Hoofdstuk V.
Gebiedsgericht beleid


Afdeling 1.
Het Vlaams Ecologisch Netwerk (VEN)


Art. 17.

§ 1

Het Vlaams Ecologisch Netwerk is een samenhangend en georganiseerd geheel, van gebieden van de open ruimte waarin een specifiek beleid inzake het natuurbehoud, gebaseerd op de kenmerken en elementen van het natuurlijk milieu, de onderlinge samenhang tussen de gebieden van de open ruimte en de aanwezige en potentiële natuurwaarden wordt gevoerd.

 

De Vlaamse regering bakent binnen 5 jaar na de inwerkingtreding van dit decreet een effectief te realiseren oppervlakte van 125 000 ha af [...].

 

§ 2

Het Vlaams Ecologisch Netwerk omvat de volgende onderdelen :

Grote Eenheden Natuur (GEN) : dit zijn gebieden die hetzij natuurelementen over een oppervlakte van minstens de helft van het gebied bevatten hetzij gebieden waarin een specifiek natuurelement met hoge natuurkwaliteit aanwezig is;
Grote Eenheden Natuur in Ontwikkeling (GENO) : dit zijn gebieden die één of meer van de volgende kenmerken vertonen :
a) aanwezigheid van natuurelementen, verspreid over de oppervlakte van het gebied, waarvan de gezamenlijke oppervlakte echter kleiner kan zijn dan de helft van het gebied;
b) aanwezigheid van belangrijke fauna- of floraelementen waarvan het voortbestaan moet worden ondersteund door de maatregelen inzake het grondgebruik;
c) terreinen al dan niet door kunstmatige ingrepen tot stand gekomen, met belangrijke mogelijkheden voor natuur- ontwikkeling.

 

De GEN en de GENO omvatten gebieden met een duidelijke samenhang en een voldoende aaneengesloten oppervlakte.

 

§ 3

Elke GEN of GENO die de Vlaamse Regering in overdruk afbakent overeenkomstig de wetgeving betreffende de ruimtelijke ordening in gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen, wordt van rechtswege beschouwd als een GEN of GENO in de zin van dit decreet.

 

Een volgens artikel 21 vastgesteld afbakeningsplan wordt van rechtswege opgeheven voor het onderdeel waarvoor nadien een ruimtelijk uitvoeringsplan in werking treedt dat aan dit onderdeel een bestemming geeft waardoor dit laatste niet meer krachtens artikel 20 van dit decreet zou kunnen worden aangeduid als GEN of GENO. Het voorontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan bevat voorstellen voor schadebeperkende en compenserende maatregelen. In het geval dergelijke opheffing gebeurt door middel van een gemeentelijk of een provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan, dient, voor wat die opheffing aangaat, het betrokken ontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan voorafgegaan te worden door een advies vanwege de administratie bevoegd voor het natuurbehoud, en dit uiterlijk tijdens de plenaire vergadering, vermeld in “artikel 2.2.20, tweede lid, respectievelijk artikel 2.2.14, tweede lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening of binnen de adviestermijn van eenentwintig dagen als er geen plenaire vergadering wordt georganiseerd zoals vermeld in artikel 2.2.20, zesde lid, respectievelijk artikel 2.2.14, zesde lid, van dezelfde codex. Dit advies geeft de benodigde schadebeperking en compenserende maatregelen aan. Het advies is bindend. Het betrokken college van burgemeester en schepenen respectievelijk de betrokken bestendige deputatie kan, met het oog op herziening van dit advies, beroep aantekenen bij de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen inzake de te volgen procedure.

 

De in het vorige lid bedoelde opheffing kan niet gebeuren bij middel van gemeentelijke of provinciale ruimtelijke uitvoeringsplannen wanneer het betrokken gedeelte van GEN of GENO gelegen is binnen een gebied dat definitief is vastgesteld als speciale beschermingszone in de zin van artikel 36bis, §§ 12 of 13. De in het vorige lid bedoelde opheffing kan maar gebeuren bij middel van gemeentelijke of provinciale ruimtelijke uitvoeringsplannen voor zover het om grenscorrecties gaat en voor zover er door deze opheffing geen betekenisvolle schade aan de natuur of het natuurlijk milieu in het VEN kan veroorzaakt worden.

 

Het aldus opgeheven onderdeel van het afbakeningsplan herneemt zijn rechtskracht indien en in de mate het bedoelde ruimtelijk. uitvoeringsplan door de Raad van State wordt geschorst of vernietigd.


Art. 18.

De administratieve overheid voert, binnen haar bevoegdheden, in het VEN, een beheer van de waterhuishouding gericht op de verwezenlijking van een duurzaam ecologisch functioneren van een watersysteem dat bij de bestaande of beoogde natuur behoort. In het bijzonder worden beoogd : het terugdringen van de risico's op verdroging, het herstel van verdroogde natuurgebieden en het beheer van de waterlopen gericht op het behoud en herstel van de natuurwaarden, zonder dat dit disproportionele gevolgen heeft voor de gebieden buiten het VEN.


Art. 19. De Vlaamse regering bepaalt de projecten, plannen of activiteiten die plaatsvinden binnen het VEN, en projecten, plannen of activiteiten die op gebieden binnen het VEN een rechtstreekse hydrologische invloed hebben, waarvoor de initiatiefnemer of de beheerder van de betrokken waterloop of waterwinning in samenwerking met het Instituut hydrologische studies moet maken met inbegrip van ecologische impactstudies, met het oog op effectgerichte maatregelen en afstemming van de invloeden op de aanwezige en potentiële natuurelementen.
De regering bepaalt onder welke voorwaarden deze studies geďntegreerd worden in de vereiste milieueffectrapportage.

Art. 20.

De Vlaamse regering kan de gebiedscategorieën van het VEN, overeenkomstig de bepalingen van dit decreet, aanduiden, waarbij de volgende bepalingen van toepassing zijn :

als GEN kunnen worden aangeduid : de groengebieden, parkgebieden, buffergebieden, bosgebieden, gebieden voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen met als overdruk overstromingsgebied of wachtbekken, militaire domeinen en de met een van deze gebieden vergelijkbare bestemmingsgebieden, aangewezen op de plannen van aanleg of ruimtelijke uitvoeringsplannen van kracht in de ruimtelijke ordening, en de beschermde duingebieden aangeduid krachtens artikel 52 van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud, toegevoegd bij decreet van 14 juli 1993 houdende maatregelen ter bescherming van de kustduinen;
als GENO kunnen worden aangeduid de in 1° vermelde gebiedscategorieën, alsmede: 
- de ontginningsgebieden en ermee vergelijkbare bestemmingsgebieden, aangewezen op de plannen van aanleg of de ruimtelijke uitvoeringsplannen van kracht in de ruimtelijke ordening voor zover zij één van de in 1° genoemde bestemmingen als nabestemming hebben; 
- de valleigebieden, de brongebieden, de agrarische gebieden met ecologisch belang of ecologische waarde, de agrarische gebieden met bijzondere waarde, de bosuitbreidingsgebieden en de natuurontwikkelingsgebieden, en de met een van deze gebieden vergelijkbare bestemmingsgebieden, aangewezen op de plannen van aanleg of de ruimtelijke uitvoeringsplannen van kracht in de ruimtelijke ordening.

 


Art. 21.

§ 1

Voor de afbakening van een GEN of GENO stelt de Vlaamse regering een ontwerp van afbakeningsplan op, al dan niet in samenwerking met natuurlijke personen dan wel publiekrechtelijke of privaatrechtelijke rechtspersonen.

 

§ 2

De Vlaamse regering kan de nadere regels vastleggen inzake de te volgen procedures.

 

§ 3

De Vlaamse regering stelt het ontwerp van afbakeningsplan voorlopig vast.

 

§ 4

Vanaf de voorlopige vaststelling van het ontwerp van afbakeningsplan zijn de reglementaire bepalingen van artikel 25 van toepassing.

 

§ 5

De Vlaamse regering onderwerpt het ontwerp van afbakeningsplan aan een openbaar onderzoek dat binnen 60 dagen na de voorlopige vaststelling wordt aangekondigd door aanplakking in elke gemeente waarop het ontwerpplan geheel of gedeeltelijk betrekking heeft, door een bericht in het Belgisch Staatsblad en in ten minste drie dagbladen die in het Gewest worden verspreid.

 

Deze aankondiging vermeldt minstens :

de gemeenten waarop het ontwerpplan geheel of gedeeltelijk betrekking heeft;
waar het ontwerpplan ter inzage ligt;
de begin- en einddatum van het openbaar onderzoek;
het adres waar de opmerkingen en bezwaren, vermeld in § 8 dienen toe te komen of kunnen worden afgegeven, en de vermelding dat opmerkingen en bezwaren ook kunnen worden afgegeven op het gemeentehuis van de gemeenten waarop de bedoelde vaststelling geheel of gedeeltelijk betrekking heeft.

 

 

§ 6

Na de aankondiging wordt het ontwerpplan gedurende 60 dagen ter inzage gelegd in het gemeentehuis van elke betrokken gemeente.

 

§ 7

De bezwaren en opmerkingen worden uiterlijk de laatste dag van de termijn van het openbaar onderzoek aan de Minaraad toegezonden bij een ter post aangetekende brief of afgegeven tegen ontvangstbewijs.

 

De bezwaren en opmerkingen kunnen ook uiterlijk de laatste dag van die termijn aan het gemeentehuis van elke gemeente bedoeld in § 6 worden afgegeven tegen ontvangstbewijs of mondeling worden meegedeeld aan de burgemeester of zijn gemachtigde ambtenaar die hiervan een proces-verbaal opmaakt. De gemeente bezorgt in dat geval uiterlijk de tiende werkdag na het openbaar onderzoek de bezwaren en opmerkingen aan de Minaraad. Met bezwaren en opmerkingen die laattijdig aan de Minaraad worden bezorgd, moet geen rekening worden gehouden. De Vlaamse regering kan nadere regels vaststellen met betrekking tot het ontvangen en bijhouden van bezwaren en opmerkingen door de gemeente en met betrekking tot de wijze waarop deze aan de Minaraad worden bezorgd.

 

§ 8

De Minaraad coördineert alle bezwaren en opmerkingen en brengt binnen 60 dagen na het einde van het openbaar onderzoek gemotiveerd advies uit bij de Vlaamse regering.

 

Dit advies bevat desgevallend een meerderheids- en een minderheidsstandpunt.

 

Op gemotiveerd verzoek van de Minaraad binnen een termijn van 25 dagen na het einde van het openbaar onderzoek beslist de Vlaamse regering over de verlenging met 60 dagen van de termijn van 60 dagen waarbinnen de Minaraad zijn advies diende uit te brengen.

 

Bij gebrek aan een beslissing binnen een termijn van 15 dagen na ontvangst van het verzoek wordt de verlenging geacht te zijn toegekend.

