Onderafdeling 5.2.10.
Afval van de zeevaart


Art. 5.2.10.1.

De bepalingen van deze onderafdeling zijn van toepassing op :

elk schip, vissersvaartuig en pleziervaartuig, ongeacht zijn vlag, dat een haven aandoet of daar in bedrijf is; 
alle havens die gewoonlijk worden aangedaan door schepen, vissersvaartuigen en pleziervaartuigen die gewoonlijk in het mariene milieu opereren.  

 

Oorlogsschepen, marinehulpschepen en andere schepen in eigendom of onder beheer van de overheid die uitsluitend voor een niet-commerciële overheidsdienst worden gebruikt, hoeven niet te voldoen aan de bepalingen van deze onderafdeling, met uitzondering van de afgifteplicht van afval van de scheepvaart.


Art. 5.2.10.2.

Elke beheerder van een haven zorgt voor de beschikbaarheid van havenontvangstvoorzieningen die toereikend zijn voor de behoeften van de schepen die hun havens gewoonlijk aandoen, zonder onnodig oponthoud van de schepen te veroorzaken.

 

De havenontvangstvoorzieningen zijn toereikend als ze geschikt zijn voor de ontvangst van de soorten en hoeveelheden scheepsafval en ladingresiduen van de schepen die de haven gewoonlijk aandoen, rekening houdend met de behoeften van de gebruikers van de haven, de grootte en de geografische ligging van de haven, het soort schepen dat de haven aandoet, en de vrijstellingen die verleend worden volgens de procedure, vermeld in artikel 5.2.10.9.


Art. 5.2.10.3.

§ 1.

De beheerder van een haven stelt een passend plan op voor de ontvangst en verwerking van scheepsafval. Het plan wordt door de minister, na overleg met de Vlaamse minister, bevoegd voor de openbare werken, goedgekeurd.

 

§ 2.

Het plan wordt uitgewerkt in overleg met de betrokken partijen, in het bijzonder met de havengebruikers of hun vertegenwoordigers.

 

§ 3.

Het plan moet betrekking hebben op alle soorten scheepsafval en ladingresiduen, afkomstig van schepen die gewoonlijk de haven in kwestie aandoen, en moet afgesteld zijn op de grootte van de haven en het soort schepen dat die haven aandoet.

 

De volgende elementen maken deel uit van het plan :

een beschrijving van de haven, met vermelding van : 
  a) het soort schepen dat de haven gewoonlijk aandoet; 
  b) de geografische afbakening van de haven; 
een beschrijving van de aanwezige inzamelfaciliteiten, met vermelding van : 
  a) het soort havenontvangstvoorzieningen en de capaciteit ervan; 
  b) de soorten afvalstoffen die de havenontvangstvoorzieningen inzamelen; 
  c) eventuele voorbehandelingsinstallaties en -processen in de haven; 
een beoordeling van de behoefte aan inzamelfaciliteiten, gelet op de behoefte van de schepen die de haven gewoonlijk aandoen; 
een beschrijving van de aanmeldingsprocedure; 
een beschrijving van de procedures voor ontvangst en inzameling van scheepsafval en ladingresiduen, met vermelding van : 
  a) de methoden voor het registreren van het feitelijke gebruik van de havenontvangstvoorzieningen; 
  b) een gedetailleerde beschrijving van de procedures voor ontvangst en inzameling van scheepsafval en ladingresiduen; 
  c) de toepasselijke wetgeving en formaliteiten voor de afgifte; 
  d) de methoden voor het registreren van de ontvangen hoeveelheden scheepsafval en ladingresiduen;  
  e) de soort en hoeveelheden ontvangen en verwerkt scheepsafval en ladingresiduen; 
  f) de wijze waarop scheepsafval en ladingresiduen worden verwerkt; 
een beschrijving van de procedure voor het melden van vermeende tekortkomingen van havenontvangstvoorzieningen; 
een gedetailleerde beschrijving van het tariefsysteem; 
een beschrijving van de procedures voor structureel overleg met havengebruikers, afvalbedrijven, terminalexploitanten en andere betrokken partijen; 
een vermelding van de personen die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van het plan. 

 

 

§ 4.

De plannen voor ontvangst en verwerking van scheepsafval kunnen met passende inschakeling van elke haven in regionaal verband worden opgesteld als dat doelmatig is, op voorwaarde dat de behoefte aan havenontvangstvoorzieningen en de beschikbaarheid daarvan voor elke haven apart worden vermeld.

