Richtlijn autowrakken
Richtlijn 2000/53/EG van 18 september 2000 van het Europees Parlement en de Raad betreffende autowrakken

Het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie,
Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, inzonderheid op artikelá175, lidá1,
Gezien het voorstel van de Commissie,
Gezien het advies van het Economisch en Sociaal ComitÚ,
Na raadpleging van het ComitÚ van de Regio's,
Volgens de procedure van artikelá251 van het Verdrag, en gezien het gemeenschappelijk ontwerp dat op 23ámei 2000 door het BemiddelingscomitÚ is goedgekeurd,
Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De verschillende nationale maatregelen betreffende autowrakken dienen te worden geharmoniseerd om, in de eerste plaats, aantasting van het milieu door autowrakken tot een minimum te beperken, daarmee een bijdrage leverend tot bescherming, behoud en verbetering van de milieukwaliteit en tot energiebesparing, en om, in de tweede plaats, de goede werking van de interne markt te waarborgen en concurrentiebeperkingen in de Gemeenschap te vermijden.

(2)

Er is een communautair kader nodig om te zorgen voor samenhang tussen de nationale benaderingswijzen voor het bereiken van bovengenoemde doelstellingen, met name met het oog op het ontwerpen van voertuigen voor recycling en nuttige toepassing, de eisen inzake inzamelings- en verwerkingsinstallaties en het bereiken van de doelstellingen inzake hergebruik, recycling en nuttige toepassing, rekening houdend met het subsidiariteitsbeginsel en met het beginsel dat de vervuiler betaalt.

(3)

Autowrakken brengen in de Gemeenschap jaarlijks tussen de 8 en 9 miljoen ton afval voort, dat op een juiste wijze dient te worden beheerd.

(4)

Overeenkomstig het voorzorgs- en het preventiebeginsel en de communautaire strategie voor afvalbeheer, dient het ontstaan van afvalstoffen zoveel mogelijk te worden vermeden.

(5)

Voorts geldt daarbij als hoofdbeginsel dat afvalstoffen dienen te worden hergebruikt en nuttig toegepast en dat aan hergebruik en recycling de voorkeur dient te worden gegeven.

(6)

De lidstaten moeten de nodige maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat de ondernemingen systemen voor het inzamelen, het verwerken en nuttig toepassen van autowrakken opzetten.

(7)

De lidstaten dienen ervoor te zorgen dat het voertuig aan een door het bevoegd gezag erkende verwerker kan worden afgegeven zonder kosten voor de laatste houder en/of eigenaar vanwege het feit dat het voertuig geen of een negatieve marktwaarde heeft. Zij dienen ervoor te zorgen dat de producenten alle of een aanzienlijk deel van de kosten voor de uitvoering van deze maatregelen voor hun rekening nemen. De normale werking van de marktkrachten mag niet worden belemmerd.

(8)

Deze richtlijn dient voertuigen en autowrakken, met inbegrip van de onderdelen en materialen ervan, alsmede vervangings- of inbouwonderdelen, te bestrijken, onverminderd de voorschriften inzake veiligheid, luchtemissies en lawaaibestrijding.

(9)

In de onderhavige richtlijn zijn de termen, waar dienstig, ontleend aan verscheidene richtlijnen, met name Richtlijn 67/548/EEG van de Raad van 27ájuni 1967 betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen, Richtlijn 70/156/EEG van de Raad van 6áfebruari 1970 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan, alsmede Richtlijn 75/442/EEG van de Raad van 15ájuli 1975 betreffende afvalstoffen.

(10)

Oldtimers, dat wil zeggen historische voertuigen, voertuigen met verzamelaarswaarde of voor musea bestemde voertuigen, mits op adequate en het milieu ontziende wijze gebruiksklaar of gedemonteerd opgeslagen, vallen niet onder de omschrijving van afval in de zin van Richtlijn 75/442/EEG en derhalve ook niet onder het toepassingsgebied van deze richtlijn.

(11)

Het is belangrijk dat vanaf de ontwerpfase van het voertuig preventieve maatregelen worden toegepast, in de vorm van beperking en beheersing van de in voertuigen toegepaste gevaarlijke stoffen, om te beletten dat deze in het milieu vrijkomen, om recycling te vergemakkelijken en om verwijdering van gevaarlijke afvalstoffen te vermijden. In het bijzonder moet het gebruik van lood, kwik, cadmium en zeswaardig chroom worden verboden. Deze zware metalen mogen uitsluitend worden gebruikt voor bepaalde toepassingen die zijn opgenomen in een geregeld bij te werken lijst. Dat zal ertoe bijdragen dat bepaalde materialen en onderdelen niet in shredderafval geraken en niet worden verbrand of naar stortplaatsen worden gebracht.

(12)

Recycling van alle plastics uit autowrakken moet voortdurend worden verbeterd. De Commissie stelt thans een onderzoek in naar de gevolgen van PVC voor het milieu. Zij zal zonodig op basis van de resultaten van dit onderzoek voorstellen indienen betreffende het gebruik van PVC, waarbij ook het gebruik van PVC in voertuigen aan bod zal komen.

(13)

Bij design en productie van nieuwe voertuigen dient met de eisen inzake ontmantelen, hergebruik en recycling van autowrakken en de onderdelen ervan rekening te worden gehouden.

(14)

De ontwikkeling van markten voor gerecycleerde materialen dient te worden gestimuleerd.

(15)

Adequate inzamelingssystemen dienen te worden opgezet om ervoor te zorgen dat autowrakken worden verwijderd zonder het milieu in gevaar te brengen.

(16)

Als voorwaarde voor de uitschrijving van autowrakken dient een certificaat van vernietiging te worden ingevoerd. Lidstaten die niet over een uitschrijvingssysteem beschikken, moeten een systeem opzetten waarbij aan de bevoegde instanties mededeling wordt gedaan van een certificaat van vernietiging zodra het afgedankte voertuig aan een verwerker wordt overgedragen.

(17)

Deze richtlijn belet de lidstaten niet om in voorkomend geval tijdelijke uitschrijvingen van voertuigen toe te staan.

(18)

Inzamelaars en verwerkers moeten over een vergunning beschikken of moeten, wanneer gebruik wordt gemaakt van registratie in plaats van vergunning, aan specifieke voorwaarden hebben voldaan.

(19)

De recycleerbaarheid en de mogelijke nuttige toepassing van voertuigen moeten worden bevorderd.

(20)

Het is belangrijk eisen aan opslag- en verwerkingsactiviteiten te stellen om negatieve effecten ervan voor het milieu te voorkomen en het ontstaan van handels- en concurrentieverstoringen te vermijden.

