Richtlijn Seveso III
Richtlijn 2012/18/EU van 4 juli 2012 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken, houdende wijziging en vervolgens intrekking van Richtlijn 96/82/EG van de Raad

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, met name artikel 192, lid 1,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,
Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité ,
Na raadpleging van het Comité van de Regio's,
Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure ,
Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Richtlijn 96/82/EG van de Raad van 9 december 1996 betreffende de beheersing van de gevaren van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken , legt regels vast voor de preventie van zware ongevallen die het gevolg kunnen zijn van bepaalde industriële activiteiten, en voor de beperking van de gevolgen daarvan voor de menselijke gezondheid en het milieu.

(2)

Zware ongevallen hebben vaak ernstige gevolgen, zoals onder meer is gebleken uit de ongevallen in Seveso, Bhopal, Schweizerhalle, Enschede, Toulouse en Buncefield. De effecten kunnen bovendien verder reiken dan de nationale grenzen. Dit onderstreept dat moet worden gewaarborgd dat passende voorzorgsmaatregelen worden genomen om een hoog beschermingsniveau te garanderen voor burgers, de samenleving en het milieu in de hele
Unie. Het is daarom van belang te waarborgen dat het bestaande hoge beschermingsniveau ten minste behouden blijft of wordt verhoogd.

(3)

Richtlijn 96/82/EG heeft geholpen om de waarschijnlijkheid en de gevolgen van dergelijke ongevallen te verkleinen en heeft zo geleid tot een hoger beschermingsniveau in de hele Europese Unie. Een evaluatie van die richtlijn heeft bevestigd dat het aantal zware ongevallen stabiel is gebleven. Hoewel de bestaande bepalingen over het algemeen passend zijn voor hun doel, zijn er enkele wijzigingen nodig om het beschermingsniveau verder te verbeteren, met name met betrekking tot het voorkomen van zware ongevallen. Tegelijkertijd moet het systeem dat bij Richtlijn 96/82/EG is ingesteld, worden aangepast aan de wijzigingen in het uniale systeem voor de indeling van gevaarlijke stoffen en mengsels waarnaar die richtlijn verwijst. Tevens moeten enkele andere bepalingen worden verduidelijkt en bijgewerkt.

(4)

Het is daarom passend om Richtlijn 96/82/EG te vervangen om te waarborgen dat het bestaande beschermingsniveau in stand wordt gehouden en verder wordt verbeterd, door de bepalingen effectiever en efficiënter te maken en waar mogelijk door onnodige administratieve lasten te verminderen door ze te stroomlijnen of te vereenvoudigen, ervan uitgaande dat de veiligheid, het milieu en de menselijke gezondheid niet in het gedrang komen. Tegelijkertijd moeten de nieuwe bepalingen duidelijk, samenhangend en gemakkelijk te begrijpen zijn om de tenuitvoerlegging en afdwingbaarheid te helpen verbeteren, terwijl het beschermingsniveau voor de menselijke gezondheid en het milieu minimaal hetzelfde blijft of wordt verbeterd. De Commissie moet samenwerken met de lidstaten aan de praktische tenuitvoerlegging van deze richtlijn. In het kader van die samenwerking moet onder meer de kwestie van zelfindeling van stoffen en mengsels worden aangepakt. Belanghebbenden zoals vertegenwoordigers van de industrie, werknemers en niet- gouvernementele organisaties die zich inzetten voor de bescherming van de menselijke gezondheid of van het milieu moeten voor zover nodig worden betrokken bij de tenuitvoerlegging van deze richtlijn.

(5)

Het Verdrag van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties inzake de grensoverschrijdende gevolgen van industriële ongevallen, dat namens de Unie is goedgekeurd bij Besluit 98/685/EG van de Raad van 23 maart 1998 betreffende de sluiting van het Verdrag inzake de grensoverschrijdende gevolgen van industriële ongevallen, voorziet in maatregelen voor de preventie van, het gereed zijn voor, en het antwoord op industriële ongevallen die grensoverschrijdende effecten kunnen hebben, alsook in internationale samenwerking op dit gebied. Richtlijn 96/82/EG legt het Verdrag ten uitvoer in het recht van de Unie.

(6)

Zware ongevallen kunnen gevolgen hebben die de landsgrenzen overschrijden, en de ecologische en economische kosten van een ongeval worden niet alleen gedragen door de getroffen inrichting, maar ook door de betrokken lidstaten. Er moeten daarom veiligheids-en risicobeperkingsmaatregelen worden vastgesteld en toegepast om eventuele ongevallen te voorkomen, het risico op ongevallen te verminderen en de eventuele gevolgen ervan tot een minimum te beperken, hetgeen het mogelijk maakt in de hele Unie een hoog beschermingsniveau te waarborgen.

(7)

De bepalingen van deze richtlijn gelden onverminderd de bepalingen van het recht van de Unie inzake gezondheid en veiligheid op het werk en de werkomgeving, en met name onverminderd Richtlijn 89/391/EEG van de Raad van 12 juni 1989 betreffende de tenuitvoerlegging van maatregelen ter bevordering van de verbetering van de veiligheid en de gezondheid van de werknemers op het werk .

(8)

Bepaalde industriële activiteiten moeten van het toepassingsgebied van deze richtlijn worden uitgesloten mits voor deze activiteiten op uniaal of nationaal niveau andere wetgeving geldt die een gelijkwaardig veiligheidsniveau biedt. De Commissie moet blijven onderzoeken of het bestaande regelgevingskader belangrijke leemten bevat, in het bijzonder in verband met nieuwe en opkomende risico's die verbonden zijn aan andere activiteiten en aan specifieke gevaarlijke stoffen, en zij moet, voor zover nodig, een wetgevingsvoorstel indienen om deze leemten te vullen.

(9)

In bijlage I bij Richtlijn 96/82/EG worden de gevaarlijke stoffen genoemd die onder het toepassingsgebied van de richtlijn vallen, onder andere door verwijzing naar bepaalde bepalingen van Richtlijn 67/548/EEG van de Raad van 27 juni 1967 betreffende de aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke stoffen , alsook Richtlijn 1999/45/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 mei 1999 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de indeling, de verpakking en het kenmerken van gevaarlijke preparaten. De Richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG zijn vervangen door Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het
Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels , die in de Unie het wereldwijd geharmoniseerd systeem voor de indeling en etikettering van chemische stoffen (Globally Harmonised System of Classification and Labelling of Chemicals), dat op internationaal niveau is vastgesteld door de Verenigde Naties (VN), ten uitvoer legt. Die verordening introduceert nieuwe gevarenklassen en categorieën die slechts gedeeltelijk overeenkomen met de klassen en categorieën die in die ingetrokken richtlijnen werden gebruikt. Sommige stoffen of mengsels zouden onder dat systeem echter niet worden ingedeeld bij gebrek aan criteria binnen dat kader. Bijlage I bij Richtlijn 96/82/EG moet daarom worden gewijzigd om haar in overeenstemming te brengen met deze verordening en tegelijkertijd het bestaande beschermingsniveau waarin die richtlijn voorziet te behouden of verder te verhogen.

(10)

Met het oog op de indeling van opgewaardeerd biogas moet rekening worden gehouden met alle ontwikkelingen op het gebied van normen in het kader van het Europees Comité voor Normalisatie (CEN).

(11)

De aanpassing aan Verordening (EG) nr. 1272/2008 en latere wijzigingen van deze verordening die gevolgen hebben voor de indeling van stoffen en mengsels kunnen ongewenste effecten met zich meebrengen. Op basis van in deze richtlijn opgenomen criteria moet de Commissie beoordelen of er, ondanks hun indeling in een gevarenklasse, gevaarlijke stoffen zijn die geen gevaar voor zware ongevallen opleveren en, indien nodig, een wetgevingsvoorstel indienen om de betreffende gevaarlijke stof uit te sluiten van het toepassingsgebied van deze verordening. De beoordeling moet snel van start gaan, vooral nadat de indeling van een stof of mengsel wordt gewijzigd, om onnodige lasten voor exploitanten en bevoegde autoriteiten in de lidstaten te voorkomen. Uitsluitingen van het toepassingsgebied van deze richtlijn mogen niet beletten dat een lidstaat maatregelen voor een hogere graad van bescherming handhaaft of treft.

(12)

Exploitanten moeten in het algemeen worden verplicht alle noodzakelijke maatregelen te treffen om zware ongevallen te voorkomen, de gevolgen daarvan te beperken en herstelmaatregelen te treffen. Wanneer in inrichtingen gevaarlijke stoffen aanwezig zijn in hoeveelheden die bepaalde drempelwaarden overschrijden, moet de exploitant de bevoegde autoriteit voldoende informatie verstrekken om deze in staat te stellen de inrichting, de aanwezige gevaarlijke stoffen en de mogelijke gevaren te identificeren. De exploitant moet tevens document waarin een preventiebeleid voor zware ongevallen wordt omschreven, opstellen waarin hij zijn algemene aanpak en maatregelen, met inbegrip van passende veiligheidsbeheerssystemen, voor het beheersen van de gevaren van zware ongevallen uiteenzet, en hij dient wanneer zulks op grond van het nationale recht vereist is, dit document aan de bevoegde autoriteit toe te zenden. Bij het identificeren en beoordelen van de gevaren van zware ongevallen moeten exploitanten eveneens rekening houden met gevaarlijke stoffen die kunnen ontstaan tijdens een ernstig ongeval binnen de inrichting.

(13)

Richtlijn 2004/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende milieuaansprakelijkheid met betrekking tot het voorkomen en herstellen van milieuschade is normaal gesproken relevant voor milieuschade veroorzaakt door een zwaar ongeval.

(14)

Teneinde het risico op domino-effecten te verminderen, moeten exploitanten, wanneer inrichtingen zodanig zijn gesitueerd of zo dicht bij elkaar liggen dat zij de waarschijnlijkheid van zware ongevallen vergroten of de gevolgen daarvan ernstiger maken, meewerken aan de uitwisseling van passende informatie en aan het voorlichten van het publiek, met inbegrip van naburige inrichtingen die kunnen worden getroffen.

(15)

Teneinde aan te tonen dat al het noodzakelijke is gedaan om zware ongevallen te voorkomen en noodplannen en responsmaatregelen vast te stellen, moet de exploitant, voor inrichtingen waar gevaarlijke stoffen in aanzienlijke hoeveelheden aanwezig zijn, aan de bevoegde autoriteit gegevens verstrekken in de vorm van een veiligheidsrapport. Dat veiligheidsrapport dient bijzonderheden te bevatten over de inrichting, de aanwezige gevaarlijke stoffen, de installatie of de opslagplaats, een analyse van mogelijke scenario's van, en risico's verbonden aan, zware ongevallen, preventie- en interventiemaatregelen en de aanwezige beheerssystemen worden vermeld, om het risico van zware ongevallen te verminderen en de noodzakelijke maatregelen te kunnen nemen ter vermindering van de gevolgen van dergelijke ongevallen. Het risico op een zwaar ongeval kan hoger worden door een grotere kans op natuurrampen als gevolg van de locatie van de inrichting. Tijdens de voorbereiding van scenario's voor zware ongevallen dient daarmee rekening te worden gehouden.

(16)

Teneinde voorbereid te zijn op noodsituaties, moet, voor inrichtingen waar zich aanzienlijke hoeveelheden gevaarlijke stoffen bevinden, een intern en extern noodplan worden opgesteld en moeten procedures worden ingesteld om ervoor te zorgen dat deze plannen worden getest, zo nodig worden herzien en bij een zwaar ongeval of dreiging daarvan worden uitgevoerd. Het personeel van inrichtingen moet worden geraadpleegd over het interne noodplan en het betrokken publiek moet over de mogelijkheid beschikken zijn mening te geven over het externe noodplan. Onderaanneming kan gevolgen hebben voor de veiligheid van een inrichting. De lidstaten moeten de exploitanten verplichten hiermee rekening te houden bij de uitwerking van een preventiebeleid voor zware ongevallen, de opstelling van een veiligheidsrapport of de opstelling een intern noodplan.

(17)

Bij het beraadslagen over de keuze van passende werkwijzen, met inbegrip van de werkwijzen op het vlak van monitoring en controle, moeten de exploitanten rekening houden met de beschikbare informatie betreffende beste praktijken.

(18)

Teneinde woongebieden, door het publiek druk bezochte gebieden, en het milieu, met inbegrip van bijzondere natuurgebieden of zeer kwetsbare gebieden, beter te beschermen, is het noodzakelijk dat het beleid inzake ruimtelijke ordening of het beleid op andere relevante domeinen dat van toepassing is in de lidstaten, garandeert dat er voldoende afstand in acht wordt genomen tussen dergelijke gebieden en inrichtingen die zulke risico's met zich meebrengen en, indien nodig, voor bestaande inrichtingen, aanvullende technische maatregelen ten uitvoer legt, teneinde de risico's voor personen of het milieu op een aanvaardbaar niveau te houden. Bij de besluitvorming moet rekening worden gehouden met voldoende informatie over de risico's en met technisch advies over deze risico's. Teneinde de administratieve lasten, in het bijzonder voor het midden- en kleinbedrijf, te verminderen moeten procedures en maatregelen zoveel mogelijk worden geïntegreerd met die uit hoofde van andere relevante Uniewetgeving.

(19)

Teneinde de toegang tot milieugegevens krachtens het Verdrag van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden (“het Verdrag van Aarhus”), dat namens de Unie is goedgekeurd bij Besluit 2005/370/EG van de Raad van 17 februari 2005 betreffende het sluiten, namens de Europese Gemeenschap, van het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden , te bevorderen, moeten het niveau en de kwaliteit van de informatie voor het publiek worden verbeterd. In het bijzonder moet aan personen die kans lopen te worden getroffen door een zwaar ongeval, voldoende informatie worden verstrekt over de juiste actie die in dat geval moet worden ondernomen. De lidstaten moeten informatie beschikbaar stellen over waar er inlichtingen kunnen worden ingewonnen over de rechten van personen die worden getroffen door een zwaar ongeval. De informatie die aan het publiek wordt verstrekt, moet duidelijk en begrijpelijk geformuleerd zijn. Niet alleen moet informatie actief worden verstrekt, zonder dat het publiek erom hoeft te vragen, maar de informatie moet ook, zonder uitsluiting van andere vormen van verspreiding, permanent elektronisch beschikbaar worden gesteld en actueel worden gehouden. Tegelijkertijd moeten er passende waarborgen voor de vertrouwelijkheid zijn, onder andere om veiligheidsredenen.

(20)

De manier waarop de informatie wordt beheerd moet in overeenstemming zijn met het initiatief van het gemeenschappelijk milieu-informatiesysteem (Shared Environmental Information System, SEIS), dat is geïntroduceerd in de mededeling van de Commissie van 1 februari 2008 met als titel “Naar een gemeenschappelijk milieu-informatiesysteem (SEIS)”. Het moet ook in overeenstemming zijn met Richtlijn 2007/2/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 maart 2007 tot oprichting van een infrastructuur voor ruimtelijke informatie in de Gemeenschap (Infrastructure for Spatial Information in the European Community, Inspire) en haar uitvoeringsregels, die tot doel hebben het delen van ruimtelijke milieu-informatie onder organisaties in de publieke sector mogelijk te maken en de toegang van het publiek tot ruimtelijke informatie in de hele Unie te vergemakkelijken. Informatie moet worden bewaard in een voor het publiek toegankelijke databank op uniaal niveau, die ook het toezicht op en de verslaggeving over de tenuitvoerlegging vergemakkelijkt.

(21)

Overeenkomstig het Verdrag van Aarhus is effectieve participatie van het publiek in de besluitvorming noodzakelijk om het betrokken publiek in staat te stellen meningen en zorgen te uiten die relevant kunnen zijn voor deze besluiten, en de besluitvormer in staat te stellen daarmee rekening te houden, wat de toerekenbaarheid en transparantie van het besluitvormingsproces vergroot en bijdraagt tot het publieke bewustzijn van milieuaangelegenheden en steun voor de genomen besluiten.

(22)

Teneinde te waarborgen dat, wanneer zich een zwaar ongeval voordoet, toereikende maatregelen worden genomen, moet de exploitant onverwijld de bevoegde autoriteit op de hoogte stellen en de voor de beoordeling door de autoriteit van de gevolgen voor de menselijke gezondheid en het milieu van dat ongeval benodigde gegevens verstrekken.

(23)

Lokale autoriteiten hebben belang bij de preventie van zware ongevallen en de beperking van de gevolgen ervan en kunnen een belangrijke rol spelen. De lidstaten dienen hier rekening mee te houden bij de tenuitvoerlegging van deze richtlijn.

