Hoofdstuk IV.
Maatregelen ter bevordering van het natuurbehoud


Afdeling 1.
Algemene maatregelen


Art. 13.

§ 1.

De Vlaamse regering kan alle nodige maatregelen nemen voor het natuurbehoud, ten behoeve van de bestaande natuur ongeacht de bestemming van het betrokken gebied, evenals voor de instandhouding van het natuurlijk milieu binnen de groen-, park-, buffer- en bosgebieden van de uitvoeringsplannen, van kracht in de ruimtelijke ordening, en meer bepaald voor:

de bescherming, de instandhouding, de ontwikkeling of het herstel van natuurlijke of deels natuurlijke habitats of ecosystemen, met inbegrip van de waterrijke gebieden van internationale betekenis;
de bescherming, de instandhouding en ontwikkeling van natuurlijke of halfnatuurlijke vegetaties;
de bescherming, de instandhouding en de ontwikkeling van de wilde inheemse fauna en flora en van de trekkende wilde diersoorten en hun habitats;
de bescherming, de instandhouding en ontwikkeling van kleine landschapselementen;
de bescherming, de instandhouding en ontwikkeling van de natuur in de bebouwde omgeving;
het regelen van de toegang tot en het gebruik van het natuurlijke milieu, met inachtneming van het bepaalde in artikel 35, § 1. Voor de natuurreservaten en het VEN of onderdelen van het VEN houdt dit eveneens het regelen in van de toegang tot de voor het verkeer minder belangrijke openbare wegen. Worden beschouwd als voor het verkeer minder belangrijke openbare wegen : alle openbare of gedeelten van openbare wegen liggend in de natuurreservaten of het VEN, met uitzondering van de openbare wegen die ingericht zijn voor het gewone gemotoriseerde verkeer voor zover deze in hoofdzaak bestemd zijn als doorgangsweg. De toegang tot deze wegen kan slechts wettig worden aangeduid in de vorm en op de wijze zoals bepaald door de Vlaamse regering.

 

§ 2

De maatregelen bedoeld in § 1 kunnen gericht zijn op het stimuleren van het natuurbeheer, het onderhoud, de natuurontwikkeling en kunnen, binnen de perken van de begroting, een financiële regeling vaststellen.

 

§ 3

De maatregelen bedoeld in § 1 kunnen het uitvoeren van bepaalde activiteiten verbieden of aan voorwaarden onderwerpen. Deze voorwaarden en activiteiten kunnen afhankelijk worden gemaakt van het verkrijgen van een vergunning. De Vlaamse regering bepaalt de nadere regels met betrekking tot deze activiteiten of voorwaarden :

de wijze waarop, de omstandigheden waaronder of de plaats waar de activiteit kan worden uitgevoerd;
het verlenen van een voorafgaande, schriftelijke vergunning of toestemming door een in het besluit aangewezen overheid;
het voorafgaand, schriftelijk melden of kennisgeven van bepaalde activiteiten aan een bij besluit aangewezen overheid, die binnen een bepaalde termijn de gevolgen van de voorgenomen activiteit beoordeelt;
het herstel in de oorspronkelijke toestand of in een door het besluit aangegeven toestand na de beëindiging van de activiteit.

 

§ 4.

Onverminderd de bepalingen van § 3 wordt het wijzigen van de vegetatie of het geheel of gedeeltelijk wijzigen van kleine landschapselementen of de vegetatie ervan, voor zover de Vlaamse regering die wijzigingen niet verbiedt, afhankelijk gemaakt van het verkrijgen van een omgevingsvergunning voor het wijzigen van de vegetatie. Het gaat daarbij om de volgende gebieden:

de groengebieden, de parkgebieden, de buffergebieden, de bosgebieden, de natuurontwikkelingsgebieden, de valleigebieden, de brongebieden, de agrarische gebieden met ecologisch belang of waarde, de agrarische gebieden met bijzondere waarde en de met al deze gebieden vergelijkbare bestemmingsgebieden, aangewezen op de plannen van aanleg of de ruimtelijke uitvoeringsplannen van kracht in de ruimtelijke ordening;
de beschermde duingebieden, aangeduid krachtens artikel 52 van de wet van 12 juli 1973, toegevoegd bij decreet van 14 juli 1993 houdende maatregelen tot bescherming van de kustduinen;
de gebieden afgebakend volgens of in uitvoering van internationale overeenkomsten of verdragen betreffende het natuurbehoud of van akten betreffende het natuurbehoud, met inbegrip van Europese richtlijnen, vastgesteld op grond van internationale verdragen.

 

De Vlaamse regering kan bepalen welke activiteiten een wijziging zijn van de vegetatie of van kleine landschapselementen of van de vegetatie ervan.

 

§ 5.

Onverminderd de bepalingen van §§ 3 en 4, wordt het geheel of gedeeltelijk wijzigen van kleine landschapselementen of de vegetatie ervan, voor zover de Vlaamse regering die wijzigingen niet verbiedt, tevens afhankelijk gemaakt van het verkrijgen van een omgevingsvergunning voor het wijzigen van de vegetatie in de volgende gebieden:

de landschappelijk waardevolle agrarische gebieden en de agrarische gebieden en de met al deze gebieden vergelijkbare bestemmingsgebieden, aangewezen op de plannen van aanleg of de ruimtelijke uitvoeringsplannen van kracht in de ruimtelijke ordening;
het IVON.

 

§ 6.

De Vlaamse regering kan nadere regels bepalen inzake vrijstelling van de vergunningsplicht, bedoeld in §§ 4 en 5, voor zover uitdrukkelijk voldaan wordt aan de zorgplicht opgelegd door artikel 14 en, in voorkomend geval, voldaan is aan de bepalingen van artikel 16, §§ 1 tot 3 inzake het tegengaan van vermijdbare schade wanneer:

voor de vermelde activiteit op grond van wetten, decreten of besluiten een vergunning of toestemming van de overheid verleend is, na advies van het Agentschap voor Natuur en Bos;
de activiteit geregeld is in goedgekeurde plannen of projecten die nader zijn bepaald door de Vlaamse regering;
het huiskavels met een maximale grootte van 3 ha betreft;
het normale onderhoudswerken betreft.

