Afdeling 1.
Algemene doelstellingen van het natuurbeleid


Art. 6.

Onverminderd de bepalingen van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, is het beleid inzake natuurbehoud en de vrijwaring van het natuurlijk milieu gericht op de bescherming, de ontwikkeling, het beheer en het herstel van de natuur en het natuurlijk milieu, op de handhaving of het herstel van de daartoe vereiste milieukwaliteit en op het scheppen van een zo breed mogelijk maatschappelijk draagvlak, waarbij educatie en voorlichting van de bevolking inzake natuurbehoud wordt gestimuleerd.


Art. 7.

Het onder artikel 6 bedoelde beleid is gericht op het nemen van alle maatregelen die nodig zijn voor de uitvoering van internationale overeenkomsten of verdragen betreffende het natuurbehoud of van akten betreffende het natuurbehoud, met inbegrip van Europese richtlijnen, vastgesteld op grond van internationale verdragen.

 

Met het oog op het nemen van de in het eerste lid vermelde maatregelen is de Vlaamse Regering ertoe gemachtigd om de bijlagen I, II, III en IV bij dit decreet te wijzigen op een van de volgende gronden, naargelang van toepassing :

hetzij als gevolg van de in artikel 15 van de Vogelrichtlijn of in artikel 19 van de Habitatrichtlijn bedoelde aanpassing aan de technische en wetenschappelijke vooruitgang;
hetzij als gevolg van de feitelijke vaststellingen die in het in artikel 10 bedoelde Natuurrapport gedaan worden betreffende de vogelsoorten van de bijlage I van de Vogelrichtlijn, dan wel betreffende de habitats van bijlage I van de Habitat-richtlijn of de dier- en plantensoorten van bijlage II of IV van de diezelfde richtlijn;
hetzij als gevolg van de feitelijke vaststellingen die gedaan worden in het verslag in uitvoering van artikel 17.1 van de Habitatrichtlijn.

 

Onverminderd wat bepaald wordt in het eerste lid, wordt in de maatregelen genomen in uitvoering van de Habitat- en Vogelrichtlijn rekening gehouden met de vereisten op economisch, sociaal en cultureel gebied en met de regionale en lokale bijzonderheden.


Art. 8.

De Vlaamse regering neemt alle nodige maatregelen ter aanvulling van de bestaande regelgeving om over het gehele grondgebied van het Vlaamse Gewest de milieukwaliteit te vrijwaren die vereist is voor het behoud van de natuur en om het standstill-beginsel toe te passen zowel wat betreft de kwaliteit als de kwantiteit van de natuur.

 

Dit standstillbeginsel is ook van toepassing na het verstrijken van de termijn van elk beheerplan wanneer de realisatie van de beheerdoelstellingen en -maatregelen van een natuurbeheerplan als vermeld in artikel 16octies of de uitvoering van de beheerplannen in het kader van of in uitvoering van dit decreet of het Bosdecreet van 13 juni 1990, leidt tot een hogere natuurkwaliteit.


Art. 9.

§ 1.

De maatregelen bedoeld in artikelen 8, 13, 36ter, §§ 1, 2 en 5, tweede lid, en hoofdstuk VI, kunnen geen beperkingen opleggen die absoluut werken of handelingen verbieden of onmogelijk maken die overeenstemmen met de plannen van aanleg of de ruimtelijke uitvoeringsplannen van kracht in de ruimtelijke ordening, noch de realisatie van die plannen en hun bestemmingsvoorschriften verhinderen, tenzij deze maatregelen, voor wat artikel 36ter, §§ 1 en 2 aangaat, vastgelegd zijn in een goedgekeurd natuurrichtplan, een managementplan Natura 2000 of, in voorkomend geval, een planversie ervan, of een managementplan, dan wel, voor wat hoofdstuk VI aangaat, deze maatregelen de op grond van artikel 7 van dit decreet vereiste bescherming betreffen van de soorten die vermeld zijn in de bijlagen II, III en IV bij dit decreet.

 

De maatregelen bedoeld in het eerste lid beogen de instandhouding van de natuur en kunnen onder meer de bescherming bevatten van de bestaande natuur en natuurelementen, zoals habitats, holle wegen, houtkanten, poelen, waterrijke gebieden, heiden en historisch permanent grasland, ongeacht waar de natuur en de natuurelementen zich bevinden.

 

De in het eerste lid vermelde maatregelen kunnen de landbouwbedrijfsvoering en het teeltplan niet regelen in agrarische gebieden, landschappelijk waardevolle agrarische gebieden, valleigebieden, brongebieden, agrarische gebieden met ecologisch belang of ecologische waarde, agrarische gebieden met bijzondere waarde en de met een van deze gebieden vergelijkbare bestemmingsgebieden, aangewezen op de plannen van aanleg of de ruimtelijke uitvoeringsplannen van kracht in de ruimtelijke ordening, tenzij in de volgende gevallen :

voor de uitvoering van maatregelen bedoeld in artikel 36ter §§ 1 en 2;
binnen het VEN;
voor wat betreft het historisch permanent grasland gelegen binnen:
- de valleigebieden, brongebieden, agrarische gebieden met ecologisch belang of ecologische waarde, agrarische gebieden met bijzondere waarde of de met een van deze gebieden vergelijkbare bestemmingsgebieden, definitief vastgesteld op de plannen van aanleg of de ruimtelijke uitvoeringsplannen van kracht in de ruimtelijke ordening;
- het IVON;
- de beschermde duingebieden aangeduid krachtens artikel 52 van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud, toegevoegd bij decreet van 14 juli 1993 houdende maatregelen tot bescherming van de kustduinen;
- de gebieden afgebakend volgens of in uitvoering van internationale overeenkomsten of verdragen betreffende het natuurbehoud of van akten betreffende het natuurbehoud, met inbegrip van Europese richtlijnen, vastgesteld op grond van internationale verdragen.
3°bis voor wat de bescherming van historisch permanente graslanden betreft, aangewezen overeenkomstig artikel 9bis;
voor de uitvoering van de maatregelen die de op grond van artikel 7 van dit decreet vereiste bescherming betreffen van de soorten die vermeld zijn in de bijlagen II, III en IV van het decreet.

