Art. 15.

§ 1

De houder van de ontginningsmachtiging is aan de eigenaars of houders van zakelijke rechten gedurende een bepaalde tijd, afhankelijk van de geraamde duur van de ontginning, een jaarlijkse vergoeding verschuldigd. Aan de pachter, huurder of gebruiker is hij een eenmalige vergoeding verschuldigd. De bedragen van de vergoeding worden in onderling overleg of door deskundigen vastgesteld, rekening houdend met de waarde, het gebruik en de opbrengst van de percelen ten tijde van de aanvraag tot ontginningsmachtiging. De deskundigen worden aangewezen door de partijen of, bij gebrek aan overeenstemming, op verzoek van de meest gerede partij door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg van de plaats waar de meerderheid van de ontginningspercelen is gelegen. De beslissing van het departement zoals bedoeld in artikel 13 of de ministeriėle beslissing die de ontginningsmachtiging in beroep verleent, geeft het bedrag en de duur van de aldus vastgestelde vergoedingen aan. Ingeval partijen het niet eens zijn over de raming van de deskundige, beslist de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg op verzoek van de meest gerede partij.

 

§ 2

De eigenaar kan te allen tijde eisen dat zijn perceel door de houder van de ontginningsmachtiging wordt aangekocht. De verkoopprijs wordt in onderling overleg of door deskundigen vastgesteld. Deze deskundigen worden aangewezen door de partijen of, bij gebrek aan overeenstemming, op verzoek van de meest gerede partij door de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg van de plaats waar de meerderheid van de ontginningspercelen is gelegen. De deskundigen houden in dit geval bij de raming rekening met de reeds betaalde vergoedingen. Ingeval partijen het niet eens zijn over de raming van de deskundige, beslist de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg op verzoek van de meest gerede partij.