(24)

Om de uitwisseling van gegevens te vergemakkelijken en in de toekomst soortgelijke ongevallen te voorkomen, dienen de lidstaten gegevens inzake zware ongevallen op hun grondgebied aan de Commissie te verstrekken, zodat zij de gevaren van zware ongevallen kan analyseren en een informatiesysteem voor de verspreiding van gegevens over, met name, zware ongevallen en de daaruit getrokken lessen kan opzetten. Deze gegevensuitwisseling moet ook betrekking hebben op bijna-ongevallen die de lidstaten technisch bijzonder relevant achten voor de preventie van zware ongevallen en de beperking van de gevolgen daarvan. De lidstaten en de Commissie moeten hun inspanningen opdrijven om te waarborgen dat de informatie in de gegevensuitwisselingssystemen over zware ongevallen volledig is.

(25)

De lidstaten moeten de bevoegde autoriteiten aanwijzen die moeten waarborgen dat exploitanten aan hun verplichtingen voldoen. De bevoegde autoriteiten en de Commissie moeten samenwerken bij activiteiten ter ondersteuning van de tenuitvoerlegging, zoals de ontwikkeling van passende richtsnoeren en de uitwisseling van beste praktijken. Teneinde onnodige administratieve lasten te voorkomen, moeten informatieverplichtingen waar nodig worden geïntegreerd met de informatieverplichtingen uit hoofde van andere relevante Uniewetgeving.

(26)

De lidstaten moeten er zorg voor dragen dat de bevoegde autoriteiten de noodzakelijke maatregelen nemen in geval van niet-naleving van deze richtlijn. Teneinde een effectieve tenuitvoerlegging en handhaving te waarborgen, moet er een systeem van inspecties komen, met inbegrip van een programma van routinematige inspecties met regelmatige tussenpozen en niet-routinematige inspecties.
Voor zover mogelijk, moeten inspecties worden gecoördineerd met de inspecties uit hoofde van andere Uniewetgeving, met inbegrip van, indien nodig, Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) . De lidstaten moeten tevens waarborgen dat er voldoende personen met de vereiste vaardigheden en kwalificaties beschikbaar zijn om deze inspecties doeltreffend uit te voeren. De bevoegde autoriteiten dienen passende ondersteuning te bieden met hulpmiddelen en mechanismen voor de uitwisseling van ervaringen en het consolideren van kennis, ook op uniaal niveau.

(27)

Teneinde rekening te houden met de technische ontwikkelingen moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen ten aanzien van wijzigingen van bijlagen II tot en met VI, om deze aan te passen aan de technische vooruitgang. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau. De Commissie moet bij de voorbereiding en opstelling van de gedelegeerde handelingen zorgen voor gelijktijdige, snelle en adequate toezending van de desbetreffende documenten aan het Europees Parlement en de Raad.

(28)

Om eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van deze richtlijn te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend. Deze bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren .

(29)

De lidstaten dienen regels vast te stellen inzake de sancties die van toepassing zijn voor schendingen van de krachtens deze richtlijn vastgestelde nationale bepalingen, en zij dienen ervoor te zorgen dat deze regels ten uitvoer worden gelegd. Deze sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.

(30)

Aangezien de doelstelling van deze richtlijn, namelijk een hoog niveau van bescherming waarborgen voor de menselijke gezondheid en het milieu, door de lidstaten onvoldoende kan worden verwezenlijkt en daarom beter op uniaal niveau kan worden verwezenlijkt, kan de Unie maatregelen vaststellen overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel, als uiteengezet in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel, gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om die doelstelling te verwezenlijken.

(31)

Overeenkomstig de gezamenlijke politieke verklaring van de lidstaten en de Commissie van 28 september 2011 over toelichtende stukken hebben de lidstaten zich ertoe verbonden om in gerechtvaardigde gevallen de kennisgeving van hun omzettingsmaatregelen vergezeld te doen gaan van één of meer stukken waarin het verband tussen de onderdelen van een richtlijn en de overeenkomstige delen van de nationale omzettingsinstrumenten wordt toegelicht. Met betrekking tot deze richtlijn acht de wetgever de toezending van die stukken gerechtvaardigd.

(32)

Richtlijn 96/82/EG moet derhalve worden gewijzigd en vervolgens worden ingetrokken,
(...):

Artikel 1. Onderwerp

Deze richtlijn legt regels vast voor de preventie van zware ongevallen waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn, en de beperking van de gevolgen daarvan voor de menselijke gezondheid en het milieu, teneinde op coherente en doeltreffende wijze een hoog niveau van bescherming binnen de hele Unie te waarborgen.

Art. 2. Toepassingsgebied

1

Deze richtlijn is van toepassing op inrichtingen als bedoeld in artikel 3, lid 1.

2

Deze richtlijn is niet van toepassing op:
a)
militaire inrichtingen, installaties of opslagplaatsen;
b)
gevaren die samenhangen met ioniserende straling afkomstig van stoffen;
c)
het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, per spoor, over binnenwateren of over zee of door de lucht, met inbegrip van laden en lossen en de overbrenging naar een andere vervoerswijze in havens, op kaden of op spoorwegemplacementen, alsmede rechtstreeks aan dit vervoer gerelateerde tijdelijke opslag, buiten de door deze richtlijn bestreken inrichtingen;
d)
het vervoer van gevaarlijke stoffen door pijpleidingen, met inbegrip van de pompstations, buiten inrichtingen die onder deze richtlijn vallen;
e)
de exploitatie, namelijk de exploratie, winning en verwerking, van delfstoffen in mijnen en groeven, ook door middel van boringen;
f)
de offshore exploratie en exploitatie van delfstoffen, met inbegrip van koolwaterstoffen;
g)
de offshore ondergrondse gasopslag, met inbegrip van zowel specifieke opslaglocaties als locaties waar eveneens aan exploratie en exploitatie van delfstoffen, met inbegrip van koolwaterstoffen, wordt gedaan;
h)
stortplaatsen voor afval, met inbegrip van ondergrondse opslag van afval.
Niettegenstaande het bepaalde onder e) en h) in de eerste alinea, vallen onshore ondergrondse gasopslag in natuurlijke aardlagen, waterhoudende grondlagen, zoutholtes en niet meer gebruikte mijnen en chemische en thermische verwerkingsactiviteiten en opslag die samenhangt met die activiteiten, waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn, alsook operationele voorzieningen voor het zich ontdoen van residuen, waaronder residuvijvers of -bekkens, die gevaarlijke stoffen bevatten, onder het toepassingsgebied van deze richtlijn.

Art. 3. Definities

Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:
1.
inrichting”: het volledige door een exploitant beheerde gebied waar gevaarlijke stoffen aanwezig zijn in een of meer installaties, met inbegrip van gemeenschappelijke of bijbehorende infrastructuur of activiteiten; inrichtingen zijn ofwel lagedrempelinrichtingen ofwel hogedrempelinrichtingen;
2.
lagedrempelinrichting”: een inrichting waar gevaarlijke stoffen aanwezig zijn in gelijke of grotere hoeveelheden dan de in kolom 2 van deel 1 of kolom 2 van deel 2 van bijlage I vermelde hoeveelheden, die evenwel niet gelijk zijn aan of hoger liggen dan de in kolom 3 van deel 1 of in kolom 3 van deel 2 van bijlage I vermelde hoeveelheden, in voorkomend geval gebruikmakend van de in aantekening 4 bij bijlage I bedoelde sommatieregel;
3.
hogedrempelinrichting”: een inrichting waar gevaarlijke stoffen in hoeveelheden gelijk aan of groter dan de in de kolom 3 van deel 1 of in kolom 3 van deel 2 van bijlage I vermelde hoeveelheden aanwezig zijn, in voorkomend geval gebruikmakend van de in aantekening 4 van bijlage I bedoelde sommatieregel;
4.
naburige inrichting”: een inrichting die zich zodanig dicht bij een andere inrichting bevindt dat het risico voor, of de gevolgen van, een zwaar ongeval worden vergroot;
5.
nieuwe inrichting”:
a)
een inrichting die in bedrijf wordt gesteld of wordt gebouwd op of na 1 juni 2015, of
b)
een bedrijf dat onder het toepassingsgebied van deze richtlijn valt, of een lagedrempelinrichting die op of na 1 juni 2015 een hogedrempelinrichting wordt of omgekeerd, door wijzigingen van haar installaties of activiteiten die leiden tot een wijziging van haar lijst van gevaarlijke stoffen;
6.
bestaande inrichting”: een inrichting die op 31 mei 2015 onder het toepassingsgebied van Richtlijn 96/82/EG valt en vanaf 1 juni 2015 onder het toepassingsgebied van deze richtlijn valt zonder wijziging van haar indeling als lagedrempelinrichting of hogedrempelinrichting;
7.
andere inrichting”: een bedrijf dat onder het toepassingsgebied van deze richtlijn valt of een lagedrempelinrichting die op of na 1 juni 2015 een hogedrempelinrichting wordt of omgekeerd om andere redenen dan die welke zijn bedoeld in punt 5;
8.
installatie”: een technische eenheid binnen een inrichting en boven- of ondergronds, waar gevaarlijke stoffen worden geproduceerd, gebruikt, gebezigd of opgeslagen, met inbegrip van alle uitrusting, constructies, leidingen, machines, gereedschappen, private spoorwegemplacementen, laad- en loskades, aanlegsteigers voor de installatie, pieren, depots of soortgelijke, al dan niet drijvende constructies die nodig zijn voor de werking van die installatie;
9.
exploitant”: iedere natuurlijke of rechtspersoon die een inrichting of installatie exploiteert of die de controle daarover heeft, of aan wie, indien daarin door de nationale wetgeving is voorzien, de economische zeggenschap of beslissingsmacht over het technisch functioneren van de inrichting of installatie is overgedragen;
10.
gevaarlijke stof”: een onder deel 1 van bijlage I vallende of in deel 2 van bijlage I opgenomen stof of mengsel, onder meer onder de vorm van grondstof, product, bijproduct, residu of tussenproduct;
11.
mengsel”: een mengsel of oplossing bestaande uit twee of meer stoffen;
12.
aanwezigheid van gevaarlijke stoffen”: de werkelijke of verwachte aanwezigheid van gevaarlijke stoffen in de inrichting, of van gevaarlijke stoffen waarvan redelijkerwijs kan worden voorzien dat ze zouden kunnen ontstaan bij verlies van controle over de processen, met inbegrip van opslagactiviteiten, in installaties binnen de inrichting, in hoeveelheden, gelijk aan of groter dan de in deel I of deel 2 van bijlage I vermelde drempelwaarden;
13.
zwaar ongeval”: een gebeurtenis zoals een zware emissie, brand of explosie als gevolg van onbeheerste ontwikkelingen tijdens de bedrijfsuitoefening in een inrichting waarop
deze richtlijn van toepassing is, waardoor hetzij onmiddellijk, hetzij na verloop van tijd ernstig gevaar voor de menselijke gezondheid of het milieu, binnen of buiten de inrichting ontstaat en waarbij een of meer gevaarlijke stoffen betrokken zijn;
14.
gevaar”: de intrinsieke eigenschap van een gevaarlijke stof of van een fysische situatie die potentieel tot schade voor de menselijke gezondheid of het milieu kan leiden;
15.
risico”: de waarschijnlijkheid dat een bepaald effect zich binnen een bepaalde periode of onder bepaalde omstandigheden voordoet;
16.
opslag”: de aanwezigheid van een hoeveelheid gevaarlijke stoffen voor opslag, veilige bewaring of voorraadbewaring;
17.
het publiek”: een of meer natuurlijke of rechtspersonen en, conform het nationaal recht of de nationale praktijk, hun verenigingen, organisaties of groepen;
18.
het betrokken publiek”: het publiek dat wordt getroffen of waarschijnlijk zal worden getroffen door, of dat een belang heeft bij de besluitvorming inzake een van de aangelegenheden als bedoeld in artikel 15, lid 1; voor de toepassing van deze definitie worden niet-gouvernementele organisaties die zich inzetten voor de bescherming van het milieu en die aan de toepasselijke voorwaarden volgens het nationaal recht voldoen, geacht belanghebbende te zijn;
19.
inspectie”: alle door of namens de bevoegde autoriteit ondernomen acties, met inbegrip van bezoeken ter plaatse, controles van de interne maatregelen, systemen en rapporten en vervolgdocumenten, en alle noodzakelijke follow- up, om de naleving van de voorschriften van deze richtlijn door inrichtingen te controleren en te bevorderen.

Art. 4. Beoordeling van de gevaren van zware ongevallen voor een bepaalde gevaarlijke stof

1

De Commissie beoordeelt, in voorkomend geval of in ieder geval op basis van een kennisgeving door een lidstaat in overeenstemming met lid 2, of het in de praktijk onmogelijk is dat een onder deel 1 van bijlage I vallende of in deel 2 van bijlage I opgenomen bepaalde gevaarlijke stof het vrijkomen van materie of energie kan veroorzaken waardoor een zwaar ongeval kan ontstaan, en dit zowel in normale als abnormale omstandigheden die redelijkerwijs te voorzien zijn. Die beoordeling houdt rekening met de in lid 3 bedoelde informatie en is gebaseerd op een of meerdere van de volgende kenmerken:
a)
de fysische vorm van de gevaarlijke stof bij normale proces- of behandelingscondities of ingeval van een onvoorziene vrijzetting;
b)
de intrinsieke eigenschappen van de gevaarlijke stof, met name met betrekking tot het dispersiegedrag bij een scenario van een zwaar ongeval, zoals de molecuulmassa en de verzadigde dampspanning;
c)
de maximumconcentratie van de stoffen ingeval van mengsels.
Voor de toepassing van de eerste alinea zou er waar nodig eveneens rekening moeten worden gehouden met de omhulling en algemene verpakkingswijze van de gevaarlijke stof, met name wanneer dit wordt behandeld in specifieke Uniewetgeving.

2

Wanneer een lidstaat van mening is dat een gevaarlijke stof geen gevaar voor een zwaar ongeval oplevert overeenkomstig lid 1, stelt hij de Commissie hiervan in kennis en doet hij haar een motivering ter ondersteuning toekomen, met inbegrip van de in lid 3 bedoelde informatie.

3

Voor de toepassing van de leden 1 en 2, omvat de informatie die nodig is voor de beoordeling van de gevaarlijke eigenschappen voor de gezondheid, op fysisch gebied en voor het milieu van de gevaarlijke stof of het gevaarlijk mengsel in kwestie:
a)
een omvattende lijst van eigenschappen die noodzakelijk zijn om te beoordelen of een gevaarlijke stof het vermogen heeft om fysische schade, schade aan de gezondheid of milieuschade te veroorzaken;
b)
fysische en chemische eigenschappen (zoals molecuulmassa, verzadigde dampspanning, inherente toxiciteit, kookpunt, reactiviteit, viscositeit, oplosbaarheid en andere relevante eigenschappen);
c)
gevaarlijke eigenschappen voor de gezondheid en op fysisch gebied (zoals reactiviteit, ontvlambaarheid, toxiciteit samen met bijkomende factoren zoals de inwerking op het organisme, de ratio letsels/dodelijke ongevallen, en langetermijneffecten, en andere relevante eigenschappen);
d)
gevaarlijke eigenschappen voor het milieu (zoals ecotoxiciteit, persistentie, bioaccumulatie, potentieel voor verspreiding over lange afstanden door het milieu, en andere relevante eigenschappen);
e)
indien beschikbaar, de uniale klasse-indeling van de stof of het mengsel;
f)
informatie over stofspecifieke behandelingsomstandigheden (zoals temperatuur, druk en andere relevante omstandigheden) waaronder de gevaarlijke stof is opgeslagen, wordt gebruikt en/of aanwezig kan zijn in geval van te voorziene bijzondere werkzaamheden of een ongeval zoals brand.

4

Na de in lid 1 bedoelde beoordeling dient de Commissie, in voorkomend geval, een wetgevingsvoorstel in bij het Europees Parlement en de Raad om de gevaarlijke stof in kwestie uit te sluiten van het toepassingsgebied van deze richtlijn.

Art. 5. Algemene verplichtingen van de exploitant

1

De lidstaten zorgen ervoor dat de exploitant alle nodige maatregelen neemt om zware ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan voor de menselijke gezondheid en het milieu te beperken.

2

De lidstaten zorgen ervoor dat de exploitant te allen tijde de in artikel 6 bedoelde bevoegde autoriteit kan aantonen, met name voor de in artikel 20 bedoelde inspecties en controles, dat hij alle in deze richtlijn aangegeven noodzakelijke maatregelen heeft getroffen.

Art. 6. Bevoegde autoriteit

1

Onverminderd de verantwoordelijkheden van de exploitant stellen de lidstaten de bevoegde autoriteit of autoriteiten in die met de uitvoering van de bij deze richtlijn vastgestelde taken worden belast, of wijzen die autoriteit of autoriteiten (“de bevoegde autoriteit”) aan, evenals, in voorkomend geval, de instanties die ermee belast zijn de bevoegde autoriteit technische bijstand te verlenen. De lidstaten die meer dan een bevoegde autoriteit instellen of aanwijzen zorgen ervoor dat de procedures voor het uitvoeren van hun taken volledig worden gecoördineerd.

