAM maakt die laatste beslissing met een beveiligde zending bekend aan het erkende centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen. Als de OVAM om bijkomende informatie verzoekt, wordt de termijn vermeld in dit lid geschorst vanaf de verzending van het verzoek en begint die opnieuw te lopen op de eerstvolgende werkdag vanaf de ontvangst van de bijkomende informatie.


Art. 5.2.4.8.

§ 1.

De OVAM kan de erkenning als centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen opheffen in de volgende gevallen :

het erkende centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen voert de taken, vermeld in artikelen 5.2.4.1 en 5.2.4.3, niet reglementair uit; 
het erkende centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen voldoet niet meer aan de erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 5.2.4.4;  
 het erkende centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen leeft de voorwaarden voor het gebruik van de erkenning, vermeld in artikel 5.2.4.7, niet na; 
het erkende centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen is bij een vonnis of arrest dat in kracht van gewijsde is gegaan, veroordeeld voor een misdrijf dat door zijn aard de beroepsethiek van het erkende centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen aantast. 

 

§ 2.

De OVAM brengt het erkende centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen met een beveiligde zending op de hoogte van haar voornemen tot opheffing van de erkenning, met vermelding van de redenen. Binnen een termijn van dertig dagen na de datum van ontvangst van die brief kan het erkende centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen alle nodige formaliteiten vervullen om de opheffing te voorkomen of kan het zijn verweermiddelen aan de OVAM kenbaar maken.

 

§ 3.

De OVAM neemt binnen zestig dagen na de datum van het voornemen tot opheffing van de erkenning een beslissing over de opheffing van de erkenning, rekening houdend met de eventueel vervulde formaliteiten of de eventueel meegedeelde verweermiddelen. De beslissing over de opheffing van de erkenning wordt door de OVAM met een aangetekende brief aan de houder van de erkenning betekend.

 

§ 4.

De erkenning als centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen wordt van rechtswege opgeheven in de volgende gevallen :

het erkende centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen heeft zijn activiteiten stopgezet; 
de inrichting beschikt niet meer over een omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit voor de verwerking van afgedankte voertuigen. 

 


Onderafdeling 5.2.5.
Afgedankte elektrische en elektronische apparatuur


Art. 5.2.5.1. Gescheiden ingezamelde afgedankte EEA worden ingezameld en getransporteerd op zo’n wijze dat optimaal hergebruik en recyclage van onderdelen en volledige apparaten die voor recyclage in aanmerking komen, mogelijk zijn.

Art. 5.2.5.2.

De ingezamelde afgedankte EEA worden op een milieuverantwoorde wijze opgeslagen, rekening houdend met de volgende technische voorschriften:

op een ondoorlatende ondergrond van geschikte terreinen met opvangvoorzieningen voor lekolie en, indien nodig, olie- en vuilafscheiders;
voorzien van weerbestendige afdekking van geschikte terreinen;
voor koel- en vriestoestellen: droog en zo geplaatst dat het koelcircuit niet beschadigd kan worden;
voor beeldschermen: in intacte toestand;
gescheiden van gedemonteerde reserveonderdelen of herbruikbare toestellen.

Art. 5.2.5.3. Afgedankte EEA moeten worden verwerkt overeenkomstig artikel 5.2.2.5.2, § 8en § 9, van titel II van het VLAREM.

Art. 5.2.5.3/1. [...]

Art. 5.2.5.4.

§ 1.

De inzamelaar, de afvalstoffenhandelaar of -makelaar of de kennisgever of opdrachtgever, vermeld in verordening (EG) 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen, die afgedankte EEA inzamelt, opslaat, verwerkt of met het oog op verwerking aanbiedt aan een derde, moet de doelstellingen voor de voorbereiding voor hergebruik en nuttige toepassing, vermeld in artikel 3.4.4.7, behalen.

 

§ 2.

De inzamelaar, de afvalstoffenhandelaar of -makelaar, de verwerker, het hergebruikcentrum en de kennisgever of opdrachtgever, vermeld in verordening (EG) 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen, die afgedankte EEA inzamelt, opslaat of verwerkt of met het oog op verwerking aanbiedt aan een derde, of de organisatie die daarvoor is aangewezen, stelt voor 1 juli van elk jaar de volgende gegevens over het voorgaande kalenderjaar ter beschikking van de OVAM of van de organisatie die daarvoor is aangewezen:

de naam van de inzamelaar, de afvalstoffenhandelaar of -makelaar, de verwerker, het hergebruikcentrum en de kennisgever of opdrachtgever, vermeld in verordening (EG) 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen, die afgedankte EEA inzamelt, opslaat, verwerkt of met het oog op verwerking aanbiedt aan een derde, het ondernemingsnummer, het postnummer en de plaats, de straatnaam en het nummer, het land, het telefoon- en faxnummer, het e-mailadres en de voor- en achternaam van een contactpersoon;
[...]
de rapportageperiode;
de hoeveelheid afgedankte EEA, uitgedrukt in kilogram en aantal, huishoudelijke of professionele apparatuur, per categorie als vermeld in artikel 3.4.4.2, die op het grondgebied dan wel binnen of buiten de Europese Unie zijn overgebracht die :
  a) in het kader van de uitoefening van de aanvaardingsplicht werden ingezameld voor rekening van een producent van EEA of een derde die handelt in naam van de producent van EEA, en het aandeel daarvan dat :
    1) werd aangeboden aan een inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of makelaar;
    2) werd aangeboden aan een hergebruikcentrum voor EEA met het oog op de voorbereiding voor hergebruik;
    3) werd aangeboden aan een vergunde verwerker;
  b) buiten de aanvaardingsplicht om werd ingezameld, en het aandeel daarvan dat :
    1) werd aangeboden aan een inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar;
    2) werd aangeboden aan een hergebruikcentrum voor EEA met het oog op de voorbereiding voor hergebruik;
    3) werd aangeboden aan een vergunde verwerker;
de hoeveelheden afvalstoffen die voortkomen uit de verwerking van afgedankte EEA, uitgedrukt in kilogram en opgesplitst per materiaal als vermeld in artikel 3.4.4.7, en per categorie als vermeld in artikel 3.4.4.2, die :
  a) voor het hergebruikcentrum : werden voorbereid voor hergebruik;
  b) voor de verwerker en de kennisgever of opdrachtgever, vermeld in verordening (EG) 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen :
    1) werden voorbereid voor hergebruik;
    2) werden gerecycleerd;
    3) op een andere wijze nuttig werden toegepast;
    4) werden verwijderd in installaties voor de verbranding van afvalstoffen;
    5) werden verwijderd door storten.

 

[...]


Als voor een of meer van de voormelde activiteiten een beroep werd gedaan op een derde, worden de volgende contactgegevens van die derde telkens vermeld: de firmanaam, het ondernemingsnummer, het adres, het telefoon- en faxnummer, het e-mailadres en de voor- en achternaam van een contactpersoon.

 

§ 3.

Een onafhankelijke keuringsinstelling, geaccrediteerd overeenkomstig ISO 17020 controleert de conformiteit van de inzameling en verwerking aan de wettelijke verplichtingen en valideert de gegevens, vermeld in paragraaf 2, die aan de OVAM of aan de organisatie die daarvoor aangewezen is, worden verstrekt. De voorwaarden voor deze conformiteitsverklaring en validatie worden nader bepaald door de minister.

 

§ 4.

In afwijking van paragraaf 3 kan de conformiteitscontrole van de inzameling en de verwerking, en de validatie van de gegevens gebeuren volgens de Europese norm EN50625, inclusief technische specificaties.

 

Hiertoe moet de inzamelaar, de afvalstoffenhandelaar of -makelaar of verwerker voldoen aan één van volgende voorwaarden:

geslaagd zijn voor de WEEELABEX Conformity Verification, uitgevoerd door een auditeur die is goedgekeurd door de WEEELABEX Organisation, op basis van de Europese norm EN50625;
gecertificeerd zijn door een onafhankelijke certificatie-instelling die geaccrediteerd is door BELAC of door een ander lid van de European co-operation for Accreditation (EA) om audits uit te voeren op basis van de Europese norm EN50625.

 

§ 5.

De houder die afgedankte EEA met het oog op verwerking naar een ander land of ander gewest overbrengt, draagt er zorg voor dat de afgedankte EEA passend zal worden verwerkt onder voorwaarden die gelijkwaardig zijn aan de bepalingen, vermeld in paragraaf 3 of 4. Op verzoek van de OVAM moet de houder dit kunnen aantonen aan de OVAM.


Art. 5.2.5.5.

Voor de aanvang van een inzamelactie voor afgedankte EEA van huishoudelijke oorsprong beschikt de inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar over een goedkeuring van het beheersorganisme [...] of van een producent die beschikt over een goedgekeurd individueel aanvaardingsplichtplan. Het beheersorganisme of de producent die beschikt over een goedgekeurd individueel aanvaardingsplichtplan mag een inzamelactie alleen afkeuren op basis van non-conformiteit met het Materialendecreet en dit besluit. Overeenkomstig artikel 5.2.5.4 wordt er per inzamelpunt gerapporteerd aan het beheersorganisme of aan de producent die beschikt over een goedgekeurd individueel aanvaardingsplichtplan.


Art. 5.2.5.6.

De houder die EEA niet langer voor eigen gebruik wil aanwenden, moet zich ontdoen van die EEA als de EEA niet voldoen aan de hergebruikscriteria, vermeld in artikel 5.2.5.10.


Art. 5.2.5.7.

Gebruikte EEA die niet voldoen aan de hergebruikscriteria, vermeld in artikel 5.2.5.10, worden als een afvalstof ingezameld, verhandeld, gemakeld, en/of vervoerd.


Art. 5.2.5.8.

Het hergebruikcentrum voor EEA moet voldoen aan de volgende voorwaarden:

het hergebruikcentrum voor EEA ondergaat binnen het jaar een keuring door een ISO17020-geaccrediteerde keuringsinstelling die de naleving van dit artikel evalueert. Nadien wordt er om de vier jaar een nieuwe keuring uitgevoerd. De keuringsinstelling stelt het verslag van elke keuring binnen twee maanden na de keuring ter beschikking van de OVAM;
de voorbereiding voor hergebruik van gebruikte EEA gebeurt door gekwalificeerd personeel, met minimaal een diploma elektriciteit van het technisch secundair onderwijs of gelijkwaardig door aantoonbare ervaring;
bij de voorbereiding voor hergebruik van gebruikte EEA worden de regels, vastgesteld door de minister, nageleefd. Die regels hebben betrekking op de minimale handelingen die moeten worden uitgevoerd met het oog op een kwaliteitsvolle voorbereiding voor hergebruik van gebruikte EEA.

Art. 5.2.5.9. Het hergebruikcentrum voor EEA dat met het oog op de voorbereiding voor hergebruik toegang wil verkrijgen tot afgedankte EEA die zijn ingezameld in opdracht van de producenten sluit daarvoor een samenwerkingsovereenkomst met de producenten of met een door de producenten aangewezen organisatie, waarin de onderlinge samenwerkingsmodaliteiten worden geregeld.

Art. 5.2.5.10.

Gebruikte EEA kunnen alleen opnieuw in hergebruik gebracht worden als tweedehandse EEA als voldaan is aan de hergebruikscriteria.


De hergebruikscriteria, vermeld in het eerste lid, worden door de minister vastgesteld en houden minstens rekening met de algemene staat van het apparaat, de functionaliteit, het energieverbruik, de aanwezigheid van gevaarlijke stoffen, het bestaan van een reguliere markt voor het apparaat en een voldoende mate van bescherming tijdens het transport.


Art. 5.2.5.11.

Met inachtneming van de uitzonderingen, vermeld in artikel 5.2.5.12, kunnen gebruikte EEA alleen grensoverschrijdend overgebracht worden als tweedehands EEA als voldaan is aan de volgende cumulatieve voorwaarden:

de gebruikte EEA zijn beoordeeld of getest voor hergebruik en voldoen aan de hergebruikscriteria, vermeld in artikel 5.2.5.10;
de houder, verantwoordelijk voor het transport, beschikt over de volgende documenten, die bij de lading aanwezig zijn:
  a) een kopie van de factuur en het contract met betrekking tot de verkoop en/of de eigendomsoverdracht van de EEA, waarin wordt verklaard dat de apparatuur bestemd is voor onmiddellijk hergebruik en volledig functioneel is;
  b) een bewijs van beoordeling of test voor alle EEA die deel uitmaken van de zending;
  c) gespecificeerde etiketinformatie;
  d) een verklaring van de houder die het vervoer van de EEA organiseert, dat de zending geen materiaal of apparatuur omvat die een afvalstof is;
tijdens het vervoer en het in- en uitladen is de EEA voorzien van passende bescherming tegen beschadiging, meer bepaald door voldoende verpakking en passende stapeling van de lading.


De minister kan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, 2°, b) en c), nader uitwerken.


Als de grensoverschrijdende overbrenging plaatsvindt zonder te voldoen aan de voorwaarden, vermeld in het eerste lid, 1° tot en met 3°, worden de apparaten beschouwd als een afvalstof.


Art. 5.2.5.12.

Artikel 5.2.5.11, eerste lid, 1° en 2°, a), b), c), is niet van toepassing als door afdoende bewijs wordt gedocumenteerd dat de overbrenging plaatsvindt in het kader van een overdrachtovereenkomst tussen ondernemingen en minstens voldaan is aan een van de volgende voorwaarden:

de EEA worden, door of in opdracht van de producent van EEA, de tussenhandelaar of de eindverkoper, naar de producent van het EEA of naar een derde die in diens naam handelt, teruggestuurd als defect voor reparatie onder garantie met het oog op hergebruik;
de gebruikte professionele EEA worden verzonden naar de producent van de EEA, naar een derde die in diens naam handelt of naar faciliteiten van een derde in landen waar Besluit C(2001)107/def. van de OESO-Raad inzake de herziening van Besluit C(92)39/def. betreffende het toezicht op de grensoverschrijdende overbrenging van afvalstoffen bestemd voor handelingen ter nuttige toepassing van toepassing is, met als doel om te worden opgeknapt of gerepareerd, krachtens een geldig contract, met het oog op hergebruik;
de defecte gebruikte professionele EEA, zoals medische hulpmiddelen of onderdelen daarvan, worden naar de producent van de EEA of naar een derde die in diens naam handelt, verzonden voor analyse van de onderliggende oorzaak, krachtens een geldig contract, als een dergelijke analyse alleen kan worden uitgevoerd door de producent van het EEA of door derden die in zijn naam handelen.

Art. 5.2.5.13. De kosten van de passende analyses en inspecties door toezichthouders, waaronder de opslagkosten, van gebruikte EEA waarvan vermoed wordt dat het afgedankt EEA is, kunnen in rekening worden gebracht aan de producenten, aan derden die in hun naam handelen, of aan andere personen die het vervoer organiseren van gebruikte EEA waarvan vermoed wordt dat het afgedankt EEA is.

Onderafdeling 5.2.6.
Afvalbanden


Art. 5.2.6.1. Het is verboden afvalbanden en versnipperde rubberbanden te storten. Het is ook verboden afvalbanden te verwerken zonder dat voorafgaandelijk een bewerking heeft plaatsgevonden, die gericht is op de gehele of gedeeltelijke nuttige toepassing van die afvalbanden.

Art. 5.2.6.2.

De afvalstoffenproducent, de inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar, of de kennisgever, vermeld in verordening (EG) 1013/2006 van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen, die afvalbanden met het oog op verwerking aanbiedt aan een derde of zelf verwerkt, moet de doelstellingen inzake hergebruik en nuttige toepassing, vermeld in artikel 3.4.3.2, behalen. Op verzoek van de OVAM verstrekt hij daarover informatie.


Onderafdeling 5.2.7.
Afgedankte batterijen en accu's


Art. 5.2.7.1.

Het is verboden afgedankte batterijen en accu’s te verwerken zonder dat vooraf een behandeling heeft plaatsgevonden, die gericht is op de gehele of gedeeltelijke recycling van de afgedankte batterijen en accu’s.

 

Het is verboden afgedankte batterijen en accu’s te ontdoen van zuren buiten een inrichting die vergund is voor de verwerking van afgedankte batterijen en accu’s.

 

Afgedankte batterijen en accu’s moeten verwerkt worden in inrichtingen die gebruik maken van de beste beschikbare technieken of van gelijkwaardige technieken.


Art. 5.2.7.2.

De opslag, met inbegrip van de tijdelijke opslag, de behandeling en de verwerking van afgedankte batterijen en accu’s vindt plaats op overdekte locaties met vloeistofdichte vloer of in weerbestendig afgedekte en zuurbestendige containers.

 

De verwerking van afgedankte batterijen en accu’s omvat minimaal het wegnemen van alle vloeistoffen en zuren.


Art. 5.2.7.3.

De afvalstoffenproducent, de inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar, of de kennisgever, vermeld in verordening (EG) 1013/2006 van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen, die afgedankte batterijen en accu’s verwerkt of met het oog op verwerking aanbiedt aan een derde, moet de recyclingdoelstellingen, vermeld in artikel 3.4.5.2, behalen. Op verzoek van de OVAM verstrekt hij daarover informatie.


Art. 5.2.7.4. In geval van uitvoer buiten de EU moeten op verzoek van de OVAM de bereikte recyclingpercentages gevalideerd worden door een onafhankelijke keuringsinstelling die geaccrediteerd is op basis van ISO 17020.

Onderafdeling 5.2.8.
Pcb's


Art. 5.2.8.1.

De OVAM houdt een inventaris bij van apparaten die meer dan 1 liter pcb’s bevatten. Voor sterkstroomcondensatoren geldt de drempel van 1 liter voor het totaal van de afzonderlijke onderdelen van een gecombineerd toestel.

 

De gegevens in de inventaris zijn afkomstig van alle nuttige inlichtingen waarover de OVAM beschikt, en in het bijzonder van :

de kennisgevingen die zijn gedaan met toepassing van het koninklijk besluit van 9 juli 1986 tot reglementering van de stoffen en preparaten die polychloorbifenylen en polychloorterfenylen bevatten; 
de gegevens die zijn ingezameld met toepassing van artikel 10 van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 maart 2000 houdende vaststelling van het verwijderingsplan voor pcb-houdende apparaten en de daarin aanwezige pcb’s; 
de kennisgevingen die zijn gedaan met toepassing van artikel 5.2.8.4. 

 


Art. 5.2.8.2.

De inventaris bevat ten minste de volgende gegevens :

naam en adres van de houder van pcb-houdende apparaten; 
plaats en omschrijving van de pcb-houdende apparaten; 
hoeveelheid pcb’s in de apparaten; 
data en soorten behandeling of vervanging die worden uitgevoerd of overwogen; 
datum van aangifte.  

 

Voor de apparaten waarvan redelijkerwijze mag worden aangenomen dat de vloeistoffen daarin tussen 0,05 en 0,005 gewichtsprocenten pcb’s bevatten, moeten de gegevens, vermeld in lid 1, 3° en 4°, niet worden opgenomen.


Art. 5.2.8.3. Bedrijven die pcb’s verwerken, delen de hoeveelheid, de oorsprong en de aard van de aan hen geleverde pcb’s mee aan de OVAM. Ze houden die gegevens ook ter inzage van de lokale overheid en de bevolking.

Art. 5.2.8.4.

§ 1.

De houder van pcb-houdende apparaten moet :


als dat nog niet eerder gebeurd is met toepassing van het koninklijk besluit van 9 juli 1986 tot reglementering van de stoffen en preparaten die polychloorbifenylen en polychloorterfenylen bevatten, of van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 maart 2000 houdende vaststelling van het verwijderingsplan voor pcb-houdende apparaten en de daarin aanwezige pcb’s, zo snel mogelijk ten minste de volgende gegevens bezorgen aan de OVAM : 
a) zijn naam en adres; 
b) plaats en omschrijving van de apparaten die pcb’s bevatten en die hij in zijn bezit heeft, alsook de hoeveelheden pcb’s in die apparaten; 
c) de hoeveelheden pcb’s die hij in zijn bezit heeft; 
d) de hoeveelheden gebruikte pcb’s die hij in zijn bezit heeft; 
e) data en soorten behandeling of vervanging die worden uitgevoerd of overwogen. 
Als die kennisgeving eerder is gedaan met toepassing van het besluit van 9 juli 1986 of van 17 maart 2000, worden daarbij de eventuele wijzigingen vermeld ten aanzien van de vroegere kennisgeving; 
de OVAM op de hoogte brengen van elke wijziging in de situatie, vermeld in1°;  
ervoor zorgen dat elk apparaat dat meer dan 1 liter pcb’s bevat, wordt voorzien van een etiket. Een soortgelijk etiket moet ook worden aangebracht op de deuren van lokalen waar dat apparaat zich bevindt. Voor sterkstroomcondensatoren geldt de drempel van 1 liter voor het totaal van de afzonderlijke onderdelen van een gecombineerd toestel. Apparaten waarvan redelijkerwijze mag worden aangenomen dat de vloeistoffen daarin tussen 0,05 en 0,005 gewichtsprocenten pcb’s bevatten, mogen worden voorzien van een etiket met de vermelding ″verontreinigd met pcb’s < 0,05 %″;  
ervoor zorgen dat gebruikte pcb’s zo spoedig mogelijk worden verwijderd; 
ervoor zorgen dat pcb-houdende apparaten zo spoedig mogelijk worden gereinigd of verwijderd.  

 

 

§ 2.

Elke wijziging van de informatie, verstrekt overeenkomstig paragraaf 1, 1° en 2°, moet binnen drie maanden schriftelijk aan de OVAM worden meegedeeld.


Art. 5.2.8.5.

§ 1.

Apparaten en de daarin aanwezige pcb’s die overeenkomstig artikel 5.2.8.1, eerste lid, moeten worden geļnventariseerd, worden onmiddellijk buiten gebruik gesteld en vervolgens gereinigd of verwijderd.

 

De termijn tussen het buiten gebruik stellen van een apparaat en de reiniging van pcb-houdende apparaten of verwijdering ervan mag niet meer dan zes maanden bedragen, behalve als de houder kan aantonen dat de inrichtingen voor reiniging of verwijdering tijdelijk in de onmogelijkheid verkeren om apparaten te accepteren.

 

§ 2.

In afwijking van paragraaf 1 mogen de transformatoren waarvan de vloeistoffen tussen 0,05 en 0,005 gewichtsprocenten pcb’s bevatten, ofwel worden gereinigd overeenkomstig artikel 5.2.8.7, § 2, ofwel op het einde van de gebruiksduur worden verwijderd.

 

§ 3.

Voor apparaten die vrijkomen tijdens het slopen van gebouwen, moet de uitvoerder van de sloopwerken ervoor zorgen dat de apparaten afzonderlijk worden ingezameld en dat ze worden afgevoerd naar een inrichting die overeenkomstig de toepasselijke milieuwetgeving die apparaten mag verwerken.


Art. 5.2.8.6.

Bij toestellen met minerale olie waarvan redelijkerwijs mag worden aangenomen dat er tijdens de productie of het gebruik van de toestellen een verontreiniging van de minerale olie met pcb’s is opgetreden, moet in de volgende situaties het pcb-gehalte in de minerale olie worden gemeten :

bij het openen van de toestellen voor onderhouds- of herstellingswerkzaamheden; 
bij het veranderen van exploitatieadres van de toestellen; 
bij het veranderen van houder;  
bij het buiten gebruik stellen van de toestellen.  

 

Als de meting, vermeld in lid 1, aantoont dat de minerale olie van een toestel meer dan 0,005 gewichtsprocenten pcb’s bevat, moet het toestel worden beschouwd als een pcb-houdend apparaat.


Art. 5.2.8.7.

Transformatoren waarvan de vloeistoffen meer dan 0,05 gewichtsprocenten pcb’s bevatten, mogen onder de volgende voorwaarden worden gereinigd :

het doel van de reiniging van pcb-houdende apparaten bestaat erin het gehalte aan pcb’s te verlagen tot minder dan 0,05 gewichtsprocenten en, zo mogelijk, tot maximaal 0,005 gewichtsprocenten;  
de vervangende vloeistof, die geen pcb’s bevat, houdt duidelijk minder risico’s in; 
de vervanging van de vloeistof brengt de latere verwijdering van de pcb’s niet in gevaar.  

 

Transformatoren waarvan de vloeistoffen tussen 0,05 en 0,005 gewichtsprocenten ’pcb’s bevatten, mogen worden gereinigd onder de voorwaarden, vermeld in lid 1, 2° en 3°, met als einddoel het gehalte aan pcb’s te verlagen tot maximaal 0,005 gewichtsprocenten.


Art. 5.2.8.8.

§ 1.

Pcb’s moeten voor eindverwerking worden aangeboden bij een daartoe vergunde inrichting. Ze moeten verwijderd worden volgens handeling D8, D9, D10, D12 of D15, vermeld in artikel 4.2.1. De toegelaten handeling D12 is in dit kader beperkt tot de veilige, diepe, ondergrondse opslag in rotsformaties en is alleen toegelaten voor apparaten die pcb’s bevatten en niet kunnen worden gereinigd.

 

§ 2.

Voor pcb’s of pcb-houdende apparaten voor eindverwerking door een daartoe vergunde inrichting in ontvangst worden genomen, worden alle nodige voorzorgsmaatregelen getroffen om elk brandgevaar te vermijden. Daartoe worden de pcb’s gescheiden gehouden van brandbare stoffen.


Art. 5.2.8.9.

De volgende activiteiten zijn verboden :

het scheiden van pcb’s van andere stoffen met het oog op het hergebruik van de pcb’s; 
het verbranden van pcb’s of gebruikte pcb’s op schepen. 

 


Art. 5.2.8.10.

De OVAM stuurt aan de verschillende overheden die belast zijn met de bescherming van het leefmilieu, de bescherming van de veiligheid van de werknemers en van de bevolking, op verzoek, een afschrift of een gedeeltelijk afschrift van de inventarissen, vermeld in artikel 5.2.8.1, eerste lid. De verstrekte gegevens kunnen alleen worden aangewend voor het doel waarvoor ze werden aangevraagd.


Art. 5.2.8.11. Apparaten en onderdelen van toestellen die minder dan 1 liter pcb’s bevatten, moeten worden verwijderd op het einde van hun gebruiksduur.

Art. 5.2.8.12. Afgedankte elektrische en elektronische apparatuur en andere toestellen die pcb-houdende onderdelen kunnen bevatten moeten zo verwerkt worden dat de pcb-houdende onderdelen selectief worden gedemonteerd en voor verwerking worden afgevoerd naar een inrichting die overeenkomstig de toepasselijke milieuwetgeving dergelijke pcb-houdende afvalstoffen mag verwerken. Onderdelen die mogelijk pcb’s bevatten, moeten worden beschouwd als pcb-houdende onderdelen.

Art. 5.2.8.13. Bij de vernieuwing van straatverlichting moeten de vrijgekomen condensatoren die pcb’s kunnen bevatten, worden beschouwd als pcb-houdende condensatoren. Dergelijke condensatoren moeten voor de verwerking worden afgevoerd naar een inrichting die overeenkomstig de toepasselijke milieuwetgeving dergelijke pcb-houdende afvalstoffen mag verwerken.

Onderafdeling 5.2.9.
Afgedankte apparatuur en recipiėnten die ozonafbrekende stoffen of gefluoreerde broeikasgassen bevatten


Art. 5.2.9.1.

Het is verboden afgedankte apparatuur en recipiėnten die ozonafbrekende stoffen, gefluoreerde broeikasgassen of resten van die stoffen bevatten, te verwerken zonder dat voorafgaandelijk een bewerking heeft plaatsgevonden als vermeld in artikel 5.2.2.5.2, § 9, van titel II van het VLAREM.


Onderafdeling 5.2.10.
Afval van de zeevaart


Art. 5.2.10.1.

De bepalingen van deze onderafdeling zijn van toepassing op :

elk schip, vissersvaartuig en pleziervaartuig, ongeacht zijn vlag, dat een haven aandoet of daar in bedrijf is; 
alle havens die gewoonlijk worden aangedaan door schepen, vissersvaartuigen en pleziervaartuigen die gewoonlijk in het mariene milieu opereren.  

 

Oorlogsschepen, marinehulpschepen en andere schepen in eigendom of onder beheer van de overheid die uitsluitend voor een niet-commerciėle overheidsdienst worden gebruikt, hoeven niet te voldoen aan de bepalingen van deze onderafdeling, met uitzondering van de afgifteplicht van afval van de scheepvaart.


Art. 5.2.10.2.

Elke beheerder van een haven zorgt voor de beschikbaarheid van havenontvangstvoorzieningen die toereikend zijn voor de behoeften van de schepen die hun havens gewoonlijk aandoen, zonder onnodig oponthoud van de schepen te veroorzaken.

 

De havenontvangstvoorzieningen zijn toereikend als ze geschikt zijn voor de ontvangst van de soorten en hoeveelheden scheepsafval en ladingresiduen van de schepen die de haven gewoonlijk aandoen, rekening houdend met de behoeften van de gebruikers van de haven, de grootte en de geografische ligging van de haven, het soort schepen dat de haven aandoet, en de vrijstellingen die verleend worden volgens de procedure, vermeld in artikel 5.2.10.9.

 

Elke beheerder van een haven zorgt ook voor de beschikbaarheid van havenontvangstvoorzieningen die toereikend zijn voor de ontvangst van de sedimenten die afkomstig zijn uit de ballastwatertanks, zonder onnodig oponthoud van de schepen te veroorzaken. De havenontvangstvoorzieningen voorzien in de veilige en milieuvriendelijke afvoer en verwerking van dergelijke sedimenten.


Art. 5.2.10.3.

§ 1.

De beheerder van een haven stelt een passend plan op voor de ontvangst en verwerking van scheepsafval. Het plan wordt door de minister, na overleg met de Vlaamse minister, bevoegd voor de openbare werken, goedgekeurd.

 

§ 2.

Het plan wordt uitgewerkt in overleg met de betrokken partijen, in het bijzonder met de havengebruikers of hun vertegenwoordigers.

 

§ 3.

Het plan moet betrekking hebben op alle soorten scheepsafval en ladingresiduen, afkomstig van schepen die gewoonlijk de haven in kwestie aandoen, en moet afgesteld zijn op de grootte van de haven en het soort schepen dat die haven aandoet.

 

De volgende elementen maken deel uit van het plan :

een beschrijving van de haven, met vermelding van : 
  a) het soort schepen dat de haven gewoonlijk aandoet; 
  b) de geografische afbakening van de haven; 
een beschrijving van de aanwezige inzamelfaciliteiten, met vermelding van : 
  a) het soort havenontvangstvoorzieningen en de capaciteit ervan; 
  b) de soorten afvalstoffen die de havenontvangstvoorzieningen inzamelen; 
  c) eventuele voorbehandelingsinstallaties en -processen in de haven; 
een beoordeling van de behoefte aan inzamelfaciliteiten, gelet op de behoefte van de schepen die de haven gewoonlijk aandoen; 
een beschrijving van de aanmeldingsprocedure; 
een beschrijving van de procedures voor ontvangst en inzameling van scheepsafval en ladingresiduen, met vermelding van : 
  a) de methoden voor het registreren van het feitelijke gebruik van de havenontvangstvoorzieningen; 
  b) een gedetailleerde beschrijving van de procedures voor ontvangst en inzameling van scheepsafval en ladingresiduen; 
  c) de toepasselijke wetgeving en formaliteiten voor de afgifte; 
  d) de methoden voor het registreren van de ontvangen hoeveelheden scheepsafval en ladingresiduen;  
  e) de soort en hoeveelheden ontvangen en verwerkt scheepsafval en ladingresiduen; 
  f) de wijze waarop scheepsafval en ladingresiduen worden verwerkt; 
een beschrijving van de procedure voor het melden van vermeende tekortkomingen van havenontvangstvoorzieningen; 
een gedetailleerde beschrijving van het tariefsysteem; 
een beschrijving van de procedures voor structureel overleg met havengebruikers, afvalbedrijven, terminalexploitanten en andere betrokken partijen; 
een vermelding van de personen die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van het plan. 

 

 

§ 4.

De plannen voor ontvangst en verwerking van scheepsafval kunnen met passende inschakeling van elke haven in regionaal verband worden opgesteld als dat doelmatig is, op voorwaarde dat de behoefte aan havenontvangstvoorzieningen en de beschikbaarheid daarvan voor elke haven apart worden vermeld.

 

§ 5.

De beheerders van de zeehavens, het Zeekanaal, het Albertkanaal en van de vissershavens moeten elke drie jaar door een onafhankelijke bedrijfsrevisor een audit laten uitvoeren, waarbij wordt toegezien op de correcte uitvoering van het kostendekkingssysteem, zoals uitgewerkt in het plan voor de ontvangst en verwerking van scheepsafval. De resultaten van de audit moeten onmiddellijk bezorgd worden aan de OVAM.

 

De beheerders van de jachthavens die zeegaande vaartuigen ontvangen, moeten een overzicht geven van de inkomsten en uitgaven die betrekking hebben op het kostendekkingssysteem, zoals uitgewerkt in het plan voor ontvangst en verwerking van scheepsafval. Het overzicht moet bezorgd worden aan de OVAM samen met het nieuwe ontwerp van plan voor de ontvangst en verwerking van scheepsafval en loopt over de drie voorafgaande boekjaren.


Art. 5.2.10.4.

§ 1.

De plannen, vermeld in artikel 5.2.10.3, worden behandeld als volgt :

de beheerder van een haven stuurt een voorstel van plan aangetekend naar de OVAM. De OVAM onderzoekt het plan op volledigheid als vermeld in artikel 5.2.10.3, § 3, en onderzoekt of de procedures in het plan voldoen aan de bepalingen van artikelen 5.2.10.6, 5.2.10.7, 5.2.10.8 en 5.2.10.9; 
binnen een termijn van zestig kalenderdagen na de ontvangst van het voorstel van plan verleent de OVAM advies over het voorstel van plan aan de minister;  
de minister doet na overleg met de Vlaamse minister, bevoegd voor de openbare werken, uitspraak over het plan binnen een termijn van maximaal vier maanden na de datum van ontvangst van het voorstel van plan bij de OVAM; 
de OVAM zendt die beslissing of een eensluidend verklaard afschrift ervan aan de beheerder van de haven binnen een termijn van tien kalenderdagen na de datum van de beslissing. 

 

§ 2.

De overeenkomstig paragraaf 1 goedgekeurde plannen voor ontvangst en verwerking van scheepsafval zijn geldig voor een termijn van maximaal drie jaar. Elke beslissing die voor een kortere termijn geldt, moet ter zake gemotiveerd zijn.

 

§ 3.

In geval van significante veranderingen in de werking van de haven, moet de beheerder van de haven dat onmiddellijk melden aan de OVAM met een beveiligde zending. Op basis van de door de beheerder van de haven gemelde wijzigingen kan de OVAM binnen vijftien kalenderdagen beslissen dat het indienen van een nieuw plan noodzakelijk is. Een nieuw plan moet ingediend worden volgens de procedure, vermeld in paragraaf 1.

 

Bovendien kan de minister in geval van wijzigingen in de wetgeving of een herziening van het beleid, na advies van de OVAM, ambtshalve wijzigingen in het plan doorvoeren.


Art. 5.2.10.5.

De beheerder van de haven zorgt ervoor dat aan elke havengebruiker de volgende informatie wordt verstrekt :

een korte verwijzing naar het fundamentele belang van een behoorlijke afgifte van scheepsafval en ladingresiduen; 
de locatie van de vaste havenontvangstvoorzieningen, met tekening/kaart; 
een lijst van gewoonlijk verwerkte soorten scheepsafval en ladingresiduen; 
een lijst van contactadressen, exploitanten en geboden diensten; 
een beschrijving van de aanmeldingsprocedure; 
een beschrijving van de afgifteprocedures; 
een beschrijving van het tariefsysteem; 
een beschrijving van de procedures voor het melden van vermeende tekortkomingen van havenontvangstvoorzieningen; 
een beschrijving van de procedure voor het aanvragen van een vrijstelling van de afgifteplicht, de aanmelding en de financiėle bijdrage. 

Art. 5.2.10.6.

§ 1.

De kapitein van een schip, dat geen vissersvaartuig is of een pleziervaartuig waarmee ten hoogste twaalf passagiers vervoerd mogen worden, vult het aanmeldingsformulier waarheidsgetrouw in en verstrekt de informatie voor zijn aankomst in de haven hetzij via zijn agent of zijn vertegenwoordiger in de haven, hetzij rechtstreeks aan de instantie die daarvoor is aangewezen :

ten minste 24 uur voor aankomst, als de aanloophaven bekend is; 
zodra de aanloophaven bekend is, als die informatie minder dan 24 uur voor aankomst beschikbaar is; 
uiterlijk bij vertrek uit de vorige haven, als de duur van de reis minder dan 24 uur bedraagt. Een model van aanmeldingsformulier is opgenomen in bijlage 5.2.10.A. 

 

De agent of de vertegenwoordiger die de ingevulde aanmelding ontvangt van de kapitein van het schip, moet die onveranderd bezorgen aan het havenbedrijf.

 

§ 2.

De informatie, vermeld in paragraaf 1, wordt ten minste tot na de volgende aanloophaven aan boord bewaard.

 

§ 3.

De aanmelding moet gedaan worden bij de instanties die zijn aangewezen door de minister, na overleg met de Vlaamse minister, bevoegd voor de openbare werken.

 

§ 4.

De aanmeldingsformulieren die de aangewezen instanties in het kader van deze procedure ontvangen, moeten gedurende een termijn van drie jaar bijgehouden worden.


Art. 5.2.10.7.

§ 1.

De kapitein van een schip dat een haven aandoet, geeft voor zijn vertrek uit de haven al het scheepsafval af bij een havenontvangstvoorziening.

 

De kapitein van een schip dat een haven aandoet, geeft voor zijn vertrek uit de haven de ladingresiduen af bij een havenontvangstvoorziening, overeenkomstig de voorschriften van Marpol.

 

§ 2.

Met behoud van de toepassing van paragraaf 1 kan een schip doorvaren naar een volgende aanloophaven zonder afgifte van het scheepsafval als uit de aanmelding, vermeld in artikel 5.2.10.6, § 1, blijkt dat er voldoende aparte opslagcapaciteit aan boord is voor al het scheepsafval dat is ontstaan en dat tijdens de voorgenomen reis van het schip tot de haven van afgifte nog zal ontstaan.

 

§ 3.

Als er goede redenen zijn om aan te nemen dat er geen toereikende havenontvangstvoorzieningen beschikbaar zijn in de beoogde haven van afgifte, of als die haven niet bekend is en er dus een risico bestaat dat het afval op zee zal worden geloosd, wordt de kapitein van het schip verplicht zijn scheepsafval af te geven voor het vertrek uit de haven.

 

§ 4.

De bepalingen van paragraaf 3 blijven gelden met behoud van de toepassing van strengere afgiftevoorschriften voor schepen die overeenkomstig het internationale recht zijn vastgesteld.


Art. 5.2.10.8.