 

§ 9

De Vlaamse regering stelt binnen 180 dagen na de begindatum van het openbaar onderzoek, of 240 dagen in geval van verlenging van de termijn vermeld in § 8, het plan definitief vast.

 

Het besluit houdende definitieve vaststelling van het plan wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt binnen 30 dagen na de definitieve vaststelling.

 

Het definitief vastgestelde plan treedt in werking 14 dagen na zijn bekendmaking.

 

De Vlaamse regering stuurt een afschrift van het definitief vastgestelde plan en van het vaststellingsbesluit naar de betrokken provincie(s) en elke gemeente, bedoeld in § 5, waar deze documenten kunnen worden ingekeken.


Art. 22. [...]

Art. 23. [...]

Art. 24.

§ 1

Een afbakeningsplan van GEN of GENO kan te allen tijde, binnen de bestemmingsgrenzen van artikel 20, worden herzien. De bepalingen betreffende het opmaken van een plan zijn eveneens van toepassing op de herziening ervan.

 

§ 2

Het in herziening gestelde plan blijft gelden tot het herziene plan definitief in werking treedt.


Art. 25.

§ 1

De administratieve overheid neemt, binnen haar bevoegdheden, de nodige maatregelen om in GEN, bij voorrang ten opzichte van de andere functies in het gebied, en in GENO, rekening houdend met de overige functies in het gebied, de natuur en het natuurlijk milieu te behouden, te herstellen en te ontwikkelen.

 

Naast de maatregelen vermeld in hoofdstuk IV, afdeling 4 van dit hoofdstuk en hoofdstuk VI en onverminderd hetgeen bepaald wordt in het eerste lid, hebben deze maatregelen betrekking op :

het bevorderen van een natuurgerichte bosbouw en het instellen van bosreservaten, in overeenstemming met de bepalingen van het Bosdecreet;
het behouden, herstellen en/of op natuurelementen met een hoge natuurkwaliteit afstemmen van de waterhuishouding, ondermeer de waterkwaliteit, de waterkwantiteit en de natuurlijke structuur van de waterlopen en hun randzones, zonder dat dit disproportionele gevolgen heeft op de omliggende gebieden;
het beschermen van de insijpelingsgebieden van het grondwater;
het behouden en herstellen van het microreliëf en de structuur van het landschap;
het recreatieve medegebruik;
het agrarisch medegebruik;
het beheer van de natuurwaarden gedurende of na afloop van de economische of andere activiteiten die in het gebied plaatsvinden, rekening houdend met cultuurhistorische en landschappelijke waarden van het gebied. 

 

 

§ 2

[...]

 

§ 3

In de GEN en de GENO gelden de volgende voorschriften :

het gebruik van meststoffen wordt geregeld overeenkomstig het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen;
behoudens individuele ontheffing, verleend door het Agentschap voor Natuur en Bos of algemene ontheffing, is het verboden : 
1) pesticiden te gebruiken. Dit verbod geldt niet voor de percelen van de landbouwbedrijven waar in het kader van artikel 15, § 5, lid twee en vier, van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen, een ontheffing geldt; noch voor de percelen van landbouwbedrijven die onder de bepalingen van artikel 14 of artikel 15, §§ 1 tot 4 en § 6 van bovengenoemd decreet vallen; noch voor gronden die louter om de reden dat deze verworven zijn in de periode tussen de aangifte 95 en de inwerkingtreding van het mestdecreet niet onder de toepassing van hogervermelde ontheffing vallen, behalve in bepaalde gevallen aangeduid door de Vlaamse regering, waarbij de modaliteiten of middelen nader kunnen worden gespecificeerd zonder nochtans tot een volledig verbod te kunnen overgaan;
2) in toepassing van een goedgekeurd beheersplan conform het bosdecreet van 13 juni 1990 of met toepassing van een natuurbeheerplan conform dit decreet, de vegetatie, met inbegrip van meerjarige cultuurgewassen of van kleine landschapselementen te wijzigen;
3) het reliëf van de bodem te wijzigen;
4) werkzaamheden uit te voeren die rechtstreeks of onrechtstreeks het grondwaterpeil verlagen, alsook maatregelen die de bestaande ont- en afwatering versterken;
5) de structuur van de waterlopen te wijzigen.

 

Met behoud van de toepassing van artikel 16, artikel 26bis en artikel 36ter, § 3 tot en met § 6, kunnen samenhangende of periodiek terugkerende ontheffingsplichtige activiteiten, in één ontheffing worden toegestaan voor zover de aard, de locatie en de omvang en de frequentie van elk van die ontheffingsplichtige activiteiten duidelijk omschreven wordt. 

 

De Vlaamse regering bepaalt na advies van MINA-Raad, de voorwaarden en de procedure, de termijn en de beroepsprocedure tot het verlenen van ontheffingen zoals bedoeld in § 3, 2° van dit artikel.

 

De Vlaamse regering kan onverminderd de toepassing van artikelen 18 en 19 voor de bestaande vergunde drinkwaterwinningen en de bijhorende vergunde capaciteit een algemene ontheffing verlenen op de verbodsbepaling inzake het uitvoeren van werkzaamheden die rechtstreeks of onrechtstreeks het grondwaterpeil verlagen.


Art. 26. [...]

Art. 26bis.

§ 1

De overheid mag geen toestemming of vergunning verlenen voor een activiteit die onvermijdbare en onherstelbare schade aan de natuur in het VEN kan veroorzaken.

 

Als voor een activiteit een kennisgeving of melding aan de overheid vereist is, dient door de kennisgever worden aangetoond dat de activiteit geen onvermijdbare en onherstelbare schade aan de natuur in het VEN kan veroorzaken. Wanneer de kennisgever dit niet gedaan heeft, dient de betrokken overheid zelf te onderzoeken of de activiteit onvermijdbare en onherstelbare schade aan de natuur in het VEN kan veroorzaken. Wanneer dit het geval is, wordt dit door de overheid aan de kennisgever medegedeeld bij ter post aangetekende brief binnen de eventuele wachttermijn voor het uitvoeren van de activiteit voorzien in de wetgeving in het kader waarvan de kennisgeving of de melding gebeurt of bij gebreke daaraan binnen dertig dagen na de kennisgeving of melding. De kennisgever mag pas starten met de uitvoering van de betrokken activiteit wanneer voormelde termijn verstreken is zonder dat hij een voormeld bericht van de overheid heeft ontvangen.

 

De Vlaamse regering kan bepalen hoe moet aangetoond worden dat een activiteit geen onvermijdbare en onherstelbare schade aan de natuur in het VEN kan veroorzaken.

 

§ 2

De in § 1 bedoelde overheid vraagt in de gevallen bedoeld in § 1 advies aan de dienst bevoegd voor het natuurbehoud over de vraag of de betrokken activiteit onvermijdbare en onherstelbare schade aan de natuur in het VEN kan veroorzaken.

 

De Vlaamse regering kan de nadere regels vastleggen met betrekking tot de procedure die moet nageleefd worden voor het vragen van het advies.

 

§ 3

In afwijking van § 1 kan een activiteit die onvermijdbare en onherstelbare schade aan de natuur in het VEN kan veroorzaken, bij afwezigheid van een alternatief, toch worden toegelaten of uitgevoerd om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard. In dat geval dienen alle schadebeperkende en compenserende maatregelen genomen te worden.

 

Degene die de aanvraag, de kennisgeving of de melding bedoeld in § 1 gedaan heeft en die respectievelijk een weigering of een bericht zoals bedoeld in § 1, tweede lid van de betrokken overheid heeft ontvangen, richt tot deze overheid een verzoek tot het toepassen van de in deze paragraaf bedoelde afwijkingsmogelijkheid.

 

De Vlaamse regering bepaalt de procedure voor deze aanvragen en voor het behandelen ervan.

 

De Vlaamse regering oordeelt over het bestaan van dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard.


Afdeling 2.
Het Integraal Verwevings- en Ondersteunend Netwerk


Art. 27.

§ 1

Het IVON is een geheel van gebieden waarin de administratieve overheid, binnen haar bevoegdheden, zorg draagt voor het behoud van de aanwezige natuurwaarden, maatregelen neemt ter bevordering en versterking van die natuurwaarden, alsook stimulerende maatregelen neemt ter bevordering van de biologische diversiteit.

 

Deze maatregelen mogen de landbouw- en bosbouwexploitatie binnen het daartoe bestemd gebied niet regelen, tenzij via het instrument van de beheersovereenkomsten conform artikelen 45 en 46.

 

§ 2

Het IVON omvat de volgende onderdelen :

natuurverwevingsgebieden : dit zijn aaneengesloten gebieden waarin verschillende functies voorkomen en die gekenmerkt zijn door de aanwezigheid van hoge natuurwaarden, waarvan de duurzaamheid kan worden bereikt door het realiseren van het standstill-beginsel, het instandhouden en herstellen van de structuurkenmerken van de waterlopen, het instandhouden en herstellen van de waterhuishouding, het reliëf en de bodem en het bevorderen van het onderhoud en de ontwikkeling van de natuurwaarden.
Als natuurverwevingsgebied kunnen worden aangeduid alle in artikel 20 aangeduide gebieden alsook de landschappelijk waardevolle agrarische gebieden en recreatiegebieden met toepassing van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening gecoördineerd op 22 oktober 1996.
De Vlaamse regering bakent binnen 5 jaar na de inwerkingtreding van dit decreet een effectief te realiseren oppervlakte van 150.000 ha natuurverwevingsgebieden af .
natuurverbindingsgebieden : dit zijn gebieden die ongeacht hun oppervlakte van belang zijn voor de migratie van planten en dieren tussen de gebieden van het VEN en/of natuurreservaten en die strook- of lijnvormig zijn met een aaneenschakeling van kleine landschapselementen.

 

 

§ 3

Elk natuurverwevingsgebied dat de Vlaamse regering in overdruk afbakent overeenkomstig de wetgeving betreffende de ruimtelijke ordening in een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan, wordt van rechtswege beschouwd als natuurverwevingsgebied in de zin van dit decreet.


Elk natuurverbindingsgebied of met dit gebied vergelijkbaar gebied dat de Provincieraad afbakent overeenkomstig de wetgeving betreffende de ruimtelijke ordening in een provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan, wordt van rechtswege beschouwd als natuurverbindingsgebied in de zin van dit decreet.


Een volgens artikel 30, § 1, vastgesteld afbakeningsplan wordt van rechtswege opgeheven voor een onderdeel waarvoor later een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan in werking treedt dat aan dit onderdeel een bestemming geeft waardoor dit laatste niet meer krachtens artikel 27, § 2 van dit decreet zou kunnen worden aangeduid als onderdeel van het natuurverwevingsgebied. Het aldus opgeheven onderdeel van het afbakeningsplan herneemt zijn rechtskracht indien en in de mate het bedoelde ruimtelijk uitvoeringsplan door de Raad van State wordt geschorst of vernietigd.