 

§ 7.

Met behoud van de toepassing van artikel 16 en artikel 36ter, § 3 tot en met § 6, kunnen samenhangende of periodiek terugkerende activiteiten die een wijziging zijn van de vegetatie of van kleine landschapselementen of van de vegetatie ervan, in één vergunning worden toegestaan voor zover de aard, de locatie en de omvang en de frequentie van elk van die vergunningsplichtige activiteiten duidelijk omschreven wordt.

 

De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen met betrekking tot de informatie die moet worden aangeleverd door de aanvrager van een vergunning met betrekking tot de termijn, de frequentie en de aard van de activiteiten.

 

§ 8.

Het zonder voorafgaandelijke omgevingsvergunning of in strijd met deze omgevingsvergunning uitvoeren van vergunningsplichtige handelingen inzake wijziging van de vegetatie of van kleine landschapselementen of van de vegetatie ervan of van handelingen die verboden zijn op basis van of in uitvoering van artikel 13, § 3, is verboden.


Art. 14.

§ 1.

Iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die manueel, met mechanische middelen of pesticiden en met vaste of mobiele geluidsbronnen ingrijpt op of in de onmiddellijke omgeving van natuurlijke en deels natuurlijke habitats of ecosystemen, op waterrijke gebieden, op natuurlijke en halfnatuurlijke vegetaties, op wilde inheemse fauna of flora of trekkende wilde diersoorten of hun respectieve habitats of leefgebieden, of op kleine landschapselementen, en die weet of redelijkerwijze kan vermoeden dat deze habitats, ecosystemen, waterrijke gebieden, vegetaties, fauna, flora of kleine landschapselementen daardoor kunnen worden vernietigd of ernstig geschaad, is verplicht om alle maatregelen te nemen die redelijkerwijze van hem kunnen worden gevergd om de vernietiging of de schade te voorkomen, te beperken of indien dit niet mogelijk is, te herstellen.

 

De bepaling van het vorige lid geldt eveneens ten aanzien van wie opdracht geeft tot de in dat lid bedoelde ingrepen.

 

§ 2.

De Vlaamse Regering kan codes van goede natuurpraktijk voor de bescherming, het beheer of de inrichting van de in § 1 bedoelde habitats, ecosystemen, waterrijke gebieden, vegetaties, fauna, flora of kleine landschapselementen vaststellen.

 

Deze codes zijn in beginsel vrijwillig toe te passen, doch kunnen een verplicht karakter krijgen door verwijzing ernaar in bindende bepalingen, zoals in beheerverplichtingen opgelegd door of ter uitvoering van dit decreet of het Bosdecreet, in natuurrichtplannen of in ter uitvoering van dit decreet of het Bosdecreet opgestelde beheerplannen.


Art. 15.

De Vlaamse regering stelt regels vast met betrekking tot het aanvragen, verlenen, weigeren, bekendmaken, intrekken en wijzigen van de vergunning of de toestemming, vermeld in artikel 9 en artikel 13, §§ 1, 2 en 3, alsook met betrekking tot de adviesverlening, het openbaar onderzoek en het indienen behandelen en bekendmaken van het beroep, alsook de schorsende werking van het beroep.

 

[...]


Art. 16.

§ 1.

In het geval van een vergunningsplichtige activiteit, draagt de bevoegde overheid er zorg voor dat er geen vermijdbare schade aan de natuur kan ontstaan door de vergunning of toestemming te weigeren of door redelijkerwijze voorwaarden op te leggen om de schade te voorkomen, te beperken of, indien dit niet mogelijk is, te herstellen.

 

§ 2

Een activiteit waarvoor een kennisgeving of melding aan de overheid vereist is, kan enkel uitgevoerd worden indien geen vermijdbare schade kan ontstaan en voor zover de aanvrager zich in voorkomend geval gedraagt naar de code van goede natuurpraktijk.

 

De kennisgever dient aan te tonen dat de activiteit geen vermijdbare schade kan veroorzaken. Wanneer de kennisgever dit niet gedaan heeft, dient de betrokken overheid zelf te onderzoeken of de activiteit vermijdbare schade kan veroorzaken. Indien dit het geval is of indien de code van goede natuurpraktijk niet wordt nageleefd, wordt dit door de overheid aan de kennisgever medegedeeld bij ter post aangetekende brief binnen de eventuele wachttermijn voor het uitvoeren van de activiteit voorzien in de wetgeving in kader waarvan de kennisgeving of de melding gebeurt of bij gebreke daaraan binnen dertig dagen na de kennisgeving of de melding. De kennisgever mag pas starten met de uitvoering van de betrokken activiteit wanneer voormelde termijn verstreken is zonder dat hij een voormeld bericht van de overheid heeft ontvangen.

 

De Vlaamse regering kan nadere regels vaststellen voor de toepassing van deze paragraaf.

 

§ 3

De Vlaamse regering kan voor bepaalde activiteiten of categorieën van activiteiten, voor bepaalde habitats of ecologische processen, of voor bepaalde soortengroepen, richtlijnen geven voor het beoordelen van het vermijdbare karakter van de activiteit en voor het opleggen van voorwaarden en herstelmaatregelen.


Afdeling 2.
Natuurbeheerplannen


Art. 16bis.

§ 1.

Voor een terrein dat beheerd wordt of zal worden ten behoeve van het natuurbehoud kan een natuurbeheerplan worden opgemaakt.


