Hoofdstuk III.
Oppervlaktedelfstoffenplanning


Afdeling I.
Het algemeen oppervlaktedelfstoffenplan


Art. 4.

§ 1.

De Vlaamse Regering stelt een algemeen oppervlaktedelfstoffenplan op dat uitvoering geeft aan de doelstellingen, vermeld in artikel 3. Het plan is gebaseerd op de ontwikkelingsperspectieven voor een termijn van minimaal 25 jaar en bevat acties voor de komende vijf jaar, zodat het een basis vormt voor de sectorale voorstellen over ruimtelijke ordening en mee de basis vormt voor de opmaak van andere specifieke beleidsplannen.


Het algemeen oppervlaktedelfstoffenplan wordt door de Vlaamse Regering vijfjaarlijks geëvalueerd, rekening houdend met de doelstellingen, vermeld in artikel 3.

 

§ 2.

Er wordt een ontwerp van het algemeen oppervlaktedelfstoffenplan opgemaakt op basis van een goed onderbouwde behoefte aan oppervlaktedelfstoffen voor de vooropgestelde termijn. Dat gebeurt op grond van economische studies, marktverkennende onderzoeken en overleg.


De administraties, instellingen en organisaties die bevoegd zijn voor of betrokken zijn bij het duurzaam materialenbeleid, stellen op eenvoudig verzoek van het departement alle informatie waarover ze beschikken over oppervlaktedelfstoffenvervangende grondstoffen, kosteloos ter beschikking.


Over het algemeen oppervlaktedelfstoffenplan wordt vooroverleg georganiseerd met de betrokken administraties, instellingen en organisaties.


De Vlaamse Regering legt het algemeen oppervlaktedelfstoffenplan vast, na advies van de Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen (Minaraad) en de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen (SERV).

 

§ 3.

Het algemeen oppervlaktedelfstoffenplan omvat minimaal:

een beschrijvend gedeelte met:
a) algemene gegevens over in- en uitvoer van oppervlaktedelfstoffen, het gebruik van alternatieven en de mate waarin ze invulling geven aan de totale oppervlaktedelfstoffenbehoefte;
b) samenvattende gegevens, kaarten, geologische informatie en tabellen voor het hele Vlaamse Gewest, die de delfstoffenbehoeftebepalingen gemotiveerd en onderbouwd weergeven, zowel aan de vraag- als aan de aanbodzijde;
c) de onderlinge verbanden tussen de verschillende oppervlaktedelfstoffengebieden;
d) een beschrijving van de oppervlaktedelfstoffenstromen met algemene verwachtingen en trends voor de volgende vijf jaar;
een gedeelte dat de maatregelen en acties beschrijft die op het niveau van het Vlaamse Gewest zullen worden genomen om de doelstellingen, vermeld in artikel 3, te realiseren. Het beschrijft daarnaast ook per Vlaamse oppervlaktedelfstoffensoort de indicatieve hoeveelheid die voor een termijn van 25 jaar verzekerd moet worden bij wijze van langetermijndoelstelling en bevat daarvoor een actieprogramma met een minimale hoeveelheid die voor de komende vijf jaar verzekerd moet worden.

 

De in het eerste lid vermelde gedeelten van het algemeen oppervlaktedelfstoffenplan zijn niet juridisch bindend, behoudens de bepalingen met betrekking tot de minimale hoeveelheden die voor de komende vijf jaar verzekerd moeten worden. De bepalingen met betrekking tot de minimale hoeveelheden blijven gelden tot het algemeen oppervlaktedelfstoffenplan door een ander wordt vervangen. De bepalingen met betrekking tot de minimale hoeveelheden kunnen te allen tijde door de Vlaamse Regering worden herzien volgens de procedure voor het herzien van het algemeen oppervlaktedelfstoffenplan.

 

§ 4.

De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen over de procedure en de inhoud van het algemeen oppervlaktedelfstoffenplan.


Afdeling 2.
De oppervlaktedelfstoffennota?s


Art. 5.

De minister stelt oppervlaktedelfstoffennota’s op die uitvoering geven aan de doelstellingen, vermeld in artikel 3. De nota’s zijn gebaseerd op ontwikkelingsperspectieven voor een termijn van minimaal 25 jaar.


De oppervlaktedelfstoffennota’s worden door de minister minstens vijfjaarlijks geëvalueerd, rekening houdend met de doelstellingen, vermeld in artikel 3.


Art. 6.

