Afdeling 1.
Het Vlaams Ecologisch Netwerk (VEN)


Art. 17.

§ 1

Het Vlaams Ecologisch Netwerk is een samenhangend en georganiseerd geheel, van gebieden van de open ruimte waarin een specifiek beleid inzake het natuurbehoud, gebaseerd op de kenmerken en elementen van het natuurlijk milieu, de onderlinge samenhang tussen de gebieden van de open ruimte en de aanwezige en potentiële natuurwaarden wordt gevoerd.

 

De Vlaamse regering bakent binnen 5 jaar na de inwerkingtreding van dit decreet een effectief te realiseren oppervlakte van 125 000 ha af [...].

 

§ 2

Het Vlaams Ecologisch Netwerk omvat de volgende onderdelen :

Grote Eenheden Natuur (GEN) : dit zijn gebieden die hetzij natuurelementen over een oppervlakte van minstens de helft van het gebied bevatten hetzij gebieden waarin een specifiek natuurelement met hoge natuurkwaliteit aanwezig is;
Grote Eenheden Natuur in Ontwikkeling (GENO) : dit zijn gebieden die één of meer van de volgende kenmerken vertonen :
a) aanwezigheid van natuurelementen, verspreid over de oppervlakte van het gebied, waarvan de gezamenlijke oppervlakte echter kleiner kan zijn dan de helft van het gebied;
b) aanwezigheid van belangrijke fauna- of floraelementen waarvan het voortbestaan moet worden ondersteund door de maatregelen inzake het grondgebruik;
c) terreinen al dan niet door kunstmatige ingrepen tot stand gekomen, met belangrijke mogelijkheden voor natuur- ontwikkeling.

 

De GEN en de GENO omvatten gebieden met een duidelijke samenhang en een voldoende aaneengesloten oppervlakte.

 

§ 3

Elke GEN of GENO die de Vlaamse Regering in overdruk afbakent overeenkomstig de wetgeving betreffende de ruimtelijke ordening in gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen, wordt van rechtswege beschouwd als een GEN of GENO in de zin van dit decreet.

 

Een volgens artikel 21 vastgesteld afbakeningsplan wordt van rechtswege opgeheven voor het onderdeel waarvoor nadien een ruimtelijk uitvoeringsplan in werking treedt dat aan dit onderdeel een bestemming geeft waardoor dit laatste niet meer krachtens artikel 20 van dit decreet zou kunnen worden aangeduid als GEN of GENO. Het voorontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan bevat voorstellen voor schadebeperkende en compenserende maatregelen. In het geval dergelijke opheffing gebeurt door middel van een gemeentelijk of een provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan, dient, voor wat die opheffing aangaat, het betrokken ontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan voorafgegaan te worden door een advies vanwege de administratie bevoegd voor het natuurbehoud, en dit uiterlijk tijdens de plenaire vergadering, vermeld in “artikel 2.2.20, tweede lid, respectievelijk artikel 2.2.14, tweede lid, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening of binnen de adviestermijn van eenentwintig dagen als er geen plenaire vergadering wordt georganiseerd zoals vermeld in artikel 2.2.20, zesde lid, respectievelijk artikel 2.2.14, zesde lid, van dezelfde codex. Dit advies geeft de benodigde schadebeperking en compenserende maatregelen aan. Het advies is bindend. Het betrokken college van burgemeester en schepenen respectievelijk de betrokken bestendige deputatie kan, met het oog op herziening van dit advies, beroep aantekenen bij de Vlaamse Regering. De Vlaamse Regering kan nadere regels vaststellen inzake de te volgen procedure.

 

De in het vorige lid bedoelde opheffing kan niet gebeuren bij middel van gemeentelijke of provinciale ruimtelijke uitvoeringsplannen wanneer het betrokken gedeelte van GEN of GENO gelegen is binnen een gebied dat definitief is vastgesteld als speciale beschermingszone in de zin van artikel 36bis, §§ 12 of 13. De in het vorige lid bedoelde opheffing kan maar gebeuren bij middel van gemeentelijke of provinciale ruimtelijke uitvoeringsplannen voor zover het om grenscorrecties gaat en voor zover er door deze opheffing geen betekenisvolle schade aan de natuur of het natuurlijk milieu in het VEN kan veroorzaakt worden.

 

Het aldus opgeheven onderdeel van het afbakeningsplan herneemt zijn rechtskracht indien en in de mate het bedoelde ruimtelijk. uitvoeringsplan door de Raad van State wordt geschorst of vernietigd.


Art. 18.