 

Een volgens artikel 30, § 2, vastgesteld afbakeningsplan van een natuurverbindingsgebied kan worden opgeheven door een gewestelijk of een provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan of door afbakeningen op basis van artikelen 21 of 30, § 1.


Art. 28.

§ 1

In de natuurverwevingsgebieden is de administratieve overheid ertoe gehouden, binnen haar bevoegdheden de nodige maatregelen te nemen om, zonder dat dit disproportionele gevolgen heeft voor de overige functies in het gebied, de bestaande natuur te beschermen en te ontwikkelen, onder meer door bij de uitvoering van het beleid van de overheid zorg te dragen voor :

het behoud van de kwaliteit van de habitats en de kwantiteit van de natuurwaarden;
het behoud van een voor de natuurwaarden gunstige waterhuishouding en het tegengaan van risico van verdroging en van aantasting van reliëf en bodem;
binnen de groen-, park-, buffer- en bosgebieden van de uitvoeringsplannen van kracht in de ruimtelijke ordening, het behoud van een voor de natuurwaarden gunstige waterhuishouding, het tegengaan van risico van verdroging en van aantasting van reliëf en bodem evenals het herstel hiervan;
het behoud of het herstel van voor de natuur gunstige structuurkenmerken van de waterlopen.

 

 

§ 2

Behoudens in de groengebieden en bosgebieden en de met een van deze gebieden vergelijkbare bestemmingsgebieden, aangewezen op de plannen van aanleg of ruimtelijke uitvoeringsplannen van kracht in de ruimtelijke ordening, kunnen naast de maatregelen vermeld in hoofdstuk IV, afdeling 4 van dit hoofdstuk en hoofdstuk VI, ten aanzien van de eigenaars en grondgebruikers slechts stimulerende maatregelen worden genomen en dit ter bevordering van :

een natuurgerichte bosbouw en ecologisch verantwoorde bebossing, in overeenstemming met de bepalingen van het Bosdecreet;
de bescherming en het beheer van de vegetatie van kleine landschapselementen, de fauna en de flora;
het behoud van een voor de natuur gunstige waterhuishouding, en het tegengaan van risico van verdroging, en van aantasting van reliëf en bodem zonder dat dit disproportionele gevolgen heeft voor de overige functies;
binnen de groen-, park-, buffer- en bosgebieden en de met een van deze gebieden vergelijkbare bestemmingsgebieden, aangewezen op de plannen van aanleg of ruimtelijke uitvoeringsplannen van kracht in de ruimtelijke ordening, het behoud van een voor de natuur gunstige waterhuishouding en het tegengaan van risico van verdroging, en van aantasting van reliëf en bodem en het herstel hiervan zonder dat dit disproportionele gevolgen heeft voor de omliggende gebieden;
het behoud of het herstel van voor de natuur gunstige structuurkenmerken van de waterlopen;
de totstandkoming van een verenigbaar recreatief medegebruik.

 


Art. 29.

§ 1

Behoudens in de groengebieden en bosgebieden en de met een van deze gebieden vergelijkbare bestemmingsgebieden, aangewezen op de plannen van aanleg of ruimtelijke uitvoeringsplannen van kracht in de ruimtelijke ordening, kunnen in de natuurverbindingsgebieden naast de maatregelen vermeld in hoofdstuk IV, afdeling 4 van dit hoofdstuk en hoofdstuk VI, ten aanzien van eigenaars en grondgebruikers slechts stimulerende maatregelen worden genomen en dit gericht op :

inrichting met het oog op het instandhouden of verbeteren van de verbindingsfunctie;
onderhoud, ontwikkeling en beheer van de kleine landschapselementen en overige verbindingselementen met inbegrip van waterlopen;
de instandhouding en de ontwikkeling van de bestaande natuurelementen.

 

 

§ 2

 

 


Art. 30.

§ 1

Voor de afbakening van een gebied als natuurverwevingsgebied, stelt de Vlaamse regering een ontwerp van afbakeningsplan op, al dan niet in samenwerking met natuurlijke dan wel publiekrechtelijke of privaatrechtelijke rechtspersonen. De afbakening geschiedt overeenkomstig de bepalingen van artikel 21, §§ 2 tot 9, met dien verstande dat het in § 4 vermelde artikel 25 hier moet begrepen worden als artikel 28.

 

§ 2

De bestendige deputatie bakent de natuurverbindingsgebieden af. De Vlaamse Regering bepaalt de procedure.


Art. 31.

§ 1

Een afbakeningsplan van een deel van IVON kan te allen tijde binnen de bestemmingsgrenzen van artikel 27 worden herzien. De bepalingen betreffende het opmaken van een plan zijn eveneens van toepassing op de herziening ervan.

 

§ 2

Het in herziening gestelde plan blijft gelden tot het herziene plan definitief in werking treedt.


Afdeling 3.
Natuurreservaten


Art. 32. [...]

Art. 33. [...]

Art. 34. [...]

Art. 35.

§ 1.

[...]

 

§ 2.

Binnen de natuurreservaten, vermeld in artikel 16ter decies, is het verboden, behoudens ontheffing in een overeenkomstig dit decreet goedgekeurd beheerplan :

individuele of groepssporten te beoefenen;
gemotoriseerde voertuigen te gebruiken of achter te laten tenzij die nodig zijn voor het beheer en de bewaking van het reservaat of voor de hulp aan personen in nood;
keten, loodsen, tenten of andere constructies te plaatsen, zelfs tijdelijk;
de rust te verstoren of reclame te maken op welke wijze ook;
in het wild levende diersoorten opzettelijk te verstoren, vooral tijdens de perioden van voortplanting, afhankelijkheid van de jongen of overwintering en trek; ze opzettelijk te vangen of te doden; hun eieren opzettelijk te rapen of te vernielen of hun nesten, voortplantingsplaatsen of rust- en schuilplaatsen te vernielen of te beschadigen;
planten opzettelijk te plukken, te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen of planten of vegetatie op welke wijze ook te beschadigen of te vernietigen;
opgravingen, boringen, grondwerkzaamheden of exploitatie van materialen te verrichten, welk werk ook uit te voeren dat de aard van de grond, het uitzicht van het terrein, de bronnen en het hydrografisch net zou kunnen wijzigen, boven- of ondergrondse leidingen te leggen en reclameborden en aanplakbrieven te plaatsen;
vuur te maken en afval te storten;
pesticiden te gebruiken;
10° meststoffen te gebruiken, met uitzondering van de natuurlijke uitscheiding als gevolg van extensieve begrazing;
11° het waterpeil te wijzigen en op kunstmatige wijze water te lozen;
12° het terrein op geringe hoogte te overvliegen of er te landen met vliegtuigen, helikopters, luchtballons en andere luchtvaartuigen van om het even welke aard.

 

Deze maatregelen kunnen evenwel geen erfdienstbaarheden opleggen op de omliggende gebieden.

 

De Vlaamse regering kan om redenen van natuurbehoud bijkomende algemene maatregelen treffen voor natuurreservaten.

 

De Vlaamse regering of haar gemachtigde kan in het belang van het natuurbehoud, de volksgezondheid of het wetenschappelijk onderzoek, ter voorkoming van disproportionele schade ontheffing verlenen van de in dit artikel bedoelde verbodsbepalingen.

 

De Vlaamse Regering kan bepalen dat het Agentschap ontheffing kan verlenen van de in deze paragraaf opgesomde verbodsbepalingen, met het oog op het recreatief of educatief medegebruik en voor zover dit medegebruik inpasbaar is in de doelstellingen van het natuurreservaat.


Art. 36. [...]

Afdeling 3bis.
De speciale beschermingszones


Art. 36bis.

§ 1

De Vlaamse regering stelt, op voorstel van het Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek, de gebieden die in aanmerking komen als speciale beschermingszone voorlopig vast via een vaststellingsbesluit.


Het voorlopige vaststellingsbesluit bevat een grafisch plan dat aangeeft voor welk gebied of welke gebieden het besluit van toepassing is, evenals een wetenschappelijke omschrijving en een situering van het gebied of de gebieden. De Vlaamse regering kan de nadere regels vaststellen met betrekking tot de inhoud en de vorm van dit besluit.


Voor de speciale beschermingszones in toepassing van de Habitatrichtlijn gebeurt de voorlopige vaststelling op grond van de criteria van bijlage V van dit decreet en van de relevante wetenschappelijke gegevens.


Voor de speciale beschermingszones in toepassing van de Vogelrichtlijn worden de gebieden aangewezen die naar aantal en oppervlakte het meest geschikt zijn voor de instandhouding van :

- de soorten van bijlage IV van dit decreet;
- de niet in bijlage IV van dit decreet genoemde en op het grondgebied van het Vlaamse Gewest geregeld voorkomende trekvogels, waarbij rekening wordt gehouden met hun behoefte aan bescherming ten aanzien van hun broed-, rui-, foerageer- en overwinteringsgebieden en de rustplaatsen in hun trekzones.

 

 

§ 2

De Vlaamse regering onderwerpt het voorlopige vaststellingsbesluit aan een openbaar onderzoek dat binnen 30 dagen na de voorlopige vaststelling minstens wordt aangekondigd door :

aanplakking in elke gemeente waarop de bedoelde vaststelling geheel of gedeeltelijk betrekking heeft;
een bericht in het Belgisch Staatsblad en in ten minste drie dagbladen die in het Vlaamse Gewest worden verspreid;
een bericht dat driemaal door de openbare radio en televisie wordt uitgezonden.

 

Deze aankondiging vermeldt minstens :

de gemeenten waarop de bedoelde vaststelling geheel of gedeeltelijk betrekking heeft;
waar het voorlopige vaststellingsbesluit en de in § 3 bedoelde nota ter inzage liggen;
de begin- en einddatum van het openbaar onderzoek;
het adres van het Agentschap voor Natuur en Bos waar adviezen, opmerkingen en bezwaren, vermeld in § 4, dienen toe te komen of kunnen worden afgegeven, en de vermelding dat opmerkingen en bezwaren ook kunnen worden afgegeven op het gemeentehuis van de gemeenten waarop de bedoelde vaststelling geheel of gedeeltelijk betrekking heeft.

 

§ 3

Na de aankondiging wordt het voorlopige vaststellingsbesluit samen met een nota betreffende de gevolgde methode voor afbakening van de voorlopig vastgestelde gebieden gedurende 60 dagen ter inzage gelegd in het gemeentehuis van elke gemeente waarop de bedoelde vaststelling geheel of gedeeltelijk betrekking heeft.

 

§ 4

Opmerkingen en bezwaren worden uiterlijk de laatste dag van de termijn van het openbaar onderzoek per aangetekende brief toegezonden aan het Agentschap voor Natuur en Bos of afgegeven tegen ontvangstbewijs.


