HOOFDSTUK 4.
Algemene bepalingen over het beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen


Afdeling 4.1.
Indeling van afvalstoffen


Art. 4.1.1.

Straat- en veegvuil, afval van straatvuilnisbakjes in beheer door een gemeente of intergemeentelijk samenwerkingsverband en afval van het opruimen van sluikstorten worden gelijkgesteld aan huishoudelijke afvalstoffen.


Art. 4.1.2.

Overeenkomstig artikel 22 van het Materialendecreet worden de volgende afvalstoffen als bijzondere afvalstoffen aangewezen :

drukwerkafval; 
afgedankte voertuigen; 
afvalbanden; 
afgedankte elektrische en elektronische apparatuur; 
afgedankte batterijen en accu’s; 
andere afvalolie dan de olie, vermeld in 16°, g);  
oude en vervallen geneesmiddelen;
gebruikte dierlijke en plantaardige vetten en oliën; 
gebruikte wegwerpluiers; 
10° fvallandbouwfolies; 
11° zwerfvuil; 
12° afval van schepen van de zee- en binnenvaart; 
13° gebruikte injectienaalden; 
14° afgedankte fotovoltaïsche zonnepanelen; 
15° bagger- en ruimingsspecie die vanuit bouwtechnisch of milieukundig oogpunt niet valoriseerbaar is om te gebruiken als bodem, voor bouwkundig bodemgebruik of in een vormvast product in het kader van titel III, hoofdstuk XIII, van het VLAREBO;
16° de volgende afvalstoffen die ontstaan bij het onderhouden, herstellen of slopen van motorvoertuigen, motorvaartuigen, motorvliegtuigen en hun toebehoren : 
  a) stof dat vrije asbestvezels bevat;  
  b) remschoenen, remschijven, remplaten, remblokken en koppelingsplaten die asbest bevatten;
  c) afgedankte batterijen en accu’s; 
  d) vervuilde of onbruikbare solventen; 
  e) destillatieresidu’s van solventrecuperatie, resten van verf, lak en vernis, slib van spuitcabines; 
  f) synthetische remvloeistof;  
  g) afvalolie; 
  h) vervuilde of onbruikbare brandstoffen; 
  i) koelvloeistoffen; 
  j) koelmiddelen die ozonafbrekende stoffen of gefluoreerde broeikasgassen bevatten;
  k) vervuilde filters van spuitcabines, spuitbussen, verpakkingen die gevaarlijke stoffen, met uitzondering van olie, hebben bevat of die door die stoffen werden verontreinigd en niet meer gebruikt worden; 
  l) oliehoudende stoffen, zoals oliefilters, brandstoffilters, gebruikt absorptiemateriaal, afvalstoffen uit de olie-waterafscheider, oliehoudende schokdempers, verpakkingen die olie hebben bevat of die door olie werden verontreinigd en niet meer gebruikt worden; 
  m) katalysatoren; 
  n) patronen van airbags, die chemicaliën bevatten;   
17° klein gevaarlijk afval; 
18° papier- en kartonafval; 
19° asbesthoudend afval; 
20° pvc-afval; 
21° afgedankte apparatuur en recipiënten die ozonafbrekende stoffen of gefluoreerde broeikasgassen bevatten; 
22° gebruikte pcb’s; 
23° medisch afval; 
24° bouw- en sloopafval;  
25° dierlijke bijproducten die voldoen aan de definitie van afvalstof; 
26° afvalstoffen van de titaandioxide-industrie; 
27° landbouwafvalstoffen;  
28° mijnbouwafvalstoffen;  
29° slib dat afkomstig is van de drinkwaterproductie, de reiniging van riolen, septische putten en vetvangers, en van waterzuiveringsinstallaties. 
30° afgedankte matrassen.
31° met fipronil verontreinigde pluimveemest: de mest, afkomstig van een pluimveebedrijf in het Vlaamse Gewest dat naar aanleiding van de fipronilcrisis geblokkeerd is, die op basis van een analyserapport van een laboratorium dat de Vlaamse overheid daarvoor erkend heeft, een totaal gehalte aan fipronil van meer dan 0,01 mg per kg verse stof bevat.

Art. 4.1.3.

Onder gevaarlijke afvalstoffen worden de afvalstoffen verstaan die in de lijst, vermeld in bijlage 2.1, met een asterisk zijn aangeduid.

 

De afvalstoffen, vermeld in het eerste lid, worden geacht minstens een van de gevaarlijke eigenschappen te bezitten als vermeld in verordening (EU) 1357/2014 van de Commissie van 18 december 2014 ter vervanging van bijlage III bij Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen of als vermeld in verordening (EU) 2017/997 van de Raad van 8 juni 2017 tot wijziging van bijlage III bij Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de gevaarlijke eigenschap HP 14 „Ecotoxisch".


Art. 4.1.4.

§ 1.

De minister kan op verzoek van de houder beslissen dat een specifieke op de lijst als gevaarlijk aangegeven afvalstof in individuele gevallen geen van de eigenschappen, vermeld in artikel 4.1.3, tweede lid, bezit en dus geen gevaarlijke afvalstof is.

 

Een declassering kan worden toegestaan voor een bepaalde afvalstof van een specifieke productieplaats en voor een specifieke productiestap binnen het productieproces.

 

§ 2.

De houder van de afvalstof dient per aangetekende brief een verzoek tot declassering in op het adres van de OVAM. De aanvraag moet minstens de volgende gegevens bevatten :

de identificatie van de houder; 
de identificatie van de maatschappelijke zetel en van de exploitatiezetel waarop het verzoek betrekking heeft; 
de aard van de afvalstof (de EURAL-code, vermeld in bijlage 2.1); 
een kopie van de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit voor het proces waaruit de afvalstof vrijkomt, indien van toepassing; 
een gedetailleerde beschrijving van de stap uit het productieproces waarin de afvalstof ontstaat. De beschrijving moet zo opgesteld worden dat aangetoond wordt waarom de gevaarlijke eigenschappen, vermeld in artikel 4.1.3, tweede lid, niet van toepassing zijn; 
voor de gevaarlijke eigenschappen HP3 tot en met HP8, HP10 en HP11 wordt aan de hand van analyseresultaten aangetoond dat de grenswaarden, vermeld in artikel 4.1.3, tweede lid, niet overschreden worden; 
7°  voor de andere gevaarlijke eigenschappen, vermeld in artikel 4.1.3, tweede lid, wordt gemotiveerd waarom ze niet aanwezig kunnen zijn in de afvalstof waarvoor het verzoek wordt ingediend. De houder van de afvalstof ondertekent en dateert het verzoek tot declassering. De naam en de functie van de ondertekenaar worden vermeld. 