Een natuurbeheerplan bevat:

een beschrijving van de bestaande toestand;
een globaal kader voor de ecologische, de sociale en de economische functie;
de beheerdoelstellingen;
de beheermaatregelen die genomen zullen worden om de beheerdoelstellingen te realiseren;
de wijze waarop de realisatie van de beheerdoelstellingen wordt opgevolgd en geëvalueerd.

 

§ 2.

Voor alle natuurdomeinen stelt het agentschap een natuurbeheerplan op.


Met het oog op de realisatie van instandhoudingsdoelstellingen stelt de beheerder van een openbaar terrein beheerd ten behoeve van het natuurbehoud, een natuurbeheerplan op.


Een natuurbeheerplan kan opgemaakt worden door de beheerder of een groep van beheerders, met de instemming van de eigenaars.


Art. 16ter.

§ 1.

Bij het opstellen van een natuurbeheerplan, als vermeld in artikel 16bis, worden, afhankelijk van de doelstellingen die gekozen worden voor de realisatie van de ecologische functie, de volgende types terreinen onderscheiden:

type één: behouden van de aanwezige natuurkwaliteit;
type twee: bereiken van een hogere natuurkwaliteit;
type drie: bereiken van de hoogste natuurkwaliteit;
type vier: erkend natuurreservaat.

 

§ 2.

De private terreinen, waarvoor een natuurbeheerplan wordt opgemaakt, die geheel of gedeeltelijk liggen in het VEN of in een speciale beschermingszone in het Vlaamse Gewest, de natuurdomeinen alsook de openbare terreinen waarvoor een natuurbeheerplan wordt opgemaakt, moeten ten minste aan de voorwaarden voor type twee voldoen. In het geval vermeld in artikel 16septies, tweede lid, wordt daarbij maximaal gestreefd om te voldoen aan de voorwaarden voor type drie of type vier. Voor natuurdomeinen die verworven zijn met het oog op de realisatie van instandhoudingsdoelstellingen voldoet het natuurbeheerplan aan de voorwaarden voor type drie of type vier.


Voor de terreinen die niet vermeld zijn in het eerste lid kiest de beheerder van het terrein die een geïntegreerd beheer ten behoeve van het natuurbehoud wil voeren, uit de vier types, vermeld in het eerste lid. De beheerder kan alleen kiezen voor type drie of type vier als het terrein, in voorkomend geval in samenhang met de ruimtelijke omgeving ervan, voldoende oppervlakte heeft om op duurzame wijze de aanwezige of te ontwikkelen natuurstreefbeelden in stand te houden.


Art. 16quater.

Het beheer van een terrein van type één als vermeld in artikel 16ter, § 1, 1°, wordt gevoerd met het oog op een geïntegreerd beheer ten behoeve van het natuurbehoud, waarbij het behoud van de aanwezige natuurkwaliteit en van het natuurlijk milieu gegarandeerd worden.


Art. 16quinquies.

Het beheer van een terrein van type twee als vermeld in artikel 16ter, § 1, 2°, wordt gevoerd met het oog op het behouden of ontwikkelen van een hogere natuurkwaliteit en van het behouden of verbeteren van het natuurlijk milieu. Het beheer van een dergelijk terrein is gebaseerd op volgende uitgangspunten:

over ten minste een vierde van de oppervlakte van het terrein wordt het realiseren van minstens één natuurstreefbeeld tot doel gesteld;
met het oog op een geïntegreerd beheer ten behoeve van het natuurbehoud worden doelstellingen geformuleerd voor de ecologische, economische en sociale functie in het terrein, waarbij sterk rekening wordt gehouden met de aanwezige en potentiële natuurwaarden, en waarbij de maatregelen ter realisatie van de economische functie en sociale functie het vervullen van de ecologische functie niet mogen bemoeilijken of verhinderen;
de beheerder kan plaatselijk en voor een of meer delen van het terrein de klemtoon op het realiseren van een bepaalde functie leggen, op voorwaarde dat de andere functies voldoende in het volledige terrein aan bod komen.

 


Art. 16sexies.

Het beheer van een terrein van type drie of type vier als vermeld in artikel 16ter, § 1, 3° en 4°, wordt gevoerd met het oog op het behouden of ontwikkelen van de hoogste natuurkwaliteit. Het beheer van een dergelijk terrein is gebaseerd op volgende uitgangspunten:

over de volledige oppervlakte van het terrein wordt het realiseren van minstens één natuurstreefbeeld tot doel gesteld;
er kan bovendien gestreefd worden naar de realisatie van de sociale functie en de economische functie, op voorwaarde dat dit de realisatie van de ecologische functie en van de natuurstreefbeelden niet bemoeilijkt of verhindert.


Om gemotiveerde reden kan in het natuurbeheerplan worden afgeweken van de voorwaarde vermeld in het eerste lid, 1°, voor ten hoogste tien percent van de oppervlakte van het terrein.


Art. 16septies.

De beheerdoelstellingen en -maatregelen in een natuurbeheerplan moeten in voorkomend geval in overeenstemming zijn met:

de instandhoudingsdoelstellingen;
de soortenbeschermingsprogramma’s;
de al vastgestelde natuurrichtplannen;
de managementplannen, vermeld in artikel 48;
de bepalingen van het managementplan Natura 2000.


Indien het natuurbeheerplan betrekking heeft op terreinen die zich bevinden in een speciale beschermingszone in
het Vlaamse Gewest wordt het natuurbeheerplan binnen de zoekzones, vermeld in artikel 50septies, § 4, maximaal
afgestemd op de bepalingen van het managementplan Natura 2000 voor zover het betrekking heeft op:

natuurdomeinen;
openbare terreinen;
terreinen die werden aangekocht of waarop een zakelijk of persoonlijk recht werd verworven, in beide gevallen met financiële tussenkomst van de administratieve overheid in uitvoering van dit decreet.