De bezwaren en opmerkingen kunnen ook uiterlijk de laatste dag van die termijn aan het gemeentehuis van elke gemeente bedoeld in § 2, eerste lid, 1°, worden afgegeven tegen ontvangstbewijs of mondeling worden meegedeeld aan de burgemeester of zijn gemachtigde ambtenaar die hiervan een proces verbaal opmaakt. De gemeente bezorgt in dat geval uiterlijk de tiende werkdag na het openbaar onderzoek, de bezwaren en opmerkingen aan het Agentschap voor Natuur en Bos. Met bezwaren en opmerkingen die laattijdig aan het Agentschap voor Natuur en Bos worden bezorgd, moet geen rekening worden gehouden. De Vlaamse regering kan nadere regels vaststellen met betrekking tot het ontvangen en bijhouden van bezwaren en opmerkingen door de gemeente en met betrekking tot de wijze waarop deze aan het Agentschap voor Natuur en Bos worden bezorgd.


De administratie bevoegd voor de ruimtelijke ordening kan aan het Agentschap voor Natuur en Bos een advies bezorgen uiterlijk de laatste dag van het openbaar onderzoek.

 

§ 5

Het Agentschap voor Natuur en Bos bundelt en coördineert alle adviezen, opmerkingen en bezwaren en brengt binnen 90 dagen na het einde van het openbaar onderzoek gemotiveerd advies uit bij de Vlaamse regering. Dit advies omvat tevens het advies van het Instituut om na te gaan of de voorgestelde wijzigingen aan de gebieden die in aanmerking komen als speciale beschermingszone, voldoen aan de criteria vermeld in § 1, derde of vierde lid.


Samen met het gemotiveerd advies bezorgt het Agentschap voor Natuur en Bos de Vlaamse regering de gebundelde adviezen, opmerkingen en bezwaren.

 

§ 6

De Vlaamse regering stelt binnen 150 dagen na het einde van het openbaar onderzoek de gebieden die in aanmerking komen als speciale beschermingszone definitief vast.


Bij de definitieve vaststelling van de gebieden bedoeld in het eerste lid kunnen ten opzichte van het voorlopige vaststellingsbesluit slechts wijzigingen worden aangebracht, die gebaseerd zijn op of voortvloeien uit de tijdens het openbaar onderzoek geformuleerde bezwaren en opmerkingen of de adviezen, en dit telkens voor zover hierbij de bepalingen van § 1, derde of vierde lid, worden in acht genomen.


De definitieve vaststelling van de gebieden bedoeld in het eerste lid kan echter geen betrekking hebben op delen van het grondgebied die niet opgenomen zijn in het voorlopig vaststellingsbesluit.

 

§ 7

Het definitieve vaststellingsbesluit wordt door de Vlaamse regering bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad binnen 30 dagen na de definitieve vaststelling.


Het besluit treedt in werking veertien dagen na de bekendmaking. De kaarten hebben voorrang op het tekstgedeelte.


De Vlaamse regering stuurt een afschrift van het definitieve vaststellingsbesluit naar de betrokken provincie(s) en gemeenten, waar het kan worden ingekeken.


Voor de speciale beschermingszones in toepassing van de Vogelrichtlijn vormt het definitieve vaststellingsbesluit tevens het aanwijzingsbesluit zoals bedoeld in § 9.

 

§ 8

Binnen de termijn bedoeld in § 7, tweede lid, zendt de Vlaamse regering het in § 7 bedoelde besluit toe aan de Europese Commissie.

 

§ 9

Nadat de Commissie een op grond van § 8 voorgelegd gebied van communautair belang heeft verklaard, wijst de Vlaamse Regering dit gebied zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen de zes jaar, bij besluit aan als speciale beschermingszone. Dit gebeurt met inachtneming van de bepalingen van § 1, tweede lid.


Dit aanwijzingsbesluit wordt door de Vlaamse regering bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.


Het aanwijzingsbesluit treedt in werking veertien dagen na de bekendmaking. De kaarten hebben voorrang op het tekstgedeelte.


De Vlaamse regering stuurt een afschrift van het aanwijzingsbesluit aan de betrokken provincie(s) en gemeenten, waar het kan worden ingekeken.

 

§ 10

Het in § 9 bedoelde aanwijzingsbesluit vervangt vanaf zijn inwerkingtreding het in § 12 bedoelde besluit of het besluit houdende definitieve vaststelling van de gebieden bedoeld in § 6, eerste lid, wat betreft elk gebied dat het voorwerp uitmaakt van het eerstgenoemde besluit.


Binnen drie maanden nadat de Commissie beslist heeft een gebied dat definitief vastgesteld werd krachtens § 6 of dat het voorwerp uitmaakt van het in § 12 bedoelde besluit, niet van communautair belang te verklaren, heft de Vlaamse regering het betreffende besluit op voor zover het betrekking heeft op dat gebied. De Vlaamse regering stuurt een afschrift van het opheffingsbesluit naar de betrokken provincie(s) en gemeenten.

 

§ 11

Wat betreft de gebieden waarop de in artikel 5 van de Habitatrichtlijn bedoelde overlegprocedure betrekking heeft, neemt elke administratieve overheid, binnen haar bevoegheden, de nodige maatregelen om er gedurende de overlegperiode en in afwachting van een besluit van de Europese Raad een ernstige aantasting van de natuurkwaliteit te voorkomen. Op de gebieden die als gevolg van het overleg of krachtens het besluit van de Europese Raad geselecteerd zijn als gebied van communautair belang, zijn de bepalingen van § 9 van overeenkomstige toepassing.

 

§ 12

De gebieden bedoeld in het besluit van de Vlaamse regering van 24 mei 2002 tot vaststelling van de gebieden die in uitvoering van artikel 4, lid 1, van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna aan de Europese Commissie zijn voorgesteld als speciale beschermingszones worden geacht definitief te zijn vastgesteld, in de zin van § 6.
 

 

§ 13

Elke zone bedoeld in artikel 1, § 2, van het besluit van de Vlaamse regering van 17 oktober 1988 tot aanwijzing van speciale beschermingszones in de zin van artikel 4 van de Vogelrichtlijn en elke in artikel 1, § 3, van dat besluit bedoelde zone voor zover het de in die paragraaf vermelde bestemmingsgebieden en de voor die zone vermelde habitats betreft, worden beschouwd als definitief vastgesteld, in de zin van § 6.

 

§ 14

De bepalingen van dit decreet voor de vaststelling van de gebieden die in aanmerking komen als speciale beschermingszone en voor de aanwijzing van de speciale beschermingszone, zijn eveneens van toepassing op de herziening ervan.

 

§ 15

Zodra een gebied dat in aanmerking komt als speciale beschermingszone definitief is vastgesteld in de zin van § 6 of § 12, wordt het voor de toepassing van de artikelen 13, § 4, 34, 36, 36ter, §§ 2 tot 6, 47 en 48 van dit decreet beschouwd als speciale beschermingszone.


Een gebied dat definitief is vastgesteld in de zin van § 6 of § 12, is tevens onderworpen aan artikel 19 van het Bosdecreet, artikel 16 van het decreet van 16 april 1996 betreffende de landschapszorg, artikel 13 van het decreet van 21 december 1998 houdende de oprichting van de Vlaamse Landmaatschappij, de artikelen 6, 70 en 71 van de wet van 22 juli 1970 op de ruilverkaveling van landeigendommen uit kracht van de wet en de artikelen 15ter, §§ 4 en 5, en 15sexies, § 1, van het Mestdecreet.


Art. 36ter.

§ 1

De administratieve overheid binnen de haar door de Vlaamse Regering opgelegde taken, en de natuurlijke personen of  die zakelijke rechten of persoonlijke rechten verwerven op  gronden  met financiële tussenkomst van een administratieve overheid in uitvoering van dit decreet en waarvoor ze over een goedgekeurd natuurbeheerplan type drie of type vier beschikken, nemen, in de speciale beschermingszones, ongeacht de bestemming van het betrokken gebied, de nodige instandhoudingsmaatregelen die steeds dienen te beantwoorden aan de ecologische vereisten van de typen habitats vermeld in bijlage I van dit decreet en de soorten vermeld in de bijlagen II, III en IV van dit decreet evenals de niet in bijlage IV van dit decreet genoemde en op het grondgebied van het Vlaamse Gewest geregeld voorkomende soorten trekvogels. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen met betrekking tot de nodige instandhoudingmaatregelen en de ecologische vereisten, evenals een procedure voor vaststelling van de instandhoudingsdoelstellingen.

 

De  conform  het  eerste  lid  vastgestelde  instandhoudingsdoelstellingen  zijn  voor  een  administratieve  overheid bindend bij:

het nemen van beslissingen ter uitvoering van het eerste lid en paragraaf 2 van dit artikel;
het nemen van beslissingen of het verlenen van advies ter uitvoering van paragraaf 3 tot en met 6.

 

§ 2

De administratieve overheid neemt, binnen haar bevoegdheden, ongeacht de bestemming van het betrokken gebied, tevens alle nodige maatregelen om

a) elke verslechtering van de natuurkwaliteit en het natuurlijk milieu van de habitats van bijlage I van dit decreet en van de habitats van de soorten vermeld in de bijlagen II, III en IV van dit decreet evenals de niet in bijlage IV van dit decreet genoemde en op het grondgebied van het Vlaamse Gewest geregeld voorkomende soorten trekvogels in een speciale beschermingszone te vermijden;
b) elke betekenisvolle verstoring van een soort vermeld in de bijlagen II, III of IV van dit decreet evenals de niet in bijlage IV van dit decreet genoemde en op het grondgebied van het Vlaamse Gewest geregeld voorkomende soorten trekvogels in een speciale beschermingszone te vermijden.

 

De Vlaamse regering stelt hiervoor nadere regels vast.

 

§ 3

Een vergunningsplichtige activiteit die, of een plan of programma dat, afzonderlijk of in combinatie met één of meerdere bestaande of voorgestelde activiteiten, plannen of programma's, een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone kan veroorzaken, dient onderworpen te worden aan een passende beoordeling wat betreft de betekenisvolle effecten voor de speciale beschermingszone.


De verplichting tot het uitvoeren van een passende beoordeling geldt ook indien wegens het verstrijken van de lopende vergunning van de vergunningsplichtige activiteit een nieuwe vergunning moet worden aangevraagd.


De initiatiefnemer is verantwoordelijk voor het opstellen van de passende beoordeling.


Voor een plan of programma zoals gedefinieerd in artikel 4.1.1, § 1, 4°, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, alsook de wijziging ervan, waarvoor, gelet op het betekenisvolle effect op een speciale beschermingszone, een passende beoordeling is vereist, wordt is hoofdstuk II van titel IV van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid van toepassing.

 

Indien een vergunningsplichtige activiteit overeenkomstig artikel 4.3.2 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid onderworpen is aan de verplichting tot opmaak van een project-MER, wordt overeenkomstig hoofdstuk III van titel IV van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid een project-MER opgemaakt.

 

Bij de opmaak van het plan-MER of het project-MER zal de passende beoordeling worden geďntegreerd in respectievelijk het plan-MER of het project-MER, dat respectievelijk wordt opgesteld overeenkomstig hoofdstuk II of hoofdstuk III van titel IV van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid. De Vlaamse Regering kan nadere regels van integratie en herkenbaarheid van de passende beoordeling in het milieueffectrapport bepalen.