Het kostendekkingssysteem voor schepen, die geen vissersvaartuig of een pleziervaartuig zijn waarmee ten hoogste twaalf passagiers mogen worden vervoerd, moet voldoen aan de volgende voorwaarden :

alle schepen die een haven aandoen, dragen substantieel bij in de kosten van de havenontvangstvoorziening voor scheepsafval, met inbegrip van de behandeling en verwerking van het scheepsafval, ongeacht het feitelijke gebruik van de voorzieningen. Mogelijkheden om dat te bewerkstelligen zijn het opnemen van de bijdrage in de havengelden, het invoeren van een aparte afvalbijdrage of het gebruiken van een kostendekkingsysteem dat gebaseerd is op de berekeningswijze, vermeld in bijlage 5.2.10.B, dan wel een combinatie van die mogelijkheden. De bijdragen kunnen onder andere naargelang van de categorie, het type en de grootte van het schip gedifferentieerd worden; 
het gedeelte van de kosten dat eventueel niet wordt gedekt door de bijdrage, vermeld in 1°, wordt gedekt op basis van de feitelijk door het schip afgegeven soorten en hoeveelheden scheepsafval; 
de bijdragen kunnen worden verlaagd als het milieuzorgsysteem, het ontwerp, de uitrusting en de exploitatie van het schip zodanig zijn dat de kapitein kan aantonen dat het minder scheepsafval produceert. Een aanvraag van een verlaagde afvalbijdrage kan door de kapitein van het schip worden ingediend bij de OVAM. Als blijkt dat het milieuzorgsysteem, het ontwerp, de uitrusting en de exploitatie van een schip nadien dermate zijn gewijzigd dat het schip niet langer minder scheepsafval produceert, kan de OVAM op elk moment een reeds verleende vermindering van de afvalbijdrage intrekken. Schepen die beschikken over een afvalverbrandingsinstallatie, kunnen niet in aanmerking komen voor een vermindering van de bijdrage. 

 

Kosten die verbonden zijn aan de afgifte van ladingresiduen, worden door de gebruiker van de havenontvangstvoorziening betaald.


Art. 5.2.10.9.

§ 1.

Een schip dat volgens een dienstregeling frequent en regelmatig een haven aandoet en kan aantonen dat een regeling is getroffen voor de afgifte van scheepsafval en de betaling van bijdragen in een haven die op de route van het schip ligt kan een vrijstelling verkrijgen van de verplichtingen, vermeld in artikelen 5.2.10.6, 5.2.10.7 en 5.2.10.8.

 

§ 2.

Een aanvraag van een vrijstelling wordt ingediend bij de OVAM en moet ten minste de volgende gegevens bevatten :

naam en IMO-nummer van het schip; 
overzicht van de dienstregeling en de regelmatige aanloopfrequentie in de haven waarvoor een vrijstelling wordt aangevraagd;  
overzicht van de getroffen regeling voor afgifte van het scheepsafval en de betaling van bijdragen in een haven van een lidstaat van de Europese Unie, de Europese Economische Ruimte of HELCOM, die op de route van het schip ligt. 

 

De vrijstelling kan verleend worden voor de termijn van de opgegeven dienstregeling. 

 

De OVAM onderzoekt de aanvraag op volledigheid en stuurt binnen tien kalenderdagen na de ontvangst van het volledig bevonden dossier een kopie naar de afdeling Scheepvaartbegeleiding van het Agentschap voor Maritieme Dienstverlening en Kust en naar de met de scheepvaartcontrole belaste dienst van het federale Directoraat-generaal Maritiem Vervoer.

 

De afdeling Scheepvaartbegeleiding en de met scheepvaartcontrole belaste dienst van het federale directoraatgeneraal Maritiem Vervoer worden uitgenodigd om binnen twintig kalenderdagen na de ontvangst van het dossier een advies aan de OVAM te verstrekken.

 

De OVAM neemt een beslissing binnen de dertig kalenderdagen na ontvangst van het advies van de afdeling Scheepvaartbegeleiding van het Agentschap voor Maritieme dienstverlening en Kust en het advies van de met scheepvaartcontrole belaste dienst van het federale Directoraat-generaal Maritiem Vervoer en stuurt de beslissing door naar de aanvrager, de beheerder van de haven in kwestie, de met scheepvaartcontrole belaste dienst van het federale Directoraat-generaal Maritiem Vervoer en het Agentschap voor Maritieme Dienstverlening en Kust.

 

§ 3.

Een verleende vrijstelling kan met terugwerkende kracht gelden vanaf de dag van de ontvangst van de volledig bevonden aanvraag.

 

§ 4.

Een vrijstelling kan door de OVAM worden ingetrokken als er door wijzigingen in de route van het schip of in de regelingen voor de afgifte van het scheepsafval niet meer voldaan wordt aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1.

 

§ 5.

Met behoud van de toepassing van paragraaf 4 blijft de vrijstelling geldig in de volgende situaties :

als het schip uitzonderlijk een andere Vlaamse haven aanloopt dan die welke bepaald is in de vastgelegde route om redenen van overmacht, veiligheid, noodzakelijk technisch onderhoud of omdat het noodzakelijk is een noodhaven aan te lopen. De OVAM moet daarvan schriftelijk op de hoogte gebracht worden; 
als een schip tijdelijk gedurende een periode van maximaal één maand vervangen wordt door een ander vaartuig wegens een ongeval, een technisch defect of een gepland onderhoud. De verleende vrijstelling wordt gedurende die periode overgedragen aan het vervangende schip voor die route. In dergelijk geval moet de OVAM daarvan schriftelijk op de hoogte worden gebracht. Als het oorspronkelijke schip niet binnen de periode van een maand opnieuw in dienst wordt genomen, vervalt de vrijstelling, zowel voor het oorspronkelijke als voor het vervangende schip, tenzij na schriftelijke goedkeuring van de OVAM. 

 


Onderafdeling 5.2.11.
Afval van de binnenvaart


Art. 5.2.11.1. Deze onderafdeling voorziet in de gedeeltelijke uitvoering van het verdrag inzake de verzameling, afgifte en inname van afval in de Rijn- en binnenvaart, ondertekend in Straatsburg op 9 september 1996.

Art. 5.2.11.2.

Deze onderafdeling is van toepassing op schepen die zich bevinden op binnenwateren die openstaan voor het scheepvaartverkeer.

 

In afwijking van het eerste lid is deze onderafdeling niet van toepassing op zeeschepen en op pleziervaartuigen.


Art. 5.2.11.3. De havenbeheerders die binnenschepen ontvangen, en de waterwegbeheerders moeten voorzien in een voldoende dicht netwerk van ontvangstinrichtingen voor de inzameling van scheepsafval en afval van lading. De beheerders kunnen daarin zelf voorzien of daarin laten voorzien.

Art. 5.2.11.4.

§ 1.

De havenbeheerders die binnenschepen ontvangen en de waterwegbeheerders stellen een passend plan op voor de ontvangst en verwerking van scheepsafval, restlading, overslagresten, ladingsrestanten en waswater. Het plan wordt door de minister, na overleg met de Vlaamse minister, bevoegd voor de openbare werken, goedgekeurd.

 

§ 2.

Het plan wordt uitgewerkt in overleg met de betrokken partijen, in het bijzonder met de havengebruikers of hun vertegenwoordigers.

 

§ 3.

Het plan moet betrekking hebben op alle soorten scheepsafval, restlading, overslagresten, ladingrestanten en waswater, afkomstig van schepen die gebruikmaken van de vaarwegen.

 

De volgende elementen maken deel uit van het plan :

een beschrijving van het toepassingsgebied : 
  a) de geografische afbakening en oplijsting van de vaarwegen; 
  b) de schepen waarvoor de ontvangstinrichtingen bestemd zijn; 
een beschrijving van de toepasselijke wetgeving waarin minstens de volgende elementen worden verwerkt : 
  a) een verwijzing naar het verdrag inzake de verzameling, afgifte en inname van afval in de Rijn- en binnenvaart en de ratificatie ervan in het Vlaamse Gewest; 
  b) een oplijsting van de begrippen en definities die relevant zijn voor het gebruik en de uitbating van het netwerk van ontvangstinrichtingen; 
een beschrijving en oplijsting van de ontvangstvoorzieningen die binnen het geografische toepassingsgebied aanwezig zijn : 
  a) per haven of waterwegbeheerder; 
  b) per afvalstroom; 
een beschrijving van de mate waarin het netwerk van ontvangstvoorzieningen een voldoende dicht netwerk vormt voor de inzameling van scheepsafval en afval van lading. Daarbij wordt minstens aandacht geschonken aan de geografische spreiding, het aantal voorzieningen per afvalstof en de behoeften van schepen die ervan gebruikmaken. Bij de toetsing van het voldoende dichte netwerk wordt aandacht geschonken aan : 
  a) ontvangstinrichtingen voor huisvuil : 
    1) bij overslaginstallaties of in havens; 
    2) aan aanlegplaatsen voor passagiersschepen; 
    3) bij ligplaatsen en sluizen; 
  b) ontvangstinrichtingen voor slops en klein gevaarlijk scheepsafval in havens; 
  c) ontvangstinrichtingen voor huishoudelijk afvalwater bij ligplaatsen van passagiersschepen waaraan de toestemming is verleend om meer dan vijftig personen te vervoeren; 
een beschrijving van de procedures voor ontvangst en inzameling van scheepsafval en afval van lading, alsook een gedetailleerde beschrijving van het tariefsysteem, opgesplitst in de volgende deelstromen :  
  a) olie- en vethoudend scheepsbedrijfsafval; 
  b) afval van de lading; 
  c) overig scheepsbedrijfsafval; 
een beschrijving van de procedure voor het melden van vermeende tekortkomingen van ontvangstinrichtingen; 
een beschrijving van de procedures voor structureel overleg met alle actoren die betrokken zijn bij het gebruik en de uitbating van de ontvangstinrichtingen. 

 


Art. 5.2.11.5.

Het plan, vermeld in artikel 5.2.11.4, voor de ontvangst en verwerking van scheepsafval en afval van lading van de binnenvaart wordt behandeld als volgt :

de havenbeheerders die binnenschepen ontvangen, en de waterwegbeheerders sturen een voorstel van plan voor de ontvangst en verwerking van scheepsafval en afval van lading per aangetekende brief naar de OVAM. De OVAM onderzoekt het plan op volledigheid als vermeld in artikel 5.2.11.4, § 3, en onderzoekt of de procedures in het plan voldoen aan de bepalingen, vermeld in artikel 5.2.11.4; 
binnen een termijn van zestig kalenderdagen na de ontvangst van het voorstel van plan voor de ontvangst en verwerking van scheepsafval van de binnenvaart verleent OVAM daarover advies aan de minister; 
de minister doet na overleg met de Vlaamse minister, bevoegd voor de openbare werken, uitspraak over het plan binnen een termijn van maximaal vier maanden na de datum van de ontvangst van het voorstel van plan bij de OVAM; 
de OVAM zendt binnen een termijn van tien kalenderdagen na de datum van die beslissing, die beslissing of een eensluidend verklaard afschrift ervan aan de beheerders. 

 

Het plan voor de ontvangst en verwerking van scheepsafval, vermeld in lid 1, is geldig voor een termijn van maximaal vijf jaar. Elke beslissing die voor een kortere termijn geldt, moet ter zake gemotiveerd zijn.

 

Bij significante veranderingen in de werking van het netwerk van ontvangstinrichtingen moeten de havenbeheerders die binnenschepen ontvangen, en de waterwegbeheerders dat onmiddellijk meedelen aan de OVAM met een beveiligde zending. Op basis van de door de beheerder meegedeelde wijzigingen kan de OVAM binnen vijftien kalenderdagen na de mededeling ervan beslissen dat het noodzakelijk is om een nieuw plan in te dienen. Een nieuw plan moet ingediend worden volgens de procedure, vermeld in het eerste lid. Bovendien kan de minister in geval van wijzigingen in de wetgeving of een herziening van het beleid, na advies van de OVAM, ambtshalve wijzigingen in het plan doorvoeren.


Art. 5.2.11.6.

De havenbeheerders die binnenschepen ontvangen, en de waterwegbeheerders zorgen ervoor dat voor de binnenschepen de volgende informatie beschikbaar is :

een korte verwijzing naar het fundamentele belang van een behoorlijke afgifte van scheepsafval; 
de locatie van de vaste ontvangstvoorzieningen, met een tekening of kaart; 
een lijst van de afvalstromen die worden aanvaard; 
een lijst van contactadressen, exploitanten en geboden diensten; 
een beschrijving van de afgifteprocedures en van het tariefsysteem; 
een beschrijving van de procedures voor het melden van vermeende tekortkomingen van havenontvangstvoorzieningen. 

Art. 5.2.11.7.

De kosten voor de inname en verwijdering van het olie- en vethoudend scheepsbedrijfsafval worden in eerste instantie betaald door de beheerders van de havens en de waterwegen.

 

De beheerders kunnen die kosten verhalen op het Instituut voor het Transport langs de Binnenwateren vzw. De beheerders van de havens en de waterwegen zijn verplicht om per kwartaal de volgende gegevens te rapporteren aan het Instituut voor het Transport langs de Binnenwateren vzw :

de totale hoeveelheid ingenomen en verwijderd olie- en vethoudend afval; 
de totale inname- en verwijderingskosten voor de hoeveelheden, vermeld in 1°. 

 


Onderafdeling 5.2.12.
Gebruikte dierlijke en plantaardige vetten en oliėn van huishoudelijke oorsprong


Art. 5.2.12.1.

Naast de gemeentelijke inzameling in het kader van de zorgplicht kan elke natuurlijke persoon of rechtspersoon een inzameling van gebruikte dierlijke en plantaardige vetten en oliėn van huishoudelijke oorsprong opzetten onder de volgende voorwaarden :

de gebruikte dierlijke en plantaardige vetten en oliėn van huishoudelijke oorsprong worden ingezameld op het privéterrein van eindverkopers die dierlijke en plantaardige vetten en oliėn voor huishoudelijk gebruik te koop aanbieden;
de eindverkoper heeft een samenwerkingsovereenkomst gesloten met de organisator van de inzameling;
de ingezamelde hoeveelheden gebruikte dierlijke en plantaardige vetten en oliėn van huishoudelijke oorsprong staan in verhouding tot de te koop aangeboden hoeveelheden;
de ingezamelde gebruikte dierlijke en plantaardige vetten en oliėn van huishoudelijke oorsprong worden opgeslagen zonder schade, hinder of verontreiniging aan mens, milieu of de directe omgeving;
er wordt gezorgd voor een georganiseerde regelmatige afvoer van de ingezamelde gebruikte dierlijke en plantaardige vetten en oliėn van huishoudelijke oorsprong;
de recipiėnten waarin de gebruikte dierlijke en plantaardige vetten en oliėn van huishoudelijke oorsprong ingezameld en getransporteerd worden, zijn technisch geschikt. De recipiėnten worden in goede staat van werking gehouden;
de ingezamelde gebruikte dierlijke en plantaardige vetten en oliėn van huishoudelijke oorsprong worden nuttig toegepast.

 


Art. 5.2.12.2.

§ 1.

De natuurlijke persoon of rechtspersoon, vermeld in artikel 5.2.12.1, houdt een register bij dat de volgende gegevens bevat :

de naam, het adres en het identificatienummer van de eindverkoper waar de inzameling heeft plaatsgevonden, van Belgische eindverkopers het ondernemingsnummer en van buitenlandse het btw-nummer;
de datum van de afvoer bij de eindverkoper;
de hoeveelheid in het Vlaamse Gewest ingezamelde gebruikte dierlijke en plantaardige vetten en oliėn van huishoudelijke oorsprong in kilogram;
als dat van toepassing is, de naam, het adres en het identificatienummer van de inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of –makelaar die ingeschakeld wordt voor de inzameling, van Belgische inzamelaars, afvalstoffenhandelaars of -makelaars het ondernemingsnummer en van buitenlandse het btw-nummer;
de verwerkings- of toepassingswijze van de gebruikte dierlijke en plantaardige vetten en oliėn van huishoudelijke oorsprong : hergebruik, composteren, recyclage, sortering, andere voorbehandeling, verbranden met energierecuperatie (R1), andere afvalverbranding (D10), storten;
de naam, het adres en het identificatienummer van de verwerker van de gebruikte dierlijke en plantaardige vetten en oliėn van huishoudelijke oorsprong, van Belgische verwerkers het ondernemingsnummer en van buitenlandse het btw-nummer.

 

Het register wordt ten minste elke maand aangevuld met de meest recente gegevens.


Het register wordt gedurende vijf jaar bijgehouden. Het register ligt ter inzage op de exploitatiezetel.


Als afvalstoffenregister kan een verzameling van handelsdocumenten als vermeld in artikel 12, § 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 21 juni 2013 betreffende de dierlijke bijproducten en afgeleide producten gebruikt worden.

 

§ 2.

Van de plicht tot het bijhouden van een register als vermeld in paragraaf 1 kan worden afgeweken als de inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar van de afgevoerde gebruikte dierlijke en plantaardige vetten en oliėn van huishoudelijke oorsprong aan de toezichthoudende overheid online-inzagerecht geeft in zijn register, vermeld in onderafdeling 7.2.1, op voorwaarde dat de bepalingen van het online-inzagerecht zijn goedgekeurd door de OVAM.


Art. 5.2.12.3.

§ 1.

De natuurlijke persoon of rechtspersoon, vermeld in artikel 5.2.12.1, stelt voor 1 april van elk jaar de volgende gegevens over het voorgaande kalenderjaar ter beschikking van de OVAM :

de hoeveelheid ingezamelde gebruikte dierlijke en plantaardige vetten en oliėn van huishoudelijke oorsprong;
de inrichtingen waar en de wijze waarop de ingezamelde gebruikte dierlijke en plantaardige vetten en oliėn van huishoudelijke oorsprong zijn verwerkt.


De OVAM kan voor de rapportage, vermeld in het eerste lid, een sjabloon en een formaat opleggen.

 

§ 2.

De eindverkopers en de natuurlijke persoon of de rechtspersoon, vermeld in artikel 5.2.12.1, verstrekken op verzoek van OVAM alle aanvullende informatie die de OVAM nuttig acht voor de evaluatie en de controle van de inzameling.


Afdeling 5.3.
Bepalingen over het beheer van specifieke materialen die geen afvalstof zijn


Onderafdeling 5.3.1.
Algemene bepalingen


Art. 5.3.1.1. Deze afdeling bevat de voorwaarden die moeten zijn vervuld bij het gebruik van grondstoffen.

Art. 5.3.1.2.

Als de gebruiksvoorwaarden, vermeld in deze afdeling, niet worden gerespecteerd of als de grondstoffen niet worden gebruikt voor de in de grondstofverklaring opgenomen toepassing, worden de betreffende materialen beschouwd als afvalstoffen.

 

De grondstoffen blijven ook tijdens het transport en gedurende de tussentijdse opslag met het oog op het effectieve gebruik grondstoffen.


Onderafdeling 5.3.2.
Voorwaarden voor het gebruik van grondstoffen als meststof of bodemverbeterend middel


Art. 5.3.2.1.

Bij het gebruik van grondstoffen, bestemd voor gebruik als meststof of bodemverbeterend middel, [...] mag de dosering, vermeld in bijlage 2.3.1.C, niet worden overschreden. Als er meer dan één grondstof [...] wordt gebruikt, mag de som van de toegevoegde individuele verontreinigingen de maximaal toelaatbare dosering, vermeld in bijlage 2.3.1.C, niet overschrijden.

 

Voor grondstoffen, gebruikt als meststof of bodemverbeterend middel, moet de dosering van de grondstof gebaseerd zijn op de landbouwkundige vereisten en op de landbouwkundige eigenschappen van de meststof of het bodemverbeterend middel zonder de concentraties, vermeld in bijlage 2.3.1.C, te overschrijden. De grondstof wordt opgevolgd door de bevoegde autoriteit of de erkende keuringsinstantie.


Art. 5.3.2.2.

In het kader van een driejarig teeltplan mag om de drie jaar het drievoud gebruikt worden van de dosis, berekend op basis van de samenstelling en de gebruiksvoorwaarden, vermeld in bijlage 2.3.1.C.


Art. 5.3.2.3. Bij het gebruik van compost en eindmaterialen van de biologische behandeling van organischbiologische afvalstoffen voor de heraanleg van de bouwvoor voor groenvoorzieningen, infrastructuurwerken of andere cultuurtechnische werken mag een veelvoud van de maximaal toelaatbare bodemdosering gebruikt worden, berekend op het aantal jaar dat geldt als normale levensduur van de heraangelegde bouwvoor.

Art. 5.3.2.4.

Het gebruik van behandeld zuiveringsslib is alleen toegelaten als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan :

de concentraties in de bodem, bepaald volgens punt 4 en 5 van bijlage 2.3.1.D, overschrijden voor geen enkel metaal de concentraties, vermeld in bijlage 2.3.1.E;  
de bodem bezit een pH-waarde die hoger is dan 6; 
bij de toepassing op grasland of akkerland wordt injectie in de bodem toegepast of wordt het behandeld zuiveringsslib onmiddellijk ondergeploegd.  

 

Het gebruik van behandeld zuiveringsslib is verboden :

op weideland dat wordt beweid of op velden voor de teelt van voedergewassen als die voedergewassen worden geoogst vóór het verstrijken van een wachttermijn van ten minste zes weken; 
op groente- en fruitaanplant gedurende de groeiperiode, met uitzondering van de aanplant van fruitbomen; 
op bodems die bestemd zijn voor de teelt van groenten of vruchten die normaliter in rechtstreeks contact met de bodem staan en die normaliter rauw worden geconsumeerd, gedurende een periode van tien maanden, voorafgaand aan de oogst en tijdens de oogst zelf; 
in gebieden die volgens de vigerende plannen van aanleg overeenstemmen met een van de bestemmingen, opgesomd onder bestemmingstype I van het VLAREBO, in stadstuinen en op alle verstedelijkte plaatsen die toegankelijk zijn voor publiek. 

 


Onderafdeling 5.3.3.
Voorwaarden voor het gebruik van grondstoffen als bouwstoffen


Art. 5.3.3.1.

De voorwaarden voor gebruik van grondstoffen als bouwstoffen zijn, voor zover dat van toepassing is, vermeld in bijlage 2.2, afdeling 2.


Art. 5.3.3.2.

In afwijking van artikel 5.3.1.2, tweede lid, worden gerecycleerde granulaten rechtstreeks en zonder tussenopslag afgevoerd naar de aanwendingslocatie, tenzij voldaan wordt aan de voorwaarden, vermeld in het eenheidsreglement.


Art. 5.3.3.3.

Puin, verkregen bij selectieve bouw- en sloopactiviteiten door particulieren zonder tussenkomst van een bedrijf of aannemer, kan alleen als grondstof in toepassingen van minder dan 100 ton worden gebruikt. Artikel 2.2.3. is in dat geval niet van toepassing.


Art. 5.3.3.4.

Pak-houdend asfaltgranulaat, pak-houdend zeefzand van asfalt kunnen alleen onder de volgende voorwaarden in een specifieke toepassing worden gebruikt:

de hoeveelheid bedraagt minstens 1500 kubieke meter;
de toepassing wordt geļnventariseerd door de OVAM, waarbij minstens de gemeente en het kadastraal perceel worden vermeld. De gebruiker meldt iedere toepassing aan de OVAM;
in een fundering die bestaat uit asfaltcement, wordt het op koude wijze gebruikt.

 

Het gebruik in een specifieke toepassing als vermeld in het eerste lid, is niet meer toegelaten na 1 mei 2019.


Art. 5.3.3.5.

Het gebruik van een bouwstof in ongebonden toestand in of op de bodem, met uitzondering van puingranulaten, moet gebeuren volgens de lijst van toepassingen van bodemmaterialen voor bouwkundig bodemgebruik, zoals voorzien in artikel 171 van het VLAREBO. Een bouwstof is in ongebonden toestand als de bouwstof niet gemengd is met een bindmiddel zoals cement of kalk  of als de bouwstof niet gaat uitharden.


Onderafdeling 5.3.4.
Voorwaarden voor het gebruik van grondstoffen als bodem


Art. 5.3.4.1. [...]

Art. 5.3.4.2. [...]

Art. 5.3.4.3. [...]

Art. 5.3.4.4. [...]

Art. 5.3.4.5. [...]

Art. 5.3.4.6. [...]

Art. 5.3.4.7. [...]

Onderafdeling 5.3.5.
Voorwaarden voor het gebruik van grondstoffen in kunstmatige afdichtingslagen met waterglas op stortplaatsen van categorie 1 en 2


Art. 5.3.5.1.

Voor grondstoffen, gebruikt in kunstmatige afdichtingslagen met waterglas, moet de dosering van de grondstof gebaseerd zijn op de technische eigenschappen van de grondstof en op de technische vereisten van de kunstmatige afdichtingslaag met waterglas, vermeld in bijlage 2.3.4.A, en in geen geval op de concentraties, vermeld in bijlage 2.3.4.B.

 

Voor de materialen, vermeld in artikel 2.3.4.1, § 2, moet de gevormde afdichtingslaag altijd voldoen aan de eisen inzake samenstelling, maximale beschikbaarheid voor uitloging en uitloogbaarheidswaarden, vermeld in bijlage 2.3.4.C.


Onderafdeling 5.3.6.
Voorwaarden voor het gebruik van rubbergranulaat van gerecycleerde afvalbanden als instrooimateriaal in kunstgrasvelden


Art. 5.3.6.1. Rubbergranulaat dat afkomstig is van de recyclage van afvalbanden mag als instrooimateriaal worden gebruikt in kunstgrasvelden onder de voorwaarden, vermeld in deze onderafdeling.

Art. 5.3.6.2. De kunstgrasvelden moeten worden aangelegd op een onderlaag die duidelijk herkenbaar gescheiden wordt van de onderliggende bodem die van nature aanwezig is. Het kunstgrasveld en de onderlaag worden zo ontworpen dat de uitloging van schadelijke stoffen in de bodem maximaal wordt voorkomen. De minister kan normen vastleggen voor de uitloging van schadelijke stoffen uit het kunstgrasveld en de onderlaag. De minister kan ook termijnen vastleggen waarbinnen bestaande kunstgrasvelden moeten voldoen aan de uitlogingsnormen.

Art. 5.3.6.3.

De kunstgrasvelden, ingestrooid met rubbergranulaat van gerecycleerde afvalbanden, moeten altijd vrij van rottend plantenafval worden gehouden.

 

Het rubbergranulaat dat verspreid raakt in de omgeving rond het kunstgrasveld, moet regelmatig worden opgeveegd en opgeruimd.


Art. 5.3.6.4.

Bij vervanging van de kunstgrasmat moet worden gecontroleerd of de onderlaag nog een compacte structuur heeft. Scheurvormingen of onregelmatigheden moeten hersteld worden.

 

De onderlaag moet worden vervangen wanneer de belasting met schadelijke stoffen te hoog is. De minister kan hiervoor normen vastleggen

 

Bij afdanking van de kunstgrasvelden moeten alle componenten waaronder het rubbergranulaat, de kunstgrasmatten en de onderlaag afgevoerd worden naar inrichtingen die vergund zijn voor de verwerking van dergelijke afvalstoffen.


Onderafdeling 5.3.7.
Voorwaarden voor het gebruik van afvalbanden als afdekmateriaal op voedersilo's


Art. 5.3.7.1.

Afvalbanden mogen worden gebruikt als afdekmateriaal op voedersilo’s onder de volgende voorwaarden :

het aantal silobanden dat aanwezig is op een landbouwbedrijf, moet in verhouding staan tot het aantal banden dat nodig is om de voedersilo’s van dat bedrijf af te dekken; 
als de banden op een bepaald moment niet gebruikt worden als afdekmateriaal op de voedersilo’s, moeten ze ordelijk worden gestapeld op een vloeistofdichte vloer. 

Onderafdeling 5.3.8.
Voorwaarden voor het beheer van kabels en leidingen


Art. 5.3.8.1.

Deze onderafdeling is van toepassing op alle infrastructuur die bestemd is voor de transit, het transport, de transmissie of de distributie van vaste, vloeibare of gasvormige stoffen, energie of informatie, hierna genoemd kabels en leidingen, die zich bevinden onder, op of boven het openbaar domein. Ze geldt evenwel niet als de kabels of leidingen deel uitmaken van een ingedeelde inrichting of activiteit zoals vermeld in artikel 5.1.1, 8°, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid. Ze geldt eveneens niet voor vervoersinstallaties die vallen onder de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere, door middel van leidingen.


Art. 5.3.8.2.

Met behoud van de toepassing van andere wettelijke bepalingen neemt de kabel- en leidingbeheerder die een kabel of leiding definitief buiten dienst stelt volgens afnemende prioriteit, de volgende initiatieven voor het beheer van die kabel of leiding:

ze hergebruikt de kabel of leiding of delen ervan voor het oorspronkelijke doel of voor een ander doel, eventueel op een andere locatie;
ze hergebruikt de onderscheiden stoffen of materialen waaruit die kabel of leiding bestaat;
ze neemt de kabel of leiding weg die zichtbaar is in de opgebroken sleuf en beheert ze vervolgens volgens de regels die gelden voor het beheer van afvalstoffen;
ze laat de kabel of leiding ter plaatse nadat ze alle nodige maatregelen heeft genomen om schade en verontreiniging ten gevolge van de kabel of leiding of de aanwezigheid ervan te voorkomen;
ze neemt de kabels en leidingen weg wanneer geen van de vorige initiatieven aangewezen is.

 

Het bepalen van de te nemen maatregelen en de uitvoering ervan gebeurt met toepassing van de best beschikbare technieken. Daarbij houdt men in het bijzonder rekening met de gevaarseigenschappen van de kabels en leidingen of van de stoffen of materialen waaruit ze bestaan, zowel in eigen beheer als in de onmiddellijke nabijheid.


De kabel- en leidingbeheerder informeert de beheerder van het openbaar domein over de initiatieven en maatregelen die overeenkomstig het eerste lid worden genomen en over de termijn waarbinnen die worden uitgevoerd. De termijn mag, als de kabels en leidingen overeenkomstig het eerste lid, 3° en 5° weggenomen worden, niet meer dan 36 maanden bedragen na het definitief buiten dienst stellen van de kabel of leiding, tenzij de openbaar domeinbeheerder verzoekt de termijn te verlengen.


Art. 5.3.8.3.

Kabels en leidingen die met toepassing van artikel 5.3.8.2, eerste lid, 4°, ter plaatse worden gelaten, worden geļnventariseerd overeenkomstig het KLIP-decreet van 14 maart 2008.


De kabel- en leidingbeheerder blijft verantwoordelijk voor het beheer van die kabels en leidingen.


Onderafdeling 5.3.9.
Voorwaarden voor het verstoken van gesmolten dierlijke vetten afgeleid van categorie 1-, 2- en 3-materiaal


Art. 5.3.9.1.

Gesmolten dierlijke vetten afgeleid van categorie 1-, 2- en 3-materiaal mogen verstookt worden als aan al de volgende criteria voldaan wordt:

 

de dierlijke vetten ontstaan in een conform verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1774/2002 erkende verwerkingsinstallatie;
de verbrandingsinstallatie waarin de dierlijke vetten als brandstof verstookt of verbrand worden, is vergund en erkend voor het verstoken of het verbranden van dierlijke vetten;
voor de gesmolten dierlijke vetten afgeleid van categorie 3-materiaal werd conform artikel 4.5.3 van dit besluit een afwijking op het verbrandingsverbod verkregen.

 

 

In dit artikel wordt verstaan onder:

 

categorie 1-materiaal: categorie 1-materiaal als vermeld in artikel 8 van de verordening (EG) 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1774/2002;
categorie 2-materiaal: categorie 2-materiaal als vermeld in artikel 9 van de verordening (EG) 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1774/2002.

Onderafdeling 5.3.10.
Voorwaarden voor het gebruik van boerderijcompost als meststof of als bodemverbeterend middel


Art. 5.3.10.1.

§ 1.

Boerderijcompost zoals omschreven in afdeling 1 van bijlage 2.2. moet voldoen aan de voorwaarden van artikel 2.3.1.3.

 

§ 2.

In afwijking van paragraaf 1 moet niet aan artikel 2.3.1.3. worden voldaan indien de geproduceerde boerderijcompost afgezet wordt op bedrijfseigen gronden van de producent.


Onderafdeling 5.3.11.
Voorwaarden voor het gebruik van draagtassen voor eenmalig gebruik


Art. 5.3.11.1.

Het gratis ter beschikking stellen van lichte plastic draagtassen voor eenmalig gebruik is verboden bij aankoop in de detailhandel. De bijdrage per draagtas moet zichtbaar worden gemaakt aan de consument. Onder detailhandel moet worden verstaan elk verkooppunt en elke vorm van verkoop aan consumenten, al dan niet overdekt.

 

De minister kan op het verbod, vermeld in het eerste lid, uitzonderingen met een vastgelegde duurtijd voorzien om rekening te houden met milieuoverwegingen of met vereisten inzake hygiėne, behandeling of veiligheid van bepaalde producten of vormen van verkoop wanneer er geen gepaste alternatieven beschikbaar zijn. De minister kan de eigenschappen en de voorwaarden nader vaststellen waaraan de draagtassen, waarvoor een uitzondering wordt voorzien, moeten voldoen.


Art. 5.3.11.2.

Het gratis ter beschikking stellen van lichte plastic draagtassen wordt voor bestaande voorraden die aangekocht werden voor de ingangsdatum van het verbod, toegelaten tot zes maanden na de inwerkingtreding van het verbod.


Onderafdeling 5.3.13.
Voorwaarden voor het gebruik van kunststoffen afvalzakken


Art. 5.3.13.1.

§ 1.

Het gebruik van kunststoffen afvalzakken die niet worden geproduceerd op basis van gerecycleerde kunststoffen, is verboden vanaf 1 januari 2021.

 

Het minimaal gehalte aan gerecycleerde kunststoffen in afvalzakken is vastgelegd op:

80% vanaf 1 januari 2021, waarvan minstens de helft bestaat uit gerecycleerde postconsumer kunststoffen;
100% vanaf 1 januari 2025, waarvan minstens de helft bestaat uit gerecycleerde postconsumer kunststoffen.

 

Bij het inzetten van gerecycleerde kunststoffen dient het gedeclareerde gehalte gerecycleerde kunststoffen bewezen te worden door een gecertificeerd management systeem (zoals QA-CER of gelijkwaardig) dat uitgereikt wordt door een geaccrediteerde instelling, die oorsprong en gehalte gerecycleerde kunststoffen in de zakken garandeert.

 

§ 2.

Op het verbod vermeld in §1 gelden volgende uitzonderingen:

biodegradeerbare afvalzakken bestemd voor groen- of gft-afval;

afvalzakken bestemd voor risicohoudend medisch afval, zoals bedoeld in artikel 5.2.3.3, en afvalzakken bestemd voor niet-risicohoudend medisch afval, zoals bedoeld in artikel 5.2.3.5;

afvalzakken bestemd voor asbesthoudende materialen;

afvalzakken bestemd voor bouwpuin.

 

De minister kan bijkomende uitzonderingen voorzien om rekening te houden met milieuoverwegingen of met vereisten inzake hygiėne of veiligheid. De minister kan de eigenschappen en de voorwaarden nader vaststellen waaraan de afvalzakken, waarvoor een uitzondering wordt voorzien, moeten voldoen.

 

§ 3.

Het gebruik van kunststoffen afvalzakken zonder gerecycleerde kunststoffen wordt voor bestaande voorraden die aangekocht werden voor de ingangsdatum van het verbod, toegelaten tot maximaal 6 maanden na de ingang van het verbod.


Onderafdeling 5.3.14.
Voorwaarden voor het gebruik van stickers op groenten en fruit


Art. 5.3.14.1.

Het gebruik van stickers die rechtstreeks aangebracht worden op groenten en fruit is verboden, tenzij de informatie op de sticker functioneel of wettelijk verplicht is of tenzij de stickers gecertificeerd als thuiscomposteerbaar zijn.


HOOFDSTUK 6.
Inzamelen en vervoeren van afvalstoffen


Afdeling 6.1.
Vervoeren en inzamelen van en handelen en makelen in afvalstoffen


Art. 6.1.1. Deze afdeling is niet van toepassing op dierlijke bijproducten als vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 21 juni 2013 betreffende dierlijke bijproducten en afgeleide producten, met uitzondering van artikel 6.1.1.4, eerste lid, 2°, artikel 6.1.1.4, tweede lid, artikel 6.1.1.5, artikel 6.1.1.6, § 2, artikel 6.1.2.1, § 1, artikel 6.1.2.2 tot en met artikel 6.1.2.4, artikel 6.1.3.1, eerste en tweede lid, artikel 6.1.3.2 tot en met artikel 6.1.4.1.

Onderafdeling 6.1.1.
Voorwaarden voor het vervoeren en inzamelen van en het handelen en makelen in afvalstoffen


Art. 6.1.1.1.

De volgende algemene vervoersvoorwaarden zijn van toepassing op elk vervoer van afvalstoffen, inclusief op het laden en lossen van die afvalstoffen :

de afvalstoffen moeten degelijk zijn verpakt; 
de vervoerders en de afvalstoffenproducenten die met eigen transportmiddelen de eigen afvalstoffen vervoeren, moeten de verschillende soorten afvalstoffen die gescheiden worden aangeboden, van elkaar gescheiden houden en moeten de gevaarlijke afvalstoffen gescheiden houden van de niet-gevaarlijke afvalstoffen; 
het is verboden afvalstoffen te verdunnen als vermeld in artikel 4.4.2; 
de vervoersmiddelen en de recipiėnten moeten technisch geschikt zijn voor de afvalstoffen die worden vervoerd, en moeten over de nodige keuringsattesten en certificaten beschikken. Ze moeten in goede staat van werking worden gehouden;  
de vervoersmiddelen en de recipiėnten moeten in- en uitwendig worden gereinigd om vermenging van verschillende soorten afvalstoffen te vermijden; 
bij calamiteiten moeten onmiddellijk efficiėnte maatregelen worden genomen om hinder en schade voor mens en milieu zo veel mogelijk te beperken. Daarvoor zijn de nodige kennis, richtlijnen en middelen beschikbaar. De afvalstoffen mogen in geen geval rechtstreeks naar het grondwater, de openbare riolering of het oppervlaktewater worden afgevoerd. Ze moeten worden verzameld en verwerkt overeenkomstig de aard van de afvalstoffen; 
de vervoerder en de afvalstoffenproducent die met eigen transportmiddelen de eigen afvalstoffen vervoert, mogen afvalstoffen alleen vervoeren als er een identificatieformulier als vermeld in artikel 6.1.1.2, bijgevoegd is. 

 

Punt 4°, 5° en 6° zijn niet van toepassing op de actoren, vermeld in artikel 6.1.1.2, § 1, 2° tot en met 8°.


Art. 6.1.1.2.

§ 1.

Een identificatieformulier is aanwezig tijdens het vervoer van alle afvalstoffen, met uitzondering van :

de inzameling in één ophaalronde van huishoudelijke afvalstoffen, met huishoudelijke afvalstoffen vergelijkbare bedrijfsafvalstoffen of niet-gevaarlijke bedrijfsafvalstoffen; 
de particulier die zijn afvalstoffen naar inzamelpunten van afvalstoffen brengt; 
de zelfstandige of kleine ondernemer, die geen afvalstoffenverwerker is, met minder dan tien werknemers, die de afvalstoffen waarvan hij de producent is, naar inzamelpunten van afvalstoffen brengt; 
de afvalstoffenproducent van afvalstoffen die zijn ontstaan uit verleende onderhoudsdiensten bij derden, die de afvalstoffen naar zijn bedrijfsterrein of naar een verwerkingsinrichting brengt; 
de leverancier van goederen die in het kader van de terugnameplicht, van de aanvaardingsplicht of van vrijwillige terugname, ter gelegenheid van een levering van goederen, lege verpakkingen of afgedankte goederen naar zijn bedrijfsterrein of naar een inzamelpunt voor afgedankte goederen brengt; 
de houder van afvalstoffen die in het kader van de terugnameplicht, de aanvaardingsplicht of een vrijwillige terugname de afvalstoffen terugbrengt naar zijn leverancier van soortgelijke goederen; 
het kringloopcentrum of het hergebruikcentrum voor EEA dat de ingezamelde afgedankte EEA, die een visuele voorselectie op herbruikbaarheid hebben ondergaan, vervoert naar een hergebruikcentrum voor EEA, met het oog op de voorbereiding voor hergebruik;
de afvalstoffenproducenten die hun afvalstoffen via pijpleidingen vervoeren.  
de inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar die niet-gevaarlijke afvalstoffen van een containerpark naar een inzamelpunt van afvalstoffen of naar een verwerkingsinrichting brengt.

