Art. 9.

§ 1.

De maatregelen bedoeld in artikelen 8, 13, 36ter, §§ 1, 2 en 5, tweede lid, en hoofdstuk VI, kunnen geen beperkingen opleggen die absoluut werken of handelingen verbieden of onmogelijk maken die overeenstemmen met de plannen van aanleg of de ruimtelijke uitvoeringsplannen van kracht in de ruimtelijke ordening, noch de realisatie van die plannen en hun bestemmingsvoorschriften verhinderen, tenzij deze maatregelen, voor wat artikel 36ter, §§ 1 en 2 aangaat, vastgelegd zijn in een goedgekeurd natuurrichtplan, een managementplan Natura 2000 of, in voorkomend geval, een planversie ervan, of een managementplan, dan wel, voor wat hoofdstuk VI aangaat, deze maatregelen de op grond van artikel 7 van dit decreet vereiste bescherming betreffen van de soorten die vermeld zijn in de bijlagen II, III en IV bij dit decreet.

 

De maatregelen bedoeld in het eerste lid beogen de instandhouding van de natuur en kunnen onder meer de bescherming bevatten van de bestaande natuur en natuurelementen, zoals habitats, holle wegen, houtkanten, poelen, waterrijke gebieden, heiden en historisch permanent grasland, ongeacht waar de natuur en de natuurelementen zich bevinden.

 

De in het eerste lid vermelde maatregelen kunnen de landbouwbedrijfsvoering en het teeltplan niet regelen in agrarische gebieden, landschappelijk waardevolle agrarische gebieden, valleigebieden, brongebieden, agrarische gebieden met ecologisch belang of ecologische waarde, agrarische gebieden met bijzondere waarde en de met een van deze gebieden vergelijkbare bestemmingsgebieden, aangewezen op de plannen van aanleg of de ruimtelijke uitvoeringsplannen van kracht in de ruimtelijke ordening, tenzij in de volgende gevallen :

voor de uitvoering van maatregelen bedoeld in artikel 36ter §§ 1 en 2;
binnen het VEN;
voor wat betreft het historisch permanent grasland gelegen binnen:
- de valleigebieden, brongebieden, agrarische gebieden met ecologisch belang of ecologische waarde, agrarische gebieden met bijzondere waarde of de met een van deze gebieden vergelijkbare bestemmingsgebieden, definitief vastgesteld op de plannen van aanleg of de ruimtelijke uitvoeringsplannen van kracht in de ruimtelijke ordening;
- het IVON;
- de beschermde duingebieden aangeduid krachtens artikel 52 van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud, toegevoegd bij decreet van 14 juli 1993 houdende maatregelen tot bescherming van de kustduinen;
- de gebieden afgebakend volgens of in uitvoering van internationale overeenkomsten of verdragen betreffende het natuurbehoud of van akten betreffende het natuurbehoud, met inbegrip van Europese richtlijnen, vastgesteld op grond van internationale verdragen.
3°bis voor wat de bescherming van historisch permanente graslanden betreft, aangewezen overeenkomstig artikel 9bis;
voor de uitvoering van de maatregelen die de op grond van artikel 7 van dit decreet vereiste bescherming betreffen van de soorten die vermeld zijn in de bijlagen II, III en IV van het decreet.

 

§ 2.

Behoudens andersluidende bepaling kunnen de maatregelen bedoeld in artikel 13, § 1, artikel 25, § 1, eerste lid, artikel 28, § 1, artikel 36ter , §§ 1 en 2, artikel 48, § 3, artikel 50octies, § 5, tweede en derde lid, en artikel 51:

gericht zijn op het stimuleren van maatregelen op het vlak van natuurbehoud en soortenbehoud;
het uitvoeren van een activiteit verbieden;
voorwaarden aan een activiteit opleggen;
gebodsbepalingen aan een overheid opleggen;
de verplichting bevatten voor een overheid tot het nemen van maatregelen op het vlak van natuurbeheer voor terreinen en waterlopen die deze in eigendom, gebruik of beheer heeft.

 

De maatregelen bedoeld in artikel 13, § 1, artikel 25, § 1, eerste lid, artikel 28, § 1, artikel 36ter, §§ 1 en 2, en artikel 51 kunnen tevens bevatten:

1°  het afhankelijk maken van een activiteit van het verkrijgen van een voorafgaande schriftelijke vergunning, toestemming of machtiging;
het onderwerpen van een activiteit aan een voorafgaande, schriftelijke melding of kennisgeving.

 

De Vlaamse regering of haar gemachtigde kan tevens tegen vergoeding gebodsbepalingen opleggen, al dan niet kaderend binnen een natuurrichtplan, een managementplan Natura 2000 of, in voorkomend geval, een planversie ervan, aan de particuliere grondeigenaars of -gebruikers in:

het VEN;
een speciale beschermingszone in zoverre het maatregelen betreft zoals bedoeld in artikel 36ter, §§ 1 en 2;
de overige gebieden die afgebakend zijn volgens of in uitvoering van internationale overeenkomsten of verdragen betreffende het natuurbehoud of van akten betreffende het natuurbehoud, met inbegrip van Europese richtlijnen, vastgesteld op grond van internationale verdragen. 
3°bis voor wat de bescherming van historisch permanente graslanden betreft, aangewezen overeenkomstig artikel 9bis;

 

De Vlaamse regering kan nadere regels vaststellen inzake het opleggen van gebodsbepalingen aan de particuliere grondeigenaars of -gebruikers en inzake de vergoeding hiervoor.