De administratieve overheid voert, binnen haar bevoegdheden, in het VEN, een beheer van de waterhuishouding gericht op de verwezenlijking van een duurzaam ecologisch functioneren van een watersysteem dat bij de bestaande of beoogde natuur behoort. In het bijzonder worden beoogd : het terugdringen van de risico's op verdroging, het herstel van verdroogde natuurgebieden en het beheer van de waterlopen gericht op het behoud en herstel van de natuurwaarden, zonder dat dit disproportionele gevolgen heeft voor de gebieden buiten het VEN.


Art. 19. De Vlaamse regering bepaalt de projecten, plannen of activiteiten die plaatsvinden binnen het VEN, en projecten, plannen of activiteiten die op gebieden binnen het VEN een rechtstreekse hydrologische invloed hebben, waarvoor de initiatiefnemer of de beheerder van de betrokken waterloop of waterwinning in samenwerking met het Instituut hydrologische studies moet maken met inbegrip van ecologische impactstudies, met het oog op effectgerichte maatregelen en afstemming van de invloeden op de aanwezige en potentiële natuurelementen.
De regering bepaalt onder welke voorwaarden deze studies geïntegreerd worden in de vereiste milieueffectrapportage.

Art. 20.

De Vlaamse regering kan de gebiedscategorieën van het VEN, overeenkomstig de bepalingen van dit decreet, aanduiden, waarbij de volgende bepalingen van toepassing zijn :

als GEN kunnen worden aangeduid : de groengebieden, parkgebieden, buffergebieden, bosgebieden, gebieden voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen met als overdruk overstromingsgebied of wachtbekken, militaire domeinen en de met een van deze gebieden vergelijkbare bestemmingsgebieden, aangewezen op de plannen van aanleg of ruimtelijke uitvoeringsplannen van kracht in de ruimtelijke ordening, en de beschermde duingebieden aangeduid krachtens artikel 52 van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud, toegevoegd bij decreet van 14 juli 1993 houdende maatregelen ter bescherming van de kustduinen;
als GENO kunnen worden aangeduid de in 1° vermelde gebiedscategorieën, alsmede: 
- de ontginningsgebieden en ermee vergelijkbare bestemmingsgebieden, aangewezen op de plannen van aanleg of de ruimtelijke uitvoeringsplannen van kracht in de ruimtelijke ordening voor zover zij één van de in 1° genoemde bestemmingen als nabestemming hebben; 
- de valleigebieden, de brongebieden, de agrarische gebieden met ecologisch belang of ecologische waarde, de agrarische gebieden met bijzondere waarde, de bosuitbreidingsgebieden en de natuurontwikkelingsgebieden, en de met een van deze gebieden vergelijkbare bestemmingsgebieden, aangewezen op de plannen van aanleg of de ruimtelijke uitvoeringsplannen van kracht in de ruimtelijke ordening.

 


Art. 21.

§ 1

Voor de afbakening van een GEN of GENO stelt de Vlaamse regering een ontwerp van afbakeningsplan op, al dan niet in samenwerking met natuurlijke personen dan wel publiekrechtelijke of privaatrechtelijke rechtspersonen.

 

§ 2

De Vlaamse regering kan de nadere regels vastleggen inzake de te volgen procedures.

 

§ 3

De Vlaamse regering stelt het ontwerp van afbakeningsplan voorlopig vast.

 

§ 4

Vanaf de voorlopige vaststelling van het ontwerp van afbakeningsplan zijn de reglementaire bepalingen van artikel 25 van toepassing.

 

§ 5

De Vlaamse regering onderwerpt het ontwerp van afbakeningsplan aan een openbaar onderzoek dat binnen 60 dagen na de voorlopige vaststelling wordt aangekondigd door aanplakking in elke gemeente waarop het ontwerpplan geheel of gedeeltelijk betrekking heeft, door een bericht in het Belgisch Staatsblad en in ten minste drie dagbladen die in het Gewest worden verspreid.

 

Deze aankondiging vermeldt minstens :

de gemeenten waarop het ontwerpplan geheel of gedeeltelijk betrekking heeft;
waar het ontwerpplan ter inzage ligt;
de begin- en einddatum van het openbaar onderzoek;
het adres waar de opmerkingen en bezwaren, vermeld in § 8 dienen toe te komen of kunnen worden afgegeven, en de vermelding dat opmerkingen en bezwaren ook kunnen worden afgegeven op het gemeentehuis van de gemeenten waarop de bedoelde vaststelling geheel of gedeeltelijk betrekking heeft.

 

 

§ 6

Na de aankondiging wordt het ontwerpplan gedurende 60 dagen ter inzage gelegd in het gemeentehuis van elke betrokken gemeente.

 

§ 7

De bezwaren en opmerkingen worden uiterlijk de laatste dag van de termijn van het openbaar onderzoek aan de Minaraad toegezonden bij een ter post aangetekende brief of afgegeven tegen ontvangstbewijs.