 

De uitzondering op het gebruik van een identificatieformulier geldt met behoud van de verplichte afgifte van bedrijfsafvalstoffen tegen de ontvangst van een afgiftebewijs als vermeld in artikel 25 van het Materialendecreet.

 

De OVAM stelt een model van identificatieformulier ter beschikking via haar website.

 

Het is mogelijk een identificatieformulier in elektronische vorm te gebruiken na voorafgaande goedkeuring door de OVAM. De gegevens op het identificatieformulier moeten altijd voorgelegd kunnen worden aan de toezichthouder.

 

§ 2.

Het identificatieformulier voor niet-gevaarlijke afvalstoffen bevat ten minste de volgende gegevens :

uniek volgnummer; 
datum van vervoer;  
naam en adres van de afvalstoffenproducent en het adres van verzending van de afvalstoffen; 
naam, adres en registratienummer van de inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar, indien van toepassing; 
naam, adres en registratienummer van de vervoerders; 
naam, adres en ondernemingsnummer van de verwerker, met vermelding van de aard van de verwerking (R- of D-code, vermeld in afdeling 4.2);  
omschrijving, hoeveelheid in ton en de EURAL-codes van de afvalstoffen, vermeld in bijlage 2.1.  

 

Het identificatieformulier voor gevaarlijke afvalstoffen bevat ten minste de volgende gegevens :

uniek volgnummer; 
datum van vervoer; 
naam en adres van de afvalstoffenproducent en het adres van verzending van de afvalstoffen; 
naam, adres en registratienummer van de inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar, indien van toepassing; 
naam, adres en registratienummer van de vervoerders;  
naam, adres en ondernemingsnummer van de verwerker, met vermelding van de aard van de verwerking (R- of D-code, vermeld in afdeling 4.2) en de gebruikte techniek van de verwerking; 
omschrijving, hoeveelheid in ton, chemische samenstelling en de EURAL-codes van de afvalstoffen, vermeld bijlage 2.1;  
fysische eigenschappen van de afvalstoffen; 
type en aantal verpakkingen; 
10° speciale instructies voor het transport, indien van toepassing. 

 

De gegevens, vermeld in het eerste en tweede lid, moeten ingevuld worden vóór het vervoer aanvangt, en ze moeten worden ondertekend en gedateerd door de afvalstoffenproducent die zelf regelingen treft voor zijn afvalstoffen of door de inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of - makelaar. Als de hoeveelheid niet kan bepaald worden voor het vertrek, mag de hoeveelheid ingevuld worden op de plaats van bestemming en moet die hoeveelheid aan de producent bezorgd worden. De afvalstoffenproducent bewaart die aanvulling samen met het oorspronkelijke identificatieformulier.

 

§ 3.

Als verordening (EG) 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen van toepassing is, gelden voor het vervoer van de afvalstoffen het vervoersdocument en de afschriften van het kennisgevingsdocument als identificatieformulier.

 

Bij de overbrenging voor nuttige toepassing van de afvalstoffen, vermeld in bijlagen III, IIIA en IIIB van de verordening, vermeld in het eerste lid, geldt het document, vermeld in bijlage VII van de verordening, als identificatieformulier.

 

§ 4.

Het identificatieformulier kan dienen als een afgiftebewijs als vermeld in artikel 25, § 2, van het Materialendecreet.

 

§ 5.

De afvalstoffenproducent ontvangt een kopie van het tot zover ingevulde identificatieformulier en bewaart die kopie gedurende een periode van minimaal vijf jaar.

 

§ 6.

Op de plaats van bestemming wordt het identificatieformulier door de verwerker gedateerd en voor ontvangst ondertekend. Hij ontvangt ter plaatse een kopie van het volledig ingevulde identificatieformulier en bewaart die kopie gedurende een periode van minimaal vijf jaar.

 

§ 7.

De afvalstoffenproducent die zelf regelingen treft, de inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar bewaart het originele, volledig ingevulde identificatieformulier gedurende een periode van minimaal vijf jaar.


Art. 6.1.1.3.

Inzamelaars, afvalstoffenhandelaars of -makelaars en afvalstoffenproducenten die zelf regelingen treffen voor hun afvalstoffen, moeten de volgende algemene voorwaarden naleven :

de afvalstoffen moeten worden vervoerd naar een verwerker die vergund is voor de verwerking van die afvalstoffen. Als verschillende afvalstoffen gescheiden worden aangeboden, moet de inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar voor elke afvalstof een gepaste verwerker kiezen; 
ze moeten zorgen voor een correct ingevuld identificatieformulier als vermeld in artikel 6.1.1.2; 
ze moeten een afvalstoffenregister bijhouden als vermeld in onderafdeling 7.2.1. 
als het afval niet door de afvalstoffenproducent wordt vervoerd, moet het vervoer van de afvalstoffen uitgevoerd worden door een vervoerder die geregistreerd is overeenkomstig artikel 6.1.2.1.

Art. 6.1.1.4.

Naast de algemene voorwaarden, vermeld in deze afdeling, moeten inzamelaars, afvalstoffenhandelaars of -makelaars bijkomend :

informatie verstrekken aan de afvalstoffenproducenten over de afvalstoffen die verplicht gescheiden moeten worden aangeboden, als vermeld in artikel 4.3.2 en 4.3.4, en die afzonderlijk moeten worden gehouden bij de inzameling. Zij moeten daarbij informatie geven op maat van de individuele klant of minstens op maat van de sector;
1°/1 bij het inzamelen, het handelen of het makelen van bedrijfsrestval met de afvalstoffenproducent een contract afsluiten, met daarin duidelijke vermelding van de fracties, vermeld in artikel 4.3.2, en hun vooropgestelde inzamelwijze. Bij een aanpassing van de fracties vermeld in artikel 4.3.2 moet elke inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar van bedrijfsrestafval deze contracten met zijn klanten stapsgewijs aanpassen vanaf de inwerkingtreding van deze nieuwe bepalingen: minstens 50% van de contracten moeten aangepast zijn na één jaar, minstens 75% na twee jaar en 100% na drie jaar. De inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar van bedrijfsrestafval moet elk inzamelrecipiėnt minstens visueel inspecteren op de sorteerplicht, vermeld in artikel 4.3.2. Bij vaststelling van non-conformiteiten moet de inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar die bedrijfsrestafval inzamelt, handelen volgens een interne schriftelijke of digitale non-conformiteitsprocedure. Daarbij moet hij minstens de afvalstoffenproducent wijzen op zijn sorteerfouten en mag afval geweigerd worden. De minister kan de wijze van informatieverstrekking, de wijze van visuele controle en de minimale vereisten van non-conformiteitsprocedures opnemen en verder uitwerken in de code van goede praktijk, vermeld in artikel 4.5.2;
1°/2 met de afvalstoffenproducent een contract afsluiten waarin de samengevoegde fracties worden gespecifieerd, als de inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar verschillende droge, niet-gevaarlijke afvalfracties in één recipiėnt inzamelt, handelt of makelt als vermeld in artikel 4.3.2, derde lid;
beschikken over en werken volgens een geactualiseerd intern kwaliteitsborgingssysteem, indien zij gevaarlijk afval inzamelen of erin handelen of makelen. 
het gemeentelijk politiereglement over de inzameling van het huishoudelijk textielafval naleven.

 

Het eerste lid, 1°/1, is niet van toepassing als voldaan is aan de volgende cumulatieve voorwaarden:

het bedrijfsrestafval van de afvalstoffenproducent is vergelijkbaar naar aard, samenstelling en hoeveelheid met huishoudelijke afvalstoffen;
het bedrijfsrestafval van de afvalstoffenproducent wordt ingezameld in één ronde samen met huishoudelijk afval.

 

In afwijking van het eerste lid, 2°, geldt dat de OVAM niet hoeft te beschikken over een geactualiseerd intern kwaliteitsborgingssysteem en geen keuring hoeft te laten uitvoeren als vermeld in artikel 6.1.1.6, § 2, voor het inzamelen, handelen en makelen van afvalstoffen die afkomstig zijn van ambtshalve verwijderingen en ambtshalve saneringen die in opdracht van de OVAM worden uitgevoerd binnen het kader van haar decretale opdracht.

 

In afwijking van het eerste lid, 2°, geldt dat de kennisgever, vermeld in verordening (EG) 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen, niet hoeft te beschikken over een geactualiseerd intern kwaliteitsborgingssysteem en geen keuring hoeft te laten uitvoeren als vermeld in artikel 6.1.1.6, § 2, voor de transporten waarvoor een goedgekeurde kennisgeving is gedaan.

 

De minister kan voor bepaalde niet-gevaarlijke afvalstoffen of voor bepaalde bedrijfssectoren specifieke voorwaarden vaststellen, waaronder de verplichting te beschikken over en te werken volgens een geactualiseerd intern kwaliteitsborgingssysteem.


Art. 6.1.1.4/1.

Naast de algemene voorwaarden, vermeld in deze afdeling, moeten inzamelaars, afvalstoffenhandelaars of -makelaars en afvalstoffenproducenten van verontreinigde bodemmaterialen in het kader van de controle op de volumebalans van de bodemmaterialen, afkomstig van grond-, bagger- of ruimingswerken aan de erkende bodembeheerorganisaties kunnen aantonen dat de verontreinigde bodemmaterialen naar een vergunde verwerker zijn
afgevoerd.

 

Voor de bodemmaterialen die buiten het Vlaamse Gewest worden toegepast, moeten inzamelaars, afvalstoffenhandelaars of -makelaars en afvalstoffenproducenten kunnen aantonen dat de bodemmaterialen zijn overgebracht naar een inrichting die volgens de wetgeving die daar geldt, gemachtigd is om die bodemmaterialen te aanvaarden.


Art. 6.1.1.5.

Het kwaliteitsborgingssysteem bevat naast maatregelen die de naleving van de algemene en specifieke voorwaarden uit deze onderafdeling garanderen, maatregelen die de naleving van andere voorwaarden voor specifieke afvalstoffen als vermeld in dit besluit, waarborgen.

 

Het kwaliteitsborgingssysteem is gebaseerd op het principe van risicoanalyse, integraal ketenbeheer, traceerbaarheid en zelfcontrole. De inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar moet zijn kwaliteitsborgingssysteem in al zijn vestigingen beschikbaar houden voor keuring en administratieve controle. Een kopie van het kwaliteitsborgingssysteem kan altijd opgevraagd worden voor administratieve controle.

 

Het kwaliteitsborgingssysteem is van toepassing op alle exploitatiezetels van de inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar. Het kwaliteitsborgingssysteem bevat minstens de volgende onderdelen :

een werkmethode die aangeeft op welke wijze getoetst wordt of de geaccepteerde afvalstoffen stroken met de eigen registratie als afvalstoffenhandelaar of -makelaar; 
richtlijnen die aangeven hoe de aard, samenstelling en verpakking van de geaccepteerde afvalstoffen worden beoordeeld en bijgestuurd indien nodig; 
een werkmethode die aangeeft op welke wijze verzekerd wordt dat de afvalstoffenproducenten de nodige inlichtingen krijgen over de afvalstoffen die zij verplicht gescheiden moeten aanbieden; 
een werkmethode die weergeeft hoe een geschikte vervoerder gecontacteerd wordt naargelang de aard van de afvalstoffen en de wijze van aanbieding van de afvalstoffen; 
een werkmethode die aangeeft op welke wijze de traceerbaarheid van de afvalstoffen van bij de afvalstoffenproducent over het vervoer tot bij de vergunde verwerker wordt verzekerd, met daarin onder meer richtlijnen voor het invullen van een identificatieformulier, richtlijnen voor de verspreiding van het identificatieformulier, een beschrijving van de manier waarop de administratieve medewerkers worden opgeleid en waarop ingeschakelde vervoerders worden geļnstrueerd om de formulieren correct in te vullen; 
een werkmethode die aangeeft op welke manier het afvalstoffenregister wordt bijgehouden, welke data dat register bevat en waar dat register ter inzage ligt; 
 een werkmethode die aangeeft op welke wijze wordt nagegaan dat de gekozen bestemmeling vergund of erkend is voor de aanvaarding van de aangeboden afvalstoffen; 
een werkmethode die wettelijke bepalingen over de bestemmingsmogelijkheden en de verwerkingshiėrarchie van de afvalstoffen omzet in richtlijnen voor de verantwoordelijke werknemers; 
9° voor elk onderdeel van het kwaliteitsborgingssysteem een oplijsting van de verantwoordelijken. 

 


Art. 6.1.1.6.

§ 1.

[...]

 

§ 2.

De inzamelaars, afvalstoffenhandelaars of -makelaars die over een kwaliteitsborgingssysteem moeten beschikken op grond van artikel 6.1.1.4, moeten een keuring ondergaan door een onafhankelijke keuringsinstelling om het kwaliteitsborgingssysteem op te volgen en te evalueren.

 

De inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar die voor de eerste keer geregistreerd wordt overeenkomstig onderafdeling 6.1.3, zal binnen twee jaar nadat hij de registratie heeft gekregen, een keuring laten uitvoeren door een onafhankelijke keuringsinstelling.

 

De inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar die een verlenging van een bestaande registratie aanvraagt, moet beschikken over een keuring die jonger is dan vier jaar. [...]

 

Om de vier jaar wordt een nieuwe keuring van de inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar uitgevoerd. De keuringsinstelling stelt het verslag van elke keuring binnen twee maanden na de keuring elektronisch ter beschikking van de OVAM. De keuringsinstellingen gebruiken daarvoor het loket keuringsinstellingen in de registratietoepassing van de OVAM. Die registratietoepassing wordt ter beschikking gesteld via de website van de OVAM.

 

Tijdens de keuring wordt onderzocht of het kwaliteitsborgingssysteem alle voorwaarden dekt, of het toereikend is om ervoor te zorgen dat alle wettelijke voorwaarden in de praktijk worden nageleefd, en of het in de praktijk wordt toegepast.

 

De OVAM maakt een code van goede praktijk op over de werkwijze die de onafhankelijke keuringsinstellingen moeten volgen bij de keuringen. De OVAM brengt de onafhankelijke keuringsinstellingen tijdig op de hoogte van elke wijziging in de code van goede praktijk.

 

De minister legt de specifieke kwalificatievereisten vast voor de keuringsinstellingen en bepaalt de vorm en inhoud van een lijst van keuringsinstellingen. De minister kan de OVAM machtigen het beheer van de lijst van de keuringsinstellingen op zich te nemen, de rapporteringsprocedure voor de keuringsinstellingen vast te leggen en een evaluatie en controle door te voeren. De minister stelt daarvoor de te volgen werkwijze vast. Het niet-naleven van de vereisten of de code van goede praktijk leidt tot een schrapping door de OVAM van de keuringsinstellingen van de lijst. De keuringsinstelling wordt daarvan op de hoogte gebracht met een beveiligde zending. De keuringsinstelling kan vanaf dan gedurende een maand gehoord worden en verweermiddelen aanbrengen.


Onderafdeling 6.1.2.
Registratie van vervoerders van afvalstoffen


Art. 6.1.2.1.

§ 1.

De vervoerder van afvalstoffen moet beschikken over een registratie voor het vervoer van afvalstoffen, tenzij het een doorvoertransport van afvalstoffen door het Vlaamse Gewest betreft.

 

De vervoerder van afvalstoffen die wordt beschouwd als geregistreerd vervoerder overeenkomstig artikel 6.1.4.1. moet dit op vraag van de bevoegde autoriteit aantonen.

 

De OVAM stelt een register van de in het Vlaamse Gewest geregistreerde vervoerders van afvalstoffen ter beschikking via haar website.

 

§ 2.

Gemeenten en verenigingen van gemeenten die huishoudelijke afvalstoffen en met huishoudelijke afvalstoffen vergelijkbare bedrijfsafvalstoffen inzamelen, zijn van rechtswege geregistreerd als vervoerder van afvalstoffen.


Art. 6.1.2.2.

De aanvraag tot een registratie als vervoerder van afvalstoffen moet de volgende gegevens bevatten :

administratieve gegevens : naam, straat en nummer, postnummer en gemeente, land, telefoonnummer, faxnummer, contactpersoon, e-mailadres, voor Belgische ondernemingen het ondernemingsnummer en voor buitenlandse ondernemingen het btw-nummer; 
verklaring: de aanvrager verklaart dat hij in opdracht zal vervoeren, dat de door hem verstrekte inlichtingen volledig en correct zijn, en dat hij kennisneemt van de vervoersvoorwaarden. 

 

[...]

 


Art. 6.1.2.3.

De vervoerder van afvalstoffen registreert zich elektronisch bij de OVAM. Daarvoor maakt hij gebruik van het webloket registraties van de OVAM, dat ter beschikking wordt gesteld via de website van de OVAM.

 

De OVAM brengt de vervoerder van afvalstoffen op de hoogte van de correcte registratie via een melding in het webloket registraties van de OVAM. Zolang de aanvrager geen elektronische melding ontvangt, moet de aanvraag beschouwd worden als niet ingediend.

 

De registratie geldt voor een periode van tien jaar.


Art. 6.1.2.4.

Elke wijziging in de geregistreerde gegevens wordt elektronisch aan de OVAM meegedeeld. Daarvoor maakt de geregistreerde vervoerder gebruik van het webloket registraties van de OVAM. Die registratietoepassing wordt ter beschikking gesteld via de website van de OVAM. De OVAM past de gewijzigde gegevens in het register van geregistreerde vervoerders aan.

 

De registratie kan niet aan derden worden doorgegeven.

 

Bij stopzetting van de activiteiten kan de geregistreerde vervoerder van afvalstoffen op zijn verzoek de registratie opheffen. De vervoerder wordt dan verwijderd uit het register van geregistreerde vervoerders. De geregistreerde vervoerder meldt de stopzetting van de activiteiten elektronisch aan de OVAM. Daarvoor maakt hij gebruik van het webloket registraties van de OVAM. Die registratietoepassing wordt ter beschikking gesteld via de website van de OVAM.


Onderafdeling 6.1.3.
Registratie van inzamelaars, afvalstoffenhandelaars of -makelaars


Art. 6.1.3.1.

De inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar die afvalstoffen inzamelt of handelt of makelt in afvalstoffen die vanuit of binnen het Vlaamse Gewest worden getransporteerd, moet beschikken over een registratie als inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar. Als de inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar zelf afvalstoffen vervoert, moet hij ook beschikken over een registratie als vervoerder van afvalstoffen.

 

De OVAM stelt een register van geregistreerde inzamelaars, afvalstoffenhandelaars of -makelaars [...] en een register van geschorste registraties van inzamelaars, afvalstoffenhandelaars of -makelaars ter beschikking via haar website.

 

De afvalstoffenproducent die zelf regelingen treft voor de afvalstoffen waarvan hij de afvalstoffenproducent is, en de actoren, vermeld in artikel 6.1.1.2, § 1, eerste lid, 5°, 6° en 7°, zijn uitgesloten van de registratieplicht als inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar.

 

Gemeenten en verenigingen van gemeenten die huishoudelijke afvalstoffen en met huishoudelijke afvalstoffen vergelijkbare bedrijfsafvalstoffen inzamelen, zijn van rechtswege geregistreerd als inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar [...].

 

De kennisgever, vermeld in Verordening (EG) 1013/2006 van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen, wordt beschouwd als geregistreerd inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar voor de transporten die gevat zijn door een goedgekeurde kennisgeving. De kennisgever wordt niet opgenomen in het register, vermeld in het tweede lid, tenzij hij een registratie als inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar heeft bekomen volgens de procedure, vermeld in artikel 6.1.3.2 en 6.1.3.3.

 

De OVAM is van rechtswege geregistreerd als inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar voor het inzamelen, handelen en makelen van afvalstoffen die afkomstig zijn van ambtshalve verwijderingen en ambtshalve saneringen die in opdracht van de OVAM worden uitgevoerd binnen het kader van haar decretale opdracht. De OVAM wordt niet opgenomen in het register, vermeld in het tweede lid.


Art. 6.1.3.2.

De aanvraag tot registratie als inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar moet de volgende gegevens bevatten :

administratieve gegevens : naam, straat en nummer, postnummer en gemeente, land, telefoonnummer, faxnummer, contactpersoon, e-mailadres, voor Belgische ondernemingen het ondernemingsnummer en voor buitenlandse ondernemingen het btw-nummer; 
vermelding van de afvalstoffen die ingezameld zijn of waarin gehandeld of gemakeld wordt; 
verklaring: de aanvrager verklaart dat de door hem verstrekte inlichtingen volledig en correct zijn, en dat hij kennisneemt van de vervoersvoorwaarden en de algemene en specifieke voorwaarden voor inzamelaars, afvalstoffenhandelaars of -makelaars.

 

[...]


Art. 6.1.3.3.

De inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar registreert zich elektronisch bij de OVAM. Daarvoor maakt hij gebruik van het webloket registraties van de OVAM, dat ter beschikking wordt gesteld via de website van de OVAM.


De registratie geldt voor een periode van tien jaar


Art. 6.1.3.4.

Elke wijziging in de geregistreerde gegevens wordt elektronisch aan de OVAM meegedeeld. Daarvoor maakt de geregistreerde inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar gebruik van het webloket registraties van de OVAM. Die registratietoepassing wordt ter beschikking gesteld via de website van de OVAM. De gewijzigde gegevens worden in het register van geregistreerde inzamelaars, afvalstoffenhandelaars of -makelaars aangepast.

 

De registratie kan niet aan derden worden doorgegeven.

 

Bij stopzetting van de activiteiten kan de geregistreerde inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar op zijn verzoek de registratie opheffen. De inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar wordt dan verwijderd uit het register van geregistreerde inzamelaars, afvalstoffenhandelaars of -makelaars. De geregistreerde inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar meldt de stopzetting van de activiteiten elektronisch aan de OVAM. Daarvoor maakt hij gebruik van het webloket registraties van de OVAM. Die registratietoepassing wordt ter beschikking gesteld via de website van de OVAM.


Art. 6.1.3.5.

Een ontoereikend kwaliteitsborgingssysteem, een negatief keuringsverslag van het kwaliteitsborgingssysteem, elk misbruik van de registratie en elke overtreding van de voorwaarden voor het inzamelen, handelen of makelen van afvalstoffen, kunnen leiden tot het schorsen van de registratie.

 

Bij een ontoereikend kwaliteitsborgingssysteem, een negatief keuringsverslag van het kwaliteitsborgingssysteem, een vaststelling van misbruik van de registratie of van een overtreding van de voorwaarden voor het inzamelen of handelen of makelen van afvalstoffen wordt de geregistreerde inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar, door de OVAM met een beveiligde zending op de hoogte gebracht van de voorgenomen beslissing tot schorsing en de motieven daartoe. De geregistreerde inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar beschikt over een termijn van veertien dagen om zijn verweermiddelen kenbaar te maken of om aan te tonen dat zijn zaken ondertussen in orde zijn gebracht. Hij kan vragen om gehoord te worden.

 

De schorsing wordt door de OVAM met een beveiligde zending aan de inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar meegedeeld, met vermelding van de motieven. Na de schorsing wordt de inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar opgenomen in het register van geschorste registraties van inzamelaars, afvalstoffenhandelaars of -makelaars.

 

Een schorsing van de registratie als inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar blijft van kracht voor een termijn die afloopt samen met de einddatum van de registratie. Als door de geschorste inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar intussen kan worden aangetoond dat de aanleiding tot schorsing niet meer bestaat, kan de schorsing ongedaan worden gemaakt. Tijdens de periode van de schorsing kan de inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar geen nieuwe registratie als inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar verkrijgen.


Onderafdeling 6.1.4.
Aanvaarding van registraties voor het vervoer van afvalstoffen uit andere gewesten en staten van de Europese Economische Ruimte


Art. 6.1.4.1.

Vervoerders van afvalstoffen die, in uitvoering van artikel 26 van de richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen, zijn opgenomen in een register in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest of in het Waalse Gewest of in een van de staten van de Europese Economische Ruimte zijn geregistreerd of erkend, worden beschouwd als geregistreerde vervoerders van afvalstoffen op voorwaarde dat ze beschikken over een  ondernemingsnummer als het Belgische bedrijven betreft, of over een btw-nummer als het buitenlandse bedrijven zijn.


Afdeling 6.2.
Invoer en uitvoer van afvalstoffen


Art. 6.2.1.

Deze afdeling is van toepassing op de invoer en de uitvoer van afvalstoffen voor zover de afvalstoffen onderworpen zijn aan de bepalingen, vermeld in verordening (EG) 1013/2006 van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen, hierna verordening te noemen.


Art. 6.2.2.

De communicatie tussen de kennisgever, de ontvanger, de verwerker en de OVAM, voorgeschreven door de verordening, moet verlopen per post, per fax, via het webloket dat de OVAM beschikbaar stelt via haar website, of door de uitwisseling van gestructureerde berichten via elektronische weg tussen computers.


Art. 6.2.3.

De kennisgever kan de kennisgevingen die betrekking hebben op de uitvoer van afvalstoffen op de volgende manieren indienen bij de OVAM:

de kennisgever kan de originele kennisgeving, met minstens één afschrift ervan, per post naar de OVAM sturen. Als er doorvoerlanden zijn, wordt er voor elk doorvoerland een exemplaar toegevoegd. De informatie-uitwisseling tussen de kennisgever en de OVAM in het kader van de behandeling van de kennisgeving gebeurt dan via post of e-mail;
de kennisgever kan, als hij akkoord gaat met de digitale verzending van de bijlagen bij het kennisgevingsdossier en de digitale behandeling van zijn kennisgeving, de bijlagen indienen via het webloket dat de OVAM beschikbaar stelt via haar website. Hij stuurt dan enkel het originele kennisgevingsformulier, het originele vervoersdocument en het originele attest van de bankgarantie, borgsom of gelijkwaardige verzekering met de post naar de OVAM en laadt de andere bijlagen bij het kennisgevingsformulier op in het webloket. De kennisgever voegt dan geen afschrift en geen extra exemplaar voor elk doorvoerland toe. Elke informatie-uitwisseling tussen de kennisgever en de OVAM in het kader van de behandeling van de kennisgeving gebeurt dan via het webloket;
de kennisgever kan, als hij akkoord gaat met de digitale indiening en behandeling van zijn dossier, gebruikmaken van het webloket dat de OVAM via haar website aanbiedt. Het kennisgevingsdocument, het transportdocument, een door de financiėle instelling digitaal ondertekende bankgarantie, borgsom of gelijkwaardige verzekering en de nodige bijlagen kunnen dan via het webloket bij de OVAM worden ingediend. Elke informatie-uitwisseling tussen de kennisgever en de OVAM in het kader van de behandeling van de kennisgeving gebeurt dan via het webloket.

Art. 6.2.4.

§ 1.

Het bedrag van de administratieve kosten, verbonden aan de uitvoering van de kennisgevings- en toezichtprocedure, vermeld in artikel 14 van het Materialendecreet, bedraagt 400 euro per kennisgeving.

 

Het bedrag wordt, vrij van alle bankonkosten, voorafgaand aan het indienen van een kennisgeving overgemaakt op IBAN : BE61 3751 1171 8417, BIC : BBRUBEBB van de OVAM in Mechelen, met de volgende vermelding : « Kennisgeving verordening 1013/2006 », met vermelding van het serienummer op het kennisgevingsdocument.

 

 De minister kan het bedrag, vermeld in het eerste lid, aanpassen.

 

§ 2.

De kennisgevings- en vervoersdocumenten worden gratis door de OVAM ter beschikking gesteld, voor zover de OVAM ze kan afleveren binnen de bepalingen van de verordening.


Art. 6.2.5.

§ 1.

In geval van uitvoer van afvalstoffen uit het Vlaamse Gewest stelt de kennisgever een bankgarantie of borgsom ten gunste van de OVAM of sluit hij een gelijkwaardige verzekering af voor de dekking van de kosten van het vervoer en van de verwijdering of nuttige toepassing, overeenkomstig artikel 6 van de verordening. In geval van invoer van afvalstoffen in het Vlaamse Gewest kan de OVAM een bankgarantie, een borgsom of een gelijkwaardige verzekering eisen van de kennisgever als die nodig is om te voldoen aan de bepalingen, vermeld in artikel 6, vierde lid, van de verordening.

 

De OVAM stelt het bedrag van de bankgarantie, de borgsom of van het te verzekeren risico vast.

 

De minister kan nadere regels vaststellen om de hoogte van dat bedrag te berekenen.

 

§ 2.

Het bewijs van de bankgarantie, van de borgsom of van de verzekering vormt in geval van uitvoer een onderdeel van het kennisgevingsdossier. Zonder dat bewijs beschouwt de OVAM het dossier niet als volledig.

 

§ 3.

De bankgarantie of borgsom kan na akkoord van de OVAM gelicht worden als voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in artikel 6, vijfde lid, van de verordening. Dat akkoord wordt verleend binnen een maand na de ontvangst van een bericht van de kennisgever dat de documenten, vermeld in artikel 6, vijfde lid, werden opgestuurd naar de OVAM.


Art. 6.2.6.

Specifieke inrichtingen die vergund zijn voor de nuttige toepassing van afvalstoffen, kunnen bij de OVAM een goedkeuring aanvragen als vooraf goedgekeurde inrichting voor de nuttige toepassing van afvalstoffen als vermeld in artikel 14 van de verordening. Ze maken daarvoor gebruik van het webloket dat de OVAM via haar website ter beschikking stelt.


Art. 6.2.7.

De OVAM stelt een register van vooraf goedgekeurde inrichtingen voor de nuttige toepassing van afvalstoffen ter beschikking via haar website.


Art. 6.2.8.

De aanvraag van goedkeuring als vooraf goedgekeurde inrichting voor de nuttige toepassing van afvalstoffen moet al de volgende gegevens bevatten:

de volgende administratieve gegevens: naam, straat en nummer, postnummer en gemeente, land, telefoonnummer, faxnummer, contactpersoon, e-mailadres en het ondernemingsnummer en, als dat beschikbaar is, het vestigingsnummer van de inrichting waarop de aanvraag betrekking heeft;
de vermelding van de afvalstoffen waarvoor de aanvrager de registratie wenst te verkrijgen, met de vermelding van de BAZEL/OESO-code, vermeld in bijlage IV van de verordening. De aanvrager voegt ook altijd een omschrijving van de afvalstoffen toe;
een afschrift van de milieuvergunning of omgevingsvergunning van de inrichting en een gedetailleerde beschrijving van de verwerking van de afvalstoffen;
de einddatum van de milieuvergunning of de omgevingsvergunning;
de vergunde hoeveelheden te verwerken afvalstoffen per afvalstof en voor de gehele inrichting, als die gespecificeerd worden in de milieuvergunning of omgevingsvergunning;
een beschrijving van de processen en methoden die worden gebruikt voor de nuttige toepassing van de afvalstoffen, waarbij specifiek aandacht wordt besteed aan de aspecten die voor de beoordeling van de aanvraag in beschouwing genomen worden;
de volgende verklaring: de aanvraag van goedkeuring als vooraf goedgekeurde inrichting voor de nuttige toepassing van afvalstoffen, die ondertekend en gedateerd is, en waarbij de ondertekenaar verklaart dat de door hem verstrekte inlichtingen volledig en correct zijn. De naam en de functie van de ondertekenaar worden vermeld

 


Art. 6.2.9.

De aanvrager van een goedkeuring als vooraf goedgekeurde inrichting voor de nuttige toepassing van afvalstoffen dient zijn aanvraag elektronisch in bij de OVAM. Daarvoor maakt hij gebruik van het webloket dat de OVAM via haar website ter beschikking stelt.


Art. 6.2.10.

Bij de beoordeling van de aanvragen worden minstens de volgende aspecten in beschouwing genomen:

de bewezen milieukwaliteit van de nuttige toepassing van de afvalstoffen tijdens de voorbije jaren;
de bewezen ervaring met het nuttig toepassen van de afvalstoffen waarvoor een registratie als vooraf goedgekeurde inrichting wordt aangevraagd;
de mate waarin de wijze van nuttige toepassing aansluit bij het Vlaamse afvalstoffen- en materialenbeleid;
de mate waarin de voorgestelde nuttige toepassing een bijdrage levert aan de effectieve materiaalrecyclage van de afvalstoffen;
de overtredingen en misbruiken van de milieuregelgeving die al zijn vastgesteld.

 


Art. 6.2.11.

De OVAM brengt de aanvrager op de hoogte van de ontvangst van de aanvraag door een elektronische melding in het webloket voor vooraf goedgekeurde inrichtingen voor de nuttige toepassing van afvalstoffen. Zolang de aanvrager geen elektronische ontvangstmelding ontvangt, wordt de aanvraag beschouwd als niet ingediend.


Art. 6.2.12.

De OVAM beslist over de aanvraag van goedkeuring als vooraf goedgekeurde inrichting voor de nuttige toepassing van afvalstoffen en brengt de aanvrager op de hoogte van de toekenning of de weigering via een elektronische melding uiterlijk dertig kalenderdagen na de ontvangstdatum van de aanvraag. De behandeltermijn start op de eerstvolgende werkdag na de melding van ontvangst van de aanvraag.


Art. 6.2.13.

Als de OVAM bij de behandeling van de aanvraag, vermeld in artikel 6.2.8, om aanvullingen verzoekt, wordt de termijn van de behandeling, vermeld in artikel 6.2.12, geschorst vanaf de verzending van dat verzoek en begint die opnieuw te lopen op de eerstvolgende werkdag vanaf de ontvangst van de aanvullingen. Als de aanvrager de aanvullingen niet binnen negentig kalenderdagen aan de OVAM bezorgt, wordt de aanvraag geacht geweigerd te zijn. De voormelde termijn van negentig kalenderdagen kan in overleg tussen de aanvrager en de OVAM verlengd worden.

 

Voor de verzending van het verzoek tot aanvullingen door de OVAM en het ontvangen van de aanvullingen stelt de OVAM een webloket ter beschikking via de website van de OVAM. De OVAM stuurt een elektronische ontvangstmelding van de aanvullingen naar de aanvrager.

 

Na een weigering van de goedkeuring van de aanvraag van goedkeuring als vooraf goedgekeurde inrichting voor de nuttige toepassing van afvalstoffen wordt een nieuwe aanvraag door de OVAM alleen behandeld als de aanvrager elementen kan aandragen die een nieuwe aanvraag rechtvaardigen.


Art. 6.2.14.

De goedkeuring geldt voor een bepaalde periode, maar nooit langer dan de geldigheidsperiode van de milieuvergunning of de omgevingsvergunning van de inrichting.


Art. 6.2.16.

De goedkeuring als vooraf goedgekeurde inrichting kan niet aan derden worden doorgegeven, uitgezonderd wanneer de vooraf goedgekeurde inrichting wordt overgenomen.

 

Bij een overname van de vooraf goedgekeurde inrichting deelt de goedgekeurde inrichting de administratieve gegevens zoals vermeld in artikel 6.2.8, 1°, en een bewijs van de overname mee aan de OVAM. Daarvoor maakt hij gebruik van het webloket dat de OVAM via haar website ter beschikking stelt. De nieuwe goedkeuring als vooraf goedgekeurde inrichting op naam van de overnemer is geldig met onmiddellijke ingang.

 

Bij stopzetting van de activiteiten kan de vooraf goedgekeurde inrichting op zijn verzoek de goedkeuring laten opheffen. De goedkeuring wordt dan geschrapt uit het register van vooraf goedgekeurde inrichtingen voor de nuttige toepassing van afvalstoffen. De houder van een vooraf goedgekeurde inrichting meldt de stopzetting van de activiteiten elektronisch aan de OVAM. Daarvoor maakt hij gebruik van het webloket dat de OVAM via haar website ter beschikking stelt. De OVAM stuurt een elektronische ontvangstmelding van de aanvraag tot opheffing en een elektronische melding van de opheffing.


Art. 6.2.17.

De vooraf goedgekeurde inrichting voor de nuttige toepassing van afvalstoffen meldt de stopzetting van haar activiteiten elektronisch aan de OVAM. Daarvoor maakt ze gebruik van het webloket dat de OVAM via haar website ter beschikking stelt. De OVAM heft de goedkeuring dan op. De vooraf goedgekeurde inrichting voor de nuttige toepassing van afvalstoffen wordt dan verwijderd uit het register van vooraf goedgekeurde inrichtingen voor de nuttige toepassing van afvalstoffen.


Art. 6.2.18.

Elk misbruik van de goedkeuring en elke overtreding van de milieuwetgeving kan leiden tot de schorsing van de goedkeuring.

 

Bij een vaststelling van misbruik van de goedkeuring of van een overtreding van de milieuwetgeving wordt de vooraf goedgekeurde inrichting voor de nuttige toepassing van afvalstoffen door de OVAM met een beveiligde zending op de hoogte gebracht van de voorgenomen beslissing tot schorsing en de motieven daarvoor. De vooraf goedgekeurde inrichting voor de nuttige toepassing van afvalstoffen beschikt over veertien dagen om haar verweermiddelen kenbaar te maken of om aan te tonen dat haar zaken ondertussen in orde zijn gebracht. Ze kan vragen om gehoord te worden.

 

De schorsing wordt door de OVAM met een beveiligde zending aan de vooraf goedgekeurde inrichting voor de nuttige toepassing van afvalstoffen meegedeeld, met vermelding van de motieven. Na de schorsing wordt de vooraf goedgekeurde inrichting voor de nuttige toepassing van afvalstoffen verwijderd uit het register van vooraf goedgekeurde inrichtingen voor de nuttige toepassing van afvalstoffen.

 

Een schorsing van de goedkeuring als vooraf goedgekeurde inrichting voor de nuttige toepassing van afvalstoffen blijft van kracht voor een termijn die afloopt samen met de einddatum van de goedkeuring. Als door de geschorste vooraf goedgekeurde inrichting voor de nuttige toepassing van afvalstoffen intussen kan worden aangetoond dat de aanleiding tot schorsing niet meer bestaat, kan de schorsing ongedaan worden gemaakt. Tijdens de periode van de schorsing kan de vooraf goedgekeurde inrichting voor de nuttige toepassing van afvalstoffen geen nieuwe goedkeuring als vooraf goedgekeurde inrichting voor de nuttige toepassing van afvalstoffen verkrijgen.


HOOFDSTUK 7.
Registreren en rapporteren van afvalstoffen- en materiaalgegevens


Afdeling 7.1.
Algemene bepalingen


Art. 7.1.1. Identificatienummers van actoren als vermeld in dit hoofdstuk worden door de OVAM beschikbaar gesteld.

Art. 7.1.2.

De databank voor afvalstoffen bevat de gegevens die in het kader van dit hoofdstuk ingezameld en statistisch verwerkt worden.

 

De databank bevat basisgegevens die, met behoud van de toepassing van de bepalingen over openbaarheid van bestuur en openbaarheid van milieugegevens, alleen toegankelijk zijn voor de ambtenaren, belast met de uitvoering van de bepalingen van dit hoofdstuk, en gevalideerde informatie die geschikt is voor actieve en passieve openbaarmaking, onder meer in het kader van de milieudatabank, opgericht bij het besluit van de Vlaamse Regering van 31 juli 1992 houdende de regeling van de samenwerking tussen het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap en de milieuparastatalen inzake de oprichting en de organisatie van een milieudatabank.


Art. 7.1.3.

Tenzij het anders bepaald is in dit hoofdstuk, zijn de volgende actoren ertoe gehouden afvalstoffen- en materiaalgegevens te verschaffen op eenvoudig verzoek van de OVAM :

de inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar; 
de inrichtingen voor het verwerken van afvalstoffen;  
de afvalstoffenproducenten van bedrijfsafvalstoffen;  
de gemeenten en de verenigingen van gemeenten, belast met het afvalstoffenbeheer; 
de grondstoffenproducent; 
de grondstoffengebruiker. 

