Technisch reglement distributie elektriciteit - 2012
Technisch reglement distributie elektriciteit - Vlaams Gewest - 15 mei 2012

Deel I.
Algemene bepalingen


Hoofdstuk I.1.
Algemene beginselen


Afdeling I.1.1.
Toepassingsgebied en definities


Art. I.1.1.1.

§ 1

Het Technisch Reglement voor de Distributie van Elektriciteit in het Vlaamse Gewest (hierna “Technisch Reglement Distributie Elektriciteit” te noemen) bevat de voorschriften en regels voor het beheer van en de toegang tot de elektriciteitsdistributienetten en de gesloten distributienetten voor elektriciteit, gelegen in het Vlaamse Gewest, vermeld in artikel 4.2.1 van het Energiedecreet.

§ 2

Het Technisch Reglement Distributie Elektriciteit omvat naast dit deel I, Algemene Bepalingen, de Planningscode (Deel II), de Aansluitingscode (Deel III), de Toegangscode (Deel IV), de Meetcode (Deel V), de Samenwerkingscode (Deel VI) en de bijlagen.

Art. I.1.1.2.
De VREG publiceert het Technisch Reglement Distributie Elektriciteit en is verantwoordelijk voor de controle op de toepassing ervan.

Art. I.1.1.3.
De begrippen die in dit Technisch Reglement Distributie Elektriciteit worden gebruikt, zijn te begrijpen volgens de definitie die er wordt aan gegeven in de Vlaamse energiewetgeving, of bij gebreke hieraan, volgens de definitie ervan, opgenomen in de begrippenlijst, die als bijlage I bij dit reglement is gevoegd.

Art. I.1.1.4.
Behoudens andersluidende bepalingen, lopen de termijnen, vermeld in het Technisch Reglement Distributie Elektriciteit, van middernacht tot middernacht. Ze vangen aan op de werkdag, die volgt op de dag van de ontvangst van de kennisgeving, of, bij gebrek aan een kennisgeving, de dag van de kennisname van de gebeurtenis die aanleiding geeft tot de loop van een termijn.
De ontvangst van de kennisgeving wordt vermoed te vallen op de derde werkdag na de kennisgeving, behoudens tegenbewijs van kortere termijn.
Vastgelegde reactietijden in processen starten op de datum vermeld in het acceptatiebericht van de beheerder van de toegangspunten. De reactietijd voor een acceptatiebericht is 48 uur.

Afdeling I.1.2.
Taken en verplichtingen van de elektriciteitsdistributienetbeheerder


Art. I.1.2.1.

§ 1

In het gebied waarvoor hij is aangewezen voert de elektriciteitsdistributienetbeheerder de taken en verplichtingen uit die hem worden opgedragen krachtens de Vlaamse energiewetgeving, de bijbehorende uitvoeringsbesluiten en dit Technisch Reglement Distributie Elektriciteit.

§ 2

De elektriciteitsdistributienetbeheerder stelt al wat redelijkerwijs binnen zijn mogelijkheden ligt in het werk om onderbrekingen van de toegang tot het elektriciteitsdistributienet te voorkomen, of indien een onderbreking optreedt, die zo snel mogelijk te verhelpen.

§ 3

De elektriciteitsdistributienetbeheerder verbindt zich ertoe om alle redelijke middelen die van hem verwacht kunnen worden ter beschikking te stellen opdat de geleverde spanning op een aansluitingspunt voldoet aan de bepalingen van de norm NBN EN 50160 “Spanningskarakteristieken in openbare elektriciteitsnetten”.

Art. I.1.2.2.

§ 1

De elektriciteitsdistributienetbeheerder organiseert zich op een dergelijke wijze dat hij alle klachten van zijn elektriciteitsdistributienetgebruikers registreert en verwerkt. Klachten kunnen schriftelijk per brief, via e-mail of via de website van de elektriciteitsdistributienetbeheerder worden ingediend. Van elke klacht registreert de elektriciteitsdistributienetbeheerder de datum van ontvangst en het onderwerp.

§ 2

De elektriciteitsdistributienetbeheerder bevestigt de ontvangst van elke schriftelijke klacht van de elektriciteitsdistributienetgebruiker binnen tien werkdagen per brief of via e-mail.

§ 3

De elektriciteitsdistributienetbeheerder behandelt verder de klacht in overeenstemming met de wetgeving of reglementering ter zake, zoals daar zijn: dit Technisch Reglement Distributie Elektriciteit en het aansluitingsreglement of aansluitingscontract.

Art. I.1.2.3.

§ 1

De elektriciteitsdistributienetbeheerder zendt jaarlijks vóór 1 april een verslag aan de VREG, waarin hij de kwaliteit van zijn dienstverlening in het voorgaande kalenderjaar beschrijft.

§ 2

Dat verslag wordt opgesteld volgens het rapporteringsmodel, gepubliceerd door de VREG.

Hoofdstuk I.2.
Informatie-uitwisseling en confidentialiteit bij het beheer van het elektriciteitsdistributienet


Afdeling I.2.1.
Machtiging aan derde partijen


Art. I.2.1.1.
Een elektriciteitsdistributienetgebruiker kan steeds een derde partij, zoals zijn leverancier(s) of evenwichtsverantwoordelijke(n) mandateren voor zijn contacten en communicatie met de elektriciteitsdistributienetbeheerder in het kader van een of meer procedures, beschreven in dit Technisch Reglement Distributie Elektriciteit. Die partij moet steeds kunnen aantonen dat hij hiertoe gemachtigd werd door de elektriciteitsdistributienetgebruiker. De communicatie die de elektriciteitsdistributienetbeheerder in dat geval zou doen naar de elektriciteitsdistributienetgebruiker, wordt dan ook gericht aan de gemandateerde derde partij. Als de derde partij daartoe op correcte wijze is gemachtigd, worden ook gerelateerde kosten voor de prestaties van de elektriciteitsdistributienetbeheerder verrekend via de gemandateerde partij.

Afdeling I.2.2.
Informatie-uitwisseling


Art. I.2.2.1.

§ 1

Behoudens een andersluidende bepaling moet elke kennisgeving ter uitvoering van dit Technisch Reglement Distributie Elektriciteit, schriftelijk gebeuren, overeenkomstig de formaliteiten en voorwaarden vastgesteld in artikel 2281 van het Burgerlijk Wetboek, waarbij de afzender en de geadresseerde eenduidig kunnen worden geïdentificeerd. Behoudens een andersluidende bepaling bepaalt de elektriciteitsdistributienetbeheerder de inhoudelijke vorm van de documenten waarin die gegevens uitgewisseld moeten worden.

§ 2

In geval van hoogdringendheid mogen gegevens mondeling worden uitgewisseld. In elk geval moeten dergelijke gegevens zo spoedig mogelijk overeenkomstig §1 van dit artikel worden bevestigd.

Art. I.2.2.2.

§ 1

De elektriciteitsdistributienetbeheerders en de leveranciers communiceren met betrekking tot de status, de stamgegevens en de meetgegevens van een toegangspunt, de allocatie- en reconciliatiegegevens, de foutenafhandeling en de nettarieffacturatiegegevens volgens een protocol dat in overleg werd opgesteld en waarvan de vorm, inhoud en timing worden beschreven in een handleiding (Utility Market Implementation Guide of UMIG). De elektriciteitsdistributienetbeheerders en de leveranciers stellen gezamenlijk een partij aan die belast is met het opstellen van die handleiding. Deze wordt onverwijld na de goedkeuring ervan door de marktpartijen ter kennis en ter commentaar overgemaakt aan de VREG.

§ 2

De elektriciteitsdistributienetbeheerders en de leveranciers stellen gezamenlijk een partij aan die belast is met het versiebeheer van het protocol, vermeld in Artikel I.1.2.2§1, en de certificatie voor het gebruik van de daarin beschreven berichten. Die partij krijgt eveneens de taak om centraal de gegevensuitwisseling in de vrijgemaakte energiemarkt op een onafhankelijke en transparante manier te monitoren.

§ 3

Behalve indien wettelijk of reglementair anders is bepaald, worden de gegevens die tussen de verschillende betrokken partijen zullen worden uitgewisseld en die vermeld staan in de gemeenschappelijke handleiding UMIG, geleverd via een beveiligd elektronisch systeem met centrale postbus of via een gelijkwaardig systeem dat voldoende transparantie en traceerbaarheid biedt aan haar gebruikers, volgens het protocol vermeld in §1.

§ 4

In afwijking van §1 kan de elektriciteitsdistributienetbeheerder een ander protocol opleggen voor de communicatie met de elektriciteitsdistributienetgebruikers, leveranciers en evenwichtsverantwoordelijken, indien hij tevens het beheer van het transmissienet waarneemt.