Naast de maximale afstemming op de bepalingen van het managementplan Natura 2000, als vermeld in het tweede lid, kan het natuurbeheerplan ook het realiseren van natuurstreefbeelden van regionaal belang omvatten.


De Vlaamse Regering stelt de natuurstreefbeelden vast die voor het Vlaamse Gewest van regionaal belang zijn.


De Vlaamse Regering stelt een lijst van de natuurstreefbeelden vast die in aanmerking komen voor terreinen van type twee, type drie en type vier.


De Vlaamse Regering stelt nadere regels vast om te beoordelen of het terrein van type drie of type vier voldoende oppervlakte heeft om op een duurzame wijze de aanwezige of te ontwikkelen natuurstreefbeelden in stand te houden.


De Vlaamse Regering stelt voor de vier types van terreinen de nadere criteria vast waaraan het beheer, bepaald in een natuurbeheerplan, moet voldoen.

 

Als naast een natuurbeheerplan ook een beheerplan in het kader van het Onroerend-erfgoeddecreet van 12 juli 2013 wordt opgemaakt, worden alle beheerdoelstellingen voor dat terrein in één beheerplan geïntegreerd. De Vlaamse Regering bepaalt daarvoor de nadere regels. De bepalingen van dit artikel zijn ook van toepassing op dat geïntegreerde beheerplan.


Art. 16octies.

§ 1.

De procedure voor de goedkeuring van een natuurbeheerplan verloopt als volgt:

in een eerste, verkennend deel wordt de informatie verzameld die nodig is om te bepalen met welk van de vier types terreinen, vermeld in artikel 16ter, § 1, het geplande beheer overeenstemt. Dit eerste deel wordt goedgekeurd door het agentschap;
na de goedkeuring van het eerste deel wordt een ontwerp van een natuurbeheerplan opgemaakt;
een ontwerp van natuurbeheerplan, vermeld in punt 2°, wordt onderworpen aan een consultatie van het publiek als het gaat om terreinen van type twee, type drie of type vier;
een ontwerp van natuurbeheerplan, vermeld in punt 2°, wordt onderworpen aan het advies van door de Vlaamse Regering aan te wijzen instanties. De Vlaamse Regering kan bepalen voor welke types van terreinen advies moet worden verleend;
er wordt een beslissing genomen over het ontwerp van natuurbeheerplan.


De beslissing, vermeld in punt 5° van het eerste lid, gebeurt door de Vlaamse Regering of haar gemachtigde als het ontwerp van natuurbeheerplan betrekking heeft op een natuurdomein. Het agentschap beslist over de goedkeuring van het ontwerp van het natuurbeheerplan van andere terreinen.

 

§ 2.

Er worden evaluatiemomenten voorzien om te bepalen in welke mate de in een natuurbeheerplan vooropgestelde beheerdoelstellingen gerealiseerd worden. Het resultaat van deze evaluatiemomenten kan leiden tot de wijziging van een natuurbeheerplan.

 

§ 3.

Een natuurbeheerplan geldt voor een periode van 24 jaar, tenzij bij de goedkeuring ervan anders is bepaald.

 

§ 4.

Een goedgekeurd natuurbeheerplan wordt bij uittreksel gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. De goedgekeurde natuurbeheerplannen worden door het agentschap opgenomen in een register en meegedeeld aan de gemeente of gemeenten waarin het terrein geheel of gedeeltelijk ligt.


Art. 16novies.

§ 1.

De goedkeuring van het natuurbeheerplan houdt voor de beheerder van het terrein een verbintenis in tot de uitvoering van de in het natuurbeheerplan opgenomen beheermaatregelen, voor zover de financieringsverbintenis wordt nageleefd.


De goedkeuring van het natuurbeheerplan, ander dan dit van type één, houdt voor het Vlaamse Gewest een verbintenis in tot financiering, binnen de perken van de begroting van de in het natuurbeheerplan opgenomen maatregelen, die voor subsidie in aanmerking komen met toepassing van artikel 16sedecies, § 1, 2°.


Voor zover de realisatie van het in het natuurbeheerplan opgenomen globaal kader en de beheerdoelstellingen niet in het gedrang komt, kan de beheerder afwijken van de beheermaatregelen die het goedgekeurde natuurbeheerplan bevat, op voorwaarde dat voldaan wordt aan de voorwaarden inzake natuurbeheer die zijn opgenomen in het natuurbeheerplan en de afwijking van de beheermaatregelen geen gevolg heeft buiten het terrein. Afwijkende beheermaatregelen die wel de realisatie van het globaal kader en de beheerdoelstellingen in het gedrang brengen of die gevolgen hebben buiten het terrein, zijn pas mogelijk na een goedgekeurde wijziging van het natuurbeheerplan.


Een goedgekeurd natuurbeheerplan is bindend voor de opeenvolgende beheerders.


De overname van het beheer van een terrein met een goedgekeurd natuurbeheerplan door een nieuwe beheerder wordt binnen een termijn van dertig dagen na de overname door de vorige beheerder aan het agentschap gemeld.

 

§ 2.

De instrumenterend ambtenaar vermeldt in alle akten van verkoop, schenking of verhuring voor meer dan negen jaar van een onroerend goed, van een inbreng van een onroerend goed in een vennootschap, en ook in alle akten van vestiging of overdracht van vruchtgebruik, erfpacht of opstal, en in elke andere akte van een eigendomsoverdracht ten bezwarende titel, met uitzondering van huwelijkscontracten en hun wijzigingen, dat geheel of gedeeltelijk is gelegen binnen een terrein waarop een goedgekeurd natuurbeheerplan van toepassing is:

de datum waarop het natuurbeheerplan werd goedgekeurd, de duur waarvoor het werd goedgekeurd en de verplichtingen die het meebrengt voor de verwerver van het onroerend goed;
het bestaan van de erfdienstbaarheid, vermeld in artikel 16quater decies, § 2.