 

De verslaggeving kan verlopen overeenkomstig artikel 2 en 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 april 2004 tot invoering van het integrale milieujaarverslag, voor de datum die daarin wordt bepaald.


Afdeling 7.2.
Registers van afvalstoffen en materialen


Onderafdeling 7.2.1.
Registers van afvalstoffen


Art. 7.2.1.1.

De afvalstoffenproducent van bedrijfsafvalstoffen houdt een register bij van de geproduceerde afvalstoffen, dat de volgende gegevens bevat :

de hoeveelheid afvalstoffen in ton, kubieke meter, liter of kilogram; 
de aard en de samenstelling van de afvalstoffen, met vermelding van de EURAL-code, vermeld in bijlage 2.1; 
de verwerkings- of toepassingswijze van de afvalstoffen : storten, verbranden met energierecuperatie (R1), andere afvalverbranding (D10), hergebruik, composteren, recyclage, sorteren, andere voorbehandeling; 
indien van toepassing, naam, adres en identificatienummer van de inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of –makelaar, van Belgische inzamelaars, afvalstoffenhandelaars of -makelaars het ondernemingsnummer en van buitenlandse het btw-nummer; 
naam, adres en identificatienummer van de verwerker van de afvalstoffen, van Belgische verwerkers het ondernemingsnummer en van buitenlandse het btw-nummer. 

 

Het register van geproduceerde afvalstoffen, vermeld in het eerste lid, wordt ten minste elke maand aangevuld met de meest recente gegevens.

 

Als register van geproduceerde afvalstoffen kan een verzameling van identificatieformulieren als vermeld in artikel 6.1.1.2, gebruikt worden, aangevuld met de gegevens, vermeld in het eerste lid, over de afvalbewegingen waarvoor overeenkomstig artikel 6.1.1.2 geen identificatieformulier vereist is of waarvoor de afvalstoffenproducent zelf regelingen treft.


Art. 7.2.1.2.

De inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar houden een register bij van de afvalstoffen die ingezameld of verhandeld zijn of waarin zij gemakeld hebben. Het register van ingezamelde, verhandelde of gemakelde afvalstoffen bevat de volgende gegevens :

de datum van het inzamelen, handelen of makelen;  
de datum van het effectieve vervoer van de afvalstoffen; 
het ondernemingsnummer en de naam en het adres van de afvalstoffenproducent; of de naam en het identificatienummer van het schip waar de afvalstoffen werden ingezameld, alsook de vermelding van de ligplaats;  
de hoeveelheid afvalstoffen in ton, kubieke meter, liter of kilogram; 
de aard en samenstelling van de afvalstoffen, met vermelding van de EURAL-code, vermeld in bijlage 2.1; 
indien van toepassing, naam, adres en identificatienummer van de vervoerder van de afvalstoffen, van Belgische vervoerders het ondernemingsnummer en van buitenlandse het btw-nummer;  
de verwerkings- of toepassingswijze van de afvalstoffen : storten, verbranden met energierecuperatie (R1), andere afvalverbranding (D10), hergebruik, composteren, recyclage, sorteren, andere voorbehandeling; 
naam, adres en identificatienummer van de verwerker van de afvalstoffen, van Belgische verwerkers het ondernemingsnummer en van buitenlandse het btw-nummer. 

 

Aanvullend op de gegevens, vermeld in het eerste lid, vermeldt de inzamelaar, de afvalstoffenhandelaar of -makelaar die afgedankte EEA inzamelt of handelt of erin makelt, of met het oog op verwerking aanbiedt aan een derde, ook de gegevens vermeld in artikel 5.2.5.4, § 2, eerste lid, 4°, in het afvalstoffenregister.

 

Het register van ingezamelde, verhandelde of gemakelde afvalstoffen, vermeld in het eerste lid, wordt tenminste elke werkdag aangevuld met de meest recente gegevens.


Art. 7.2.1.3.

De minister bepaalt de vorm en de inhoud van de afvalstoffencodelijst die wordt gebruikt voor de codering van afvalstoffen die door de gemeente of in opdracht van de gemeente ingezameld worden.

 

De gemeentelijke overheid of de vereniging van gemeenten, belast met het afvalstoffenbeheer, houdt een register bij van de door de gemeente of in opdracht van de gemeente ingezamelde afvalstoffen. Dat register bevat per gemeente de volgende gegevens over de afvalstoffen :

de hoeveelheid afvalstoffen in liter of kilogram; 
de aard en de samenstelling van de afvalstoffen, met vermelding van de afvalstoffencode, vermeld in het eerste lid; 
indien van toepassing, naam, adres en identificatienummer van de inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of –makelaar, van Belgische inzamelaars, afvalstoffenhandelaars of -makelaars het ondernemingsnummer en van buitenlandse het btw-nummer; 
de verwerkings- of toepassingswijze van de afvalstoffen : hergebruik, verbranden met energierecuperatie (R1), andere afvalverbranding (D10), drogen-scheiden, recyclage, compostering, tijdelijke opslag, storten of andere verwerking; 
naam, adres en identificatienummer van de verwerker van de afvalstoffen, van Belgische verwerkers het ondernemingsnummer en van buitenlandse het btw-nummer; 
gegevens over de initiatiefnemer voor de inzameling, de oorsprong van de afvalstof, de inzamelwijze en de ophaalwijze. 

 

Het register, vermeld in het tweede lid, wordt ten minste elke maand aangevuld met de meest recente gegevens.

 

Als afvalstoffenregister kan een verzameling van identificatieformulieren als vermeld in artikel 6.1.1.2, gebruikt worden.


Art. 7.2.1.4.

De verwerker van afvalstoffen houdt een register bij van de door hem verwerkte afvalstoffen, dat de volgende gegevens bevat :

datum en uur van de aanvoer van de te verwerken afvalstoffen; 
de hoeveelheid aangevoerde afvalstoffen in ton, kubieke meter, liter of kg; 
de aard en de samenstelling van de afvalstoffen, met vermelding van de EURAL-code, vermeld in bijlage 2.1; 
naam, adres, met inbegrip van het land, en, indien gekend het identificatienummer van de afvalstoffenproducent, voor Belgische afvalstoffenproducenten het ondernemingsnummer en voor buitenlandse het btw-nummer; 
indien van toepassing, naam, adres en identificatienummer van de inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar; 
de verwerkings- of toepassingswijze van de afvalstoffen, met vermelding van de betreffende R- of D-code, vermeld in afdeling 4.2.2, en tenminste met de volgende categorieėn : storten, verbranden met energierecuperatie (R1), andere afvalverbranding (D10), hergebruik, composteren, recyclage, sorteren, andere voorbehandeling; 
indien van toepassing, de vermelding dat de aangevoerde afvalstoffen geweigerd zijn, met de reden van de weigering; 
in geval van storten, het nummer van het stortvak, met in het geval van gevaarlijk afval de nauwkeurige ligging op de stortplaats; 
in geval van opslag, de lokalisatie van de opslag in de inrichting; 
10° opmerkingen over de afvalstof en de aanvoer, de ondervonden moeilijkheden en storingen, waarnemingen, metingen en andere inlichtingen over de uitbating van de inrichting. 

 

Aanvullend op de gegevens, vermeld in het eerste lid, vermeldt de verwerker die afgedankte EEA verwerkt ook de gegevens vermeld in artikel 5.2.5.4, § 2, eerste lid, 4°, in het afvalstoffenregister.

 

Het register, vermeld in het eerste lid, wordt ten minste elke werkdag of na elke aanvoer aangevuld met de meest recente gegevens.

 

In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, verleend overeenkomstig de bepalingen van het decreet betreffende de omgevingsvergunning, kan afgeweken worden van de inhoudsvoorschriften van het register, vermeld in het eerste lid.


Onderafdeling 7.2.2.
Registers van materialen die geen afvalstoffen zijn


Art. 7.2.2.1. De minister bepaalt de vorm en de inhoud van de materiaalcodelijst voor de codering van materialen in de materialenregisters van grondstoffenproducenten en -gebruikers.

Art. 7.2.2.2.

De grondstoffenproducent houdt een register bij van de geproduceerde grondstoffen die overeenkomstig de materiaalcodelijst, vermeld in art. 7.2.2.1, worden aangemerkt als op te nemen in het uitgaande materialenregister. Het uitgaande materialenregister bevat de volgende gegevens over de geproduceerde grondstoffen :

de hoeveelheid grondstoffen in ton, kubieke meter, liter of kilogram; 
de aard en de samenstelling van de grondstoffen, met vermelding van de materiaalcode, vermeld in artikel 7.2.2.1; 
de beoogde toepassingswijze van de grondstoffen : dispers gebruik, gebruik als brandstof of ander gebruik in een ingedeelde inrichting; 
indien van toepassing, naam en adres van de gebruiker en voor Belgische ondernemingen het ondernemingsnummer, voor buitenlandse het btw-nummer. 

 

Het materialenregister, vermeld in het eerste lid, wordt ten minste elke dag aangevuld met de meest recente gegevens.

 

De grondstoffen die gebruikt worden in de inrichting waar ze zijn ontstaan, hoeven niet te worden opgenomen in het register, vermeld in het eerste lid.


Art. 7.2.2.3.

De grondstoffengebruiker, vermeld in artikel 7.2.2.4, houdt een register bij van de door hem gebruikte grondstoffen die overeenkomstig de materiaalcodelijst, vermeld in art. 7.2.2.1, worden aangemerkt als op te nemen in het inkomende materialenregister. Het inkomende materialenregister bevat de volgende gegevens over de gebruikte grondstoffen :

datum en uur van de aanvoer van de te gebruiken grondstoffen;  
de hoeveelheid aangevoerde grondstoffen in liter of kg; 
de aard en de samenstelling van de grondstoffen, met vermelding van de materiaalcode, vermeld in artikel 7.2.2.1; 
indien van toepassing, naam, adres, met inbegrip van het land, en, indien gekend het identificatienummer van de grondstoffenproducent, voor Belgische grondstoffenproducenten het ondernemingsnummer en voor buitenlandse het btw-nummer; 
de beoogde toepassingswijze van de grondstoffen : dispers gebruik, gebruik als brandstof of ander gebruik in een ingedeelde inrichting; 
korte omschrijving van de toepassingswijze; 
7°  indien van toepassing, de vermelding dat de aangevoerde grondstoffen geweigerd zijn, met de reden van de weigering. 

 

Het register, vermeld in het eerste lid, wordt ten minste elke werkdag of na elke aanvoer aangevuld met de meest recente gegevens.

 

De grondstoffen die gebruikt worden in de inrichting waar ze zijn ontstaan, hoeven niet te worden opgenomen in het register, vermeld in het eerste lid.


Art. 7.2.2.4.

De volgende grondstoffengebruikers houden een inkomend materialenregister bij, vermeld in artikel 7.2.2.3 :

 

de grondstoffengebruikers die non-ferro metalen winnen en raffineren met pyrometallurgische, hydrometallurgische of elektrolytische procedés.

 

De minister kan de grondstoffengebruikers aanwijzen die een inkomend materialenregister moeten bijhouden, als vermeld in artikel 7.2.2.3.


Onderafdeling 7.2.3.
Bewaren en uitwisselen van afvalstoffen- en materialenregisters


Art. 7.2.3.1.

De registers, opgemaakt overeenkomstig artikel 7.2.1.1, 7.2.1.2, 7.2.1.3, 7.2.1.4, 7.2.2.2 en 7.2.2.3, worden gedurende vijf jaar door de registerplichtige actor bijgehouden. Het register ligt ter inzage op de exploitatiezetel en, voor binnenschippers, op het schip.


Art. 7.2.3.2.

De registers, opgemaakt overeenkomstig artikel 7.2.1.2, 7.2.1.4, 7.2.2.2 en 7.2.2.3, worden bijgehouden op een elektronische drager met het oog op een eenvoudige uitwisseling van registergegevens tussen de OVAM, de toezichthouder en de houder van het register. De technische specificaties waaraan de registers moeten voldoen, en de technische specificaties in verband met de uitwisseling van gegevens op verzoek van de OVAM worden opgenomen in een standaardprocedure, vastgesteld door de minister op voorstel van de OVAM. Bij gebrek aan een dergelijke standaardprocedure wordt het register bijgehouden en worden de registergegevens uitgewisseld volgens een code van goede praktijk.


Afdeling 7.3.
Gegevens over de productie van afvalstoffen en materialen


Onderafdeling 7.3.1.
Bedrijfsafvalstoffen en grondstoffen


Art. 7.3.1.1.

De OVAM maakt jaarlijks op basis van statistische criteria een selectie van afvalstoffenproducenten van bedrijfsafvalstoffen en van grondstoffenproducenten om gegevens te verzamelen over de productie van bedrijfsafvalstoffen en grondstoffen.

 

De OVAM publiceert de lijst van de selectie, vermeld in het eerste lid, op haar website uiterlijk op 31 december van het jaar dat voorafgaat aan het jaar waarin de rapporteringsplicht van toepassing is.

 

De OVAM publiceert samen met de lijst de statistische verantwoording voor de samenstelling ervan op haar website.


Art. 7.3.1.2.

§ 1.

De afvalstoffenproducenten en grondstoffenproducenten die zijn opgenomen in de selectie, vermeld in artikel 7.3.1.1, eerste lid, alsook de afvalstoffenproducenten van bedrijfsafvalstoffen, vermeld in de indelingslijst, opgenomen als bijlage 1 bij het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiėne, met de letter R in de zevende kolom, brengen verslag uit over de in het vorige kalenderjaar geproduceerde afvalstoffen en grondstoffen.

 

§ 2.

De verslaggeving heeft betrekking op alle bedrijfsafvalstoffen, met uitzondering van de met huishoudelijke afvalstoffen vergelijkbare bedrijfsafvalstoffen die door of in opdracht van de gemeente zijn ingezameld of opgehaald.

 

De verslaggeving bevat jaartotalen uit het register van geproduceerde afvalstoffen, vermeld in artikel 7.2.1.1. Voor bedrijfsafvalstoffen die in aard, samenstelling, verwerkingswijze, inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar of afvalstoffenverwerker verschillen, moeten per exploitatiezetel afzonderlijke totalen worden ingevuld.

 

§ 3.

De verslaggeving heeft betrekking op alle geproduceerde grondstoffen.

 

De verslaggeving bevat de jaartotalen uit het uitgaande materialenregister, vermeld in artikel 7.2.2.2. Voor materialen die in aard, samenstelling, toepassingswijze of bestemming verschillen, moeten afzonderlijke totalen worden ingevuld.


Art. 7.3.1.3. De verslaggeving over de productie van bedrijfsafvalstoffen verloopt overeenkomstig artikel 2 en 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 april 2004 tot invoering van het integrale milieujaarverslag, voor de datum die daarin wordt bepaald, en door middel van het deelformulier « Identificatiegegevens » en het deelformulier « Afvalstoffenmelding voor producenten » van het integrale milieujaarverslag, waarvan het model als bijlage I bij het besluit van de Vlaamse Regering van 2 april 2004 tot invoering van het integrale milieujaarverslag is gevoegd.

Onderafdeling 7.3.2.
Huishoudelijke afvalstoffen


Art. 7.3.2.1.

De gemeentelijke overheden bezorgen jaarlijks voor 1 april aan de OVAM een jaarrapport over de in het vorige kalenderjaar door hen of in hun opdracht ingezamelde afvalstoffen en de inzameling van huishoudelijk restafval door privaatrechtelijke inzamelaars op het grondgebied van de gemeente.

 

Het jaarrapport heeft betrekking op huishoudelijke afvalstoffen en met huishoudelijke afvalstoffen vergelijkbare bedrijfsafvalstoffen die door of in opdracht van de gemeente zijn ingezameld of opgehaald en het huishoudelijk restafval door privaatrechtelijke inzamelaars op het grondgebied van de gemeente.


Art. 7.3.2.2.

Het jaarrapport, vermeld in artikel 7.3.2.1, wordt schriftelijk of elektronisch bezorgd en bevat jaartotalen uit het register van de door de gemeente of in opdracht van de gemeente ingezamelde afvalstoffen, vermeld in artikel 7.2.1.3., en jaartotalen van het ingezamelde huishoudelijk restafval door privaatrechtelijke inzamelaars op het grondgebied van de gemeente.

 

De OVAM bepaalt de inhoud van het jaarrapport en de vorm waarin het wordt opgemaakt en bezorgd, met inbegrip van de technische specificaties voor het elektronisch indienen van het rapport.


Afdeling 7.4.
Gegevens over de verwerking van afval en het gebruik van grondstoffen


Art. 7.4.1.

De OVAM maakt jaarlijks een gemotiveerde selectie van Vlaamse afvalstoffenverwerkers en grondstoffengebruikers en de afvalstoffen en grondstoffen waarover zij moeten rapporteren om gegevens te verzamelen over de verwerking van afvalstoffen en het gebruik van grondstoffen in het Vlaamse Gewest.

 

De OVAM publiceert de lijst van de selectie, vermeld in het eerste lid op haar website uiterlijk op 31 december van het jaar dat voorafgaat aan het jaar waarin de rapporteringsplicht van toepassing is.

 

De OVAM publiceert samen met de lijst op haar webstek de verantwoording voor de samenstelling ervan op haar website.


Art. 7.4.2.

§ 1.

De afvalstoffenverwerkers en grondstoffengebruikers die zijn opgenomen in de selectie, vermeld in artikel 7.4.1, eerste lid, brengen respectievelijk verslag uit over de in het vorige kalenderjaar verwerkte afvalstoffen en gebruikte grondstoffen.

 

§ 2.

De verslaggeving heeft betrekking op alle verwerkte afvalstoffen die zijn opgenomen in de selectie, vermeld in artikel 7.4.1, eerste lid. De verslaggeving bevat jaartotalen uit het register van verwerkte afvalstoffen, vermeld in artikel 7.2.1.1. Voor afvalstoffen die in aard, samenstelling, verwerkingswijze of plaats van herkomst (binnen Belgiė het gewest, buiten Belgiė het land) verschillen, moeten per exploitatiezetel afzonderlijke totalen worden ingevuld.

 

§ 3.

De verslaggeving heeft betrekking op alle gebruikte grondstoffen die zijn opgenomen in de selectie, vermeld in artikel 7.4.1, eerste lid. De verslaggeving bevat de jaartotalen uit het inkomende materialenregister, vermeld in artikel 7.2.2.3. Voor grondstoffen die in aard, samenstelling, toepassingswijze of plaats van herkomst (binnen Belgiė het gewest, buiten Belgiė het land) verschillen, moeten afzonderlijke totalen worden ingevuld.


Art. 7.4.3. De verwerker van afvalstoffen die opgenomen is in de selectie, vermeld in artikel 7.4.1, eerste lid, brengt verslag uit over de in het vorige kalenderjaar door hem verwerkte afvalstoffen waarvoor rapportering wordt gevraagd. Voor zover het in Vlaanderen ingevoerde afvalstoffen betreft, verloopt de verslaggeving overeenkomstig artikelen 2 en 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 april 2004 tot invoering van het integrale milieujaarverslag, voor de datum die daarin wordt bepaald en door middel van het deelformulier « Ingevoerde afvalstoffen door verwerkers » van het integrale milieujaarverslag, waarvan het model als bijlage I bij het besluit van de Vlaamse Regering van 2 april 2004 tot invoering van het integrale milieujaarverslag is gevoegd.

HOOFDSTUK 8.
Monsterneming en analyse van afvalstoffen en andere materialen die overeenkomstig hoofdstuk 2 in aanmerking komen voor gebruik als grondstoffen

[...]


Afdeling 8.1.
Erkenning van laboratoria

[...]


Onderafdeling 8.1.1.
Toepassingsgebied

[...]


Art. 8.1.1.1. [...]

Onderafdeling 8.1.2.
Aanvraagprocedure voor de erkenning en het beoordelingsverslag

[...]


Art. 8.1.2.1. [...]

Art. 8.1.2.2. [...]

Art. 8.1.2.3. [...]

Art. 8.1.2.4. [...]

Onderafdeling 8.1.3.
Beslissingsprocedure

[...]


Art. 8.1.3.1. [...]

Art. 8.1.3.2. [...]

Onderafdeling 8.1.4.
Algemene verplichtingen die voortvloeien uit de erkenning

[...]


Art. 8.1.4.1. [...]

Art. 8.1.4.2. [...]

Art. 8.1.4.3. [...]

Onderafdeling 8.1.5.
Procedure voor de uitbreiding, verlenging en opheffing van de erkenning

[...]


Art. 8.1.5.1. [...]

Art. 8.1.5.2. [...]

Art. 8.1.5.3. [...]

Afdeling 8.2.
Compendium voor Monsterneming en Analyse

[...]


Art. 8.2.1. [...]

HOOFDSTUK 9.
Milieuheffingen en milieubijdragen


Afdeling 9.1.
Milieuheffingen


Art. 9.1.1.

§ 1.

De door de leidend ambtenaar van de OVAM aangestelde ambtenaren en personeelsleden van de OVAM zijn belast, voor rekening van het Vlaamse Gewest, met de inning, de invordering en de controle van de milieuheffingen.


Een door de leidend ambtenaar van de OVAM aangestelde ambtenaar van de OVAM is bevoegd voor het treffen van dadingen, het kwijtschelden of verminderen van de administratieve geldboete, het verlenen van uitstel van betaling en het uitvaardigen van dwangbevelen overeenkomstig de artikelen 60 tot en met 63 van het Materialendecreet.

 

§ 2.

De leidend ambtenaar van de OVAM is ertoe gemachtigd :

het dwangbevel, vermeld in artikel 63 van het Materialendecreet, te viseren, uitvoerbaar te verklaren en eensluidend te verklaren;  
om een hypothecaire inschrijving, vermeld in artikel 64 van het Materialendecreet, te verzoeken.  

 

Bij afwezigheid wordt hij voor de uitvoering van de taken, vermeld in het eerste lid, vervangen door een ambtenaar die door hem is aangewezen.


Art. 9.1.2.

§ 1.

De aangifte, vermeld in artikel 50 en volgende van het Materialendecreet, moet gedaan worden uiterlijk de twintigste van de eerste maand na ieder kalenderkwartaal:

 

ofwel op een aangifteformulier, waarvan het model bepaald wordt door de minister en waarvan de nodige exemplaren door de OVAM ter beschikking worden gesteld;
ofwel via een webloket waarvan de modaliteiten bepaald worden door de minister en dat door de OVAM ter beschikking wordt gesteld.

 

Het voorschot op de heffing  voor het vierde kwartaal van elk jaar wordt uiterlijk op 20 november aangegeven:   

 

ofwel door middel van een bijzonder aangifteformulier, waarvan het model bepaald wordt door de minister en waarvan de nodige exemplaren door de OVAM ter beschikking worden gesteld;
ofwel via een webloket waarvan de modaliteiten bepaald worden door de minister en dat door de OVAM ter beschikking wordt gesteld.

 

Als de elektronische aangifte via het webloket ingevuld en bezorgd is overeenkomstig de richtlijnen in het elektronische platform, heeft ze voor de toepassing  van  hoofdstuk  5,  afdeling  2  van  het  decreet  van  23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en de uitvoeringsbesluiten ervan dezelfde rechtskracht als een ondertekende aangifte op papier.

 

§ 2.

De milieuheffing voor de eerste drie kwartalen wordt betaald voor de tiende van de tweede maand na ieder kalenderkwartaal door storting of overschrijving van het verschuldigde bedrag op de financiėle rekening, vermeld op het aangifteformulier.

 

Het voorschot op de milieuheffing voor het vierde kwartaal wordt betaald voor de tiende van de maand december, door storting of overschrijving van het verschuldigde bedrag op de financiėle rekening, vermeld op het bijzonder aangifteformulier.

 

Het eventuele saldo van de milieuheffing voor het vierde kwartaal wordt betaald voor de tiende van de maand februari van het volgende jaar door storting of overschrijving van het verschuldigde bedrag op de financiėle rekening, vermeld op het aangifteformulier.


Art. 9.1.3.

De beroepen, vermeld in artikel 55 van het Materialendecreet, moeten ingesteld worden bij de minister. De adviescommissie, vermeld in artikel 55 van het Materialendecreet, bestaat uit :

een voorzitter, aangesteld in onderling overleg tussen de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiėn en de begrotingen en de minister; 
twee ambtenaren als effectieve leden en twee ambtenaren van de Vlaamse overheid als plaatsvervangende leden, aangesteld door de minister;  
twee ambtenaren van de Vlaamse overheid als effectieve leden en twee ambtenaren als plaatsvervangende leden, aangesteld door de Vlaamse minister, bevoegd voor de financiėn en de begrotingen. 

 

De adviescommissie hoort de OVAM of de heffingsplichtige op eigen verzoek of op verzoek van de OVAM en de heffingsplichtige. De minister kan nadere regels bepalen voor de werking van de adviescommissie.


HOOFDSTUK 10.
Wijzigingsbepalingen


Afdeling 10.1.
Wijzigingen in het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende milieuvergunning


Art. 10.1.1.

In artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 9 september 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

punt 15° wordt vervangen door wat volgt : « 15° afvalstoffen : afvalstoffen als vermeld in het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen en de uitvoeringsbesluiten ervan. De definities, als vermeld in voormeld decreet en de uitvoeringsbesluiten ervan, gelden ook voor de toepassing van dit besluit; »; 
punt 44° wordt vervangen door wat volgt : « 44° voertuigwrak : een voertuig dat een afvalstof is als vermeld in artikel 3,1°, van het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen; » 

 


Art. 10.1.2.

In artikel 21 van hetzelfde besluit, laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010, wordt paragraaf 5 vervangen door wat volgt :

 

« § 5. Het advies van de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij bevat volgende gegevens : 1° een gemotiveerde beoordeling over de inrichting waarvoor een vergunning wordt aangevraagd wat betreft het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen. 2° indien de inrichting verenigbaar wordt geacht met de bepalingen van het milieubeleidsplan en de sectorale uitvoeringsplannen en met een duurzaam beheer van afvalstoffen en materialen, een gemotiveerd voorstel van vergunningstermijn en van vergunningsvoorwaarden, die betrekking hebben op het beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen. ».


Art. 10.1.3.

In artikel 43ter van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 januari 1999 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 9 september 2011, wordt punt 3° vervangen door wat volgt :

 

« 3° materialen overeenkomstig het decreet van 23 december betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen en het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen, beheerd worden; ».


Art. 10.1.4. In bijlage 1, rubriek 2, bij hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 13 februari 2009, 24 april 2009 en 20 november 2009, worden de woorden « Vlaams reglement inzake afvalvoorkoming en -beheer (VLAREA) » telkens vervangen door de woorden « besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen ».

Art. 10.1.5. In bijlage 1, rubriek 2, bij hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 13 februari 2009, 24 april 2009 en 20 november 2009 wordt de zin « Overeenkomstig artikel 4.1.1. van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 december 2003 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake afvalvoorkoming en -beheer (VLAREA) worden de secundaire grondstoffen niet meer als afvalstoffen beschouwd vanaf het ogenblik dat ze voldoen aan de ter zake in het VLAREA gestelde voorwaarden », opgeheven.

Art. 10.1.6. In bijlage 1, rubriek 2.1, bij hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008, worden de woorden « decreet van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen » vervangen door de woorden « decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen ».

Art. 10.1.7. In bijlage 1, rubriek 2.1.1, bij hetzelfde besluit, vervangen bij besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 april 2009, worden de woorden « secundaire grondstoffen » vervangen door « grondstoffen zoals gedefinieerd in het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen »;

Art. 10.1.8. In bijlage 1, rubriek 2.2, bij hetzelfde besluit, vervangen bij besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008, wordt de zin « Alle inrichtingen onder 2.2. zijn inrichtingen waarin handelingen gebeuren waardoor nuttige toepassing van althans een gedeelte van de afvalstoffen mogelijk wordt. » vervangen door de zin « Alle inrichtingen onder 2.2. zijn inrichtingen waarin handelingen gebeuren waardoor nuttige toepassing van het merendeel van de afvalstoffen mogelijk wordt. ».

Art. 10.1.9. In bijlage 1, rubriek 2.2.4, bij hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 april 2009, worden de woorden « decreet van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen » telkens vervangen door de woorden « decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen ».

Art. 10.1.10. In bijlage 1, rubriek 2.3.9, bij hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008, worden de woorden « in de zin van artikel 1.3.1. van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 december 2003 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake afvalvoorkoming en -beheer » telkens vervangen door de woorden « als vermeld in artikel 4.2.1. van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen ».

Art. 10.1.11. In bijlage 1, rubriek 45.18, bij hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008, worden de woorden « decreet van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen » telkens vervangen door de woorden « decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen ».

Afdeling 10.2.
Wijzigingen in het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiėne


Art. 10.2.1. In het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiėne, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 16 december 2011, worden de woorden « decreet van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen » telkens vervangen door de woorden « decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen ».

Art. 10.2.2. In artikel 1.3.1.1, § 3, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010, worden de woorden « volgens hoofdstuk VII van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 december 2003 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake afvalvoorkoming en –beheer » vervangen door de woorden « volgens hoofdstuk 8 van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen ».

Art. 10.2.3. In artikel 5.2.1.7, § 2, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 5 december 2003, worden de woorden « zoals gedefinieerd in artikel 5.2.2.2. van het Vlarea » vervangen door de woorden « zoals gedefinieerd in artikel 4.4.2. van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen ».

Art. 10.2.4. In artikel 5.2.4.1.2, § 1, 3°, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 mei 2006, wordt het woord « VLAREA » vervangen door « het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen ».

Art. 10.2.5.

In artikel 5.2.4.1.3, 2°, van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 mei 2006, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

in punt f), worden de woorden « bijlage 1.2.1 van het VLAREA » vervangen door de woorden « bijlage 2.1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen »; 
in punt g), worden de woorden « zoals opgenomen in afdeling 2.4 van het VLAREA » vervangen door de woorden « als vermeld in afdeling 4.1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen » 

 


Art. 10.2.6. In artikel 5.2.4.1.8, § 3, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 mei 2006, worden de woorden « zoals opgenomen in subbijlage 1.2.1 B van het VLAREA » vervangen door de woorden « als vermeld in de bijlage 2.1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen ».

Art. 10.2.7.

In artikel 5.2.5.2.2, 2°, van hetzelfde besluit, hersteld bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

in punt f) worden de woorden « zoals opgenomen in bijlage 1.2.1 van het VLAREA » vervangen door de woorden « als vermeld in bijlage 2.1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen »;  
in punt g) worden de woorden « zoals opgenomen in afdeling 2.4 van het VLAREA » vervangen door de woorden « als vermeld in afdeling 4.1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen ». 

 


Art. 10.2.8. In artikel 5.12.0.2, § 2, 5° van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 24 maart 1998 en 5 december 2003, worden de woorden « onverminderd de bepalingen van het Vlaams reglement inzake afvalvoorkoming en -beheer (Vlarea) » vervangen door de woorden « met behoud van de toepassing van de bepalingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen ».

Art. 10.2.9. In artikel 5.17.3.20, § 3, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 januari 1999 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 maart 2008, worden de woorden « de bepalingen van het decreet van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen en zijn uitvoeringsbesluiten » vervangen door de woorden « de bepalingen van het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen ».

Art. 10.2.10.

In bijlage 2.8 bij hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 maart 1998, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

de woorden « Vlaams reglement inzake afvalvoorkoming en -beheer » worden telkens vervangen door de woorden « het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen ».  
de woorden « secundaire grondstoffen » worden telkens vervangen door de woorden « grondstoffen als vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen » 

 


Art. 10.2.11. In bijlage 5.2.6.1 bij hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 6 juni 2008, worden de woorden « vermeld in bijlage 1.2.1. B van besluit van de Vlaamse Regering van 5 december 2003 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake afvalvoorkoming en -beheer » vervangen door de woorden « vermeld in bijlage 2.1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen »

Art. 10.2.12. In bijlage 5.2.6.3 bij hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 6 juni 2008 worden de woorden « afdeling 4 van hoofdstuk II van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 december 2003 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake afvalvoorkoming en -beheer » vervangen door de woorden « artikel 4.1.3 tot en met artikel 4.1.5 van afdeling 4.1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen »

Afdeling 10.3.
Wijzigingen in het besluit van de Vlaamse Regering van 23 januari 2004 betreffende de subsidiėring van bepaalde werken, leveringen en diensten die in het Vlaamse Gewest door of op initiatief van lagere besturen of ermee gelijkgestelde rechtspersonen worden uitgevoerd


Art. 10.3.1. In artikel 3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 23 januari 2004 betreffende de subsidiėring van bepaalde werken, leveringen en diensten die in het Vlaamse Gewest door of op initiatief van lagere besturen of ermee gelijkgestelde rechtspersonen worden uitgevoerd, wordt de zinsnede « overeenkomstig artikelen 35 en 36 van het decreet van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen » vervangen door de zinsnede « overeenkomstig artikel 18 van het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen ».

Afdeling 10.4.
Wijzigingen in het besluit van de Vlaamse Regering van 2 april 2004 tot invoering van het integrale milieujaarverslag


Art. 10.4.1. In artikel 1, 2°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 2 april 2004 tot invoering van het integrale milieujaarverslag, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 7 januari 2005 en 27 januari 2006, wordt punt b) vervangen door wat volgt : « b) voor de melding van de productie van bedrijfsafvalstoffen, vermeld in artikel 23 van het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen en voor de verwerking van ingevoerde afvalstoffen, vermeld in artikel 7.4.3 van het besluit van de Vlaamse Regering van februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen;« .

Art. 10.4.2.

In artikel 1, 3°, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 januari 2005, wordt punt b) vervangen door wat volgt :

« b) de productie van bedrijfsafvalstoffen melden op grond van artikel 23 van het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen; ».


Art. 10.4.3. In artikel 4, eerste lid, 2°, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 maart 2008, worden de woorden « het Vlarea-besluit » vervangen door de woorden « het besluit van de Vlaamse Regering van februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen ».

Art. 10.4.4. In bijlage 1 bij hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 20 januari 2012, worden de deelformulieren « Afvalstoffen » en « Ingevoerde afvalstoffen door verwerkers » vervangen door de deelformulieren « Afvalstoffenmelding voor producenten » en « Ingevoerde afvalstoffen door verwerkers », die als bijlage 10.4 bij dit besluit zijn gevoegd.

Afdeling 10.5.
Wijzigingen in het besluit van de Vlaamse Regering van 20 mei 2005 tot vaststelling van de bijzondere regelen inzake de erkenning en de subsidiėring van kringloopcentra


Art. 10.5.1.

In artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 20 mei 2005 tot vaststelling van de bijzondere regelen inzake de erkenning en de subsidiėring van kringloopcentra, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 maart 2008, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

punt 2° en 3° worden vervangen door wat volgt : « 2° het decreet : het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen; 3° VLAREMA : het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen; »; 
punt 5° wordt vervangen door wat volgt : « 5° kringloopcentrum : een rechtspersoon als vermeld in artikel 1.2.1, § 2, van het VLAREMA; ». 

 


Art. 10.5.2. In artikel 2 van hetzelfde besluit wordt de zinsnede « overeenkomstig artikel 14, § 9, van het decreet » vervangen door de zinsnede « overeenkomstig artikel 9, § 2, van het decreet ».

Art. 10.5.3. In artikel 3, 3°, van hetzelfde besluit wordt punt b) opgeheven.

Afdeling 10.6.
Wijzigingen in het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2007 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de bodemsanering en de bodembescherming


Art. 10.6.1.

Artikel 1, 7° van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2007 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de bodemsanering en de bodembescherming wordt vervangen als volgt :

« 7° CMA : Compendium voor Monsterneming en Analyse, vermeld in artikel 8.2.1 van het besluit van de Vlaamse Regering van tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen. ».


Art. 10.6.2.

In artikel 161, § 2, 5°, en artikel 168, § 2, 3°, en § 3, 2°, tweede lid, van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 13 februari 2009, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

het woord « Afvalstoffendecreet » wordt vervangen door het woord « Materialendecreet »; 
de zin « Het gebruik van de uitgegraven bodem in het gebruiksgebied bouwstof als secundaire grondstof is niet toegelaten. » wordt opgeheven. 

 

 


Art. 10.6.3. In bijlage VI van hetzelfde besluit worden in de tabel de woorden « Extraheerbare organohalogeenverbindingen (EOX) » en het getal « 10 » opgeheven.

Afdeling 10.7.
Wijzigingen in het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid


Art. 10.7.1.

In artikel 1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 30 april 2009 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 19 november 2010, 15 juli 2011 en 23 september 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

punt 8° wordt vervangen door wat volgt : « 8° Materialendecreet : het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen; »;  
punt 19° wordt vervangen door wat volgt : « 19° VLAREMA : het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen; ». 

 


Art. 10.7.2.

Aan artikel 2 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 30 april 2009, 19 november 2010 en 28 oktober 2011, wordt een punt 15° toegevoegd, dat luidt als volgt :

« 15° Verordening (EU) nr. 333/2011 van de raad van 31 maart 2011 tot vaststelling van criteria die bepalen wanneer bepaalde soorten metaalschroot niet langer als afval worden aangemerkt overeenkomstig Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad. ».


Art. 10.7.3.

In artikel 12 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 30 april 2009 en 19 november 2010, wordt punt 6° vervangen door wat volgt :

« 6° de door de minister aan te stellen personeelsleden van de afdeling, bevoegd voor het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen; ».


Art. 10.7.4.

In artikel 21 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 30 april 2009 en 19 november 2010, 15 juli 2011, 23 september 2011 en 28 oktober 2011, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

punt 5° wordt vervangen door wat volgt : « 5° het Materialendecreet; ». 
een punt 20° wordt toegevoegd, dat luidt als volgt : « 20° Verordening (EU) nr. 333/2011 van de raad van 31 maart 2011 tot vaststelling van criteria die bepalen wanneer bepaalde soorten metaalschroot niet langer als afval worden aangemerkt overeenkomstig Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad. ». 

 


Art. 10.7.5.

In artikel 25 van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 30 april 2009 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010, wordt punt 6° vervangen door wat volgt :

« 6° artikel 12, § 1, van het Materialendecreet voor wat betreft de ruimtelijk kwetsbare gebieden, vermeld in artikel 1.1.2, 10°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 mei 2009 houdende coördinatie van de decreetgeving op de ruimtelijke ordening; ».


Art. 10.7.6.

Artikel 26 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 22 oktober 2010, wordt vervangen door wat volgt :

« Art. 26. § 1. De toezichthouders, vermeld in artikel 12, 6°, oefenen het toezicht uit op de toepassing van het Materialendecreet en de uitvoeringsbesluiten ervan, wat de volgende aspecten betreft :

1° de inzameling bij en het aanbieden van huishoudelijke afvalstoffen door de particulier, zoals dat door de gemeentelijke overheden georganiseerd wordt;

2° het verloop van de afvalstromen die onder de toepassing vallen van een uitgebreide producentenverantwoordelijkheid, met uitsluiting van het toezicht op de bepalingen ter uitvoering van het Milieuvergunningendecreet en de bepalingen over het vervoer van of het inzamelen of handelen of makelen in afvalstoffen;

3° de bepalingen over afvalpreventie- en recyclagedoelstellingen waaronder de bepalingen over de uitgebreide producentenverantwoordelijkheid, het opstellen van milieubeleidsovereenkomsten, en afvalpreventie- en afvalbeheerplannen voor bepaalde afvalstromen;

4° de afgifte van scheepsafvalstoffen;

5° de rapportering over geproduceerde, ingezamelde en verwerkte afvalstoffen in het kader van beleidsevaluatie;

6° het afvalstoffen- en materialenregister;

7° de naleving van sectorale uitvoeringsplannen als vermeld in artikel 18 van het Materialendecreet.