 

De minister doet uitspraak binnen een termijn van drie maanden na de ontvangst van de aanvraag. Voorafgaand aan die uitspraak wint de minister het advies in van de OVAM.

 

De OVAM stuurt de beslissing op naar de houder van de afvalstof, per beveiligde zending, binnen een termijn van tien kalenderdagen na de datum van de beslissing.

 

Elke wijziging van de administratieve gegevens van de houder van de afvalstof wordt aan de OVAM meegedeeld.


Art. 4.1.5.

De minister kan in met redenen omklede uitzonderingssituaties, gemotiveerd op wetenschappelijke gronden, beslissen dat individuele afvalstoffen die op de lijst als niet-gevaarlijk zijn aangeduid, toch een of meer van de eigenschappen, vermeld in artikel 4.1.3, tweede lid, bezitten. Die afvalstoffen worden gevaarlijke afvalstoffen.

 

De EURAL-code van de afvalstof en de specifieke omstandigheden waarin de afvalstof als gevaarlijk wordt geklasseerd, worden bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad en gepubliceerd op de website van de OVAM.


Art. 4.1.6.

In afwijking van artikel 4.1.3 worden, voor zover dit selectief ingezameld huishoudelijk verpakkingsafval niet onder artikel 5.2.2.1, 10°, valt, niet als een gevaarlijke afvalstof beschouwd :

het selectief ingezameld afval van geledigde, leeggegoten of leeggeschraapte verpakkingen van huishoudelijke oorsprong die reinigings- of onderhoudsmiddelen hebben bevat die uitsluitend in waterige fase kunnen worden gebruikt, en die een of meer gevaarlijke stoffen hebben bevat die worden aangeduid door de pictogrammen GHS07 (uitroepingsteken), GHS05 (corrosief), subcategorie H318, overeenkomstig verordening (EG) 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels tot wijziging en intrekking van de richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG en tot wijziging van verordening (EG) 1907/2006 of door de pictogrammen Xi-irriterend en C-corrosief overeenkomstig de richtlijn 67/548/EEG van de Raad van 27 juni 1967 betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen en de richtlijn 1999/45/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 mei 1999 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke preparaten;
het selectief ingezameld afval van geledigde, leeggegoten of leeggeschraapte verpakkingen van huishoudelijke oorsprong die voeding of cosmetica hebben bevat, en die een of meer gevaarlijk stoffen hebben bevat die worden aangeduid door het pictogram GHS02 (ontvlambaar) overeenkomstig verordening (EG) 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels tot wijziging en intrekking van de richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG en tot wijziging van verordening (EG) 1907/2006 of door het pictogram F–ontvlambaar overeenkomstig de richtlijn 67/548/EEG van de Raad van 27 juni 1967 betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen en de richtlijn 1999/45/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 mei 1999 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke preparaten.

Afdeling 4.2.
Indeling van afvalstoffenhandelingen


Art. 4.2.1.

Onder verwijderingshandelingen van afvalstoffen als vermeld in artikel 3, 26°, van het Materialendecreet, worden de volgende handelingen verstaan :

 

EU-code

handelingen

D1

storten op of in de bodem (bijvoorbeeld op een vuilstortplaats)

D2

uitrijden (bijvoorbeeld biologische afbraak van vloeibaar of slibachtig afval in de bodem)

D3

injectie in de diepe ondergrond (bijvoorbeeld injectie van verpompbare afvalstoffen in putten, zoutkoepels of van natuurlijk gevormde holten)

D4

opslag in waterbekkens (bijvoorbeeld het lozen van vloeibaar of slibachtig afval in putten, vijvers of lagunen)

D5

verwijderen op speciaal ingerichte locaties (bijvoorbeeld in afzonderlijk beklede, afgedekte cellen die van elkaar en van de omgeving afgeschermd zijn)

D6

lozen/storten in wateren, behalve zeeën en oceanen

D7

lozen/storten in zeeën en oceanen, inclusief inbrengen in de zeebodem

D8

biologische behandeling op een andere wijze dan de wijzen, vermeld in dit artikel, waardoor verbindingen of mengsels ontstaan die worden verwijderd volgens een van de methoden, vermeld in D1 tot en met D12

D9

fysisch-chemische behandeling op een andere wijze dan de wijzen, vermeld in dit artikel, waardoor verbindingen of mengsels ontstaan die worden verwijderd volgens een van de methoden, vermeld in D1 tot en met D12 (bijvoorbeeld verdampen, drogen, calcineren)

D10

verbranding op het land

D11

verbranding op zee (*)

D12

permanente opslag (bijvoorbeeld plaatsen van houders in mijnen)

D13

vermengen voorafgaand een van de handelingen, vermeld in D1 tot en met D12 (**)

D14

herverpakken, voorafgaand aan de behandelingen, vermeld in  D1 tot en met D13

D15

opslag, in afwachting van de behandelingen, vermeld in D1 tot en met D14 (met uitsluiting van voorlopige opslag die voorafgaat aan inzameling op de plaats van productie)

 

(*) verboden op grond van EU-wetgeving en internationale verdragen en overeenkomsten

 (**) als er geen andere passende D-code voorhanden is, kan dat voorbereidende handelingen, voorafgaand aan verwijdering, omvatten, inclusief voorbehandeling, zoals sorteren, verbrijzelen, verdichten, pelletiseren, drogen, versnipperen, conditioneren of scheiden, voorafgaand aan een van de handelingen, vermeld in D1 tot en met D12. 


Art. 4.2.2.