Indien een vergunningsplichtige activiteit of een plan of programma niet onderworpen is aan de verplichting tot milieueffectrapportage overeenkomstig de wetgeving in uitvoering van de project-MERrichtlijn of de plan-MERrichtlijn, vraagt de administratieve overheid steeds het advies van de administratie bevoegd voor het natuurbehoud.


De Vlaamse regering kan nadere regels vaststellen in verband met de inhoud en de vorm van de passende beoordeling.

 

§ 4

De overheid die over een vergunningsaanvraag, een plan of programma moet beslissen, mag de vergunning slechts toestaan of het plan of programma slechts goedkeuren indien het plan of programma of de uitvoering van de activiteit geen betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van de betrokken speciale beschermingszone kan veroorzaken. De bevoegde overheid draagt er steeds zorg voor dat door het opleggen van voorwaarden er geen betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone kan ontstaan.

 

§ 5

In afwijking op de bepalingen van § 4, kan een vergunningsplichtige activiteit die of een plan of programma dat afzonderlijk of in combinatie met één of meer bestaande of voorgestelde activiteiten, plannen of programma's, een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone kan veroorzaken, slechts toegestaan of goedgekeurd worden

a) nadat is gebleken dat er voor de natuurlijke kenmerken van de speciale beschermingszone geen minder schadelijke alternatieve oplossingen zijn
en
b) omwille van dwingende redenen van groot openbaar belang met inbegrip van redenen van sociale of economische aard. Wanneer de betrokken speciale beschermingszone of een deelgebied ervan, een gebied met een prioritair type natuurlijke habitat of een prioritaire soort is, komen alleen argumenten die verband houden met de menselijke gezondheid, de openbare veiligheid of met voor het milieu wezenlijk gunstige effecten dan wel, na advies van de Europese Commissie, andere dwingende redenen van groot openbaar belang, in aanmerking.

 

De afwijking bedoeld in het voorgaande lid kan bovendien slechts toegestaan worden nadat voldaan is aan de volgende voorwaarden:

de nodige compenserende maatregelen genomen zijn en de nodige actieve instandhoudingsmaatregelen genomen zijn of worden die waarborgen dat de algehele samenhang van de speciale beschermingszone en -zones bewaard blijft;
de compenserende maatregelen zijn van die aard dat een evenwaardige habitat of het natuurlijk milieu ervan, van minstens een gelijkaardige oppervlakte in principe actief is ontwikkeld.

 

De Vlaamse regering kan nadere regels vaststellen voor het opstellen van een passende beoordeling van de effecten van de activiteit op de habitats, de habitats van een soort en op de soort of soorten waarvoor de speciale beschermingszone is aangewezen, voor het onderzoeken van minder schadelijke alternatieven en inzake de compenserende maatregelen.


De Vlaamse regering oordeelt over het bestaan van een dwingende reden van groot openbaar belang met inbegrip van redenen van sociale of economische aard.


Elke beslissing in uitvoering van de afwijkingsprocedure van deze paragraaf, wordt met redenen omkleed.

 

§ 6

De overheid houdt bij haar beslissing over de voorgenomen actie, en in voorkomend geval ook bij de uitwerking ervan, rekening met het goedgekeurde milieueffectrapport, de passende beoordeling of het advies van de administratie bevoegd voor het natuurbehoud.


De overheid motiveert elke beslissing over de voorgenomen actie in het bijzonder op volgende punten :

de keuze voor de voorgenomen actie, een bepaald alternatief of bepaalde deelalternatieven;
de aanvaardbaarheid van de te verwachten betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone;
de in het milieueffectrapport, in de passende beoordeling of de in het advies van de administratie bevoegd voor het natuurbehoud voorgestelde compenserende maatregelen en actieve instandhoudingsmaatregelen.

 

Wordt deze beslissing genomen in het kader van een vergunningverlening of het verlenen van een toestemming of machtiging, dan deelt de overheid haar beslissing mee aan de aanvrager op dezelfde wijze als de beslissing op de aanvraag voor de vergunning of de toestemming of machtiging wordt meegedeeld.

 

§ 7

Voor de speciale beschermingszones kan de Vlaamse regering een specifieke regeling uitwerken voor de cumulatieve toepassing van de procedures voorzien in dit artikel en in de artikelen 13, 15 en 26bis.


Afdeling 4.
Algemene maatregelen voor de bescherming van het natuurlijk milieu


Onderafdeling A.
Verwerving


Art. 37.

§ 1

De Vlaamse grondenbank heeft het recht van voorkoop bij verkoop van onroerende goederen:

  1. in het VEN, met uitzondering van de onroerende goederen uitgesloten door de Vlaamse Regering;
  2. binnen de groen- en bosgebieden en de bosuitbreidingsgebieden en de met al deze gebieden vergelijkbare bestemmingsgebieden, aangewezen op de plannen van aanleg of de ruimtelijke uitvoeringsplannen van kracht in de ruimtelijke ordening, gelegen binnen de speciale beschermingszones
  3. in een door de Vlaamse Regering afgebakende perimeter binnen de groen- en bosgebieden en de bosuitbreidingsgebieden en de met al deze gebieden vergelijkbare bestemmingsgebieden aangewezen op de plannen van aanleg of de ruimtelijke uitvoeringsplannen van kracht in de ruimtelijke ordening gelegen binnen het IVON;
  4. in de afbakening van een natuurinrichtingsproject.
  5. in de terreinen waar het agentschap het beheer heeft overgenomen met toepassing van artikel 16decies, § 1 en § 2;
  6. in een zoekzone afgebakend conform artikel 50septies, § 4, eerste lid, ongeacht de planologische bestemming in de goedgekeurde plannen van aanleg of ruimtelijke uitvoeringsplannen. Van zodra een dergelijke zoekzone is afgebakend wordt het voorkooprecht dat conform punt 2° bestaat, opgeheven binnen de speciale beschermingszone of -zones in kwestie.

Onverminderd artikel 8 van het decreet van 25 mei 2007 houdende de harmonisering van de procedures van voorkooprechten geldt dit voorkooprecht niet in geval van verkoop van het goed aan leden van erkende bosgroeperingen die voor 20 januari 1998 overeenkomstig artikel 85 van het bosdecreet van 13 juni 1990 werden erkend, voor zover het bovenvermelde goed deel uitmaakt van de kadastrale percelen waarop de erkenning betrekking heeft en de koper reeds onroerende goederen in eigendom of mede-eigendom heeft binnen de omschrijving van de bosgroepering.

 

[...]

 

§ 2

[...]

 

§ 3

[...]

 

§ 4

De Vlaamse regering kan de nodige maatregelen nemen om in geval het voorkooprecht wordt uitgeoefend op een verpacht perceel een vrijwillige grondruil mogelijk te maken."


Voor voormelde gronden kan slechts een einde gemaakt aan de lopende pacht bij het verstrijken van elke pachtperiode zoals voorzien in artikel 7, 9° van de pachtwet tenzij de pachter vroeger afstand doet van zijn pachtrecht.

 

§ 5

De bepalingen van titel IV, hoofdstukken I, II en VI, van het decreet van 16 juni 2006 betreffende de oprichting van de Vlaamse Grondenbank en houdende wijziging van diverse bepalingen zijn van toepassing op dit recht van voorkoop.

 

§ 6

Het decreet van 25 mei 2007 houdende de harmonisering van de procedures van voorkooprechten is van toepassing op dit recht van voorkoop.


Art. 38. [...]

Art. 39. [...]

Art. 40.

Bij verkoop van onroerende goederen die gelegen zijn in het VEN, in een door de Vlaamse regering afgebakende perimeter binnen de groen- en bosgebieden gelegen in het IVON [...] en in de afbakening van een natuurinrichtingsproject, hebben de erkende terreinbeherende natuurverenigingen voor de onroerende goederen die zij huren of in erfpacht hebben eveneens een recht van voorkoop.


Dit recht van voorkoop doet geen afbreuk aan de op het ogenblik van het van kracht worden van dit decreet bestaande regelingen inzake het recht van voorkoop die steeds voorrang hebben.


Dit recht van voorkoop is ondergeschikt aan het recht van voorkoop van het Vlaamse Gewest dat steeds voorrang heeft.

 

De bepalingen van artikelen 37, 38 en 39 zijn van overeenkomstige toepassing.


Art. 41.

§ 1

Om redenen van natuurbehoud, kunnen het Vlaamse Gewest en de Vlaamse gemeenten onroerende goederen verkrijgen door onteigening ten algemenen nutte.

 

§ 2

Het Vlaamse Gewest kan, om redenen van natuurbehoud en op voorstel van de eigenaar, het eigendomsrecht, de pacht, de huur of het recht van gebruik van een onroerend goed dat het in eigendom heeft of waarover het kan beschikken, ruilen tegen het eigendomsrecht, pacht, huur of recht van gebruik van een ander onroerend goed mits akkoord van de houder van het betrokken recht.

 

De kosten van de ruilakte en de hypothecaire formaliteiten komen ten laste van het Vlaamse Gewest.

 

De opleg die eventueel ten voordele van het Vlaamse Gewest gestort moet worden, wordt gestort in het Mina-fonds.


Art. 42.

De eigenaar van een onroerend goed kan van de Vlaamse Grondenbank de verwerving daarvan eisen indien hij aantoont dat, ten gevolge van de aanduiding van dit onroerend goed als een GEN of GENO of de opname ervan in een vastgesteld managementplan Natura 2000 of een vastgestelde planversie, zoals vermeld in artikel 50octies, § 1, de waardevermindering van zijn onroerend goed ernstig is ofwel dat de leefbaarheid van de bestaande bedrijfsvoering ernstig in het gedrang komt.


De Vlaamse regering bepaalt de nadere voorwaarden en de procedure van deze koopplicht. De Vlaamse regering bepaalt de wijze van berekening van het bedrag van de aankoopprijs waarop de eigenaar recht heeft. Bij de berekening van de aankoopprijs wordt rekening gehouden met het verschil in de waarde van het onroerend goed voor de opname in het VEN
of in de speciale beschermingszone en de waarde na de definitieve afbakening hiervan.


Het bedrag dat de eigenaar van de Vlaamse Grondenbank ontvangt met toepassing van dit artikel, wordt in voorkomend geval verminderd met het bedrag dat de eigenaar ontvangen heeft ten gevolge van planschade voor hetzelfde onroerend goed. Wanneer een eigenaar van een onroerend goed gebruik maakt van de voormelde mogelijkheid van gedwongen aankoop door de Vlaamse Grondenbank, kan hij geen aanspraak meer maken op planschade, patrimoniumverlies, schadevergoeding of een andere aankoopverplichting in hoofde van het Vlaamse Gewest of van de Vlaamse Grondenbank voor hetzelfde onroerend goed.