De toezichthouders, vermeld in artikel 12, 6°, oefenen het toezicht uit op de toepassing van het verdrag inzake de verzameling, afgifte en inname van afval in de Rijn- en binnenvaart, ondertekend in Straatsburg op 9 september 1996.

§ 2. De toezichthouders, vermeld in artikel 12, 8°, oefenen het toezicht uit op de toepassing van artikel 12 van het Materialendecreet binnen het kader van het ambtshalve inzamelen, vervoeren en verwerken van afvalstoffen. ».


Art. 10.7.7.

In artikel 28 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010, wordt punt 2° vervangen door wat volgt :

« 2° artikel 12, § 1, van het Materialendecreet, wat betreft de onbevaarbare waterlopen van categorie 1 en hun aanhorigheden, zoals bepaald in de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen; ».


Art. 10.7.8.

In artikel 29 van hetzelfde besluit, vervangen bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 30 april 2009 en 28 oktober 2011, wordt punt 2° vervangen door wat volgt :

« 2°het Materialendecreet, wat de aanwending van grondstoffen, als meststof, als bodemverbeterend middel of als bodem betreft; ».


Art. 10.7.8.

In artikel 30 van hetzelfde besluit wordt punt 1° vervangen door wat volgt :

« 1° het Materialendecreet, wat betreft onderafdeling 5.2.3. « Medisch afval » van afdeling 5.2 van het VLAREMA; ».


Art. 10.7.10.

In artikel 31 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010, wordt punt 2° vervangen door wat volgt :

« 2° artikel 12, § 1, van het Materialendecreet, wat betreft de openbare wegen en hun aanhorigheden. ».


Art. 10.7.11.

In artikel 32 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010, wordt punt 2° vervangen door wat volgt :

« 2°artikel 12, § 1, van het Materialendecreet, wat betreft de waterwegen en de havens en hun aanhorigheden; ».


Art. 10.7.12.

In artikel 33 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 november 2010, wordt punt 2° vervangen door wat volgt :

« 2°artikel 12, § 1, van het Materialendecreet, wat betreft de onbevaarbare waterlopen van categorie 2 en 3 en hun aanhorigheden, zoals bepaald in de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen; ».


Art. 10.7.13.

In artikel 34 van hetzelfde besluit, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 30 april 2009, 19 november 2010 en 28 oktober 2011, wordt punt 5° vervangen door wat volgt :

« 5° artikel 11, 12, 13, 23, 25, § 1, artikel 39 en 40 van het Materialendecreet; ».


Art. 10.7.14.

In artikel 59 van hetzelfde besluit wordt punt 2° vervangen door wat volgt :

« 2° er een overtreding is van artikel 12, § 1, van het Materialendecreet; ».


Art. 10.7.14.

In artikel 60 van hetzelfde besluit wordt punt 2° vervangen door wat volgt :

« 2° er een overtreding is van artikel 12, § 1, van het Materialendecreet; ».


Art. 10.7.16. Bijlage VIII bij hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 30 april 2009 en gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 22 oktober 2010 en 19 november 2010, wordt vervangen door bijlage 10.7, die bij dit besluit is gevoegd.

Afdeling 10.8.
Wijzigingen in het besluit van de Vlaamse Regering van 4 september 2009 inzake de certificering van bedrijven en hun technici voor brandbeveiligingssystemen die ozonlaag afbrekende stoffen of gefluoreerde broeikasgassen bevatten


Art. 10.8.1. In artikel 4, § 2, van het besluit van de Vlaamse Regering van 4 september 2009 inzake de certificering van bedrijven en hun technici voor brandbeveiligingssystemen die ozonlaag afbrekende stoffen of gefluoreerde broeikasgassen bevatten, worden de woorden « als vermeld in artikel 5.1.2.2, 4°, van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 december 2003 tot vaststelling van het Vlaamse reglement inzake afvalvoorkoming en -beheer » vervangen door de woorden « als vermeld in artikel 6.1.1.6, § 1, van het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen ».

HOOFDSTUK 11.
Overgangsbepalingen


Art. 11.1.

De gebruikscertificaten, verleend met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 december 2003 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake afvalvoorkoming- en beheer, worden beschouwd als grondstofverklaringen als vermeld in dit besluit, voor de termijn die vastgesteld is in het gebruikscertificaat.


Art. 11.2.

Alle registraties als vervoerder van afvalstoffen, verleend met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 december 2003 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake afvalvoorkoming en -beheer, blijven geldig voor de termijn waarvoor ze werden verleend en worden automatisch opgenomen in het register van geregistreerde vervoerders indien de geregistreerde vervoerder beschikt over een ondernemingsnummer of btw-nummer.


Art. 11.3.

§ 1.

Alle erkenningen als overbrenger van niet gevaarlijke afvalstoffen, verleend met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 december 2003 tot vaststelling van het Vlaams Reglement inzake afvalvoorkoming en -beheer, worden beschouwd als een registratie van inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaars en worden automatisch opgenomen in het register van inzamelaars, afvalstoffenhandelaars of –makelaars indien de erkende overbrenger beschikt over een ondernemingsnummer of btw-nummer.

 

De geregistreerde inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar wordt daarvan door de OVAM op de hoogte gebracht.

 

§ 2.

Alle erkenningen als overbrenger van gevaarlijke afvalstoffen, verleend met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 december 2003 tot vaststelling van het Vlaams Reglement inzake afvalvoorkoming en -beheer, worden beschouwd als een registratie van inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar en worden automatisch opgenomen in het register van inzamelaars, geregistreerde afvalstoffenhandelaars en –makelaars indien de erkende overbrenger beschikt over een ondernemingsnummer of btw-nummer. Deze registraties blijven geldig voor de termijn waarvoor de erkenning was verleend. Indien deze termijn korter is dan 36 maanden na de inwerkingtreding van dit besluit, wordt hij verlengd tot 36 maanden na de inwerkingtreding van dit besluit.

 

Erkenningen voor kga-codes worden omgezet naar registraties voor de overeenkomstige EURAL-codes.

 

§ 3.

Voor de toepassing van het kwaliteitsborgingssysteem, vermeld in artikel 6.1.1.4. en 6.1.1.5, geldt een overgangsperiode van twaalf maanden vanaf de inwerkingtreding van dit besluit. Binnen twee jaar na het aflopen van de overgangsperiode zal een keuring als vermeld in artikel 6.1.1.6, door een onafhankelijke keuringsinstelling uitgevoerd moeten worden.


Art. 11.4.

§ 1.

Alle erkenningen als centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen, verleend met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 december 2003 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake afvalvoorkoming en -beheer, met uitzondering van de erkenningen die verleend zijn voor een kortere termijn dan vijf jaar, worden van rechtswege verlengd voor onbepaalde duur.

 

§ 2.

Alle erkenningen als centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen, verleend met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 december 2003 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake afvalvoorkoming en -beheer, die op datum van de inwerkingtreding van dit besluit langer dan vijf jaar ononderbroken verleend zijn, hoeven niet te voldoen aan de verplichting, vermeld in artikel 5.2.4.7, § 2, 3°.


Art. 11.5.

In alle wetteksten waarin verwezen wordt naar het besluit van de Vlaamse Regering van 5 december 2003 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake afvalvoorkoming en -beheer, moet die verwijzing gelezen worden als een verwijzing naar dit besluit.


HOOFDSTUK 12.
Slotbepalingen


Art. 12.1.

Het besluit van de Vlaamse Regering van 17 maart 2000 houdende vaststelling van het verwijderingsplan voor pcb-houdende apparaten en de daarin aanwezige pcb’s, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 5 december 2003 en 7 maart 2008, wordt opgeheven.


Art. 12.2.

Het besluit van de Vlaamse Regering van 5 december 2003 tot vaststelling van het Vlaams reglement inzake afvalvoorkoming en -beheer, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 22 oktober 2010, wordt opgeheven.


Art. 12.3.

Het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen, met uitzondering van artikel 7, artikel 76 en afdeling 2 van hoofdstuk 5, en dit besluit, met uitzondering van artikel 6.1.1.4, 1°, tweede lid, tweede en derde zin en bijlage 5.1.4,, treden in werking op 1 juni 2012.

 

Artikel 6.1.1.4, 1°, tweede en derde zin, treedt in werking op 1 januari 2013.

 

Bijlage 5.1.4 bij dit besluit, treedt in werking op 1 juli 2013 


Art. 12.4. De minister, bevoegd voor het leefmilieu en het waterbeleid, is belast met de uitvoering van dit besluit.

Bijlagen.


Bijlage 2.1. LIJST VAN AFVALSTOFFEN

DEFINITIES

 

In deze bijlage wordt verstaan onder:

1 „gevaarlijke stof”: een stof die is ingedeeld als gevaarlijk omdat ze voldoet aan de criteria van de delen 2 tot en met 5 van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1272/2008;
2 „zwaar metaal”: elke verbinding van antimoon, arseen, cadmium, chroom (VI), koper, lood, kwik, nikkel, seleen, telluur, thallium of tin, alsook deze metalen in metallische vorm, voor zover deze als gevaarlijke stof zijn ingedeeld;
3 „polychloorbifenylen en polychloorterfenylen (pcb's)”: pcb's zoals omschreven in artikel 1.2.1 van dit besluit;
4 „overgangsmetalen”: elk van de volgende metalen: elke verbinding van scandium, vanadium, mangaan, kobalt, koper, yttrium, niobium, hafnium, wolfraam, titaan, chroom, ijzer, nikkel, zink, zirkonium, molybdeen of tantaal, alsook deze metalen in metallische vorm, voor zover deze als gevaarlijke stof zijn ingedeeld;
5 „stabilisatie”: processen waardoor de gevaarskenmerken van de bestanddelen van het afval veranderen en gevaarlijk afval in ongevaarlijk afval wordt omgezet;
6 „verharding”: processen waardoor onder invloed van additieven alleen de fysische toestand van het afval verandert, zonder dat de chemische eigenschappen van het afval veranderen;
7 „gedeeltelijk gestabiliseerd afval”: afval dat na het stabilisatieproces gevaarlijke bestanddelen bevat die niet volledig in ongevaarlijke bestanddelen zijn omgezet en op korte, middellange of lange termijn in het milieu terecht kunnen komen.

 

 

BEOORDELING EN CLASSIFICATIE

 

1. Beoordeling van gevaarlijke eigenschappen van afval

 

Voor de beoordeling van de gevaarlijke eigenschappen van afval zijn de criteria van bijlage III bij Richtlijn 2008/98*/EG van toepassing. Wanneer een stof in een lagere concentratie dan de ondergrens aanwezig is in het afval, wordt die niet opgenomen in de berekening van de concentratie.

Wanneer een gevaarlijke eigenschap van afval is beoordeeld door middel van een test en aan de hand van de concentraties van gevaarlijke stoffen van bijlage III bij Richtlijn 2008/98/EG, hebben de testresultaten voorrang.

 

2. Indeling als gevaarlijk afval

 

Alle met een asterisk (*) aangeduid afval in de lijst van afvalstoffen wordt beschouwd als gevaarlijk afval overeenkomstig artikel 4.1.3 van dit besluit, behalve als artikel 31 van het Materialendecreet van toepassing is.

Voor afval waaraan gevaarlijke en niet-gevaarlijke afvalcodes kunnen worden toegekend geldt het volgende:

- Afval wordt alleen vermeld in de geharmoniseerde lijst van als gevaarlijk ingedeelde afvalstoffen met een specifieke of algemene verwijzing naar „gevaarlijke stoffen” indien het gevaarlijke stoffen bevat waardoor het afval een of meer van de gevaarlijke eigenschappen HP 1 tot en met HP 8 en/of HP 10 tot en met HP 15 van bijlage III bij Richtlijn 2008/98/EG bezit. De gevaarlijke eigenschap HP 9 „Infectueus” wordt beoordeeld overeenkomstig de Eural Handleiding die de OVAM publiceert op haar website.
- Een gevaarlijke eigenschap kan worden beoordeeld aan de hand van de concentratie van stoffen in het afval, zoals bedoeld in bijlage III bij Richtlijn 2008/98/EG of, tenzij in Verordening (EG) nr. 1272/2008 anders is bepaald, door overeenkomstig Verordening (EG) nr. 440/2008 of andere internationaal erkende testmethoden en richtsnoeren een test uit te voeren, rekening houdend met artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1272/2008 met betrekking tot proeven op dieren en mensen.
- Afval dat polychloordibenzo-p-dioxinen en polychloordibenzofuranen (pcdd's en pcdf's), DDT (1,1,1-trichloor- 2,2-bis(4-chloorfenyl)ethaan), chloordaan, hexachloorcyclohexanen (inclusief lindaan), dieldrin, endrin, heptachloor, hexachloorbenzeen, chloordecon, aldrin, pentachloorbenzeen, mirex, toxafeen hexabroombifenyl en/of pcb bevat in concentraties die hoger zijn dan de concentratiegrenswaarden van bijlage IV bij Verordening (EG) nr. 850/2004 van het Europees Parlement en de Raad (1), wordt ingedeeld als gevaarlijk afval.
- De concentratiegrenzen van bijlage III bij Richtlijn 2008/98/EG gelden niet voor zuivere (niet met gevaarlijke stoffen verontreinigde) metaallegeringen in massieve vorm. Afval van legeringen dat als gevaarlijk afval wordt beschouwd, is specifiek in deze lijst opgenomen en is met een asterisk (*) aangeduid.
- De volgende noten van bijlage VI bij Verordening (EG) nr. 1272/2008 kunnen, indien van toepassing, in aanmerking worden genomen bij het vaststellen van de gevaarlijke eigenschappen van afvalstoffen:
- 1.1.3.1. Noten betreffende de identificatie, indeling en etikettering van stoffen: Noten B, D, F, J, L, M, P, Q, R en U.
- 1.1.3.2. Noten betreffende de indeling en etikettering van mengsels: Noten 1, 2, 3 en 5.       
- Nadat de gevaarlijke eigenschappen van het afval volgens deze methode zijn beoordeeld, wordt een passend codenummer uit de lijst van gevaarlijke of niet-gevaarlijke afvalstoffen toegekend.
- Alle andere codes in de geharmoniseerde lijst van afvalstoffen worden als niet-gevaarlijk beschouwd, tenzij artikel 4.1.5 of 4.1.6 van dit besluit van toepassing is.

 

 

LIJST VAN AFVALSTOFFEN

 

De verschillende soorten afvalstoffen in de lijst worden volledig gedefinieerd door de code van zes cijfers voor de afvalstoffen en de code van twee en vier cijfers boven de hoofdstukken. Dat houdt in dat een afvalstof als volgt in de lijst kan worden opgezocht:

- Zoek de herkomst van de afvalstof op in de hoofdstukken 01 tot en met 12 of 17 tot en met 20 en bepaal de bijbehorende code van zes cijfers voor de afvalstof (met uitzondering van de codes in de hoofdstukken die op 99 eindigen). Er valt op te merken dat de activiteiten in een specifieke installatie onder verschillende hoofdstukken kunnen vallen. Zo zijn de afvalstoffen van een autofabriek afhankelijk van de processtap te vinden in hoofdstuk 12 (afval van de machinale bewerking en oppervlaktebehandeling van metalen), hoofdstuk 11 (anorganisch metaalhoudend afval van de behandeling en coating van metalen) en hoofdstuk 08 (afval van het gebruik van coatings). NB: gescheiden ingezameld verpakkingsafval (met inbegrip van mengsels van verschillende verpakkingsmaterialen) wordt ingedeeld onder 15 01, niet 20 01.
- Als er in de hoofdstukken 01 tot en met 12 of 17 tot en met 20 geen geschikte afvalcode kan worden gevonden, moet er in de hoofdstukken 13, 14 en 15 worden gezocht om de code van de afvalstof te bepalen.
- Als geen van deze afvalcodes van toepassing is, moet u de afvalcode aan de hand van hoofdstuk 16 bepalen.
- Als de afvalstof ook niet in hoofdstuk 16 onder te brengen is, moet u de code "99" (niet elders genoemd niet-gevaarlijk afval) gebruiken in het deel van de lijst dat overeenkomt met de bij de eerste stap bepaalde activiteit.

 

 

INHOUDSOPGAVE

 

HOOFDSTUKKEN VAN DE LIJST VAN AFVALSTOFFEN

  1. Afval van exploratie, mijnbouw, exploitatie van steengroeven en de fysische en chemische bewerking van mineralen
  2. Afval van landbouw, tuinbouw, aquacultuur, bosbouw, jacht en visserij en de voedingsbereiding en -verwerking
  3. Afval van de houtverwerking en de productie van panelen en meubelen, alsmede pulp, papier en karton
  4. Afval van de leer-, bont- en textielindustrie
  5. Afval van olieraffinage, aardgaszuivering en de pyrolytische behandeling van kool
  6. Afval van anorganische chemische processen
  7. Afval van organische chemische processen
  8. Afval van bereiding, formulering, levering en gebruik (BFLG) van coatings (verf, lak en email), lijm, kit en drukinkt
  9. Afval van de fotografische industrie
  10. Afval van thermische processen
  11. Afval van de chemische oppervlaktebehandeling en coating van metalen en andere materialen; non-ferro-hydrometallurgie
  12. Afval van de machinale bewerking en de fysische en mechanische oppervlaktebehandeling van metalen en kunststoffen
  13. Olieafval en afval van vloeibare brandstoffen (exclusief spijsolie, 05 en 12)
  14. Afval van organische oplosmiddelen, koelmiddelen en drijfgassen (exclusief 07 en 08)
  15. Verpakkingsafval; absorbentia, poetsdoeken, filtermateriaal en beschermende kleding (niet elders genoemd)
  16. Niet elders in de lijst genoemd afval
  17. Bouw- en sloopafval (inclusief afgegraven grond van verontreinigde locaties)
  18. Afval van de gezondheidszorg bij mens of dier en/of verwant onderzoek (exclusief keuken- en restaurantafval dat niet rechtstreeks van de gezondheidszorg afkomstig is)
  19. Afval van installaties voor afvalbeheer, off-site waterzuiveringsinstallaties en de bereiding van voor menselijke consumptie bestemd water en water voor industrieel gebruik
  20. Stedelijk afval (huishoudelijk afval en soortgelijk bedrijfsafval, industrieel afval en afval van instellingen), inclusief gescheiden ingezamelde fracties

01 AFVAL VAN EXPLORATIE, MIJNBOUW, EXPLOITATIE VAN STEENGROEVEN EN DE FYSISCHE EN CHEMISCHE BEWERKING VAN MINERALEN

1

AFVAL VAN EXPLORATIE, MIJNBOUW, EXPLOITATIE VAN STEENGROEVEN EN DE FYSISCHE EN CHEMISCHE BEWERKING VAN MINERALEN
01 01 afval van de winning van mineralen
01 01 01 afval van de winning van metaalhoudende mineralen
01 01 02 afval van de winning van niet-metaalhoudende mineralen
01 03 afval van de fysische en chemische verwerking van metaalhoudende mineralen
01 03 04* zuurvormende tailings verkregen bij de verwerking van sulfide-erts
01 03 05* andere tailings die gevaarlijke stoffen bevatten
01 03 06 niet onder 01 03 04 en 01 03 05 vallende tailings
01 03 07* ander afval van de fysische en chemische verwerking van metaalhoudende mineralen dat gevaarlijke stoffen bevat
01 03 08 niet onder 01 03 07 vallend stof- en poederachtig afval
01 03 09 niet onder 01 03 07 vallend slib van de aluminiumproductie
01 03 10* niet onder 01 03 07 vallend rood slib van de aluminiumproductie dat gevaarlijke stoffen bevat
01 03 99 niet elders genoemd niet-gevaarlijk afval
01 04 afval van de fysische en chemische verwerking van niet-metaalhoudende mineralen
01 04 07* afval van de fysische en chemische verwerking van niet-metaalhoudende mineralen dat gevaarlijke stoffen bevat
01 04 08 niet onder 01 04 07 vallend grind- en rotsafval
01 04 09 zand- en kleiafval
01 04 10 niet onder 01 04 07 vallend stof- en poederachtig afval
01 04 11 niet onder 01 04 07 vallend afval van de kali- en steenzoutverwerking
01 04 12 niet onder 01 04 07 en 01 04 11 vallende schilfers en ander afval van het wassen en schoonmaken van mineralen
01 04 13 niet onder 01 04 07 vallend afval van het hakken en zagen van steen
01 04 99 niet elders genoemd niet-gevaarlijk afval
01 05 boorgruis en overig boorafval
01 05 04 zoetwaterboorgruis en -afval
01 05 05* oliehoudend boorgruis en -afval
01 05 06* boorgruis en ander boorafval dat gevaarlijke stoffen bevat
01 05 07 niet onder 01 05 05 en 01 05 06 vallend bariethoudend boorgruis en -afval
01 05 08 niet onder 01 05 05 en 01 05 06 vallend chloridehoudend boorgruis en – afval
01 05 99 niet elders genoemd niet-gevaarlijk afval
   
02 AFVAL VAN LANDBOUW, TUINBOUW, AQUACULTUUR, BOSBOUW, JACHT EN VISSERIJ EN DE VOEDINGSBEREIDING EN -VERWERKING

2 AFVAL VAN LANDBOUW, TUINBOUW, AQUACULTUUR, BOSBOUW, JACHT EN VISSERIJ EN DE VOEDINGSBEREIDING EN -VERWERKING
02 01 afval van landbouw, tuinbouw, aquacultuur, bosbouw, jacht en visserij
02 01 01 slib van wassen en schoonmaken
02 01 02 afval van dierlijke weefsels
02 01 03 afval van plantaardige weefsels
02 01 04 kunststofafval (exclusief verpakkingen)
02 01 06 dierlijke feces, urine en mest (inclusief gebruikt stro), afvalwater, gescheiden ingezameld en elders verwerkt
02 01 07 afval van de bosbouw
02 01 08* agrochemisch afval dat gevaarlijke stoffen bevat
02 01 09 niet onder 02 01 08 vallend agrochemisch afval
02 01 10 metaalafval
02 01 99 niet elders genoemd niet-gevaarlijk afval
02 02 afval van de bereiding en verwerking van vlees, vis en ander voedsel van dierlijke oorsprong
02 02 01 slib van wassen en schoonmaken
02 02 02 afval van dierlijke weefsels
02 02 03 voor consumptie of verwerking ongeschikt materiaal
02 02 04 slib van afvalwaterbehandeling ter plaatse
02 02 99 niet elders genoemd niet-gevaarlijk afval
02 03 afval van de bereiding en verwerking van fruit, groente, granen, spijsolie, cacao, koffie, thee en tabak, de productie van conserven, de productie van gist en gistextract en de bereiding en fermentatie van melasse
02 03 01 slib van wassen, schoonmaken, pellen, centrifugeren en scheiden
02 03 02 afval van conserveermiddelen
02 03 03 afval van oplosmiddelenextractie
02 03 04 voor consumptie of verwerking ongeschikt materiaal
02 03 05 slib van afvalwaterbehandeling ter plaatse
02 03 99 niet elders genoemd niet-gevaarlijk afval
02 04 afval van de suikerverwerking
02 04 01 grond van het schoonmaken en wassen van bieten
02 04 02 afgekeurd calciumcarbonaat (= schuimaarde)
02 04 03 slib van afvalwaterbehandeling ter plaatse
02 04 99 niet elders genoemd niet-gevaarlijk afval
02 05 afval van de zuivelindustrie
02 05 01 voor consumptie of verwerking ongeschikt materiaal
02 05 02 slib van afvalwaterbehandeling ter plaatse
02 05 99 niet elders genoemd niet-gevaarlijk afval
02 06 afval van bakkerijen en de banketbakkersindustrie
02 06 01 voor consumptie of verwerking ongeschikt materiaal
02 06 02 afval van conserveermiddelen
02 06 03 slib van afvalwaterbehandeling ter plaatse
02 06 99 niet elders genoemd niet-gevaarlijk afval
02 07 afval van de productie van alcoholische en niet-alcoholische dranken (exclusief koffie, thee en cacao)
02 07 01 afval van wassen, schoonmaken en mechanische bewerking van de grondstoffen
02 07 02 afval van de destillatie van alcoholische dranken
02 07 03 afval van chemische behandeling
02 07 04 voor consumptie of verwerking ongeschikt materiaal
02 07 05 slib van afvalwaterbehandeling ter plaatse
02 07 99 niet elders genoemd niet-gevaarlijk afval
   
03 AFVAL VAN DE HOUTVERWERKING EN DE PRODUCTIE VAN PANELEN EN MEUBELEN ALSMEDE PULP, PAPIER EN KARTON

3 AFVAL VAN DE HOUTVERWERKING EN DE PRODUCTIE VAN PANELEN EN MEUBELEN ALSMEDE PULP, PAPIER EN KARTON
03 01 afval van de houtverwerking en de productie van panelen en meubelen
03 01 01 schors- en kurkafval
03 01 04* zaagsel, schaafsel, spaanders, hout, spaanplaat en fineer die gevaarlijke stoffen bevatten
03 01 05 niet onder 03 01 04 vallend zaagsel, schaafsel, spaanders, hout, spaanplaat en fineer
03 01 99 niet elders genoemd niet-gevaarlijk afval
03 02 houtverduurzamingsafval
03 02 01* niet-gehalogeneerde organische houtverduurzamingsmiddelen
03 02 02* organochloor-houtverduurzamingsmiddelen
03 02 03* organometaal-houtverduurzamingsmiddelen
03 02 04* anorganische houtverduurzamingsmiddelen
03 02 05* andere houtverduurzamingsmiddelen die gevaarlijke stoffen bevatten
03 02 99 niet elders genoemde niet-gevaarlijke houtverduurzamingsmiddelen
03 03 afval van de productie en verwerking van pulp, papier en karton
03 03 01 schors- en houtafval
03 03 02 "green liquor"-slib (afkomstig van de terugwinning van de kookvloeistof)
03 03 05 ontinktingsslib van papierrecycling
03 03 07 mechanisch afgescheiden rejects afkomstig van de verpulping van papier- en kartonafval
03 03 08 afval van het scheiden van voor recycling bestemd papier en karton
03 03 09 kalkneerslagafval
03 03 10 onbruikbare vezels en door mechanische afscheiding verkregen vezel-, vulstof- en coatingslib
03 03 11 niet onder 03 03 10 vallend slib van afvalwaterbehandeling ter plaatse
03 03 99 niet elders genoemd niet-gevaarlijk afval
   
04 AFVAL VAN DE LEER-, BONT- EN TEXTIELINDUSTRIE

4 AFVAL VAN DE LEER-, BONT- EN TEXTIELINDUSTRIE
04 01 afval van de leer- en bontindustrie
04 01 01 schraapafval
04 01 02 loogafval
04 01 03* ontvettingsafval dat oplosmiddelen bevat zonder vloeibare fase
04 01 04 chroomhoudende looivloeistof
04 01 05 chroomvrije looivloeistof
04 01 06 chroomhoudend slib, met name van afvalwaterbehandeling ter plaatse
04 01 07 chroomvrij slib, met name van afvalwaterbehandeling ter plaatse
04 01 08 chroomhoudend gelooid leerafval (snijafval, polijststof)
04 01 09 afval van bewerking en afwerking
04 01 99 niet elders genoemd niet-gevaarlijk afval
04 02 afval van de textielindustrie
04 02 09 afval van composietmaterialen (geļmpregneerde textiel, elastomeren, plastomeren)
04 02 10 organisch afval van natuurlijke producten (bv. vet en was)
04 02 14* afval van afwerking dat organische oplosmiddelen bevat
04 02 15 niet onder 04 02 14 vallend afval van afwerking
04 02 16* kleurstoffen en pigmenten die gevaarlijke stoffen bevatten
04 02 17 niet onder 04 02 16 vallende kleurstoffen en pigmenten
04 02 19* slib van afvalwaterbehandeling ter plaatse dat gevaarlijke stoffen bevat
04 02 20 niet onder 04 02 19 vallend slib van afvalwaterbehandeling ter plaatse
04 02 21 afval van onverwerkte textielvezels
04 02 22 afval van verwerkte textielvezels
04 02 99 niet elders genoemd niet-gevaarlijk afval
   
05 AFVAL VAN OLIERAFFINAGE, AARDGASZUIVERING EN DE PYROLYTISCHE BEHANDELING VAN KOOL

5 AFVAL VAN OLIERAFFINAGE, AARDGASZUIVERING EN DE PYROLYTISCHE BEHANDELING VAN KOOL
05 01 afval van olieraffinage
05 01 02* ontzoutingsslib
05 01 03* tankbodemslib
05 01 04* zuur alkylslib
05 01 05* gemorste olie
05 01 06* olieachtig slib afkomstig van onderhoudswerkzaamheden aan installaties of apparaten
05 01 07* zuurteer
05 01 08* overige teer
05 01 09* slib van afvalwaterbehandeling ter plaatse dat gevaarlijke stoffen bevat
05 01 10 niet onder 05 01 09 vallend slib van afvalwaterbehandeling ter plaatse
05 01 11* afval van brandstofzuivering met behulp van basen
05 01 12* olie die zuren bevat
05 01 13 ketelvoedingwaterslib
05 01 14 afval van koeltorens
05 01 15* afgewerkte bleekaarde
05 01 16 zwavelhoudend afval van de ontzwaveling van petroleum
05 01 17 bitumen
05 01 99 niet elders genoemd niet-gevaarlijk afval
05 06 afval van de pyrolytische behandeling van kool
05 06 01* zuurteer
05 06 03* overige teer
05 06 04 afval van koeltorens
05 06 99 niet elders genoemd niet-gevaarlijk afval
05 07 afval van aardgaszuivering en -transport
05 07 01* kwikhoudend afval
05 07 02 zwavelhoudend afval
05 07 99 niet elders genoemd niet-gevaarlijk afval
   
06 AFVAL VAN ANORGANISCHE CHEMISCHE PROCESSEN

6 AFVAL VAN ANORGANISCHE CHEMISCHE PROCESSEN
06 01 afval van bereiding, formulering, levering en gebruik (BFLG) van zuren
06 01 01* zwavelzuur en zwaveligzuur
06 01 02* zoutzuur
06 01 03* waterstoffluoride
06 01 04* fosfor- en fosforigzuur
06 01 05* salpeter- en salpeterigzuur
06 01 06* overige zuren
06 01 99 niet elders genoemd niet-gevaarlijk afval
06 02 afval van BFLG van basen
06 02 01* calciumhydroxide
06 02 03* ammoniumhydroxide
06 02 04* natrium- en kaliumhydroxide
06 02 05* overige basen
06 02 99 niet elders genoemd niet-gevaarlijk afval
06 03 afval van BFLG van zouten en hun oplossingen en metaaloxiden
06 03 11* vaste zouten en oplossingen die cyanide bevatten
06 03 13* vaste zouten en oplossingen die zware metalen bevatten
06 03 14 niet onder 06 03 11 en 06 03 13 vallende vaste zouten en oplossingen
06 03 15* metaaloxiden die zware metalen bevatten
06 03 16 niet onder 06 03 15 vallende metaaloxiden
06 03 99 niet elders genoemd niet-gevaarlijk afval
06 04 niet onder 06 03 vallend metaalhoudend afval
06 04 03* arseenhoudend afval
06 04 04* kwikhoudend afval
06 04 05* afval dat andere zware metalen bevat
06 04 99 niet elders genoemd niet-gevaarlijk afval
06 05 slib van afvalwaterbehandeling ter plaatse
06 05 02* slib van afvalwaterbehandeling ter plaatse dat gevaarlijke stoffen bevat
06 05 03 niet onder 06 05 02 vallend slib van afvalwaterbehandeling ter plaatse
06 06 afval van BFLG van zwavelverbindingen, chemische processen met zwavel en ontzwavelingsprocessen
06 06 02* afval dat gevaarlijke sulfiden bevat
06 06 03 niet onder 06 06 02 vallend afval dat sulfiden bevat
06 06 99 niet elders genoemd niet-gevaarlijk afval
06 07 afval van BFLG van halogenen en chemische processen met halogenen
06 07 01* asbesthoudend afval van elektrolyse
06 07 02* actieve kool van de chloorbereiding
06 07 03* bariumsulfaatslib dat kwik bevat
06 07 04* oplossingen en zuren, bv. contactzuur
06 07 99 niet elders genoemd niet-gevaarlijk afval
06 08 afval van BFLG van silicium en siliciumderivaten
06 08 02* afval dat gevaarlijke chloorsilanen bevat
06 08 99 niet elders genoemd niet-gevaarlijk afval
06 09 afval van BFLG van fosforverbindingen en chemische processen met fosfor
06 09 02 fosforhoudende slakken
06 09 03* calciumhoudend reactieafval dat gevaarlijke stoffen bevat of daarmee is verontreinigd
06 09 04 niet onder 06 09 03 vallend calciumhoudend reactieafval
06 09 99 niet elders genoemd niet-gevaarlijk afval
06 10 afval van BFLG van stikstofverbindingen, chemische processen met stikstof en kunstmestbereiding
06 10 02* afval dat gevaarlijke stoffen bevat
06 10 99 niet elders genoemd niet-gevaarlijk afval
06 11 afval van de bereiding van anorganische pigmenten en opacificeermiddelen
06 11 01 calciumhoudend reactieafval van de productie van titaandioxide
06 11 99 niet elders genoemd niet-gevaarlijk afval
06 13 afval van niet elders genoemde anorganische chemische processen
06 13 01* anorganische gewasbeschermingsmiddelen, houtverduurzamingsmiddelen en andere biociden
06 13 02* afgewerkte actieve kool (exclusief 06 07 02)
06 13 03 actief kool
06 13 04* afval van asbestverwerking
06 13 05* roet
06 13 99 niet elders genoemd niet-gevaarlijk afval
   
07 AFVAL VAN ORGANISCHE CHEMISCHE PROCESSEN

7 AFVAL VAN ORGANISCHE CHEMISCHE PROCESSEN
07 01 afval van bereiding, formulering, levering en gebruik (BFLG) van organische basischemicaliėn
07 01 01* waterige wasvloeistoffen en moederlogen
07 01 03* gehalogeneerde organische oplosmiddelen, wasvloeistoffen en moederlogen
07 01 04* overige organische oplosmiddelen, wasvloeistoffen en moederlogen
07 01 07* gehalogeneerde destillatieresiduen en reactieresiduen
07 01 08* overige destillatieresiduen en reactieresiduen
07 01 09* gehalogeneerde filterkoek en afgewerkte absorbentia
07 01 10* overige filterkoek en afgewerkte absorbentia
07 01 11* slib van afvalwaterbehandeling ter plaatse dat gevaarlijke stoffen bevat
07 01 12 niet onder 07 01 11 vallend slib van afvalwaterbehandeling ter plaatse
07 01 99 niet elders genoemd niet-gevaarlijk afval
07 02 afval van BFLG van kunststoffen, synthetische rubber en kunstvezels
07 02 01* waterige wasvloeistoffen en moederlogen
07 02 03* gehalogeneerde organische oplosmiddelen, wasvloeistoffen en moederlogen
07 02 04* overige organische oplosmiddelen, wasvloeistoffen en moederlogen
07 02 07* gehalogeneerde destillatieresiduen en reactieresiduen
07 02 08* overige destillatieresiduen en reactieresiduen
07 02 09* gehalogeneerde filterkoek en afgewerkte absorbentia
07 02 10* overige filterkoek en afgewerkte absorbentia
07 02 11* slib van afvalwaterbehandeling ter plaatse dat gevaarlijke stoffen bevat
07 02 12 niet onder 07 02 11 vallend slib van afvalwaterbehandeling ter plaatse
07 02 13 kunststofafval
07 02 14* afval van additieven die gevaarlijke stoffen bevatten
07 02 15 afval van niet onder 07 02 14 bedoelde additieven
07 02 16* afval dat gevaarlijke siliconen bevat
07 02 17 afval dat andere siliconen bevat dan die vermeld bij 07 02 16
07 02 99 niet elders genoemd niet-gevaarlijk afval
07 03 afval van BFLG van organische kleurstoffen en pigmenten (exclusief 06 11)
07 03 01* waterige wasvloeistoffen en moederlogen
07 03 03* gehalogeneerde organische oplosmiddelen, wasvloeistoffen en moederlogen
07 03 04* overige organische oplosmiddelen, wasvloeistoffen en moederlogen
07 03 07* gehalogeneerde destillatieresiduen en reactieresiduen
07 03 08* overige destillatieresiduen en reactieresiduen
07 03 09* gehalogeneerde filterkoek en afgewerkte absorbentia
07 03 10* overige filterkoek en afgewerkte absorbentia
07 03 11* slib van afvalwaterbehandeling ter plaatse dat gevaarlijke stoffen bevat
07 03 12 niet onder 07 03 11 vallend slib van afvalwaterbehandeling ter plaatse
07 03 99 niet elders genoemd niet-gevaarlijk afval
07 04 afval van BFLG van organische gewasbeschermingsmiddelen (exclusief 02 01 08 en 02 01 09), houtverduurzamingsmiddelen (exclusief 03 02) en andere biociden
07 04 01* waterige wasvloeistoffen en moederlogen
07 04 03* gehalogeneerde organische oplosmiddelen, wasvloeistoffen en moederlogen
07 04 04* overige organische oplosmiddelen, wasvloeistoffen en moederlogen
07 04 07* gehalogeneerde destillatieresiduen en reactieresiduen
07 04 08* overige destillatieresiduen en reactieresiduen
07 04 09* gehalogeneerde filterkoek en afgewerkte absorbentia
07 04 10* overige filterkoek en afgewerkte absorbentia
07 04 11* slib van afvalwaterbehandeling ter plaatse dat gevaarlijke stoffen bevat
07 04 12 niet onder 07 04 11 vallend slib van afvalwaterbehandeling ter plaatse
07 04 13* vaste afvalstoffen die gevaarlijke stoffen bevatten
07 04 99 niet elders genoemd niet-gevaarlijk afval
07 05 afval van BFLG van farmaceutische producten
07 05 01* waterige wasvloeistoffen en moederlogen
07 05 03* gehalogeneerde organische oplosmiddelen, wasvloeistoffen en moederlogen
07 05 04* overige organische oplosmiddelen, wasvloeistoffen en moederlogen
07 05 07* gehalogeneerde destillatieresiduen en reactieresiduen
07 05 08* overige destillatieresiduen en reactieresiduen
07 05 09* gehalogeneerde filterkoek en afgewerkte absorbentia
07 05 10* overige filterkoek en afgewerkte absorbentia
07 05 11* slib van afvalwaterbehandeling ter plaatse dat gevaarlijke stoffen bevat
07 05 12 niet onder 07 05 11 vallend slib van afvalwaterbehandeling ter plaatse
07 05 13* vaste afvalstoffen die gevaarlijke stoffen bevatten
07 05 14 niet onder 07 05 13 vallende vaste afvalstoffen
07 05 99 niet elders genoemd niet-gevaarlijk afval
07 06 afval van BFLG van vetten, smeermiddelen, zepen, detergenten, desinfecterende middelen en cosmetische producten
07 06 01* waterige wasvloeistoffen en moederlogen
07 06 03* gehalogeneerde organische oplosmiddelen, wasvloeistoffen en moederlogen
07 06 04* overige organische oplosmiddelen, wasvloeistoffen en moederlogen
07 06 07* gehalogeneerde destillatieresiduen en reactieresiduen
07 06 08* overige destillatieresiduen en reactieresiduen
07 06 09* gehalogeneerde filterkoek en afgewerkte absorbentia
07 06 10* overige filterkoek en afgewerkte absorbentia
07 06 11* slib van afvalwaterbehandeling ter plaatse dat gevaarlijke stoffen bevat
07 06 12 niet onder 07 06 11 vallend slib van afvalwaterbehandeling ter plaatse
07 06 99 niet elders genoemd niet-gevaarlijk afval
07 07 afval van BFLG van fijnchemicaliėn en niet elders genoemde chemische producten
07 07 01* waterige wasvloeistoffen en moederlogen
07 07 03* gehalogeneerde organische oplosmiddelen, wasvloeistoffen en moederlogen
07 07 04* overige organische oplosmiddelen, wasvloeistoffen en moederlogen
07 07 07* gehalogeneerde destillatieresiduen en reactieresiduen
07 07 08* overige destillatieresiduen en reactieresiduen
07 07 09* gehalogeneerde filterkoek en afgewerkte absorbentia
07 07 10* overige filterkoek en afgewerkte absorbentia
07 07 11* slib van afvalwaterbehandeling ter plaatse dat gevaarlijke stoffen bevat
07 07 12 niet onder 07 07 11 vallend slib van afvalwaterbehandeling ter plaatse
07 07 99 niet elders genoemd niet-gevaarlijk afval
   