Onder handelingen voor de nuttige toepassing van afvalstoffen als vermeld in artikel 3, 23°, van het Materialendecreet, worden de volgende handelingen verstaan :

 

EU-code

handelingen

R1

hoofdgebruik als brandstof of als ander middel voor energieopwekking (*)

R2

terugwinning/regeneratie van oplosmiddelen

R3

recyclage/terugwinning van organische stoffen die niet als oplosmiddel worden gebruikt (met inbegrip van compostering en andere biologische omzettingsprocessen) (**)

R4

recyclage/terugwinning van metalen en metaalverbindingen (******)

R5

recyclage/terugwinning van andere anorganische materialen (***)

R6

regeneratie van zuren of basen

R7

terugwinning van bestanddelen die worden gebruikt om vervuiling tegen te gaan

R8

terugwinning van bestanddelen uit katalysatoren

R9

herraffinage van olie en ander hergebruik van olie

R10

uitrijden voor landbouwkundige of ecologische verbetering

R11

gebruik van afvalstoffen die bij een van de handelingen, vermeld in R1 tot en met R10 vrijkomen

R12

uitwisseling van afvalstoffen voor een van de handelingen, vermeld in R1 tot en met R11 (****)

R13

opslag van afvalstoffen voor een van de handelingen, vermeld in R1 tot en met R12 (met uitsluiting van tijdelijke opslag, voorafgaand aan inzameling op de plaats van productie)(*****)

 

(*) Hieronder vallen ook verbrandingsinstallaties die specifiek bestemd zijn om vast stedelijk afval te verwerken, op voorwaarde dat hun energie-efficiëntie ten minste :

  0,60 bedraagt bij installaties die voor 1 januari 2009 in bedrijf zijn en over een vergunning beschikken overeenkomstig het Decreet betreffende de omgevingsvergunning; 
 

0,65 bedraagt bij installaties waarvoor na 31 december 2008 een vergunning wordt afgegeven, zoals berekend met de volgende formule :

energie-efficiëntie = (Ep – (Ef + Ei)) / (0,97 × (Ew + Ef)),

waarbij : 

  a) Ep = de hoeveelheid energie die jaarlijks als warmte of elektriciteit wordt geproduceerd. Bij de berekening wordt energie in de vorm van elektriciteit vermenigvuldigd met een factor 2,6, en warmte die wordt geproduceerd voor commerciële toepassingen, met een factor 1,1 (in GJ/jaar); 
  b) Ef = de jaarlijkse energie-input in het systeem, afkomstig van brandstoffen die voor de productie van stoom worden gebruikt (in GJ/jaar); 
  c) Ew = de hoeveelheid energie die is besloten in de jaarlijks verwerkte hoeveelheid afvalstoffen, berekend aan de hand van de netto calorische waarde van de afvalstoffen (in GJ/jaar); 
  d) Ei = de hoeveelheid energie die jaarlijks wordt geïmporteerd, Ew en Ef niet meegerekend (in GJ/jaar); 
  e) 0,97 = correctiefactor om rekening te houden met energieverliezen via bodemas en straling. 

 

De waarde van de energie-efficiëntieformule wordt op de onderstaande wijze met een klimaatcorrectiefactor (CCF) vermenigvuldigd :

1.

CCF voor installaties die vóór 1 september 2015 in bedrijf zijn en over een vergunning beschikken overeenkomstig het toepasselijke Unierecht :
  CCF = 1 als HDD >= 3 350
  CCF = 1,25 als HDD <= 2 150
  CCF = – (0,25/1 200) × HDD + 1,698 als 2 150 < HDD < 3 350
2. CCF voor installaties waarvoor na 31 augustus 2015 een vergunning wordt afgegeven en voor installaties bedoeld in punt 1 na 31 december 2029 :
  CCF = 1 als HDD >= 3 350
  CCF = 1,12 als HDD <= 2 150
  CCF = – (0,12/1 200) × HDD + 1,335 als 2 150 < HDD < 3 350

(De daaruit resulterende CCF-waarde zal worden afgerond tot op drie decimalen). Als HDD-waarde (Heating Degree Days — graaddagen voor verwarming) moet het gemiddelde van de jaarlijkse HDD-waarden voor de locatie van de verbrandingsinstallatie gelden, berekend over een periode van 20 opeenvolgende jaren vóór het jaar waarvoor de CCF wordt berekend.


De HDD-waarde moet aan de hand van de volgende door Eurostat vastgestelde methode worden berekend : HDD is gelijk aan (18 °C – Tm) × d als Tm minder bedraagt dan of gelijk is aan 15 °C (verwarmingsdrempel), en is gelijk aan nul als Tm meer bedraagt dan 15 °C, waarbij Tm de gemiddelde (Tmin + Tmax)/2 buitentemperatuur over een periode van d dagen is. De berekeningen moeten dagelijks worden uitgevoerd (d = 1) en voor een heel jaar worden opgeteld.


De formule wordt toegepast overeenkomstig het Europese referentiedocument over de beste beschikbare technieken voor afvalverbranding. De berekeningswijze en de toepassing van de formule worden goedgekeurd en geverifieerd door de OVAM.

 

(**) Hieronder vallen voorbereiding voor hergebruik, vergassing en pyrolyse waarbij de componenten worden gebruikt als chemicaliën en nuttige toepassing van organisch materiaal in de vorm van opvulling.

(***) Hieronder vallen voorbereiding voor hergebruik, recycling van anorganisch bouwmateriaal, nuttige toepassing van anorganische materialen in de vorm van opvulling, en bodemreiniging die resulteert in sanering van de bodem.

(****) Als er geen andere passende R-code voorhanden is, kan dat voorbereidende handelingen, voorafgaand aan nuttige toepassing, omvatten, inclusief voorbehandeling, zoals demonteren, sorteren, verbrijzelen, verdichten, pelletiseren, drogen, versnipperen, conditioneren, herverpakken, scheiden of mengen, voorafgaand aan een van de handelingen, vermeld in R1 tot en met R11.

(*****) Tijdelijke opslag als vermeld in dit artikel, betekent voorlopige opslag die niet plaatsvindt op de plaats van de productie. 

(******) Hieronder valt voorbereiding voor hergebruik.


Afdeling 4.3.
Afzonderlijke inzameling van afvalstoffen


Art. 4.3.1.

Ten minste de volgende huishoudelijke afvalstoffen moeten gescheiden worden aangeboden en verder afzonderlijk worden gehouden bij de ophaling of inzameling :

klein gevaarlijk afval van huishoudelijke oorsprong; 
glazen flessen en bokalen; 
papier- en kartonafval; 
grofvuil; 
groenafval; 
textielafval; 
afgedankte elektrische en elektronische apparatuur; 
afvalbanden; 
puin; 
10° asbestcementhoudende afvalstoffen; 
11° pmd-afval;
12° afgedankte matrassen;
13° recycleerbare harde kunststoffen;
14° gebruikte dierlijke en plantaardige vetten en oliën.

 

Ten minste de volgende huishoudelijke afvalstoffen moeten gescheiden worden aangeboden en verder afzonderlijk worden gehouden bij de ophaling of inzameling, of, indien aantoonbaar niet mogelijk, naderhand uitgesorteerd worden :

houtafval; 
metaalafval. 