§ 5

Het protocol voor de onderlinge communicatie tussen de netbeheerders wordt vastgelegd in de samenwerkingsovereenkomst zoals vermeld in Artikel VI.2.1.10.

Art. I.2.2.3.
Met inachtname van de wettelijke en reglementaire bepalingen moet de elektriciteitsdistributienetbeheerder technische en organisatorische maatregelen uitwerken met betrekking tot de uit te wisselen gegevens om de confidentialiteit zoals bepaald in Afdeling I.2.3 te waarborgen.

Art. I.2.2.4.

§ 1

Tabel 1 in bijlage II: “Gegevenslijst” bevat de lijst van gegevens die de elektriciteitsdistributienetbeheerder kan opvragen bij de elektriciteitsdistributienetgebruikers en de toegangshouders die over een aansluiting op hoogspanning beschikken. Die gegevenslijst is niet beperkend. De elektriciteitsdistributienetbeheerder kan op elk moment aanvullende gegevens vragen die hij nodig acht met het oog op de veiligheid, de betrouwbaarheid en de efficiëntie van het elektriciteitsdistributienet.

§ 2

De elektriciteitsdistributienetgebruiker met een hoogspanningsaansluiting of zijn toegangshouder brengt de elektriciteitsdistributienetbeheerder onverwijld op de hoogte van elke wijziging van zijn installaties voor zover die een aanpassing van de eerder meegedeelde gegevens vereist.

Art. I.2.2.5.
Bij afwezigheid van uitdrukkelijke bepalingen daarover in het Technisch Reglement Distributie Elektriciteit zetten de elektriciteitsdistributienetbeheerders, de elektriciteitsdistributienetgebruikers en de toegangshouders zich in om zo spoedig mogelijk de noodzakelijke informatie overeenkomstig dit Technisch Reglement Distributie Elektriciteit mee te delen.

Afdeling I.2.3.
Confidentialiteit


Art. I.2.3.1.
Als vertrouwelijke gegevens worden minimaal volgende gegevens beschouwd:
de gegevens opgenomen in het Toegangsregister, zoals bedoeld in Artikel IV.2.1.3, behalve waar de toepassing van Artikel IV.2.1.8§1 dit vereist;
de aanvragen tot aansluiting op het net;
de gegevens bekomen in het kader van de procedure zoals bedoeld in Artikel IV.2.2.7;
de meetgegevens, zoals bedoeld in Artikel V.3.4.1;
de financiële situatie van de betrokken afnemer.

Art. I.2.3.2.
Naast bovenstaande gegevens die zeker en vast als vertrouwelijk dienen behandeld te worden geldt dat wie informatie meedeelt, bepaalt wat commercieel gevoelige of vertrouwelijke informatie is.

Art. I.2.3.3.
De mededeling aan derden van commercieel gevoelige of vertrouwelijke informatie door de geadresseerde van die informatie, is niet toegestaan, behalve als aan minstens één van de onderstaande voorwaarden voldaan is.
De mededeling is vereist in het kader van een gerechtsprocedure of is opgelegd door de overheid.
De wettelijke of reglementaire bepalingen betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt leggen de bekendmaking of mededeling van de desbetreffende gegevens op.
Er is een schriftelijk akkoord van diegene van wie de commercieel gevoelige of vertrouwelijke informatie uitgaat.
Het beheer van het elektriciteitsdistributienet of het overleg met andere netbeheerders vereist de mededeling door de elektriciteitsdistributienetbeheerder.
De informatie is gewoon toegankelijk of publiek beschikbaar.
Als een derde onder de voorwaarden vermeld in punt 2, 3 en 4, commercieel gevoelige of vertrouwelijke informatie heeft ontvangen, zal de geadresseerde aan die derde, onverminderd toepasselijke wettelijke en reglementaire bepalingen, dezelfde graad van confidentialiteit opleggen als die waaronder de oorspronkelijke communicatie gebeurde.

Afdeling I.2.4.
Publieke informatie


Art. I.2.4.1.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder stelt de volgende informatie ter beschikking van het publiek:
1
de modelcontracten en reglementen voor aansluiting op en toegang tot het elektriciteitsdistributienet, vermeld in dit Technisch Reglement Distributie Elektriciteit;
2
de procedures die van toepassing zijn en waarnaar in dit Technisch Reglement Distributie Elektriciteit wordt verwezen;
3
de formulieren die vereist zijn voor de gegevensuitwisseling overeenkomstig dit Technisch Reglement Distributie Elektriciteit;
4
de elektriciteitsdistributienettarieven en tarief periodes. Die informatie wordt minstens op eenvoudige aanvraag ter beschikking gesteld. Die documenten en formulieren moeten geraadpleegd kunnen worden op de website van de elektriciteitsdistributienetbeheerder.

Hoofdstuk I.3.
Modelcontracten, reglementen, procedures en formulieren van elektriciteitsdistributienetbeheerders


Art. I.3.1.1.
De elektriciteitsdistributienetbeheerders plegen overleg met als doel de coördinatie te verzorgen bij het opstellen van modelcontracten, reglementen, technische voorschriften, procedures en formulieren in het kader van dit Technisch Reglement Distributie Elektriciteit.

Art. I.3.1.2.
Behoudens andersluidende bepaling in de Vlaamse energiewetgeving of in dit Technisch Reglement Distributie Elektriciteit treden modelcontracten, reglementen, technisch voorschriften, procedures en formulieren die door de netbeheerders of marktpartijen zijn opgesteld in uitvoering van dit Technisch Reglement Distributie Elektriciteit alsook alle wijzigingen die eraan worden aangebracht, pas in werking indien ze twee maanden voor hun inwerkingtreding ter kennis en commentaar werden overgemaakt aan de VREG.

Hoofdstuk I.4.
Toegankelijkheid van de installaties bij elektriciteitsdistributienetten


Afdeling I.4.1.
Toegankelijkheid van de installaties van de elektriciteitsdistributienetbeheerder


Art. I.4.1.1.

§ 1

De toegang tot elk roerend of onroerend goed waarvan de elektriciteitsdistributienetbeheerder het eigendoms- of gebruiksrecht heeft, gebeurt te allen tijde overeenkomstig de toegangsprocedures en veiligheidsvoorschriften van de elektriciteitsdistributienetbeheerder en na zijn uitdrukkelijk akkoord.

§ 2

Met inachtname van (grond)wettelijke bepalingen, heeft de elektriciteitsdistributienetbeheerder het recht op toegang tot alle installaties waarvan hij het eigendoms- of gebruiksrecht heeft en die zich bevinden in de inrichting van de elektriciteitsdistributienetgebruiker. De elektriciteitsdistributienetgebruiker zorgt voor een permanente toegang voor de elektriciteitsdistributienetbeheerder of verschaft hem die onmiddellijk op eenvoudig mondeling verzoek na behoorlijke legitimatie.

§ 3

Als de toegang tot een roerend of onroerend goed van de elektriciteitsdistributienetgebruiker onderworpen is aan specifieke toegangsprocedures en veiligheidsvoorschriften van de elektriciteitsdistributienetgebruiker, moet hij die vooraf schriftelijk aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder meedelen. Zo niet volgt de elektriciteitsdistributienetbeheerder zijn eigen veiligheidsvoorschriften.

Afdeling I.4.2.
Toegankelijkheid van de installaties van de elektriciteitsdistributienetgebruiker


Art. I.4.2.1.

§ 1

De elektriciteitsdistributienetbeheerder bepaalt welke installaties waarvan de elektriciteitsdistributienetgebruiker het eigendoms- of gebruiksrecht heeft, functioneel deel uitmaken van het elektriciteitsdistributienet en welke installaties van de elektriciteitsdistributienetgebruiker een niet-verwaarloosbare invloed hebben op het functioneren van het elektriciteitsdistributienet, de aansluiting(en) of de installaties van een andere elektriciteitsdistributienetgebruiker. Die bepalingen worden opgenomen in het aansluitingscontract of in een bijlage bij het aansluitingscontract.

§ 2

Met inachtname van (grond)wettelijke bepalingen, heeft de elektriciteitsdistributienetbeheerder het recht op toegang tot de installaties, vermeld in Artikel I.1.2.1§1, om er inspecties, testen of proeven uit te voeren. De elektriciteitsdistributienetbeheerder heeft tevens het recht om exploitatiehandelingen uit te voeren op functionele delen. De elektriciteitsdistributienetgebruiker zorgt voor een permanente toegang voor de elektriciteitsdistributienetbeheerder of verschaft hem die onmiddellijk op eenvoudig mondeling verzoek.

§ 3

Voor elke exploitatiehandeling op functionele delen en inspectie, test of proef, als vermeld in §2, moet de elektriciteitsdistributienetgebruiker de elektriciteitsdistributienetbeheerder schriftelijk op de hoogte brengen van de toepasselijke veiligheidsvoorschriften. Zo niet volgt de elektriciteitsdistributienetbeheerder zijn eigen veiligheidsvoorschriften.