 

De bezwaren en opmerkingen kunnen ook uiterlijk de laatste dag van die termijn aan het gemeentehuis van elke gemeente bedoeld in § 6 worden afgegeven tegen ontvangstbewijs of mondeling worden meegedeeld aan de burgemeester of zijn gemachtigde ambtenaar die hiervan een proces-verbaal opmaakt. De gemeente bezorgt in dat geval uiterlijk de tiende werkdag na het openbaar onderzoek de bezwaren en opmerkingen aan de Minaraad. Met bezwaren en opmerkingen die laattijdig aan de Minaraad worden bezorgd, moet geen rekening worden gehouden. De Vlaamse regering kan nadere regels vaststellen met betrekking tot het ontvangen en bijhouden van bezwaren en opmerkingen door de gemeente en met betrekking tot de wijze waarop deze aan de Minaraad worden bezorgd.

 

§ 8

De Minaraad coördineert alle bezwaren en opmerkingen en brengt binnen 60 dagen na het einde van het openbaar onderzoek gemotiveerd advies uit bij de Vlaamse regering.

 

Dit advies bevat desgevallend een meerderheids- en een minderheidsstandpunt.

 

Op gemotiveerd verzoek van de Minaraad binnen een termijn van 25 dagen na het einde van het openbaar onderzoek beslist de Vlaamse regering over de verlenging met 60 dagen van de termijn van 60 dagen waarbinnen de Minaraad zijn advies diende uit te brengen.

 

Bij gebrek aan een beslissing binnen een termijn van 15 dagen na ontvangst van het verzoek wordt de verlenging geacht te zijn toegekend.

 

§ 9

De Vlaamse regering stelt binnen 180 dagen na de begindatum van het openbaar onderzoek, of 240 dagen in geval van verlenging van de termijn vermeld in § 8, het plan definitief vast.

 

Het besluit houdende definitieve vaststelling van het plan wordt bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt binnen 30 dagen na de definitieve vaststelling.

 

Het definitief vastgestelde plan treedt in werking 14 dagen na zijn bekendmaking.

 

De Vlaamse regering stuurt een afschrift van het definitief vastgestelde plan en van het vaststellingsbesluit naar de betrokken provincie(s) en elke gemeente, bedoeld in § 5, waar deze documenten kunnen worden ingekeken.


Art. 22. [...]

Art. 23. [...]

Art. 24.

§ 1

Een afbakeningsplan van GEN of GENO kan te allen tijde, binnen de bestemmingsgrenzen van artikel 20, worden herzien. De bepalingen betreffende het opmaken van een plan zijn eveneens van toepassing op de herziening ervan.

 

§ 2

Het in herziening gestelde plan blijft gelden tot het herziene plan definitief in werking treedt.


Art. 25.

§ 1

De administratieve overheid neemt, binnen haar bevoegdheden, de nodige maatregelen om in GEN, bij voorrang ten opzichte van de andere functies in het gebied, en in GENO, rekening houdend met de overige functies in het gebied, de natuur en het natuurlijk milieu te behouden, te herstellen en te ontwikkelen.

 

Naast de maatregelen vermeld in hoofdstuk IV, afdeling 4 van dit hoofdstuk en hoofdstuk VI en onverminderd hetgeen bepaald wordt in het eerste lid, hebben deze maatregelen betrekking op :

het bevorderen van een natuurgerichte bosbouw en het instellen van bosreservaten, in overeenstemming met de bepalingen van het Bosdecreet;
het behouden, herstellen en/of op natuurelementen met een hoge natuurkwaliteit afstemmen van de waterhuishouding, ondermeer de waterkwaliteit, de waterkwantiteit en de natuurlijke structuur van de waterlopen en hun randzones, zonder dat dit disproportionele gevolgen heeft op de omliggende gebieden;
het beschermen van de insijpelingsgebieden van het grondwater;
het behouden en herstellen van het microreliëf en de structuur van het landschap;
het recreatieve medegebruik;
het agrarisch medegebruik;
het beheer van de natuurwaarden gedurende of na afloop van de economische of andere activiteiten die in het gebied plaatsvinden, rekening houdend met cultuurhistorische en landschappelijke waarden van het gebied. 

 

 

§ 2

[...]