Art. 4.3.2.

Tenminste de volgende bedrijfsafvalstoffen moeten gescheiden worden aangeboden door de afvalstoffenproducent en afzonderlijk worden gehouden bij de ophaling of inzameling :

klein gevaarlijk afval van vergelijkbare bedrijfsmatige oorsprong; 
glasafval; 
papier- en kartonafval; 
gebruikte dierlijke en plantaardige oliën en vetten; 
groenafval; 
textielafval; 
afgedankte elektrische en elektronische apparatuur; 
afvalbanden; 
puin; 
10° afvalolie; 
11° gevaarlijke afvalstoffen; 
12° asbestcementhoudende afvalstoffen; 
13° afgedankte apparatuur en recipiënten die ozonafbrekende stoffen of gefluoreerde broeikasgassen bevatten;  
14° afvallandbouwfolies; 
15° afgedankte batterijen en accu’s. 
16° pmd-afval.
17° houtafval; 
18° metaalafval;
19° afgedankte matrassen;
20° recycleerbare harde kunststoffen;
21° geëxpandeerd polystyreen;
22° folies.
23° keukenafval en etensresten;
24° levensmiddelenafval.

 

Onder het woord geëxpandeerd polystyreen, vermeld in het eerste lid, 21°, wordt verstaan: zuiver piepschuim van verpakkingen met bolletjesstructuur.

 

Het eerste lid, 23° en 24°, geldt voor:

bedrijven en instellingen, waar regelmatig en minstens éénmaal per week warme maaltijden worden geserveerd of bereid:

 

a)

onderwijsinstellingen met meer dan driehonderd leerlingen;

 

b)

ziekenhuizen en psychiatrische ziekenhuizen met meer dan vijfentwintig erkende bedden;
 

c)

woonzorgcentra met een erkende capaciteit van meer dan dertig bedden;
 

d)

penitentiaire centra;

 

e)

kazernes van de strijdmachten met meer dan honderd werknemers;

 

f)

bedrijven en instellingen met meer dan honderd werknemers;
 

g)

restaurants, brasserieën en hotels met meer dan vijftig maaltijden per dag;
 

h)

feestzalen en polyvalente zalen met een capaciteit van meer van tweehonderdvijftig zitplaatsen;
 

i)

cateringbedrijven.
super- en hypermarkten met een netto verkoopsoppervlakte van vierhonderd vierkante meter.

 

De afvalstoffenproducent die bedrijfsrestafval heeft en die een beroep doet op een inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar van bedrijfsrestafval is verplicht een contract af te sluiten waarin de afvalfracties, vermeld in het eerste lid, en hun vooropgestelde inzamelwijze duidelijk vermeld worden.

 

In afwijking van het eerste lid mag de afvalstoffenproducent verschillende afvalfracties die in aanmerking komen voor hoogwaardige materiaalrecyclage, waaronder minstens houtafval, metaalafval en recycleerbare harde kunststoffen, samenvoegen in hetzelfde recipiënt, onder de volgende cumulatieve voorwaarden:

het zijn droge, niet-gevaarlijke afvalfracties waarbij de samenvoeging van de fracties het uitsorteren en de hoogwaardige verwerking van de afzonderlijke afvalfracties niet verhindert;
het recipiënt wordt overgebracht naar een vergunde sorteerinrichting waar de fracties volledig worden uitgesorteerd;
de afvalstoffenproducent daarover een contract heeft gesloten met een inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar, waarin de samengevoegde fracties worden gespecificeerd.

 

In afwijking van het vierde lid geldt dat het sluiten van een contract voor het bedrijfsrestafval niet verplicht is als voldaan is aan de volgende cumulatieve voorwaarden:

het bedrijfsrestafval van de afvalstoffenproducent is vergelijkbaar naar aard, samenstelling en hoeveelheid met huishoudelijke afvalstoffen;
het bedrijfsrestafval van de afvalstoffenproducent wordt ingezameld in één ronde met huishoudelijk afval;
voor de inzameling van het bedrijfsrestafval worden de kosten aangerekend overeenkomstig artikel 10 van het decreet betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen.

 

[...]


Art. 4.3.3.

§ 1.

Een sloopopvolgingsplan is vereist bij: 

sloop-, renovatie- of ontmantelingswerken bij gebouwen waarvoor een omgevingsvergunning vereist is en waarvan het totale bouwvolume groter is dan 1000 m³ voor alle niet-residentiële gebouwen waarop de vergunning betrekking heeft, of groter dan 5000 m³ voor alle in hoofdzaak residentiële gebouwen, met uitzondering van eengezinswoningen, waarop de vergunning betrekking heeft;
sloop-, renovatie- of ontmantelingswerken in het kader van infrastructuurwerken waarvoor een omgevingsvergunning vereist is en waarvan het volume groter is dan 250 m³ en onderhoudswerken aan infrastructuur waarvoor een omgevingsvergunning vereist is en waarvan het volume groter is dan 250 m³.

 

Het sloopopvolgingsplan wordt opgesteld in opdracht van de aanvrager van de omgevingsvergunning.

 

§ 2.

Het sloopopvolgingsplan omvat de identificatie van de werf met daaraan gekoppeld een overzicht van alle afvalstoffen die zullen vrijkomen.

 

Per afvalstof worden de volgende gegevens opgenomen:

 

de benaming;
de bijbehorende EURAL-code, vermeld in bijlage 2.1;
de vermoedelijke hoeveelheid, uitgedrukt in hoeveelheid of gewicht;
de plaats in het gebouw of infrastructuurwerk waar de afvalstof voorkomt, alsook de verschijningsvorm ervan;

de wijze waarop de afvalstof overeenkomstig artikel 4.3.2 tijdens de sloop-, renovatie, onderhouds- en ontmantelingswerken selectief zal worden ingezameld, opgeslagen en afgevoerd.

 

Het sloopopvolgingsplan wordt opgesteld op basis van een standaardprocedure die wordt vastgesteld door de minister, op voorstel van de OVAM.

 

§ 3.

Het sloopopvolgingsplan maakt deel uit van het vergunningsaanvraagdossier, de aanbestedingsdocumenten, de prijsvraag en de contractuele documenten.

 

§ 4.

De uitvoerder van bouw-, infrastructuur-, sloop-, ontmantelings- en renovatiewerken bezorgt alle kopieën van de identificatieformulieren en alle afgiftebewijzen van de afgevoerde afvalstoffen die verkregen zijn bij selectieve sloop of ontmanteling, voor de oplevering van de sloop- of ontmantelingswerken aan de houder van de omgevingsvergunning.

