Art. 28.

1

In de natuurverwevingsgebieden is de administratieve overheid ertoe gehouden, binnen haar bevoegdheden de nodige maatregelen te nemen om, zonder dat dit disproportionele gevolgen heeft voor de overige functies in het gebied, de bestaande natuur te beschermen en te ontwikkelen, onder meer door bij de uitvoering van het beleid van de overheid zorg te dragen voor :

1 het behoud van de kwaliteit van de habitats en de kwantiteit van de natuurwaarden;
2 het behoud van een voor de natuurwaarden gunstige waterhuishouding en het tegengaan van risico van verdroging en van aantasting van relif en bodem;
3 binnen de groen-, park-, buffer- en bosgebieden van de uitvoeringsplannen van kracht in de ruimtelijke ordening, het behoud van een voor de natuurwaarden gunstige waterhuishouding, het tegengaan van risico van verdroging en van aantasting van relif en bodem evenals het herstel hiervan;
4 het behoud of het herstel van voor de natuur gunstige structuurkenmerken van de waterlopen.

2

Behoudens in de groengebieden en bosgebieden en de met een van deze gebieden vergelijkbare bestemmingsgebieden, aangewezen op de plannen van aanleg of ruimtelijke uitvoeringsplannen van kracht in de ruimtelijke ordening, kunnen naast de maatregelen vermeld in hoofdstuk IV, afdeling 4 van dit hoofdstuk en hoofdstuk VI, ten aanzien van de eigenaars en grondgebruikers slechts stimulerende maatregelen worden genomen en dit ter bevordering van :

1 een natuurgerichte bosbouw en ecologisch verantwoorde bebossing, in overeenstemming met de bepalingen van het Bosdecreet;
2 de bescherming en het beheer van de vegetatie van kleine landschapselementen, de fauna en de flora;
3 het behoud van een voor de natuur gunstige waterhuishouding, en het tegengaan van risico van verdroging, en van aantasting van relif en bodem zonder dat dit disproportionele gevolgen heeft voor de overige functies;
4 binnen de groen-, park-, buffer- en bosgebieden en de met een van deze gebieden vergelijkbare bestemmingsgebieden, aangewezen op de plannen van aanleg of ruimtelijke uitvoeringsplannen van kracht in de ruimtelijke ordening, het behoud van een voor de natuur gunstige waterhuishouding en het tegengaan van risico van verdroging, en van aantasting van relif en bodem en het herstel hiervan zonder dat dit disproportionele gevolgen heeft voor de omliggende gebieden;
5 het behoud of het herstel van voor de natuur gunstige structuurkenmerken van de waterlopen;
6 de totstandkoming van een verenigbaar recreatief medegebruik.