De bepalingen van titel IV, hoofdstukken I, II en VII, van het decreet van 16 juni 2006 betreffende de oprichting van de Vlaamse Grondenbank en houdende wijziging van diverse bepalingen zijn van toepassing op deze koopplicht.


Art. 43.

Indien een onroerend goed wordt gebruikt dat binnen een GEN of GENO ligt, kan van het Vlaamse Gewest een vergoeding gevraagd worden in de mate dat inkomstenverlies kan aangetoond worden ten gevolge van de maatregelen conform artikel 25, § 3, 2°, 1.


Art. 44. [...]

Onderafdeling B.
Vrijwillige beheersovereenkomsten


Art. 45.

§ 1

De Vlaamse regering kan met de grondgebruikers, mits deze laatsten hiervan de eigenaar bij aangetekend schrijven in kennis stellen, beheersovereenkomsten sluiten in het belang van het natuurbehoud. Ze legt de verdere regels vast voor het afsluiten van deze beheersovereenkomsten. Voor gronden die onder de pachtwetgeving vallen en de laatste jaar verpacht werden, kunnen deze beheersovereenkomsten enkel afgesloten worden met beroepslandbouwers.

 

§ 2

Een beheersovereenkomst is een overeenkomst waarbij de grondgebruiker zich vrijwillig ertoe verbindt , op projectmatige basis of gedurende een bepaalde termijn, een vooraf bepaalde prestatie te leveren gericht op het bereiken van een hogere kwaliteit dan de basismilieukwaliteit, door het onderhouden of ontwikkelen van natuurwaarden, tegen betaling van een vooraf bepaalde vergoeding, binnen de perken van de begroting.


Deze vergoeding wordt berekend op basis van de door de grondgebruiker geleverde inspanningen en de eventuele inkomstenderving ingevolge deze overeenkomst. De vergoeding kan verhoogd worden bij het halen van specifiek overeengekomen resultaten.


Art. 46.

§ 1.

Beheersovereenkomsten worden gesloten met het oog op :

hetzij het beheer, het herstel en de ontwikkeling van de natuur in de groengebieden en bosgebieden aangeduid op uitvoeringsplannen, van kracht in de ruimtelijke ordening, in functie van een vastgestelde beheersvisie;
hetzij het beheer en de ontwikkeling van de natuur in de GEN, de GENO in functie van de vooropgestelde doelstellingen [...];
hetzij de ontwikkeling van de natuur in de natuurverwevingsgebieden, conform het natuurrichtplan in het IVON;
hetzij het beheer en de ontwikkeling van de natuur in de natuurverbindingsgebieden conform het natuurrichtplan in het IVON;
hetzij het optimaal beschermen, herstellen en/of uitbreiden van de habitats of ecosystemen van door de Vlaamse regering aangewezen organismen of levensgemeenschappen;
hetzij het instandhouden en beheer van de natuurwaarden in de valleigebieden, brongebieden en het agrarisch gebied met ecologisch belang en natuurontwikkelingsgebieden.

 

 

§ 2.

De Vlaamse Regering kan voor de toepasbaarheid van de onderscheiden types beheersovereenkomsten bepalen aan welke beheersvisies, prioriteiten, perimeters of andere voorwaarden dient beantwoord te worden.

 

De Vlaamse Regering bepaalt de voorwaarden waaronder beheersgroepen erkend kunnen worden met het oog op de planning, de ondersteuning en de begeleiding van het afsluiten en uitvoeren van beheersovereenkomsten in een bepaald gebied, alsook met het oog op het overleg met de andere actoren die in het gebied natuur- of bosbeleidsactiviteiten uitvoeren.


Onderafdeling C.
Natuurinrichting


Art. 47.

§ 1

De Vlaamse regering of haar gemachtigde kan in de gebieden of gebiedscategorieën vermeld in artikel 20, 1° en 2° en in andere door de Vlaamse regering of haar gemachtigde met redenen omkleed aan te duiden gebieden, een natuurinrichtingsproject instellen.

 

Met natuurinrichtingsprojecten worden maatregelen en inrichtingswerkzaamheden beoogd die gericht zijn op een optimale inrichting van een gebied met het oog op het behoud, het herstel, het beheer en de ontwikkeling van natuur en natuurlijk milieu in het VEN, de speciale beschermingszones en in groen-, park-, buffer-, bos- en bosuitbreidingsgebieden en de ermee vergelijkbare gebieden, aangeduid op de plannen van aanleg of de ruimtelijke uitvoeringsplannen van kracht in de ruimtelijke ordening.

 

Een natuurinrichtingsproject voor een gebied dat behoort tot een speciale beschermingszone, doch niet tot het VEN, kan, naast de maatregelen op basis van artikels 13, 27, 28, 29 en 51, slechts die maatregelen bevatten die nodig zijn voor de instandhouding van de habitats of habitats van soorten waarvoor de speciale beschermingszones werd vastgesteld of aangewezen.

 

§ 2

De Vlaamse regering stelt de nadere regels vast met betrekking tot de maatregelen binnen natuurinrichtingsprojecten. Deze maatregelen kunnen inhouden :

kavelruil uit kracht van wet, met inbegrip van herkaveling;
infrastructuur- en kavelwerken;
aanpassing van de wegen en van het wegenpatroon;
bewarende maatregelen om te voorkomen dat, vanaf het moment van de aanduiding, het gebruik of de plaatsgesteldheid van het gebied zodanig gewijzigd wordt dat het natuurinrichtingsproject belemmerd wordt;
het tijdelijk opheffen van de bevoegdheden van de administratieve overheid en openbare besturen gedurende de uitvoering van het natuurinrichtingsproject;
het tijdelijk beperkingen opleggen aan het genot van onroerende goederen tijdens de uitvoering van het natuurinrichtingsproject;
waterhuishoudingswerken zoals peilwijziging, wijziging van de structuurkenmerken van de waterlopen, aanpassen van het afwateringspatroon, en aanpassing van de watertoevoer en -afvoer;
grondwerken zoals reliëfwijziging en afgraving;
uitbouw van natuureducatieve voorzieningen;
10° bedrijfsverplaatsing;
11° erfdienstbaarheden vestigen of afschaffen.

 

§ 3

De Vlaamse regering kan de nadere regels vastleggen betreffende de procedure en de uitvoeringsmodaliteiten inzake het voorbereiden, het uitvoeren en het opvolgen van natuurinrichtingsprojecten.

 

§ 4

De Vlaamse regering kan voorwaarden bepalen waaronder de eigenaar of degene die het gebruiksrecht heeft van een betrokken gebied een vergoeding kunnen krijgen voor de uitvoering van het natuurinrichtingsproject.


Art. 47bis. De vrederechter van het kanton waarin het grootste gedeelte van het natuurinrichtingsproject is gelegen, neemt kennis van de geschillen inzake natuurinrichting.

Onderafdeling D.
Planmatige omkadering van het natuurbehoud


Art. 48.

§ 1

Voor een gebied buiten de speciale beschermingszones kan een managementplan vastgesteld worden voor het bijdragen tot het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen of van gebiedsgerichte doelstellingen inzake natuurbehoud.


De managementplannen, vermeld in het eerste lid, worden voorlopig vastgesteld door de Vlaamse Regering of haar gemachtigde.

 

§ 2

De Vlaamse Regering bepaalt de vorm en de inhoud van de managementplannen, vermeld in paragraaf 1, alsook de procedure die leidt tot de vaststelling, herziening of opheffing ervan met inachtneming van hetgeen bepaald wordt in paragraaf 3.

 

§ 3

Het agentschap organiseert na de voorlopige vaststelling van het managementplan als vermeld in paragraaf 1, tweede lid, een openbaar onderzoek over het voorlopig vastgestelde managementplan, in de gevallen en volgens de regels zoals bepaald in artikel 50decies/1.


Art. 49.

In elk managementplan, vermeld in artikel 48, wordt een gebiedsvisie opgemaakt die weergeeft wat er in het gebied waarop het plan betrekking heeft wordt beoogd voor het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen of van de gebiedsgerichte doelstellingen inzake natuurbehoud.


Art. 50. [...]

Onderafdeling E.
Planmatige omkadering van het instandhoudingsbeleid


Sectie 1.
Doelstelling en voorwerp van het instandhoudingsbeleid


Art. 50bis.

§ 1.

Onverminderd de toepassing van artikel 7, derde lid, heeft het instandhoudingbeleid het bereiken van de instandhoudingsdoelstellingen tot doel.


Daarvoor omvat het instandhoudingsbeleid:

op het niveau van het Vlaamse Gewest: een Vlaams Natura 2000-programma;
op het niveau van de speciale beschermingszones: managementplannen Natura 2000;
op het niveau van de leefgebieden van Europees te beschermen soorten: de soortenbeschermingsprogramma’s;
buiten de speciale beschermingszones: de managementplannen, vermeld in artikel 48.

 

§ 2.

De administratieve overheid en de natuurlijke personen of rechtspersonen die zakelijke of persoonlijke rechten hebben verworven op gronden met financiële tussenkomst van een administratieve overheid in uitvoering van dit decreet, hebben een centrale rol bij de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen.


Sectie 2.
Vlaams Natura 2000-programma


Art. 50ter.

§ 1.

Voor het hele grondgebied van het Vlaamse Gewest wordt door de Vlaamse Regering een Vlaams Natura 2000-programma vastgesteld, overeenkomstig artikel 50quater.

 

§ 2.

Het Vlaams Natura 2000-programma wordt opgesteld met het oog op:

het gradueel realiseren van de gewestelijke instandhoudingsdoelstellingen;
het vermijden of het stoppen van de verslechtering van de natuurkwaliteit en het natuurlijke milieu van de Europees te beschermen habitats en de leefgebieden van Europees te beschermen soorten, ter uitvoering van artikel 36ter, § 2, van dit decreet;
het vermijden of het stoppen van de betekenisvolle verstoring van de Europees te beschermen soorten en hun leefgebieden, ter uitvoering van artikel 36ter, § 2.

 

§ 3.

Het Vlaams Natura 2000-programma bevat ten minste:

een taakstelling op niveau van het Vlaamse Gewest die bestaat uit de inspanningen met betrekking tot het natuurbehoud, die nodig worden geacht ter realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen tijdens de programmacyclus in kwestie. De taakstelling bevat een bindend gedeelte, namelijk het deel van de inspanningen dat tijdens de programmacyclus in kwestie moet worden gerealiseerd, en een richtinggevend deel, namelijk het deel van de inspanningen waarvan de realisatie tijdens de programmacyclus in kwestie wordt nagestreefd en dat geheel of gedeeltelijk in een latere cyclus kan worden gerealiseerd;
een opgave van de acties voor de realisatie van de taakstelling;
een overzicht van de actoren die een bijdrage leveren tot:
  a) de realisatie van de acties;
  b) de coördinatie van de uitvoering van het programma;
  c) alle overige door de Vlaamse Regering te bepalen aspecten in verband met de uitvoering van het programma;
een overzicht van de geraamde uitgaven voor de uitvoering van het programma.