 

De houder van de omgevingsvergunning houdt alle identificatieformulieren en alle afgiftebewijzen bij gedurende een periode van vijf jaar


Art. 4.3.4.

Als de volgende afvalstoffen die afkomstig zijn van de zeevaart, gescheiden worden aangeboden, moeten die afzonderlijk worden gehouden bij de ophaling of inzameling :

hout;
voedselafval, inclusief internationaal keukenafval;  
spijsolie en -vetten; 
papier en karton; 
metaal; 
glazen flessen en bokalen;   
as van de verbrandingskamer; 
dierlijke karkassen; 
vistuig; 
10° cargoresiduen; 
11° grijs water;  
12° zwart water 
13° andere kleine gevaarlijke afvalstoffen, zoals : 
a) batterijen; 
b) verfafval; 
c) afgedankte vuurpijlen; 
d) lichtarmaturen; 
14° oliehoudende vaste afvalstoffen; 
15° bilges en sludge; 
16° andere occasionele afvalstoffen, zoals : 
a) waswater dat afkomstig is van het cleanen van de ruimen; 
b) sediment uit de ballastwatertanks;
c) hull biofouling; 
d) antifouling paintresidues; 
e) sludge, afkomstig van afvalwaterbehandeling aan boord;  
f) afval, afkomstig van apparatuur ter voorkoming van luchtemissies; 
g) afgedankte elektrische en elektronische apparatuur. 
17° niet recycleerbaar plastic en mengsels van plastics met andere afvalstoffen;
18° recycleerbare plastics, inclusief geëxtrudeerd polystyreen en andere vergelijkbare plastics;
19° aluminium drankblikjes.

 

In afwijking van het eerste lid mag de inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar verschillende afvalfracties die in aanmerking komen voor hoogwaardige materiaalrecyclage, alsook houtafval, samenvoegen in hetzelfde recipiënt, onder de volgende cumulatieve voorwaarden:

het zijn [...] afvalfracties waarbij de samenvoeging van de fracties het uitsorteren en de hoogwaardige verwerking van de afzonderlijke afvalfracties niet verhindert;
het recipiënt wordt overgebracht naar een vergunde sorteerinrichting waar de fracties volledig worden uitgesorteerd;
de afvalstoffenproducent, zijn agent of zijn vertegenwoordiger in de haven, daarover een contract heeft afgesloten met een inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar, waarin de samengevoegde fracties worden gespecifieerd.

 


Art. 4.3.5.

§ 1.

In dit artikel wordt verstaan onder sloopmateriaal: materiaal dat afkomstig is van bouw-, infrastructuur-, sloop-, ontmantelings- of renovatiewerken.

 

Voor de puinfractie van sloopmateriaal afkomstig van de activiteiten zoals vermeld in artikel 4.3.3, paragraaf 1, die selectief ingezameld werd in uitvoering van een sloopopvolgingsplan en afgevoerd wordt naar een inrichting voor de productie van gerecycleerde granulaten onder het eenheidsreglement, kan voorafgaandelijk aan de afvoer een verwerkingstoelating afgeleverd worden door een erkende sloopbeheerorganisatie. Deze verwerkingstoelating attesteert de selectieve inzameling van de puinfractie van het sloopmateriaal.

 

Voor alle ander sloopmateriaal, dat selectief is ingezameld in uitvoering van een goedgekeurd sloopopvolgingsplan, kan een erkende sloopbeheerorganisatie eveneens een verwerkingstoelating afleveren voorafgaandelijk aan de afvoer. Deze verwerkingstoelating attesteert de selectieve inzameling van het sloopmateriaal.

 

§ 2.

Voor de puinfractie van sloopmateriaal afkomstig van de activiteiten zoals vermeld in artikel 4.3.3, paragraaf 1, waarvoor een verwerkingstoelating is afgeleverd en dat verwerkt is in een inrichting voor de productie van gerecycleerde granulaten onder het eenheidsreglement, kan een sloopattest afgeleverd worden door een erkende sloopbeheerorganisatie.

 

Voor alle ander sloopmateriaal waarvoor een verwerkingstoelating is afgeleverd, kan een erkende sloopbeheerorganisatie eveneens een sloopattest afleveren

 

§ 3.

Het sloopattest attesteert de selectieve inzameling van het sloopmateriaal en de traceerbaarheid van de herkomst tot aan de gecontroleerde verwerking van de sloopmaterialen. Het sloopattest wordt pas afgeleverd nadat het traceerbaarheidssysteem van een erkende sloopbeheerorganisatie correct is doorlopen, zodat er garanties zijn over de kwaliteit van het puin.


De voorwaarden waaraan een traceerbaarheidssysteem moet voldoen, worden opgenomen in een standaardprocedure die wordt vastgesteld door de minister, op voorstel van OVAM.

 

De standaardprocedure bepaalt:

de wijze van opmaak van een sloopopvolgingsplan door een deskundige;
de voorwaarden tot het behalen van een conformiteitsverklaring door een erkende sloopbeheerorganisatie binnen dertig dagen na de ontvangst van het sloopopvolgingsplan. Die conformiteitsverklaring kan een advies bevatten over de hergebruiks- en verwerkingsmogelijkheden van de sloopmaterialen;
de voorwaarden waaronder een controleverslag door een deskundige vereist is en de wijze van opmaak van het controleverslag. Het controleverslag moet worden goedgekeurd door een erkende sloopbeheersorganisatie;
de voorwaarden tot het aanvragen en het verkrijgen van een verwerkingstoelating door een erkende sloopbeheersorganisatie binnen vijf dagen na de ontvangst van de aanvraag voor de afvoer en verwerking van sloopmateriaal door de uitvoerder van de bouw-, infrastructuur-, sloop-, ontmantelings- en renovatiewerken, voorafgaand aan de afvoer en verwerking van het sloopmateriaal bij de bestemmeling;
een controlesysteem dat het mogelijk maakt het transport van herkomst tot aan de gecontroleerde verwerking te traceren. Dit controlesysteem bevat minstens de verplichte vermelding van de aanwezigheid van een verwerkingstoelating in de identificatieformulieren bij het transport van sloopmateriaal en in het acceptatieregister;
het opsturen van een ontvangstbevestiging van de geleverde hoeveelheid sloopmateriaal door de bestemmeling van het materiaal naar de erkende sloopbeheersorganisatie;

de voorwaarden voor de aflevering en de inhoud van een sloopattest door de erkende sloopbeheerorganisatie binnen een termijn van dertig dagen na de ontvangst van de aanvraag.


