Hoofdstuk D.
Minimumeisen inzake bewaking


1 [Typen bewaking
Voor de toepassing van deze bijlage gelden de volgende definities:

a) Bewaking van type A

Bewaking van type A is zo opgezet dat bij een aangenomen prevalentie van minimaal één geval per 100.000 in de populatie volwassen runderen in het betrokken land of gebied BSE met een betrouwbaarheid van 95 % wordt opgespoord.

b) Bewaking van type B

Bewaking van type A is zo opgezet dat bij een aangenomen prevalentie van minimaal één geval per 50.000 de populatie volwassen runderen in het betrokken land of gebied BSE met een betrouwbaarheid van 95 % wordt opgespoord.
Bewaking van type B mag worden uitgevoerd door landen of gebieden met een verwaarloosbaar BSE-risico om de conclusies van de risicoanalyse te bevestigen, bijvoorbeeld door aan te tonen dat de maatregelen ter beperking van de geconstateerde risicofactoren doeltreffend zijn, door middel van bewaking die erop gericht is de kans dat het falen van die maatregelen wordt opgespoord zo groot mogelijk te maken.
Bewaking van type B mag ook worden uitgevoerd door landen of gebieden met een gecontroleerd BSE-risico nadat zij met bewaking van type A de desbetreffende streefscore hebben gehaald, om na te gaan of het met de bewaking van type A verkregen inzicht in de situatie nog betrouwbaar is.
Voor de toepassing van deze bijlage worden met het oog op de bewaking de volgende vier subpopulaties runderen onderscheiden:
a)
runderen ouder dan 30 maanden die afwijkend gedrag of klinische verschijnselen vertonen die passen bij BSE (klinische verdenkingen);
b)
runderen ouder dan 30 maanden die niet kunnen lopen, blijven liggen, niet zonder hulp kunnen opstaan of lopen; runderen ouder dan 30 maanden die naar de noodslachting zijn gestuurd of bij de antemortemkeuring afwijkingen vertonen (noodslachting).
c)
runderen ouder dan 30 maanden die op het bedrijf, tijdens het vervoer of in het slachthuis gestorven of gedood zijn (gestorven dieren);
d)
runderen ouder dan 36 maanden bij de normale slacht.

2 Bewakingsstrategie

2.1

De bewakingsstrategie moet zo opgezet zijn dat de steekproeven representatief zijn voor het beslag van het land of gebied, waarbij demografische factoren zoals het productietype en de geografische locatie, alsmede de eventuele invloed van cultureel unieke veehouderijpraktijken in aanmerking worden genomen. De gevolgde benadering en de gemaakte aannamen worden volledig gedocumenteerd en deze documentatie wordt gedurende zeven jaar bewaard.

2.2

Om de BSE-bewakingsstrategie ten uitvoer te leggen gebruikt het land gedocumenteerde gegevens of betrouwbare schattingen van de leeftijdsverdeling van de populatie volwassen runderen en het naar leeftijd en subpopulatie gestratificeerde aantal op BSE geteste runderen in het land of gebied.

3 Puntenwaarden en streefscores
Bij de bemonstering ten behoeve van de bewaking moeten de in tabel 2 aangegeven streefscores worden gehaald, onder gebruikmaking van de in tabel 1 vermelde puntenwaarden. Alle klinische verdenkingen moeten worden onderzocht, ongeacht de al gerealiseerde score. Een land moet ten minste drie van de vier subpopulaties bemonsteren. De puntenwaarden voor alle bemonsteringen worden samengeteld en de streefscore moet in een periode van maximaal zeven jaar worden bereikt. De totale score wordt op gezette tijden vergeleken met de streefscore voor een land of gebied.
Tabel 1 Puntenwaarden voor de bemonstering van dieren per subpopulatie en leeftijdscategorie ten behoeve van de bewaking
Subpopulatie voor de bewaking
Normale slacht (1)
Gestorven dieren (2)
Noodslachting (3)
Klinische verdenkingen (4)
Leeftijd ≥ één jaar en < 2 jaar
0,01
0,2
0,4
Leeftijd ≥ 2 jaar en < 4 jaar (jongvolwassen)
0,1
0,2
0,4
260
Leeftijd ≥ 4 jaar en < 7 jaar (middenvolwassen)
0,2
0,9
1,6
750
Leeftijd ≥ 7 jaar en < 9 jaar (oudvolwassen)
0,1
0,4
0,7
220
Leeftijd ≥ 9 jaar (oud)
0,0
0,1
0,2
45
(1)
Runderen ouder dan 36 maanden bij de normale slacht.
(2)
Runderen ouder dan 30 maanden die op het bedrijf, tijdens het vervoer of in het slachthuis gestorven of gedood zijn (gestorven dieren).
(3)
Runderen ouder dan 30 maanden die niet kunnen lopen, blijven liggen, niet zonder hulp kunnen opstaan of lopen; runderen ouder dan 30 maanden die naar de noodslachting zijn gestuurd of bij de antemortemkeuring afwijkingen vertonen (noodslachting).
(4)
Runderen ouder dan 30 maanden die afwijkend gedrag of klinische verschijnselen vertonen die passen bij BSE (klinische verdenkingen).
[Tabel 2 Streefscores voor de verschillende populatiegrootten volwassen runderen in een land of gebied
Streefscores voor landen of gebieden
Populatiegrootte volwassen runderen
(24 maanden en ouder)
Bewaking van type A
Bewaking van type B
> 1.000.000
300.000
150.000
900.001-1.000.000
214.600
107.300
800.001-900.000
190.700
95.350
700.001-800.000
166.900
83.450
600.001-700.000
143.000
71.500
500.001-600.000
119.200
59.600
400.001-500.000
95.400
47.700
300.001-400.000
71.500
35.750
200.001-300.000
47.700
23.850
100.001-200.000
22.100
11.500
90.001-100.000
19.900
9950
80.001-90.000
17.700
8850
70.001-80.000
15.500
7750
60.001-70.000
13.000
6650
50.001-60.000
11.000
5500
40.001-50.000
8800
4400
30.001-40.000
6600
3300
20.001-30.000
4400
2200
10.001-20.000
2100
1050
9001-10.000
1900
950
8001-9000
1600
800
7001-8000
1400
700
6001-7000
1200
600
5001-6000
1000
500
4001-5000
800
400
3001-4000
600
300
2001-3000
400
200
1001-2000
200
100
]

4 Gerichte bemonstering
Binnen elke van de bovengenoemde subpopulaties in een land of gebied kan een land gerichte bemonstering uitvoeren op runderen die aantoonbaar ingevoerd zijn uit landen of gebieden waar BSE is geconstateerd en runderen waaraan mogelijk besmet diervoeder is vervoederd dat afkomstig is uit landen of gebieden waar BSE is geconstateerd.

5 BSE-bewakingsmodel
Om de aanwezigheid en/of prevalentie van BSE te schatten kan een land naar keuze het volledige BSurvE-bewakingsmodel of een andere, daarop gebaseerde methode gebruiken.

6 Onderhoudsbewaking
Als de streefscore eenmaal gehaald is kan de bewaking – om de BSE-status “gecontroleerd BSE-risico” of “verwaarloosbaar BSE-risico” van een land of gebied te behouden – worden teruggebracht tot bewaking van type B, mits alle andere indicatoren positief blijven. Om echter aan de voorschriften van dit hoofdstuk te blijven voldoen, moet de permanente jaarlijkse bewaking zich nog steeds tot ten minste drie van de vier voorgeschreven subpopulaties uitstrekken. Bovendien moeten alle runderen met een klinische verdenking van BSE worden onderzocht, ongeacht de al gerealiseerde score. De jaarlijkse bewaking in een land of gebied na het behalen van de vereiste streefscore mag niet minder omvatten dan het aantal dat voor een zevende van de totale score voor bewaking van type B vereist is.]