Afdeling I.4.3.
Werken op het elektriciteitsdistributienet of op de installaties van de elektriciteitsdistributienetgebruiker


Art. I.4.3.1.

§ 1

Als een installatie waarvan de elektriciteitsdistributienetgebruiker het eigendoms- of gebruiksrecht heeft, de veiligheid of de betrouwbaarheid van het elektriciteitsdistributienet in het gedrang brengt, stelt de elektriciteitsdistributienetbeheerder de elektriciteitsdistributienetgebruiker in gebreke bij aangetekende brief. De ingebrekestelling beschrijft de door de elektriciteitsdistributienetgebruiker te nemen maatregelen, de motivatie hiervoor en de termijn voor uitvoering. Ingeval de elektriciteitsdistributienetgebruiker binnen de termijn die in de ingebrekestelling is vastgelegd, de te nemen maatregelen niet heeft genomen, heeft de elektriciteitsdistributienetbeheerder het recht de nodige maatregelen te nemen op kosten van de elektriciteitsdistributienetgebruiker of hem de toegang tot het elektriciteitsdistributienet te ontzeggen. De bepalingen van Afdeling I.4.2 zijn van toepassing.

§ 2

Als de elektriciteitsdistributienetbeheerder van oordeel is dat een aanpassing van de installaties waarvan de elektriciteitsdistributienetgebruiker het eigendoms- of gebruiksrecht heeft, noodzakelijk is voor de efficiëntie van het elektriciteitsdistributienet, heeft hij het recht om die aanpassingen op te leggen, na overleg met de elektriciteitsdistributienetgebruiker over de werkzaamheden en hun termijn van uitvoering en op voorwaarde dat de elektriciteitsdistributienetbeheerder de gemaakte kosten vergoedt.

Art. I.4.3.2.
De werkzaamheden, met inbegrip van de inspecties, testen of proeven, moeten worden uitgevoerd conform de bepalingen van dit Technisch Reglement Distributie Elektriciteit en de contracten en reglementen, vermeld in dit Technisch Reglement Distributie Elektriciteit.

Art. I.4.3.3.

§ 1

Onverminderd Artikel III.5.3.12 zijn bij wijziging aan het elektriciteitsdistributienet, behoudens anders vermeld in het aansluitingscontract, de kosten voor de vervanging van de aansluiting, die conform is aan het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties (AREI), door een standaardaansluiting met het zelfde aansluitingsvermogen voor rekening van de elektriciteitsdistributienetbeheerder.

§ 2

Bij wijziging aan het laagspanningselektriciteitsdistributienet zijn de kosten voor aanpassingen van zowel de aansluiting als die delen van de installatie van de elektriciteitsdistributienetgebruiker, die conform zijn aan het Algemeen Reglement op de Elektrische Installaties (AREI), voor rekening van de elektriciteitsdistributienetbeheerder.

Hoofdstuk I.5.
Noodsituatie en overmacht


Afdeling I.5.1.
Definitie van noodsituatie


Art. I.5.1.1.
In dit Technisch Reglement Distributie Elektriciteit wordt een noodsituatie als volgt gedefinieerd:
1
de situatie die voortvloeit uit overmacht en als gevolg waarvan uitzonderlijke en tijdelijke maatregelen genomen moeten worden om aan de gevolgen van de overmacht het hoofd te kunnen bieden en zo de veilige en betrouwbare werking van het elektriciteitsdistributienet of gesloten distributienet voor elektriciteit te kunnen vrijwaren of herstellen of om verdere schade te voorkomen;
2
een situatie die voortvloeit uit een gebeurtenis die, hoewel ze volgens de huidige stand van rechtspraak en rechtsleer niet als overmacht kan worden aangeduid, naar het inzicht van de bevoegde overheid het opleggen vereist, door die overheid, van uitzonderlijke en tijdelijke maatregelen aan elektriciteitsdistributienetbeheerders, elektriciteitsdistributienetgebruikers of toegangshouders om de veilige en betrouwbare werking van het elektriciteitsdistributienet of gesloten distributienet voor elektriciteit te kunnen vrijwaren of herstellen of om verdere schade te voorkomen;
3
een situatie die voortvloeit uit een gebeurtenis die, hoewel ze volgens de huidige stand van rechtspraak en rechtsleer niet als overmacht kan worden aangeduid, naar het inzicht van de overheid, de reguleringsinstanties, het gerecht, de beheerder van het elektriciteitsdistributienet of gesloten distributienet voor elektriciteit, de gebruiker van het elektriciteitsdistributienet of het gesloten distributienet voor elektriciteit of een toegangshouder, het nemen van uitzonderlijke en tijdelijke maatregelen door de elektriciteitsdistributienetbeheerder vereist om de veilige en betrouwbare werking van het elektriciteitsdistributienet te kunnen vrijwaren of herstellen, of om verdere schade te voorkomen.

Afdeling I.5.2.
Definitie van overmacht


Art. I.5.2.1.
Overmacht is elke onvermijdbare, onvoorzienbare en onafwendbare gebeurtenis, zoals, onder meer, volgende situaties:
1
natuurrampen, met inbegrip van aardbevingen, overstromingen, stormen, cyclonen of andere uitzonderlijke klimatologische omstandigheden;
2
een nucleaire of chemische explosie en de gevolgen ervan;
3
een onvoorziene onbeschikbaarheid om andere redenen dan ouderdom, het gebrek aan onderhoud van de installaties of de gekwalificeerdheid van de operatoren, met inbegrip van een computercrash, al dan niet veroorzaakt door een computervirus, op voorwaarde dat alle preventieve maatregelen genomen zijn die technisch en economisch haalbaar zijn;
4
de tijdelijke of voortdurende technische onmogelijkheid om via het elektriciteitsdistributienet elektriciteit uit te wisselen door storingen binnen de regelzone, veroorzaakt door elektriciteitsstromen die het resultaat zijn van energieuitwisselingen binnen een andere regelzone of tussen twee of meer andere regelzones, en waarbij de identiteit van de marktdeelnemers die bij die uitwisselingen betrokken zijn, niet bekend is en redelijkerwijs niet bekend kan zijn door bij de elektriciteitsdistributienetbeheerder;
5
brand, explosie, sabotage, terroristische daden, daden van vandalisme, schade veroorzaakt door criminele daden, en bedreigingen van dezelfde aard.

Afdeling I.5.3.
Ingrijpen van de beheerder van het elektriciteitsdistributienet of gesloten distributienet voor elektriciteit


Art. I.5.3.1.

§ 1

De beheerder van het elektriciteitsdistributienet of gesloten distributienet voor elektriciteit is bevoegd alle handelingen te stellen die hij nodig acht met het oog op de veiligheid en de betrouwbaarheid van het elektriciteitsdistributienet of gesloten distributienet voor elektriciteit in geval van een noodsituatie als vermeld in Afdeling I.5.1.

§ 2

De handelingen die de beheerder van het elektriciteitsdistributienet of gesloten distributienet voor elektriciteit bij een noodsituatie oplegt met betrekking tot de elektrische installaties aangesloten op zijn elektriciteitsdistributienet, verbinden alle betrokken personen.

§ 3

Als een noodsituatie gelijktijdig betrekking heeft op het transmissienet en één of meer elektriciteitsdistributienetten, moeten de maatregelen tussen de beheerders van deze netten onderling worden gecoördineerd.

§ 4

De handelingen van de beheerder van het gesloten distributienet voor elektriciteit volgens §1 zijn in overeenstemming met deze die werden of worden uitgevoerd door de beheerder van het gekoppelde net.

Afdeling I.5.4.
Opschorting van de verplichtingen


Art. I.5.4.1.

§ 1

In geval van een noodsituatie wordt de uitvoering van de taken en verplichtingen die voortvloeien uit dit Technisch Reglement Distributie Elektriciteit en uit de contracten en de reglementen die erin vermeld staan, geheel of gedeeltelijk opgeschort in hoofde van degene die er zich op beroept, in de mate dat de uitvoering van die taken onmogelijk is geworden en beperkt tot de duur van de noodsituatie.

§ 2

De verplichtingen van geldelijke aard, ontstaan vóór de noodsituatie, moeten uitgevoerd worden.

Art. I.5.4.2.

§ 1

De partij die zich op de noodsituatie beroept, doet alle redelijke inspanningen om: 1 de gevolgen van de niet-uitvoering van haar verplichtingen te beperken; haar opgeschorte verplichtingen zo snel mogelijk opnieuw te vervullen.

§ 2

De partij die haar verplichtingen opschort, brengt zo snel mogelijk alle betrokken partijen op de hoogte van de redenen waarom ze haar verplichtingen geheel of gedeeltelijk opschort en welke de voorzienbare termijn van de noodsituatie zal zijn. In afwijking van Artikel I.2.2.1 kan deze mededeling ook via de media worden gedaan.