De minister kan nadere regels vaststellen voor de procedure tot aanvraag van een sloopattest.


Art. 4.3.6.

§ 1.

Om als sloopbeheerorganisatie erkend te worden en erkend te blijven, moet de organisatie aan de volgende voorwaarden voldoen:

opgericht zijn als een vereniging zonder winstoogmerk conform de wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen, en als leden alleen organisaties hebben zonder winstgevend doel;
voldoende representatief zijn voor de verschillende sectoren die betrokken zijn bij de uitvoering van bouw- en sloopwerken. Een sloopbeheerorganisatie is representatief als in de raad van bestuur twee of meer beroepsorganisaties zitten die voldoende representatief zijn voor de sectoren die actief zijn in de uitvoering van bouw- en sloopwerken;
de leden van de raad van bestuur kunnen aantonen dat ze voldoende onafhankelijk zijn van individuele bedrijven;
als statutair doel ‘het afleveren van sloopattesten, het leveren van studiewerk over selectieve sloop, het slopen en verwerken van afvalstoffen afkomstig van bouw- en sloopwerken en het verstrekken van informatie en advies over bouw- en sloopmaterialen’ hebben;
een of meer natuurlijke personen in dienst hebben die samen een grondige kennis hebben van milieu en traceerbaarheidssystemen;
voldoen aan een intern systeem dat de organisatie in staat stelt de taken die opgelegd zijn krachtens dit besluit, correct en kwaliteitsvol uit te voeren, met inbegrip van de uitvoering van steekproefsgewijze werfcontroles en het bijhouden van de volgende registers, die ter inzage van de toezichthoudende overheid op de exploitatiezetel liggen:
  a) een klachtenregister;
  b) een register van de sloopopvolgingsplannen, met inbegrip van de opmerkingen van de slooporganisatie op die verslagen. De sloopopvolgingsplannen inclusief de opmerkingen van de slooporganisatie worden gedurende een termijn van vijf jaar bewaard;
  c) een register van conformverklaringen van selectieve sloop. Die conformverklaringen worden gedurende een termijn van vijf jaar bewaard;
  d) een register van de sloopattesten. De sloopattesten worden gedurende een termijn van vijf jaar bewaard;
beschikken over een traceerbaarheidssysteem dat minstens voldoet aan de voorwaarden, vermeld in artikel 4.3.5, § 3;
beschikken over een verzekering die haar beroepsaansprakelijkheid dekt;
voor de bestuurders en de personen die de rechtspersoon kunnen verbinden: beschikken over burgerlijke en politieke rechten en de laatste vijf jaar geen strafrechtelijke veroordeling opgelopen hebben voor overtredingen van de milieuwetgeving in een lidstaat van de Europese Unie;
10° op verzoek van de OVAM de gegevens verstrekken over specifieke transporten;
11° op verzoek van de OVAM de gegevens verstrekken over de aard, de herkomst, de kwaliteit en de kwantiteit van de materiaalstromen, zoals opgenomen in het sloopattest.


In de gevallen, vermeld in het eerste lid, 9° en 10°, worden alle documenten in een leesbare en verstaanbare vorm aan de OVAM bezorgd.

 

§ 2.

De grondige kennis, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 5°, wordt aangetoond aan de hand van een curriculum vitae of een interview, afgenomen door en op verzoek van de OVAM, of academische diploma’s, diploma’s van het hoger onderwijs van het lange type in een wetenschappelijke richting, of met daarmee gelijkgestelde diploma’s, uitgereikt in een lidstaat van de Europese Unie.


Art. 4.3.7.

De aanvraag om erkend te worden als sloopbeheerorganisatie wordt met een beveiligde zending gericht aan de minister, op het adres van de OVAM.


Om ontvankelijk te zijn, bevat de aanvraag tot erkenning minstens de volgende gegevens:

de statuten van de rechtspersoon;
de namen van de natuurlijke personen die door de rechtspersoon aangesteld zijn als verantwoordelijk persoon;
het bewijs van de grondige kennis van milieu en traceerbaarheidssystemen, vermeld in artikel 4.3.6, § 1, eerste lid, 5°;
een onvoorwaardelijke verbintenis waarin de aanvrager verklaart dat hij de gegevens waarover hij zal beschikken, toegankelijk zal beheren;
een onvoorwaardelijke verbintenis waarin de aanvrager verklaart dat hij binnen dertig dagen na de erkenning een verzekering voor beroepsaansprakelijkheid zal afsluiten als vermeld in artikel 4.3.6, § 1, eerste lid, 8°, en de OVAM van de afgesloten polis op de hoogte zal brengen;
een verklaring dat de bestuurders en de personen die de rechtspersoon kunnen verbinden, de laatste vijf jaar geen strafrechtelijke veroordeling opgelopen hebben voor overtredingen van milieuwetgeving in een lidstaat van de Europese Unie;
een recent attest waaruit blijkt dat de aanvrager aan zijn sociale en fiscale verplichtingen voldaan heeft.

Art. 4.3.8.

De aanvragen tot erkenning als sloopbeheerorganisatie worden behandeld volgens de volgende procedure:

de OVAM stuurt binnen een termijn van dertig dagen na de datum van ontvangst van de aanvraag een ontvangstbewijs naar de aanvrager, waarbij ze zich ook uitspreekt over de ontvankelijkheid van de aanvraag;
de OVAM verklaart de aanvraag ontvankelijk of verzoekt om de nodige aanvullingen.
 

Als de OVAM niet binnen de termijn, vermeld in punt 1°, om aanvullingen heeft verzocht, wordt de aanvraag geacht ontvankelijk te zijn.

Als de OVAM binnen de termijn, vermeld in punt 1°, om aanvullingen verzoekt, wordt de aangevulde aanvraag opnieuw met een beveiligde zending naar de OVAM gestuurd.

De OVAM stuurt binnen een termijn van dertig dagen na de datum van ontvangst van de aangevulde aanvraag het ontvangstbewijs naar de aanvrager, waarbij de OVAM zich ook uitspreekt over de ontvankelijkheid van de aangevulde aanvraag;

de OVAM onderzoekt de ontvankelijke aanvraag en stuurt die samen met haar advies binnen een termijn van negentig dagen na de datum van het ontvangstbewijs van de ontvankelijke aanvraag naar de minister;
de minister neemt binnen een termijn van honderdtwintig dagen na de datum van het ontvangstbewijs van de ontvankelijke aanvraag een beslissing over de erkenning;
binnen een termijn van honderdvijftig dagen na de datum van het ontvangstbewijs van de ontvankelijke aanvraag wordt de beslissing over de erkenning door de OVAM met een beveiligde zending aan de aanvrager betekend. De erkenningsbeslissing wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.