 


Art. 16decies.

§ 1.

Als het agentschap vaststelt dat de beheerder van een terrein de beheermaatregelen niet uitvoert of andere beheermaatregelen uitvoert dan wat in het goedgekeurd natuurbeheerplan is opgenomen, en dat doet op zodanige wijze dat de realisatie van de beheerdoelstellingen in het gedrang komt, kan het agentschap beslissen om het natuurbeheerplan op te heffen, na de beheerder gehoord te hebben. Het agentschap kan voorstellen aan de Vlaamse Regering om te beslissen dat het agentschap het beheer van het terrein overneemt gedurende de resterende looptijd van het natuurbeheerplan, voor zover het beheer ervan van belang is voor het realiseren van de instandhoudingsdoelstellingen en voor zover het beheer van het terrein op voorstel van de beheerder niet kan overgenomen worden door een andere beheerder die aantoont of aangetoond heeft op een deskundige manier aan natuurbeheer te kunnen doen. De beslissing over de overname wordt genomen nadat een advies is gevraagd aan een door de Vlaamse Regering aan te wijzen adviesinstantie.


Bij de beslissing tot opheffing van het natuurbeheerplan of tot overname van het beheer, vermeld in het eerste lid, wordt het verlenen van subsidies stopgezet door het agentschap. De verleende subsidies worden geheel of gedeeltelijk teruggevorderd.

 

§ 2.

De beheerder van een terrein kan het agentschap verzoeken om het natuurbeheerplan op te heffen.


Het agentschap kan het verzoek tot opheffing van een natuurbeheerplan type twee, drie of vier voor een privaat terrein alleen toestaan als uit het gemotiveerd verzoek van de beheerder blijkt dat de opheffing wordt gevraagd omwille van gevallen van overmacht waardoor de beheerder in de onmogelijkheid verkeert om het beheerplan uit te voeren.


Als het verzoek tot opheffing van een natuurbeheerplan type twee, drie of vier betrekking heeft op een openbaar terrein kan het agentschap het verzoek tot opheffing alleen toestaan als uit het gemotiveerd verzoek van de beheerder blijkt dat het verzoek tot opheffing noodzakelijk is voor maatregelen die een maatschappelijk belang dienen.


Het agentschap kan, na de beheerder gehoord te hebben, voorstellen aan de Vlaamse Regering om te beslissen dat het agentschap het beheer van het terrein overneemt gedurende de resterende looptijd van het natuurbeheerplan, voor zover het beheer ervan van belang is voor het realiseren van de instandhoudingsdoelstellingen en voor zover het beheer van het terrein op voorstel van de beheerder niet kan overgenomen worden door een andere beheerder die aantoont of aangetoond heeft op een deskundige manier aan natuurbeheer te kunnen doen. De beslissing over de overname wordt genomen nadat een advies is gevraagd aan een door de Vlaamse Regering aan te wijzen adviesinstantie.


Bij de beslissing tot opheffing van het natuurbeheerplan of tot overname van het beheer, vermeld in het vierde lid, wordt het verlenen van subsidies stopgezet door het agentschap. De verleende subsidies kunnen geheel of gedeeltelijk worden teruggevorderd.

 

§ 3.

De beheerder van het privaat terrein ontvangt vanaf het ogenblik van de overname van het beheer door het agentschap, vermeld in de paragrafen 1 en 2 , een vergoeding van het agentschap die overeenkomt met het kadastraal inkomen van het terrein, aangepast aan het indexcijfer van de consumptieprijzen van het Rijk als vermeld in artikel 518 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen, dat van toepassing is op het ogenblik van de overname van het beheer. De vergoeding wordt jaarlijks op 1 januari aangepast aan het in artikel 518 van hetWetboek van de Inkomstenbelasting 1992 bedoelde indexcijfer.

 

§ 4.

In geval van gehele of gedeeltelijke terugvordering van subsidies met toepassing van paragraaf 1 en 2, is de beheerder van het terrein gehouden tot terugbetaling van de subsidie, vermeld in artikel 13bis van het Bosdecreet, voor de resterende duur van de periode waarvoor ze geacht wordt te zijn toegekend.


Art. 16undecies.

§ 1.

Met uitzondering van de beslissing van de Vlaamse Regering over de overname van het beheer, vermeld in artikel 16decies, § 1, eerste lid, en § 2, vierde lid, kan de beheerder van het terrein tegen de beslissingen van het agentschap, vermeld in artikel 16octies, § 1, eerste lid, 1°, en tweede lid, en § 2, artikel 16decies, § 1, eerste en tweede lid, en § 2, vierde en vijfde lid, binnen een vervaltermijn van dertig dagen na kennisgeving van de beslissing, een beroep instellen bij de Vlaamse Regering. Dat beroep is niet schorsend.

 

§ 2.

De beslissing over het beroep, vermeld in paragraaf 1, wordt genomen nadat een advies is gevraagd aan een door de Vlaamse Regering aan te wijzen adviesinstantie.


De adviesinstantie brengt een schriftelijk en gemotiveerd advies uit binnen dertig kalenderdagen na ontvangst van het dossier. Als er binnen die termijn geen advies is verleend, kan aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan.