2

De bevoegde autoriteiten en de Commissie werken samen bij activiteiten ter ondersteuning van de tenuitvoerlegging van deze richtlijn, waarbij in voorkomend geval belanghebbenden worden betrokken.

3

De lidstaten dragen er zorg voor dat de bevoegde autoriteiten voor de toepassing van deze richtlijn gelijkwaardige gegevens accepteren die door exploitanten worden ingediend overeenkomstig andere relevante Uniewetgeving en beantwoorden aan een van de voorschriften van deze richtlijn. In dergelijke gevallen dragen de bevoegde autoriteiten er zorg voor dat wordt voldaan aan de voorschriften van deze richtlijn.

Art. 7. Kennisgeving

1

De lidstaten zorgen ervoor dat de exploitant de bevoegde autoriteit een kennisgeving zendt die de volgende informatie bevat:
a)
de naam en/of handelsnaam van de exploitant en het volledige adres van de betrokken inrichting;
b)
de zetel van de exploitant en het volledige adres ervan;
c)
de naam en de functie van de met de leiding van de inrichting belaste persoon, indien deze een ander is dan de onder a) bedoelde persoon;
d)
voldoende gegevens om de gevaarlijke stoffen en de categorie van stoffen te identificeren die aanwezig zijn of kunnen zijn;
e)
de hoeveelheid en de fysische vorm van de betrokken gevaarlijke stof of stoffen;
f)
de activiteit die in de installatie of op de opslagplaats wordt uitgeoefend of is gepland;
g)
de onmiddellijke omgeving van de inrichting en de factoren die een zwaar ongeval kunnen veroorzaken of de gevolgen ervan ernstiger kunnen maken, met inbegrip van, in voorkomend geval, gegevens over naburige inrichtingen, alsook van bedrijven die buiten het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen, gebieden en ontwikkelingen die de bron kunnen zijn van of het risico of de gevolgen van een zwaar ongeval en van domino-effecten zouden kunnen vergroten.

2

De kennisgeving of actualisering ervan wordt binnen de volgende termijnen aan de bevoegde autoriteit gezonden:
a)
voor nieuwe inrichtingen, binnen een redelijke termijn alvorens met de bouw ervan wordt begonnen of binnen een redelijke termijn vóór de inbedrijfstelling ervan, of vóór de wijzigingen die leiden tot een aanpassing van de lijst van gevaarlijke stoffen;
b)
voor alle andere gevallen, ten hoogste één jaar, gerekend vanaf de datum waarop deze richtlijn van toepassing wordt op de betrokken inrichting.

3

De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing indien de exploitant reeds een kennisgeving aan de bevoegde autoriteit heeft gezonden op grond van nationale wetgeving voor 1 juni 2015, en de daarin vervatte informatie beantwoordt aan lid 1 en ongewijzigd is gebleven.

4

De exploitant stelt de bevoegde autoriteit van tevoren in kennis van de volgende gebeurtenissen:
a)
een significante verhoging of verlaging van de hoeveelheid of een significante wijziging van de aard of de fysische vorm van de aanwezige gevaarlijke stof zoals vermeld in de door de exploitant overeenkomstig lid 1 verstrekte kennisgeving, of een significante wijziging van de processen waarbij die stof wordt gebruikt;
b)
elke wijziging van een inrichting of een installatie die aanzienlijke gevolgen kan hebben voor wat betreft de gevaren voor zware ongevallen;
c)
de definitieve sluiting van de inrichting of de ontmanteling ervan;
d)
veranderingen aan de in lid 1, onder a), b) of c), bedoelde informatie.

Art. 8. Preventiebeleid voor zware ongevallen

1

De lidstaten zorgen ervoor dat de exploitant een schriftelijk document opstelt waarin het preventiebeleid van zware ongevallen wordt omschreven (“preventiebeleid voor zware ongevallen”) en zorgt voor de correcte uitvoering van dat beleid. Het preventiebeleid voor zware ongevallen staat borg voor een hoog beschermingsniveau van de menselijke gezondheid en het milieu. Het beleid dient evenredig te zijn aan de gevaren van zware ongevallen. Het bevat de algemene doelen van en beginselen voor het handelen van de exploitant, alsook de rol en de verantwoordelijkheid van het management, en de verbintenis de beheersing van gevaren van zware ongevallen continu te verbeteren en hoge beschermingsniveaus te waarborgen.

2

Het preventiebeleid voor zware ongevallen wordt binnen de volgende termijn opgesteld en, wanneer zulks op grond van het nationale recht vereist is, aan de bevoegde autoriteit gezonden:
a)
voor nieuwe inrichtingen, binnen een redelijke termijn alvorens met de bouw ervan wordt begonnen of binnen een redelijke termijn vóór de inbedrijfstelling ervan, of vóór de wijzigingen die leiden tot een aanpassing van de lijst van gevaarlijke stoffen;
b)
in alle andere gevallen, één jaar, gerekend vanaf de datum waarop deze richtlijn van toepassing wordt op de betrokken inrichting.

3

De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing indien de exploitant reeds een preventiebeleidplan voor zware ongevallen heeft opgesteld en, waar zulks op grond van het nationale recht vereist is, bij de bevoegde autoriteit heeft ingediend voor 1 juni 2015, en de daarin vervatte informatie beantwoordt aan lid 1 en ongewijzigd is gebleven.

4

Onverminderd artikel 11, dient de exploitant het preventiebeleid voor zware ongevallen periodiek, ten minste om de vijf jaar, opnieuw te bezien en indien nodig bij te werken. Wanneer zulks op grond van het nationale recht vereist is, wordt het bijgewerkte preventiebeleid voor zware ongevallen onverwijld bij de bevoegde autoriteit ingediend.

5

Het preventiebeleid voor zware ongevallen moet worden uitgevoerd met passende middelen, structuren en een veiligheidsbeheerssysteem, in overeenstemming met bijlage III, die evenredig zijn met de gevaren van zware ongevallen en met de complexiteit van de organisatie of de activiteiten van de inrichting. Voor lagedrempelinrichtingen kan deze verplichting met andere passende middelen, structuren en beheerssystemen, die evenredig zijn met de gevaren van zware ongevallen, ten uitvoer worden gelegd, rekening houdend met de in bijlage III opgenomen beginselen.

Art. 9. Domino-effecten

1

De lidstaten dragen er zorg voor dat de bevoegde autoriteit aan de hand van de door de exploitanten overeenkomstig de artikelen 7 en 10 verstrekte informatie, of na een verzoek om bijkomende informatie van de bevoegde autoriteit, of door inspecties uit hoofde van artikel 20, bepaalt voor welke hogedrempel- en lagedrempelinrichtingen of groepen inrichtingen het risico op of de gevolgen van een zwaar ongeval groter kunnen zijn ten gevolge van de geografische situatie en de nabijheid van die inrichtingen en welke gevaarlijke stoffen daar aanwezig zijn.

2

Wanneer de bevoegde autoriteit over bijkomende informatie beschikt naast de overeenkomstig artikel 7, lid 1, onder g), door de exploitant verstrekte informatie, stelt ze deze informatie ter beschikking van die exploitant, indien dit nodig is voor de toepassing van dit artikel.

3

De lidstaten vergewissen zich ervan dat de exploitanten van de overeenkomstig lid 1 aangewezen inrichtingen:
a)
waar passend, toereikende informatie uitwisselen om die inrichtingen in staat te stellen rekening te houden met de aard en de omvang van het totale gevaar van een zwaar ongeval in hun preventiebeleid voor zware ongevallen, hun veiligheidsbeheerssystemen, hun veiligheidsrapporten en hun interne noodplannen;
b)
samenwerken met het oog op de voorlichting van het publiek en de naburige bedrijven die buiten het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen en op het verstrekken van informatie aan de autoriteit die verantwoordelijk is voor de opstelling van de externe noodplannen.

Art. 10. Veiligheidsrapport

1

De lidstaten zorgen ervoor dat de exploitant van een hogedrempelinrichting een veiligheidsrapport indient teneinde:
a)
aan te tonen dat er een preventiebeleid voor zware ongevallen en een veiligheidsbeheerssysteem voor het uitvoeren daarvan zijn ingevoerd overeenkomstig de in bijlage III genoemde punten;
b)
aan te tonen dat de gevaren van zware ongevallen en scenario's voor mogelijke zware ongevallen zijn geïdentificeerd en dat de nodige maatregelen zijn getroffen om dergelijke ongevallen te voorkomen en de gevolgen van dergelijke ongevallen voor de menselijke gezondheid en het milieu te beperken;
c)
aan te tonen dat bij het ontwerp, de constructie, de werking en het onderhoud van alle met de werking samenhangende installaties, opslagplaatsen, apparatuur en infrastructuur die in verband staan met de gevaren van een zwaar ongeval binnen de inrichting, rekening is gehouden met voldoende veiligheid en betrouwbaarheid;
d)
aan te tonen dat er interne noodplannen zijn opgesteld en de nodige gegevens te verstrekken voor de opstelling van het externe noodplan;
e)
te waarborgen dat voldoende gegevens aan de bevoegde autoriteit worden verschaft, zodat zij besluiten kunnen nemen over de locatie van nieuwe activiteiten of over ontwikkelingen rond bestaande inrichtingen.

2

In het veiligheidsrapport worden ten minste de in bijlage II vermelde gegevens en inlichtingen opgenomen. Het rapport noemt de bij de opstelling van het rapport betrokken relevante organisaties met name.

3

Het veiligheidsrapport wordt binnen de volgende termijnen aan de bevoegde autoriteit toegezonden:
a)
voor nieuwe inrichtingen, binnen een redelijke termijn alvorens met de bouw ervan wordt begonnen of binnen een redelijke termijn vóór de inbedrijfstelling ervan, of vóór de wijzigingen die leiden tot een aanpassing van de lijst van gevaarlijke stoffen;
b)
voor bestaande hogedrempelinrichtingen, 1 juni 2016;
c)
voor andere inrichtingen, binnen een termijn van twee jaar, gerekend vanaf de datum waarop deze richtlijn van toepassing wordt op de betrokken inrichting.

4

Leden 1, 2 en 3 zijn niet van toepassing indien de exploitant het veiligheidsrapport reeds aan de bevoegde autoriteit heeft toegezonden krachtens de nationale wetgeving voor 1 juni 2015, en de daarin vervatte informatie beantwoordt aan de leden 1 en 2 en ongewijzigd is gebleven. Om te voldoen aan de leden 1 en 2 van dit artikel, verstrekt de exploitant alle gewijzigde delen van het veiligheidsrapport in een vorm die goedgekeurd is door de bevoegde autoriteit, met inachtneming van de termijnen bedoeld in lid 3.

5

Onverminderd artikel 11, beziet de exploitant het veiligheidsrapport periodiek, ten minste om de vijf jaar, opnieuw en werkt het indien nodig bij.
De exploitant beziet het veiligheidsrapport ook opnieuw en werkt het indien nodig bij na een zwaar ongeval in zijn inrichting en op enig ander tijdstip op initiatief van de exploitant of op verzoek van de bevoegde autoriteit, indien nieuwe feiten zulks rechtvaardigen of om rekening te houden met nieuwe technische kennis aangaande veiligheid, die bijvoorbeeld verkregen is na analyse van ongevallen of, voor zover mogelijk, van bijna-ongevallen, of met ontwikkelingen in de kennis inzake de evaluatie van gevaren.
Het bijgewerkte veiligheidsrapport of bijgewerkte delen ervan worden onverwijld aan de bevoegde autoriteit toegezonden.

6

Alvorens de exploitant een aanvang maakt met de bouw of de exploitatie, of in de in lid 3, onder b) en c), en in lid 5 van dit artikel genoemde gevallen, deelt de bevoegde autoriteit binnen een redelijke termijn na ontvangst van het rapport de exploitant haar conclusies betreffende het onderzoek van het veiligheidsrapport mede; en verbiedt, zo nodig, overeenkomstig artikel 19 de ingebruikneming of de voortzetting van de exploitatie van de betrokken inrichting.

Art. 11. Wijziging van een installatie, een inrichting of een opslagplaats

In geval van wijziging van een installatie, inrichting, opslagplaats of proces of van de aard, de fysische vorm of de hoeveelheden gevaarlijke stoffen die belangrijke gevolgen kan hebben voor de gevaren van zware ongevallen, of die ertoe kan leiden dat een lagedrempelinrichting een hogedrempelinrichting wordt of omgekeerd, dragen de lidstaten er zorg voor dat de exploitant de kennisgeving, het preventiebeleid voor zware ongevallen, het veiligheidsbeheerssysteem en het veiligheidsrapport evalueert en zo nodig bijwerkt en de bevoegde autoriteit over de bijzonderheden van dergelijke bijwerkingen inlicht, alvorens een dergelijke wijziging wordt uitgevoerd.

Art. 12. Noodplannen

1

De lidstaten dragen er zorg voor dat voor alle hogedrempelinrichtingen:
a)
door de exploitant een intern noodplan voor de binnen de inrichting te nemen maatregelen wordt opgesteld;
b)
door de exploitant aan de bevoegde autoriteit de nodige gegevens worden verstrekt zodat zij externe noodplannen kunnen opstellen;
c)
door de voor dit doel door de lidstaat aangewezen autoriteiten een extern noodplan voor de buiten de inrichting te nemen maatregelen wordt opgesteld, binnen twee jaar na ontvangst van de noodzakelijke gegevens van de exploitant als bedoeld onder b).

2

Exploitanten voldoen binnen de volgende termijnen aan de in lid 1, onder a) en b), uiteengezette verplichtingen:
a)
voor nieuwe inrichtingen, een redelijke termijn vóór de inbedrijfstelling, of vóór de wijzigingen die leiden tot een aanpassing van de lijst van gevaarlijke stoffen;
b)
voor bestaande hogedrempelinrichtingen, uiterlijk 1 juni 2016, tenzij het interne noodplan dat is opgesteld krachtens de voor die datum geldende nationale wetgeving en de gegevens in dat plan, alsook de onder b) van lid 1 bedoelde informatie, beantwoorden aan dit artikel en ongewijzigd zijn gebleven;
c)
voor andere inrichtingen, binnen een termijn van twee jaar, gerekend vanaf de datum waarop deze richtlijn van toepassing wordt op de betrokken inrichting.

3

De noodplannen worden opgesteld teneinde:
a)
voorvallen in te dammen en te beheersen om de gevolgen ervan zo gering mogelijk te doen zijn en de schade voor de menselijke gezondheid, het milieu en goederen te beperken;
b)
de nodige maatregelen ten uitvoer te leggen voor de bescherming van de menselijke gezondheid en het milieu tegen de gevolgen van zware ongevallen;
c)
aan het publiek en aan de betrokken diensten of autoriteiten in het gebied relevante informatie te verstrekken;
d)
na een zwaar ongeval voor herstel en schoonmaak van het milieu te zorgen.
De noodplannen bevatten de in bijlage IV vermelde gegevens.

4

De lidstaten dragen er zorg voor dat de in deze richtlijn bedoelde interne noodplannen worden opgesteld met raadpleging van het personeel van de inrichting, met inbegrip van het betrokken personeel met langlopende contracten dat in onderaanneming werkt.

5

De lidstaten zorgen ervoor dat het betrokken publiek in een vroeg stadium de kans krijgt zijn mening te geven over de externe noodplannen wanneer deze worden opgesteld of aanzienlijk gewijzigd.

6

De lidstaten dragen er zorg voor dat interne en externe noodplannen met passende tussenpozen van niet meer dan drie jaar door respectievelijk de exploitanten en de aangewezen autoriteiten opnieuw worden bezien, beproefd en zo nodig bijgewerkt. Bij de herziening wordt rekening gehouden met veranderingen die zich in de betrokken inrichtingen en bij de betrokken hulpdiensten hebben voorgedaan, met nieuwe technische kennis en met inzichten omtrent de bij zware ongevallen te nemen maatregelen.
Wat de externe noodplannen betreft houden de lidstaten rekening met de noodzaak om versterkte samenwerking in het kader van civiele bescherming bij ernstige noodsituaties te vergemakkelijken.

7

De lidstaten dragen er zorg voor dat de noodplannen onverwijld door de exploitant of, in voorkomend geval, de daartoe aangewezen bevoegde autoriteit worden uitgevoerd, wanneer zich een zwaar ongeval voordoet of zich een onbeheersbare gebeurtenis van zodanige aard voordoet dat redelijkerwijs mag worden aangenomen dat zij tot een zwaar ongeval leidt.

8

De bevoegde autoriteit kan in het licht van de gegevens die zijn vervat in het veiligheidsrapport, een met redenen omkleed besluit nemen dat de in lid 1 bedoelde verplichting om een extern noodplan op te stellen niet van toepassing is.

Art. 13. Ruimtelijke ordening

1

De lidstaten dragen er zorg voor dat de ten doel gestelde preventie van zware ongevallen en beperking van de gevolgen van dergelijke ongevallen voor de menselijke gezondheid en het milieu in hun beleid inzake ruimtelijke ordening of in het beleid op andere relevante domeinen in aanmerking worden genomen. Zij streven die doelstellingen na door toezicht op:
a)
de locatie van nieuwe inrichtingen;
b)
de in artikel 11 bedoelde wijzigingen van inrichtingen;
c)
nieuwe ontwikkelingen rond inrichtingen zoals transportroutes, door het publiek bezochte plaatsen, woongebieden, wanneer de locatie van of de ontwikkelingen zelf de bron kunnen zijn van een zwaar ongeval of het risico ervan kunnen vergroten of de gevolgen ervan ernstiger kunnen maken.

2

De lidstaten dragen er zorg voor dat er in hun beleid inzake ruimtelijke ordening of hun beleid op andere relevante domeinen alsmede in de procedures voor de uitvoering van die beleidsdomeinen rekening wordt gehouden met de noodzaak om op een lange termijn:
a)
een voldoende veiligheidsafstand te laten bestaan tussen enerzijds de onder deze richtlijn vallende inrichtingen en anderzijds woongebieden, door het publiek bezochte gebouwen en gebieden, recreatiegebieden en, voor zover mogelijk, grote transportroutes;
b)
waardevolle natuurgebieden en bijzonder kwetsbare gebieden in de nabijheid van inrichtingen te beschermen, indien nodig door een voldoende veiligheidsafstand te laten bestaan of door andere passende maatregelen;
c)
voor bestaande inrichtingen, aanvullende technische maatregelen te treffen overeenkomstig artikel 5, teneinde de gevaren voor de menselijke gezondheid en het milieu niet te vergroten.

3

De lidstaten dragen er zorg voor dat alle bevoegde autoriteiten en alle autoriteiten inzake ruimtelijke ordening die bevoegd zijn beslissingen op dit gebied te nemen, passende adviesprocedures invoeren om de tenuitvoerlegging van de overeenkomstig lid 1 vastgestelde beleidsmaatregelen te vergemakkelijken. Deze procedures worden zodanig opgezet dat exploitanten voldoende informatie verstrekken over de aan de inrichting verbonden risico's en dat technisch advies inzake deze risico's beschikbaar is, hetzij op basis van een studie van het specifieke geval, hetzij op basis van algemene criteria, op het tijdstip waarop de besluiten worden genomen.
De lidstaten dragen er zorg voor dat de exploitanten van lagedrempelinrichtingen, op verzoek van de bevoegde autoriteit, voor de doeleinden van de ruimtelijke ordening voldoende informatie verstrekken over de aan de inrichting verbonden risico's.

4

De voorschriften in de leden 1, 2 en 3 van dit artikel zijn van toepassing onverminderd de bepalingen van Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's en andere relevante Uniewetgeving. De lidstaten kunnen voorzien in gecoördineerde of gezamenlijke procedures om te voldoen aan de voorschriften van dit artikel en de voorschriften van die wetgeving, teneinde, onder meer, dubbele beoordelingen of raadplegingen te voorkomen.

Art. 14. Informatie voor het publiek

1

De lidstaten dragen er zorg voor dat de informatie als bedoeld in bijlage V permanent voor het publiek beschikbaar is, onder meer elektronisch. Deze informatie wordt waar nodig bijgewerkt, onder meer in geval van wijzigingen als bedoeld in artikel 11.

2

Voor hogedrempelinrichtingen, dragen de lidstaten er tevens zorg voor dat:
a)
regelmatig en in de meest passende vorm, en zonder dat ze erom moeten vragen, duidelijke en begrijpelijke informatie wordt verstrekt aan de personen die door een zwaar ongeval kunnen worden getroffen over de bij een zwaar ongeval te treffen veiligheidsmaatregelen en de in dat geval te volgen gedragslijn;
b)
het veiligheidsrapport op verzoek ter beschikking van het publiek wordt gesteld onverminderd artikel 22, lid 3; wanneer artikel 22, lid 3, van toepassing is, wordt een aangepast rapport, bijvoorbeeld in de vorm van een niet-technische samenvatting, beschikbaar gesteld, dat ten minste algemene informatie over gevaren van zware ongevallen en over hun mogelijke effecten op de menselijke gezondheid en het milieu bij een zwaar ongeval bevat;
c)
de lijst van gevaarlijke stoffen op verzoek ter beschikking wordt gesteld van het publiek, met inachtneming van artikel 22, lid 3.
De uit hoofde van dit lid, eerste alinea, onder a), te verstrekken informatie omvat ten minste de in bijlage V vermelde inlichtingen. Deze informatie wordt eveneens verstrekt aan alle door het publiek gebruikte gebouwen en gebieden, met inbegrip van scholen en ziekenhuizen, en aan alle naburige inrichtingen in geval van inrichtingen als bedoeld in artikel 9. De lidstaten dragen er zorg voor dat de informatie ten minste om de vijf jaar wordt verstrekt en periodiek opnieuw wordt bezien en, indien nodig, bijgewerkt, onder meer in geval van wijzigingen als bedoeld in artikel 11.

3

De lidstaten verstrekken voldoende gegevens aan de lidstaten die kunnen worden getroffen door de grensoverschrijdende gevolgen van een zwaar ongeval in een hogedrempelinrichting zodat deze laatste alle relevante bepalingen van de artikelen 12 en 13, alsmede van dit artikel kunnen toepassen.

4

Wanneer de betrokken lidstaat heeft besloten dat een inrichting dicht bij het grondgebied van een andere lidstaat geen gevaar voor een zwaar ongeval buiten de grenzen ervan kan opleveren voor de toepassing van artikel 12, lid 8, en derhalve de opstelling van een extern noodplan als bedoeld in artikel 12, lid 1, niet wordt verlangd, stelt die lidstaat de andere lidstaat in kennis van haar met redenen omkleed besluit.

Art. 15. Publieke raadpleging en participatie in de besluitvorming

1

De lidstaten dragen er zorg voor dat het betrokken publiek in een vroeg stadium de kans krijgt zijn mening te geven over specifieke afzonderlijke projecten met betrekking tot:
a)
het plannen van nieuwe inrichtingen ingevolge artikel 13;
b)
aanzienlijke wijzigingen van inrichtingen als bedoeld in artikel 11, indien op de voorgenomen wijzigingen de in artikel 13 vervatte verplichtingen van toepassing zijn;
c)
nieuwe ontwikkelingen rond inrichtingen wanneer de locatie ervan of de ontwikkelingen zelf het risico van een zwaar ongeval kunnen vergroten of de gevolgen ervan ernstiger kunnen maken, ingevolge artikel 13.

2

Met betrekking tot de in lid 1 bedoelde specifieke afzonderlijke projecten, wordt het publiek in een vroeg stadium van het besluitvormingsproces of uiterlijk zodra de informatie redelijkerwijs kan worden verstrekt, door middel van bekendmakingen of op andere passende wijze, met inbegrip van elektronische media indien deze beschikbaar zijn, in kennis gesteld van:
a)
het onderwerp van het specifieke project;
b)
indien van toepassing, het feit dat voor een project een nationale of grensoverschrijdende milieueffectbeoordeling vereist is of andere lidstaten moeten worden geraadpleegd overeenkomstig artikel 14, lid 3;
c)
bijzonderheden van de bevoegde autoriteit die verantwoordelijk is voor de besluitvorming waarvan relevante informatie kan worden verkregen en waarbij opmerkingen of vragen kunnen worden ingediend, en bijzonderheden over de termijnen voor het indienen van opmerkingen of vragen;
d)
de aard van mogelijke besluiten of, indien dit er is, het ontwerpbesluit;
e)
een indicatie van de termijn waarbinnen en de plaatsen waar of de wijzen waarop de relevante informatie ter beschikking zal worden gesteld;
f)
bijzonderheden van de regelingen als bedoeld in lid 7 van dit artikel die zijn getroffen voor de participatie en raadpleging van het publiek.

3

Met betrekking tot de in lid 1 bedoelde specifieke afzonderlijke projecten, dragen de lidstaten er zorg voor dat de volgende informatie binnen een passend tijdsbestek ter beschikking van het betrokken publiek wordt gesteld:
a)
overeenkomstig de nationale wetgeving, de belangrijkste rapporten en adviezen die waren uitgebracht aan de bevoegde autoriteit op het moment waarop het betrokken publiek werd geïnformeerd overeenkomstig lid 2;
b)
overeenkomstig de bepalingen van Richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie, andere informatie dan de in lid 2 van dit artikel bedoelde informatie die relevant is voor het besluit in kwestie en die pas beschikbaar komt nadat het betrokken publiek is geïnformeerd overeenkomstig dat lid.

4

De lidstaten dragen er zorg voor dat het betrokken publiek het recht heeft om de bevoegde autoriteit opmerkingen en meningen te geven voordat een besluit wordt genomen over een in lid 1 bedoeld specifiek afzonderlijk project, en dat bij de besluitvorming passend rekening wordt gehouden met de resultaten van de overeenkomstig artikel 1 gehouden raadplegingen.

5

De lidstaten dragen er zorg voor dat de bevoegde autoriteit, wanneer de relevante besluiten worden genomen, het volgende ter beschikking stelt van het publiek:
a)
de inhoud van het besluit en de gronden waarop het is gebaseerd, met inbegrip van eventuele latere bijwerkingen;
b)
de resultaten van de raadplegingen die zijn gehouden voordat het besluit werd genomen, en een toelichting van de wijze waarop daarmee bij de besluitvorming rekening is gehouden.

6

Wanneer er algemene plannen of programma's worden opgesteld met betrekking tot de onder a) of c) van lid 1 bedoelde kwesties, zorgen de lidstaten ervoor dat het publiek in een vroeg stadium reële mogelijkheden krijgt deel te nemen aan de voorbereiding en wijziging of herziening hiervan door middel van de in artikel 2, lid 2, van Richtlijn 2003/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 tot voorziening in inspraak van het publiek in de opstelling van bepaalde plannen en programma's betreffende het milieu vastgelegde procedures.
De lidstaten wijzen het publiek aan dat voor de toepassing van dit lid recht op inspraak heeft, waaronder betrokken niet-gouvernementele organisaties die aan relevante voorschriften krachtens het nationale recht voldoen, zoals die welke zich inzetten voor milieubescherming.
Dit lid is niet van toepassing op plannen en programma's waarvoor er in overeenstemming met Richtlijn 2001/42/EG een inspraakprocedure is uitgevoerd.

7

De gedetailleerde regelingen voor de voorlichting van het publiek en de raadpleging van het betrokken publiek worden vastgesteld door de lidstaten.
Er wordt voor de onderscheidene fasen in redelijke termijnen voorzien, die toereikend zijn voor de voorlichting van het publiek en, voor het betrokken publiek, voor de doeltreffende voorbereiding op en inspraak in het milieubesluitvormingsproces overeenkomstig dit artikel.

Art. 16. Door de exploitant na een zwaar ongeval te verstrekken informatie en te nemen stappen

De lidstaten dragen er zorg voor dat de exploitant zo spoedig mogelijk na een zwaar ongeval met gebruikmaking van de meest passende middelen:
a)
de bevoegde autoriteit inlicht;
b)
de bevoegde autoriteit de volgende inlichtingen verstrekt, zodra hij daarover beschikt:
i)
de omstandigheden van het ongeval;
ii)
de daarbij betrokken gevaarlijke stoffen;
iii)
de beschikbare gegevens aan de hand waarvan de gevolgen van het ongeval voor de menselijke gezondheid, het milieu en goederen kunnen worden geëvalueerd;
iv)
de getroffen noodmaatregelen;
c)
de bevoegde autoriteit in kennis stelt van de voorgenomen maatregelen om:
i)
de middellange- en langetermijngevolgen van het ongeval te beperken;
ii)
herhaling van het ongeval te voorkomen;
d)
de verstrekte informatie bijwerkt, indien uit nader onderzoek nieuwe gegevens naar voren komen die in die informatie of de daaruit getrokken conclusies wijziging brengen.

Art. 17. Door de bevoegde autoriteit te ondernemen stappen na een zwaar ongeval

Na een zwaar ongeval dragen de lidstaten de bevoegde autoriteit op:
a)
te waarborgen dat alle nodige noodmaatregelen en maatregelen op middellange en lange termijn worden getroffen;
b)
de voor een volledige analyse van de technische, organisatorische en beheersaspecten van het ongeval benodigde gegevens door middel van inspectie, onderzoek of op enigerlei andere passende wijze te verzamelen;
c)
passende stappen te ondernemen om ervoor te zorgen dat de exploitant de noodzakelijke maatregelen tot verbetering neemt;
d)
aanbevelingen te doen voor toekomstige preventieve maatregelen, en
e)
de personen die de kans lopen te worden getroffen op de hoogte te brengen van het ongeval dat zich heeft voorgedaan en, in voorkomend geval, van de maatregelen die werden genomen om de gevolgen ervan in te perken.

Art. 18. Door de lidstaten na een zwaar ongeval te verstrekken informatie

1

Ter preventie en beperking van de gevolgen van zware ongevallen stellen de lidstaten de Commissie in kennis van zware ongevallen die zich op hun grondgebied hebben voorgedaan en die beantwoorden aan de criteria van bijlage VI. Daarbij worden de volgende gegevens verstrekt:
a)
de lidstaat en naam en adres van de voor de opstelling van het rapport verantwoordelijke autoriteit;
b)
datum, tijd en plaats van het zware ongeval, met de volledige naam van de exploitant en het adres van de betrokken inrichting;
c)
een beknopte beschrijving van de omstandigheden van het ongeval, met vermelding van de daarbij betrokken gevaarlijke stoffen en de onmiddellijke gevolgen voor de menselijke gezondheid en het milieu;
d)
een beknopte beschrijving van de getroffen noodmaatregelen en van de onmiddellijk te treffen voorzorgsmaatregelen om herhaling van het ongeval te voorkomen;
e)
de resultaten van hun analyse en aanbevelingen.

2

De in lid 1 van dit artikel bedoelde informatie wordt zo spoedig mogelijk, doch binnen een jaar gerekend vanaf de datum van het ongeval, verstrekt met gebruikmaking van de databank als bedoeld in artikel 21, lid 4. Wanneer binnen deze termijn enkel voorlopige informatie met betrekking tot punt e) van lid 1 kan worden verstrekt voor opneming in de databank, wordt deze informatie bijgewerkt wanneer de resultaten van verdere analyses en aanbevelingen beschikbaar zijn.
De lidstaten kunnen de mededeling van de gegevens als bedoeld in lid 1, onder e), uitstellen om de uitkomst van een gerechtelijke procedure af te wachten, indien verstrekking van de gegevens die procedure kan beïnvloeden.

3

Voor de verstrekking door de lidstaten van de in lid 1 van dit artikel bedoelde gegevens wordt een rapportageformulier vastgesteld in de vorm van uitvoeringshandelingen. Deze uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 27, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

4

De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de naam en het adres van elke organisatie die over informatie betreffende zware ongevallen zou kunnen beschikken en die aan de bevoegde autoriteiten van andere lidstaten die bij een dergelijk ongeval dienen in te grijpen advies kan verlenen.

Art. 19. Exploitatieverbod

1

De lidstaten verbieden de exploitatie of de inbedrijfstelling van een inrichting, installatie of opslagplaats of van een gedeelte daarvan, indien de door de exploitant getroffen maatregelen ter voorkoming van zware ongevallen en ter beperking van de gevolgen daarvan duidelijk onvoldoende zijn. Daarbij houden de lidstaten onder meer rekening met ernstige tekortkomingen in het nemen van de noodzakelijke acties die in het inspectierapport zijn aangegeven.
De lidstaten kunnen de exploitatie of de inbedrijfstelling van een inrichting, installatie of opslagplaats of van een gedeelte daarvan verbieden, indien de exploitant de krachtens deze richtlijn verlangde kennisgeving, rapporten of andere gegevens niet binnen de daarvoor gestelde termijn heeft ingediend.

2

De lidstaten zorgen ervoor dat exploitanten bij een passende instantie volgens de nationale wetgeving en procedures tegen een verbod van een bevoegde autoriteit als bedoeld in lid 1 beroep kunnen instellen.

Art. 20. Inspecties

1

De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten een inspectiesysteem opzetten.

2

Deze inspecties zijn afgestemd op het soort betrokken inrichting. Zij zijn niet afhankelijk van de ontvangst van het veiligheidsrapport of van andere ingediende rapporten. Zij dienen zodanig te zijn opgezet, dat een planmatig en systematisch onderzoek van de in de inrichting gebruikte systemen van technische, organisatorische en bedrijfskundige aard kan worden uitgevoerd om met name na te gaan of:
a)
de exploitant kan aantonen dat hij, gelet op de verschillende activiteiten van de inrichting, passende maatregelen heeft getroffen om zware ongevallen te voorkomen;
b)
de exploitant kan aantonen dat hij in passende middelen heeft voorzien om de gevolgen van zware ongevallen op en buiten het bedrijfsterrein te beperken;
c)
de gegevens en informatie vervat in het veiligheidsrapport of in een ander ingediend rapport, de situatie in de inrichting adequaat weergeven;
d)
de krachtens artikel 14 vereiste inlichtingen aan het publiek zijn verstrekt.

3

De lidstaten dragen er zorg voor dat alle inrichtingen worden bestreken door een inspectieplan op nationaal, regionaal of lokaal niveau en dat dit plan regelmatig opnieuw wordt bezien en, indien nodig, wordt bijgewerkt.
Elk inspectieplan omvat de volgende zaken:
a)
een algemene beoordeling van de relevante veiligheidskwesties;
b)
het geografische gebied dat het inspectieplan bestrijkt;
c)
een lijst van de inrichtingen die onder het plan vallen;
d)
een krachtens artikel 9 vereiste lijst van groepen inrichtingen met mogelijke domino-effecten;
e)
een lijst van inrichtingen waar specifieke externe risico's of gevarenbronnen het risico voor, of de gevolgen van, een zwaar ongeval zouden kunnen vergroten;
f)
procedures voor routinematige inspecties, met inbegrip van de krachtens lid 4 vereiste programma's voor dergelijke inspecties;
g)
procedures voor niet-routinematige inspecties krachtens lid 6;
h)
bepalingen inzake de samenwerking tussen de verschillende inspectiediensten.

4

De bevoegde autoriteit stelt op basis van de inspectieplannen als bedoeld in lid 3 regelmatig programma's voor routinematige inspecties voor alle inrichtingen op, met inbegrip van de frequentie van de bezoeken ter plaatse voor de verschillende soorten inrichtingen.
De periode tussen twee opeenvolgende bezoeken ter plaatse is niet langer dan één jaar voor hogedrempelinrichtingen en drie jaar voor lagedrempelinrichtingen, tenzij de bevoegde autoriteit een inspectieprogramma heeft opgesteld op basis van een systematische beoordeling van de gevaren voor zware ongevallen van de betrokken inrichtingen.

5

De systematische beoordeling van de gevaren van de betrokken inrichtingen wordt gebaseerd op ten minste de volgende criteria:
a)
de mogelijke effecten van de betrokken inrichtingen op de menselijke gezondheid en het milieu;
b)
gegevens betreffende de naleving van de voorschriften van deze richtlijn.
Voor zover passend, wordt rekening gehouden met relevante bevindingen van inspecties uitgevoerd krachtens andere Uniewetgeving.

6

Niet-routinematige inspecties worden uitgevoerd om ernstige klachten, ernstige ongevallen en bijna-ongevallen, incidenten en gevallen van niet-naleving zo snel mogelijk te onderzoeken.

7

De bevoegde autoriteit deelt de exploitant binnen vier maanden na iedere inspectie de conclusies van de inspectie mede, alsook welke acties moeten worden genomen. De bevoegde autoriteit draagt er zorg voor dat de exploitant binnen een redelijke termijn na ontvangst van de mededeling al die noodzakelijke acties onderneemt.

8

Als bij een inspectie een belangrijk geval van niet-naleving van deze richtlijn wordt opgemerkt, wordt binnen zes maanden een aanvullende inspectie uitgevoerd.

9

De inspecties worden zoveel mogelijk gecoördineerd met inspecties uit hoofde van andere Uniewetgeving en, voor zover mogelijk, gecombineerd.

10

De lidstaten moedigen de bevoegde autoriteiten aan om te voorzien in mechanismen en hulpmiddelen voor het uitwisselen van ervaringen en het consolideren van kennis en om, voor zover passend, op uniaal niveau te participeren in zulke mechanismen.

11

De lidstaten dragen er zorg voor dat exploitanten de bevoegde autoriteiten alle bijstand verlenen die deze autoriteiten nodig hebben om inspecties uit te voeren en alle informatie te verzamelen die nodig is voor de uitvoering van hun taken voor de toepassing van deze richtlijn, en in het bijzonder de autoriteiten in de gelegenheid te stellen om de mogelijkheid van een zwaar ongeval volledig te evalueren, om te bepalen in hoeverre de kans op of de gevolgen van zware ongevallen kunnen toenemen, om het opstellen van een extern noodplan mogelijk te maken en om rekening te houden met stoffen waaraan eventueel extra aandacht moet worden besteed in verband met de fysische vorm, bijzondere omstandigheden of de locatie ervan.

Art. 21. Informatiesysteem en gegevensuitwisselingen

1

De lidstaten en de Commissie wisselen gegevens uit over de ervaringen die zijn opgedaan bij de preventie van zware ongevallen en de beperking van de gevolgen ervan. Deze gegevens hebben met name betrekking op de werking van de maatregelen waarin deze richtlijn voorziet.

2

De lidstaten dienen uiterlijk 30 september 2019 en vervolgens om de vier jaar bij de Commissie een verslag in over de tenuitvoerlegging van deze richtlijn.

3

Voor de onder deze richtlijn vallende inrichtingen verschaffen de lidstaten de Commissie ten minste de volgende gegevens:
a)
de naam of handelsnaam van de exploitant en het volledige adres van de betrokken inrichting;
b)
de activiteit of activiteiten van de inrichting.
De Commissie legt een databank aan met de door de lidstaten verstrekte gegevens en houdt deze bij. De toegang tot de databank is beperkt tot personen die daartoe door de Commissie of de bevoegde autoriteiten van de lidstaten gemachtigd zijn.

4

De Commissie zet een databank op met bijzonderheden over, met name, de zware ongevallen die zich op het grondgebied van de lidstaten voorgedaan hebben, en houdt die ter beschikking van de lidstaten, teneinde:
a)
de door de lidstaten overeenkomstig artikel 18, leden 1 en 2, verstrekte inlichtingen snel onder alle bevoegde autoriteiten te verspreiden;
b)
de bevoegde autoriteiten een analyse van de oorzaken van de zware ongevallen en de daaruit getrokken lessen te verstrekken;
c)
de bevoegde autoriteiten inlichtingen over preventieve maatregelen te verstrekken;
d)
inlichtingen te verstrekken over organisaties die adviezen of relevante informatie kunnen geven over het zich voordoen van zware ongevallen en de preventie en de beperking van de gevolgen daarvan.

5

De Commissie stelt uiterlijk 1 januari 2015 uitvoeringshandelingen vast om het format te bepalen voor het meedelen van de in de leden 2 en 3 van dit artikel bedoelde informatie van lidstaten en om de relevante in de leden 3 en 4 bedoelde databanken op te zetten. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 27, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

6

De in lid 4 bedoelde databank bevat ten minste:
a)
de door de lidstaten krachtens artikel 18, leden 1 en 2, verstrekte gegevens;
b)
een analyse van de oorzaken van de ongevallen;
c)
de uit de ongevallen getrokken lessen;
d)
de preventieve maatregelen die nodig zijn om herhaling te voorkomen.

7

De Commissie stelt het niet-vertrouwelijke deel van de gegevens ter beschikking van het publiek.

Art. 22. Toegang tot informatie en vertrouwelijkheid

1

Ter wille van de transparantie verplichten de lidstaten de bevoegde autoriteit ertoe alle op grond van deze richtlijn opgeslagen informatie ter beschikking te stellen van alle natuurlijke of rechtspersonen die daarom verzoeken, in overeenstemming met Richtlijn 2003/4/EG.

2

De krachtens deze richtlijn, met inbegrip van artikel 14, vereiste openbaarmaking van informatie kan door de bevoegde autoriteit worden geweigerd of beperkt, indien voldaan is aan de voorwaarden van artikel 4 van Richtlijn 2003/4/EG.

3

De openbaarmaking van de volledige door de bevoegde autoriteit opgeslagen informatie als bedoeld in artikel 14, lid 2, onder b) en c), kan worden geweigerd door die bevoegde autoriteit, onverminderd lid 2 van dit artikel, indien de exploitant heeft verzocht bepaalde delen van het veiligheidsrapport of de lijst van gevaarlijke stoffen niet bekend te maken om redenen als voorzien in artikel 4 van Richtlijn 2003/4/EG.
De bevoegde autoriteit kan om dezelfde redenen ook besluiten dat bepaalde delen van het rapport of de lijst niet bekend worden gemaakt. In dergelijke gevallen, en na goedkeuring door die autoriteit, verstrekt de exploitant de bevoegde autoriteit een aangepast rapport of aangepaste lijst waaruit die delen zijn weggelaten.

Art. 23. Toegang tot de rechter

De lidstaten dragen er zorg voor dat:
a)
iedereen die krachtens artikel 14, lid 2, onder b) of c), of artikel 22, lid 1, van deze richtlijn verzoekt om informatie kan overeenkomstig artikel 6 van Richtlijn 2003/4/EG vragen dat het handelen of nalaten van een bevoegde autoriteit in verband met dergelijk verzoek opnieuw wordt getoetst;
b)
de leden van het betrokken publiek in overeenstemming met hun relevante nationale rechtsstelsel toegang hebben tot de in artikel 11 van Richtlijn 2011/92/EU vastgestelde beroepsprocedures voor gevallen die onder artikel 15, lid 1, van deze richtlijn vallen.

Art. 24. Richtsnoeren

De Commissie kan richtsnoeren opstellen met betrekking tot veiligheidsafstand en domino-effecten.

Art. 25. Wijziging van de bijlagen

De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 26 gedelegeerde handelingen vast te stellen met het oog op het aanpassen van bijlagen II tot en met VI aan de technische vooruitgang. Dergelijke aanpassingen leiden niet tot aanzienlijke wijzigingen met betrekking tot de in deze richtlijn vastgelegde verplichtingen van de lidstaten en de exploitanten.

Art. 26. Uitoefening van de delegatie

1

De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen wordt aan de Commissie verleend onder de in dit artikel vastgestelde voorwaarden.

2

De bevoegdheid om de in artikel 25 bedoelde gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een periode van vijf jaar vanaf 13 augustus 2012. Uiterlijk negen maanden vóór het verstrijken van de termijn van vijf jaar stelt de Commissie een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk vier maanden voor het verstrijken van elke termijn tegen een verlenging verzet.

3

Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 25 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit vermelde bevoegdheid. Dit treedt in werking op de dag na de bekendmaking van het besluit in het Publicatieblad van de Europese Unie of een latere datum die daarin nader wordt bepaald. Het laat de geldigheid van alle reeds in werking zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4

Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling vaststelt, stelt zij het Europees Parlement en de Raad daar gelijktijdig van in kennis.

5

Een overeenkomstig artikel 25 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Op initiatief van het Europees Parlement of de Raad wordt die termijn met twee maanden verlengd.

Art. 27. Comitéprocedure

1

De Commissie wordt bijgestaan door het comité dat bij Richtlijn 96/82/EG is opgericht. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2

Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Art. 28. Sancties

De lidstaten stellen sancties vast die van toepassing zijn bij schendingen van de nationale bepalingen die krachtens deze richtlijn zijn vastgesteld. De aldus vastgestelde sancties zijn doeltreffend, evenredig en afschrikkend. De lidstaten stellen de Commissie vóór 1 juni 2015 in kennis van die bepalingen en stellen de Commissie tevens onverwijld in kennis van alle latere wijzigingen die daarop betrekking hebben.

Art. 29. Rapportage en herziening

1

Uiterlijk 30 september 2020 en daarna om de vier jaar legt de Commissie, op basis van de door de lidstaten overeenkomstig artikel 18 en artikel 21, lid 2, verstrekte gegevens en van de in de databanken als bedoeld in artikel 21, leden 3 en 4, opgeslagen informatie, en rekening houdend met de tenuitvoerlegging van artikel 4, het Europees Parlement en de Raad een verslag voor over de toepassing en de efficiënte werking van deze richtlijn, met inbegrip van informatie over zware ongevallen die zich binnen de Unie hebben voorgedaan en over de potentiële gevolgen daarvan voor de tenuitvoerlegging van deze richtlijn. De Commissie neemt in het eerste van die verslagen een beoordeling op van de noodzaak het toepassingsgebied van deze richtlijn te wijzigen. Voor zover nodig kan ieder verslag vergezeld gaan van een wetgevingsvoorstel.

2

Met betrekking tot relevante Uniewetgeving kan de Commissie onderzoeken of het nodig is de kwestie aan te pakken van de financiële verantwoordelijkheid van de exploitant in verband met zware ongevallen, met inbegrip van verzekeringsgerelateerde kwesties.

Art. 30. Wijziging van Richtlijn 96/82/EG

In Richtlijn 96/82/EG worden in deel I van bijlage I de woorden “d) zware stookolie” toegevoegd aan de rubriek “aardolieproducten”.

Art. 31. Omzetting

1

De lidstaten doen de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden die nodig zijn om uiterlijk 31 mei 2015 aan deze richtlijn te voldoen. Zij passen die maatregelen toe met ingang van 1 juni 2015.
In weerwil van de eerste alinea, doen de lidstaten de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden die nodig zijn om uiterlijk 14 februari 2014 aan artikel 30 van deze richtlijn te voldoen. Zij passen die maatregelen toe met ingang van 15 februari 2014.
Zij stellen de Commissie onverwijld in kennis van de tekst van die bepalingen.
Wanneer de lidstaten die bepalingen vaststellen, wordt in de bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor de verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2

De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het gebied waarop deze richtlijn van toepassing is, vaststellen.

Art. 32. Intrekking

1

Richtlijn 96/82/EG wordt ingetrokken met ingang van 1 juni 2015.

2

Verwijzingen naar de ingetrokken richtlijn gelden als verwijzingen naar deze richtlijn en worden gelezen overeenkomstig de concordantietabel in bijlage VII.

Art. 33. Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Art. 34. Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Bijlage I.
Lijst van gevaarlijke stoffen

Voor gevaarlijke stoffen die vallen onder de gevarencategorieën opgenomen in kolom 1 van deel 1 van deze bijlage, gelden de in de kolommen 2 en 3 van deel 1 opgenomen drempelwaarden.
Wanneer een gevaarlijke stof onder deel 1 van deze bijlage valt en ook is opgenomen in deel 2, zijn de in de kolommen 2 en 3 van deel 2 opgenomen drempelwaarden van toepassing.

Deel 1 Categorieën gevaarlijke stoffen
Dit deel beslaat alle gevaarlijke stoffen die in de in kolom 1 vermelde gevarencategorieën vallen:
Kolom 1
Kolom 2
Kolom 3
Gevarencategorieën overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1272/2008
Drempelwaarden (ton) van in artikel 3, lid 10, bedoelde gevaarlijke stoffen voor toepassing van
Voorschriften voor lagedrempelinrichtingen
Voorschriften voor hogedrempelinrichtingen
Rubriek “H” – GEZONDHEIDSGEVAREN
 
 
H1 ACUUT TOXISCH Categorie 1, alle blootstellingsroutes
5
20
H2 ACUUT TOXISCH
50
200
 –  Categorie 2, alle blootstellingsroutes
 
 
 –  Categorie 3, inademingblootstellingsroute (zie aantekening 7)
 
 
H3 SPECIFIEKE DOELORGAANTOXICITEIT (SPECIFIC TARGET ORGAN TOXICITY, STOT) – EENMALIGE BLOOTSTELLING
50
200
STOT SE Categorie 1
 
 
Rubriek “P” – FYSISCHE GEVAREN
 
 
P1a ONTPLOFBARE STOFFEN (zie aantekening 8)
10
50
 –  Instabiele ontplofbare stoffen, of
 
 
 –  Ontplofbare stoffen van de subklassen 1.1, 1.2, 1.3, 1.5 of 1.6, of
 
 
 –  Stoffen of mengsels met explosieve eigenschappen volgens methode A.14 van Verordening (EG) nr. 440/2008 (zie aantekening 9) die niet behoren tot de gevarenklassen organische peroxiden of zelfontledende stoffen en mengsels
 
 
P1b ONTPLOFBARE STOFFEN (zie aantekening 8)
50
200
Ontplofbare stoffen van subklasse 1.4 (zie aantekening 10)
 
 
P2 ONTVLAMBARE GASSEN
10
50
Ontvlambare gassen van categorie 1 of 2
 
 
P3a ONTVLAMBARE AEROSOLEN (zie aantekening 11.1)
150 (netto)
500 (netto)
“Ontvlambare” aerosolen van categorie 1 of 2, die ontvlambare gassen van categorie 1 of 2 of ontvlambare vloeistoffen van categorie 1 bevatten
 
 
P3b ONTVLAMBARE AEROSOLEN (zie aantekening 11.1)
5000 (netto)
50.000 (netto)
“Ontvlambare” aerosolen van categorie 1 of 2, die geen ontvlambare gassen van categorie 1 of 2, noch ontvlambare vloeistoffen van categorie 1 bevatten (zie aantekening 11.2)
 
 
P4 OXIDERENDE GASSEN
50
200
Oxiderende gassen van categorie 1
 
 
P5a ONTVLAMBARE VLOEISTOFFEN
10
50
 –  Ontvlambare vloeistoffen van categorie 1 of
 
 
 –  Ontvlambare vloeistoffen van categorie 2 of 3 die bij een temperatuur hoger dan hun kookpunt worden gehouden, of
 
 
 –  Overige vloeistoffen met een vlampunt ≤ 60 °C, die bij een temperatuur hoger dan hun kookpunt worden gehouden (zie aantekening 12)
 
 
P5b ONTVLAMBARE VLOEISTOFFEN
50
200
 –  Ontvlambare vloeistoffen van categorie 2 of 3 waarbij bijzondere procescondities, zoals een hoge druk of hoge temperatuur, gevaren voor zware ongevallen kunnen doen ontstaan, of
 
 
 –  Overige vloeistoffen met een vlampunt ≤ 60 °C waarbij bijzondere verwerkingsomstandigheden, zoals een hoge druk of hoge temperatuur, gevaren voor zware ongevallen kunnen geven (zie aantekening 12)
 
 
P5c ONTVLAMBARE VLOEISTOFFEN
5000
50.000
Ontvlambare vloeistoffen van categorie 2 of 3 die niet onder P5a en P5b vallen
 
 
P6a ZELFONTLEDENDE STOFFEN EN MENGSELS en ORGANISCHE PEROXIDEN
10
50
Zelfontledende stoffen en mengsels van type A of B of organische peroxiden van type A of B
 
 
P6b ZELFONTLEDENDE STOFFEN EN MENGSELS en ORGANISCHE PEROXIDEN
50
200
Zelfontledende stoffen en mengsels van type C, D, E of F of organische peroxiden van type C, D, E of F
 
 
P7 PYROFORE VLOEISTOFFEN EN VASTE STOFFEN
50
200
Pyrofore vloeistoffen van categorie 1
 
 
Pyrofore vaste stoffen van categorie 1
 
 
P8 OXIDERENDE VLOEISTOFFEN EN VASTE STOFFEN
50
200
Oxiderende vloeistoffen van categorie 1, 2 of 3, of
 
 
Oxiderende vaste stoffen van categorie 1, 2 of 3
 
 
Rubriek “E” – MILIEUGEVAREN
 
 
E1 Gevaar voor het aquatisch milieu in de categorie Acuut 1 of chronisch 1
100
200
E2 Gevaar voor het aquatisch milieu in de categorie Chronisch 2
200
500
Rubriek “O” – OVERIGE GEVAREN
 
 
O1 Stoffen of mengsels met gevarenaanduiding EUH014
100
500
O2 Stoffen en mengsels die in contact met water ontvlambare gassen ontwikkelen, categorie 1
100
500
O3 Stoffen of mengsels met gevarenaanduiding EUH029
50
200

Deel 2 Gevaarlijke stoffen die met naam genoemd worden
Kolom 1
CAS-nummer (1)
Kolom 2
Kolom 3
 
Drempelwaarde (ton) voor toepassing van
Gevaarlijke stoffen
 
 
Voorschriften voor lagedrempelinrichtingen
Voorschriften voor hogedrempelinrichtingen
 1.  Ammoniumnitraat (zie aantekening 13)
-
5000
10.000
 2.  Ammoniumnitraat (zie aantekening 14)
-
1250
5000
 3.  Ammoniumnitraat (zie aantekening 15)
-
350
2500
 4.  Ammoniumnitraat (zie aantekening 16)
-
10
50
 5.  Kaliumnitraat (zie aantekening 17)
-
5000
10.000
 6.  Kaliumnitraat (zie aantekening 18)
-
1250
5000
 7.  Diarseenpentoxide, arseen(V)zuur en/of zouten daarvan
1303-28-2
1
2
 8.  Diarseentrioxide, arseen(III)zuur en/of zouten daarvan
1327-53-3
 
0,1
 9.  Broom
7726-95-6
20
100
 10.  Chloor
7782-50-5
10
25
 11.  Inhaleerbare poedervormige nikkelverbindingen: nikkelmonoxide, nikkeldioxide, nikkelsulfide, trinikkeldisulfide, dinikkeltrioxide
-
 
1
 12.  Ethyleenimine
151-56-4
10
20
 13.  Fluor
7782-41-4
10
20
 14.  Formaldehyde (concentratie ≥ 90 %)
50-00-0
5
50
 15.  Waterstof
1333-74-0
5
50
 16.  Chloorwaterstof (vloeibaar gas)
7647-01-0
25
250
 17.  Loodalkylen
-
5
50
 18.  Ontvlambare vloeibare gassen, categorie 1 of 2 (inclusief lpg) en aardgas (zie aantekening 19)
-
50
200
 19.  Acetyleen
74-86-2
5
50
 20.  Ethyleenoxide
75-21-8
5
50
 21.  Propyleenoxide
75-56-9
5
50
 22.  Methanol
67-56-1
500
5000
 23.  4,4′-Methyleen bis(2-chlooraniline) en/of zouten daarvan, poedervormig
101-14-4
 
0,01
 24.  Methylisocyanaat
624-83-9
 
0,15
 25.  Zuurstof
7782-44-7
200
2000
 26.  2,4-Tolueendiisocyanaat 2,6-Tolueendiisocyanaat
584-84-9 91-08-7
10
100
 27.  Carbonylchloride (fosgeen)
75-44-5
0,3
0,75
 28.  Arsine (arseentrihydride)
7784-42-1
0,2
1
 29.  Fosfine (fosfortrihydride)
7803-51-2
0,2
1
 30.  Zwaveldichloride
10545-99-0
 
1
 31.  Zwaveltrioxide
7446-11-9
15
75
 32.  Polychloordibenzofuranen en polychloordibenzodioxinen (inclusief TCDD) uitgedrukt in TCDD-equivalent (zie aantekening 20)
-
 
0,001
 33.  De volgende CARCINOGENEN of de mengsels die de volgende carcinogenen in concentraties van meer dan 5 gewichtsprocent bevatten:4-aminobifenyl en/of zouten daarvan, benzotrichloride, benzidine en/of zouten daarvan, di(chloormethyl)ether, chloormethylether, 1,2-dibroomethaan, diethylsulfaat, dimethylsulfaat, dimethylcarbamoylchloride, 1,2-dibroom-3-chloorpropaan, 1,2-dimethylhydrazine, dimethylnitrosamine, hexamethylfosforzuurtriamide, hydrazine, 2-naftylamine en/of zouten daarvan, 4-nitrodifenyl en 1,3-propaansulton
-
0,5
2
 34.  Aardolieproducten en alternatieve brandstoffen
 a)  benzines en nafta's,
 b)  kerosines (inclusief vliegtuigbrandstoffen),
 c)  gasoliën (inclusief diesel, huisbrandolie en gasoliemengstromen)
 d)  zware stookolie
 e)  alternatieve brandstoffen met dezelfde toepassing en met gelijkaardige eigenschappen op het vlak van ontvlambaarheid en milieugevaren als de onder a) tot en met d) bedoelde producten
-
2500
25.000
 35.  Watervrije ammoniak
7664-41-7
50
200
 36.  Boortrifluoride
7637-07-2
5
20
 37.  Waterstofsulfide
7783-06-4
5
20
 38.  Piperidine
110-89-4
50
200
 39.  Bis(2-dimethylaminoethyl) (methyl)amine
3030-47-5
50
200
 40.  3-(2-Ethylhexyloxy)propylamine
5397-31-9
50
200
 41.  Mengsels (*) van natriumhypochloriet die zijn ingedeeld als aquatisch acuut categorie 1 [H400] die minder dan 5 % actief chloor bevatten en niet vallen onder de in deel 1 van bijlage I opgenomen andere gevarencategorieën.
 
200
500
 42.  Propylamine (zie aantekening 21)
107-10-8
500
2000
 43.  Tert-butylacrylaat (zie aantekening 21)
1663-39-4
200
500
 44.  2-Methyl-3-buteennitrile (zie aantekening 21)
16529-56-9
500
2000
 45.  Tetrahydro-3,5-dimethyl-1,3,5-thiadiazine-2-thion (Dazomet) (zie aantekening 21)
533-74-4
100
200
 46.  Methylacrylaat (zie aantekening 21)
96-33-3
500
2000
 47.  3-Methylpyridine (zie aantekening 21)
108-99-6
500
2000
 48.  1-Broom-3-chloorpropaan (zie aantekening 21)
109-70-6
500
2000
(1)
Het CAS-nummer wordt slechts ter indicatie gegeven.
(*)
Mits het mengsel zonder natriumhypochloriet niet zou worden ingedeeld als aquatisch acuut categorie 1 [H400].

AANTEKENINGEN BIJ BIJLAGE I

1

Stoffen en mengsels worden overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1272/2008 ingedeeld.

2

Mengsels worden behandeld als zuivere stoffen, mits zij binnen de concentratiegrenzen blijven die zijn vastgesteld aan de hand van hun eigenschappen krachtens de in aantekening 1 vermelde Verordening (EG) nr. 1272/2008 of de meest recente aanpassing daarvan aan de technische vooruitgang, tenzij specifiek een samenstellingspercentage of een andere beschrijving wordt gegeven.

3

De bovenstaande drempelwaarden gelden per inrichting.
De voor de toepassing van de betreffende artikelen in aanmerking te nemen hoeveelheden zijn de maximumhoeveelheden die op enig moment aanwezig zijn of kunnen zijn. Gevaarlijke stoffen die slechts in hoeveelheden van 2 % of minder van de vermelde drempelwaarde in een inrichting aanwezig zijn, worden bij de berekening van de totale aanwezige hoeveelheid buiten beschouwing gelaten, indien zij zich op een zodanige plaats in de inrichting bevinden dat deze niet de oorzaak van een zwaar ongeval elders binnen die inrichting kan zijn.

4

De onderstaande regels voor het optellen van gevaarlijke stoffen of categorieën gevaarlijke stoffen zijn eventueel van toepassing:
In het geval van een inrichting waar geen afzonderlijke gevaarlijke stof aanwezig is in een hoeveelheid van meer dan of gelijk aan de vermelde drempelwaarden, wordt de onderstaande regel toegepast om te bepalen of de inrichting onder de bepalingen van deze richtlijn valt.
Deze richtlijn is van toepassing op hogedrempelinrichtingen indien de som:
q1/QU1 + q2/QU2 + q3/QU3 + q4/QU4 + q5/QU5 + … groter is dan of gelijk is aan 1,
waarbij qx = de hoeveelheid van gevaarlijke stof x of de hoeveelheid gevaarlijke stoffen van categorie x uit deel 1 of deel 2 van deze bijlage,
en QUX = de voor gevaarlijke stof x of categorie x in kolom 3 van deel 1 of van deel 2 van deze bijlage relevante drempelwaarde.
Deze richtlijn is van toepassing op lagedrempelinrichtingen indien de som:
q1/QL1 + q2/QL2 + q3/QL3 + q4/QL4 + q5/QL5 + … groter is dan of gelijk is aan 1,
waarbij qx = de hoeveelheid van gevaarlijke stof x of de hoeveelheid gevaarlijke stoffen van categorie x uit deel 1 of deel 2 van deze bijlage,
en QLX = de voor gevaarlijke stof x of categorie x in kolom 2 van deel 1 of van deel 2 van deze bijlage relevante drempelwaarde.
Deze regel wordt gebruikt ter beoordeling van de gezondheidsgevaren, fysische gevaren en milieugevaren. De regel moet daarom driemaal worden toegepast:
a)
eenmaal voor de optelling van in deel 2 opgenomen gevaarlijke stoffen welke in acute toxiciteitscategorie 1, 2 of 3 (inademingblootstellingsroutes) of STOT SE categorie 1 zijn ingedeeld, tezamen met gevaarlijke stoffen die onder rubriek H, posten H1 tot en met H3 van deel 1, vallen;
b)
eenmaal voor de optelling van in deel 2 opgenomen gevaarlijke stoffen welke ontplofbare stoffen, ontvlambare gassen, ontvlambare aerosolen, oxiderende gassen, ontvlambare vloeistoffen, zelfontledende stoffen en mengsels, organische peroxiden, pyrofore vloeistoffen en vaste stoffen, oxiderende vloeistoffen en vaste stoffen zijn, tezamen met gevaarlijke stoffen die onder rubriek P, posten P1 tot en met P8 van deel 1, vallen;
c)
eenmaal voor de optelling van in deel 2 opgenomen gevaarlijke stoffen die onder gevaarlijk voor het aquatisch milieu, acute categorie 1, chronische categorie 1 of chronische categorie 2 vallen, tezamen met gevaarlijke stoffen die onder rubriek E, posten E1 en E2 van deel 1, vallen.
De desbetreffende bepalingen van deze richtlijn zijn van toepassing zodra het sommeringsresultaat van a), b) of c) groter is dan of gelijk is aan 1.

5

Gevaarlijke stoffen die niet onder Verordening (EG) nr. 1272/2008 vallen, waaronder afvalstoffen, maar niettemin in een inrichting aanwezig zijn of kunnen zijn en onder de in de inrichting heersende omstandigheden gelijkwaardige eigenschappen hebben of kunnen hebben wat de mogelijkheden van een zwaar ongeval betreft, worden voorlopig toegewezen aan de meest gelijkende categorie of met naam genoemde gevaarlijke stof die onder het toepassingsgebied van deze verordening valt.

6

Voor gevaarlijke stoffen die zodanige eigenschappen hebben dat ze op verscheidene wijzen kunnen worden ingedeeld, is voor de toepassing van deze richtlijn de laagste drempelwaarde van toepassing. Wat evenwel de toepassing van de in aantekening 4 bedoelde regel betreft, wordt de laagste drempelwaarde voor elke groep categorieën in aantekening 4, onder a), b) en c), welke met de indeling in kwestie overeenkomt, gebruikt.

7

Gevaarlijke stoffen die vallen onder acuut toxisch categorie 3 (orale blootstellingsroutes, H 301), vallen onder de rubriek H2 ACUUT TOXISCH wanneer noch de indeling acute toxiciteit bij inademing noch de indeling acute dermale toxiciteit kunnen worden afgeleid, bijvoorbeeld door een gebrek aan concluderende gegevens betreffende toxiciteit bij inademing en dermale toxiciteit.

8

Onder de gevarenklasse ontplofbare stoffen vallen ontplofbare voorwerpen (zie punt 2.1 van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1272/2008). Indien de hoeveelheid van ontplofbare stoffen of mengsels in het voorwerp bekend is, wordt met die hoeveelheid rekening gehouden voor de toepassing van deze richtlijn. Indien de hoeveelheid van ontplofbare stoffen of mengsels in het voorwerp niet bekend is, wordt het gehele voorwerp voor de toepassing van deze richtlijn als ontplofbaar aangemerkt.

9

Testen naar de ontplofbare eigenschappen van stoffen en mengsels is alleen nodig indien de screeningprocedure volgens aanhangsel 6, deel 3, van de United Nations Recommendations on the Transport of Dangerous Goods, Manual of Tests and Criteria (“UN Manual of Tests and Criteria”) uitwijst dat de stof of het mengsel mogelijk ontplofbare eigenschappen heeft.

10

Indien ontplofbare stoffen van subklasse 1.4 uitgepakt of opnieuw ingepakt zijn, worden ze in rubriek P1a ingedeeld, tenzij aangetoond wordt dat het gevaar nog overeenstemt met subklasse 1.4 overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1272/2008.

11.1

Ontvlambare aerosolen worden ingedeeld overeenkomstig de Richtlijn 75/324/EEG van de Raad van 20 mei 1975 inzake onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende aërosols (Richtlijn aerosolhouders). “Zeer licht ontvlambare” en “ontvlambare” aerosolen volgens Richtlijn 75/324/EEG komen overeen met ontvlambare aerosolen van respectievelijk categorie 1 of 2 volgens Verordening (EG) nr. 1272/2008.

11.2

Om deze vermelding te kunnen gebruiken, moet geregistreerd worden dat de aerosolhouder geen ontvlambaar gas van categorie 1 of 2, noch ontvlambare vloeistof van categorie 1 bevat.

12

Overeenkomstig punt 2.6.4.5 in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1272/2008 behoeven vloeistoffen met een vlampunt hoger dan 35 °C niet in categorie 3 te worden ingedeeld indien negatieve resultaten werden behaald bij de test inzake onderhouden verbrandbaarheid L.2, Part III, section 32 van de UN Manual of Tests and Criteria. Dit geldt echter niet onder omstandigheden als verhoogde temperatuur of druk en daarom vallen dergelijke vloeistoffen onder deze vermelding.

13

Ammoniumnitraat (5000/10.000): meststoffen die in staat zijn tot zelfonderhoudende ontleding
Dit is van toepassing op gemengde/samengestelde ammoniumnitraatmeststoffen (een gemengde/samengestelde meststof bevat ammoniumnitraat met fosfaat en/of kaliumcarbonaat) die in staat zijn tot zelfonderhoudende ontleding overeenkomstig de VN-goottest (zie Manual of Tests and Criteria, Part III, sub-section 38.2) en waarin het stikstofgehalte afkomstig van het ammoniumnitraat
15,75 -24,5 gewichtsprocent is en die niet meer dan 0,4 % in totaal aan brandbare/organische stoffen bevatten of die voldoen aan de voorschriften van bijlage III-2 bijVerordening (EG) nr. 2003/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 inzake meststoffen;
15,75 gewichtsprocent of minder en een onbeperkte hoeveelheid brandbare stoffen.

14

Ammoniumnitraat (1250/5000): meststofkwaliteit
Dit is van toepassing op enkelvoudige ammoniumnitraatmeststoffen en op gemengde/samengestelde ammoniumnitraatmeststoffen die voldoen aan de eisen van bijlage III-2 bij Verordening (EG) nr. 2003/2003, waarin het stikstofgehalte afkomstig van het ammoniumnitraat
hoger is dan 24,5 gewichtsprocent, met uitzondering van mengsels van enkelvoudige ammoniumnitraatmeststoffen en dolomiet, kalksteen en/of calciumcarbonaat met een zuiverheidsgraad van ten minste 90 %;
hoger is dan 15,75 gewichtsprocent voor mengsels van ammoniumnitraat en ammoniumsulfaat;
hoger is dan 28 gewichtsprocent voor mengsels van enkelvoudige ammoniumnitraatmeststoffen en dolomiet, kalksteen en/of calciumcarbonaat met een zuiverheidsgraad van ten minste 90 %.

15

Ammoniumnitraat (350/2500): technisch zuivere stof
Dit is van toepassing op ammoniumnitraat en ammoniumnitraatmengsels waarin het stikstofgehalte, afkomstig van het ammoniumnitraat
gelegen is tussen 24,5 en 28 gewichtsprocent en die maximaal 0,4 % aan brandbare stoffen bevatten;
hoger is dan 28 gewichtsprocent en die maximaal 0,2 % aan brandbare stoffen bevatten.
Dit is ook van toepassing op waterige ammoniumnitraatoplossingen met een ammoniumnitraatconcentratie van meer dan 80 gewichtsprocent.

16

Ammoniumnitraat (10/50): “off-specs-materiaal” en meststoffen die niet voldoen aan de eisen van de detonatietest Dit is van toepassing op:
afgekeurd materiaal afkomstig uit het fabricageproces en op ammoniumnitraat en ammoniumnitraatmengsels, enkelvoudige ammoniumnitraatmeststoffen en gemengde/samengestelde ammoniumnitraatmeststoffen als bedoeld in de aantekeningen 14 en 15, die van de eindgebruiker zijn of worden geretourneerd aan een fabrikant, een installatie voor tijdelijke opslag of een herverwerkingsinstallatie voor herverwerking, recycling of behandeling met het oog op een veilig gebruik omdat de stoffen niet langer voldoen aan de specificaties van de aantekeningen 14 en 15;
meststoffen als bedoeld in de aantekening 13, eerste streepje, en aantekening 14 bij deze bijlage die niet voldoen aan de voorschriften van bijlage III-2 bij Verordening (EG) nr. 2003/2003.

17

Kaliumnitraat (5000/10.000)
Dit is van toepassing op samengestelde meststoffen op basis van kaliumnitraat (in de vorm van prills of granules) die dezelfde gevaarlijke eigenschappen als zuiver kaliumnitraat hebben.

18

Kaliumnitraat (1250/5000)
Dit is van toepassing op samengestelde meststoffen op basis van kaliumnitraat (in kristalvorm) die dezelfde gevaarlijke eigenschappen als zuiver kaliumnitraat hebben.

19

Opgewaardeerd biogas
Voor de toepassing van deze richtlijn kan opgewaardeerd biogas worden ingedeeld onder rubriek 18 van deel 2 van bijlage I wanneer het verwerkt is in overeenstemming met de toepasselijke normen voor gezuiverd en opgewaardeerd biogas waardoor een kwaliteit gewaarborgd is die overeenkomt met die van aardgas, met inbegrip van de hoeveelheid methaan, en het ten hoogste 1 % zuurstof bevat.

20

Polychloordibenzofuranen en polychloordibenzodioxinen
De hoeveelheden polychloordibenzofuranen en polychloordibenzodioxinen worden berekend aan de hand van de volgende wegingsfactoren:
WHO 2005 TEF
2,3,7,8-TCDD
1
2,3,7,8-TCDF
0,1
1,2,3,7,8-PeCDD
1
2,3,4,7,8-PeCDF
0,3
 
 
1,2,3,7,8-PeCDF
0,03
 
 
 
 
1,2,3,4,7,8-HxCDD
0,1
 
 
1,2,3,6,7,8-HxCDD
0,1
1,2,3,4,7,8-HxCDF
0,1
1,2,3,7,8,9-HxCDD
0,1
1,2,3,7,8,9-HxCDF
0,1
 
 
1,2,3,6,7,8-HxCDF
0,1
1,2,3,4,6,7,8-HpCDD
0,01
2,3,4,6,7,8-HxCDF
0,1
 
 
 
 
OCDD
0,0003
1,2,3,4,6,7,8-HpCDF
0,01
 
 
1,2,3,4,7,8,9-HpCDF
0,01
 
 
 
 
 
 
OCDF
0,0003
(T = tetra, P = penta, Hx = hexa, Hp = hepta, O = octa)
Referentie – Van den Berg et al: The 2005 World Health Organization Re-evaluation of Human and Mammalian Toxic Equivalency Factors for Dioxins and Dioxin-like Compounds

21

Wanneer deze gevaarlijke stof eveneens onder categorie P5a ontvlambare vloeistoffen of P5b ontvlambare vloeistoffen valt, geldt voor de toepassing van deze richtlijn de laagste drempelwaarde.

Bijlage II.
Gegevens en minimuminlichtingen die in het in artikel 10 bedoelde veiligheidsrapport aan de orde moeten komen

1

Inlichtingen over het beheerssysteem en de organisatie van de inrichting, met het oog op de preventie van zware ongevallen.
Deze inlichtingen dienen de in bijlage III aangegeven punten te bestrijken.

2

Presentatie van de omgeving van de inrichting:
a)
beschrijving van de inrichting en zijn omgeving, met inbegrip van de geografische ligging, de meteorologische, geologische en hydrografische gegevens en, in voorkomend geval, de voorgeschiedenis;
b)
identificatie van de installaties en andere activiteiten binnen de inrichting die het gevaar van een zwaar ongeval met zich mee kunnen brengen;
c)
op basis van de beschikbare informatie, identificatie van naburige inrichtingen, alsmede andere bedrijven die buiten het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen, zones en ontwikkelingen die de bron kunnen zijn van, of het risico op of de gevolgen van een zwaar ongeval en domino-effecten kunnen verhogen;
d)
beschrijving van de zones die door een zwaar ongeval zouden kunnen worden getroffen.

3

Beschrijving van de installatie:
a)
beschrijving van de voornaamste werkzaamheden en producten uit de delen van de inrichting die belangrijk zijn uit veiligheidsoogpunt, de mogelijke oorzaken van risico's van zware ongevallen en de omstandigheden waarin zo'n zwaar ongeval zich zou kunnen voordoen, vergezeld van een beschrijving van de genomen preventieve maatregelen;
b)
beschrijving van procedés, met name de werkwijzen; indien van toepassing, rekening houdend met de beschikbare informatie betreffende beste praktijken;
c)
beschrijving van de gevaarlijke stoffen:
i)
lijst van de gevaarlijke stoffen met:
de beschrijving van de gevaarlijke stoffen: chemische naam, CAS-nummer, naam volgens de IUPAC-nomenclatuur,
de maximale hoeveelheid van de gevaarlijke stof(fen) die aanwezig is (zijn) of kan (kunnen) zijn,
ii)
fysische, chemische en toxicologische kenmerken en indicatie van zowel de onmiddellijk als de later optredende gevaren voor mens en milieu;
iii)
het fysische of chemische gedrag onder normale gebruiksvoorwaarden of bij een voorzienbaar ongeval.

4

Identificatie en analyse van de ongevallenrisico's en preventiemiddelen:
a)
gedetailleerde beschrijving van de scenario's voor mogelijke zware ongevallen, en de omstandigheden waarin deze zich kunnen voordoen, inclusief een samenvatting van de voorvallen die bij het op gang brengen van deze scenario's een belangrijke rol kunnen spelen, ongeacht of de oorzaken binnen of buiten de installatie liggen, en inclusief met name
i)
operationele oorzaken;
ii)
externe oorzaken, bijvoorbeeld met betrekking tot domino-effecten, andere bedrijven die buiten het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen, zones en ontwikkelingen die de bron kunnen zijn van, of het risico op of de gevolgen van een zwaar ongeval kunnen vergroten;
iii)
natuurlijke oorzaken, bijvoorbeeld aardbevingen of overstromingen;
b)
beoordeling van de omvang en de ernst van de gevolgen van de geïdentificeerde zware ongevallen met inbegrip van kaarten, beelden of, indien nuttig, gelijkwaardige beschrijvingen waarop de gebieden zijn aangegeven die door dergelijke, door de inrichting veroorzaakte ongevallen waarschijnlijk zullen worden getroffen;
c)
evaluatie van ongevallen en incidenten uit het verleden waarbij dezelfde stoffen en procedés werden gebruikt, beschouwing van de daaruit getrokken lessen en expliciete vermelding van specifieke maatregelen om dergelijke ongevallen te voorkomen;
d)
beschrijving van de technische parameters en de voor de veiligheid van de installaties aangebrachte apparatuur.

5

Beschermings- en interventiemaatregelen om de gevolgen van een zwaar ongeval te beperken:
a)
beschrijving van de apparatuur die op de installatie is aangebracht om de gevolgen van zware ongevallen voor mens en milieu te beperken, inclusief bijvoorbeeld detectie/beschermingssystemen, technische hulpmiddelen ter beperking van de omvang van onbedoeld vrijkomen, inclusief watersproeiers, dampschermen, noodopvangvaten, afsluitventielen, vertragingssystemen, bluswateropvang;
b)
organisatie van het alarm en de interventie;
c)
beschrijving van de inzetbare interne of externe middelen;
d)
beschrijving van alle technische en niet-technische maatregelen die de gevolgen van een zwaar ongeval kunnen beperken.

Bijlage III.
In artikel 8, lid 5, en artikel 10 bedoelde informatie betreffende het veiligheidsbeheerssysteem en de organisatie van de inrichting met het oog op de preventie van zware ongevallen

Bij het door de exploitant uitgewerkte veiligheidsbeheerssysteem wordt rekening gehouden met onderstaande factoren:
a)
het veiligheidsbeheerssysteem dient afgestemd te zijn op de gevaren, de industriële werkzaamheden en de complexiteit van de organisatie in de inrichting en moet op de evaluatie van de risico's gebaseerd zijn; in het veiligheidsbeheerssysteem moet dat gedeelte van het algemene beheerssysteem zijn opgenomen waartoe de organisatorische structuur, de verantwoordelijkheden, de gebruiken, de procedures, de procedés en de hulpmiddelen welke het mogelijk maken het preventiebeleid voor zware ongevallen te bepalen en uit te voeren, behoren;
b)
de volgende punten komen aan de orde in het veiligheidsbeheerssysteem:
i)
de organisatie en het personeel – de taken en verantwoordelijkheden van het personeel dat op alle organisatorische niveaus bij het beheersen van de gevaren van zware ongevallen wordt betrokken, samen met de maatregelen die werden genomen om het bewustzijn te doen toenemen dat voortdurende verbetering nodig is. Het onderkennen van de behoeften aan opleiding van dit personeel en het organiseren van die opleiding. De deelneming van het personeel en eventueel van de (onder) aannemers die in de inrichting werken en die vanuit veiligheidsopzicht belangrijk zijn;
ii)
de identificatie en beoordeling van de gevaren van zware ongevallen – aanneming en toepassing van procedures voor de systematische identificatie van de gevaren van zware ongevallen die zich bij normale of abnormale werking kunnen voordoen, in voorkomend geval met inbegrip van in onderaanneming verrichte activiteiten, alsook de beoordeling van de waarschijnlijkheid en de ernst van die ongevallen;
iii)
de controle op de exploitatie – aanneming en toepassing van procedures en instructies voor veilige werking, ook met betrekking tot het onderhoud, van de installatie, de processen en de apparatuur, en voor het alarmbeheer en tijdelijke onderbrekingen; rekening houdend met de beschikbare informatie betreffende beste praktijken op het vlak van monitoring en controle met het oog op de vermindering van het risico op systeemfalen; beheer en controle van de risico's die samenhangen met verouderende apparatuur die geïnstalleerd is in de inrichting en corrosie; inventarisatie van de apparatuur in de inrichting, strategie en methodologie voor het houden van toezicht op en de controle van de staat van de apparatuur; passende follow-upmaatregelen en noodzakelijke tegenmaatregelen;
iv)
de wijze waarop wordt gehandeld bij wijzigingen – aanneming en toepassing van procedures voor de planning van wijzigingen aan bestaande installaties of opslagplaatsen, dan wel voor het ontwerpen van een nieuw procedé of een nieuwe installatie of opslagplaats;
v)
de planning voor noodsituaties – aanneming en toepassing van procedures om door een systematische analyse de voorzienbare noodsituaties te onderkennen en om de noodplannen voor dergelijke noodsituaties uit te werken, te beproeven en te toetsen, en om specifieke opleiding voor het betrokken personeel te verzorgen. Dergelijke opleiding wordt gegeven aan al het personeel dat in de installatie werkt, inclusief eventuele onderaannemers;
vi)
het toezicht op de prestaties – aanneming en toepassing van procedures voor een permanente beoordeling van de inachtneming van de doelstellingen die door de exploitant zijn bepaald als onderdeel van het preventiebeleid voor zware ongevallen en van het veiligheidsbeheerssysteem, en invoering van regelingen voor onderzoek en correctie bij niet-inachtneming. Tot deze procedures moet behoren het systeem voor de melding van zware ongevallen of bijna-ongevallen, met name die waarbij de beschermende maatregelen hebben gefaald, alsook het onderzoek daarnaar en de follow-up, een en ander op basis van de ervaringen uit het verleden. Tot de procedures kunnen ook prestatie-indicatoren behoren zoals veiligheidsprestatie-indicatoren (safety performance indicators, SPIs) en/of andere relevante indicatoren;
vii)
controle en analyse – aanneming en toepassing van procedures om het preventiebeleid voor zware ongevallen en de doeltreffendheid en de deugdelijkheid van het veiligheidsbeheerssysteem systematisch periodiek te beoordelen. De met documenten gestaafde analyse door de directie van de resultaten van het gevoerde beleid, van het veiligheidsbeheerssysteem en van de bijwerking daarvan, inclusief het overwegen en opnemen van noodzakelijke wijzigingen die door de controle en analyse aangegeven worden.

Bijlage IV.
In de in artikel 12 bedoelde noodplannen op te nemen gegevens en inlichtingen

1

Interne noodplannen:
a)
de naam of functie van de personen die bevoegd zijn om noodprocedures in werking te laten treden en van de personen die belast zijn met de leiding en coördinatie van de bestrijdingsmaatregelen op het terrein;
b)
de naam of functie van de persoon die verantwoordelijk is voor de contacten met de voor het externe noodplan verantwoordelijke autoriteiten;
c)
voor te voorziene omstandigheden of gebeurtenissen die een doorslaggevende rol zouden kunnen spelen bij het ontstaan van een zwaar ongeval, een beschrijving van de te nemen maatregelen ter beheersing van de toestand of de gebeurtenis en ter beperking van de gevolgen daarvan, met inbegrip van een beschrijving van de beschikbare veiligheidsuitrusting en middelen;
d)
de regelingen ter beperking van het risico voor personen op het terrein, waaronder het alarmsysteem en de gedragsregels bij het afgaan van het alarm;
e)
de regelingen om de autoriteit die verantwoordelijk is voor het in werking laten treden van het externe noodplan bij een ongeval snel in te lichten, het soort informatie dat onmiddellijk moet worden verstrekt en de regelingen voor het verstrekken van uitvoeriger informatie, wanneer deze beschikbaar wordt;
f)
waar noodzakelijk, regelingen om het personeel op te leiden voor het vervullen van de taken die ervan worden verwacht en in voorkomend geval de coördinatie hiervan met de externe hulpdiensten;
g)
de regelingen voor de verlening van steun aan externe bestrijdingsmaatregelen.