(21)

Om op korte termijn resultaten te boeken en de ondernemingen, consumenten en overheden het nodige perspectief op lange termijn te bieden, dienen door de ondernemingen te verwezenlijken kwantitatieve doelstellingen inzake hergebruik, recycling en nuttige toepassing te worden vastgesteld.

(22)

De producenten dienen ervoor te zorgen dat voertuigen op zodanige wijze worden ontworpen en vervaardigd dat de kwantitatieve doelstellingen inzake hergebruik, recycling en nuttige toepassing kunnen worden gehaald. De Commissie zal te dien einde het opstellen van Europese normen bevorderen en zal de andere noodzakelijke maatregelen nemen met het oog op de wijziging van de desbetreffende Europese regelgeving inzake typegoedkeuring van voertuigen.

(23)

De lidstaten dienen er zorg voor te dragen dat bij de uitvoering van de bepalingen van deze richtlijn de concurrentie in stand wordt gehouden, met name met betrekking tot de toegang van het midden- en kleinbedrijf tot de markt van de inzameling, demonteren, verwerking en recycling.

(24)

Om het demonteren en de nuttige toepassing, inzonderheid het recycleren van autowrakken, te vergemakkelijken, dienen voertuigfabrikanten aan erkende verwerkingsinstallaties alle nodige demontage-informatie ter beschikking te stellen, met name voor gevaarlijke stoffen.

(25)

In voorkomend geval dient de opstelling van Europese normen te worden bevorderd. Voertuigfabrikanten en materiaalproducenten dienen coderingsnormen voor onderdelen en materialen te gebruiken die door de Commissie, bijgestaan door het terzake bevoegde comitÚ, worden opgesteld. De Commissie zal bij de opstelling van deze normen in voorkomend geval rekening houden met de werkzaamheden op dit gebied in de relevante internationale gremia.

(26)

Op communautaire schaal zijn gegevens over autowrakken nodig om op de uitvoering van de doelstellingen van deze richtlijn toe te kunnen zien.

(27)

De consumenten dienen adequaat te worden ge´nformeerd om hun gedrag en attitudes aan te passen; de betrokken ondernemingen moeten daartoe informatie ter beschikking stellen.

(28)

De lidstaten kunnen een aantal bepalingen uitvoeren door middel van convenanten met de betrokken bedrijfssector, op voorwaarde dat aan een aantal voorwaarden wordt voldaan.

(29)

De Commissie dient in het kader van een comitÚprocedure te zorgen voor de aanpassing aan de wetenschappelijke en technische vooruitgang van de voor verwerkingsinstallaties en voor het gebruik van gevaarlijke stoffen vastgestelde eisen, alsmede voor de aanneming van minimumnormen voor het certificaat van vernietiging, de formaten voor de database en de uitvoeringsmaatregelen die nodig zijn om na te gaan of de streefcijfers worden gehaald.

(30)

De maatregelen voor de uitvoering van deze richtlijn dienen te worden vastgesteld overeenkomstig Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28ájuni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden.

(31)

De lidstaten kunnen de bepalingen van deze richtlijn vˇˇr de daarin gestelde datum toepassen, mits de maatregelen met het Verdrag verenigbaar zijn,
Hebben de volgende richtlijn vastgesteld:
(...)

Artikel 1. Doelstellingen

Bij deze richtlijn worden maatregelen vastgesteld die in de eerste plaats gericht zijn op de preventie van afvalstoffen van voertuigen, en daarenboven op hergebruik, recycling en andere vormen van nuttige toepassing van autowrakken en onderdelen daarvan, teneinde de hoeveelheid te verwijderen afval te verminderen, alsmede op verbetering van de milieuprestatie van alle ondernemingen die betrokken zijn bij de levenscyclus van voertuigen, in het bijzonder die welke rechtstreeks betrokken zijn bij de verwerking van autowrakken.

Art. 2. Definities

In deze richtlijn wordt verstaan onder:
1.
voertuig”: voertuigen die onder de in bijlageáII A van Richtlijn 70/156/EEG omschreven categorie M1 of N1 vallen, alsmede driewielige motorvoertuigen als omschreven in Richtlijn 92/61/EEG, met uitzondering van driewielers;
2.
autowrak”: voertuig dat een afvalstof in de zin van artikelá1, onder a), van Richtlijn 75/442/EEG is;
3.
producent”: de voertuigfabrikant of de beroepsimporteur van een voertuig in een lidstaat;
4.
preventie”: maatregelen ter vermindering van de hoeveelheid en de schadelijkheid voor het milieu van autowrakken en de daarin aanwezige materialen en stoffen;
5.
verwerking”: activiteiten na de afgifte van een autowrak aan een inrichting voor de verwijdering van gevaarlijke afvalstoffen, demontage, versnijding, shredding, nuttige toepassing of voorbewerking voor de verwijdering van shredderafval, en elke andere handeling voor de nuttige toepassing en/of verwijdering van autowrakken en onderdelen daarvan;
6.
hergebruik”: handelingen waarbij onderdelen van autowrakken opnieuw worden gebruikt voor hetzelfde doel als waarvoor zij werden ontworpen;
7.
recycling”: het voor het oorspronkelijke doel of voor andere doeleinden in een productieproces opwerken van afvalmaterialen, met uitzondering van terugwinning van energie. Terugwinning van energie is het gebruik van brandbaar afval om energie op te wekken door directe verbranding met of zonder andere afvalstoffen, maar met terugwinning van de warmte;
8.
nuttige toepassing”: de in bijlageáII B bij Richtlijn 75/442/EEG bedoelde toepasselijke handelingen;
9.
verwijdering”: de in bijlageáII A bij Richtlijn 75/442/EEG bedoelde toepasselijke handelingen;
10.
ondernemingen”: bedrijven waar voertuigen, met inbegrip van de daarin aanwezige onderdelen en materialen, worden geproduceerd, gedistribueerd, ingezameld, verzekerd, gedemonteerd, in een shredder verwerkt, nuttig toegepast, gerecycleerd of anderszins verwerkt;
11.
[“gevaarlijke stof”: stof waarvoor de criteria van een of meer van de volgende gevarenklassen of categorieŰn van bijlageáI bij Verordening (EG) nr.á1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16ádecember 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels vervuld zijn:
a)
de gevarenklassen 2.1 tot en met 2.4, 2.6 en 2.7, 2.8 typen A en B, 2.9, 2.10, 2.12, 2.13 categorieŰn 1 en 2, 2.14 categorieŰn 1 en 2, en 2.15 typen A tot en met F;
b)
de gevarenklassen 3.1 tot en met 3.6, 3.7 schadelijke effecten op de seksuele functie en de vruchtbaarheid of de ontwikkeling, 3.8 andere effecten dan een narcotische werking, 3.9 en 3.10;
c)
gevarenklasse 4.1;
d)
gevarenklasse 5.1;]
12.
shredder”: toestel dat voor het stuktrekken of versnijden van autowrakken wordt gebruikt, ook om direct herbruikbaar schroot te verkrijgen;
13.
demontage-informatie”: alle informatie die voor een doelmatige en milieuvriendelijke verwerking van een autowrak noodzakelijk is. Zij wordt door voertuigfabrikanten en onderdelenproducenten beschikbaar gesteld aan officieel erkende verwerkingsinrichtingen in de vorm van handboeken of in elektronische vorm (bv. CD-rom, on-linediensten).