08 AFVAL VAN BEREIDING, FORMULERING, LEVERING EN GEBRUIK (BFLG) VAN COATINGS (VERF, LAK EN EMAIL), LIJM, KIT EN DRUKINKT

8 AFVAL VAN BEREIDING, FORMULERING, LEVERING EN GEBRUIK (BFLG) VAN COATINGS (VERF, LAK EN EMAIL), LIJM, KIT EN DRUKINKT
08 01 afval van BFLG en verwijdering van verf en lak
08 01 11* afval van verf en lak dat organische oplosmiddelen of andere gevaarlijke stoffen bevat
08 01 12 niet onder 08 01 11 vallend afval van verf en lak
08 01 13* slib van verf of lak dat organische oplosmiddelen of andere gevaarlijke stoffen bevat
08 01 14 niet onder 08 01 13 vallend slib van verf of lak
08 01 15* waterig slib dat verf of lak met organische oplosmiddelen of andere gevaarlijke stoffen bevat
08 01 16 niet onder 08 01 15 vallend waterig slib dat verf of lak bevat
08 01 17* afval van verf- en lakverwijdering dat organische oplosmiddelen of andere gevaarlijke stoffen bevat
08 01 18 niet onder 08 01 17 vallend afval van verf- en lakverwijdering
08 01 19* waterige suspensies die verf of lak met organische oplosmiddelen of andere gevaarlijke stoffen bevatten
08 01 20 niet onder 08 01 19 vallende waterige suspensies die verf of lak bevatten
08 01 21* afval van verf- of lakverwijderaar
08 01 99 niet elders genoemd niet-gevaarlijk afval
08 02 afval van BFLG van andere coatings (inclusief keramisch materiaal)
08 02 01 afval-coatingpoeder
08 02 02 waterig slib dat keramisch materiaal bevat
08 02 03 waterige suspensies die keramisch materiaal bevatten
08 02 99 niet elders genoemd niet-gevaarlijk afval
08 03 afval van BFLG van drukinkt
08 03 07 waterig slib dat inkt bevat
08 03 08 waterig vloeibaar afval dat inkt bevat
08 03 12* inktafval dat gevaarlijke stoffen bevat
08 03 13 niet onder 08 03 12 vallend inktafval
08 03 14* inktslib dat gevaarlijke stoffen bevat
08 03 15 niet onder 08 03 14 vallend inktslib
08 03 16* afval van etsoplossingen
08 03 17* tonerafval dat gevaarlijke stoffen bevat
08 03 18 niet onder 08 03 17 vallend tonerafval
08 03 19* dispersieolie
08 03 99 niet elders genoemd niet-gevaarlijk afval
08 04 afval van BFLG van lijm en kit (inclusief vochtwerende producten)
08 04 09* afval van lijm en kit dat organische oplosmiddelen of andere gevaarlijke stoffen bevat
08 04 10 niet onder 08 04 09 vallend afval van lijm en kit
08 04 11* slib van lijm en kit dat organische oplosmiddelen of andere gevaarlijke stoffen bevat
08 04 12 niet onder 08 04 11 vallend slib van lijm en kit
08 04 13* waterig slib dat lijm of kit met organische oplosmiddelen of andere gevaarlijke stoffen bevat
08 04 14 niet onder 08 04 13 vallend waterig slib dat lijm of kit bevat
08 04 15* waterig vloeibaar afval dat lijm of kit met organische oplosmiddelen of andere gevaarlijke stoffen bevat
08 04 16 niet onder 08 04 15 vallend waterig vloeibaar afval dat lijm of kit bevat
08 04 17* harsolie
08 04 99 niet elders genoemd niet-gevaarlijk afval
08 05 niet elders in 08 genoemd afval
08 05 01* isocyanaatafval
   
09 AFVAL VAN DE FOTOGRAFISCHE INDUSTRIE

9 AFVAL VAN DE FOTOGRAFISCHE INDUSTRIE
09 01 afval van de fotografische industrie
09 01 01* ontwikkelvloeistof en activatoroplossing op basis van water
09 01 02* ontwikkelvloeistof voor offsetplaten op basis van water
09 01 03* ontwikkelvloeistof op basis van oplosmiddelen
09 01 04* fixeervloeistof
09 01 05* bleek- en bleekfixeervloeistof
09 01 06* zilverhoudend afval van ter plaatse behandeld fotografisch afval
09 01 07 fotografische film en papier die zilver of zilververbindingen bevatten
09 01 08 fotografische film en papier zonder zilver of zilververbindingen
09 01 10 wegwerpcamera's zonder batterijen
09 01 11* wegwerpcamera's met onder 16 06 01, 16 06 02 of 16 06 03 vermelde batterijen
09 01 12 niet onder 09 01 11 vallende wegwerpcamera's met batterijen
09 01 13* niet onder 09 01 06 vallend waterig vloeibaar afval van ter plaatse uitgevoerde terugwinning van zilver
09 01 99 niet elders genoemd niet-gevaarlijk afval
   
10 AFVAL VAN THERMISCHE PROCESSEN

10 AFVAL VAN THERMISCHE PROCESSEN
10 01 afval van elektriciteitscentrales en andere verbrandingsinstallaties (exclusief 19)
10 01 01 bodemas, slakken en ketelstof (exclusief het onder 10 01 04 vallende ketelstof)
10 01 02 koolvliegas
10 01 03 vliegas van turf en onbehandeld hout
10 01 04* olievliegas en -ketelstof
10 01 05 calciumhoudend reactieafval van rookgasontzwaveling in vaste vorm
10 01 07 calciumhoudend reactieafval van rookgasontzwaveling in slibvorm
10 01 09* zwavelzuur
10 01 13* vliegas van als brandstof gebruikte geėmulgeerde koolwaterstoffen
10 01 14* bij bijstoken vrijkomende bodemas, slakken en ketelstof die gevaarlijke stoffen bevatten
10 01 15 niet onder 10 01 14 vallende bij bijstoken vrijkomende bodemas, slakken en ketelstof
10 01 16* bij bijstoken vrijkomende vliegas die gevaarlijke stoffen bevat
10 01 17 niet onder 10 01 16 vallende bij bijstoken vrijkomende vliegas
10 01 18* afval van gasreiniging dat gevaarlijke stoffen bevat
10 01 19 niet onder 10 01 05, 10 01 07 en 10 01 18 vallend afval van gasreiniging
10 01 20* slib van afvalwaterbehandeling ter plaatse dat gevaarlijke stoffen bevat
10 01 21 niet onder 10 01 20 vallend slib van afvalwaterbehandeling ter plaatse
10 01 22* waterig slib van ketelreiniging dat gevaarlijke stoffen bevat
10 01 23 niet onder 10 01 22 vallend waterig slib van ketelreiniging
10 01 24 wervelbedzand
10 01 25 afval van de opslag en toebereiding van brandstof voor kolengestookte elektriciteitscentrales
10 01 26 afval van koelwaterzuivering
10 01 99 niet elders genoemd niet-gevaarlijk afval
10 02 afval van de ijzer- en staalindustrie
10 02 01 afval van de verwerking van slakken
10 02 02 onverwerkte slakken
10 02 07* vast afval van gaszuivering dat gevaarlijke stoffen bevat
10 02 08 niet onder 10 02 07 vallend vast afval van gaszuivering
10 02 10 walshuid
10 02 11* oliehoudend afval van koelwaterzuivering
10 02 12 niet onder 10 02 11 vallend afval van koelwaterzuivering
10 02 13* bij gaszuivering verkregen slib en filterkoek die gevaarlijke stoffen bevatten
10 02 14 niet onder 10 02 13 vallende bij gaszuivering verkregen slib en filterkoek
10 02 15 overig(e) slib en filterkoek
10 02 99 niet elders genoemd niet-gevaarlijk afval
10 03 afval van thermische processen in de aluminiummetallurgie
10 03 02 anodeafval
10 03 04* slakken van primaire productie
10 03 05 aluminiumoxideafval
10 03 08* zoutslakken van secundaire productie
10 03 09* black drosses van secundaire productie
10 03 15* skimmings die brandbaar zijn of waaruit bij contact met water gevaarlijke hoeveelheden brandbare gassen vrijkomen
10 03 16 niet onder 10 03 15 vallende skimmings
10 03 17* teerhoudend afval van de anodefabricage
10 03 18 niet onder 10 03 17 vallend koolstofhoudend afval van de anodefabricage
10 03 19* rookgasstof dat gevaarlijke stoffen bevat
10 03 20 niet onder 10 03 19 vallend rookgasstof
10 03 21* overige deeltjes en stof (inclusief kogelmolenstof) die gevaarlijke stoffen bevatten
10 03 22 overige, niet onder 10 03 21 vallende deeltjes en stof (inclusief kogelmolenstof)
10 03 23* vast afval van gasreiniging dat gevaarlijke stoffen bevat
10 03 24 niet onder 10 03 23 vallend vast afval van gasreiniging
10 03 25* bij met gasreiniging vrijkomende slib en filterkoek die gevaarlijke stoffen bevatten
10 03 26 niet onder 10 03 25 vallende bij gasreiniging vrijkomende slib en filterkoek
10 03 27* oliehoudend afval van koelwaterzuivering
10 03 28 niet onder 10 03 27 vallend afval van koelwaterzuivering
10 03 29* afval van de behandeling van zoutslakken en black drosses dat gevaarlijke stoffen bevat
10 03 30 niet onder 10 03 29 vallend afval van de behandeling van zoutslakken en black drosses
10 03 99 niet elders genoemd niet-gevaarlijk afval
10 04 afval van thermische processen in de loodmetallurgie
10 04 01* slakken van primaire en secundaire productie
10 04 02* dross en skimmings van primaire en secundaire productie
10 04 03* calciumarsenaat
10 04 04* rookgasstof
10 04 05* overige deeltjes en stof
10 04 06* vast afval van gasreiniging
10 04 07* slib en filterkoek van gasreiniging
10 04 09* oliehoudend afval van koelwaterzuivering
10 04 10 niet onder 10 04 09 vallend afval van koelwaterzuivering
10 04 99 niet elders genoemd niet-gevaarlijk afval
10 05 afval van thermische processen in de zinkmetallurgie
10 05 01 slakken van primaire en secundaire productie
10 05 03* rookgasstof
10 05 04 overige deeltjes en stof
10 05 05* vast afval van gasreiniging
10 05 06* slib en filterkoek van gasreiniging
10 05 08* oliehoudend afval van koelwaterzuivering
10 05 09 niet onder 10 05 08 vallend afval van koelwaterzuivering
10 05 10* dross en skimmings die brandbaar zijn of waaruit bij contact met water gevaarlijke hoeveelheden brandbare gassen vrijkomen
10 05 11 niet onder 10 05 10 vallende dross en skimmings
10 05 99 niet elders genoemd niet-gevaarlijk afval
10 06 afval van thermische processen in de kopermetallurgie
10 06 01 slakken van primaire en secundaire productie
10 06 02 dross en skimmings van primaire en secundaire productie
10 06 03* rookgasstof
10 06 04 overige deeltjes en stof
10 06 06* vast afval van gasreiniging
10 06 07* slib en filterkoek van gasreiniging
10 06 09* oliehoudend afval van koelwaterzuivering
10 06 10 niet onder 10 06 09 vallend afval van koelwaterzuivering
10 06 99 niet elders genoemd niet-gevaarlijk afval
10 07 afval van thermische processen in de zilver-, goud- en platinametallurgie
10 07 01 slakken van primaire en secundaire productie
10 07 02 dross en skimmings van primaire en secundaire productie
10 07 03 vast afval van gasreiniging
10 07 04 overige deeltjes en stof
10 07 05 slib en filterkoek van gasreiniging
10 07 07* oliehoudend afval van koelwaterzuivering
10 07 08 niet onder 10 07 07 vallend afval van koelwaterzuivering
10 07 99 niet elders genoemd niet-gevaarlijk afval
10 08 afval van thermische processen in de overige non-ferrometallurgie
10 08 04 deeltjes en stof
10 08 08* zoutslakken van primaire en secundaire productie
10 08 09 overige slakken
10 08 10* dross en skimmings die brandbaar zijn of waaruit bij contact met water gevaarlijke hoeveelheden brandbare gassen vrijkomen
10 08 11 niet onder 10 08 10 vallende dross en skimmings
10 08 12* teerhoudend afval van de anodefabricage
10 08 13 niet onder 10 08 12 vallend koolstofhoudend afval van de anodefabricage
10 08 14 anodeafval
10 08 15* rookgasstof dat gevaarlijke stoffen bevat
10 08 16 niet onder 10 08 15 vallend rookgasstof
10 08 17* slib en filterkoek van rookgasreiniging die gevaarlijke stoffen bevatten
10 08 18 niet onder 10 08 17 vallende slib en filterkoek van rookgasreiniging
10 08 19* oliehoudend afval van koelwaterzuivering
10 08 20 niet onder 10 08 19 vallend afval van koelwaterzuivering
10 08 99 niet elders genoemd niet-gevaarlijk afval
10 09 afval van ijzergieten
10 09 03 ovenslak
10 09 05* gietkernen en -vormen die gevaarlijke stoffen bevatten en niet voor gieten zijn gebruikt
10 09 06 niet onder 10 09 05 vallende gietkernen en -vormen die niet voor gieten zijn gebruikt
10 09 07* gietkernen en -vormen die gevaarlijke stoffen bevatten en voor gieten zijn gebruikt
10 09 08 niet onder 10 09 07 vallende gietkernen en -vormen die voor gieten zijn gebruikt
10 09 09* rookgasstof dat gevaarlijke stoffen bevat
10 09 10 niet onder 10 09 09 vallend rookgasstof
10 09 11* andere deeltjes die gevaarlijke stoffen bevatten
10 09 12 niet onder 10 09 11 vallende deeltjes
10 09 13* bindmiddelafval dat gevaarlijke stoffen bevat
10 09 14 niet onder 10 09 13 vallend bindmiddelafval
10 09 15* afval van scheurindicatorstoffen dat gevaarlijke stoffen bevat
10 09 16 niet onder 10 09 15 vallend afval van scheurindicatorstoffen
10 09 99 niet elders genoemd niet-gevaarlijk afval
10 10 afval van het gieten van non-ferrometalen
10 10 03 ovenslak
10 10 05* gietkernen en -vormen die gevaarlijke stoffen bevatten en niet voor gieten zijn gebruikt
10 10 06 niet onder 10 10 05 vallende gietkernen en -vormen die niet voor gieten zijn gebruikt
10 10 07* gietkernen en -vormen die gevaarlijke stoffen bevatten en voor gieten zijn gebruikt
10 10 08 niet onder 10 10 07 vallende gietkernen en -vormen die voor gieten zijn gebruikt
10 10 09* rookgasstof dat gevaarlijke stoffen bevat
10 10 10 niet onder 10 10 09 vallend rookgasstof
10 10 11* andere deeltjes die gevaarlijke stoffen bevatten
10 10 12 niet onder 10 10 11 vallende deeltjes
10 10 13* bindmiddelafval dat gevaarlijke stoffen bevat
10 10 14 niet onder 10 10 13 vallend bindmiddelafval
10 10 15* afval van scheurindicatorstoffen dat gevaarlijke stoffen bevat
10 10 16 niet onder 10 10 15 vallend afval van scheurindicatorstoffen
10 10 99 niet elders genoemd niet-gevaarlijk afval
10 11 afval van de fabricage van glas en glasproducten
10 11 03 afval van glasvezelmateriaal
10 11 05 deeltjes en stof
10 11 09* afval van het mengsel vóór thermische behandeling dat gevaarlijke stoffen bevat
10 11 10 niet onder 10 11 09 vallend afval van het mengsel vóór thermische behandeling
10 11 11* glasafval in de vorm van kleine glasdeeltjes en glaspoeder die zware metalen bevatten (bv. van kathodestraalbuizen)
10 11 12 niet onder 10 11 11 vallend glasafval
10 11 13* slib van het polijsten en slijpen van glas dat gevaarlijke stoffen bevat
10 11 14 niet onder 10 11 13 vallend slib van het polijsten en slijpen van glas
10 11 15* vast afval van rookgasreiniging dat gevaarlijke stoffen bevat
10 11 16 niet onder 10 11 15 vallend vast afval van rookgasreiniging
10 11 17* slib en filterkoek van rookgasreiniging die gevaarlijke stoffen bevatten
10 11 18 niet onder 10 11 17 vallende slib en filterkoek van rookgasreiniging
10 11 19* vast afval van afvalwaterbehandeling ter plaatse dat gevaarlijke stoffen bevat
10 11 20 niet onder 10 11 19 vallend vast afval van afvalwaterbehandeling ter plaatse
10 11 99 niet elders genoemd niet-gevaarlijk afval
10 12 afval van de fabricage van keramische producten, stenen, tegels en bouwmaterialen
10 12 01 afval van het mengsel vóór thermische behandeling
10 12 03 deeltjes en stof
10 12 05 slib en filterkoek van gasreiniging
10 12 06 afgedankte vormen
10 12 08 afval van keramische producten, stenen, tegels en bouwmaterialen (na thermische behandeling)
10 12 09* vast afval van gasreiniging dat gevaarlijke stoffen bevat
10 12 10 niet onder 10 12 09 vallend vast afval van gasreiniging
10 12 11* glazuurafval dat zware metalen bevat
10 12 12 niet onder 10 12 11 vallend glazuurafval
10 12 13 slib van afvalwaterbehandeling ter plaatse
10 12 99 niet elders genoemd niet-gevaarlijk afval
10 13 afval van de fabricage van cement, (ongebluste) kalk en pleistermortel en producten die hiervan zijn gemaakt
10 13 01 afval van het mengsel voor thermische verwerking
10 13 04 afval van het branden en blussen van kalk
10 13 06 deeltjes en stof (exclusief 10 13 12 en 10 13 13)
10 13 07 slib en filterkoek van gasreiniging
10 13 09* afval van de fabricage van asbestcement dat asbest bevat
10 13 10 niet onder 10 13 09 vallend afval van de fabricage van asbestcement
10 13 11 niet onder 10 13 09 en 10 13 10 vallend afval van cementhoudende composietmaterialen
10 13 12* vast afval van gasreiniging dat gevaarlijke stoffen bevat
10 13 13 niet onder 10 13 12 vallend vast afval van gasreiniging
10 13 14 betonafval en betonslib
10 13 99 niet elders genoemd niet-gevaarlijk afval
10 14 afval van crematoria
10 14 01* afval van gasreiniging dat kwik bevat
   
11 AFVAL VAN DE CHEMISCHE OPPERVLAKTEBEHANDELING EN COATING VAN METALEN EN ANDERE MATERIALEN; NON-FERROHYDROMETALLURGIE

11 AFVAL VAN DE CHEMISCHE OPPERVLAKTEBEHANDELING EN COATING VAN METALEN EN ANDERE MATERIALEN; NON-FERROHYDROMETALLURGIE
11 01 afval van de chemische oppervlaktebehandeling en coating van metalen en andere materialen (bijvoorbeeld galvanische processen, verzinken, beitsen, etsen, fosfaatbehandeling, alkalisch ontvetten, anodisatie)
11 01 05* beitszuren
11 01 06* niet elders genoemde zuren
11 01 07* basen gebruikt voor beitsen
11 01 08* slib van fosfaatbehandeling
11 01 09* slib en filterkoek die gevaarlijke stoffen bevatten
11 01 10 niet onder 11 01 09 vallende slib en filterkoek
11 01 11* waterige spoelvloeistoffen die gevaarlijke stoffen bevatten
11 01 12 niet onder 11 01 11 vallende waterige spoelvloeistoffen
11 01 13* afval van ontvetting dat gevaarlijke stoffen bevat
11 01 14 niet onder 11 01 13 vallend afval van ontvetting
11 01 15* eluaat en slib van membraansystemen of ionenwisselaars die gevaarlijke stoffen bevatten
11 01 16* verzadigde of afgewerkte ionenwisselaarharsen
11 01 98* overig afval dat gevaarlijke afvalstoffen bevat
11 01 99 niet elders genoemd niet-gevaarlijk afval
11 02 afval van non-ferrohydrometallurgische processen
11 02 02* slib van de zinkhydrometallurgie (inclusief jarosiet en goethiet)
11 02 03 afval van de productie van anoden voor waterige elektrolyseprocessen
11 02 05* afval van koperhydrometallurgische processen dat gevaarlijke stoffen bevat
11 02 06 niet onder 11 02 05 vallend afval van koperhydrometallurgische processen
11 02 07* overig afval dat gevaarlijke stoffen bevat
11 02 99 niet elders genoemd niet-gevaarlijk afval
11 03 slib en vaste stoffen van temperingsprocessen
11 03 01* cyanidehoudend afval
11 03 02* overig afval
11 05 afval van thermische galvanisatieprocessen
11 05 01 hardzink
11 05 02 zinkas
11 05 03* vast afval van gasreiniging
11 05 04* fluxbad afval
11 05 99 niet elders genoemd niet-gevaarlijk afval
   
12 AFVAL VAN DE MACHINALE BEWERKING EN DE FYSISCHE EN MECHANISCHE OPPERVLAKTEBEHANDELING VAN METALEN EN KUNSTSTOFFEN

12 AFVAL VAN DE MACHINALE BEWERKING EN DE FYSISCHE EN MECHANISCHE OPPERVLAKTEBEHANDELING VAN METALEN EN KUNSTSTOFFEN
12 01 afval van de machinale bewerking en de fysische en mechanische oppervlaktebehandeling van metalen en kunststoffen
12 01 01 ferrometaalvijlsel en -krullen
12 01 02 ferrometaalstof en -deeltjes
12 01 03 non-ferrometaalvijlsel en -krullen
12 01 04 non-ferrometaalstof en -deeltjes
12 01 05 kunststofschaafsel en -krullen
12 01 06* halogeenhoudende minerale machineolie (exclusief emulsies en oplossingen)
12 01 07* halogeenvrije minerale machineolie (exclusief emulsies en oplossingen)
12 01 08* halogeenhoudende emulsies en oplossingen voor machinale bewerking
12 01 09* halogeenvrije emulsies en oplossingen voor machinale bewerking
12 01 10* synthetische machineolie
12 01 12* afgewerkte wassen en vetten
12 01 13 lasafval
12 01 14* slib van machinale bewerking dat gevaarlijke stoffen bevat
12 01 15 niet onder 12 01 14 vallend slib van machinale bewerking
12 01 16* afval van gritstralen dat gevaarlijke stoffen bevat
12 01 17 niet onder 12 01 16 vallend afval van gritstralen
12 01 18* oliehoudend metaalslib (slib van slijpen, wetten en leppen)
12 01 19* biologisch gemakkelijk afbreekbare machineolie
12 01 20* afgewerkt slijpgereedschap en slijpmateriaal die gevaarlijke stoffen bevatten
12 01 21 niet onder 12 01 20 vallend afgewerkt slijpgereedschap en slijpmateriaal
12 01 99 niet elders genoemd niet-gevaarlijk afval
12 03 afval van water- en stoomontvetting (exclusief 11)
12 03 01* waterige wasvloeistoffen
12 03 02* afval van stoomontvetting
   
13 OLIEAFVAL EN AFVAL VAN VLOEIBARE BRANDSTOFFEN (exclusief spijsolie en onder de hoofdstukken 05, 12 en 19 vallende oliėn)

13 OLIEAFVAL EN AFVAL VAN VLOEIBARE BRANDSTOFFEN (exclusief spijsolie en onder de hoofdstukken 05, 12 en 19 vallende oliėn)
13 01 afval van hydraulische olie
13 01 01* hydraulische olie die pcb's bevat
13 01 04* gechloreerde emulsies
13 01 05* niet-gechloreerde emulsies
13 01 09* gechloreerde minerale hydraulische olie
13 01 10* niet-gechloreerde minerale hydraulische olie
13 01 11* synthetische hydraulische olie
13 01 12* biologisch gemakkelijk afbreekbare hydraulische olie
13 01 13* overige hydraulische olie
13 02 afval van motor-, transmissie- en smeerolie
13 02 04* gechloreerde minerale motor-, transmissie- en smeerolie
13 02 05* niet-gechloreerde minerale motor-, transmissie- en smeerolie
13 02 06* synthetische motor-, transmissie- en smeerolie
13 02 07* biologisch gemakkelijk afbreekbare motor-, transmissie- en smeerolie
13 02 08* overige motor-, transmissie- en smeerolie
13 03 afval van olie voor isolatie en warmteoverdracht
13 03 01* olie voor isolatie en warmteoverdracht die pcb's bevat
13 03 06* niet onder 13 03 01 vallende gechloreerde minerale olie voor isolatie en warmteoverdracht
13 03 07* niet-gechloreerde minerale olie voor isolatie en warmteoverdracht
13 03 08* synthetische olie voor isolatie en warmteoverdracht
13 03 09* biologisch gemakkelijk afbreekbare olie voor isolatie en warmteoverdracht
13 03 10* overige olie voor isolatie en warmteoverdracht
13 04 bilgeolie
13 04 01* bilgeolie van de binnenvaart
13 04 02* bilgeolie uit de kadeafvoer
13 04 03* bilgeolie van de overige scheepvaart
13 05 inhoud van olie/waterscheiders
13 05 01* vaste stoffen uit zandvangers en olie/waterscheiders
13 05 02* slib uit olie/waterscheiders
13 05 03* opvangerslib
13 05 06* olie uit olie/waterscheiders
13 05 07* met olie verontreinigd water uit olie/waterscheiders
13 05 08* afvalmengsels uit zandvangers en olie/waterscheiders
13 07 afval van vloeibare brandstoffen
13 07 01* stookolie en dieselolie
13 07 02* benzine
13 07 03* overige brandstoffen (inclusief mengsels)
13 08 niet elders genoemd olieafval
13 08 01* ontzoutingsslib en -emulsies
13 08 02* overige emulsies
13 08 99 niet elders genoemd niet-gevaarlijk afval
   
14 AFVAL VAN ORGANISCHE OPLOSMIDDELEN, KOELMIDDELEN EN DRIJFGASSEN (exclusief 07 en 08)

14 AFVAL VAN ORGANISCHE OPLOSMIDDELEN, KOELMIDDELEN EN DRIJFGASSEN (exclusief 07 en 08)
14 06 afval van organische oplosmiddelen, koelmiddelen en drijfgassen voor schuim/aerosolen
14 06 01* chloorfluorkoolwaterstoffen, hcfk's, hfk's
14 06 02* overige gehalogeneerde oplosmiddelen en mengsels van oplosmiddelen
14 06 03* overige oplosmiddelen en mengsels van oplosmiddelen
14 06 04* slib of vast afval dat gehalogeneerde oplosmiddelen bevat
14 06 05* slib of vast afval dat andere oplosmiddelen bevat
   
15 VERPAKKINGSAFVAL; ABSORBENTIA, POETSDOEKEN, FILTERMATERIAAL EN BESCHERMENDE KLEDING (NIET ELDERS GENOEMD)

15 VERPAKKINGSAFVAL; ABSORBENTIA, POETSDOEKEN, FILTERMATERIAAL EN BESCHERMENDE KLEDING (NIET ELDERS GENOEMD)
15 01 verpakking (inclusief gescheiden ingezameld stedelijk verpakkingsafval)
15 01 01 papieren en kartonnen verpakking
15 01 02 kunststofverpakking
15 01 03 houten verpakking
15 01 04 metalen verpakking
15 01 05 composietverpakking
15 01 06 gemengde verpakking
15 01 07 glazen verpakking
15 01 09 textielen verpakking
15 01 10* verpakking die resten van gevaarlijke stoffen bevat of daarmee is verontreinigd
15 01 11* metalen verpakking die een gevaarlijke vaste poreuze matrix (bijvoorbeeld asbest) bevat, inclusief lege drukhouders
15 02 absorbentia, filtermateriaal, poetsdoeken en beschermende kleding
15 02 02* absorbentia, filtermateriaal (inclusief niet elders genoemde oliefilters), poetsdoeken en beschermende kleding die met gevaarlijke stoffen zijn verontreinigd
15 02 03 niet onder 15 02 02 vallende absorbentia, filtermateriaal, poetsdoeken en beschermende kleding
   
16 NIET ELDERS IN DE LIJST GENOEMD AFVAL

16 NIET ELDERS IN DE LIJST GENOEMD AFVAL
16 01 afgedankte voertuigen van verschillende soorten vervoer (met inbegrip van niet voor de weg bestemde machines) en afval van de sloop van afgedankte voertuigen en het onderhoud van voertuigen (exclusief 13, 14, 16 06 en 16 08)
16 01 03 afgedankte banden
16 01 04* afgedankte voertuigen
16 01 06 afgedankte voertuigen die noch vloeistoffen, noch andere gevaarlijke onderdelen bevatten
16 01 07* oliefilters
16 01 08* onderdelen die kwik bevatten
16 01 09* onderdelen die pcb's bevatten
16 01 10* explosieve onderdelen (bv. airbags)
16 01 11* remblokken die asbest bevatten
16 01 12 niet onder 16 01 11 vallende remblokken
16 01 13* remvloeistoffen
16 01 14* antivriesvloeistoffen die gevaarlijke stoffen bevatten
16 01 15 niet onder 16 01 14 vallende antivriesvloeistoffen
16 01 16 tanks voor vloeibaar gas
16 01 17 ferrometalen
16 01 18 non-ferrometalen
16 01 19 kunststoffen
16 01 20 glas
16 01 21* niet onder 16 01 07 tot en met 16 01 11 alsmede 16 01 13 en 16 01 14 vallende gevaarlijke onderdelen
16 01 22 niet elders genoemde onderdelen
16 01 99 niet elders genoemd niet-gevaarlijk afval
16 02 afval van elektrische en elektronische apparatuur
16 02 09* transformatoren en condensatoren die pcb's bevatten
16 02 10* niet onder 16 02 09 vallende afgedankte apparatuur die pcb's bevat of daarmee verontreinigd is
16 02 11* afgedankte apparatuur die chloorfluorkoolwaterstoffen, hcfk's en/of hfk's bevat
16 02 12* afgedankte apparatuur die vrije asbestvezels bevat
16 02 13* niet onder 16 02 09 tot en met 16 02 12 vallende afgedankte apparatuur die gevaarlijke onderdelen bevat
16 02 14 niet onder 16 02 09 tot en met 16 02 13 vallende afgedankte apparatuur
16 02 15* uit afgedankte apparatuur verwijderde gevaarlijke onderdelen
16 02 16 niet onder 16 02 15 vallende uit afgedankte apparatuur verwijderde onderdelen
16 03 afgekeurde charges en ongebruikte producten
16 03 03* anorganisch afval dat gevaarlijke stoffen bevat
16 03 04 niet onder 16 03 03 vallend anorganisch afval
16 03 05* organisch afval dat gevaarlijke stoffen bevat
16 03 06 niet onder 16 03 05 vallend organisch afval
16 03 07* Metallisch kwik
16 04 afval explosieven
16 04 01* afvalmunitie
16 04 02* vuurwerkafval
16 04 03* overig explosief afval
16 05 gassen in drukhouders en afgedankte chemicaliėn
16 05 04* gassen in drukhouders (inclusief halonen) die gevaarlijke stoffen bevatten
16 05 05 niet onder 16 05 04 vallende gassen in drukhouders
16 05 06* labchemicaliėn die uit gevaarlijke stoffen bestaan of deze bevatten, inclusief mengsels van labchemicaliėn
16 05 07* afgedankte anorganische chemicaliėn die uit gevaarlijke stoffen bestaan of deze bevatten
16 05 08* afgedankte organische chemicaliėn die uit gevaarlijke stoffen bestaan of deze bevatten
16 05 09 niet onder 16 05 06, 16 05 07 of 16 05 08 vallende afgedankte chemicaliėn
16 06 batterijen en accu's
16 06 01* loodaccu's
16 06 02* NiCd-batterijen
16 06 03* kwikhoudende batterijen
16 06 04 alkalibatterijen (exclusief 16 06 03)
16 06 05 overige batterijen en accu's
16 06 06* gescheiden ingezamelde elektrolyt uit batterijen en accu's
16 07 afval van de reiniging van transport- en opslagtanks en vaten (exclusief 05 en 13)
16 07 08* afval dat olie bevat
16 07 09* afval dat andere gevaarlijke stoffen bevat
16 07 99 niet elders genoemd niet-gevaarlijk afval
16 08 afgewerkte katalysatoren
16 08 01 afgewerkte katalysatoren die goud, zilver, rhenium, rhodium, palladium, iridium of platina bevatten (exclusief 16 08 07)
16 08 02* afgewerkte katalysatoren die gevaarlijke overgangsmetalen of gevaarlijke verbindingen van overgangsmetalen bevatten
16 08 03 niet elders genoemde afgewerkte katalysatoren die overgangsmetalen of verbindingen van overgangsmetalen bevatten
16 08 04 afgewerkte katalysatoren voor wervelbedkrakers (exclusief 16 08 07)
16 08 05* afgewerkte katalysatoren die fosforzuur bevatten
16 08 06* afgewerkte vloeistoffen die als katalysator zijn gebruikt
16 08 07* afgewerkte katalysatoren die met gevaarlijke stoffen zijn verontreinigd
16 09 oxiderende stoffen
16 09 01* permanganaten, bv. kaliumpermanganaat
16 09 02* chromaten, bv. kaliumchromaat, kalium- of natriumdichromaat
16 09 03* peroxiden, bv. waterstofperoxide
16 09 04* niet elders genoemde oxiderende stoffen
16 10 waterig vloeibaar afval dat bestemd is om elders te worden verwerkt
16 10 01* waterig vloeibaar afval dat gevaarlijke stoffen bevat
16 10 02 niet onder 16 10 01 vallend waterig vloeibaar afval
16 10 03* waterige concentraten die gevaarlijke stoffen bevatten
16 10 04 niet onder 16 10 03 vallende waterige concentraten
16 11 ovenpuin
16 11 01* koolstofhoudend ovenpuin van metallurgische processen dat gevaarlijke stoffen bevat
16 11 02 niet onder 16 11 01 vallend koolstofhoudend ovenpuin van metallurgische processen
16 11 03* overig ovenpuin van metallurgische processen dat gevaarlijke stoffen bevat
16 11 04 overig, niet onder 16 11 03 vallend ovenpuin van metallurgische processen
16 11 05* ovenpuin van niet-metallurgische processen dat gevaarlijke stoffen bevat
16 11 06 niet onder 16 11 05 vallend ovenpuin van niet-metallurgische processen
   
17 BOUW- EN SLOOPAFVAL (INCLUSIEF AFGEGRAVEN GROND VAN VERONTREINIGDE LOCATIES)

17 BOUW- EN SLOOPAFVAL (INCLUSIEF AFGEGRAVEN GROND VAN VERONTREINIGDE LOCATIES)
17 01 beton, stenen, tegels en keramische producten
17 01 01 beton
17 01 02 stenen
17 01 03 tegels en keramische producten
17 01 06* mengsels van beton, stenen, tegels of keramische producten, of afzonderlijke fracties daarvan, die gevaarlijke stoffen bevatten
17 01 07 niet onder 17 01 06 vallende mengsels van beton, stenen, tegels of keramische producten
17 02 hout, glas en kunststof
17 02 01 hout
17 02 02 glas
17 02 03 kunststof
17 02 04* glas, kunststof en hout die gevaarlijke stoffen bevatten of daarmee verontreinigd zijn
17 03 bitumineuze mengsels, koolteer en met teer behandelde producten
17 03 01* bitumineuze mengsels die koolteer bevatten
17 03 02 niet onder 17 03 01 vallende bitumineuze mengsels
17 03 03* koolteer en met teer behandelde producten
17 04 metaal (inclusief legeringen)
17 04 01 koper, brons en messing
17 04 02 aluminium
17 04 03 lood
17 04 04 zink
17 04 05 ijzer en staal
17 04 06 tin
17 04 07 gemengde metalen
17 04 09* metaalafval dat met gevaarlijke stoffen is verontreinigd
17 04 10* kabels die olie, koolteer of andere gevaarlijke stoffen bevatten
17 04 11 niet onder 17 04 10 vallende kabels
17 05 grond (inclusief uitgegraven bodem van verontreinigde locaties), stenen en baggerspecie
17 05 03* grond en stenen die gevaarlijke stoffen bevatten
17 05 04 niet onder 17 05 03 vallende grond en stenen
17 05 05* bagger- en ruimingsspecie die gevaarlijke stoffen bevat
17 05 06 niet onder 17 05 05 vallende bagger- en ruimingsspecie
17 05 07* spoorwegballast die gevaarlijke stoffen bevat
17 05 08 niet onder 17 05 07 vallende spoorwegballast
17 06 isolatiemateriaal en asbesthoudend bouwmateriaal
17 06 01* asbesthoudend isolatiemateriaal
17 06 03* overig isolatiemateriaal dat uit gevaarlijke stoffen bestaat of dergelijke stoffen bevat
17 06 04 niet onder 17 06 01 en 17 06 03 vallend isolatiemateriaal
17 06 05* asbesthoudende bouwmaterialen
17 08 gipshoudend bouwmateriaal
17 08 01* gipshoudend bouwmateriaal dat met gevaarlijke stoffen is verontreinigd
17 08 02 niet onder 17 08 01 vallend gipshoudend bouwmateriaal
17 09 overig bouw- en sloopafval
17 09 01* bouw- en sloopafval dat kwik bevat
17 09 02* bouw- en sloopafval dat pcb's bevat (bv. pcb-houdende kit, vloerbedekkingen waarin pcb-houdende hars is verwerkt, isolerende beglazing met pcb-houdende afdichting, pcb-houdende condensatoren)
17 09 03* overig bouw- en sloopafval (inclusief gemengd afval) dat gevaarlijke stoffen bevat
17 09 04 niet onder 17 09 01, 17 09 02 en 17 09 03 vallend gemengd bouw- en sloopafval
   
18 AFVAL VAN DE GEZONDHEIDSZORG BIJ MENS OF DIER EN/OF VERWANT ONDERZOEK (exclusief keuken- en restaurantafval dat niet rechtstreeks van de gezondheidszorg afkomstig is)

18 AFVAL VAN DE GEZONDHEIDSZORG BIJ MENS OF DIER EN/OF VERWANT ONDERZOEK (exclusief keuken- en restaurantafval dat niet rechtstreeks van de gezondheidszorg afkomstig is)
18 01 afval van verloskundige zorg en de diagnose, behandeling of preventie van ziektes bij de mens
18 01 01 scherpe voorwerpen (exclusief 18 01 03)
18 01 02 lichaamsdelen en organen, inclusief bloedzakjes en geconserveerd (exclusief 18 01 03)
18 01 03* afval waarvan de inzameling en verwijdering zijn onderworpen aan speciale richtlijnen teneinde infectie te voorkomen
18 01 04 afval waarvan de inzameling en verwijdering niet zijn onderworpen aan speciale richtlijnen teneinde infectie te voorkomen (bv. verband, gipsverband, linnengoed, wegwerpkleding, luiers)
18 01 06* chemicaliėn die uit gevaarlijke stoffen bestaan of deze bevatten
18 01 07 niet onder 18 01 06 vallende chemicaliėn
18 01 08* cytotoxische en cytostatische geneesmiddelen
18 01 09 niet onder 18 01 08 vallende geneesmiddelen
18 01 10* amalgaamafval uit de tandheelkunde
18 02 afval van onderzoek en de diagnose, behandeling of preventie van ziektes bij dieren
18 02 01 scherpe voorwerpen (exclusief 18 02 02)
18 02 02* afval waarvan de inzameling en verwijdering zijn onderworpen aan speciale richtlijnen teneinde infectie te voorkomen
18 02 03 afval waarvan de inzameling en verwijdering niet zijn onderworpen aan speciale richtlijnen teneinde infectie te voorkomen
18 02 05* chemicaliėn die uit gevaarlijke stoffen bestaan of deze bevatten
18 02 06 niet onder 18 02 05 vallende chemicaliėn
18 02 07* cytotoxische en cytostatische geneesmiddelen
18 02 08 niet onder 18 02 07 vallende geneesmiddelen
   