Van elke oppervlaktedelfstoffennota wordt een ontwerp opgemaakt op basis van een goed onderbouwde behoefte aan de desbetreffende oppervlaktedelfstof voor de vooropgestelde termijn. Dat gebeurt op grond van economische studies, marktverkennende onderzoeken en overleg met de betrokken administraties, instellingen en organisaties. De oppervlaktedelfstoffennota’s houden rekening met de inzet van volwaardige alternatieven, en met de in- en uitvoer van oppervlaktedelfstoffen. De oppervlaktedelfstoffennota’s bevatten een beschrijving van de acties en maatregelen die op het niveau van het Vlaamse Gewest zullen worden genomen om de doelstellingen, vermeld in artikel 3, te realiseren. De oppervlaktedelfstoffennota’s kunnen een voorstel van zoekzones bevatten die een ruimtelijke vertaling zijn van de geologische kennis, de onderbouwde behoefte aan oppervlaktedelfstoffen en de ruimtelijke context, met inbegrip van het mobiliteitsaspect.


De minister legt de oppervlaktedelfstoffennota’s vast, na advies van de Strategische Adviesraad voor Ruimtelijke Ordening (SARO) en maakt ze ter informatie over aan de Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen (Minaraad) en de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen (SERV).


De minister deelt de vastlegging van de oppervlaktedelfstoffennota’s mee aan de Vlaamse Regering.


Afdeling 3.
Procedure voor de totstandkoming van gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen voor ontginningsgebieden


Onderafdeling 1.
Gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen op basis van oppervlaktedelfstoffennota?s


Art. 7.

§ 1.

De minister kan voor een of meer zoekzones die in een of meer oppervlaktedelfstoffennota’s zijn opgenomen, een vraag tot opname van de desbetreffende zoekzones in een gebiedsgericht ruimtelijk planningsproces of in een ruimtelijk uitvoeringsplan met betrekking tot aanbodgedreven planning van ontginningsgebieden, ter goedkeuring voorleggen aan de Vlaamse Regering met het oog op het nemen van een startbeslissing om binnen de zoekzones locatievoorstellen als ontginningsgebied te bestemmen.

 

§ 2.

De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen voor het proces van de voorbereiding van een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan met betrekking tot aanbodgedreven planning van ontginningsgebieden.

 

§ 3.

De bijzondere oppervlaktedelfstoffenplannen die werden goedgekeurd voor 1 januari 2013, blijven hun rechtskracht behouden en kunnen mee de basis vormen voor de opmaak van de gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen met betrekking tot ontginningen.


Onderafdeling 2.
Gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen op basis van vraaggestuurde ontginningsprojecten


Art. 8.

§ 1.

Elke natuurlijke persoon of rechtspersoon kan een onderbouwd verzoek tot het opstarten van een vraaggestuurd ontginningsproject bezorgen aan de minister.


Het verzoek tot het starten van een vraaggestuurd ontginningsproject moet minstens volgende informatie bevatten:

de aard en de hoeveelheid van de oppervlaktedelfstoffen die zullen kunnen worden gevaloriseerd;
de wijze waarop het ontginningsproject rekening houdt met de huidige bestemming van het gebied en het landgebruik;
de mogelijke nabestemming die kan worden gecreëerd;
de effecten van het ontginningsproject op de omgeving en de activiteiten in de omgeving;

informatie die aantoont dat met betrekking tot het voorgenomen ontginningsproject een grote mate van consensus bestaat bij de lokale belanghebbenden.


De minister kan, voor zover dat verzoek in overeenstemming is met het oppervlaktedelfstoffenbeleid, een vraag tot opname van een vraaggestuurd ontginningsproject in een gebiedsgericht ruimtelijk planningsproces of in een ruimtelijk uitvoeringsplan met betrekking tot een vraaggestuurd ontginningsproject, ter goedkeuring voorleggen aan de Vlaamse Regering met het oog op het nemen van een startbeslissing om het gebied waarop het verzoek tot het opstarten van het vraaggestuurd ontginningsproject betrekking heeft, als ontginningsgebied te bestemmen.


Als het ontginningsproject betrekking heeft op oppervlaktedelfstoffen waarvoor al een of meer oppervlaktedelfstoffennota’s zijn goedgekeurd, evalueert de minister deze oppervlaktedelfstoffennota’s vooraleer hij het verzoek tot het starten van het vraaggestuurd ontginningsproject ter goedkeuring voorlegt aan de Vlaamse Regering.


Als het ontginningsproject in een bredere context kadert dan alleen de ontginningsactiviteit op zich, kan de in het derde lid vermelde startbeslissing een onderdeel vormen van de startbeslissing van een strategisch of complex project. In dat geval verloopt de verdere besluitvorming over de noodzakelijke bestemmingswijziging voor het vraaggestuurd ontginningsproject volledig volgens de besluitvormingsprocedure die van toepassing is voor de noodzakelijke bestemmingswijzigingen voor het betrokken strategisch of complex project.

 

§ 2.

De Vlaamse Regering bepaalt nadere regels voor het proces van de voorbereiding van een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan met betrekking tot een vraaggestuurd ontginningsproject.