 

§ 3

In de GEN en de GENO gelden de volgende voorschriften :

het gebruik van meststoffen wordt geregeld overeenkomstig het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen;
behoudens individuele ontheffing, verleend door het Agentschap voor Natuur en Bos of algemene ontheffing, is het verboden : 
1) pesticiden te gebruiken. Dit verbod geldt niet voor de percelen van de landbouwbedrijven waar in het kader van artikel 15, § 5, lid twee en vier, van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen, een ontheffing geldt; noch voor de percelen van landbouwbedrijven die onder de bepalingen van artikel 14 of artikel 15, §§ 1 tot 4 en § 6 van bovengenoemd decreet vallen; noch voor gronden die louter om de reden dat deze verworven zijn in de periode tussen de aangifte 95 en de inwerkingtreding van het mestdecreet niet onder de toepassing van hogervermelde ontheffing vallen, behalve in bepaalde gevallen aangeduid door de Vlaamse regering, waarbij de modaliteiten of middelen nader kunnen worden gespecificeerd zonder nochtans tot een volledig verbod te kunnen overgaan;
2) in toepassing van een goedgekeurd beheersplan conform het bosdecreet van 13 juni 1990 of met toepassing van een natuurbeheerplan conform dit decreet, de vegetatie, met inbegrip van meerjarige cultuurgewassen of van kleine landschapselementen te wijzigen;
3) het reliëf van de bodem te wijzigen;
4) werkzaamheden uit te voeren die rechtstreeks of onrechtstreeks het grondwaterpeil verlagen, alsook maatregelen die de bestaande ont- en afwatering versterken;
5) de structuur van de waterlopen te wijzigen.

 

Met behoud van de toepassing van artikel 16, artikel 26bis en artikel 36ter, § 3 tot en met § 6, kunnen samenhangende of periodiek terugkerende ontheffingsplichtige activiteiten, in één ontheffing worden toegestaan voor zover de aard, de locatie en de omvang en de frequentie van elk van die ontheffingsplichtige activiteiten duidelijk omschreven wordt. 

 

De Vlaamse regering bepaalt na advies van MINA-Raad, de voorwaarden en de procedure, de termijn en de beroepsprocedure tot het verlenen van ontheffingen zoals bedoeld in § 3, 2° van dit artikel.

 

De Vlaamse regering kan onverminderd de toepassing van artikelen 18 en 19 voor de bestaande vergunde drinkwaterwinningen en de bijhorende vergunde capaciteit een algemene ontheffing verlenen op de verbodsbepaling inzake het uitvoeren van werkzaamheden die rechtstreeks of onrechtstreeks het grondwaterpeil verlagen.


Art. 26. [...]

Art. 26bis.

§ 1

De overheid mag geen toestemming of vergunning verlenen voor een activiteit die onvermijdbare en onherstelbare schade aan de natuur in het VEN kan veroorzaken.

 

Als voor een activiteit een kennisgeving of melding aan de overheid vereist is, dient door de kennisgever worden aangetoond dat de activiteit geen onvermijdbare en onherstelbare schade aan de natuur in het VEN kan veroorzaken. Wanneer de kennisgever dit niet gedaan heeft, dient de betrokken overheid zelf te onderzoeken of de activiteit onvermijdbare en onherstelbare schade aan de natuur in het VEN kan veroorzaken. Wanneer dit het geval is, wordt dit door de overheid aan de kennisgever medegedeeld bij ter post aangetekende brief binnen de eventuele wachttermijn voor het uitvoeren van de activiteit voorzien in de wetgeving in het kader waarvan de kennisgeving of de melding gebeurt of bij gebreke daaraan binnen dertig dagen na de kennisgeving of melding. De kennisgever mag pas starten met de uitvoering van de betrokken activiteit wanneer voormelde termijn verstreken is zonder dat hij een voormeld bericht van de overheid heeft ontvangen.

 

De Vlaamse regering kan bepalen hoe moet aangetoond worden dat een activiteit geen onvermijdbare en onherstelbare schade aan de natuur in het VEN kan veroorzaken.

 

§ 2

De in § 1 bedoelde overheid vraagt in de gevallen bedoeld in § 1 advies aan de dienst bevoegd voor het natuurbehoud over de vraag of de betrokken activiteit onvermijdbare en onherstelbare schade aan de natuur in het VEN kan veroorzaken.

 

De Vlaamse regering kan de nadere regels vastleggen met betrekking tot de procedure die moet nageleefd worden voor het vragen van het advies.

 

§ 3

In afwijking van § 1 kan een activiteit die onvermijdbare en onherstelbare schade aan de natuur in het VEN kan veroorzaken, bij afwezigheid van een alternatief, toch worden toegelaten of uitgevoerd om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard. In dat geval dienen alle schadebeperkende en compenserende maatregelen genomen te worden.

 

Degene die de aanvraag, de kennisgeving of de melding bedoeld in § 1 gedaan heeft en die respectievelijk een weigering of een bericht zoals bedoeld in § 1, tweede lid van de betrokken overheid heeft ontvangen, richt tot deze overheid een verzoek tot het toepassen van de in deze paragraaf bedoelde afwijkingsmogelijkheid.

 

De Vlaamse regering bepaalt de procedure voor deze aanvragen en voor het behandelen ervan.

 

De Vlaamse regering oordeelt over het bestaan van dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard.