Art. 9.

§ 1

In ieder ontginningsgebied moeten primaire oppervlaktedelfstoffen, al dan niet verschillende soorten afhankelijk van de geologische structuur, door de vergunninghouder optimaal ontgonnen worden. De nabestemming en de draagkracht van het ontginningsgebied en zijn omgeving bepalen de randvoorwaarden ten aanzien van een maximale en rationele ontginning.

 

§ 2

Primaire oppervlaktedelfstoffen moeten optimaal gevaloriseerd worden. De winning ervan kan aanleiding geven tot deelfracties, waarbij elke deelfractie de hoedanigheid van een primaire oppervlaktedelfstof behoudt. De deelfracties die niet op de markt verhandelbaar zijn, worden bij voorkeur aangewend voor de eindafwerking van het ontginningsgebied waarin ze zijn ontgonnen.

 

§ 3

De Vlaamse regering kan nadere regels bepalen voor het efficiënt en doelmatig benutten van de ontginningsgebieden.