Art. 3. Werkingssfeer

1

Deze richtlijn bestrijkt voertuigen en autowrakken, met inbegrip van de daarin verwerkte onderdelen en materialen. Dit geldt – onverminderd artikelá5, lidá4, derde alinea – ongeacht hoe het voertuig tijdens het gebruik werd onderhouden of gerepareerd en ongeacht of het werd uitgerust met door de producent geleverde onderdelen dan wel met andere onderdelen die als vervangings- of inbouwonderdeel in overeenstemming met de relevante Gemeenschaps- of interne bepalingen werden aangebracht.

2

Deze richtlijn geldt onverminderd de bestaande Gemeenschapswetgeving en de toepasselijke nationale wetgeving, met name op het gebied van veiligheidsnormen, luchtemissies en lawaaibestrijding, alsmede bodem- en waterbescherming.

3

Indien een producent alleen voertuigen fabriceert of importeert die op grond van artikelá8, lidá2, onder a), van Richtlijn 70/156/EEG, vrijgesteld zijn van die richtlijn, kan de betrokken lidstaat die producent en zijn voertuigen vrijstellen van artikelá7, lidá4, alsmede van de artikelená8 en 9 van de onderhavige richtlijn.

4

Voertuigen voor bijzondere doeleinden in de zin van artikelá4, lidá1, onder a), tweede streepje van Richtlijn 70/156/EEG, vallen niet onder artikelá7 van deze richtlijn.

5

Op driewielige motorvoertuigen zijn alleen artikelá5, ledená1 en 2, en artikelá6 van deze richtlijn van toepassing.

Art. 4. Preventie

1

Om de preventie van afval te bevorderen, moedigen de lidstaten met name aan dat:
a)
fabrikanten van voertuigen, in samenwerking met materiaal- en apparatuurfabrikanten, het gebruik van gevaarlijke stoffen in voertuigen beperken en voorzover mogelijk reeds in de ontwerpfase verminderen, teneinde het vrijkomen ervan in het milieu te voorkomen, recycling te vergemakkelijken en de verwijdering van gevaarlijke afvalstoffen te vermijden;
b)
demontage, hergebruik en nuttige toepassing, en met name recycling, van autowrakken en van daarin verwerkte onderdelen en materialen, bij het ontwerp en de productie van nieuwe voertuigen volledig worden ingecalculeerd en vergemakkelijkt;
c)
de fabrikanten van voertuigen, in samenwerking met materiaal- en apparatuurfabrikanten, steeds meer gerecycleerd materiaal in voertuigen en in andere producten gaan gebruiken, om de markten voor gerecycleerde materialen te ontwikkelen.

2

a)
De lidstaten zien erop toe dat materialen en onderdelen van voertuigen die na 1ájuli 2003 in de handel worden gebracht, geen lood, kwik, cadmium of zeswaardig chroom bevatten, behoudens in de gevallen genoemd in bijlageáII, onder de aldaar vermelde voorwaarden.
b)
[De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikelá9bis gedelegeerde handelingen vast te stellen om bijlageáII geregeld te wijzigen teneinde deze aan de technische en wetenschappelijke vooruitgang aan te passen, met name door:
i)
indien nodig, maximumconcentratiewaarden vast te leggen waaronder de onder a) van dit lid bedoelde stoffen in specifieke materialen en onderdelen van voertuigen moeten worden getolereerd;
ii)
de vrijstelling van bepaalde materialen en onderdelen van voertuigen van punt a) van dit lid, indien het gebruik van de onder a) genoemde stoffen onvermijdelijk is;
iii)
het schrappen van de materialen en onderdelen van voertuigen uit bijlageáII, indien het gebruik van de onder a) van dit lid genoemde stoffen kan worden vermeden;
iv)
de aanwijzing krachtens de punten i) en ii) van materialen en onderdelen van voertuigen die vˇˇr verdere verwerking in aanmerking komen voor selectieve demontage, en het verplicht stellen van de etikettering of het op een andere passende wijze herkenbaar maken van deze materialen en onderdelen.
De Commissie stelt een afzonderlijke gedelegeerde handeling vast met betrekking tot elke stof, elk materiaal of onderdeel waarop de punten i) tot en met iv) betrekking hebben.]
c)
Uiterlijk op 21áoktober 2001 wijzigt de Commissie bijlageáII voor de eerste keer. In geen geval kunnen een of meer van de in de bijlage vervatte uitzonderingen daaruit worden geschrapt voor 1ájanuari 2003.

Art. 5. Inzameling

1

De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen:
dat de ondernemingen systemen opzetten voor het inzamelen van alle autowrakken en, voorzover dat technisch haalbaar is, van afval van gebruikte onderdelen die bij reparaties van passagiersvoertuigen werden weggenomen,
dat op hun grondgebied voldoende inzamelterreinen beschikbaar zijn.

2

De lidstaten nemen tevens de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat alle autowrakken aan door het bevoegd gezag erkende verwerkers worden overgedragen.

3

De lidstaten zetten een systeem op waarbij het voorleggen van een certificaat van vernietiging een voorwaarde voor de uitschrijving van het afgedankte voertuig is. Dit bewijs wordt aan de houder en/of eigenaar verstrekt, wanneer het afgedankte voertuig aan een verwerker wordt afgegeven. Verwerkers met een vergunning overeenkomstig artikelá6 mogen een certificaat van vernietiging verstrekken. De lidstaten kunnen toestaan dat producenten, handelaren en inzamelaars namens een door het bevoegd gezag erkende verwerker bewijzen van afgifte verstrekken, op voorwaarde dat zij garanderen dat het afgedankte voertuig aan een door het bevoegd gezag erkende verwerker wordt overgedragen en dat zij bij de overheid geregistreerd zijn.
Het verstrekken van een certificaat van vernietiging door verwerkers, dan wel door handelaren of inzamelaars die voor rekening van een door het bevoegd gezag erkende verwerker optreden, geeft deze partijen geen recht op financiŰle vergoeding, behoudens in gevallen waarin zulks uitdrukkelijk door de lidstaten geregeld is.
Lidstaten die op de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn niet over een uitschrijvingssysteem beschikken, zetten een systeem op waarbij aan de bevoegde instanties mededeling wordt gedaan van het certificaat van vernietiging zodra het afgedankte voertuig aan een verwerker wordt overgedragen en houden zich verder aan de bepalingen van dit lid. De lidstaten die gebruikmaken van deze alinea stellen de Commissie in kennis van de redenen voor hun besluit.