Art. 16duodecies.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor:

de inhoud van het natuurbeheerplan, vermeld in artikel 16bis, § 1, tweede lid;
de procedure voor de goedkeuring van het natuurbeheerplan, vermeld in artikel 16octies, § 1, inclusief de wijze waarop de consultatie van het publiek plaatsvindt en de aanwijzing van instanties die advies uitbrengen over het natuurbeheerplan;
de procedure voor de wijziging van een natuurbeheerplan en de gevallen waarin tot wijziging van dat plan moet worden overgegaan;
de procedure voor de opheffing van een natuurbeheerplan, de terugbetaling van subsidies en de overname van het beheer door het agentschap, en de nadere regels voor de betaling en de indexering van de vergoeding bij overname van het beheer, vermeld in artikel 16decies, § 3;
de opvolging en evaluatie van de uitvoering van het natuurbeheerplan;
de melding van de overname van het beheer, vermeld in artikel 16novies, § 1, vijfde lid;
de procedure van beroep, vermeld in artikel 16undecies, § 1;
de samenstelling en de werking van de adviesinstantie, vermeld in artikel 16decies, § 1, eerste lid, 16decies, § 2, vierde lid, en 16undecies, § 2, eerste lid. De adviesinstantie moet beschikken over voldoende expertise en onafhankelijkheid.


 


Afdeling 3.
De erkenning als natuurreservaat


Art. 16ter decies.

§ 1.

Een terrein van type vier, als vermeld in artikel 16ter, § 1, 4°, is een terrein van type drie met een goedgekeurd natuurbeheerplan dat tevens erkend is als natuurreservaat.

 

§ 2.

Om erkend te kunnen worden als natuurreservaat moet een terrein aan de volgende voorwaarden voldoen:

het terrein voldoet aan het toetsingskader voor de Vlaamse natuurreservaten. Het terrein moet zich kunnen ontwikkelen om een belangrijke bijdrage te leveren op een van de volgende vlakken:
  a) op het vlak van de habitats, populaties van inheemse dier- en plantensoorten en ecosystemen;
  b) op het vlak van mozaïeklandschappen en onbeheerde climaxvegetaties, waarbij natuurlijke processen een sturende rol spelen;
  c) op het vlak van het natuurlijk milieu met hoge natuurkwaliteit en hoge biodiversiteit;
de schaal van het terrein is voldoende ruim voor het duurzaam voeren van een gepast natuurbeheer voor de realisatie van de beoogde natuurstreefbeelden en voor de instand-houding van populaties of deelpopulaties van de soorten die kenmerkend zijn voor de beoogde natuurstreefbeelden.

 

§ 3.

In de agrarische gebieden en de landschappelijk waardevolle agrarische gebieden, gelegen buiten de gebieden afgebakend in uitvoering van internationale overeenkomsten of verdragen betreffende het natuurbehoud of van akten betreffende het natuurbehoud, met inbegrip van Europese richtlijnen, vastgesteld op grond van internationale verdragen, kunnen terreinen erkend worden als natuurreservaat (type vier) als ze aan de volgende criteria voldoen:

ofwel zijn het gronden die een actuele hoge natuurwaarde hebben en weinig geschikt zijn voor normaal landbouwgebruik in de betrokken landbouwstreek en waarvan de erkenning de agrarische structuur niet aantast;
ofwel zijn het gebieden met een hoge actuele of potentiële natuurwaarde en lage landbouwwaarde die in het kader van een goedgekeurd ruilverkavelingsplan of een goedgekeurd richtplan van een landinrichtingsproject hiertoe zijn aangewezen en waarvan de erkenning de agrarische structuur niet aantast.

 

§ 4.

In de valleigebieden, de brongebieden, de agrarische gebieden met ecologisch belang of agrarische gebieden met bijzondere waarde buiten het VEN en buiten de gebieden afgebakend in uitvoering van internationale overeenkomsten of verdragen betreffende het natuurbehoud of van akten betreffende het natuurbehoud, met inbegrip van Europese richtlijnen, vastgesteld op grond van internationale verdragen, kan de Vlaamse Regering specifieke criteria voor erkenning vaststellen.

 

§ 5.

De criteria vermeld in de paragrafen 3 en 4 zijn ook van toepassing voor de subsidie zoals vermeld in artikel 16sedecies, § 1, 3°.


Art. 16quater decies.

§ 1.

De procedure voor de erkenning van een natuurreservaat heeft de volgende kenmerken:

een aanvraag voor de erkenning als natuurreservaat wordt ingediend door de beheerder van het terrein, met instemming van de eigenaar;
een aanvraag voor de erkenning als natuurreservaat kan tegelijk gebeuren met de aanvraag voor de goedkeuring van een natuurbeheerplan voor een terrein van type drie, vermeld in artikel 16octies, § 1;
een aanvraag voor de erkenning als natuurreservaat wordt onderworpen aan een advies van het agentschap om na te gaan of wordt voldaan aan de voorwaarden als vermeld in artikel 16ter decies.

 

De Vlaamse Regering of haar gemachtigde beslist over de aanvragen van de erkenning als natuurreservaat, vermeld in het eerste lid.

 

De erkenning als natuurreservaat wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.

 

§ 2.

De erkenning als natuurreservaat vestigt een erfdienstbaarheid tot algemeen nut op het terrein, meer bepaald een publiekrechtelijke erfdienstbaarheid van duurzaam gebruik en langdurig beheer van het terrein als natuurreservaat.

 

§ 3.

De Vlaamse Regering of haar gemachtigde kan, na de beheerder gehoord te hebben, de erkenning als natuurreservaat van een terrein opheffen vanaf het ogenblik dat niet meer aan de voorwaarden van erkenning wordt voldaan. De opheffing van het natuurbeheerplan van een als natuurreservaat erkend terrein houdt van rechtswege de opheffing van de erkenning als natuurreservaat in. In dat geval kan de Vlaamse Regering of haar gemachtigde, na de beheerder gehoord te hebben, beslissen om de verleende subsidies geheel of gedeeltelijk terug te vorderen.


De opheffing van de erkenning als natuurreservaat wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.


Art. 16quindecies.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de procedure van de erkenning als natuurreservaat, van de wijziging en de opheffing ervan.


De Vlaamse Regering stelt ook het toetsingskader vermeld in artikel 16ter decies, § 2, vast waaraan een terrein moet voldoen om erkend te kunnen worden als natuurreservaat.


