Art. 29.

1

Behoudens in de groengebieden en bosgebieden en de met een van deze gebieden vergelijkbare bestemmingsgebieden, aangewezen op de plannen van aanleg of ruimtelijke uitvoeringsplannen van kracht in de ruimtelijke ordening, kunnen in de natuurverbindingsgebieden naast de maatregelen vermeld in hoofdstuk IV, afdeling 4 van dit hoofdstuk en hoofdstuk VI, ten aanzien van eigenaars en grondgebruikers slechts stimulerende maatregelen worden genomen en dit gericht op :

1 inrichting met het oog op het instandhouden of verbeteren van de verbindingsfunctie;
2 onderhoud, ontwikkeling en beheer van de kleine landschapselementen en overige verbindingselementen met inbegrip van waterlopen;
3 de instandhouding en de ontwikkeling van de bestaande natuurelementen.

2