4

De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat het voertuig overeenkomstig lidá3 aan een door het bevoegd gezag erkende verwerker wordt overgedragen zonder kosten voor de laatste houder en/of eigenaar vanwege het feit dat het voertuig geen of een negatieve marktwaarde heeft.
De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de producenten alle of een aanzienlijk deel van de kosten voor de uitvoering van dit voorschrift voor hun rekening nemen en/of autowrakken terugnemen onder dezelfde voorwaarden als bepaald in de eerste alinea.
De lidstaten kunnen voorschrijven dat de overdracht van autowrakken niet geheel kosteloos is, indien het betrokken voertuig niet voorzien is van de essentiŰle voertuigonderdelen, met name motor en carrosserie, dan wel afval bevat dat aan het afgedankte voertuig is toegevoegd.
De Commissie controleert op gezette tijden de uitvoering van het bepaalde in de eerste alinea zodat er geen distorsies van de markt ontstaan, en stelt zo nodig een wijziging van deze bepaling aan het Europees Parlement en de Raad voor.

5 [

De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de bevoegde instanties de in andere lidstaten overeenkomstig lidá3 van dit artikel afgegeven certificaten van vernietiging onderling erkennen en aanvaarden.
De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikelá9bis gedelegeerde handelingen vast te stellen teneinde deze richtlijn aan te vullen door minimumeisen vast te stellen voor het certificaat van vernietiging.
]

Art. 6. Verwerking

1 [

De lidstaten nemen de nodige maatregelen opdat alle autowrakken (zelfs tijdelijk) worden opgeslagen en verwerkt overeenkomstig de afvalhiŰrarchie en de in artikelá4 van Richtlijná2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad vervatte algemene vereisten, met naleving van de technische minimumeisen van bijlageáI bij deze richtlijn, onverminderd nationale gezondheids- en milieuvoorschriften.
]

2

De lidstaten nemen de nodige maatregelen opdat inrichtingen of bedrijven waar verwerkingshandelingen worden verricht, een vergunning ontvangen van of geregistreerd worden bij de bevoegde instanties overeenkomstig de artikelená9, 10 en 11 van Richtlijn 75/442/EEG.
De in artikelá11, lidá1, onder b), van Richtlijn 75/442/EEG bedoelde afwijking van het vergunningsvereiste kan van toepassing zijn op handelingen voor nuttige toepassing welke betrekking hebben op afval van autowrakken die overeenkomstig bijlageáI, puntá3, zijn verwerkt, mits de bevoegde instanties vˇˇr de registratie een inspectie uitvoeren. Die inspectie omvat verificatie van:
a)
type en hoeveelheid van het te verwerken afval,
b)
de algemene technische voorschriften die in acht moeten worden genomen,
c)
de te treffen voorzorgsmaatregelen,
met het oog op het bereiken van de doelstellingen van artikelá4 van Richtlijn 75/442/EEG. Deze inspectie vindt ÚÚn keer per jaar plaats. Lidstaten die gebruikmaken van de afwijking zenden de resultaten toe aan de Commissie.

3

De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat inrichtingen of bedrijven waar verwerkingshandelingen worden verricht, ten minste voldoen aan de volgende verplichtingen overeenkomstig bijlageáI:
a)
autowrakken worden vˇˇr verdere verwerking selectief gedemonteerd, of er worden andere gelijkwaardige regelingen getroffen, om negatieve milieueffecten te beperken. Overeenkomstig artikelá4, lidá2, gemerkte of anderszins herkenbaar gemaakte onderdelen of materialen worden selectief gedemonteerd vˇˇr verdere verwerking;
b)
gevaarlijke materialen en onderdelen worden weggenomen en selectief gescheiden, zodat het resterende shredderafval van autowrakken niet wordt verontreinigd;
c)
het selectief demonteren en opslaan dient zodanig te geschieden dat hergebruik en terugwinning, en met name recycling van de voertuigonderdelen mogelijk is.
Verwerkingshandelingen voor de verwijdering van gevaarlijke afvalstoffen uit autowrakken als vermeld in bijlageáI, puntá3, worden zo spoedig mogelijk uitgevoerd.

4

De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat aan de in lidá2 bedoelde vergunning of registratie alle voorwaarden zijn verbonden die nodig zijn om aan de eisen van de ledená1, 2 en 3 te voldoen.

5

De lidstaten kunnen inrichtingen of bedrijven waar verwerkingshandelingen worden verricht, aanmoedigen gecertificeerde milieubeheersystemen in te voeren.

[6 [

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikelá9bis gedelegeerde handelingen vast te stellen om bijlageáI te wijzigen teneinde deze aan te passen aan de technische en wetenschappelijke vooruitgang.
]]

Art. 7. Hergebruik en nuttige toepassing

1

De lidstaten nemen de nodige maatregelen om aan te moedigen dat hergebruikbare onderdelen worden hergebruikt, niet hergebruikbare onderdelen nuttig worden toegepast en dat, voorzover milieuhygiŰnisch verantwoord, de voorkeur wordt gegeven aan recycling, onverminderd de voorschriften betreffende de veiligheid van voertuigen en milieuvoorschriften zoals luchtemissies en beheersing van geluidhinder.

2

De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de ondernemingen de volgende streefcijfers halen:
a)
uiterlijk op 1ájanuari 2006 moet hergebruik en nuttige toepassing voor alle autowrakken ten minste 85% bedragen van het gemiddelde voertuiggewicht op jaarbasis. Op die datum moet hergebruik en recyclage ten minste 80% bedragen van het gemiddelde voertuiggewicht op jaarbasis.
Voor voertuigen die vˇˇr 1980 zijn geproduceerd, mogen de lidstaten lagere streefcijfers vaststellen die evenwel voor hergebruik en nuttige toepassing niet lager dan 75% en voor hergebruik en recycling niet lager dan 70% mogen zijn. Lidstaten die van deze bepaling gebruikmaken, stellen de Commissie en de andere lidstaten in kennis van hun redenen voor dit besluit;
b)
uiterlijk op 1ájanuari 2015 moet hergebruik en nuttige toepassing voor alle autowrakken ten minste 95% bedragen van het gemiddelde voertuiggewicht op jaarbasis. Op die datum moet hergebruik en recyclage ten minste 85% bedragen van het gemiddelde voertuiggewicht op jaarbasis.
Uiterlijk op 31ádecember 2005 bezien het Europees Parlement en de Raad de onder b) vermelde streefcijfers opnieuw, op basis van een van een voorstel vergezeld verslag van de Commissie. In haar verslag houdt de Commissie rekening met de ontwikkeling van de materialensamenstelling van de voertuigen, alsook met alle andere milieuaspecten die met voertuigen verband houden.
[De Commissie mag uitvoeringshandelingen vaststellen met betrekking tot de gedetailleerde voorschriften om na te gaan of de lidstaten voldoen aan de in de eerste alinea van dit lid vastgestelde streefcijfers. Bij het voorbereiden van dergelijke voorschriften houdt de Commissie rekening met alle relevante factoren, onder meer de beschikbaarheid van gegevens en de kwestie van de in- en uitvoer van autowrakken. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikelá11, lidá2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.]

3

Op voorstel van de Commissie stellen het Europees Parlement en de Raad de streefcijfers vast voor hergebruik en nuttige toepassing en voor hergebruik en recyclage die na 2015 moeten worden gehaald.

4

Ter voorbereiding van de wijziging van Richtlijn 70/156/EEG bevordert de Commissie de opstelling van Europese normen inzake de mogelijkheid tot demontage, nuttige toepassing en recycling van voertuigen. Wanneer die normen goedgekeurd zijn, maar in geen geval later dan einde 2001, gaan het Europees Parlement en de Raad, op voorstel van de Commissie, over tot wijziging van Richtlijn 70/156/EEG, zodat de overeenkomstig die richtlijn goedgekeurde voertuigen die drie jaar na de wijziging van Richtlijn 70/156/EEG op de markt worden gebracht, voor minimum 85% van hun gewicht herbruikbaar en/of recycleerbaar en voor minimum 95% van hun gewicht herbruikbaar en/of nuttig toepasbaar zijn.

5

In haar voorstel tot wijziging van Richtlijn 70/156/EEG inzake de mogelijkheid tot demontage, nuttige toepassing en recycling van voertuigen, houdt de Commissie op passende wijze rekening met de noodzaak ervoor te zorgen dat het hergebruik van onderdelen geen veiligheids- of milieurisico's met zich meebrengt.

Art. 8. Coderingsnormen/demontage-informatie

1

De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de producenten, in samenwerking met de materiaal- en apparatuurfabrikanten, gemeenschappelijke onderdeel- en materiaalcoderingsnormen gebruiken, zodat met name onderdelen en materialen die zich voor hergebruik en nuttige toepassing lenen gemakkelijker kunnen worden herkend.

2 [

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikelá9bis gedelegeerde handelingen vast te stellen teneinde deze richtlijn aan te vullen door de in lidá1 van dit artikel bedoelde normen vast te stellen. Bij het voorbereiden van dergelijke normen houdt de Commissie rekening met het werk dat op dit gebied wordt verricht in de bevoegde internationale fora. De Commissie draagt op passende wijze aan deze werkzaamheden bij.
]

3

De lidstaten nemen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de producenten voor elk nieuw voertuigtype binnen zes maanden nadat het in de handel is gebracht, demontage-informatie verstrekken. In die informatie worden de verschillende voertuigonderdelen en -materialen en de plaats van alle gevaarlijke stoffen in de voertuigen aangegeven, voorzover de verwerkers die gegevens nodig hebben om aan deze richtlijn te voldoen, in het bijzonder met het oog op het bereiken van de in artikelá7 bedoelde doelstellingen.

4

Onverminderd de vertrouwelijkheid van commerciŰle en industriŰle gegevens nemen de lidstaten de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat fabrikanten van voertuigonderdelen aan erkende verwerkingsinrichtingen, voorzover deze daarom hebben verzocht, adequate informatie verstrekken omtrent demontage, opslag en het testen van onderdelen die opnieuw kunnen worden gebruikt.

Art. 9. Informatie en rapportage

1

[...]

[1bis

De lidstaten rapporteren de gegevens betreffende de uitvoering van artikelá7, lidá2, voor elk kalenderjaar aan de Commissie.
Zij rapporteren de gegevens via elektronische weg binnen 18ámaanden na afloop van het verslagjaar waarvoor de gegevens zijn verzameld. De gegevens worden gerapporteerd in het formaat dat door de Commissie overeenkomstig lidá1quinquies van dit artikel is vastgesteld.
De eerste verslagperiode vangt aan in het eerste volledige kalenderjaar na de vaststelling van de uitvoeringshandeling waarin het formaat voor de verslaglegging is vastgesteld overeenkomstig lidá1quinquies van dit artikel, en omvat de gegevens voor die verslagperiode.
]

[1ter

De door de lidstaat overeenkomstig lidá1bis gerapporteerde gegevens gaan vergezeld van een kwaliteitscontroleverslag.
]

[1quater

De Commissie beoordeelt de overeenkomstig lidá1bis gerapporteerde gegevens en publiceert een verslag met de resultaten van haar beoordeling. Het verslag bevat een beoordeling van de organisatie van de gegevensverzameling, de bronnen van de gegevens en de in de lidstaten gebruikte methodologie alsmede van de volledigheid, betrouwbaarheid, tijdigheid en consistentie van de gegevens. De beoordeling kan specifieke aanbevelingen voor verbetering omvatten. Het verslag wordt opgesteld na de eerste rapportage over de gegevens door de lidstaten en vervolgens om de vier jaar.
]

[1quinquies

De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast om het formaat voor de in lidá1bis van dit artikel bedoelde verslaglegging vast te stellen. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikelá11, lidá2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.
]

2

De lidstaten eisen in ieder geval van de betrokken ondernemingen dat zij informatie bekendmaken over:
de wijze waarop bij het ontwerp van voertuigen en voertuigonderdelen naar de mogelijkheid tot nuttige toepassing en recycling wordt gestreefd;
de wijze waarop autowrakken milieuhygiŰnisch verantwoord worden verwerkt, waarbij met name informatie over de verwijdering van alle vloeistoffen en over de demontage dient te worden verschaft;
de ontwikkeling en optimalisering van methoden voor hergebruik, recycling en nuttige toepassing van autowrakken en onderdelen ervan;
de vooruitgang op het gebied van nuttige toepassing en recycling ter vermindering van het te verwijderen afval en ter verhoging van de percentages van nuttige toepassing en recycling.
De producent moet deze informatie ter beschikking stellen van potentiŰle kopers van voertuigen. De informatie moet worden opgenomen in het reclamemateriaal dat bij de verkoop van het nieuwe voertuig wordt gebruikt.

Art. 9bis. Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1

De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel gestelde voorwaarden.

2

De in artikelá4, lidá2, onderáb), artikelá5, lidá5, artikelá6, lidá6, en artikelá8, lidá2, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van vijf jaar met ingang vanaf 4ájuli 2018. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.

3

Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikelá4, lidá2, onderáb), en in artikelá5, lidá5, artikelá6, lidá6, en artikelá8, lidá2, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beŰindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een latere daarin genoemde datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4

Vˇˇr de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13áapril 2016 over beter wetgeven.

5

Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

6

Een overeenkomstig artikelá4, lidá2, onderáb), artikelá5, lidá5, artikelá6, lidá6, en artikelá8, lidá2, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Art. 10. Uitvoering

1

De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om op 21áapril 2002 aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.
Wanneer de lidstaten deze bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen naar deze richtlijn verwezen of wordt hiernaar verwezen bij de officiŰle bekendmaking van die bepalingen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2

De lidstaten stellen de Commissie in kennis van alle wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

3

Mits het met de richtlijn beoogde resultaat wordt bereikt, kunnen de lidstaten de bepalingen van artikelá4, lidá1, artikelá5, lidá1, artikelá7, lidá1, artikelá8, ledená1 en 3, en artikelá9, lidá2, omzetten, en de wijze van toepassing van artikelá5, lidá4, preciseren door middel van convenanten tussen de bevoegde autoriteiten en de betrokken bedrijfssectoren. Die convenanten moeten voldoen aan de volgende voorschriften:
a)
de convenanten zijn afdwingbaar;
b)
de convenanten bevatten doelstellingen en termijnen daarvoor;
c)
de convenanten worden bekendgemaakt in het staatsblad of een voor het publiek even toegankelijk officieel stuk, en worden toegezonden aan de Commissie;
d)
de met een convenant bereikte resultaten worden onder de in dat convenant opgenomen voorwaarden geregeld gecontroleerd, aan de bevoegde autoriteiten en de Commissie gemeld en ter beschikking van het publiek gesteld;
e)
de bevoegde instanties dragen er zorg voor dat nagegaan wordt welke vooruitgang met de convenanten geboekt wordt;
f)
ingeval een convenant niet wordt nageleefd, moeten de lidstaten de betrokken bepalingen van de richtlijn door middel van wettelijke of bestuursrechtelijke maatregelen uitvoeren.

Art. 10bis. Evaluatie

Uiterlijk op 31ádecember 2020 evalueert de Commissie deze richtlijn, en hiertoe dient zij een verslag, indien nodig vergezeld van een wetgevingsvoorstel, in bij het Europees Parlement en de Raad.

Art. 11. ComitÚprocedure

1

De Commissie wordt bijgestaan door een comitÚ. Dat comitÚ is een comitÚ in de zin van Verordening (EU) nr.á182/2011 van het Europees Parlement en de Raad.

2

Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikelá5 van Verordening (EU) nr.á182/2011 van toepassing.
Indien het comitÚ geen advies uitbrengt, stelt de Commissie de ontwerpuitvoeringshandeling niet vast en is artikelá5, lidá4, derde alinea van Verordening (EU) nr.á182/2011 van toepassing.

Art. 12. Inwerkingtreding

1

Deze richtlijn treedt in werking op de dag van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen.

2

Artikelá5, lidá4, is van toepassing:
vanaf 1ájuli 2002 voor voertuigen die met ingang van deze datum in de handel worden gebracht;
vanaf 1ájanuari 2007 voor voertuigen die vˇˇr de achter het eerste streepje genoemde datum in de handel zullen zijn gebracht.

3

De lidstaten kunnen artikelá5, lidá4, vˇˇr de in lidá2 vermelde data toepassen.

Art. 13. Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Bijlage I.
Technische minimumeisen voor verwerking overeenkomstig artikelá6, ledená1 en 3

1

Terreinen voor opslag (ook tussenopslag) van autowrakken vˇˇr verwerking:
met opvangvoorzieningen voor weglekkende vloeistoffen, bezinktanks en olieslibafscheiders;
waterzuiveringsapparatuur, ook voor regenwater, die voldoet aan de gezondheids- en milieuvoorschriften.

2

Terreinen voor verwerking:
opvangvoorzieningen voor vloeistoffen, bezinktanks en olie/slibafscheiders;
adequate opslagplaats voor gedemonteerde onderdelen, inclusief ondoorlatende opslagplaats voor door olie verontreinigde onderdelen;
adequate containers voor de opslag van accu's (met neutralisering van elektrolyten ter plaatse of elders), filters en PCB/PCT-houdende condensatoren;
adequate opslagtanks voor de gescheiden opslag van vloeistoffen van autowrakken: brandstof, motorolie, versnellingsbakolie, transmissieolie, hydraulische olie, koelvloeistoffen, antivriesmiddel, remvloeistoffen, accuzuren, airconditioningvloeistoffen en andere vloeistoffen van autowrakken;
waterzuiveringsapparatuur, ook voor regenwater, die voldoet aan de gezondheids- en milieuvoorschriften;
adequate opslag van gebruikte banden waaronder tevens begrepen het voorkomen van brandrisico's van buitensporige voorraadvorming.

3

Verwerkingshandelingen voor de verwijdering van gevaarlijke afvalstoffen uit autowrakken:
verwijdering van accu's en LPG-tanks;
verwijdering of onschadelijk maken van mogelijk ontplofbare onderdelen (bijvoorbeeld airbags);
verwijdering en gescheiden inzameling en opslag van brandstof, motorolie, transmissieolie, versnellingsbakolie, hydraulische olie, koelvloeistoffen, antivriesmiddel, remvloeistoffen, airconditioningvloeistoffen en alle andere vloeistoffen in het afgedankte voertuig, tenzij zij nodig zijn voor het hergebruik van de betrokken onderdelen;
verwijdering, voorzover uitvoerbaar, van alle onderdelen waarvan is vastgesteld dat zij kwik bevatten.

4

Verwerkingshandelingen ter bevordering van recycling:
verwijdering van katalysatoren;
verwijdering van metalen onderdelen die koper, aluminium en magnesium bevatten, indien deze metalen in de shredder niet worden gescheiden;
verwijdering van banden en grote kunststofonderdelen (bumpers, instrumentenbord, vloeistoftanks, enz.) indien deze materialen bij de shredding niet zodanig worden gescheiden dat ze ook inderdaad als materialen gerecycleerd kunnen worden;
verwijdering van glas.

5

De opslaghandelingen worden zodanig verricht dat schade aan onderdelen die vloeistoffen bevatten of aan onderdelen voor nuttige toepassing en reserveonderdelen voorkomen wordt.