Afdeling 4.
Subsidies


Art. 16sedecies.

§ 1.

Om de ontwikkeling en uitvoering van het natuurbeheer te bevorderen, kan de Vlaamse Regering, binnen de perken van de begrotingskredieten, een subsidie verlenen voor:

de opmaak van een natuurbeheerplan, als vermeld in artikel 16bis, voor terreinen van type twee, drie of vier;
de uitvoering van de beheer- en inrichtingsmaatregelen voor de realisatie van een natuurstreefbeeld en de opvolging van de beheerdoelstellingen, vermeld in artikel 16bis;
de aankoop van of het verwerven van een zakelijk of persoonlijk recht op gronden, met als doel ze te laten erkennen als natuurreservaat;
de openstelling van een terrein met een goedgekeurd natuurbeheerplan en de aanleg van de infrastructuurwerken om deze openstelling mogelijk te maken, alsook het onthaal van de bezoekers in een erkend natuurreservaat.


De Vlaamse Regering bepaalt telkens voor een periode van drie jaar nadere regels met betrekking tot het aandeel van het verleende budget voor de aankoop en subsidie voor aankoop van gronden vermeld in het eerste lid, 3°, in functie van de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen. Aankopen die niet gericht zijn op instandhoudingsdoelstellingen, door de Vlaamse overheid of met subsidie van de Vlaamse overheid, zijn niet gericht op percelen in beroepslandbouwgebruik. De regels worden geëvalueerd voor het verstrijken van een periode van drie jaar.

 

§ 2.

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere voorwaarden om voor de subsidies, vermeld in paragraaf 1, in aanmerking te komen. Daarbij houdt de Vlaamse Regering onder meer rekening met de volgende criteria:

de goedkeuring van het natuurbeheerplan. Voorafgaand aan de goedkeuring van een natuurbeheerplan kan de subsidie, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, 1°, toegekend worden, en er kan een voorschot uitbetaald worden. De volledige uitbetaling van de subsidie is pas mogelijk na de goedkeuring van een natuurbeheerplan;
in eerste instantie de mate waarin de beoogde natuurstreefbeelden worden bereikt en vervolgens de mate waarin de beheer- en inrichtingsmaatregelen worden uitgevoerd;
de mate waarin de beoogde openstelling van het terrein wordt bereikt en de mate waarin het onthaal van de bezoekers in erkende natuurreservaten wordt gerealiseerd.

 

Met behoud van de toepassing van de mogelijkheid tot terugvordering van subsidies, vermeld in artikel 16decies, § 1 en § 2, en artikel 16quaterdecies, § 3, voorziet de Vlaamse Regering nog in andere mogelijkheden om subsidies geheel of gedeeltelijk terug te vorderen, namelijk in de volgende gevallen:

als blijkt dat een begunstigde van subsidies, verleend op basis van dit artikel, andere subsidies voor dezelfde activiteit heeft verkregen, waardoor de totale subsidies 100% van de totale aangetoonde kostprijs van de gesubsidieerde activiteit overschrijden;
als blijkt dat een begunstigde van subsidies, verleend op basis van dit artikel, niet langer voldoet aan de vereisten om in aanmerking te komen voor die subsidies.


De Vlaamse Regering bepaalt ook:

de wijze van berekening van de subsidie;
de procedures voor de aanvraag, de beoordeling, de toekenning en de uitbetaling van de subsidie en de evaluatie van de bereikte resultaten;
de procedure voor de terugvordering van de subsidies.

 

De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen inzake de cumulatie van de subsidies toegekend op basis van deze bepaling met subsidies die zijn toegekend op basis van alle andere regelgeving.


Art. 16septiesdecies.

De volgende vrijstellingen worden geacht als subsidie te zijn verleend:

de vrijstelling van de erfbelasting, vermeld in artikel 2.7.6.0.5 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013;
de vrijstelling van de schenkbelasting, vermeld in artikel 2.8.6.0.8 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013;
de vrijstelling van het verkooprecht, vermeld in artikel 2.9.6.0.7 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013.


De subsidie wordt geacht te zijn verleend gedurende 24 jaar, a rato van 1/24 per jaar, te rekenen vanaf:

voor de vrijstelling van de erfbelasting als vermeld in het eerste lid, 1°: de datum van overlijden van de erflater;
voor de vrijstelling van de schenkbelasting als vermeld in het eerste lid, 2°: de datum van de schenkingsakte die, zonder toepassing van de vrijstelling, vermeld in artikel 2.8.6.0.8 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, aan de schenkbelasting onderworpen zou zijn;
voor de vrijstelling van het verkooprecht als vermeld in het eerste lid, 3°: de datum van de authentieke akte van verkrijging die, zonder toepassing van de vrijstelling, vermeld in artikel 2.9.6.0.7 van de Vlaamse Codex Fiscaliteit van 13 december 2013, aan het verkooprecht onderworpen zou zijn.


Bij een rechtshandeling als vermeld in het tweede lid, 2° of 3°, die onderworpen is aan een opschortende voorwaarde, wordt voor de toepassing van dit artikel de datum van de vervulling van de voorwaarde in de plaats gesteld van de datum van de akte.


In het geval dat een goedgekeurd natuurbeheerplan bestaat, worden de subsidies, vermeld in het eerste lid, toegekend onder de volgende voorwaarden:

voor een periode van 24 jaar, te rekenen vanaf de data, vermeld in het tweede lid, moet voor het terrein een goedgekeurd natuurbeheerplan bestaan;
het effectief gevoerde beheer stemt overeen met het goedgekeurde natuurbeheerplan;
het beheer wordt niet overgenomen conform artikel 16decies.

