Onderafdeling A.
Verwerving


Art. 37.

1

De Vlaamse grondenbank heeft het recht van voorkoop bij verkoop van onroerende goederen:

  1. in het VEN, met uitzondering van de onroerende goederen uitgesloten door de Vlaamse Regering;
  2. binnen de groen- en bosgebieden en de bosuitbreidingsgebieden en de met al deze gebieden vergelijkbare bestemmingsgebieden, aangewezen op de plannen van aanleg of de ruimtelijke uitvoeringsplannen van kracht in de ruimtelijke ordening, gelegen binnen de speciale beschermingszones
  3. in een door de Vlaamse Regering afgebakende perimeter binnen de groen- en bosgebieden en de bosuitbreidingsgebieden en de met al deze gebieden vergelijkbare bestemmingsgebieden aangewezen op de plannen van aanleg of de ruimtelijke uitvoeringsplannen van kracht in de ruimtelijke ordening gelegen binnen het IVON;
  4. in de afbakening van een natuurinrichtingsproject.
  5. in de terreinen waar het agentschap het beheer heeft overgenomen met toepassing van artikel 16decies, 1 en 2;
  6. in een zoekzone afgebakend conform artikel 50septies, 4, eerste lid, ongeacht de planologische bestemming in de goedgekeurde plannen van aanleg of ruimtelijke uitvoeringsplannen. Van zodra een dergelijke zoekzone is afgebakend wordt het voorkooprecht dat conform punt 2 bestaat, opgeheven binnen de speciale beschermingszone of -zones in kwestie.

Onverminderd artikel 8 van het decreet van 25 mei 2007 houdende de harmonisering van de procedures van voorkooprechten geldt dit voorkooprecht niet in geval van verkoop van het goed aan leden van erkende bosgroeperingen die voor 20 januari 1998 overeenkomstig artikel 85 van het bosdecreet van 13 juni 1990 werden erkend, voor zover het bovenvermelde goed deel uitmaakt van de kadastrale percelen waarop de erkenning betrekking heeft en de koper reeds onroerende goederen in eigendom of mede-eigendom heeft binnen de omschrijving van de bosgroepering.

[...]

2

[...]

3

[...]

4

De Vlaamse regering kan de nodige maatregelen nemen om in geval het voorkooprecht wordt uitgeoefend op een verpacht perceel een vrijwillige grondruil mogelijk te maken."


Voor voormelde gronden kan slechts een einde gemaakt aan de lopende pacht bij het verstrijken van elke pachtperiode zoals voorzien in artikel 7, 9 van de pachtwet tenzij de pachter vroeger afstand doet van zijn pachtrecht.

5

De bepalingen van titel IV, hoofdstukken I, II en VI, van het decreet van 16 juni 2006 betreffende de oprichting van de Vlaamse Grondenbank en houdende wijziging van diverse bepalingen zijn van toepassing op dit recht van voorkoop.

6

Het decreet van 25 mei 2007 houdende de harmonisering van de procedures van voorkooprechten is van toepassing op dit recht van voorkoop.


Art. 38. [...]

Art. 39. [...]

Art. 40.

Bij verkoop van onroerende goederen die gelegen zijn in het VEN, in een door de Vlaamse regering afgebakende perimeter binnen de groen- en bosgebieden gelegen in het IVON [...] en in de afbakening van een natuurinrichtingsproject, hebben de erkende terreinbeherende natuurverenigingen voor de onroerende goederen die zij huren of in erfpacht hebben eveneens een recht van voorkoop.


Dit recht van voorkoop doet geen afbreuk aan de op het ogenblik van het van kracht worden van dit decreet bestaande regelingen inzake het recht van voorkoop die steeds voorrang hebben.


Dit recht van voorkoop is ondergeschikt aan het recht van voorkoop van het Vlaamse Gewest dat steeds voorrang heeft.

De bepalingen van artikelen 37, 38 en 39 zijn van overeenkomstige toepassing.


Art. 41.

1

Om redenen van natuurbehoud, kunnen het Vlaamse Gewest en de Vlaamse gemeenten onroerende goederen verkrijgen door onteigening ten algemenen nutte.

2

Het Vlaamse Gewest kan, om redenen van natuurbehoud en op voorstel van de eigenaar, het eigendomsrecht, de pacht, de huur of het recht van gebruik van een onroerend goed dat het in eigendom heeft of waarover het kan beschikken, ruilen tegen het eigendomsrecht, pacht, huur of recht van gebruik van een ander onroerend goed mits akkoord van de houder van het betrokken recht.

De kosten van de ruilakte en de hypothecaire formaliteiten komen ten laste van het Vlaamse Gewest.

De opleg die eventueel ten voordele van het Vlaamse Gewest gestort moet worden, wordt gestort in het Mina-fonds.


Art. 42.

De eigenaar van een onroerend goed kan van de Vlaamse Grondenbank de verwerving daarvan eisen indien hij aantoont dat, ten gevolge van de aanduiding van dit onroerend goed als een GEN of GENO of de opname ervan in een vastgesteld managementplan Natura 2000 of een vastgestelde planversie, zoals vermeld in artikel 50octies, 1, de waardevermindering van zijn onroerend goed ernstig is ofwel dat de leefbaarheid van de bestaande bedrijfsvoering ernstig in het gedrang komt.


De Vlaamse regering bepaalt de nadere voorwaarden en de procedure van deze koopplicht. De Vlaamse regering bepaalt de wijze van berekening van het bedrag van de aankoopprijs waarop de eigenaar recht heeft. Bij de berekening van de aankoopprijs wordt rekening gehouden met het verschil in de waarde van het onroerend goed voor de opname in het VEN
of in de speciale beschermingszone en de waarde na de definitieve afbakening hiervan.


Het bedrag dat de eigenaar van de Vlaamse Grondenbank ontvangt met toepassing van dit artikel, wordt in voorkomend geval verminderd met het bedrag dat de eigenaar ontvangen heeft ten gevolge van planschade voor hetzelfde onroerend goed. Wanneer een eigenaar van een onroerend goed gebruik maakt van de voormelde mogelijkheid van gedwongen aankoop door de Vlaamse Grondenbank, kan hij geen aanspraak meer maken op planschade, patrimoniumverlies, schadevergoeding of een andere aankoopverplichting in hoofde van het Vlaamse Gewest of van de Vlaamse Grondenbank voor hetzelfde onroerend goed.


De bepalingen van titel IV, hoofdstukken I, II en VII, van het decreet van 16 juni 2006 betreffende de oprichting van de Vlaamse Grondenbank en houdende wijziging van diverse bepalingen zijn van toepassing op deze koopplicht.


Art. 43.

Indien een onroerend goed wordt gebruikt dat binnen een GEN of GENO ligt, kan van het Vlaamse Gewest een vergoeding gevraagd worden in de mate dat inkomstenverlies kan aangetoond worden ten gevolge van de maatregelen conform artikel 25, 3, 2, 1.


Art. 44. [...]