19 AFVAL VAN INSTALLATIES VOOR AFVALBEHEER, OFF-SITE WATERZUIVERINGSINSTALLATIES EN DE BEREIDING VAN VOOR MENSELIJKE CONSUMPTIE BESTEMD WATER EN WATER VOOR INDUSTRIEEL GEBRUIK

19 AFVAL VAN INSTALLATIES VOOR AFVALBEHEER, OFF-SITE WATERZUIVERINGSINSTALLATIES EN DE BEREIDING VAN VOOR MENSELIJKE CONSUMPTIE BESTEMD WATER EN WATER VOOR INDUSTRIEEL GEBRUIK
19 01 afval van de verbranding of pyrolyse van afval
19 01 02 uit bodemas verwijderde ferromaterialen
19 01 05* filterkoek van gasreiniging
19 01 06* waterig vloeibaar afval van gasreiniging en ander waterig vloeibaar afval
19 01 07* vast afval van gasreiniging
19 01 10* afgewerkte actieve kool van rookgasreiniging
19 01 11* bodemas en slakken die gevaarlijke stoffen bevatten
19 01 12 niet onder 19 01 11 vallende bodemas en slakken
19 01 13* vliegas die gevaarlijke stoffen bevat
19 01 14 niet onder 19 01 13 vallende vliegas
19 01 15* ketelas die gevaarlijke stoffen bevat
19 01 16 niet onder 19 01 15 vallende ketelas
19 01 17* afval van pyrolyse dat gevaarlijke stoffen bevat
19 01 18 niet onder 19 01 17 vallend afval van pyrolyse
19 01 19 wervelbedzand
19 01 99 niet elders genoemd niet-gevaarlijk afval
19 02 afval van de fysisch-chemische behandeling van afval (inclusief verwijdering van chroom of cyanide of neutralisatie)
19 02 03 voorgemengd afval dat uitsluitend bestaat uit ongevaarlijke afvalstoffen
19 02 04* voorgemengd afval dat ten minste één gevaarlijke afvalstof bevat
19 02 05* slib van fysisch-chemische behandeling dat gevaarlijke stoffen bevat
19 02 06 niet onder 19 02 05 vallend slib van fysisch-chemische behandeling
19 02 07* door afscheiding verkregen oliėn en concentraten
19 02 08* vloeibaar brandbaar afval dat gevaarlijke stoffen bevat
19 02 09* vast brandbaar afval dat gevaarlijke stoffen bevat
19 02 10 niet onder 19 02 08 en 19 02 09 vallend brandbaar afval
19 02 11* overig afval dat gevaarlijke stoffen bevat
19 02 99 niet elders genoemd niet-gevaarlijk afval
19 03 gestabiliseerd/verhard afval
19 03 04* als gevaarlijk ingedeeld afval dat gedeeltelijk gestabiliseerd is
19 03 05 niet onder 19 03 04 vallend gestabiliseerd afval
19 03 06* als gevaarlijk ingedeeld afval dat verhard is
19 03 07 niet onder 19 03 06 vallend verhard afval
19 03 08* gedeeltelijk gestabiliseerd kwik
19 04 verglaasd afval en afval van verglazen
19 04 01 verglaasd afval
19 04 02* vliegas en ander rookgasreinigingsafval
19 04 03* niet-verglaasde vaste fase
19 04 04 waterig vloeibaar afval van het ontlaten van verglaasd afval
19 05 afval van de aėrobe behandeling van vast afval
19 05 01 niet-gecomposteerde fractie van huishoudelijk en soortgelijk afval
19 05 02 niet-gecomposteerde fractie van dierlijk en plantaardig afval
19 05 03 afgekeurde compost
19 05 99 niet elders genoemd niet-gevaarlijk afval
19 06 afval van de anaerobe behandeling van afval
19 06 03 vloeistof verkregen bij de anaerobe behandeling van stedelijk afval
19 06 04 digestaat van de anaerobe behandeling van stedelijk afval
19 06 05 vloeistof verkregen bij de anaerobe behandeling van dierlijk en plantaardig afval
19 06 06 digestaat van de anaerobe behandeling van dierlijk en plantaardig afval
19 06 99 niet elders genoemd niet-gevaarlijk afval
19 07 percolatiewater van stortplaatsen
19 07 02* percolatiewater van stortplaatsen dat gevaarlijke stoffen bevat
19 07 03 niet onder 19 07 02 vallend percolatiewater van stortplaatsen
19 08 niet elders genoemd afval van afvalwaterzuivering
19 08 01 roostergoed
19 08 02 afval van zandvang
19 08 05 slib van de behandeling van stedelijk afvalwater
19 08 06* verzadigde of afgewerkte ionenwisselaarharsen
19 08 07* oplossingen en slib van de regeneratie van ionenwisselaars
19 08 08* afval van membraansystemen dat zware metalen bevat
19 08 09 vet- en oliemengsels uit olie/waterscheiders die uitsluitend spijsolie en -vetten bevatten
19 08 10* niet onder 19 08 09 vallende vet- en oliemengsels uit olie/waterscheiders
19 08 11* slib van de biologische zuivering van industrieel afvalwater dat gevaarlijke stoffen bevat
19 08 12 niet onder 19 08 11 vallend slib van de biologische zuivering van industrieel afvalwater
19 08 13* slib van andere behandelingen van industrieel afvalwater dat gevaarlijke stoffen bevat
19 08 14 niet onder 19 08 13 vallend slib van andere behandelingen van industrieel afvalwater
19 08 99 niet elders genoemd niet-gevaarlijk afval
19 09 afval van de bereiding van voor menselijke consumptie bestemd water en water voor industrieel gebruik
19 09 01 vast afval van primaire filtratie en roostergoed
19 09 02 waterzuiveringsslib
19 09 03 onthardingsslib
19 09 04 afgewerkte actieve kool
19 09 05 verzadigde of afgewerkte ionenwisselaarharsen
19 09 06 oplossingen en slib van de regeneratie van ionenwisselaars
19 09 99 niet elders genoemd niet-gevaarlijk afval
19 10 afval van de shredding van metaalhoudend afval
19 10 01 ijzer- en staalafval
19 10 02 non-ferroafval
19 10 03* lichte fractie die en stof dat gevaarlijke stoffen bevat
19 10 04 niet onder 19 10 03 vallende lichte fracties en stof
19 10 05* andere fracties die gevaarlijk stoffen bevatten
19 10 06 andere, niet onder 19 10 05 vallende fracties
19 11 afval van de regeneratie van olie
19 11 01* afgewerkte bleekaarde
19 11 02* zuurteer
19 11 03* waterig vloeibaar afval
19 11 04* afval van brandstofzuivering met behulp van basen
19 11 05* slib van afvalwaterbehandeling ter plaatse dat gevaarlijke stoffen bevat
19 11 06 niet onder 19 11 05 vallend slib van afvalwaterbehandeling ter plaatse
19 11 07* afval van rookgasreiniging
19 11 99 niet elders genoemd niet-gevaarlijk afval
19 12 afval van niet elders genoemde mechanische afvalverwerking (bv. sorteren, breken, verdichten, palletiseren)
19 12 01 papier en karton
19 12 02 ferrometalen
19 12 03 non-ferrometalen
19 12 04 kunststoffen en rubber
19 12 05 glas
19 12 06* hout dat gevaarlijke stoffen bevat
19 12 07 niet onder 19 12 06 vallend hout
19 12 08 textiel
19 12 09 minerale stoffen (bv. zand, steen)
19 12 10 brandbaar afval (RDF)
19 12 11* overig afval (inclusief mengsels van materialen) van mechanische afvalverwerking dat gevaarlijke stoffen bevat
19 12 12 overig, niet onder 19 12 11 vallend afval (inclusief mengsels van materialen) van mechanische afvalverwerking
19 13 afval van bodem- en grondwatersanering
19 13 01* vast afval van bodemsanering dat gevaarlijke stoffen bevat
19 13 02 niet onder 19 13 01 vallend vast afval van bodemsanering
19 13 03* slib van bodemsanering dat gevaarlijke stoffen bevat
19 13 04 niet onder 19 13 03 vallend slib van bodemsanering
19 13 05* slib van grondwatersanering dat gevaarlijke stoffen bevat
19 13 06 niet onder 19 13 05 vallend slib van grondwatersanering
19 13 07* waterig vloeibaar afval en waterige concentraten van grondwatersanering die gevaarlijke stoffen bevatten
19 13 08 niet onder 19 13 07 vallend waterig vloeibaar afval en waterige concentraten van grondwatersanering
   
20 STEDELIJK AFVAL (HUISHOUDELIJK AFVAL EN SOORTGELIJK BEDRIJFSAFVAL, INDUSTRIEEL AFVAL EN AFVAL VAN INSTELLINGEN) INCLUSIEF GESCHEIDEN INGEZAMELDE FRACTIES

20 STEDELIJK AFVAL (HUISHOUDELIJK AFVAL EN SOORTGELIJK BEDRIJFSAFVAL, INDUSTRIEEL AFVAL EN AFVAL VAN INSTELLINGEN) INCLUSIEF GESCHEIDEN INGEZAMELDE FRACTIES
20 01 gescheiden ingezamelde fracties (exclusief 15 01)
20 01 01 papier en karton
20 01 02 glas
20 01 08 biologisch afbreekbaar keuken- en kantineafval
20 01 10 kleding
20 01 11 textiel
20 01 13* oplosmiddelen
20 01 14* zuren
20 01 15* basisch afval
20 01 17* fotochemicaliėn
20 01 19* pesticiden
20 01 21* tl-buizen en ander kwikhoudend afval
20 01 23* afgedankte apparatuur die chloorfluorkoolwaterstoffen bevat
20 01 25 spijsolie en -vetten
20 01 26* niet onder 20 01 25 vallende oliėn en vetten
20 01 27* verf, inkt, lijm en hars die gevaarlijke stoffen bevatten
20 01 28 niet onder 20 01 27 vallende verf, inkt, lijm en hars
20 01 29* detergenten die gevaarlijke stoffen bevatten
20 01 30 niet onder 20 01 29 vallende detergenten
20 01 31* cytotoxische en cytostatische geneesmiddelen
20 01 32 niet onder 20 01 31 vallende geneesmiddelen
20 01 33* onder 16 06 01, 16 06 02 of 16 06 03 vermelde batterijen en accu's alsmede ongesorteerde mengsels van batterijen en accu's die dergelijke batterijen en accu's bevatten
20 01 34 niet onder 20 01 33 vallende batterijen en accu's
20 01 35* niet onder 20 01 21 en 20 01 23 vallende afgedankte elektrische en elektronische apparatuur die gevaarlijke onderdelen bevat
20 01 36 niet onder 20 01 21, 20 01 23 en 20 01 35 vallende afgedankte elektrische en elektronische apparatuur
20 01 37* hout dat gevaarlijke stoffen bevat
20 01 38 niet onder 20 01 37 vallend hout
20 01 39 kunststoffen
20 01 40 metalen
20 01 41 afval van het vegen van schoorstenen
20 01 99 niet elders genoemde niet-gevaarlijke fracties
20 02 tuin- en plantsoenafval (inclusief afval van begraafplaatsen)
20 02 01 biologisch afbreekbaar afval
20 02 02 grond en stenen
20 02 03 overig niet biologisch afbreekbaar afval
20 03 overig stedelijk afval
20 03 01 gemengd stedelijk afval
20 03 02 marktafval
20 03 03 veegvuil
20 03 04 slib van septic tanks
20 03 06 afval van het reinigen van riolen
20 03 07 grofvuil
20 03 99 niet elders genoemd niet-gevaarlijk stedelijk afval

Bijlage 2.2. LIJST VAN MATERIALEN DIE OVEREENKOMSTIG HOOFDSTUK 2 IN AANMERKING KOMEN VOOR GEBRUIK ALS GRONDSTOFFEN

Afdeling 1

 

Grondstoffen voor gebruik als meststof of bodemverbeterend middel

 

BEOOGDE

GRONDSTOF

HERKOMST EN OMSCHRIJVING

VOORWAARDEN

INZAKE

SAMENSTELLING

Schuimaarde van suikerfabrieken

suikerproductie

verkregen bij de suikerraffinage en dat hoofdzakelijk bestaat uit calciumcarbonaat, organische stof en water

artikel 2.3.1.1

Kalkas

 

 

branden van kalksteenrots

asrest die als hoofdbestanddeel calciumoxide bevat en eventueel calciumhydroxide en calciumcarbonaat

artikel 2.3.1.1

Calciumsulfaat

verkregen bij de fosfor- en/of citroenzuurproductie en die gehydrateerd calciumsulfaat bevat

artikel 2.3.1.1

Afgeoogste champignon

compost

champignonkwekerij

organische voedingsbodem die overblijft na het telen van champignons

artikel 2.3.1.1

Compost van boomschors

vergunde inrichting voor de compostering van schorsafval dat vrijkomt bij het ontschorsen van bomen

artikel 2.3.1.1

Vinasse, vinasse-extract, vinassekali en chicoreivinasse

gistfabriek

stroopachtig residu bekomen uit uitgegiste melasse, extract verkregen uit vinasse door toevoeging van ammoniumsulfaat of bekomen tijdens de productie van inuline

artikel 2.3.1.1

Toegelaten materialen van dierlijke oorsprong conform de wetgeving
over dierlijke bijproducten

erkende of geregistreerde inrichtingen of bedrijven voor dierlijke bijproducten afgeleide producten zoals gedefinieerd in Verordening (EG) nr. 1069/2009 en andere materialen van dierlijke oorsprong uitgezonderd onverwerkte stromen

artikel 2.3.1.1

 

Gedroogd cacao-, tabak- en koffieafval

 

genotmiddelenindustrie

verkregen bij de verwerking van cacao- en koffiebonen en tabak en de bereiding van theobromine uit cacaoafval onder toevoeging van kalk

artikel 2.3.1.1

Neergeslagen dubbelzout van kaliumsulfaat en calciumsulfaat (in geval van toevoeging van een magnesiumzout aangevuld met ″met magnesiumzout")

industriėle citroenzuurproductie

verkregen uit spoeling van citroenzuur

 

artikel 2.3.1.1

Meel van oliekoeken   

winning plantaardige oliėn

verkregen door winning van olie door persing van oliehoudende zaden

artikel 2.3.1.1

Moutscheuten

mouterij

artikel 2.3.1.1

Behandeld zuiveringsslib

zie artikel 1.2.1, §2, 7°

artikel 2.3.1.1, 2.3.1.2

grondstofverklaring verplicht

Kalkhoudend materiaal

Waterbehandeling verkregen bij de bereiding van drinkwater of proceswater uit ruwwater

artikel 2.3.1.1

GFT- en groencompost

 

 

 

vergunde inrichting voor de compostering of vergisting van groente-, fruit- en tuinafval met maximaal 25 % organisch-biologische bedrijfsafvalstoffen of van organisch afval dat vrijkomt in tuinen, plantsoenen, parken en langs wegbermen

artikel 2.3.1.1 en 2.3.1.3

Eindmateriaal van de biologische behandeling van organisch-biologische bedrijfsafvalstoffen

vergunde inrichting voor de biologische verwerking van organisch-biologische bedrijfsafvalstoffen al dan niet in combinatie met dierlijke mest

artikel 2.3.1.1 en 2.3.1.3

Boerderijcompost

verkregen uit een composteringsproces dat op het bedrijf plaatsvindt waarbij bedrijfseigen organische restproducten
al dan niet vermengd met bedrijfseigen stalmest gecomposteerd worden

artikel 2.3.1.1

Filterkoek     

 

 

voedingsnijverheid

verkregen bij de filtratie van levensmiddelen op anorganische filtermedia (diatomeeėnaarde, perliet, bleekaarde ...)

artikel 2.3.1.1

Gehydrolyseerd eiwit voor meststof

aromaproductie

bekomen door hydrolyse van eiwitten

artikel 2.3.1.1

Slib van natuursteen

bewerking

bekomen door het verzagen, slijpen en polijsten van kalkhoudende natuursteen

artikel 2.3.1.1

Filterkoek van de fermentatie

fermentatie-industrie

verkregen bij de vergisting

artikel 2.3.1.1

grondstofverklaring verplicht

Kalimoederloog

 

methionineproductie

vloeibare stof waarbij kalium als kaliumcarbonaat en kaliumbicarbonaat voorkomt

artikel 2.3.1.1

Oplossing bevattende ammonium

chloride

glycineproductie

verkregen bij de bereiding van het aminozuur glycine

artikel 2.3.1.1

Gemalen staalslakken

staalnijverheid

calciumsilicofosfaten voortkomend van de behandeling van gietijzer

artikel 2.3.1.1

Gedroogde en gemalen anorganische kalkrijke voedingsresten

afkomstig van een vergunde verwerkingsinrichting van selectief ingezamelde eierschalen, schelpen van schelpdieren en schalen van schaaldieren

artikel 2.3.1.1

Vlasstof, graanstof

vlasindustrie, graanindustrie

artikel 2.3.1.1

[...] [...] [...]

Ammoniumsulfaat-oplossing

reactie van met ammoniak beladen lucht in een zure luchtwasser

artikel 2.3.1.1

Spuistroom

overtollig voedingswater afkomstig van de teelt van planten op groeimediums, dat niet hergebruikt wordt als voedingswater, of afkomstig van biologische luchtwasser voor met ammoniak beladen lucht

artikel 2.3.1.1

[...]

[...]

[...]

 

Afdeling 2

 

Gebruik als bouwstof

BEOOGDE

GRONDSTOF

HERKOMST EN OMSCHRIJVING

VOORWAARDEN

INZAKE 

SAMENSTELLING

Gebroken en/of gekalibreerde en/of uitgesorteerde of voorbehandelde slakken, assen of andere steenachtige afvalstoffen

afkomstig van de ferro-industrie, van de non-ferro-industrie, van de vervaardiging van niet-metaalhoudende minerale producten artikel 2.3.2.1 grondstofverklaring verplicht
Gebroken en/of gekalibreerde en/of uitgesorteerde of voorbehandelde slakken of assen afkomstig van de verbrandingsprocessen van afvalstoffen artikel 2.3.2.1 grondstofverklaring verplicht
Vliegas en bodemas afkomstig van verbrandingsprocessen artikel 2.3.2.1 grondstofverklaring verplicht
Betongranulaat verkregen bij sloop- en breekactiviteiten van wegen artikel 2.3.2.1 en artikel 2.3.2.2 materiaal, onderworpen aan het eenheidsreglement betreffende gerecycleerde granulaten
Gerecycleerde brokken afkomstig van een vergunde recuperatie-inrichting van bouw- en sloopafval artikel 2.3.2.1 en artikel 2.3.2.2 alleen in waterbouwkundige werken voor schanskorven en bestortingen materiaal, onderworpen aan het eenheidsreglement gerecycleerde granulaten
Betongranulaat, metselwerkgranulaat,
menggranulaat en brekerzeefzand
afkomstig van een vergunde recuperatie-inrichting van bouw- en sloopafval artikel 2.3.2.1 en artikel 2.3.2.2 materiaal,
onderworpen aan het eenheidsreglement
betreffende gerecycleerde
granulaten
Niet-pak-houdend zeefzand van asfalt en niet-pak-houdend asfaltgranulaat afkomstig van een vergunde recuperatie-inrichting van bouw- en sloopafval artikel 2.3.2.1 en artikel 2.3.2.2 materiaal,
onderworpen aan het eenheidsreglement
betreffende gerecycleerde
granulaten
Pak-houdend zeefzand van asfalt en pak-houdend asfaltgranulaat afkomstig van een vergunde recuperatie-inrichting van bouw- en sloopafval artikel 2.3.2.1 grondstofverklaring
verplicht;
gebruiksverbod na 1 mei 2019
Sorteerzeefgranulaat en sorteerzeefzand afkomstig van een vergunde vaste recuperatie-inrichting van bouw- en sloopafval artikel 2.3.2.1 en artikel 2.3.2.2 materiaal,
onderworpen aan het eenheidsreglement
betreffende gerecycleerde
granulaten
Gewassen uitgesorteerd beton- of gewassen metselwerkgranulaat afkomstig van installaties die vergund zijn voor het reinigen van verontreinigde bodemmaterialen artikel 2.3.2.1 grondstofverklaring
verplicht
[...] [...] [...]
[...] [...] [...]
Gewassen zand van rioolkolken, zandvangers en veegvuil afkomstig van vergunde inrichtingen voor de fysico-chemische reiniging van verontreinigde anorganische afvalstoffen artikel 2.3.2.1 grondstofverklaring
verplicht
Gerecycleerde bitumineuze granulaten afkomstig van een vergunde recuperatie-inrichting; verkregen bij het vermalen van bitumineuze dakmaterialen artikel 2.3.2.1 grondstofverklaring verplicht
Slib van natuursteen-bewerking verkregen bij het verzagen, slijpen of polijsten van natuursteen artikel 2.3.2.1

 

Afdeling 3

 

[...]

 

Afdeling 4

 

Gebruik in kunstmatige afdichtingslaag met waterglas 

 

BEOOGDE

GRONDSTOF

HERKOMST EN OMSCHRIJVING

VOORWAARDEN

INZAKE
SAMENSTELLING

Voor de slibfractie

Waterzuiveringsslib

afkomstig van de behandeling van stedelijk afvalwater en van waterbereiding

artikel 2.3.4.1

 

Waterzuiveringsslib

afkomstig van de biologische zuivering van industrieel afvalwater

artikel 2.3.4.1

Waterzuiveringsslib

afkomstig van andere behandelingen van industrieel afvalwater

artikel 2.3.4.1

Slib

slib van bodem- en grondwatersanering

artikel 2.3.4.1

Voor de korrelfractie

Gebroken en/of gekalibreerde en/of uitgesorteerde of voorbehandelde slakken, assen of andere steenachtige afvalstoffen

afkomstig van de ferro-industrie, van de non-ferro-industrie, van de vervaardiging van niet-metaalhoudende minerale producten

artikel 2.3.4.1

Wervelbedzand

afkomstig van thermische elektriciteitscentrales of van de verbrandingsprocessen van afvalstoffen

artikel 2.3.4.1

Straalzand en straalgrit

afkomstig van het zandstralen tijdens bouwwerken

artikel 2.3.4.1

Straalzand en straalgrit

afkomstig van het industrieel bewerken van metaal, vlakglas, hout en kunststoffen

artikel 2.3.4.1

 

Gebroken en/of gekalibreerde en/of uitgesorteerde of voorbehandelde slakken of assen

afkomstig van de verbrandingsprocessen van afvalstoffen

artikel 2.3.4.1

 

Brekerzand van asfalt, brekerzeefzand en sorteerzeefzand

afkomstig van een vergunde recuperatie-inrichting van bouw- en sloopafval of van een vergunde reinigingsinstallatie

artikel 2.3.4.1

Asfaltgranulaat

verkregen bij het affrezen van wegverharding of afkomstig van een vergunde recuperatie-inrichting van bouw- en sloopafval

artikel 2.3.4.1

 

Sorteerzeefgranulaat

afkomstig van een vergunde recuperatie-inrichting van bouw- en sloopafval

artikel 2.3.4.1

 

Sorteerzeefzand

afkomstig van een vergunde recuperatie-inrichting van bouw- en sloopafval

artikel 2.3.4.1

 

Ruimingsspecie

afkomstig van het verdiepen en/of verbreden en/of onderhouden van oppervlaktewateren zoals gedefinieerd in het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid en dat niet onder de definitie baggerspecie valt

artikel 2.3.4.1

 

Baggerspecie

afkomstig van het onderhouden, verdiepen en/of verbreden van bevaarbare waterlopen die behoren tot het openbaar hydrografisch net en/of aanleg van nieuwe waterinfrastructuur

artikel 2.3.4.1

Uitgegraven bodem, die een fysische scheiding heeft ondergaan

afkomstig van uitgravingen

artikel 2.3.4.1

 

Vast afval van bodemsanering

afkomstig van bodem- en grondwatersanering

artikel 2.3.4.1

Behandeld zand van rioolkolken, zandvangers en veegvuil

afkomstig van vergunde inrichtingen voor de reiniging van slib van rioolkolken en zandvangers, van ruimingspecie en baggerspecie

artikel 2.3.4.1

 

 

Slib

afkomstig van rioolkolken en zandvangers

artikel 2.3.4.1

 

Slib van natuursteenbewerking

verkregen bij het verzagen, slijpen of polijsten van natuursteen

artikel 2.3.4.1

Grondbrij

afkomstig van het triėren en wassen van nijverheidsgewassen uit de volle grond

artikel 2.3.4.1

 

Afvalstoffen bestaande uit stoffen in hun natuurlijke staat zoals zand, klei, leem, mergel

afkomstig van een vergunde inrichting voor de behandeling van slib en zandvangermateriaal of van andere vergelijkbare processen

artikel 2.3.4.1

 

Afvalstoffen bestaande uit niet verontreinigd bentonietslib of mengsels van bentonietslib met niet verontreinigde bodemmaterialen

afkomstig van bentoniettoepassingen bij grond- en putboringen en dergelijke, of afkomstig van een vergunde inrichting voor het verwerken van de genoemde afvalstoffen afkomstig van grond- en putboringen.

artikel 2.3.4.1

 

Voor de vulfractie

Vliegas, ketelstof, rookgasstof en bodemas

afkomstig van verbrandingsprocessen

onderafdeling 2.3.4

Stofdeeltjes

afkomstig van de fabricage van keramische producten

onderafdeling 2.3.4

Straalzand en straalgrit

afkomstig van het zandstralen tijdens bouwwerkzaamheden

onderafdeling 2.3.4

Straalzand en straalgrit

afkomstig van het industrieel bewerken van metaal, vlakglas, hout en kunststoffen

onderafdeling 2.3.4

 

 


BIJLAGE 2.3.1. VOORWAARDEN INZAKE SAMENSTELLING EN GEBRUIK ALS MESTSTOF OF BODEMVERBETEREND MIDDEL

BIJLAGE2.3.1.A SAMENSTELLINGSVOORWAARDEN MAXIMUMGEHALTEN AAN VERONTREINIGENDE STOFFEN

METALEN (1)

PARAMETERS

TOTAALCONCENTRATIE (2)

(mg/kg droge stof)

Arseen (As)

20

Cadmium (Cd)

6

Chroom (Cr)

150

Koper (Cu)

800

Kwik (Hg)

1

Lood (Pb)

300

Nikkel (Ni)

100

Zink (Zn)

1500

(1)  De concentratie geldt voor het metaal en de verbindingen ervan uitgedrukt als metaal.

(2)  Bepaling van de totaalconcentratie aan metalen volgens de methoden, opgenomen in het compendium voor monsterneming en analyse (CMA).

 

POLYCYCLISCHE AROMATISCHE KOOLWATERSTOFFEN

PARAMETERS

TOTAALCONCENTRATIE (3)

mg/kg droge stof)

Acenafteen

10

Acenaftyleen

10

Antraceen

5

Benzo(a)antraceen

3

Benzo(a)pyreen

3

Benzo(ghi)peryleen

5

Benzo(b)fluoranteen

10

Benzo(k)fluoranteen

5

Chryseen

3

Dibenzo(a,h)antraceen

5

Fenantreen

10

Fluoranteen

10

Fluoreen

10

Indeno(1,2,3cd)pyreen

5

Naftaleen

3

Pyreen

3

(3)  Bepaling van de totaalconcentratie aan organische verontreinigingen volgens de methoden, opgenomen in het compendium voor monsterneming en analyse (CMA).

 

 

OVERIGE   ORGANISCHE STOFFEN

PARAMETERS

TOTAALCONCENTRATIE (3)

(mg/kg droge stof)

Som van 1,2,3,5-Tetrachloorbenzeen en 1,2,4,5- Tetrachloorbenzeen

4

1,2,3,4-Tetrachloorbenzeen

2

Pentachloorbenzeen

1.5

Hexachloorbenzeen

0.5

Minerale olie C10-C20

560

Minerale olie C20-C40

5600

Polychloorbifenylen (pcb als som 7 congeneren)

0,6

(3) Bepaling van de totaalconcentratie aan organische verontreinigingen volgens de methoden, opgenomen in het compendium voor monsterneming en analyse (CMA).

BIJLAGE2.3.1.B SAMENSTELLINGSVOORWAARDEN MAXIMUMGEHALTEN AAN VERONTREINIGDE STOFFEN VOOR GRONDSTOFFEN MET < 2 % DROGE STOF PER LITER

METALEN (1)

PARAMETERS

TOTAALCONCENTRATIE (2) (mg/liter)

Arseen (As)

0.4

Cadmium (Cd)

0.12

Chroom (Cr)

3

Koper (Cu)

16

Kwik (Hg)

0.02

Lood (Pb)

6

Nikkel (Ni)

2

Zink (Zn)

30

(1)  De concentratie geldt voor het metaal en de verbindingen ervan uitgedrukt als metaal.

(2) Bepaling van de totaalconcentratie aan metalen volgens de methoden, opgenomen in het compendium voor monsterneming en analyse (CMA).

  

POLYCYCLISCHE AROMATISCHE KOOLWATERSTOFFEN

PARAMETERS

TOTAALCONCENTRATIE (3) µg/liter)

Acenafteen

200

Acenaftyleen

200

Antraceen

100

Benzo(a)antraceen

60

Benzo(a)pyreen

60

Benzo(ghi)peryleen

100

Benzo(b)fluoranteen

200

Benzo(k)fluoranteen

100

Chryseen

60

Dibenzo(a,h)antraceen

100

Fenantreen

200

Fluoranteen

200

Fluoreen 200
Indeno(1,2,3cd)pyreen 100
Naftaleen 60
Pyreen 60

(3)  Bepaling van de totaalconcentratie aan organische verontreinigingen volgens de methoden, opgenomen in het compendium voor monsterneming en analyse (CMA).

 

OVERIGE ORGANISCHE STOFFEN

PARAMETERS

TOTAALCONCENTRATIE (3) (µg/liter)

Som van 1,2,3,5-Tetrachloorbenzeen en 1,2,4,5- Tetrachloorbenzeen

80

1,2,3,4-Tetrachloorbenzeen

40

Pentachloorbenzeen

30

Hexachloorbenzeen

10

Minerale olie C10-C20

11.2 mg/liter

Minerale olie C20-C40

112 mg/liter

Polychloorbifenylen (pcb als som 7 congeneren)

12

(3) Bepaling van de totaalconcentratie aan organische verontreinigingen volgens de methoden, opgenomen in het compendium voor monsterneming en analyse (CMA).

BIJLAGE2.3.1.C VOORWAARDEN VOOR GEBRUIK ALS MESTSTOF OF BODEMVERBETEREND MIDDEL, MAXIMAAL TOELAATBARE DOSERING AAN VERONTREINIGENDE STOFFEN

METALEN (1)

PARAMETERS

DOSERING (g/ha/jaar) (2)

Arseen (As)

40

Cadmium (Cd)

12

Chroom (Cr)

300

Koper (Cu)

1600

Kwik (Hg)

2

Lood (Pb)

600

Nikkel (Ni)

200

Zink (Zn)

3000

(1) De concentratie geldt voor het metaal en de verbindingen ervan, uitgedrukt als metaal.

(2) Bepaling van de totaalconcentratie aan metalen volgens de methoden, opgenomen in het compendium voor monsterneming en analyse (CMA).

 

 

POLYCYCLISCHE AROMATISCHE KOOLWATERSTOFFEN

PARAMETERS

DOSERING (g/ha/jaar) (3)

Acenafteen

20

Acenaftyleen

20

Antraceen

10

Benzo(a)antraceen

6

Benzo(a)pyreen

6

Benzo(ghi)peryleen

10

Benzo(b)fluoranteen

20

Benzo(k)fluoranteen

10

Chryseen

6

Dibenzo(a,h)antraceen

10

Fenantreen

20

Fluoranteen

20

Fluoreen

20

Indeno(1,2,3cd)pyreen

10

Naftaleen

6

Pyreen

6

(3)  Bepaling van de totaalconcentratie aan organische verontreinigingen volgens de methoden, opgenomen in het compendium voor monsterneming en analyse (CMA).

 

OVERIGE   ORGANISCHE STOFFEN

PARAMETERS

DOSERING (g/ha/jaar) (3)

Som van 1,2,3,5-Tetrachloorbenzeen en 1,2,4,5- Tetrachloorbenzeen

8

1,2,3,4-Tetrachloorbenzeen

4

Minerale olie C10-C20

1120

Minerale olie C20-C40

11200

Polychloorbifenylen (pcb als som 7 congeneren)

1.2

(3) Bepaling van de totaalconcentratie aan organische verontreinigingen volgens de methoden, opgenomen in het compendium voor monsterneming en analyse (CMA).

 

BIJLAGE2.3.1.D SPECIFIEKE VOORWAARDEN VOOR GEBRUIK VAN BEHANDELD ZUIVERINGSSLIB ALS MESTSTOF OF BODEMVERBETEREND MIDDEL

BEHANDELING ZUIVERINGSSLIB 

Zuiveringsslib dat bestemd is om overeenkomstig het Materialendecreet en de uitvoeringsbesluiten ervan gebruikt te worden als meststof of als bodemverbeterend middel, moet behandeld worden op één of meer van de volgende wijzen :

  a) een mesofiele anaerobe vergisting bij een temperatuur van 35°C en een gemiddelde verblijftijd van 15 dagen; 
  b) een vloeibare opslag bij omgevingstemperatuur als een batch, zonder toevoeging of onttrekking van slib gedurende de opslagperiode van drie maanden. Het aantal Escherichia Coli in het slib moet ten minste met een factor 100 beperkt worden; 
  c) een aerobe stabilisatie bij een minimaal gehalte aan opgeloste zuurstof van meer dan 1 ppm. Die stabilisatie kan uitgevoerd worden :  
    1) ofwel binnen dezelfde bekkens als de afvalwaterzuivering zelf, bij een slibbelasting < of = 0,06 kg BOD/kg slib/dag of een volumebelasting < of = 0,25 kg BOD/m3/dag;  
    2) ofwel in een afzonderlijk daarvoor gereserveerd bekken, bij een hydraulische verblijftijd van 10 dagen; 
  d) een toevoeging en menging met kalk tot een homogeen mengsel wordt verkregen met een pH > 12 onmiddellijk na het bekalken; de pH moet gedurende minstens 24 uur groter dan of gelijk aan 12 worden gehouden; 
  e) een thermische droging waarbij de temperatuur van de slibdeeltjes hoger is dan 80°C en het watergehalte tot minder dan 10 % beperkt wordt.  
 

Bij de behandeling worden de relevante procesparameters ten minste dagelijks gemeten. Die meting wordt continu uitgevoerd tenzij dat praktisch niet mogelijk is.
 

De OVAM kan andere behandelingstechnieken toestaan als de exploitant aantoont dat het resultaat van de behandeling minstens gelijkwaardig is aan het resultaat van de hierboven vermelde behandelingswijzen. Bij alternatieve behandelingswijzen zijn de bepalingen voor de relevante procesparameters ook van toepassing.  

BEMONSTERING BEHANDELD ZUIVERINGSSLIB

Het zuiveringsslib moet worden bemonsterd na behandeling, maar vóór levering aan de gebruiker, en moet representatief zijn voor het geproduceerde zuiveringsslib. 

ANALYSE BEHANDELD ZUIVERINGSSLIB 

Als algemene regel geldt dat behandeld zuiveringsslib ten minste om de zes maanden moet worden geanalyseerd. Als zich veranderingen in de kwaliteit van het behandelde afvalwater voordoen, wordt de frequentie van die analyses verhoogd.

 

Onverminderd de parameters, opgesomd in bijlage 2.3.1.A., moeten de volgende parameters worden geanalyseerd :

  a) droge stof; 
  b) zuurtegraad; 
  c) organische stof; 
  d) stikstof; 
  e) difosforpentoxide.  
  De analyse wordt uitgevoerd volgens methoden, opgenomen in het compendium voor monsterneming en analyse. 

BODEMBEMONSTERING 

De te analyseren representatieve monsters worden normaal gezien gemaakt door menging van ten minste 25 afzonderlijke bodemmonsters, genomen uit een homogeen geėxploiteerde oppervlakte van ten hoogste 5 ha. De afzonderlijke monsters moeten worden genomen op een diepte van 25 cm, behalve als de diepte van de ploeglaag geringer is, maar zonder dat de bemonsteringsdiepte in dat geval minder dan 10 cm bedraagt.

BODEMANALYSE 

Bodemmonsters worden geanalyseerd voor de zuurtegraad, arseen, cadmium, chroom, koper, kwik, nikkel, lood, zink. De analyse wordt uitgevoerd volgens methoden, opgenomen in het compendium voor monsterneming en analyse.

 

BIJLAGE2.3.1.E

METALEN (1)

MAXIMUM CONCENTRATIE IN STANDAARDBODEM (2)
(mg/kg droge stof)

Arseen (As)

35

Cadmium (Cd)

1,2

Chroom (Cr)

91

Koper (Cu)

72

Kwik (Hg)

1.5

Lood (Pb)

120

Nikkel (Ni)

56

Zink (Zn)

200

 

(1) De concentratie geldt voor het metaal en de verbindingen ervan uitgedrukt als metaal.

 

De totaalconcentratie aan metalen wordt bepaald volgens het compendium voor monsterneming en analyse.

 

(2) Standaardbodem bezit een gehalte van 10 % klei op de minerale bestanddelen en een gehalte van 2 % organisch materiaal op de luchtdroge bodem.

 

De maximumconcentratie in de bodem waarop nog behandeld zuiveringsslib gebruikt mag worden, is voor arseen, cadmium, koper en zink afhankelijk van de kenmerken van de bodem. De voormelde maximumconcentraties worden omgerekend naar de gemeten gehalten aan klei en/of organisch materiaal en/of pH-KCl in een representatief staal van de ontvangende bodem.

 

De omrekening voor arseen, cadmium, koper en zink wordt gemaakt op basis van de formules voor richtwaarden bodemkwaliteit, zoals opgenomen in bijlage II van het VLAREBO.

 

De omrekening voor koper wordt gemaakt met de volgende beperking van de randvoorwaarden :

als het gehalte klei hoger is dan 20 %, dan wordt gerekend met een verondersteld gehalte aan klei van 20 %; 
als het gehalte organische materiaal hoger is dan 5 %, dan wordt gerekend met een verondersteld gehalte organisch materiaal van 5 %; 

3° 

als de pH-KCl hoger is dan 6.5, dan wordt gerekend met een veronderstelde pH-KCl van 6.5.  

 

De omrekening voor zink wordt gemaakt met de volgende beperking van de randvoorwaarden :

als het gehalte klei hoger is dan 14 %, dan wordt gerekend met een verondersteld gehalte aan klei van 14 %; 
als het gehalte organische materiaal hoger is dan 3 %, dan wordt gerekend met een verondersteld gehalte organisch materiaal van 3 %; 
als de pH-KCl hoger is dan 5, dan wordt gerekend met een veronderstelde pH-KCl van 5.  