 

In het geval dat de intentie bestaat om een natuurbeheerplan te laten goedkeuren, worden de subsidies, vermeld in het eerste lid, toegekend onder de volgende voorwaarden:

binnen twee jaar wordt het eerste verkennende deel van de procedure tot goedkeuring van een natuurbeheerplan als vermeld in artikel 16octies, § 1, eerste lid, 1°, goedgekeurd, te rekenen vanaf de data, vermeld in het tweede lid;
binnen vier jaar na de data, vermeld in het tweede lid, wordt een natuurbeheerplan goedgekeurd;
voor de nog resterende looptijd van de periode van 24 jaar, vermeld in het tweede lid, op de datum van goedkeuring van het natuurbeheerplan:
  a) blijft een goedgekeurd natuurbeheerplan bestaan;
  b) stemt het effectief gevoerde beheer overeen met het goedgekeurde natuurbeheerplan;
  c) wordt het beheer niet overgenomen conform artikel 16decies.

 


Art. 16duodevicies.

§ 1.

Als de voorwaarden, vermeld in artikel 16septiesdecies, derde lid of vierde lid, niet worden nageleefd, wordt de subsidie, vermeld in artikel 16septiesdecies, eerste lid, 1°, teruggevorderd van de eigenaar of vruchtgebruiker van het onroerend goed.

 

§ 2.

In geval van overdracht ten bezwarende titel of om niet van de goederen waarvoor de subsidie, vermeld in artikel 16septiesdecies, eerste lid, 1°, is verkregen, is de overdrager ertoe gehouden om in de akte van overdracht van de eigendom of het vruchtgebruik van het onroerend goed de verkrijger in te lichten over het bestaan van de subsidie, waarvoor de voorwaarden gelden, vermeld in artikel 16septiesdecies, derde lid of vierde lid, op het ogenblik van het verlijden van de akte van overdracht, met verwijzing naar dat artikel.

 

Iedere verkrijger is op zijn beurt ertoe gehouden een verdere verkrijger op dezelfde wijze in te lichten. De rechtsvoorganger van de eigenaar of vruchtgebruiker is ertoe gehouden de eigenaar of vruchtgebruiker schadeloos te stellen voor de terugbetaling van het openstaande saldo van de met toepassing van artikel 16septiesdecies, eerste lid, 1°, verkregen subsidie als hij nagelaten heeft zijn rechtsopvolger in te lichten over het bestaan van de subsidie conform de bepalingen van dat artikel. Een tot schadeloosstelling gehouden persoon heeft op zijn beurt verhaal op zijn rechtsvoorganger als die nagelaten heeft hem op de hoogte te brengen van het bestaan van de subsidie.


Art. 16undevicies.

§ 1.

Als de voorwaarden, vermeld in artikel 16septiesdecies, derde lid of vierde lid, niet worden nageleefd, wordt de subsidie, vermeld in artikel 16septiesdecies, eerste lid, 2°, teruggevorderd van de eigenaar van het onroerend goed of bij de vruchtgebruiker.

 

§ 2.

In geval van overdracht ten bezwarende titel of om niet van de goederen waarvoor de subsidie, vermeld in artikel 16septiesdecies, eerste lid, 2°, is verkregen, is de overdrager ertoe gehouden om in de akte van overdracht van de eigendom of het vruchtgebruik van het onroerend goed de verkrijger in te lichten over het bestaan van de subsidie, waarvoor de voorwaarden gelden, vermeld in artikel 16septiesdecies, derde lid of vierde lid, op het ogenblik van het verlijden van de akte van overdracht, met verwijzing naar dat artikel.

 

Iedere verkrijger is op zijn beurt ertoe gehouden een verdere verkrijger op dezelfde wijze in te lichten. De rechtsvoorganger van de eigenaar of vruchtgebruiker is ertoe gehouden de eigenaar of vruchtgebruiker schadeloos te stellen voor de terugbetaling van het openstaande saldo van de met toepassing van artikel 16septiesdecies, eerste lid, 2°, verkregen subsidie als hij nagelaten heeft zijn rechtsopvolger in te lichten over het bestaan van de subsidie conform de bepalingen van dat artikel. Een tot schadeloosstelling gehouden persoon heeft op zijn beurt verhaal op zijn rechtsvoorganger als die nagelaten heeft hem op de hoogte te brengen van het bestaan van de subsidie.


Art. 16vicies.

§ 1.

Als de voorwaarden, vermeld in artikel 16septiesdecies, derde lid of vierde lid, niet worden nageleefd, wordt de subsidie, vermeld in artikel 16septiesdecies, eerste lid, 3°, teruggevorderd bij de eigenaar of vruchtgebruiker van het onroerend goed.

 

§ 2.

In geval van overdracht ten bezwarende titel of om niet van de goederen waarvoor de subsidie, vermeld in artikel 16septiesdecies, eerste lid, 3°, is verkregen, is de overdrager ertoe gehouden om in de akte van overdracht van de eigendom of het vruchtgebruik van het onroerend goed de verkrijger in te lichten over het bestaan van de subsidie, waarvoor de voorwaarden gelden, vermeld in artikel 16septiesdecies, derde lid of vierde lid, op het ogenblik van het verlijden van de akte van overdracht, met verwijzing naar dat artikel.

 

Iedere verkrijger is op zijn beurt ertoe gehouden een verdere verkrijger op dezelfde wijze in te lichten. De rechtsvoorganger van de eigenaar of vruchtgebruiker is ertoe gehouden de eigenaar of vruchtgebruiker schadeloos te stellen voor de terugbetaling van het openstaande saldo van de met toepassing van artikel 16septiesdecies, eerste lid, 3°, verkregen subsidie als hij nagelaten heeft zijn rechtsopvolger in te lichten over het bestaan van de subsidie conform de bepalingen van dat artikel. Een tot schadeloosstelling gehouden persoon heeft op zijn beurt verhaal op zijn rechtsvoorganger als die nagelaten heeft hem op de hoogte te brengen van het bestaan van de subsidie.