 

De taakstelling en de acties als vermeld in het eerste lid, 1° en 2°, omvatten tevens een programma van aanduiding van zones waar instandhoudingsdoelstellingen en instandhoudingsmaatregelen dienen gerealiseerd te worden buiten de speciale beschermingszones en van de opmaak van managementplannen voor deze zones. De Vlaamse Regering duidt deze zones aan voor 1 januari 2019 en bepaalt nadere regels betreffende de procedure voor de aanduiding van deze zones.

 

§ 4.

Ter uitvoering van het Vlaams Natura 2000-programma wordt door de Vlaamse Regering een programmatische aanpak vastgesteld overeenkomstig artikel 50quater ter vermindering van een of meer milieudrukken, afkomstig van in het Vlaamse Gewest aanwezige bronnen, met het oog op de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen en het voorkomen van de verslechtering van de natuurkwaliteit en het natuurlijk milieu van de Europees te beschermen habitats en Europees te beschermen soorten en hun leefgebieden.

 

Deze programmatische aanpak omvat ten minste:

een gebiedsgerichte analyse van de betreffende milieudruk. Deze analyse omschrijft de omvang van de milieudruk, de activiteiten die bijdragen, de verwachte ontwikkeling en de socio-economische context;
een plan van aanpak, gebaseerd op de in punt 1° vermelde analyse, met betrekking tot het ontwikkelen van:
  a) een brongericht beleid dat zich richt op het reduceren van de milieudruk tot het niveau dat noodzakelijk is voor het bereiken van de gunstige staat van instandhouding van de Europees te beschermen habitats en Europees te beschermen soorten en hun leefgebieden;
  b) een herstelbeleid om een verslechtering van de natuurkwaliteit en het natuurlijk milieu van de Europees te beschermen habitats en Europees te beschermen soorten en hun leefgebieden ten gevolge van de milieudruk te voorkomen.


De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen met betrekking tot het ontwikkelen van een programmatische aanpak zoals vermeld in het eerste lid.

 

§ 5.

Het Vlaams Natura 2000-programma vormt het kader voor de managementplannen Natura 2000, vermeld in artikel 50septies.


Art. 50quater.

§ 1.

De Vlaamse Regering stelt voorlopig vast:


1° het Vlaams Natura 2000-programma;
2° elke programmatische aanpak als vermeld in artikel 50ter, § 4.

 

§ 2.

Het agentschap is belast met de voorbereiding van het Vlaams Natura 2000-programma.

 

De Vlaamse Regering of haar gemachtigde kan een werkgroep instellen die het agentschap bijstaat bij de voorbereiding van het programma, en bepaalt de samenstelling ervan.

 

§ 3.

Het agentschap organiseert na de voorlopige vaststelling als vermeld in paragraaf 1 een openbaar onderzoek over het voorlopig vastgestelde Vlaams Natura 2000-programma en over elke programmatische aanpak als vermeld in artikel 50ter, § 4, in de gevallen en volgens de regels zoals bepaald in artikel 50decies/1.

 

§ 4.

Het definitief vastgestelde programma als vermeld in artikel 50decies/1, § 6, eerste lid, wordt geëvalueerd op basis van de realisatiegraad van de gewestelijke instandhoudingsdoelstellingen.

 

Met inachtneming van die evaluatie wordt aansluitend een nieuw programma vastgesteld voor de volgende programmacyclus volgens de regels bepaald in artikel 50ter tot en met 50sexies. Het bestaande programma blijft in ieder geval van kracht tot het nieuwe programma definitief is vastgesteld conform artikel 50decies/1, § 6, eerste lid.

 

Indien het nieuwe definitief vastgestelde programma een of meer wijzigingen noodzaakt van een in uitvoering van het vorige programma vastgestelde programmatische aanpak als vermeld in artikel 50ter, § 4, dan wordt die programmatische aanpak opnieuw vastgesteld volgens de regels bepaald in artikel 50ter tot en met 50sexies. De bestaande programmatische aanpak blijft in ieder geval van kracht tot de bijgestelde programmatische aanpak definitief is vastgesteld.

 

§ 5.

Ten minste om de twee jaar wordt een voortgangsrapport Vlaams Natura 2000-programma opgesteld. De instantie, vermeld in artikel 50quinquies, is belast met de opmaak van het voortgangsrapport.

 

Het voortgangsrapport wordt bezorgd aan de door de Vlaamse Regering aangewezen instanties.


Art. 50quinquies.

De Vlaamse Regering of haar gemachtigde duidt een gewestelijke overleginstantie aan die ten minste instaat voor:

de voortgangsbewaking van het Vlaams Natura 2000-programma;
het verlenen van een gemotiveerd advies overeenkomstig artikel 50decies/1, § 5, tweede lid, over het Vlaams Natura 2000-programma, elke programmatische aanpak ter vermindering van een of meer milieudrukken, de managementplannen Natura 2000 en de managementplannen als vermeld in artikel 48, § 1;
het verschaffen van aanbevelingen over beleidsmatige problemen bij de realisatie van het instandhoudingsbeleid.


De overleginstantie is ten minste samengesteld uit vertegenwoordigers van:

het agentschap;
de Vlaamse administraties die betrokken zijn bij de inrichting en het beheer van het buitengebied;
de relevante sectoren van het buitengebied.


Het agentschap, vermeld in het tweede lid, 1°, heeft tot taak de werkzaamheden van de instantie te organiseren en aan te sturen.

 


Art. 50sexies.

De Vlaamse Regering of haar gemachtigde draagt er zorg voor dat een ruime bekendheid wordt gegeven aan het Vlaams Natura 2000-programma en het voortgangsrapport Vlaams Natura 2000-programma.

De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen met betrekking tot:

de inhoud, de procedure tot opmaak, de evaluatie en de bekendmaking van het Vlaams Natura 2000-programma;
de inhoud, de vorm en de bekendmaking van het voortgangsrapport Vlaams Natura 2000-programma;
de samenstelling, werking en opdracht van de overleginstantie, vermeld in artikel 50quinquies;
de aspecten van uitvoering van het programma, als vermeld in artikel 50ter, § 3, 3°, c), waaraan actoren, als vermeld in artikel 50ter, § 3, 3°, een bijdrage kunnen leveren en de wijze waarop dat engagement wordt geformaliseerd;
de afstemming van het Vlaams Natura 2000-programma met andere maatregelenprogramma's of plannen.

Sectie 3.
Managementplannen Natura 2000


Art. 50septies.

§ 1.

Voor elke speciale beschermingszone wordt een managementplan Natura 2000 opgemaakt. Als meerdere speciale beschermingszones geheel of gedeeltelijk samenvallen, kan voor die speciale beschermingszones een gezamenlijk managementplan Natura 2000 worden opgemaakt.

 

Het managementplan Natura 2000 doorloopt opeenvolgende cyclussen van zes jaar en heeft een tijdshorizon tot uiterlijk 2050.

 

Binnen een plancyclus wordt het managementplan Natura 2000 opgebouwd aan de hand van verschillende, opeenvolgende planversies. De planversies worden opgemaakt op basis van een tussentijdse toetsing van de realisatiegraad van de taakstelling van het plan, en naargelang van de actoren die worden betrokken bij de realisatie van het plan en het type instrumenten die daarvoor achtereenvolgens worden ingezet. De bepalingen die gelden voor het managementplan Natura 2000 zijn ook van toepassing op de planversies.

 

§ 2.

Het managementplan Natura 2000 wordt opgemaakt met het oog op:

het gradueel realiseren van de instandhoudingsdoelstellingen voor de speciale beschermingszone of -zones in kwestie, ter uitvoering van artikel 36ter, § 1;
het vermijden of het stoppen van de verslechtering van de Europees te beschermen habitats en de leefgebieden van Europees te beschermen soorten, waarvoor de speciale beschermingszone of -zones in kwestie zijn aangemeld of die in die zone of zones voorkomen, ter uitvoering van artikel 36ter, § 2;
het vermijden of het stoppen van de betekenisvolle verstoring van de Europees te beschermen soorten, waarvoor de speciale beschermingszone of -zones in kwestie zijn aangemeld of die in die zone of zones voorkomen, ter uitvoering van artikel 36ter, § 2.


De bepaling, vermeld in het eerste lid, 2°, verhindert niet dat te allen tijde maatregelen moeten worden genomen ter uitvoering van artikel 36ter, § 2, of ter uitvoering van andere regelgeving, onder meer maatregelen ter uitvoering van titel XV en titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, in het bijzonder als dat noodzakelijk is om verslechtering van de natuurkwaliteit en het natuurlijk milieu van de Europees te beschermen habitats en soorten en hun leefgebied te vermijden of te beëindigen.

 

§ 3.

Het managementplan Natura 2000 bevat ten minste:

een taakstelling voor de speciale beschermingszone of -zones in kwestie die bestaat uit de inspanningen met betrekking tot het natuurbehoud die nodig worden geacht voor de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, 1°, tijdens de plancyclus in kwestie;
een opgave van de acties voor de realisatie van de taakstelling.

 

De taakstelling, vermeld in het eerste lid, 1°, geeft ook aan hoe in de speciale beschermingszone of -zones in kwestie wordt bijgedragen tot de realisatie van het bindend gedeelte van de taakstelling, vermeld in artikel 50ter, § 3, 1°, in voorkomend geval met inbegrip van het plan van aanpak, vermeld in artikel 50ter, § 4, tweede lid, 2°.

 

§ 4.

Met het oog op de ruimtelijke toewijzing van de instandhoudingsdoelstellingen, vermeld in paragraaf 2, eerste lid, 1°, worden binnen de speciale beschermingszone of -zones in kwestie zoekzones afgebakend.

 

Voor de realisatie van de taakstelling inzake de toestand van het natuurlijk milieu voor de speciale beschermingszone of -zones in kwestie worden actiegebieden vastgesteld. De actiegebieden gelden voor een bepaald milieueffect of een groep van relevante milieueffecten.


Art. 50octies.

§ 1.

Het managementplan Natura 2000 of, in voorkomend geval, de planversies, worden voorlopig vastgesteld door de Vlaamse Regering of haar gemachtigde. Als in het plan of een bepaalde planversie dwingende acties als vermeld in paragraaf 5, tweede lid, voorkomen, wordt het plan of de planversie in kwestie in ieder geval voorlopig vastgesteld door de Vlaamse Regering.

 

§ 2.

Het agentschap staat in voor de voorbereiding van het managementplan Natura 2000 of, in voorkomend geval, de planversies.

 

§ 3.

Het agentschap organiseert na de voorlopige vaststelling van elk managementplan Natura 2000 of, in voorkomend geval, elke planversie, een openbaar onderzoek over het voorlopig vastgestelde managementplan Natura 2000 of de planversie, in de gevallen en volgens de regels zoals bepaald in artikel 50decies/1.

 

§ 4.

Het agentschap is belast met de coördinatie van de uitvoering van het definitief vastgestelde managementplan Natura 2000 of, in voorkomend geval, de planversies.
 