Hoofdstuk I.6.
Bepalingen met betrekking tot het beheer van gesloten distributienetten voor elektriciteit


Afdeling I.6.1.
Algemene beginselen


Art. I.6.1.1.
Voor het net waarvoor hij is aangewezen, voert de beheerder van het gesloten distributienet voor elektriciteit de taken en verplichtingen uit die hem worden opgedragen krachtens de Vlaamse energiewetgeving, de bijbehorende uitvoeringsbesluiten en dit Technisch Reglement Distributie Elektriciteit.

Art. I.6.1.2.
De beheerder van het gesloten distributienet voor elektriciteit stelt al wat redelijkerwijs binnen zijn mogelijkheden ligt in het werk om onderbrekingen van de toegang tot zijn net te voorkomen, of indien een onderbreking optreedt, die zo snel mogelijk te verhelpen.

Art. I.6.1.3.
De beheerder van het gesloten distributienet voor elektriciteit komt alle verplichtingen na die hem opgelegd worden krachtens de geldende wetgeving en reglementering, in het bijzonder die welke betrekking hebben op de veiligheidsmaatregelen bij de oprichting en de exploitatie van installaties voor de distributie van elektriciteit door middel van leidingen.

Art. I.6.1.4.
De beheerder van het gesloten distributienet voor elektriciteit is voor zijn net verantwoordelijk voor de opmaak van voorschriften, procedures, modelcontracten en formulieren. Hij maakt ze bekend aan een achterliggende netgebruiker, producent, leverancier, evenwichtsverantwoordelijke of de VREG indien deze er om verzoekt.

Afdeling I.6.2.
Informatie-uitwisseling


Art. I.6.2.1.

§ 1

De beheerder van het gesloten distributienet voor elektriciteit voorziet in een systeem van informatie-uitwisseling met andere partijen dat transparant en toegankelijk is. Wat betreft de informatiestromen en de termijnen voor de communicatie met de toegangshouders, de evenwichtsverantwoordelijken en de beheerders van de gekoppelde netten, respecteert de beheerder van het gesloten distributienet voor elektriciteit de afspraken zoals verwoord in de UMIG-handleiding, waarbij hij voor zijn gebied de rol van elektriciteitsdistributienetbeheerder overneemt.

§ 2

In afwijking van §1 kan de beheerder van het transmissienet aan de beheerder van het gesloten distributienet voor elektriciteit een ander marktconform protocol voor hun onderlinge communicatie opleggen.

Afdeling I.6.3.
Confidentialiteit


Art. I.6.3.1.
Met inachtname van de wettelijke en reglementaire bepalingen moet de beheerder van het gesloten distributienet voor elektriciteit technische en organisatorische maatregelen uitwerken met betrekking tot de met andere partijen uit te wisselen gegevens om de confidentialiteit te waarborgen.

Deel II.
Planningscode


Hoofdstuk II.1.
Investeringsplan van de elektriciteitsdistributienetbeheerder


Afdeling II.1.1.
Inhoud en planningshorizon


Art. II.1.1.1.

§ 1

De elektriciteitsdistributienetbeheerder stelt een investeringsplan op, op basis van de gegevens in deze Planningscode (Deel II). Het investeringsplan dekt een periode van drie jaar. Het plan wordt om het jaar aangepast voor de volgende drie jaar en vóór 1 juli aan de VREG meegedeeld.

§ 2

Het investeringsplan wordt opgesteld volgens het rapporteringsmodel gepubliceerd door de VREG. Het wordt in twee exemplaren ingediend.

Art. II.1.1.2.
Het investeringsplan omvat een gedetailleerde raming van de nodige behoeften aan distributiecapaciteit, met aanduiding van de onderliggende hypothesen, en vermeldt het investeringsprogramma (programma van aanleg van nieuwe elektriciteitsdistributienetten en elektriciteitsdistributienetversterkingen, programma van het ondergronds brengen van verbindingen enzovoort) dat de elektriciteitsdistributienetbeheerder vooropstelt om die behoeften te kunnen dekken.

Art. II.1.1.3.
Minstens eenmaal per jaar pleegt de elektriciteitsdistributienetbeheerder overleg met de beheerders van de met zijn net gekoppelde netten over de geplande investeringen in zijn elektriciteitsdistributienet met inbegrip van de ontwikkelingen van decentrale productie en de daaruit voortvloeiende knelpunten.

Art. II.1.1.4.
De VREG analyseert de investeringsplannen en beoordeelt of de elektriciteitsdistributienetbeheerder het nodige doet om te voldoen aan de taak, opgenomen in artikel 4.1.6. 2°, van het Energiedecreet, namelijk het aanhouden van voldoende capaciteit voor de distributie van elektriciteit op zijn elektriciteitsdistributienet. De VREG bezorgt zijn conclusies aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder en de CREG.

Hoofdstuk II.2.
Planningsgegevens voor het elektriciteitsdistributienet


Afdeling II.2.1.
Algemeen


Art. II.2.1.1.
De planningsgegevens omvatten de gegevens, opgenomen in bijlage II: “Gegevenslijst” van dit Technisch Reglement Distributie Elektriciteit, aangeduid met de afkorting “P” of met “Alle” in de kolom “Doel”.

Art. II.2.1.2.
De elektriciteitsdistributienetgebruiker of, indien van toepassing, de toegangshouder, is ertoe gehouden de planningsgegevens overeenkomstig deze Planningscode (Deel II) aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder te bezorgen volgens zijn best mogelijke inschatting en volgens de procedure die de elektriciteitsdistributienetbeheerders gemeenschappelijk bepalen.

Afdeling II.2.2.
Kennisgeving


Art. II.2.2.1.
Op schriftelijk verzoek van de elektriciteitsdistributienetbeheerder brengt de elektriciteitsdistributienetgebruiker op een toegangspunt met een aansluitingsvermogen groter dan 1000 kVA elk jaar vóór 1 april van het lopende jaar, de elektriciteitsdistributienetbeheerder op de hoogte van de volgende planningsgegevens die betrekking hebben op de periode in het investeringsplan, vermeld in Afdeling II.1.1:
1
de vooruitzichten over het maximaal af te nemen vermogen (kW, kVAr) op jaarbasis, met aanduiding van de verwachte trendbreuken;
2
de beschrijving van het jaarlijkse verbruiksprofïel van het af te nemen actief vermogen.

Art. II.2.2.2.
Op schriftelijk verzoek van de elektriciteitsdistributienetbeheerder brengt de elektriciteitsdistributienetgebruiker waarvan de installaties productie-eenheden omvatten of zullen omvatten met een totaal netto ontwikkelbaar vermogen per injectiepunt van minstens 400 kVA, elk jaar vóór 1 april van het lopende jaar, de elektriciteitsdistributienetbeheerder op de hoogte van de volgende planningsgegevens die betrekking hebben op de periode in het investeringsplan, vermeld in Afdeling II.1.1:
1
het maximaal netto ontwikkelbaar vermogen, de beschrijving van het verwachte productieprofiel, de technische gegevens, de operationele grenzen en het regelgedrag van de diverse in dienst genomen productie-eenheden;
2
het maximaal netto ontwikkelbaar vermogen, de beschrijving van het verwachte productieprofiel, de technische gegevens, de operationele grenzen en het regelgedrag van de diverse in dienst te nemen productie-eenheden;
3
de productie-eenheden die uit dienst zullen worden genomen en de geplande datum van de buitendienststelling.

Art. II.2.2.3.
Voor de elektriciteitsdistributienetgebruikers op toegangspunten die niet vermeld zijn in Artikel II.2.2.1 of Artikel II.2.2.2, brengt de toegangshouder voor het geheel van dergelijke toegangspunten waarop hij toegang tot het elektriciteitsdistributienet heeft, elk jaar vóór 1 april van het lopende jaar de elektriciteitsdistributienetbeheerder op diens schriftelijk verzoek op de hoogte van de volgende planningsgegevens die betrekking hebben op de periode in het investeringsplan, vermeld in Afdeling II.1.1:
1
de vooruitzichten over het maximaal af te nemen of te injecteren vermogen (kW, kVAr) op jaarbasis, met aanduiding van de verwachte trendbreuken;
2
de beschrijving van het jaarlijkse verbruiksprofiel van het af te nemen actief vermogen.

Art. II.2.2.4.
De kennisgeving van de planningsgegevens vermeld in Artikel II.2.2.1, Artikel II.2.2.2 en Artikel II.2.2.3 gebeurt volgens de tabel voorzien in Bijlage II: “Gegevenslijst” van het Technisch Reglement Distributie Elektriciteit. De elektriciteitsdistributienetbeheerders bepalen in onderling overleg de minimale vereisten met betrekking tot de vorm waarin deze gegevens worden overgedragen.

Art. II.2.2.5.
De elektriciteitsdistributienetgebruiker met een hoogspanningsaansluiting informeert zo spoedig mogelijk de elektriciteitsdistributienetbeheerder over elke wijziging of verwachte wijziging van de gegevens die bezorgd werden.

Art. II.2.2.6.
De plicht tot kennisgeving van de planningsgegevens, vermeld in Artikel II.2.2.1 en Artikel II.2.2.2, geldt eveneens voor de toekomstige elektriciteitsdistributienetgebruikers bij het indienen van hun aanvraag tot aansluiting, met dien verstande dat ze die planningsgegevens ook voor het lopende jaar moeten verstrekken.

Art. II.2.2.7.

§ 1

Als de elektriciteitsdistributienetbeheerder van oordeel is dat de kennisgeving van de planningsgegevens onvolledig, onnauwkeurig of onredelijk is, geeft de elektriciteitsdistributienetgebruiker of de toegangshouder op verzoek van de elektriciteitsdistributienetbeheerder alle verbeteringen of aanvullende gegevens die de elektriciteitsdistributienetbeheerder nuttig acht.

§ 2

De elektriciteitsdistributienetbeheerder kan, indien hij dat nodig acht om zijn opdracht tot een goed einde te brengen en na motivering, aanvullende gegevens, die niet in dit Technisch Reglement Distributie Elektriciteit zijn opgenomen, opvragen bij de elektriciteitsdistributienetgebruiker of de toegangshouder.

§ 3

Na raadpleging van de elektriciteitsdistributienetgebruiker of de toegangshouder bepaalt de elektriciteitsdistributienetbeheerder de redelijke termijn waarbinnen de gegevens, vermeld in §1 en §2, bezorgd moeten worden door de elektriciteitsdistributienetgebruiker of de toegangshouder aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder.

Art. II.2.2.8.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder informeert minstens eenmaal per jaar de transmissienetbeheerder en de beheerders van de elektriciteitsdistributienetten die met zijn net gekoppeld zijn, over de ontwikkeling van de planningsgegevens, vermeld in Artikel II.2.2.1 en Artikel II.2.2.2. De netbeheerders komen onderling de vorm en de inhoud overeen van de gegevens die zij wederzijds moeten uitwisselen voor het opstellen van het investeringsplan, alsook de te respecteren termijnen.

Art. II.2.2.9.
De beheerder van een elektriciteitsdistributienet dat gekoppeld is aan een gesloten distributienet voor elektriciteit, bepaalt op welke wijze de beheerder van het gesloten distributienet gegevens dient aan te leveren in het kader van de opmaak van het investeringsplan. De afspraken worden opgenomen in de overeenkomst vermeld in artikel VI.3.1.2, §2.

Deel III.
Aansluitingscode


Hoofdstuk III.1.
Algemene bepalingen


Art. III.1.1.1.

§ 1

In de Aansluitingscode (Deel III) worden voorschriften opgelegd met betrekking tot:
de aansluiting;
de installaties van de elektriciteitsdistributienetgebruiker die een niet-verwaarloosbare invloed hebben op het functioneren van het elektriciteitsdistributienet, de aansluiting(en) of de installaties van een andere elektriciteitsdistributienetgebruiker.

§ 2

Behoudens de bepalingen van Artikel III.5.3.13 moeten alle aansluitingen op de elektriciteitsdistributienetten voldoen aan de bepalingen van het Technisch Reglement Distributie Elektriciteit.

Hoofdstuk III.2.
Een aansluiting op het elektriciteitsdistributienet


Art. III.2.1.1.
Een aansluiting op het elektriciteitsdistributienet bestaat uit verschillende onderdelen, zoals aangegeven in de schema's van de technische voorschriften vervat in C1-117, die door de netbeheerders zijn opgesteld, door de VREG zijn goedgekeurd, en gepubliceerd worden op de website van de elektriciteitsdistributienetbeheerders. Ook elke wijziging aan deze voorschriften wordt pas van kracht na goedkeuring door de VREG. De verdeling van eigendomsrechten en exploitatie- en onderhoudsplichten tussen elektriciteitsdistributienetgebruiker en elektriciteitsdistributienetbeheerder worden eenduidig opgegeven in de schema's. Deze schema's zijn van toepassing op nieuwe installaties. Voor bestaande installaties gelden deze schema's enkel bij gebrek aan andersluidende bepalingen.

Art. III.2.1.2.
Voor aansluitingen op het hoogspanningsnet kan afgeweken worden van de schema's voor zover de verdeling van eigendomsrechten en exploitatie- en onderhoudsplichten tussen elektriciteitsdistributienetgebruiker en elektriciteitsdistributienetbeheerder dan in het aansluitingscontract wordt bepaald.

Hoofdstuk III.3.
Aanvraag van een aansluiting op het elektriciteitsdistributienet


Afdeling III.3.1.
Algemene bepalingen


Art. III.3.1.1.

§ 1

De elektriciteitsdistributienetbeheerder bouwt zijn elektriciteitsdistributienet uit opdat aan de vraag voor nieuwe aansluitingen (inclusief decentrale productie) en openbare verplichting naar aanleiding van nieuwe verkavelingen (van grond of gebouwen), bedrijventerreinen en appartementsgebouwen kan worden voldaan, tenzij een uitbreiding economisch niet verantwoord is.

§ 2

Die projecten moeten tijdig, bij voorkeur in de ontwerp- of vergunningsfase, door de verantwoordelijke schriftelijk gemeld worden aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder. Hierbij beschrijft de verantwoordelijke de technische behoeften met betrekking tot de distributie van elektriciteit in de verkaveling (van grond of gebouw), het bedrijventerrein of het appartementsgebouw. Bij die beschrijving worden de nodige grondplannen van de verkaveling en bouwplannen van de gebouwen gevoegd met aanduiding van de plaatsen waar aansluitingen op het elektriciteitsdistributienet gewenst worden.

§ 3

De elektriciteitsdistributienetbeheerder hanteert bij de behandeling van die meldingen dezelfde termijnen voor de ontvankelijkheidsverklaring en het opstellen van een kostenraming als in Afdeling III.3.3, Artikel III.3.3.21 tot Artikel III.3.3.26 (Detailstudie en ontwerp van aansluiting).

§ 4

De elektriciteitsdistributienetbeheerder maakt op basis van de ontvangen beschrijving en plannen een ontwerp van de installaties voor de distributie van elektriciteit en de openbare verplichting en stelt ontwerpplannen ter beschikking.

§ 5

De elektriciteitsdistributienetbeheerder heeft het recht om een deel van het verkavelde terrein of gebouw, eventueel tegen een vergoeding, op te eisen voor de inrichting van installaties voor de distributie van elektriciteit en voor de openbare verplichting.

§ 6

De elektriciteitsdistributienetbeheerder bepaalt de grootte, de plaats en de technische vereisten van het deel van het verkavelde terrein of gebouw dat ter beschikking moet worden gesteld. Die vereisten motiveert hij ten opzichte van de verantwoordelijke van het project in kwestie. In overleg met de verantwoordelijke van het project kunnen wijzigingen aangebracht worden om beter aan de vereisten van het project te voldoen.

§ 7

Op basis van het finale ontwerp wordt een offerte opgesteld voor de uitbouw van het elektriciteitsdistributienet ten behoeve van de nieuwe verkaveling of het bedrijventerrein of appartementsgebouw. Die offerte wordt aan de verantwoordelijke van het betrokken project bezorgd. De offerte is gedetailleerd volgens de mate van detail conform de door de bevoegde regulator goedgekeurde of opgelegde tarieven.

Art. III.3.1.2.
De aansluiting van een installatie in een gebouw of op een perceel wordt uitgevoerd door de elektriciteitsdistributienetbeheerder die is aangesteld voor het grondgebied waarop het gebouw of perceel zich bevindt.

Art. III.3.1.3.
Wijze van aansluiten, afhankelijk van het aansluitings- of onderschreven vermogen

§ 1

Als het aansluitingsvermogen niet hoger is dan 25 kVA, zal de aansluiting vanaf het laagspanningsnet worden uitgevoerd.

§ 2

Voor aansluitingsvermogens tussen 25 kVA en 250 kVA zal de netbeheerder van het elektriciteitsdistributienet op het laagste spanningsniveau, op basis van technisch-economische criteria, ofwel aansluiten op het laagspanningsnet, ofwel aansluiten met een rechtstreekse verbinding op een hoogspanning/laagspanning-transformatiepost ofwel aansluiten op het hoogspanningsnet.

§ 3

Als het aansluitingsvermogen tussen 250 kVA en 15 MVA ligt, zal de aansluiting vanaf het hoogspanningsnet worden uitgevoerd door de beheerder van het elektriciteitsdistributienet op het laagste spanningsniveau.