 


BIJLAGE 2.3.2. VOORWAARDEN INZAKE SAMENSTELLING VOOR GEBRUIK ALS BOUWSTOF

BIJLAGE2.3.2.A VOORWAARDEN VOOR GEBRUIK ALS BOUWSTOF

METALEN (1)

PARAMETERS

TOTAALCONCENTRATIE (2)
in mg/kg droge stof

Arseen (As)

250

Cadmium (Cd)

10

Chroom (Cr)

1250

Koper (Cu)

375

Kwik (Hg)

5

Lood (Pb)

1250

Nikkel (Ni)

250

Zink (Zn)

1250

 

(1) De concentratie geldt voor het metaal en de verbindingen ervan, uitgedrukt als metaal.

(2) De bepaling van de totaalconcentratie aan metalen volgens de methoden, opgenomen in het compendium voor monsterneming en analyse (CMA). 

 

MONOCYCLISCHE AROMATISCHE KOOLWATERSTOFFEN

PARAMETERS

TOTAALCONCENTRATIE (3)
in mg/kg droge stof

Benzeen

0,5

Ethylbenzeen

5

Styreen

1,5

Tolueen

15

Xyleen

15

 

(3) Bepaling van de totaalconcentratie aan organische verontreinigingen volgens de methoden, opgenomen in het compendium voor monsterneming en analyse (CMA).

 

POLYCYCLISCHE AROMATISCHE KOOLWATERSTOFFEN

PARAMETERS

TOTAALCONCENTRATIE (3)
in mg/kg droge stof

Benzo(a)antraceen

35

Benzo(a)pyreen

8,5

Benzo(ghi)peryleen

35

Benzo(b)fluoranteen

55

Benzo(k)fluoranteen

55

Chryseen

400

Fenantreen

30

Fluoranteen

40

Indeno(1,2,3cd)pyreen

35

Naftaleen

20

 

(3) Bepaling van de totaalconcentratie aan organische verontreinigingen volgens de methoden, opgenomen in het compendium voor monsterneming en analyse (CMA). 

 

OVERIGE ORGANISCHE STOFFEN

PARAMETERS

TOTAALCONCENTRATIE (3)
in mg/kg droge stof

Hexaan

1

Heptaan

25

Minerale olie

1000

Octaan

90

Polychloorbifenylen (PCB)

0,5

 

(3) Bepaling van de totaalconcentratie aan organische verontreinigingen volgens de methoden, opgenomen in het compendium voor monsterneming en analyse (CMA).

BIJLAGE2.3.2.B VOORWAARDEN VOOR GEBRUIK ALS NIET-VORMGEGEVEN BOUWSTOF

METALEN

PARAMETERS

UITLOOGBAARHEID (1)
in mg/kg droge stof

Arseen (As)

0,8

Cadmium (Cd)

0,03

Chroom (Cr)

0,5

Koper (Cu)

0,5

Kwik (Hg)

0,02

Lood (Pb)

1,3

Nikkel (Ni)

0,75

Zink (Zn)

2,8

 

(1) Uitloogbaarheid wordt gemeten met de kolomproef, methode CMA 2/II/A.9.1. De uitloogbaarheid, gemeten met de kolomproef, is berekend uit een standaardtoepassing met de hoogte van de bouwstof van 0,7 m en met een soortelijk gewicht van 1550 kg/m3. Voor de berekening van de toepassingshoogte, zie bijlage 2.4.2.C. 

BIJLAGE2.3.2.C IMMISSIEGRENSWAARDEN VOOR BODEM

ELEMENT

MAXIMALE IMMISSIE
(mg/m2 over 100 jaar) (1) (2)

Arseen

285

Cadmium

12

Chroom

555

Koper

255

Kwik

8,2

Lood

609

Nikkel

136

Zink

924

 

(1) BEREKENING VAN DE IMMISSIEWAARDEN UIT EMISSIEWAARDEN, BEPAALDAAN DE HAND VAN DE KOLOMPROEF VOOR NIET-VORMGEGEVEN BOUWSTOFFEN

 

De immissie van de metalen in de bodem als gevolg van de emissie uit een niet-vormgegeven bouwstof, gemeten in de kolomproef, methode CMA 2/II/A.9.1, wordt berekend met de volgende formule : 

 

 

 

waarbij :

Invb :  berekende immissie in de bodem als gevolg van het gebruik van een niet- vormgegeven bouwstof in de bodem in mg/m2 bodem.100 j;  
db : soortelijk gewicht van de bouwstof (uitgedrukt in kg/m3); 
EL/S=10 : cumulatieve uitloging van een bouwstof door percolatie tot L/S = 10, bepaald in het laboratorium volgens de kolomproef, methode CMA 2/II/A.9.1, uitgedrukt in mg/kg;  
a :  correctie voor de uitloging van een bouwstof in het laboratorium en de uitloging in de praktijk in mg/kg, waarvan de waarde is af te lezen uit tabel 1; 
h : 

hoogte waarin de bouwstof in het werk wordt aangebracht;

 

de hoogte van een toegepaste niet-vormgegeven bouwstof wordt bepaald voor elk deel van een werk waarin het materiaal op een eenvormige wijze wordt toegepast;

 

de hoogte wordt bepaald loodrecht op het aardoppervlak;

 

de hoogte wordt uitgedrukt in m, afgerond op twee decimalen na de komma en bedraagt minimaal 0,20 m; 

fext :  factor voor extrapolatie van de uitloging van niet-vormgegeven bouwstoffen bij een kort durende laboratoriumproef naar de uitloging over 100 jaar.  

 

De factor voor extrapolatie van de uitloging wordt bepaald met de volgende formule : 

 

 

 

waarbij :

e :  grondgetal voor natuurlijke logaritme, namelijk 2,71828...; 
K : dimensieloze constante, die een maat is voor de snelheid van uitloging, waarvan de waarde is af te lezen uit de tabel 1;  
Ni : neerslaghoeveelheid van 300 mm/jaar; 
t : 100 jaar;  
db : 

soortelijk gewicht van de bouwstof (uitgedrukt in kg/m3).  

      

 

Parameter

a
(in mg/kg)

κ

Parameter

a
(in mg/kg)

κ

As

0,7

0,03

Hg

0,016

0,05

Cd

0,021

0,5

Ni

0,63

0,29

Cr

0,09

0,18

Pb

0,8

0,27

Cu

0,25

0,28

Zn

2

0,28

 

Tabel 1 : Overzicht van de a-waarden en K-waarden voor metalen

(2) BEREKENING VAN DE IMMISSIEWAARDEN UIT EMISSIEWAARDEN, BEPAALD AAN DE HAND VAN EEN DIFFUSIEPROEF VOOR VORMGEGEVEN BOUWSTOFFEN

Zie de diffusietest, opgenomen in het compendium voor monsterneming en analyse (CMA).


BIJLAGE 2.3.4. VOORWAARDEN VOOR GEBRUIK IN KUNSTMATIGE AFDICHTINGSLAGEN MET WATERGLAS

BIJLAGE2.3.4.A VOORWAARDEN VOOR DE AFDICHTINGSLAAG

Onverminderd de bepalingen van subafdeling 5.2.4.3 van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiėne moet het gebruik van de afdichtingslaag voldoen aan de volgende voorwaarden :

Voor aanvang van de werkzaamheden moet een vooronderzoek worden uitgevoerd op de al bekende grondstoffen. Op basis van representatieve grondstoffenmonsters moet de mengselsamenstelling worden bepaald en vastgelegd. Om te komen tot een indicatieve mengselsamenstelling wordt uitgegaan van een menging van de grondstoffen in de volgende verhouding : 
  a) slibfractie 35 % - 55 % m/m; 
  b) vulstoffractie 5 % - 15 % m/m; 
  c) waterglas minimaal 1,3 %; 
  d) korrelfractie 100 % m/m minus percentage (slibfractie + vulstoffractie + waterglas). 
 

Om tot een goede mengselsamenstelling te komen wordt de dosering van de verschillende grondstoffen primair gestuurd door de slibfractie en de vulstoffractie. De hoeveelheid toe te voegen korrelfractie in het mengsel is daar een afgeleide van. De bandbreedte van de verhouding waarin de te mengen grondstoffen moeten worden toegepast, wordt in het vooronderzoek bepaald. Op basis van het vochtgehalte en de verwerkbaarheid van het mengsel wordt gekozen voor een mengselsamenstelling.

 

Als alle eigenschappen voldoen aan de vooraf gestelde eisen, dan is daarmee het definitieve mengsel bepaald. De definitieve mengselsamenstelling en de eigenschappen van dat mengsel dienen als uitgangspunt bij de productiecontrole. Daartoe worden de componenten slib, vulstof en korrelmateriaal vastgelegd in gewichtsprocenten en de toelaatbare afwijking van het gemiddelde. 

Voortgaande op het vooronderzoek wordt vervolgens een voorafgaand materiaalonderzoek uitgevoerd door een door de toezichthoudende overheid aanvaarde milieudeskundige met kennis inzake geotechniek. Dat materiaalonderzoek wordt voor goedkeuring voorgelegd aan de toezichthoudende overheid. Daarbij moet de technische geschiktheid van de te verwerken grondstoffen worden aangetoond voor de constructie van een voldoende ondoorlatende afdichtingslaag.

 

Door dat onderzoek wordt de relatie bepaald tussen watergehalte, dichtheid en doorlatendheid van het mengsel, en tevens het werkingsgebied op basis van doorlatendheid, schuifweerstand en krimpscheurvorming. Daarbij moet rekening gehouden worden met de natuurlijke variatie in samenstelling, watergehalte, verdichtingsgraad en met de verwachte spanningstoestand.

 

Zowel de snelheid en de graad van uitharding als het zelfherstellende vermogen van het materiaal worden eveneens onderzocht, alsook de invloed daarvan op vervormingsgedrag en scheurvorming van de afdichtingslaag.

 

Ingeval de minerale afdichtingslaag beļnvloed kan worden door het percolaat in de stortplaats, moet eveneens een compatibiliteitsonderzoek uitgevoerd worden. 

Er wordt een proefveld aangelegd voor de controle van de verdichtingsmethode, de grondmechanische parameters, inclusief de hydraulische doorlatendheid. 
 De afdichtingslaag met waterglas wordt aangelegd in twee of drie lagen van 250 of 300 mm dikte. De infiltratie doorheen de aangelegde afdichtingslaag mag niet meer bedragen dan 20 mm/jaar. Daarbij moet uitgegaan worden van 200 dagen neerslag per jaar, een standaardwaterdruk van 0,5 m en zuigspanning van –0,5 m. 
Op basis van het vooronderzoek, het materiaalonderzoek en de controles op het proefveld wordt door een door de toezichthoudende overheid aanvaarde milieudeskundige met kennis inzake geotechniek een programma van kwaliteitscontrole opgesteld en voor goedkeuring voorgelegd aan de toezichthoudende overheid. De kwaliteitscontrole betreft de aangevoerde materialen, de mengverhouding daarvan, en de controle van de afgewerkte afdichtingslaag. 

 

BIJLAGE2.3.4.B VOORWAARDEN VOOR GEBRUIK IN KUNSTMATIGE AFDICHTINGSLAGEN MET WATERGLAS

ANORGANISCHE COMPONENTEN

Parameter (inclusief verbindingen)

Maximale beschikbaarheid in mg/kg droge stof (1)

Arseen (As)

246

Barium (Ba)

115.128

Cadmium (Cd)

10

Chroom (Crtotaal)

478

Koper (Cu)

220

Kwik (Hg)

50

Molybdeen (Mo)

274

Nikkel (Ni)

83

Lood (Pb)

3.710

Antimoon (Sb)

101

Selenium (Se)

27

Zink (Zn)

5.628

Chloride

365.487

Fluoride

8.528

Sulfaat

646.096

 

(1) De maximale beschikbaarheden, bepaald volgens CMA/2/II/A.9.3 (NEN/7341). 

 

ANORGANISCHE COMPONENTEN

Parameter (inclusief verbindingen)

Uitloogbaarheid in mg/kg droge stof (2)

Arseen (As)

2

Barium (Ba)

100

Cadmium (Cd)

1

Chroom (Crtotaal)

10

Koper (Cu)

50

Kwik (Hg)

0,2

Molybdeen (Mo)

10

Nikkel (Ni)

10

Lood (Pb)

10

Antimoon (Sb)

0,7

Selenium (Se)

0,5

Zink (Zn)

50

Cyanide (totaal)

10

Chloride

15.000

Fluoride

150

Sulfaat

20.000

DOC(*)

800

TDS (**)

60.000

 

(2) Uitloogbaarheid, bepaald met de schudtest bij L/S=10 volgens CMA/2/II/A.13 (EN 12.457/4).

 

(*) Als de afvalstoffen bij hun eigen pH-waarde niet aan die waarden voor DOC* voldoen, kunnen ze eventueel worden getest bij L/S = 10 l/kg en een pH van 7,5- 8.0. De afvalstoffen kunnen worden beschouwd als in overeenstemming met de aanvaardingscriteria voor DOC*, als het resultaat van die bepaling niet hoger is dan 800 mg/kg.

 

(**) De waarden voor TDS kunnen als alternatief voor de waarden voor sulfaat en chloride worden gebruikt. 

 

MONOCYCLISCHE AROMATISCHE KOOLWATERSTOFFEN

PARAMETERS

TOTAALCONCENTRATIE (3) in mg/kg droge stof

Benzeen

0,5

Ethylbenzeen

5

Styreen

1,5

Tolueen

15

Xyleen

15

 

POLYCYCLISCHE AROMATISCHE KOOLWATERSTOFFEN

PARAMETERS

TOTAALCONCENTRATIE (3) in mg/kg droge stof

Benzo(a)antraceen

35

Benzo(a)pyreen

8.5

Benzo(ghi)peryleen

35

Benzo(b)fluoranteen

55

Benzo(k)fluoranteen

55

Chryseen

400

Fenantreen

30

Fluoranteen

40

Indeno(1,2,3cd)pyreen

35

Naftaleen

20

 

OVERIGE ORGANISCHE STOFFEN

PARAMETERS

 

TOTAALCONCENTRATIE (3)
in mg/kg droge stof

 

Hexaan

1

Heptaan

25

Minerale olie

1000

Octaan

90

Polychloorbifenylen (PCB)

0,5

 

3) Bepaling van de totaalconcentratie aan organische verontreinigingen volgens de methode, opgenomen in deel 3 van het compendium voor monsterneming en analyse. 

 

BIJLAGE2.3.4.C VOORWAARDEN VOOR KUNSTMATIGE AFDICHTINGSLAGEN MET WATERGLAS

ANORGANISCHE COMPONENTEN

Parameter (inclusief verbindingen)

Maximale beschikbaarheid in mg/kg droge stof (1)

Arseen (As)

246

Barium (Ba)

115.128

Cadmium (Cd)

10

Chroom (Cr totaal)

478

Koper (Cu)

220

Kwik (Hg)

50

Molybdeen (Mo)

274

Nikkel (Ni)

83

Lood (Pb)

3.710

Antimoon (Sb)

101

Selenium (Se)

27

Zink (Zn)

5.628

Chloride

365.487

Fluoride

8.528

Sulfaat

646.096

  

(1) De maximale beschikbaarheden, bepaald volgens CMA/2/II/A.9.3 (NEN/7341). Als voor een bepaald metaal de maximale beschikbaarheid niet voldoet, moet de uitloogbaarheid van dat metaal voldoen aan : 

 

ANORGANISCHE COMPONENTEN

Parameter (inclusief verbindingen)

Uitloogbaarheid in mg/m²

Arseen (As)

86

Barium (Ba)

5.692

Cadmium (Cd)

3,6

Chroom (Cr totaal)

167

Koper (Cu)

77

Kwik (Hg)

2,5

Molybdeen (Mo)

136

Nikkel (Ni)

41

Lood (Pb)

183

Antimoon (Sb)

35

Selenium (Se)

14

Zink (Zn)

278

 

(2) De uitloging, bepaald met de korreldiffusieproef volgens CMA/2/II/A.9.2 aangepast (NVN 7347). Naargelang de toepassing van de afdichtingslaag met waterglas gebeurt op een stortplaats van categorie 1 of 2, moet de uitloogbaarheid tevens voldoen aan : 

 

ANORGANISCHE COMPONENTEN

Parameter (inclusief verbindingen)

Uitloogbaarheid in mg/kg droge stof (*)

  

Stortplaats categorie 2

Stortplaats categorie 1

Arseen (As)

8,12

101

Barium (Ba)

276

829

Cadmium (Cd)

1,49

7,44

Chroom (Cr totaal)

26

179

Koper (Cu)

102

204

Kwik (Hg)

0,76

7,55

Molybdeen (Mo)

18

54

Nikkel (Ni)

20

80

Lood (Pb)

21

104

Antimoon (Sb)

2,17

16

Selenium (Se)

0,86

12

Zink (Zn)

102

408

Cyanide (totaal)

18

18

Chloride

20.919

34.866

Fluoride

348

1.159

Sulfaat

37.319

93.296

DOC

1.634

2.042

 

(*) Uitloogbaarheid bepaald met de schudtest bij L/S=10 volgens CMA/2/II/A.13 (EN 12.457/4).

 

Naargelang de toepassing van de afdichtingslaag met waterglas gebeurt op een stortplaats van categorie 1 of 2, moet de samenstelling van organische componenten voldoen aan :

 

Categorie 2 stortplaatsen voor niet-gevaarlijk afval algemeen

extraheerbare apolaire koolwaterstoffen : < 2 gew.-% op de watervrije afvalstof; 
totaal oplosmiddelen (aspecifiek) : < 1 gew.-% op de watervrije afvalstof; 
 totaal extraheerbare organohalogeenverbindingen : < 1000 mg per kg op de watervrije afvalstof. 

 

Categorie 2 stortplaatsen voor niet-gevaarlijke afval (anorganisch met laag gehalte organisch/biologisch afbreekbare stoffen)

extraheerbare apolaire koolwaterstoffen : < 5 gew.-% op de watervrije afvalstof met als aanbevolen analysemethoden EPA 9071, AAC 3/R;  
totaal oplosmiddelen (aspecifiek) : < 3 gew.-% op de watervrije afvalstof met als aanbevolen analysemethode AAC 3/Q;  
totaal extraheerbare organohalogeenverbindingen : < 1000 mg per kg op de watervrije afvalstof met als aanbevolen analysemethode AAC 3/N; 
wateroplosbaar gedeelte : < 10 gew.-% op de watervrije afvalstof, met als aanbevolen analysemethode : gewichtsverlies na extractie volgens DIN 38414-S4; 
tenzij anders is vermeld in het grondstofverklaring :  
  a) ofwel, verlies door uitgloeiing van het droge bestanddeel van de afvalstof ten gevolge van de ontbinding van organische stoffen, uitgezonderd vaste polymeren en asfalt : < 10 gewichtsprocent; 
  b) ofwel, totaal organische koolstof, uitgezonderd de koolstof, vervat in vaste polymeren of asfalt, op het droge bestanddeel van de afvalstof : < 6 % (*).  

 

Voor de toepassing van deze bepalingen wordt met vaste polymeren bedoeld : de kunststoffen in vaste vorm zoals folies, granulaten, voorwerpen, vaste brokken.

 

Aanbevolen analysemethode :

a) gloeiverlies : DIN 38414-S3, AAC2/II/A.2; 
b) totaal organische koolstof : AAC2/II/A.7. 

 

(*) Als deze waarde wordt overschreden, kan in de grondstofverklaring een hogere grenswaarde worden toegestaan, op voorwaarde dat voor de DOC* een waarde van 1634 mg/kg niet wordt overschreden bij L/S = 10 l/kg en de pH-waarde van het materiaal zelf dan wel ligt tussen tussen 7,5 en 8.

 

Categorie 2 gevaarlijk afval op stortplaatsen voor niet-gevaarlijk afval 

 

Parameter

Waarde

TOC (totaal organisch koolstof)

5% (*)

pH

minimaal 6

ZBV (zuurbindend vermogen)

moet worden gecontroleerd (**)

 

(*) Als deze waarde wordt overschreden, kan in de grondstofverklaring een hogere grenswaarde worden toegestaan, op voorwaarde dat voor de DOC* een waarde van 1634 mg/kg niet wordt overschreden bij L/S = 10 l/kg en het materiaal zelf dan wel een pH-waarde heeft tussen 7,5 en 8.

 

(**) Het zuurbindend vermogen van de afvalstof moet worden gecontroleerd. Meer bepaald moet het bufferend vermogen van de afvalstof voldoende zijn opdat ook in contact met het infiltrerend neerslagwater het verzekerd blijft dat voldaan wordt aan de grenswaarden voor uitloging.

 

Categorie 1 stortplaatsen voor gevaarlijk afval

 

1° aanvullende criteria :  

Parameter

Waarde

LOI (*)

10%

TOC (totaal organisch koolstof)(*)

6% (**)

pH

4 - 13

ZBV (zuurbindend vermogen)

moet worden gecontroleerd (***)

  

(*) LOI of TOC moet worden gebruikt.

(**) Als deze waarde wordt overschreden, kan in de grondstofverklaring een hogere grenswaarde worden toegestaan, op voorwaarde dat voor de DOC* een waarde van 2.042 mg/kg niet wordt overschreden bij L/S = 10 l/kg en het materiaal zelf dan wel een pH-waarde heeft tussen 7,5 en 8.

(***) Het zuurbindend vermogen van de afvalstof moet worden gecontroleerd. Meer bepaald moet het bufferend vermogen van de afvalstof voldoende zijn opdat ook in contact met het infiltrerend neerslagwater het verzekerd blijft dat voldaan wordt aan de grenswaarden voor uitloging.

 

2° extraheerbare apolaire koolwaterstoffen : < 5 gew.-% op de watervrije afvalstof;

 

3° totaal oplosmiddelen (aspecifiek) : < 3 gew.-% op de watervrije afvalstof;

 

4° totaal extraheerbare organohalogeenverbindingen : < 1000 mg per kg op de watervrije afvalstof. 

 

 


BIJLAGE 2.3.5. METALLURGISCH PRODUCTIEPROCES VOOR NON-FERROMETALEN

Een metallurgisch productieproces beoogt het winnen en raffineren van non-ferrometalen en nonferrometaalverbindingen uit materialen door middel van chemische processen. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen :

- pyrometallurgie : de procesreacties verlopen bij verhoogde temperatuur. Door smelten, roosten, sinteren, oxideren, reduceren en vervluchtigen worden de in de materialen aanwezige componenten door chemische reacties omgezet in andere componenten. 
- hydrometallurgie : de procesreacties verlopen in een waterig milieu. Door o.a. loging, precipitatie, cementatie, indamping, ionenwisseling, solventextractie en membraantechnieken worden de in de materialen aanwezige componenten door chemische reacties omgezet in andere componenten. 
- elektrochemie : de procesreacties verlopen in een waterig milieu of in gesmolten zouten, waarbij elektrische stroom zorgt voor reductiereacties aan de kathode en voor oxidatiereacties aan de anode.

Materialen die ontstaan in zuiveringsprocessen voor milieutechnische doeleinden of voor materialen die een gebruiksfase hebben doorlopen, worden verondersteld niet voort te komen uit een metallurgisch productieproces.


BIJLAGE 2.3.6. METALLURGISCH PRODUCTIEPROCES VOOR FERROMETALEN

Een metallurgisch proces voor ferrometalen beoogt het winnen en raffineren van ferrometalen en ferrolegeringen uit materialen via pyrometallurgie. De procesreacties verlopen bij verhoogde temperatuur. Door smelten, roosten, sinteren, oxideren en reduceren en vervluchtigen worden de in de materialen aanwezige componenten door chemische reacties omgezet in andere componenten.

 

Materialen die ontstaan in zuiveringsprocessen voor milieutechnische doeleinden of voor materialen die een gebruiksfase hebben doorlopen, worden verondersteld niet voort te komen uit een metallurgisch proces.


BIJLAGE 3.4.6. AFVALOLIE DIE ONDER HET TOEPASSINGSGEBIED VAN DE AANVAARDINGSPLICHT VALT

In het kader van de aanvaardingsplicht moeten onder het begrip afvalolie, onder verwijzing naar de lijst van afvalstoffen in bijlage 2.1, de onderstaande afvalstoffen worden verstaan.

 

CODE

OMSCHRIJVING

08 03 19*

dispersieolie

12 01 06*

halogeenhoudende minerale machineolie (exclusief emulsies en oplossingen)

12 01 07*

halogeenvrije minerale machineolie (exclusief emulsies en oplossingen)

12 01 08*

halogeenhoudende emulsies en oplossingen voor machinale bewerking

12 01 09*

halogeenvrije emulsies en oplossingen voor machinale bewerking

12 01 10*

synthetische machineolie

12 01 19*

biologisch gemakkelijk afbreekbare machineolie

13 01 04*

gechloreerde emulsies

13 01 05*

niet-gechloreerde emulsies

13 01 09*

gechloreerde minerale hydraulische olie

13 01 10*

niet-gechloreerde minerale hydraulische olie

13 01 11*

synthetische hydraulische olie

13 01 12*

biologisch gemakkelijk afbreekbare hydraulische olie

13 01 13*

overige hydraulische olie

13 02 04*

gechloreerde minerale motor-, transmissie- en smeerolie

13 02 05*

niet-gechloreerde minerale motor-, transmissie- en smeerolie

13 02 06*

synthetische motor-, transmissie- en smeerolie

13 02 07*

biologisch gemakkelijk afbreekbare motor-, transmissie- en smeerolie

13 02 08*

overige motor-, transmissie- en smeerolie

13 03 06*

niet onder 13 03 01 vallende gechloreerde minerale olie voor isolatie en warmteoverdracht

13 03 07*

niet-gechloreerde minerale olie voor isolatie en warmteoverdracht

13 03 08*

synthetische olie voor isolatie en warmteoverdracht

13 03 09*

biologisch gemakkelijk afbreekbare olie voor isolatie en warmteoverdracht

13 03 10*

overige olie voor isolatie en warmteoverdracht

13 08 02*

overige emulsies

13 08 99*

niet elders vermeld olieafval

20 01 26*

niet onder 20 01 25 vallende oliėn en vetten

 

Voornoemde afvalstoffen, die ontstaan tijdens de normale bedrijfsvoering van een schip, en waarvoor reeds een bijdrage betaald wordt omwille van andere internationale wetgeving, vallen niet onder het toepassingsgebied van de aanvaardingsplicht. 


bijlage 5.1.4. TARIEVEN VOOR INZAMELING EN VERWERKING HUISHOUDELIJKE AFVALSTOFFEN

De lokale besturen hanteren drie vormen van tarieven :

- de variabele invulling (onder meer retributies); 
- de forfaitaire afvalbelasting; 
- de algemene middelen van de lokale besturen. 

 

De hieronder gehanteerde vork van minima- en maximabedragen betreft de variabele invulling van de tarifering van onderstaande fracties. De volgende minima- en maximabedragen van toepassing :

Fractie brengmethode

minimum variabel

maximum variabel

zuiver steenpuin zonder milieurisico

0 euro/kg 

0,03 euro/kg

huisvuil

0,1 euro/kg

0,3 euro/kg

grofvuil

0,02 euro/kg 

0,3 euro/kg

Fractie haalmethode 

 

 

huisvuil  0,1 euro/kg   0,3 euro/kg 
grofvuil 0,05 euro/kg   0,6 euro/kg 

 

Omrekening van kg naar l huisvuil

1 huisvuilzak van 60 l = 7,5 kg

1 recipiėnt van 120 l = 15,0 kg

 

Omrekening van kg naar m3 grofvuil

1 m3 = 200 kg


BIJLAGE 5.2.3. MEDISCHE AFVALSTOFFEN

BIJLAGE5.2.3.A LIJST VAN HET MEDISCHE AFVAL

Risicohoudend medisch afval

 

1.1. Afval afkomstig van de geneeskundige behandeling van mensen en dieren besmet met een ziekte waarvan de wijze van overdracht niet bekend is, onder meer lassa-, ebola-, marburgkoorts, genetisch gemodificeerde organismen, of waarvan de overdracht via afval mogelijk is, onder meer anthrax.
1.2. Afval van laboratoria dat viraal en/of bacterieel besmet is en dat niet onder verantwoordelijkheid van de houder werd geautoclaveerd.
1.3. Alle bloed en bloedderivaten.
1.4. Alle scherpe voorwerpen.
1.5. Cytostatica en alle afval van cytostatica behandelingen.
1.6. Kunstnieren van patiėnten, besmet met één van de ziekten, vermeld in punt 1.1.
1.7. Anatomisch afval, pathologisch afval, orgaandelen of delen van ledematen die bij operatieve en obstetrische ingrepen vrijkomen, met uitzondering van de organische delen, bestemd voor transplantatie of recuperatie.

 

Niet-risicohoudend medisch afval

 

2.1. Verbanden, tissues, disposables, onderleggers, lakens met inbegrip van operatielakens, gebruikte al dan niet wegwerpoperatiekledij, -handschoenen, -schorten, -maskers, -mutsen, onderleggers met inbegrip van die met kleine hoeveelheden bloed en/of lichaamsvochten in geabsorbeerde toestand.
2.2. Lichaamsvochten, met uitzondering van bloed en zijn derivaten.
2.3. Katheters.
2.4. Lege bloedzakken.
2.5. Sondes.
2.6. Spuiten zonder naald.
2.7. Lege infusen en infuusleidingen.
2.8. Gipsafval en afval van kunststofgipsen.

 

BIJLAGE5.2.3.B LOGO RISICOHOUDEND MEDISCH AFVAL


Bijlage 5.2.3.C.

Lijst van de risicohoudende medische afvalstoffen die niet in aanmerking komen voor decontaminatie :

lichaamsdelen en organen die geļnfecteerd zijn met een infectieziekte waarbij het overdrachtmechanisme onbekend is;
gevaarlijke stoffen;
chemicaliėn die uit gevaarlijke stoffen bestaan of die chemicaliėn bevatten als vermeld in de CLP-verordening;
cytotoxische en cytostatische geneesmiddelen die nog radioactief zijn.


Al het afval dat vrijkomt bij bewuste vermeerdering van medisch onderzoek, ongeacht herkomst of soort besmetting waarvan het gebruik ingeperkt is volgens inperkingsniveau 3 of 4, moet in de ruimte van ontstaan geļnactiveerd worden, zoals beschreven in de sectorale voorwaarden voor inrichtingen, ingedeeld in rubriek 51 van de indelingslijst, vermeld in artikel 5.2.1, § 1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.


BIJLAGE 5.2.4. GEGEVENS OP HET CERTIFICAAT VAN VERNIETIGING VAN EEN VOERTUIG

Het certificaat van vernietiging van een afgedankt voertuig bevat minstens de volgende gegevens :

De gegevens van het erkend centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen : 
  a) naam; 
  b) voor- en achternaam van de verantwoordelijke zaakvoerder;  
  c) adres.   
De gegevens van de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit :
  a) naam van de autoriteit; 
  b) adres;  
  c) nummer van de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit; 
  d) aanvangsdatum van de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit; 
  e) geldigheidsduur van de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit.  
De gegevens van de erkenning als centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen :   
  a) naam van de autoriteit; 
  b) adres; 
  c) nummer van de erkenning als centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen; 
  d) aanvangsdatum van de erkenning als centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen; 
  e) geldigheidsduur van de erkenning als centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen. 
De gegevens van het voertuig : 
  a) merk; 
  b)  type; 
  c) categorie : M1 of N1; 
  d)  chassisnummer; 
  e) landcode indien gekend; 
  f) nummerplaat indien gekend. 
De gegevens van de laatste houder en/of eigenaar die het afgedankte voertuig aan het erkende centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen heeft aangeleverd : 
  a) voor- en achternaam; 
  b) adres; 
  c) nationaliteit; 
  d)  handtekening. 
Datum van afgifte van het certificaat van vernietiging. 
Een verklaring van de verantwoordelijke zaakvoerder dat het genoemde erkende centrum voor het depollueren, ontmantelen en vernietigen van afgedankte voertuigen het vermelde voertuig volgens de geldende wettelijke milieuregels heeft verwerkt en vernietigd en dat het inschrijvingsbewijs van het voertuig, indien dit het voertuig vergezelde, vernietigd werd, met de gedateerde handtekening van de verantwoordelijke zaakvoerder. 

Bijlage 5.2.10.A. AAN TE MELDEN INFORMATIE VOOR HET AANDOEN VAN DE HAVEN VAN ?.

AAN TE MELDEN INFORMATIE VOOR HET AANDOEN VAN DE HAVEN VAN ….

(Haven van bestemming als bedoeld in artikel 5.2.10.6 van dit besluit)

 

1. Naam, roepnaam en, indien van toepassing, IMO-identificatienummer van het schip:   
2. Vlaggenstaat:   
3. Vermoedelijke aankomsttijd (ETA):   
4. Vermoedelijke vertrektijd (ETD):   
5. Vorige aanloophaven:  
6. Volgende aanloophaven:   
7. Laatste haven en datum waarop het scheepsafval werd afgegeven, met inbegrip van de hoeveelheden (in m3) en de soorten afval die werden geleverd:   
8. Geeft u (aankruisen wat van toepassing is):   
   alle ☐  bepaalde ☐  geen ☐
  afvalstoffen van uw schip af bij havenontvangstvoorzieningen?   
9. Soort en hoeveelheid af te leveren en/of aan boord te houden scheepsafval en ladingresiduen, en percentage van de maximale opslagcapaciteit:   

 

 

Soort

Af te geven afval

(m3)

Maximale aparte opslag-capaciteit

(m3)

Hoeveelheid aan boord gehouden afval

(m3)

Haven waarin het resterende afval zal worden afgegeven

Geschatte hoeveelheid afval die tussen aanmelding en volgende aanloophaven ontstaat

(m3)

Afval dat is geleverd bij het laatste punt van levering genoemd onder punt 7 hierboven

(m3)

Afvalolie

Met olie verontreinigd ruimwater

 

 

 

 

 

 

Oliehoudende residuen (slib)

 

 

 

 

 

 

Overige (specificeren)

 

 

 

 

 

 

Afvalwater (1)

 

 

 

 

 

 

Vuilnis

Kunststof

 

 

 

 

 

 

Voedselrestanten

 

 

 

 

 

 

Huishoudelijk afval (bijv. papier en karton, poetslappen, glas, metaal, flessen, aardewerk enz.)

 

 

 

 

 

 

Spijsolie

 

 

 

 

 

 

Verbrandingsassen

 

 

 

 

 

 

Bedrijfsafval (2)

 

 

 

 

 

 

Dierlijke karkassen

 

 

 

 

 

 

Ladingresiduen (3

(specificeren)(4)

 

 

 

 

 

 

 

Opmerkingen

 

1.

Deze informatie kan worden gebruikt voor de havenstaatcontrole en andere inspectiedoeleinden.

2.

De lidstaten bepalen welke instanties afschriften van deze aanmelding ontvangen.

3. Dit formulier moet worden ingevuld tenzij het schip onder een vrijstelling overeenkomstig artikel 5.2.10.9 van dit besluit valt.

 

Hierbij verklaar ik dat:

 

-

de bovenstaande gegevens juist en volledig zijn, en

- er voldoende aparte opslagcapaciteit aan boord is voor alle afval dat ontstaat tussen deze aanmelding en de volgende haven waarin afval wordt afgegeven

 

Datum …

 

Tijdstip …

 

Handtekening”

 

_____________________________________________________________________________________________________________

 

(1) Afvalwater mag overeenkomstig voorschrift 11 van bijlage IV bij de Marpol-overeenkomst in zee worden geloosd. De desbetreffende vakken behoeven niet te worden ingevuld als het de bedoeling is een toegestane lozing in zee te verrichten.

(2) Bedrijfsafval moet worden verstaan zoals in de toepasselijke bijlage V van Marpol, regulation 1, definitie 12.

(3) Mogen schattingen zijn.

(4) Ladingresiduen moeten worden gespecificeerd en ingedeeld volgens de toepasselijke bijlagen van Marpol, in het bijzonder Marpol-bijlagen I, II en V.


BIJLAGE 5.2.10.B. BEREKENINGSWIJZE BIJDRAGE KOSTENDEKKINGSSYSTEEM

De onderstaande tabel geeft de relatie weer tussen scheepstype, tonnenmaat en verwachte afvalproductie.

 

De bijdrage, vermeld in het kostendekkingssysteem in afdeling 5.2.10, wordt geļnd door de beheerder van de aanloophaven van het schip.

 

De bijdrage wordt berekend door de factor uit de tabel te vermenigvuldigen met een bedrag dat de beheerder van de haven vaststelt. De bijdrage stemt altijd overeen met minstens een derde van de gemiddelde kosten die een schip moet betalen voor het gebruik van de havenontvangstvoorziening, met inbegrip van de behandeling en de verwijdering van het scheepsafval.

 

Het variabele deel kan door de beheerder van de haven worden teruggestort als werd aangetoond dat het Annex I-afval (Marpol 73/78) werd afgegeven conform de bepalingen van artikel 5.2.10.7.

 

De door de beheerders van de haven geļnde bijdragen van de schepen zullen volledig worden gebruikt om een deel van de kosten van de schepen voor het gebruik van de havenontvangstvoorzieningen voor scheepsafval, met inbegrip van de behandeling en verwijdering van het scheepsafval, te financieren.

 

Type > T _

< 5,000

5,000 -9,999

10,000 -14,999

15,000 -19,999

20,000 - 24,999

25,000 - 29,999

> 30,000

BULK

1

2

2

2

2

2

3

CONT

1

2

2

3

3

4

6

CARGO

1

2

2

2

3

3

3

KOEL

1

2

2

2

 

 

 

GAST

1

2

2

2

2

4

4

OBO

1

2

2

2

2

2

5

RORO

1

2

2

2

3

4

4

VEHCA

1

2

2

2

2

2

2

TANK

1

2

2

2

3

3

3

OVERIGE

1

2

3

3

3

4

5

 

BULK : categorie bulk carrier (stortgoedschip)

CONT : categorie container ship (containerschip)

CARGO : categorie general cargoship (stukgoedschip)

KOEL : categorie fruitship (fruitschip)

GAST : categorie gastanker (gastanker)

OBO : categorie oilbulkoreship (olie-stortgoed-erts-schip)

RORO : categorie roll-on roll-off ship (roll-on-roll-off-schip)

VEHCA : categorie vehicle carrier (autoschip)

TANK : categorie tanker (tanker)

OVERIGE : overige 


Bijlage 10.4. Deelformulieren "Afvalstoffenmelding voor producenten" en "Ingevoerde afvalstoffen door verwerkers"

 

 


BIJLAGE 10.7. BIJLAGE VIII BIJ HET HANDHAVINGSBESLUIT

Bijlage VIII bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en tot wijziging van diverse andere besluiten

 

Bijlage VIII. Lijst van milieu-inbreuken, in uitvoering van de artikelen 16.1.2, 1°, f) en 16.4.27, derde lid, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid

 

Enig artikel. Het niet voldoen aan of het geen gevolg geven aan de onderstaande wettelijke verplichtingen, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen, wordt beschouwd als een milieu-inbreuk :

 

Artikel

Wettelijke verplichting

3.2.1.1, §6

Het gedeelte van de kostprijs van een product dat wordt doorgerekend om de kosten te dekken die verbonden zijn aan de uitvoering van de aanvaardingsplicht, moet zichtbaar worden vermeld op de factuur, tenzij het anders is bepaald  in dit besluit, in de milieubeleidsovereenkomst of in het individuele afvalpreventie- en afvalbeheerplan.

3.2.1.1, §7

De eindverkoper van producten waarvoor de aanvaardingsplicht geldt, moet op een duidelijk zichtbare plaats in elk van zijn verkooppunten een bericht aanbrengen waarop onder de titel "AANVAARDINGSPLICHT" is aangegeven op welke wijze hij voldoet aan de bepalingen van dit besluit en op welke wijze de koper zich kan o