Bijlage II.
Van de toepassing van artikelá4, lidá2, onderáa), vrijgestelde materialen en onderdelen

Een maximale concentratie van 0,1 gewichtsprocent lood, zeswaardig chroom en kwik in homogeen materiaal en 0,01 gewichtsprocent cadmium in homogeen materiaal wordt toegestaan.
Na 1ájuli 2003 in de handel gebrachte reserveonderdelen die worden gebruikt voor voertuigen die vˇˇr 1ájuli 2003 in de handel werden gebracht, met uitzondering van wielbalansgewichten, koolborstels voor elektrische motoren en remvoeringen, zijn vrijgesteld van het bepaalde in artikelá4, lidá2, onderáa), van Richtlijná2000/53/EG.
Materialen en onderdelen
Werkingssfeer en einde van de geldigheidsduur van de vrijstelling
Te merken of herkenbaar te maken overeenkomstig artikelá4, lidá2, onderáb), iv)
Lood als legeringselement
1 a)
Staal voor verwerkingsdoeleinden en discontinu thermisch verzinkte stalen onderdelen met een loodgehalte van niet meer dan 0,35 gewichtsprocent
á
á
1 b)
Continu verzinkt plaatstaal dat niet meer dan 0,35 gewichtsprocent lood bevat
Voertuigen met typegoedkeuring van vˇˇr 1ájanuari 2016 en reserveonderdelen voor deze voertuigen
á
2 a)
Aluminium voor verwerkingsdoeleinden dat niet meer dan 2 gewichtsprocent lood bevat
Als reserveonderdelen voor voertuigen die vˇˇr 1ájuli 2005 in de handel zijn gebracht
á
2 b)
Aluminium dat niet meer dan 1,5 gewichtsprocent lood bevat
Als reserveonderdelen voor voertuigen die vˇˇr 1ájuli 2008 in de handel zijn gebracht
á
2 c) i)
Aluminiumlegeringen voor verwerkingsdoeleinden die niet meer dan 0,4 gewichtsprocent lood bevatten
(1)
á
2 c) ii)
Aluminiumlegeringen die niet onderá2 c) i) vallen en die niet meer dan 0,4 gewichtsprocent lood bevatten (1a)
(2)
á
3.
Koperlegeringen die niet meer dan 4 gewichtsprocent lood bevatten
(1)
á
4 a)
Lagerschalen en – zuigers
Als reserveonderdelen voor voertuigen die vˇˇr 1ájuli 2008 in de handel zijn gebracht
á
4 b)
Lagerschalen en -zuigers in motoren, transmissies en aircocompressoren
Als reserveonderdelen voor voertuigen die vˇˇr 1ájuli 2011 in de handel zijn gebracht
á
Lood en loodverbindingen in onderdelen
5 a)
Lood in batterijen in hoogspanningsyste-men (2a) die alleen worden gebruikt voor de aandrijving van voertuigen van de categorieŰn M1 en N1.
Voertuigen met typegoedkeuring van vˇˇr 1ájanuari 2019 en reserveonderdelen voor deze voertuigen
X
5 b)
Lood in batterijen voor batterijtoepassingen die niet onder puntá5 a) vallen.
(1)
X
6.
Trillingsdempers
Voertuigen met typegoedkeuring van vˇˇr 1ájanuari 2016 en reserveonderdelen voor deze voertuigen
X
7 a)
Vulkaniseermiddelen en stabilisatoren voor elastomeren in remslangen, brandstofslangen, luchtventilatieslangen, elastomeer/metaalonderdelen in de chassistoepassingen en motorophangingen
Als reserveonderdelen voor voertuigen die vˇˇr 1ájuli 2005 in de handel zijn gebracht
á
7 b)
Vulkaniseermiddelen en stabilisatoren voor elastomeren in remslangen, brandstofslangen, luchtventilatieslangen, elastomeer/metaalonderdelen in de chassistoepassingen en motorophangingen die niet meer dan 0,5 gewichtsprocent lood bevatten
Als reserveonderdelen voor voertuigen die vˇˇr 1ájuli 2006 in de handel zijn gebracht
á
7 c)
Bindmiddelen voor elastomeren die in aandrijftoepassingen worden gebruikt, met een loodgehalte van niet meer dan 0,5 gewichtsprocent
Als reserveonderdelen voor voertuigen die vˇˇr 1ájuli 2009 in de handel zijn gebracht
á
8 a)
Lood in soldeer om elektrische en elektronische onderdelen aan elektronische printplaten te bevestigen en lood in de afwerking van de uiteinden van andere onderdelen dan elektrolytische aluminiumcondensatoren, in pinnen van onderdelen en in elektronische printplaten
Voertuigen met typegoedkeuring van vˇˇr 1ájanuari 2016 en reserveonderdelen voor deze voertuigen
X (4)
8 b)
Lood in soldeer in elektrische toepassingen, behalve soldeer op elektronische printplaten of op glas
Voertuigen met typegoedkeuring van vˇˇr 1ájanuari 2011 en reserveonderdelen voor deze voertuigen
X (4)
8 c)
Lood in de afwerking van de uiteinden van elektrolytische aluminiumcondensatoren
Voertuigen met typegoedkeuring van vˇˇr 1ájanuari 2013 en reserveonderdelen voor deze voertuigen
X (4)
8 d)
Lood in soldeer op glas in luchtmassameters
Voertuigen met typegoedkeuring van vˇˇr 1ájanuari 2015 en reserveonderdelen voor deze voertuigen
X (4)
[8 e)
Lood in soldeer met een hoog smeltpunt (d.w.z. loodlegeringen met ten minste 85 gewichtsprocent lood)
(2)
X]
8 f) a)
Lood in flexibele penconnectorsystemen
Voertuigen met typegoedkeuring van vˇˇr 1ájanuari 2017 en reserveonderdelen voor deze voertuigen
X (4)
[8 f) b)
Lood in andere flexibele penconnectorsystemen dan het pasvlak van kabelboomconnectoren
Voertuigen met typegoedkeuring van vˇˇr 1ájanuari 2024 en reserveonderdelen voor deze voertuigen
X]
[8ág) i)
Lood in soldeer voor de totstandbrenging van een haalbare elektrische verbinding tussen een halfgeleider-die en een drager in “flip chip”-behuizingen voor ge´ntegreerde schakelingen
Voertuigen met typegoedkeuring van vˇˇr 1áoktober 2022 en reserveonderdelen voor deze voertuigen
X]
[8 g) ii)
Lood in soldeer voor de totstandbrenging van een haalbare elektrische verbinding tussen de halfgeleider-die en de drager in “flip chip”-behuizingen voor ge´ntegreerde schakelingen waarbij die elektrische verbinding bestaat uit:
ái)á een halfgeleidertechnologieknoop van 90ánm of groter;
áii)á een enkele die van 300ámm2 of groter, in om het even welke halfgeleidertechnologieknoop;
áiii)á pakketten gestapelde die's van 300ámm2 of groter, of “silicon interposers” van 300ámm2 of groter.
(2)
Geldig voor voertuigen met typegoedkeuring vanaf 1áoktober 2022 en reserveonderdelen voor deze voertuigen
X]
8 h)