§ 4

Als het aansluitingsvermogen tussen 15 MVA en 25 MVA ligt kan de elektriciteitsdistributienetbeheerder, op basis van een eerste technisch-economische analyse, beslissen om de aanvraag eveneens over te maken aan de netbeheerder op een hoger spanningsniveau. Beide mogelijkheden worden technisch-economisch onderzocht en de kosten-batenanalyses worden geëvalueerd door beide netbeheerders en de aanvrager. De kosten die de netbeheerder heeft gemaakt van wie de oplossing niet gekozen werd, komen voor rekening van deze netbeheerder.

§ 5

Als het gevraagde aansluitingsvermogen groter is dan 25 MVA wordt de installatie aangesloten op een spanningsniveau >30 kV.

§ 6

De elektriciteitsdistributienetbeheerder kan, in geval van een nieuwe aansluiting, de aansluiting uitvoeren via een rechtstreekse verbinding van de installaties van de elektriciteitsdistributienetgebruiker met de secundaire rails van een transformatiepost die het elektriciteitsdistributienet op hoogspanning voedt als het onderschreven vermogen dat bij de aanvraag tot aansluiting vooropgesteld wordt groter is dan 5 MW.

§ 7

De elektriciteitsdistributienetbeheerder kan beslissen om voor een wijze van aansluiten te kiezen die afwijkt van de bepalingen in dit artikel, afhankelijk van de karakteristieken van het lokale elektriciteitsdistributienet of als de installatie van de elektriciteitsdistributienetgebruiker schadelijke storingen op het elektriciteitsdistributienet of overdreven spanningsschommelingen zou veroorzaken.

Afdeling III.3.2.
De verschillende soorten aansluitingen


Art. III.3.2.1.
Bij de aanvraag voor een nieuwe aansluiting wordt onderscheid gemaakt tussen een eenvoudige aansluiting, een tijdelijke aansluiting en een aansluiting met voorafgaande studie.

Art. III.3.2.2.
Nieuwe aansluitingen voor wooneenheden op laagspanning moeten minimaal beschikken over een aansluitingsvermogen van 9,2 kVA.

Art. III.3.2.3. Een eenvoudige aansluiting

Een aanvraag voor een eenvoudige aansluiting is van toepassing als tegelijk aan de volgende voorwaarden is voldaan:
de afname gebeurt op laagspanning;
het gevraagde aansluitingsvermogen is lager dan 25 kVA of de elektriciteitsdistributienetbeheerder oordeelt dat geen uitbreiding of versterking van het elektriciteitsdistributienet nodig is;
zonder of met injectie < 400 VA.

Art. III.3.2.4. Tijdelijke aansluiting

Een aanvraag voor een tijdelijke aansluiting is van toepassing als tegelijk aan de volgende voorwaarden is voldaan:
de aansluiting zal worden gebruikt voor het voeden van installaties op bouwterreinen of manifestaties;
het gebruik van de aansluiting is strikt beperkt in de tijd of de aansluiting wordt na een beperkte periode vervangen door een permanente aansluiting;
de elektriciteitsdistributienetbeheerder oordeelt dat geen uitbreiding of versterking van het elektriciteitsdistributienet nodig is.

Art. III.3.2.5. Aansluiting met voorafgaande studie

Als de aansluiting niet overeenstemt met de bepalingen van Artikel III.3.2.3 of Artikel III.3.2.4, is een aanvraag voor een aansluiting met studie van toepassing.

Afdeling III.3.3.
De aansluitingsprocedure bij de elektriciteitsdistributienetbeheerder



Algemene bepalingen


Art. III.3.3.1.

§ 1

Tenzij anders bepaald in Artikel III.3.1.3 kan elke natuurlijke persoon of rechtspersoon bij de elektriciteitsdistributienetbeheerder, die aangewezen is voor het grondgebied waarop het gebouw of perceel zich bevindt, een aanvraag tot aansluiting.

§ 2

De aansluitingsaanvraag bevat minstens de volgende gegevens:
de identiteit en contactgegevens van de aanvrager (eventueel de juridische vorm en het ondernemingsnummer);
de rechten van de aanvrager ten aanzien van het gebouw of de installatie waarop de aansluiting betrekking heeft;
het grondplan van de plaats van afname of injectie;
het gewenste aansluitingsvermogen en spanningsniveau, dat gebaseerd is op de tabel van de mogelijke waarden voor het aansluitingsvermogen op laagspanning gepubliceerd door de elektriciteitsdistributienetbeheerder;
de technische karakteristieken van de installaties die op het elektriciteitsdistributienet moeten worden aangesloten;
de informatie die nodig is voor het toekennen van het verbruiksprofiel.

Art. III.3.3.2.
De offerte, die wordt opgesteld naar aanleiding van een aanvraag tot aansluiting, is gedetailleerd volgens de mate van detail conform de door de bevoegde regulator goedgekeurde of opgelegde tarieven. Deze offerte is geldig gedurende een periode van zes maanden. Nadien wordt de procedure van de aansluitingsaanvraag beschouwd als afgesloten.


Eenvoudige aansluiting


Art. III.3.3.3.

§ 1

Elke aanvraag voor een aansluiting die beantwoordt aan de bepalingen van 0 wordt ingediend bij de elektriciteitsdistributienetbeheerder volgens de procedure die hij heeft opgesteld en bekendgemaakt.

§ 2

Een aanvraag kan schriftelijk per brief, per e-mail of via de website van de elektriciteitsdistributienetbeheerder ingediend worden.

Art. III.3.3.4.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder gaat na of de aanvraag ontvankelijk is, d.w.z. of ze volledig is en beantwoordt aan de definitie van een eenvoudige aansluiting. Als de aanvraag niet-ontvankelijk is, wordt dat binnen vijf werkdagen na ontvangst gemeld en gemotiveerd.

Art. III.3.3.5.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder beantwoordt een ontvankelijke aanvraag voor een eenvoudige aansluiting binnen tien werkdagen na ontvangst. Hij stuurt daarom een van de onderstaande documenten aan de aanvrager:
een bindende offerte waarin ook de voorwaarden voor de aansluiting, de EAN-GSRN van het toegangspunt of de toegangspunten die bij de aansluiting behoren, en het aansluitingsreglement opgenomen worden;
een schriftelijke gemotiveerde weigering van de aanvraag, met de vermelding dat de aanvrager bij de VREG beroep kan aantekenen tegen de weigering conform Afdeling III.3.4: Beroep tegen de weigering tot aansluiting door de elektriciteitsdistributienetbeheerder.

Art. III.3.3.6.
Als een deel van de aanleg van de aansluiting onder de verantwoordelijkheid van de elektriciteitsdistributienetbeheerder toevertrouwd wordt aan de aanvrager van de nieuwe aansluiting of van de aanpassing van de aansluiting, vermeldt de elektriciteitsdistributienetbeheerder in zijn offerte de werkzaamheden waarvan hij verwacht dat ze worden uitgevoerd, de delen van de aansluiting waarvan hij verwacht dat ze geïnstalleerd worden en de technische eisen waaraan die moeten voldoen tegen de datum die afgesproken wordt om de aansluiting te realiseren.


Tijdelijke aansluiting


Art. III.3.3.7.

§ 1

Elke aanvraag voor een tijdelijke aansluiting die beantwoordt aan de bepalingen van Artikel III.3.2.4, wordt ingediend bij de elektriciteitsdistributienetbeheerder volgens de procedure die hij heeft opgesteld en bekendgemaakt.

§ 2

Een aanvraag voor een tijdelijke aansluiting kan zowel schriftelijk per brief, e-mail of via de website van de elektriciteitsdistributienetbeheerder worden ingediend.

§ 3

De aanvraag voor een eenvoudige werfaansluiting kan eveneens telefonisch bij de elektriciteitsdistributienetbeheerder ingediend worden.

Art. III.3.3.8.
In zijn aanvraag moet de aanvrager een uitvoeringsdatum voorstellen.

Art. III.3.3.9.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder gaat na of de aanvraag ontvankelijk is, d.w.z. of ze volledig is en beantwoordt aan de definitie van tijdelijke aansluiting. Als de aanvraag niet ontvankelijk is, wordt dat binnen vijf werkdagen na ontvangst gemeld en gemotiveerd.

Art. III.3.3.10.

§ 1

De elektriciteitsdistributienetbeheerder beantwoordt een ontvankelijke aanvraag voor een tijdelijke aansluiting binnen vijf werkdagen na ontvangst. Hij stuurt daarvoor een van de onderstaande documenten aan de aanvrager:
een bindende offerte waarin ook de voorwaarden voor de aansluiting en de EAN-GSRN van het toegangspunt of de toegangspunten die bij de aansluiting behoren opgenomen worden;
een schriftelijk gemotiveerde weigering van de aanvraag, met de vermelding dat de aanvrager bij de VREG beroep kan aantekenen tegen deze weigering, conform Afdeling III.3.4: Beroep tegen de weigering tot aansluiting door de elektriciteitsdistributienetbeheerder.