 

§ 5.

De beheerders van de zeehavens, het Zeekanaal, het Albertkanaal en van de vissershavens moeten elke drie jaar door een onafhankelijke bedrijfsrevisor een audit laten uitvoeren, waarbij wordt toegezien op de correcte uitvoering van het kostendekkingssysteem, zoals uitgewerkt in het plan voor de ontvangst en verwerking van scheepsafval. De resultaten van de audit moeten onmiddellijk bezorgd worden aan de OVAM.

 

De beheerders van de jachthavens die zeegaande vaartuigen ontvangen, moeten een overzicht geven van de inkomsten en uitgaven die betrekking hebben op het kostendekkingssysteem, zoals uitgewerkt in het plan voor ontvangst en verwerking van scheepsafval. Het overzicht moet bezorgd worden aan de OVAM samen met het nieuwe ontwerp van plan voor de ontvangst en verwerking van scheepsafval en loopt over de drie voorafgaande boekjaren.


Art. 5.2.10.4.

§ 1.

De plannen, vermeld in artikel 5.2.10.3, worden behandeld als volgt :

de beheerder van een haven stuurt een voorstel van plan aangetekend naar de OVAM. De OVAM onderzoekt het plan op volledigheid als vermeld in artikel 5.2.10.3, § 3, en onderzoekt of de procedures in het plan voldoen aan de bepalingen van artikelen 5.2.10.6, 5.2.10.7, 5.2.10.8 en 5.2.10.9; 
binnen een termijn van zestig kalenderdagen na de ontvangst van het voorstel van plan verleent de OVAM advies over het voorstel van plan aan de minister;  
de minister doet na overleg met de Vlaamse minister, bevoegd voor de openbare werken, uitspraak over het plan binnen een termijn van maximaal vier maanden na de datum van ontvangst van het voorstel van plan bij de OVAM; 
de OVAM zendt die beslissing of een eensluidend verklaard afschrift ervan aan de beheerder van de haven binnen een termijn van tien kalenderdagen na de datum van de beslissing. 

 

 

§ 2.

De overeenkomstig paragraaf 1 goedgekeurde plannen voor ontvangst en verwerking van scheepsafval zijn geldig voor een termijn van maximaal drie jaar. Elke beslissing die voor een kortere termijn geldt, moet ter zake gemotiveerd zijn.

 

§ 3.

In geval van significante veranderingen in de werking van de haven, moet de beheerder van de haven dat onmiddellijk melden aan de OVAM met een aangetekende brief. Op basis van de door de beheerder van de haven gemelde wijzigingen kan de OVAM binnen vijftien kalenderdagen beslissen dat het indienen van een nieuw plan noodzakelijk is. Een nieuw plan moet ingediend worden volgens de procedure, vermeld in paragraaf 1.

 

Bovendien kan de minister in geval van wijzigingen in de wetgeving of een herziening van het beleid, na advies van de OVAM, ambtshalve wijzigingen in het plan doorvoeren.


Art. 5.2.10.5.

De beheerder van de haven zorgt ervoor dat aan elke havengebruiker de volgende informatie wordt verstrekt :

een korte verwijzing naar het fundamentele belang van een behoorlijke afgifte van scheepsafval en ladingresiduen; 
de locatie van de vaste havenontvangstvoorzieningen, met tekening/kaart; 
een lijst van gewoonlijk verwerkte soorten scheepsafval en ladingresiduen; 
een lijst van contactadressen, exploitanten en geboden diensten; 
een beschrijving van de aanmeldingsprocedure; 
een beschrijving van de afgifteprocedures; 
een beschrijving van het tariefsysteem; 
een beschrijving van de procedures voor het melden van vermeende tekortkomingen van havenontvangstvoorzieningen; 
een beschrijving van de procedure voor het aanvragen van een vrijstelling van de afgifteplicht, de aanmelding en de financiële bijdrage. 

Art. 5.2.10.6.

§ 1.

