Afdeling 4.5.
Stort- en verbrandingsverboden


Art. 4.5.1.

Voor de volgende afvalstoffen zijn de verwerkingshandelingen “D1 – storten op of in de bodem” en “D5 – verwijderen op speciaal ingerichte locaties”, alsook de afvoer voor het toepassen van de verwijderingshandeling “D1 – storten op of in de bodem” en “D5 – verwijderen op speciaal ingerichte locaties”, verboden:

afvalstoffen waarvoor conform artikel 4.5.2 van dit besluit een verbrandingsverbod geldt;
oude en vervallen geneesmiddelen;
andere brandbare afvalstoffen zoals wordt verstaan onder artikel 46, §1, van het Materialendecreet.

 

In afwijking van het eerste lid vallen brandbare recyclageresidu's waarvoor conform artikel 46, §2, van het Materialendecreet een verlaagde heffing geldt voor het storten ervan en recyclageresidu’s van fysicochemische grondreiniging conform artikel 46, §1, 6° tot en met 8°, niet onder het stortverbod.


Art. 4.5.2.

§ 1.

Onverminderd artikel 6.11.1 van titel II van het VLAREM, zijn voor de volgende afvalstoffen  de verwerkingshandelingen “R1 - hoofdgebruik als brandstof of als ander middel voor energieopwekking” en “D10 - verbranding op het land”, alsook de afvoer voor het toepassen van de verwerkingshandelingen “R1 - hoofdgebruik als brandstof of als ander middel voor energieopwekking” en “D10 - verbranding op het land”, verboden:

afvalstoffen die voor de recyclage ervan afzonderlijk zijn ingezameld;
afvalstoffen die door hun aard of hun hoeveelheid of hun homogeniteit overeenkomstig de meest geschikte en beschikbare technieken in aanmerking komen voor hergebruik of recyclage, al dan niet na voorbehandeling of verdere uitsortering ;
huishoudelijk restafval dat niet conform artikel 4.3.1 werd ingezameld;
bedrijfsrestafval dat niet conform afdeling 5.5 is beheerd;
grofvuil dat nog niet werd gesorteerd met als doel de recycleerbare materialen te valoriseren.

 

§ 2.

Voor gesmolten dierlijke vetten afgeleid van categorie 3-materiaal is verstoking en verbranding verboden.

 

§ 3.

In afwijking van paragraaf 1 vallen de volgende afvalstoffen niet onder het verbrandingsverbod:

onbehandeld houtafval dat in de houtverwerkende industrie wordt geproduceerd en dat door de producent in de eigen onderneming nuttig wordt toegepast als energiebron;
de houtige fractie afkomstig van het behandelen van plagsel en choppermateriaal;
recyclageresidu's waarvoor conform artikel 46, §1, van het Materialendecreet een verlaagde heffing geldt voor het verbranden of meeverbranden ervan.

 


Art. 4.5.3.

§ 1.

De minister kan bij gemotiveerd besluit individuele afwijkingen toestaan van de verbodsbepalingen, vermeld in artikel 4.5.1, eerste lid, en artikel 4.5.2, §1.

 

§ 2.

De afwijking wordt schriftelijk aan de OVAM aangevraagd door de exploitant van de stortplaats of verbrandingsinstallatie of, in geval van uitvoer van de afvalstoffen, door de afvalstoffenproducent, -makelaar of -handelaar.

 

De OVAM bepaalt de vorm van de afwijkingsaanvraag. De afwijkingsaanvraag bevat de volgende elementen:

de identificatie van de aanvrager;
de identificatie van de afvalstof;
de motivering voor de afwijkingsaanvraag;
de periode waarvoor de afwijking wordt aangevraagd.

 

De OVAM verleent binnen 45 kalenderdagen na de ontvangst van de volledig verklaarde aanvraag een advies aan de minister. De minister doet uitspraak over de afwijkingsaanvraag binnen negentig kalenderdagen na de indiening ervan. De beslissing van de minister wordt met een beveiligde zending bezorgd aan de aanvrager binnen veertien kalenderdagen na de datum van de beslissing.

 

De afwijkingen kunnen voor maximaal vijf jaar worden toegestaan.

 

De verleende afwijkingen worden bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad en op de website van de OVAM.

 

§ 3.

De afwijkingsaanvraag voor artikel 4.5.2, § 2, wordt schriftelijk aangevraagd door de exploitant van de verbrandingsinstallatie of de exploitant van de installatie voor het verstoken van gesmolten dierlijke vetten afgeleid van categorie 3-materiaal. De aanvragen worden ingediend voor 1 december van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin men gesmolten dierlijke vetten afgeleid van categorie 3-materiaal wil verstoken of verbranden.


De afwijkingsaanvraag bevat de volgende elementen:

de vermelding van de verbodsbepalingen van dit besluit waarvoor de afwijking wordt aangevraagd;
de redenen die de afwijking motiveren, in het bijzonder in het licht van de aard en de hoeveelheden van de afvalstoffen, en de beschikbare verwerkingscapaciteit;
de vergunde en de geïnstalleerde verbrandings- of verstokingscapaciteit op het moment van de afwijkingsaanvraag.

 
Om de individuele afwijkingsaanvragen op gelijke basis te behandelen en tegelijkertijd een bepaalde mate van sturing in het kader van de afvalverwerkingshiërarchie te behouden, bepaalt de minister jaarlijks vóór 1 januari een contingent van gesmolten dierlijke vetten afgeleid van categorie 3-materiaal die het volgende jaar verbrand of verstookt mogen worden, en verdeelt dat contingent onder de aanvragen die voor 1 december werden ingediend. Aanvragen die na 1 december ingediend worden, kunnen niet meer meegenomen worden in de voormelde verdeling.

 

De verleende afwijkingen worden bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad en op de website van de OVAM.