§ 2

In uitzonderlijke omstandigheden en na motivatie kan de elektriciteitsdistributienetbeheerder afwijken van de gestelde termijn.

Art. III.3.3.11.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder gaat na of de uitvoeringsdatum haalbaar is. Als de voorgestelde uitvoeringsdatum niet haalbaar is, voegt de elektriciteitsdistributienetbeheerder een motivatie voor het verwerpen van de voorgestelde datum en een alternatieve uitvoeringsdatum bij zijn antwoord op de aanvraag.

Art. III.3.3.12.
Als een deel van de aanleg van de aansluiting onder de verantwoordelijkheid van de elektriciteitsdistributienetbeheerder toevertrouwd wordt aan de aanvrager van de nieuwe aansluiting of aanpassing van de aansluiting, vermeldt de elektriciteitsdistributienetbeheerder in zijn offerte de werkzaamheden waarvan hij verwacht dat ze worden uitgevoerd, de delen van de aansluiting waarvan hij verwacht dat ze geïnstalleerd worden en de technische eisen waaraan die moeten voldoen tegen de datum die afgesproken wordt om de aansluiting te realiseren.


Aansluiting met studie



Algemene bepalingen

Art. III.3.3.13.
Als het aansluitingsvermogen < 25 MVA moet de aanvraag gericht worden aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder van het laagste spanningsniveau. Beantwoordt de aansluitingsaanvraag aan de bepalingen van Artikel III.3.2.5, dan geeft de aanvrager aan of hij een oriënterende studie of een detailstudie wenst. De elektriciteitsdistributienetbeheerder publiceert de tarieven voor het maken van een oriënterende studie en een detailstudie.

Art. III.3.3.14.
Het doel van een oriënterende studie is het opmaken van een voorontwerp van aansluiting op hoogspanning. Het indienen van een aanvraag voor een oriënterende studie is facultatief. De gegevens in het voorontwerp van aansluiting binden noch de elektriciteitsdistributienetbeheerder, noch de aanvrager van de oriënterende studie op enige wijze.

Art. III.3.3.15.
Het doel van een detailstudie is het opmaken van een ontwerp van aansluiting, als onderdeel van een prijsofferte. De offerte is gedetailleerd volgens de mate van detail conform de door de bevoegde regulator goedgekeurde of opgelegde tarieven. Ze is geldig gedurende een periode van zes maanden. Nadien wordt de procedure van de aansluitingsaanvraag beschouwd als afgesloten.


Oriënterende studie en voorontwerp van aansluiting

Art. III.3.3.16.
Elke natuurlijke persoon of rechtspersoon kan bij de elektriciteitsdistributienetbeheerder een aanvraag voor een oriënterende studie indienen met betrekking tot een nieuwe aansluiting.

Art. III.3.3.17.
De aanvraag voor een oriënterende studie bevat minstens de gegevens, vermeld in Artikel III.3.3.1§2. Ze wordt schriftelijk ingediend volgens de procedure die de elektriciteitsdistributienetbeheerder heeft opgesteld en openbaar gemaakt.

Art. III.3.3.18.
De kosten van een oriënterende studie zijn voor rekening van de aanvrager.

Art. III.3.3.19.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder kan op elk moment bij de aanvrager aanvullende informatie opvragen die noodzakelijk is om het voorontwerp van aansluiting voor te bereiden.

Art. III.3.3.20.

§ 1

Binnen een redelijke termijn, en in ieder geval binnen een termijn van vijftien werkdagen na ontvangst van een volledige aanvraag voor een oriënterende studie, bezorgt de elektriciteitsdistributienetbeheerder zijn conclusies aan de aanvrager, hetzij door middel van een voorontwerp van aansluiting, hetzij door middel van een schriftelijk gemotiveerde weigering van de aansluiting, met de vermelding dat die beslissing het voorwerp van beroep kan uitmaken bij de VREG, conform Afdeling III.3.4.

§ 2

In afwijking van §1 bedraagt de termijn, vermeld in §1, maximaal dertig werkdagen als de aanvraag betrekking heeft op een aansluiting op een spanning groter dan of gelijk aan 30 kV en voor aansluitingen van installaties met een vermogen groter dan of gelijk aan 1 MVA.

§ 3

Het voorontwerp bevat ten minste:
een schema voor de beoogde aansluiting;
de technische voorschriften voor de aansluiting;
een indicatieve raming van de kosten;
een indicatieve raming van de termijn die nodig is voor de realisatie van de aansluiting, met inbegrip van de eventuele versterkingen die aan het elektriciteitsdistributienet moeten worden aangebracht ten gevolge van de aansluiting.

§ 4

Bij de behandeling van de aanvraag voor een oriënterende studie verleent de elektriciteitsdistributienetbeheerder, in de mate van het mogelijke en rekening houdend met de noodzakelijke continuïteit van de voorziening, voorrang aan aanvragen die betrekking hebben op kwalitatieve warmtekrachtkoppelingsinstallaties en productieinstallaties die hernieuwbare energiebronnen gebruiken.


Detailstudie en ontwerp van aansluiting

Art. III.3.3.21.
Elke natuurlijke persoon of rechtspersoon kan bij de elektriciteitsdistributienetbeheerder een aanvraag voor een aansluiting met studie indienen met betrekking tot een nieuwe aansluiting.

Art. III.3.3.22.
De aanvraag tot aansluiting bevat minstens de gegevens, vermeld in Artikel III.3.3.1§2. Ze wordt schriftelijk ingediend volgens de procedure die de elektriciteitsdistributienetbeheerder heeft opgesteld.

Art. III.3.3.23.
Na ontvangst van een aanvraag voor een aansluiting beoordeelt de elektriciteitsdistributienetbeheerder zo snel mogelijk en in ieder geval binnen een termijn van tien werkdagen, de ontvankelijkheid ervan. Hij stelt de aanvrager schriftelijk op de hoogte van het resultaat van de beoordeling, en vermeldt de verdere gegevens die de aanvrager eventueel moet verstrekken om het ontwerp van aansluiting voor te bereiden.

Art. III.3.3.24.

§ 1

Bij het onderzoek van de aanvraag voor een aansluiting verleent de elektriciteitsdistributienetbeheerder, in de mate van het mogelijke en rekening houdend met de noodzakelijke continuïteit van de voorziening, voorrang aan aanvragen die betrekking hebben op kwalitatieve warmtekrachtkoppelingsinstallaties en productieinstallaties die hernieuwbare energiebronnen gebruiken.

§ 2

Rekening houdend met §1 behandelt de elektriciteitsdistributienetbeheerder de ontvankelijke aanvragen voor een detailstudie en de bijhorende capaciteitsreserveringen in volgorde van aanvraag.

Art. III.3.3.25.

§ 1

Zo snel mogelijk en zeker binnen een termijn van dertig werkdagen na ontvangst van een volledige aanvraag, bezorgt de elektriciteitsdistributienetbeheerder de aanvrager een offerte of een schriftelijk gemotiveerde weigering van de aansluiting met de vermelding dat deze beslissing het voorwerp van beroep kan uitmaken bij de VREG, conform Afdeling III.3.4. De offerte omvat een ontwerp van aansluiting met de technische oplossingen en regelparameters die overeengekomen moeten worden tussen elektriciteitsdistributienetbeheerder en aanvrager, in overeenstemming met de voorschriften van het Technisch Reglement Distributie Elektriciteit en rekening houdend met de technische kenmerken van het elektriciteitsdistributienet. Dit voorstel omvat eveneens:
de uitvoeringsvoorwaarden en -termijnen voor de realisatie van de aansluiting, inclusief voorstel van startdatum van de werken op het terrein, naargelang het gaat om een nieuwe of een aan te passen aansluiting, met aanduiding van de onderliggende hypothesen en rekening houdend met de termijnen die nodig zijn voor de eventuele aanpassingen die aan het elektriciteitsdistributienet en transmissienet moeten worden aangebracht;
het aansluitingsreglement.

§ 2

In afwijking van §1 bedraagt de termijn voor aanvragen die betrekking hebben op aansluitingen op een spanning groter dan of gelijk aan 30 kV en voor aansluitingen van installaties met een vermogen groter dan of gelijk aan 1 MVA, veertig werkdagen. Indien een dergelijke aansluitingsaanvraag overleg noodzaakt met een andere netbeheerder, kan de termijn vermeerderd worden tot maximaal vijftig werkdagen.

§ 3

De termijnen, vermeld in §1 en §2, kunnen worden verlengd in onderling overleg.