De kapitein van een schip, dat geen vissersvaartuig is of een pleziervaartuig waarmee ten hoogste twaalf passagiers vervoerd mogen worden, vult het aanmeldingsformulier waarheidsgetrouw in en verstrekt de informatie voor zijn aankomst in de haven hetzij via zijn agent of zijn vertegenwoordiger in de haven, hetzij rechtstreeks aan de instantie die daarvoor is aangewezen :

ten minste 24 uur voor aankomst, als de aanloophaven bekend is; 
zodra de aanloophaven bekend is, als die informatie minder dan 24 uur voor aankomst beschikbaar is; 
uiterlijk bij vertrek uit de vorige haven, als de duur van de reis minder dan 24 uur bedraagt. Een model van aanmeldingsformulier is opgenomen in bijlage 5.2.10.A. 

 

De agent of de vertegenwoordiger die de ingevulde aanmelding ontvangt van de kapitein van het schip, moet die onveranderd bezorgen aan het havenbedrijf.

 

§ 2.

De informatie, vermeld in paragraaf 1, wordt ten minste tot na de volgende aanloophaven aan boord bewaard.

 

§ 3.

De aanmelding moet gedaan worden bij de instanties die zijn aangewezen door de minister, na overleg met de Vlaamse minister, bevoegd voor de openbare werken.

 

§ 4.

De aanmeldingsformulieren die de aangewezen instanties in het kader van deze procedure ontvangen, moeten gedurende een termijn van drie jaar bijgehouden worden.


Art. 5.2.10.7.

§ 1.

De kapitein van een schip dat een haven aandoet, geeft voor zijn vertrek uit de haven al het scheepsafval af bij een havenontvangstvoorziening.

 

De kapitein van een schip dat een haven aandoet, geeft voor zijn vertrek uit de haven de ladingresiduen af bij een havenontvangstvoorziening, overeenkomstig de voorschriften van Marpol.

 

§ 2.

Met behoud van de toepassing van paragraaf 1 kan een schip doorvaren naar een volgende aanloophaven zonder afgifte van het scheepsafval als uit de aanmelding, vermeld in artikel 5.2.10.6, § 1, blijkt dat er voldoende aparte opslagcapaciteit aan boord is voor al het scheepsafval dat is ontstaan en dat tijdens de voorgenomen reis van het schip tot de haven van afgifte nog zal ontstaan.

 

§ 3.

Als er goede redenen zijn om aan te nemen dat er geen toereikende havenontvangstvoorzieningen beschikbaar zijn in de beoogde haven van afgifte, of als die haven niet bekend is en er dus een risico bestaat dat het afval op zee zal worden geloosd, wordt de kapitein van het schip verplicht zijn scheepsafval af te geven voor het vertrek uit de haven.

 

§ 4.

De bepalingen van paragraaf 3 blijven gelden met behoud van de toepassing van strengere afgiftevoorschriften voor schepen die overeenkomstig het internationale recht zijn vastgesteld.


Art. 5.2.10.8.

Het kostendekkingssysteem voor schepen, die geen vissersvaartuig of een pleziervaartuig zijn waarmee ten hoogste twaalf passagiers mogen worden vervoerd, moet voldoen aan de volgende voorwaarden :

alle schepen die een haven aandoen, dragen substantieel bij in de kosten van de havenontvangstvoorziening voor scheepsafval, met inbegrip van de behandeling en verwerking van het scheepsafval, ongeacht het feitelijke gebruik van de voorzieningen. Mogelijkheden om dat te bewerkstelligen zijn het opnemen van de bijdrage in de havengelden, het invoeren van een aparte afvalbijdrage of het gebruiken van een kostendekkingsysteem dat gebaseerd is op de berekeningswijze, vermeld in bijlage 5.2.10.B, dan wel een combinatie van die mogelijkheden. De bijdragen kunnen onder andere naargelang van de categorie, het type en de grootte van het schip gedifferentieerd worden; 
het gedeelte van de kosten dat eventueel niet wordt gedekt door de bijdrage, vermeld in 1°, wordt gedekt op basis van de feitelijk door het schip afgegeven soorten en hoeveelheden scheepsafval; 
de bijdragen kunnen worden verlaagd als het milieuzorgsysteem, het ontwerp, de uitrusting en de exploitatie van het schip zodanig zijn dat de kapitein kan aantonen dat het minder scheepsafval produceert. Een aanvraag van een verlaagde afvalbijdrage kan door de kapitein van het schip worden ingediend bij de OVAM. Als blijkt dat het milieuzorgsysteem, het ontwerp, de uitrusting en de exploitatie van een schip nadien dermate zijn gewijzigd dat het schip niet langer minder scheepsafval produceert, kan de OVAM op elk moment een reeds verleende vermindering van de afvalbijdrage intrekken. Schepen die beschikken over een afvalverbrandingsinstallatie, kunnen niet in aanmerking komen voor een vermindering van de bijdrage. 