Het agentschap kan daarbij in overleg met de gewestelijke overleginstantie een beroep doen op de actoren, vermeld in artikel 50ter, § 3, 3°, b), die een bijdrage leveren tot de coördinatie.

 

§ 5.

Het definitief vastgestelde managementplan Natura 2000 of, in voorkomend geval, de planversies, worden door het agentschap ten minste om de twee jaar tussentijds getoetst in het licht van de realisatiegraad van de taakstelling, vermeld in artikel 50septies, § 3.

 

Als uit die tussentijdse toetsing blijkt dat het bindend gedeelte, vermeld in artikel 50septies, § 3, tweede lid, niet of vermoedelijk niet kan worden gerealiseerd tijdens de plancyclus in kwestie, wordt de realisatie ervan bewerkstelligd via dwingende acties.

 

De dwingende acties, vermeld in het tweede lid, kunnen voor de speciale beschermingszone of -zones in kwestie instandhoudingsmaatregelen bevatten.

 

Het agentschap draagt er zorg voor dat de adressant van de maatregel met een aangetekende brief op de hoogte wordt gebracht van de maatregel en, in voorkomend geval, van de termijn waarbinnen die moet worden uitgevoerd.

 

§ 6.

Het definitief vastgestelde plan wordt ten minste om de zes jaar geëvalueerd op basis van de realisatiegraad van de instandhoudingsdoelstellingen voor de speciale beschermingszone of -zones in kwestie en het Vlaams Natura 2000-programma.

 

Met inachtneming van deze evaluatie, vermeld in het eerste lid, wordt aansluitend een nieuw plan voor de volgende cyclus van zes jaar of voor een fase ervan vastgesteld volgens de regels bepaald in artikel 50septies tot en met 50decies. Het bestaande plan of, in voorkomend geval de planversie, blijft in ieder geval van kracht tot het nieuwe plan of planversie definitief is vastgesteld conform artikel 50decies/1, § 6, tweede lid.

 

§ 7.

De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen over de onderlinge afstemming of procedurele integratie van het managementplan Natura 2000, het natuurinrichtingsproject, vermeld in artikel 47, en het landinrichtingsplan en in artikel 3.3.1 van het decreet van 28 maart 2014 betreffende de landinrichting.


Art. 50novies.

Het agentschap organiseert voor elke speciale beschermingszone of -zones waarvoor een managementplan Natura 2000 wordt opgemaakt een overlegplatform dat ten minste belast is met:

de voortgangsbewaking van het managementplan Natura 2000;
het initiëren, adviseren en opvolgen van de overlegprocessen die plaatsvinden in het kader van de realisatie van de acties, vermeld in artikel 50septies, § 3, eerste lid, 2°.


Het overlegplatform, vermeld in het eerste lid, bestaat ten minste uit een of meerdere vertegenwoordigers van:

het agentschap;
de Vlaamse administraties die betrokken zijn bij de inrichting en het beheer van het buitengebied;
de actoren, vermeld in artikel 50ter, § 3, 3°, andere dan de vertegenwoordigers vermeld in punt 1° en 2°.

Art. 50decies.

Het agentschap draagt er zorg voor dat een ruime bekendheid wordt gegeven aan het managementplan Natura 2000.

 

De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen met betrekking tot de inhoud, de procedure tot opmaak, de evaluatie, de bekendmaking van het managementplan Natura 2000 of, in voorkomend geval, de planversie, en de kennisgeving, vermeld in artikel 50octies, § 5, vierde lid.

 

De Vlaamse Regering bepaalt de wijze waarop en de criteria op basis waarvan de zoekzones, vermeld in artikel 50septies, § 4, eerste lid, worden afgebakend en de actiegebieden, vermeld in artikel 50septies, § 4, tweede lid, worden vastgesteld.

 

De Vlaamse Regering bepaalt de nadere samenstelling van het overlegplatform als vermeld in artikel 50novies, tweede lid.

 


Sectie 3/1.
Openbaar onderzoek


Art. 50decies/1.

§ 1.

De Vlaamse Regering of haar gemachtigde onderwerpt elk voorlopig vastgesteld Vlaams Natura 2000-programma als vermeld in artikel 50quater, § 1, elke voorlopig vastgestelde programmatische aanpak ter vermindering van een of meer milieudrukken als vermeld in artikel 50quater, § 1, elk voorlopig vastgesteld managementplan Natura 2000 of, in voorkomend geval, elke voorlopig vastgestelde planversie als vermeld in artikel 50octies, § 1, of elk voorlopig vastgesteld managementplan als vermeld in artikel 48, § 1, tweede lid, aan een openbaar onderzoek dat binnen dertig dagen na de voorlopige vaststelling minstens wordt aangekondigd door:

een aanplakking in elke gemeente waarop het voorlopig vastgesteld Vlaams Natura 2000-programma, de voorlopig vastgestelde programmatische aanpak, het voorlopig vastgesteld managementplan Natura 2000 of het voorlopig vastgesteld managementplan als vermeld in artikel 48, § 1, tweede lid, betrekking heeft;
een bericht in het Belgisch Staatsblad;
een bericht in ten minste drie dagbladen die in het Vlaamse Gewest worden verspreid;
 een bericht op de website van het agentschap.


§ 2.

Het openbaar onderzoek wordt aangekondigd met vermelding van minstens de volgende elementen:

de gemeenten waarop het voorlopig vastgesteld Vlaams Natura 2000-programma, de voorlopig vastgestelde programmatische aanpak, het voorlopig vastgesteld managementplan Natura 2000 of, in voorkomend geval, de planversie, of het voorlopig vastgesteld managementplan als vermeld in artikel 48, § 1, tweede lid, betrekking heeft;
de wijze waarop het voorlopig vastgesteld Vlaams Natura 2000-programma, de voorlopig vastgestelde programmatische aanpak, het voorlopig vastgesteld managementplan Natura 2000 of, in voorkomend geval, elke voorlopig vastgestelde planversie, of het voorlopig vastgesteld managementplan als vermeld in artikel 48, § 1, tweede lid, kan worden ingekeken;
de begin- en einddatum van het openbaar onderzoek;
de wijze waarop de opmerkingen en bezwaren, vermeld in paragraaf 4, kunnen worden ingediend.

 

§ 3.

Vanaf de begindatum van het openbaar onderzoek wordt de voorlopig vastgestelde programmatische aanpak of het voorlopig vastgesteld plan of programma gedurende zestig dagen ter inzage gelegd op de wijze als vermeld in de aankondiging.

 

§ 4.

De opmerkingen en bezwaren worden uiterlijk de laatste dag van de termijn van het openbaar onderzoek overgemaakt op de wijze als vermeld in de aankondiging.

De opmerkingen en bezwaren kunnen alleen betrekking hebben op de volgende aspecten:

bij een openbaar onderzoek met betrekking tot het voorlopig vastgestelde Vlaams Natura 2000-programma: de onderdelen als vermeld in artikel 50ter, § 3;
bij een openbaar onderzoek met betrekking tot de voorlopig vastgestelde programmatische aanpak: de onderdelen als vermeld in artikel 50ter, § 4, tweede lid;
bij een openbaar onderzoek met betrekking tot het voorlopig vastgestelde managementplan Natura 2000 of, in voorkomend geval, elke voorlopig vastgestelde planversie: de onderdelen als vermeld in artikel 50septies, § 3 en § 4.

 

§ 5.

Het agentschap bundelt en coördineert alle opmerkingen en bezwaren met betrekking tot het Vlaams Natura 2000-programma, de managementplannen Natura 2000, de programmatische aanpakken en de managementplannen als vermeld in artikel 48, § 1, en maakt die binnen zestig dagen na het einde van het openbaar onderzoek over aan de gewestelijke overleginstantie, vermeld in artikel 50quinquies.

 

De gewestelijke overleginstantie brengt binnen zestig dagen nadat zij de gebundelde opmerkingen en bezwaren heeft ontvangen een gemotiveerd advies uit over het Vlaams Natura 2000-programma, de managementplannen Natura 2000, de programmatische aanpakken en de managementplannen als vermeld in artikel 48, § 1, bij de Vlaamse Regering of desgevallend bij de gemachtigde.

 

§ 6.

De Vlaamse Regering stelt binnen 240 dagen na de begindatum van het openbaar onderzoek het Vlaams Natura 2000-programma definitief vast.

 

De Vlaamse Regering of haar gemachtigde stelt binnen 240 dagen na de begindatum van het openbaar onderzoek de programmatische aanpak ter vermindering van een of meer milieudrukken, het managementplan Natura 2000, of in voorkomend geval, elke planversie, of het managementplan als vermeld in artikel 48, § 1, definitief vast.

 

§ 7.

Het besluit houdende definitieve vaststelling van het Vlaams Natura 2000-programma, de programmatische aanpak ter vermindering van een of meer milieudrukken, het managementplan Natura 2000, en in voorkomend geval, elke planversie, of het managementplan als vermeld in artikel 48, § 1, wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt binnen dertig dagen na de definitieve vaststelling.

 

De definitief vastgestelde programmatische aanpak of het definitief vastgestelde plan of programma treedt in werking veertien dagen na de bekendmaking.

 

§ 8.

De verplichting tot het organiseren van bovenvermeld openbaar onderzoek is niet van toepassing op de programmatische aanpakken ter vermindering van een of meer milieudrukken, het Vlaams Natura 2000-programma, de managementplannen Natura 2000, en in voorkomend geval, elke planversie, en de managementplannen als vermeld in artikel 48, § 1, indien voor deze programmatische aanpak, dat plan of programma een plan-MER moet worden opgemaakt in toepassing van artikel 4.2.3 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.

 

In deze gevallen geldt de voorlopige vaststelling van het plan, het programma of de programmatische aanpak als de definitieve vaststelling.

 

In voorkomend geval is de inhoud van paragraaf 7 van overeenkomstige toepassing.


Sectie 4.
Monitoringprogramma's


Art. 50undecies.

Onder meer met het oog op de evaluatie, vermeld in artikel 50quater, § 3, en met het oog op de voortgangsbewaking, vermeld in artikel 50quinquies, eerste lid, 1°, en artikel 50novies, eerste lid, 1°, worden monitoringprogramma’s opgesteld.


De monitoring heeft ten minste betrekking op de staat van instandhouding van de speciale beschermingszones en buiten die zones de instandhouding van de Europees te beschermen habitats en de soorten, alsook van de oorzaken die een achteruitgang van die staat van instandhouding veroorzaken of kunnen veroorzaken.


De monitoring heeft eveneens tot doel gegevens te genereren die gebruikt kunnen worden om te voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 36ter van dit decreet.


De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de opmaak, de inhoud en het beheer van die monitoringprogramma’s en de toetsing van de kwaliteit van de monitoringgegevens. De Vlaamse Regering draagt er in ieder geval zorg voor dat die monitoring op systematische en permanente basis plaatsvindt.