2

Externe noodplannen:
a)
de naam of functie van de personen die bevoegd zijn om noodprocedures in werking te laten treden en van de personen die belast zijn met de leiding en coördinatie van de maatregelen buiten het terrein;
b)
de regelingen om snel op de hoogte te worden gesteld van eventuele incidenten en alarmerings- en oproep-procedures;
c)
de regelingen voor de coördinatie van de middelen die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van het externe noodplan;
d)
de regelingen voor de verlening van steun aan bestrijdingsmaatregelen op het terrein;
e)
de regelingen voor bestrijdingsmaatregelen buiten het terrein, inclusief respons op scenario's voor zware ongevallen zoals beschreven in het veiligheidsrapport en rekening houdend met mogelijke domino-effecten, inclusief die welke een invloed op het milieu hebben;
f)
de regelingen voor het overeenkomstig artikel 9 verstrekken van specifieke informatie aan het publiek en naburige inrichtingen of bedrijven die buiten het toepassingsgebied van deze richtlijn vallen over het ongeval en de te volgen gedragslijn;
g)
de regelingen voor het verstrekken van informatie aan de hulpdiensten van andere lidstaten bij een zwaar ongeval met mogelijke grensoverschrijdende gevolgen.

Bijlage V.
Aan het publiek in het kader van de toepassing van artikel 14, lid 1, en artikel 14, lid 2, onder a), te verstrekken inlichtingen


Deel 1
Voor alle inrichtingen waarop deze richtlijn van toepassing is
1.
De naam of de handelsnaam van de exploitant en het volledige adres van de betreffende inrichting.
2.
Een bevestiging dat de inrichting zich aan de voorschriften en/of bestuursrechtelijke bepalingen ter uitvoering van de richtlijn moet houden en dat de in artikel 7, lid 1, genoemde kennisgeving of het in artikel 10, lid 1, genoemde veiligheidsrapport bij de bevoegde autoriteit is ingediend.
3.
Een begrijpelijke toelichting op de activiteit of activiteiten van de inrichting.
4.
De gewone benaming of, in geval van gevaarlijke stoffen die onder deel 1 van bijlage I vallen, de algemene naam of algemene gevarenklasse van de relevante gevaarlijke stoffen in de inrichting die een zwaar ongeval kunnen veroorzaken, onder vermelding van de belangrijkste gevaarlijke eigenschappen in eenvoudige bewoordingen.
5.
Algemene gegevens over de wijze waarop het betrokken publiek zal worden gewaarschuwd, indien nodig; toereikende informatie over de te volgen gedragslijn bij een zwaar ongeval of een indicatie waar deze informatie elektronisch kan worden geraadpleegd.
6.
De datum van het laatste bezoek ter plaatse in overeenstemming met artikel 20, lid 4, of een verwijzing naar de plaats waar die informatie elektronisch kan worden geraadpleegd; inlichtingen over de wijze waarop er op verzoek meer gedetailleerde gegevens over de inspectie en het betreffende inspectieplan kunnen worden bekomen, waarbij aan de voorschriften als vastgelegd in artikel 22 moet worden voldaan.
7.
Bijzonderheden over de wijze waarop alle ter zake dienende inlichtingen kunnen worden ingewonnen, waarbij aan de voorschriften als vastgelegd in artikel 22 moet worden voldaan.

Deel 2
Voor hogedrempelinrichtingen dient naast de in deel 1 van deze bijlage genoemde inlichtingen het onderstaande te worden gegeven
1.
Algemene gegevens inzake de aard van de risico's van zware ongevallen, waaronder de mogelijke gevolgen voor de menselijke gezondheid en het milieu en beknopte gegevens van de voornaamste soorten scenario's voor zware ongevallen en de controlemaatregelen om deze aan te pakken.
2.
Een bevestiging dat de exploitant verplicht is toereikende regelingen op het terrein te treffen, in het bijzonder voor wat betreft de contacten met hulpdiensten, om zware ongevallen het hoofd te bieden en de gevolgen daarvan tot een minimum te beperken.
3.
Passende inlichtingen uit het externe noodplan dat opgesteld is om te kunnen omgaan met eventuele effecten die een ongeval buiten het terrein kan hebben. Dit moet het advies omvatten om ten tijde van een ongeval gehoor te geven aan instructies of verzoeken van de hulpdiensten.
4.
Een indicatie, waar van toepassing, of de inrichting zich nabij het grondgebied van een andere lidstaat bevindt, waardoor een zwaar ongeval grensoverschrijdende gevolgen kan hebben, krachtens het Verdrag van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties inzake grensoverschrijdende gevolgen van industriële ongevallen.

Bijlage VI.
Criteria voor de kennisgeving van een zwaar ongeval aan de Commissie overeenkomstig artikel 18, lid 1


I
Elk zwaar ongeval dat onder punt 1 valt, of ten minste een van de in onderstaande punten 2, 3, 4 en 5 omschreven gevolgen heeft, moet ter kennis van de Commissie worden gebracht.

1 Betrokken gevaarlijke stoffen
Elke brand, explosie of emissie van gevaarlijke stoffen waarbij een hoeveelheid is betrokken van ten minste 5 % van de in kolom 3 van deel 1 of van deel 2 van bijlage I vermelde drempelwaarde.

2 Schade aan personen of goederen:
a)
een sterfgeval;
b)
zes gewonden binnen de inrichting, die in het ziekenhuis worden opgenomen en daar ten minste 24 uur blijven;
c)
één persoon buiten de inrichting, die in het ziekenhuis wordt opgenomen en daar ten minste 24 uur blijft;
d)
een woning buiten de inrichting, beschadigd en onbruikbaar ten gevolge van het ongeval;
e)
evacuatie of isolering van personen gedurende meer dan twee uur met een aantal mensuren van ten minste 500;
f)
onderbreking van de voorziening van drinkwater, elektriciteit of gas of van het telefoonverkeer gedurende meer dan twee uur met een aantal mensuren van ten minste 1000.

3 Onmiddellijke schade voor het milieu:
a)
permanente of langdurige schade aan landhabitats:
i)
0,5 ha of meer van een voor het milieu of de instandhouding belangrijke en wettelijk beschermde habitat;
ii)
10 ha of meer van een meer uitgebreide habitat, inclusief landbouwgrond;
b)
significante of langdurige schade aan zoetwater- of mariene habitats:
i)
10 km of meer van een stroom, een kanaal of een rivier;
ii)
1 ha of meer van een vijver of een meer;
iii)
2 ha of meer van een delta;
iv)
2 ha of meer van een kustzone of van de zee;
c)
significante schade aan een watervoerende laag of aan het grondwater: 1 ha of meer.

4 Materiële schade:
a)
materiële schade in de inrichting: vanaf 2.000.000 EUR;
b)
materiële schade buiten de inrichting: vanaf 500.000 EUR.

5 Grensoverschrijdende schade
Elk zwaar ongeval waarbij rechtstreeks een gevaarlijke stof betrokken is die de oorzaak is van gevolgen buiten het grondgebied van de betrokken lidstaat.

II
Ongevallen of “bijna-ongevallen” die naar het oordeel van de lidstaten bijzondere technische aspecten vertonen voor de preventie van zware ongevallen en voor de beperking van de gevolgen daarvan en die niet aan bovengenoemde kwantitatieve criteria voldoen, moet ter kennis van de Commissie worden gebracht.

Bijlage VII.
Concordantietabel

Richtlijn 96/82/EG
Deze richtlijn
Artikel 1
Artikel 1
Artikel 2, lid 1, eerste alinea
Artikel 2, lid 1, en artikel 3, leden 2 en 3
Artikel 2, lid 1, tweede alinea
Artikel 3, lid 12
Artikel 2, lid 2
-
Artikel 3, lid 1
Artikel 3, lid 1
Artikel 3, lid 2
Artikel 3, lid 8
Artikel 3, lid 3
Artikel 3, lid 9
Artikel 3, lid 4
Artikel 3, lid 10
Artikel 3, lid 5
Artikel 3, lid 13
Artikel 3, lid 6
Artikel 3, lid 14
Artikel 3, lid 7
Artikel 3, lid 15
Artikel 3, lid 8
Artikel 3, lid 16
-
Artikel 3, leden 2 tot en met 7, lid 11, lid 12, en leden 17 tot en met 19
Artikel 4
Artikel 2, lid 2, eerste alinea, onder a) tot en met f), en onder h)
-
Artikel 2, lid 2, eerste alinea, onder g), en artikel 2, lid 2, tweede alinea
-
Artikel 4
Artikel 5
Artikel 5
Artikel 6, lid 1
Artikel 7, lid 2
Artikel 6, lid 2, onder a) tot en met g)
Artikel 7, lid 1, onder a) tot en met g)
Artikel 6, lid 3
Artikel 7, lid 3
Artikel 6, lid 4
Artikel 7, lid 4, onder a) tot en met c)
-
Artikel 7, lid 4, onder d)
Artikel 7, lid 1
Artikel 8, lid 1
-
Artikel 8, lid 2, onder a) en b)
Artikel 7, lid 1 bis
Artikel 8, lid 2, onder a)
Artikel 7, lid 2
Artikel 8, lid 5
Artikel 7, lid 3
-
-
Artikel 8, lid 3
-
Artikel 8, lid 4
-
Artikel 8, lid 5
Artikel 8, leden 1 en 2
Artikel 9, leden 1 en 2
-
Artikel 9, lid 2
Artikel 9, lid 1
Artikel 10, lid 1
Artikel 9, lid 2, eerste alinea
Artikel 10, lid 2
Artikel 9, lid 2, tweede alinea
-
Artikel 9, lid 3
Artikel 10, lid 3
Artikel 9, lid 4
Artikel 10, lid 6
Artikel 9, lid 5
Artikel 10, lid 5
Artikel 9, lid 6
-
-
Artikel 10, lid 4
Artikel 10
Artikel 11
Artikel 11, lid 1, onder a) en b)
Artikel 12, lid 1, onder a) en b), en artikel 12, lid 2
Artikel 11, lid 1, onder c)
Artikel 12, lid 1, onder c)
Artikel 11, lid 2
Artikel 12, lid 3
Artikel 11, lid 3
Artikel 12, leden 4 en 5
Artikel 11, lid 4
Artikel 12, lid 6, eerste alinea
Artikel 11, lid 4 bis
Artikel 12, lid 6, tweede alinea
Artikel 11, lid 5
Artikel 12, lid 7
Artikel 11, lid 6
Artikel 12, lid 8
Artikel 12, lid 1, eerste alinea
Artikel 13, lid 1
Artikel 12, lid 1, tweede alinea
Artikel 13, lid 2
Artikel 12, lid 1 bis
-
Artikel 12, lid 2
Artikel 13, lid 3
-
Artikel 13, lid 4
Artikel 13, lid 1, eerste alinea
Artikel 14, lid 2, eerste alinea, onder a), en artikel 14, lid 2, tweede alinea, tweede zin
Artikel 13, lid 1, tweede alinea, eerste en derde zin
Artikel 14, lid 2, tweede alinea, laatste zin
Artikel 13, lid 1, tweede alinea, tweede zin
Artikel 14, lid 1
Artikel 13, lid 1, derde alinea
Artikel 14, lid 2, tweede alinea, eerste zin
-
Artikel 14, lid 1, tweede zin
Artikel 13, lid 2
Artikel 14, lid 3
Artikel 13, lid 3
Artikel 14, lid 4
Artikel 13, lid 4, eerste zin
Artikel 14, lid 2, onder b)
Artikel 13, lid 4, tweede en derde zin
Artikel 22, lid 3, eerste en tweede alinea
Artikel 13, lid 5
Artikel 15, lid 1
Artikel 13, lid 6
Artikel 14, lid 2, onder c)
-
Artikel 15, leden 2 tot en met 7
Artikel 14, lid 1
Artikel 16
Artikel 14, lid 2
Artikel 17
Artikel 15, lid 1, onder a) tot en met d)
Artikel 18, lid 1, onder a) tot en met d), en artikel 18, lid 2, eerste alinea
Artikel 15, lid 2, eerste alinea
Artikel 18, lid 1, onder e), en artikel 18, lid 3
Artikel 15, lid 2, tweede alinea
Artikel 18, lid 2, tweede alinea
Artikel 15, lid 3
Artikel 18, lid 4
Artikel 16
Artikel 6, lid 1
-
Artikel 6, leden 2 en 3
Artikel 17
Artikel 19
Artikel 18, lid 1
Artikel 20, leden 1 en 2
Artikel 18, lid 2, onder a)
Artikel 20, lid 4
Artikel 18, lid 2, onder b) en c)
Artikel 20, lid 7
Artikel 18, lid 3
Artikel 20, lid 11
-
Artikel 20, leden 3, 5, 6, 8, 9 en 10
Artikel 19, lid 1
Artikel 21, lid 1
Artikel 19, lid 1 bis, eerste alinea
Artikel 21, lid 3, eerste alinea
Artikel 19, lid 1 bis, tweede alinea
Artikel 21, lid 3, tweede alinea
Artikel 19, lid 2, eerste alinea
Artikel 21, lid 4
Artikel 19, lid 2, tweede alinea
Artikel 21, lid 6
Artikel 19, lid 3
Artikel 21, lid 7
-
Artikel 21, lid 5
Artikel 19, lid 4
Artikel 21, lid 2
Artikel 20, lid 1, eerste alinea
Artikel 22, lid 1
Artikel 20, lid 1, tweede alinea
Artikel 22, lid 2
Artikel 20, lid 2
-
-
Artikel 23
-
Artikel 24
Artikel 21, lid 1
Artikel 25
Artikel 21, lid 2
Artikel 21, lid 5
Artikel 22
Artikel 27
Artikel 23
Artikel 32
Artikel 24
Artikel 31
Artikel 25
Artikel 33
Artikel 26
Artikel 34
-
Artikel 26 en artikelen 28 tot en met 30
-
Bijlage I, inleidende alinea's
Bijlage I, inleiding, punten 1 tot en met 5
Bijlage I, aantekeningen bij bijlage I, aantekeningen 1 tot en met 3
Bijlage I, inleiding, punten 6 en 7
-
Bijlage I, deel 1
Bijlage I, deel 2
Bijlage I, deel 1, aantekeningen bij deel 1, aantekeningen 1 tot en met 6
Bijlage I, aantekeningen bij bijlage I, aantekeningen 13 tot en met 18
Bijlage I, deel 1, aantekeningen bij deel 1, aantekening 7
Bijlage I, aantekeningen bij bijlage I, aantekening 20
-
Bijlage I, aantekeningen bij bijlage I, aantekening 7
Bijlage I, deel 2
Bijlage I, deel 1
Bijlage I, deel 2, aantekeningen bij deel 2, aantekening 1
Bijlage I, aantekeningen bij bijlage I, aantekeningen 1, 5 en 6
Bijlage I, deel 2, aantekeningen bij deel 2, aantekening 2
Bijlage I, aantekeningen bij bijlage I, aantekeningen 8 tot en met 10
Bijlage I, deel 2, aantekeningen bij deel 2, aantekening 3
Bijlage I, aantekeningen bij bijlage I, aantekeningen 11.1, 11.2 en 12
Bijlage I, deel 2, aantekeningen bij deel 2, aantekening 4
Bijlage I, aantekeningen bij bijlage I, aantekening 4
Bijlage II, delen I tot en met III
Bijlage II, punten 1 tot en met 3
Bijlage II, deel IV, punt A
Bijlage II, punt 4, onder a)
-
Bijlage II, punt 4, onder a), i) tot en met iii)
Bijlage II, deel IV, punt B
Bijlage II, punt 4, onder b)
-
Bijlage II, punt 4, onder c)
Bijlage II, deel IV, punt C
Bijlage II, punt 4, onder d)
Bijlage II, deel V, punten A tot en met C
Bijlage II, punt 5, onder a) tot en met c)
Bijlage II, deel V, punt D
-
-
Bijlage II, punt 5, onder d)
Bijlage III, inleidende alinea en onder a) en b)
Bijlage III, inleidende alinea en onder a) Artikel 8, leden 1 en 5
Bijlage III, onder c), i) tot en met iv)
Bijlage III, onder b), i) tot en met iv)
Bijlage III, onder c), v) tot en met vii)
Bijlage III, onder b), v) tot en met vii)
Bijlage IV
Bijlage IV
Bijlage V, punt 1
Bijlage V, deel 1, punt 1
Bijlage V, punt 2
-
Bijlage V, punten 3 tot en met 5
Bijlage V, deel 1, punten 2 tot en met 4
Bijlage V, punt 6
Bijlage V, deel 2, punt 1
Bijlage V, punten 7 tot en met 8
Bijlage V, deel 1, punt 5
-
Bijlage V, deel 1, punt 6
Bijlage V, punten 9 en 10
Bijlage V, deel 2, punten 2 en 3
Bijlage V, punt 11
Bijlage V, deel 1, punt 7
-
Bijlage V, deel 2, punt 4
Bijlage VI, I
Bijlage VI, deel I
Bijlage VI, II
Bijlage VI, deel II
-
Bijlage VII