Lood in soldeer om warmteverspreiders te bevestigen aan het koelingslichaam in krachtige halfgeleiders met een chipgrootte van minstens 1ácm2 projectieoppervlak en een nominale spanningsdichtheid van minstens 1áA per mm2 siliciumchipoppervlak
Voertuigen met typegoedkeuring van vˇˇr 1ájanuari 2016 en na die datum als reserveonderdelen voor deze voertuigen
X (4)
8 i)
Lood in soldeer in elektrische toepassingen op glas, met uitzondering van soldeer op gelamineerd glas
Voertuigen met typegoedkeuring van vˇˇr 1ájanuari 2016 en na die datum als reserveonderdelen voor deze voertuigen
X (4)
8 j)
Lood in soldeer op gelamineerd glas
Voertuigen met typegoedkeuring van vˇˇr 1ájanuari 2020 en na die datum als reserveonderdelen voor deze voertuigen
X (4)
[8 k)
Solderen van verwarmingstoepassingen met een verwarmingsstroom van 0,5áA of meer per betrokken soldeerverbinding met een enkele ruit van gelamineerd glas met een dikte van ten hoogste 2,1ámm. Deze vrijstelling geldt niet voor het solderen aan contactpunten in de tussenlaag van polymeer.
Voertuigen met typegoedkeuring van vˇˇr 1ájanuari 2024 en reserveonderdelen voor deze voertuigen
X (4) ]
9.
Klepzittingen
Als reserveonderdelen voor motortypen die vˇˇr 1ájuli 2003 zijn ontwikkeld
á
10 a)
Elektrische en elektronische onderdelen die lood in glas of keramiek, in een glas- of composiet met keramische matrix, in een glaskeramisch materiaal of een composiet met glaskeramische matrix bevatten.
á
X (5) (voor andere onderdelen dan piŰzo-on-derdelen in motoren)
Deze vrijstelling heeft geen betrekking op het gebruik van lood in:
á–á glas in lampen en glazuur van bougies,
á–á de in de puntená10 b) tot en met 10 d), genoemde diŰlektrische keramische materialen en onderdelen.
10 b)
Lood in op PZT gebaseerde diŰlektrische keramische materialen in condensatoren die onderdeel zijn van ge´ntegreerde schakelingen of discrete halfgeleiders
á
á
10 c)
Lood in diŰlektrische keramische materialen in condensatoren voor een nominale spanning van minder dan 125áV wisselstroom of 250áV gelijkstroom
Voertuigen met typegoedkeuring van vˇˇr 1ájanuari 2016 en reserveonderdelen voor deze voertuigen
á
10 d)
Lood in diŰlektrische keramische materialen in condensatoren die de temperatuurgebonden afwijkingen van sensoren in ultrasone sonarinstallaties compenseren
Voertuigen met typegoedkeuring van vˇˇr 1ájanuari 2017 en na die datum als reserveonderdelen voor deze voertuigen
á
11.
Pyrotechnische ontstekers
Voertuigen met typegoedkeuring van vˇˇr 1ájuli 2006 en reserveonderdelen voor deze voertuigen
á
12.
Loodhoudende thermo-elektrische materialen in elektrische toepassingen in de automobielsector om de CO2-emissies te verminderen door de terugwinning van uitlaatgaswarmte
Voertuigen met typegoedkeuring van vˇˇr 1ájanuari 2019 en reserveonderdelen voor deze voertuigen
X
Zeswaardig chroom
13 a)
Corrosiewerende beschermlagen
Als reserveonderdelen voor voertuigen die vˇˇr 1ájuli 2007 in de handel zijn gebracht
á
13 b)
Corrosiewerende beschermlagen van schroefmoerverbindingen voor chassistoepassingen
Als reserveonderdelen voor voertuigen die vˇˇr 1ájuli 2008 in de handel zijn gebracht
á
[14.
Zeswaardig chroom als anticorrosiemiddel in het koolstofstalen koelsysteem in absorptiekoelkasten tot 0,75 gewichtsprocent in de koeloplossing:
á
X]
ái)á ontworpen om volledig of gedeeltelijk met een elektrische verwarmingseenheid te werken, met een gemiddeld gebruikt elektrisch ingangsvermogen van minder dan 75 W bij constante bedrijfsomstandigheden;
Voertuigen met typegoedkeuring van vˇˇr 1 januari 2020 en reserveonderdelen voor deze voertuigen
áii)á ontworpen om volledig of gedeeltelijk met een elektrische verwarmingseenheid te werken, met een gemiddeld gebruikt elektrisch ingangsvermogen van minstens 75 W bij constante bedrijfsomstandigheden;
Voertuigen met typegoedkeuring van vˇˇr 1 januari 2026 en reserveonderdelen voor deze voertuigen
áiii)á ontworpen om volledig met een niet-elektrische verwarmingseenheid te werken.
á
Kwik
15 a)
Ontladingslampen voor koplampen
Voertuigen met typegoedkeuring van vˇˇr 1ájuli 2012 en reserveonderdelen voor deze voertuigen
X
15 b)
Fluorescentiebuizen voor instrumentenpanelen
Voertuigen met typegoedkeuring van vˇˇr 1ájuli 2012 en reserveonderdelen voor deze voertuigen
X
Cadmium
16.
Batterijen voor elektrische voertuigen
Als reserveonderdelen voor voertuigen die vˇˇr 31ádecember 2008 in de handel zijn gebracht
á
(1)
Deze vrijstelling wordt opnieuw bekeken in 2021.
(1a)
Van toepassing op aluminiumlegeringen waar lood niet opzettelijk aan is toegevoegd maar aanwezig is door het gebruik van gerecycleerd aluminium.
(2)
Deze vrijstelling wordt opnieuw bekeken in 2024.
(2a)
Systemen met een spanning van > 75áV gelijkstroom zoals gedefinieerd in Richtlijná2006/95/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12ádecember 2006 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke voorschriften der lidstaten inzake elektrisch materiaal bestemd voor gebruik binnen bepaalde spanningsgrenzen (PB Lá374 van 27.12.2006, blz.á10).
(3)
Deze vrijstelling wordt opnieuw bekeken in 2019.
(4)
Demontage als in combinatie met in puntá10 a) genoemde toepassingen een gemiddelde drempelwaarde van 60 gram per voertuig wordt overschreden. Bij de toepassing van deze bepaling worden elektronische apparaten die niet door de fabrikant op de productielijn worden ge´nstalleerd, niet meegerekend.
(5)
Demontage als in combinatie met in de puntená8 a) tot en met 8 j) genoemde toepassingen een gemiddelde drempelwaarde van 60 gram per voertuig wordt overschreden. Bij de toepassing van deze bepaling worden elektronische apparaten die niet door de fabrikant op de productielijn worden ge´nstalleerd, niet meegerekend.