Art. 4.3.9.

De minister kan de erkenning op elk moment schorsen voor een termijn van maximaal zes maanden in de volgende gevallen:

de houder van de erkenning voert de taken waarmee hij met toepassing van dit besluit is belast, niet reglementair of niet objectief uit;
de houder van de erkenning voldoet niet meer aan de erkenningsvoorwaarden, vermeld in artikel 4.3.6;
de houder van de erkenning begaat onregelmatigheden bij het uitreiken van conformverklaringen selectieve sloop, verwerkingstoelatingen en/of sloopattesten;
de houder van de erkenning is bij een vonnis of arrest dat in kracht van gewijsde is gegaan, veroordeeld voor een misdrijf dat door de aard ervan de beroepsmoraal van de betrokken rechtspersoon aantast;
de houder van de erkenning heeft zich niet onafhankelijk getoond ten opzichte van betrokkenen.


De minister brengt de houder van de erkenning met een beveiligde zending op de hoogte van de voorgenomen beslissing tot schorsing, met vermelding van de redenen. Binnen een termijn van dertig dagen na de datum van ontvangst van die brief kan de houder van de erkenning alle nodige formaliteiten vervullen om de schorsing te voorkomen of kan hij zijn verweermiddelen aan de minister kenbaar maken.


De beslissing tot schorsing wordt door de OVAM met een beveiligde zending aan de houder van de erkenning betekend en wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.


De schorsing gaat in op de dertigste dag na de datum van de betekening van de beslissing aan de betrokkene.


Art. 4.3.10.

De minister kan de erkenning, vermeld in artikel 4.3.6, op elk moment opheffen in de volgende gevallen:

als de houder van de erkenning de taken waarmee hij is belast krachtens dit besluit herhaaldelijk niet reglementair of niet objectief uitvoert;
als de houder van de erkenning bij het verstrijken van de schorsingsperiode nog altijd niet voldoet aan de erkenningsvoorwaarden waarvoor hij met toepassing van artikel 4.3.9, eerste lid, 2°, geschorst is;
als de houder van de erkenning ernstige onregelmatigheden of bij herhaling onregelmatigheden begaat bij het uitreiken van conformverklaringen selectieve sloop, verwerkingstoelatingen en/of sloopattesten;
als de houder van de erkenning bij een vonnis of arrest dat in kracht van gewijsde is gegaan, veroordeeld is voor een misdrijf dat door de aard ervan de beroepsmoraal van de betrokken rechtspersoon in ernstige mate aantast;
als de houder van de erkenning zich niet onafhankelijk heeft getoond ten opzichte van betrokkenen.


De minister brengt de houder van de erkenning met een beveiligde zending op de hoogte van de voorgenomen beslissing tot opheffing, met vermelding van de redenen. Binnen een termijn van dertig dagen na de datum van ontvangst van die brief kan de houder van de erkenning alle nodige formaliteiten vervullen om de opheffing te voorkomen of kan hij zijn verweermiddelen aan de minister kenbaar maken.


De beslissing tot opheffing wordt door de OVAM met een beveiligde zending aan de houder van de erkenning betekend en wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt.


De opheffing gaat in op de dertigste dag na de datum van de betekening van de beslissing aan de betrokkene.


Art. 4.3.11. Erkenningen zijn niet overdraagbaar.

Art. 4.3.12.

De OVAM kan in geval van schorsing of opheffing van de erkenning van een sloopbeheerorganisatie de volgende taken overnemen:

de uitreiking van de conformverklaringen selectieve sloop;
de aflevering van de verwerkingstoelating;
de uitreiking van de sloopattesten.

Afdeling 4.4.
Algemene regels voor verwerking van afvalstoffen


Art. 4.4.1.

De toepassing van één van de volgende verwijderingshandelingen of de afvoer van afvalstoffen met het oog op het toepassen van één van de volgende verwijderingshandelingen, is verboden :

 

EU-code

handelingen

D2

uitrijden (bijvoorbeeld biologische afbraak van vloeibaar of slibachtig afval in de bodem)

D3

injectie in de diepe ondergrond (bijvoorbeeld injectie van verpompbare afvalstoffen in

putten, zoutkoepels of in natuurlijk gevormde holten)

D11

verbranding op zee


 


Art. 4.4.2.

Het is verboden om een afvalstof of beoogde grondstof te mengen met een of meer andere materialen om door de lagere concentratie van een of meer in de afvalstof aanwezige stoffen :

voor de aldus verdunde afvalstof een verwijderingsmethode in aanmerking te laten komen die voor de niet-verdunde afvalstof niet is toegelaten; 
een afvalstof die moet worden verwijderd, alsnog nuttig te kunnen toepassen; 
een afvalstof of beoogde grondstof die niet in aanmerking komt om te worden aangewend als of om te worden omgevormd tot een grondstof, alsnog te kunnen aanwenden als of om te vormen tot een grondstof. 

 


Art. 4.4.3. Het gebruik van stortkokers om huishoudelijke afvalstoffen af te voeren in appartementsgebouwen, is verboden.

Art. 4.4.4.

De volgende afvalstromen worden, na inzameling, op- of overslag of eventuele mechanische behandeling op een daartoe vergunde inrichting, gemeld aan een centraal meldpunt :

organisch-biologisch composteerbaar afval, dat vrijkomt : 
  a) in natuurgebieden en kleine landschapselementen; 
  b) bij aanleg en onderhoud van tuinen, plantsoenen, parken en vergelijkbare groenaanplantingen; 
  c) bij onderhoud van wegbermen en waterlopen; 
de deelfracties van bovengenoemde afvalstromen. 

 

Het centraal meldpunt kan deze afvalstromen naar een vergunde inrichting voor de meest geschikte nuttige toepassing sturen, onverminderd artikel 4, § 3, en artikel 8, § 1, van het Materialendecreet, en rekening houdende met volgende criteria :

- het vermijden van discriminatie; 
- effectiviteit en efficiëntie; 
- beschikbare verwerkingscapaciteiten; 
- minimale transportafstanden. 