 

Kosten die verbonden zijn aan de afgifte van ladingresiduen, worden door de gebruiker van de havenontvangstvoorziening betaald.


Art. 5.2.10.9.

§ 1.

Een schip dat volgens een dienstregeling frequent en regelmatig een haven aandoet en kan aantonen dat een regeling is getroffen voor de afgifte van scheepsafval en de betaling van bijdragen in een haven die op de route van het schip ligt kan een vrijstelling verkrijgen van de verplichtingen, vermeld in artikelen 5.2.10.6, 5.2.10.7 en 5.2.10.8.

 

§ 2.

Een aanvraag van een vrijstelling wordt ingediend bij de OVAM en moet ten minste de volgende gegevens bevatten :

naam en IMO-nummer van het schip; 
overzicht van de dienstregeling en de regelmatige aanloopfrequentie in de haven waarvoor een vrijstelling wordt aangevraagd;  
overzicht van de getroffen regeling voor afgifte van het scheepsafval en de betaling van bijdragen in een haven van een lidstaat van de Europese Unie, de Europese Economische Ruimte of HELCOM, die op de route van het schip ligt. 

 

De vrijstelling kan verleend worden voor de termijn van de opgegeven dienstregeling. 

 

De OVAM onderzoekt de aanvraag op volledigheid en stuurt binnen tien kalenderdagen na de ontvangst van het volledig bevonden dossier een kopie naar de afdeling Scheepvaartbegeleiding van het Agentschap voor Maritieme Dienstverlening en Kust en naar de met de scheepvaartcontrole belaste dienst van het federale Directoraat-generaal Maritiem Vervoer.

 

De afdeling Scheepvaartbegeleiding en de met scheepvaartcontrole belaste dienst van het federale directoraatgeneraal Maritiem Vervoer worden uitgenodigd om binnen twintig kalenderdagen na de ontvangst van het dossier een advies aan de OVAM te verstrekken.

 

De OVAM neemt een beslissing binnen de dertig kalenderdagen na ontvangst van het advies van de afdeling Scheepvaartbegeleiding van het Agentschap voor Maritieme dienstverlening en Kust en het advies van de met scheepvaartcontrole belaste dienst van het federale Directoraat-generaal Maritiem Vervoer en stuurt de beslissing door naar de aanvrager, de beheerder van de haven in kwestie, de met scheepvaartcontrole belaste dienst van het federale Directoraat-generaal Maritiem Vervoer en het Agentschap voor Maritieme Dienstverlening en Kust.

 

§ 3.

Een verleende vrijstelling kan met terugwerkende kracht gelden vanaf de dag van de ontvangst van de volledig bevonden aanvraag.

 

§ 4.

Een vrijstelling kan door de OVAM worden ingetrokken als er door wijzigingen in de route van het schip of in de regelingen voor de afgifte van het scheepsafval niet meer voldaan wordt aan de voorwaarden, vermeld in paragraaf 1.

 

§ 5.

Met behoud van de toepassing van paragraaf 4 blijft de vrijstelling geldig in de volgende situaties :

als het schip uitzonderlijk een andere Vlaamse haven aanloopt dan die welke bepaald is in de vastgelegde route om redenen van overmacht, veiligheid, noodzakelijk technisch onderhoud of omdat het noodzakelijk is een noodhaven aan te lopen. De OVAM moet daarvan schriftelijk op de hoogte gebracht worden; 
als een schip tijdelijk gedurende een periode van maximaal één maand vervangen wordt door een ander vaartuig wegens een ongeval, een technisch defect of een gepland onderhoud. De verleende vrijstelling wordt gedurende die periode overgedragen aan het vervangende schip voor die route. In dergelijk geval moet de OVAM daarvan schriftelijk op de hoogte worden gebracht. Als het oorspronkelijke schip niet binnen de periode van een maand opnieuw in dienst wordt genomen, vervalt de vrijstelling, zowel voor het oorspronkelijke als voor het vervangende schip, tenzij na schriftelijke goedkeuring van de OVAM.