 

§ 2.

Behoudens andersluidende bepaling kunnen de maatregelen bedoeld in artikel 13, § 1, artikel 25, § 1, eerste lid, artikel 28, § 1, artikel 36ter , §§ 1 en 2, artikel 48, § 3, artikel 50octies, § 5, tweede en derde lid, en artikel 51:

gericht zijn op het stimuleren van maatregelen op het vlak van natuurbehoud en soortenbehoud;
het uitvoeren van een activiteit verbieden;
voorwaarden aan een activiteit opleggen;
gebodsbepalingen aan een overheid opleggen;
de verplichting bevatten voor een overheid tot het nemen van maatregelen op het vlak van natuurbeheer voor terreinen en waterlopen die deze in eigendom, gebruik of beheer heeft.

 

De maatregelen bedoeld in artikel 13, § 1, artikel 25, § 1, eerste lid, artikel 28, § 1, artikel 36ter, §§ 1 en 2, en artikel 51 kunnen tevens bevatten:

1°  het afhankelijk maken van een activiteit van het verkrijgen van een voorafgaande schriftelijke vergunning, toestemming of machtiging;
het onderwerpen van een activiteit aan een voorafgaande, schriftelijke melding of kennisgeving.

 

De Vlaamse regering of haar gemachtigde kan tevens tegen vergoeding gebodsbepalingen opleggen, al dan niet kaderend binnen een natuurrichtplan, een managementplan Natura 2000 of, in voorkomend geval, een planversie ervan, aan de particuliere grondeigenaars of -gebruikers in:

het VEN;
een speciale beschermingszone in zoverre het maatregelen betreft zoals bedoeld in artikel 36ter, §§ 1 en 2;
de overige gebieden die afgebakend zijn volgens of in uitvoering van internationale overeenkomsten of verdragen betreffende het natuurbehoud of van akten betreffende het natuurbehoud, met inbegrip van Europese richtlijnen, vastgesteld op grond van internationale verdragen. 
3°bis voor wat de bescherming van historisch permanente graslanden betreft, aangewezen overeenkomstig artikel 9bis;

 

De Vlaamse regering kan nadere regels vaststellen inzake het opleggen van gebodsbepalingen aan de particuliere grondeigenaars of -gebruikers en inzake de vergoeding hiervoor.


Art. 9bis.

§ 1.

Voor de bescherming van de historisch permanente graslanden, vermeld in artikel 9, § 1, derde lid, 3°bis, stelt de Vlaamse Regering, op basis van een voorstel van het Instituut, een ontwerpkaart op basis van wetenschappelijke criteria, voorlopig vast.

 

§ 2.

De Vlaamse Regering kan de nadere regels vastleggen inzake de te volgen procedures alsook inzake de samenstelling en de werking van de verificatiecommissie.

 

§ 3.

De Vlaamse Regering onderwerpt de ontwerpkaart aan een openbaar onderzoek dat binnen 60 dagen na de voorlopige vaststelling wordt aangekondigd door aanplakking in elke gemeente waarop het ontwerpplan geheel of gedeeltelijk betrekking heeft, door een bericht in het Belgisch Staatsblad en in ten minste drie dagbladen die in het gewest worden verspreid.


Deze aankondiging vermeldt minstens:

de gemeenten waarop de ontwerpkaart betrekking heeft;
waar de ontwerpkaart ter inzage ligt;
de begin- en einddatum van het openbaar onderzoek;
het adres waar de opmerkingen, vermeld in paragraaf 5, dienen toe te komen.

 

§ 4.

Na de aankondiging wordt de ontwerpkaart gedurende 60 dagen ter inzage gelegd in het gemeentehuis van elke betrokken gemeente.

 

§ 5.

De opmerkingen worden uiterlijk de laatste dag van de termijn van het openbaar onderzoek aan het Instituut toegezonden bij een ter post aangetekende brief of afgegeven tegen ontvangstbewijs. De opmerkingen kunnen enkel betrekking hebben op het feit of een voorlopig aangewezen historisch permanent grasland al dan niet voldoet aan de wetenschappelijke criteria zoals vermeld in paragraaf 1.

 

§ 6.

De verificatiecommissie onderzoekt alle opmerkingen op de wetenschappelijke correctheid en brengt binnen 90 dagen na het einde van het openbaar onderzoek gemotiveerd advies uit bij de Vlaamse Regering.

 

§ 7.

De Vlaamse Regering stelt binnen 210 dagen na de begindatum van het openbaar onderzoek de kaart van de historisch permanente graslanden definitief vast, en bepaalt voor welke graslanden er een verbod op het wijzigen van de vegetatie of een omgevingsvergunning voor het wijzigen van de vegetatie van toepassing is.


Het besluit houdende definitieve vaststelling van de kaart van de historisch permanente graslanden wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt binnen 30 dagen na de definitieve vaststelling.


De definitief vastgestelde kaart van de historisch permanente graslanden treedt in werking 14 dagen na zijn bekendmaking.