 

De minister stelt hiervoor nadere maatregelen vast.


Art. 4.4.5.

Aan boord van een schip of ander vervoersmiddel zijn de volgende handelingen op olie-watermengsels verboden:

het opwarmen met als enige doel het verkrijgen van een efficiëntere scheiding;
het toevoegen van chemicaliën, afvalstoffen of andere producten;
een opmenging met waswaters die afkomstig zijn van het spoelen van ruimen en tanks die chemicaliën hebben bevat.

Afdeling 4.5.
Stort- en verbrandingsverboden


Art. 4.5.1.

Voor de volgende afvalstoffen zijn de verwerkingshandelingen “D1 – storten op of in de bodem” en “D5 – verwijderen op speciaal ingerichte locaties”, alsook de afvoer voor het toepassen van de verwijderingshandeling “D1 – storten op of in de bodem” en “D5 – verwijderen op speciaal ingerichte locaties”, verboden:

afvalstoffen waarvoor conform artikel 4.5.2 van dit besluit een verbrandingsverbod geldt;
oude en vervallen geneesmiddelen;
andere brandbare afvalstoffen zoals wordt verstaan onder artikel 46, §1, van het Materialendecreet.

 

In afwijking van het eerste lid vallen brandbare recyclageresidu's waarvoor conform artikel 46, §2, van het Materialendecreet een verlaagde heffing geldt voor het storten ervan en recyclageresidu’s van fysicochemische grondreiniging conform artikel 46, §1, 6° tot en met 8°, niet onder het stortverbod.


Art. 4.5.2.

§ 1.

Onverminderd artikel 6.11.1 van titel II van het VLAREM, zijn voor de volgende afvalstoffen  de verwerkingshandelingen “R1 - hoofdgebruik als brandstof of als ander middel voor energieopwekking” en “D10 - verbranding op het land”, alsook de afvoer voor het toepassen van de verwerkingshandelingen “R1 - hoofdgebruik als brandstof of als ander middel voor energieopwekking” en “D10 - verbranding op het land”, verboden:

afvalstoffen die voor de recyclage ervan afzonderlijk zijn ingezameld;
afvalstoffen die door hun aard of hun hoeveelheid of hun homogeniteit overeenkomstig de meest geschikte en beschikbare technieken in aanmerking komen voor hergebruik of recyclage, al dan niet na voorbehandeling of verdere uitsortering ;
huishoudelijk restafval dat niet conform artikel 4.3.1 werd ingezameld;
bedrijfsrestafval dat niet conform afdeling 5.5 is beheerd;
grofvuil dat nog niet werd gesorteerd met als doel de recycleerbare materialen te valoriseren.

 

§ 2.

Voor gesmolten dierlijke vetten afgeleid van categorie 3-materiaal is verstoking en verbranding verboden.

 

§ 3.

In afwijking van paragraaf 1 vallen de volgende afvalstoffen niet onder het verbrandingsverbod:

onbehandeld houtafval dat in de houtverwerkende industrie wordt geproduceerd en dat door de producent in de eigen onderneming nuttig wordt toegepast als energiebron;
de houtige fractie afkomstig van het behandelen van plagsel en choppermateriaal;
recyclageresidu's waarvoor conform artikel 46, §1, van het Materialendecreet een verlaagde heffing geldt voor het verbranden of meeverbranden ervan.

 


Art. 4.5.3.

§ 1.

De minister kan bij gemotiveerd besluit individuele afwijkingen toestaan van de verbodsbepalingen, vermeld in artikel 4.5.1, eerste lid, en artikel 4.5.2, §1.

 

§ 2.

De afwijking wordt schriftelijk aan de OVAM aangevraagd door de exploitant van de stortplaats of verbrandingsinstallatie of, in geval van uitvoer van de afvalstoffen, door de afvalstoffenproducent, -makelaar of -handelaar.

 

De OVAM bepaalt de vorm van de afwijkingsaanvraag. De afwijkingsaanvraag bevat de volgende elementen:

de identificatie van de aanvrager;
de identificatie van de afvalstof;
de motivering voor de afwijkingsaanvraag;
de periode waarvoor de afwijking wordt aangevraagd.

 

De OVAM verleent binnen 45 kalenderdagen na de ontvangst van de volledig verklaarde aanvraag een advies aan de minister. De minister doet uitspraak over de afwijkingsaanvraag binnen negentig kalenderdagen na de indiening ervan. De beslissing van de minister wordt met een beveiligde zending bezorgd aan de aanvrager binnen veertien kalenderdagen na de datum van de beslissing.

 

De afwijkingen kunnen voor maximaal vijf jaar worden toegestaan.

 

De verleende afwijkingen worden bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad en op de website van de OVAM.

 

§ 3.

De afwijkingsaanvraag voor artikel 4.5.2, § 2, wordt schriftelijk aangevraagd door de exploitant van de verbrandingsinstallatie of de exploitant van de installatie voor het verstoken van gesmolten dierlijke vetten afgeleid van categorie 3-materiaal. De aanvragen worden ingediend voor 1 december van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin men gesmolten dierlijke vetten afgeleid van categorie 3-materiaal wil verstoken of verbranden.


De afwijkingsaanvraag bevat de volgende elementen:

de vermelding van de verbodsbepalingen van dit besluit waarvoor de afwijking wordt aangevraagd;
de redenen die de afwijking motiveren, in het bijzonder in het licht van de aard en de hoeveelheden van de afvalstoffen, en de beschikbare verwerkingscapaciteit;
de vergunde en de geïnstalleerde verbrandings- of verstokingscapaciteit op het moment van de afwijkingsaanvraag.

 
Om de individuele afwijkingsaanvragen op gelijke basis te behandelen en tegelijkertijd een bepaalde mate van sturing in het kader van de afvalverwerkingshiërarchie te behouden, bepaalt de minister jaarlijks vóór 1 januari een contingent van gesmolten dierlijke vetten afgeleid van categorie 3-materiaal die het volgende jaar verbrand of verstookt mogen worden, en verdeelt dat contingent onder de aanvragen die voor 1 december werden ingediend. Aanvragen die na 1 december ingediend worden, kunnen niet meer meegenomen worden in de voormelde verdeling.

 

De verleende afwijkingen worden bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad en op de website van de OVAM.


Afdeling 4.6.
Verbod op sluikstorten en zwerfvuil


Art. 4.6.1.

Het is verboden om te sluikstorten.


Art. 4.6.2.

Het is verboden om zwerfvuil te creëren.