§ 4

Als de detailstudie de oriënterende studie tegenspreekt moeten de aangerekende kosten voor de oriënterende studie worden terugbetaald.

Art. III.3.3.26.
De kosten die de elektriciteitsdistributienetbeheerder maakt voor de behandeling van de aansluitingsaanvraag en het opstellen van het ontwerp van aansluiting, zijn voor rekening van de aanvrager.

Art. III.3.3.27.
Bij een detailstudie met offerte, kan de elektriciteitsdistributienetbeheerder in de periode die eindigt 6 maanden vóór de geplande startdatum van de werken op het terrein een voorschot van maximaal 30 % van het volledige bedrag van de reëel te betalen aansluitingskosten factureren aan de aanvrager.


Termijnen van uitvoering van de aansluiting


Art. III.3.3.28.

§ 1

Na goedkeuring van de offerte voor een eenvoudige aansluiting spreken de aanvrager en de elektriciteitsdistributienetbeheerder een uitvoeringsdatum af, waarbij de aanvrager kan eisen dat de uitvoering gebeurt binnen vijftien werkdagen na de betaling. Enkel in uitzonderlijke omstandigheden en na motivatie, kan de elektriciteitsdistributienetbeheerder van die termijn afwijken.

§ 2

Na goedkeuring van de offerte voor een tijdelijke aansluiting spreken de aanvrager en de elektriciteitsdistributienetbeheerder een uitvoeringsdatum af, waarbij de aanvrager kan eisen dat de uitvoering gebeurt binnen vijftien werkdagen na de goedkeuring van de offerte. Alleen in uitzonderlijke omstandigheden en na motivatie, kan de elektriciteitsdistributienetbeheerder van deze termijn afwijken.

§ 3

Na goedkeuring van de offerte voor een aanvraag met detailstudie spreken de aanvrager en de elektriciteitsdistributienetbeheerder een uitvoeringsdatum af, waarbij voor aansluitingen tot 5 MVA de aanvrager kan eisen dat de uitvoering gebeurt binnen 18 weken. Alleen in uitzonderlijke omstandigheden en na motivatie, kan de elektriciteitsdistributienetbeheerder van deze termijnen afwijken.

Art. III.3.3.29.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder respecteert de termijn, vermeld in Artikel III.3.3.28 voor de realisatie van de aansluiting zoals die is afgesproken met de aanvrager. Alleen als de aanvrager in gebreke blijft bij het uitvoeren van de gemaakte afspraken of in uitzonderlijke omstandigheden en na motivatie, kan de elektriciteitsdistributienetbeheerder van die termijn afwijken.

Art. III.3.3.30.

§ 1

De noodzakelijke vergunningsaanvragen moeten binnen een termijn die met de planning van de realisatie van de aansluiting overeenstemt, bij de bevoegde overheden ingediend worden.

§ 2

De elektriciteitsdistributienetbeheerder kan niet aansprakelijk gesteld worden voor de gevolgen van een eventueel uitstel of eventuele weigering door de bevoegde overheid om de noodzakelijke vergunningen af te leveren.

Art. III.3.3.31.

§ 1

De termijnen voor de realisatie van de aansluiting kunnen worden verlengd in onderling overleg.

§ 2

De capaciteitsreservering voorzien in de offerte blijft geldig voor een periode van 2 jaar en kan slechts eenmaal mits motivering worden verlengd. Capaciteitsreserveringen zijn niet verhandelbaar of overdraagbaar.

Afdeling III.3.4.
Beroep tegen de weigering tot aansluiting door de elektriciteitsdistributienetbeheerder


Art. III.3.4.1.
Tegen de beslissing van de elektriciteitsdistributienetbeheerder inzake de aansluitingsaanvraag kan in beroep gegaan worden bij de VREG. De VREG neemt binnen twee maanden na ontvangst van het beroep een beslissing. Die periode kan met twee maanden worden verlengd indien de VREG aanvullende informatie nodig heeft. Deze periode kan met instemming van de beroepsindiener verder verlengd worden.

Hoofdstuk III.4.
De technische voorwaarden waaraan voldaan moet worden in elektriciteitsdistributienetten


Afdeling III.4.1.
Technische voorwaarden van toepassing op iedere aansluiting


Art. III.4.1.1.

§ 1

Elke aansluiting, alsook elke installatie van een elektriciteitsdistributienetgebruiker die op het elektriciteitsdistributienet is aangesloten, moet voldoen aan de normen en de reglementering die op elektrische installaties van toepassing zijn.

§ 2

Het tracé van de aansluiting, alsmede de opstelling en de karakteristieken van de samenstellende delen worden op zo'n wijze bepaald door de elektriciteitsdistributienetbeheerder dat de algemene veiligheid en de normale werking van de deelelementen van de aansluiting verzekerd zijn en dat de meteropnamen, het toezicht, het nazicht en het onderhoud gemakkelijk kunnen worden uitgevoerd.

§ 3

Vóór een toegangspunt naar een nieuwe installatie op het elektriciteitsdistributienet in dienst wordt genomen, bezorgt de aanvrager aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder het bewijs dat zijn installaties aan de wettelijke verplichtingen voldoen.

Art. III.4.1.2.

§ 1

De doorvoer van de aansluitingskabel door de muur van het gebouw van de elektriciteitsdistributienetgebruiker kan aan de aanvrager of de eigenaar van het gebouw worden toevertrouwd volgens de aanwijzingen van de elektriciteitsdistributienetbeheerder.

§ 2

De kabel moet over de hele lengte van de doorvoeropening mechanisch worden beschermd door een mantelbuis, vervaardigt uit polyvinylchloride, polyethyleen of vezelcement.

§ 3

De doorvoeropening voor de elektriciteitsaansluiting mag niet voor andere leidingen worden gebruikt.

§ 4

De muurdoorvoer wordt door de aanvrager of de eigenaar van het gebouw water- en gasdicht gemaakt. Hij bezorgt aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder het bewijs dat de muurdoorvoer water- en gasdicht werd gemaakt.

Afdeling III.4.2.
Voorschriften voor aansluitingen op laagspanning


Art. III.4.2.1.

§ 1

In gebouwen waar het gevraagde aansluitingsvermogen 25 kVA overschrijdt, stelt de elektriciteitsdistributienetgebruiker voor de plaatsing van de meetinrichting en andere apparatuur die deel uitmaakt van de aansluiting, gratis een (deel van een) ruimte ter beschikking aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder. Die ruimte voldoet aan de eisen van de elektriciteitsdistributienetbeheerder.

§ 2

In gebouwen waar het gevraagde aansluitingsvermogen 25 kVA niet overschrijdt, stelt de elektriciteitsdistributienetgebruiker gratis een deel van een muur ter beschikking voor de aansluitingskast.

Art. III.4.2.2.
De elektriciteitsdistributienetbeheerders leggen gemeenschappelijk de aanvullende technische voorschriften voor aansluitingsinstallaties en installaties van elektriciteitsdistributienetgebruikers op laagspanning vast en maken die bekend via hun website.

Afdeling III.4.3.
Voorschriften voor aansluitingen op hoogspanning


Art. III.4.3.1.
Voor de plaatsing van de meetinrichting en andere apparatuur die deel uitmaakt van de aansluiting, stelt de elektriciteitsdistributienetgebruiker gratis een ruimte ter beschikking aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder. Die ruimte voldoet aan de eisen van de elektriciteitsdistributienetbeheerder. De plaats wordt in onderling overleg bepaald.

Art. III.4.3.2.
De inplanting, de bereikbaarheid van de installaties, de bedienbaarheid en de identificatie van de bedieningsapparatuur van de elektriciteitsdistributienetgebruiker moet aanvaard worden door de elektriciteitsdistributienetbeheerder. De werking moet in overeenstemming zijn met de exploitatiewijze van het elektriciteitsdistributienet waarop ze aangesloten worden, zowel met betrekking tot hun technische kenmerken als met betrekking tot de veiligheidsaspecten die aan de exploitatie verbonden zijn.

Art. III.4.3.3.

§ 1

De instellingen van de beveiligingen van de elektriciteitsdistributienetgebruiker die in geval van incident zijn installaties afschakelen van de aansluiting, worden in onderling overleg met de elektriciteitsdistributienetbeheerder bepaald. De selectiviteit van de beveiliging van de netten mag door de keuze van de waarde van de beveiligingsparameters in geen geval in het gedrang gebracht worden.

§ 2

De elektriciteitsdistributienetbeheerder heeft het recht om, op basis van een gewijzigde netsituatie, de noodzakelijke aanpassingen op te leggen voor de beveiligingen in de installaties van de elektriciteitsdistributienetgebruiker, zodat de selectiviteit van de beveiligingen in de netten gewaarborgd kan blijven. Alle kosten die verbonden zijn aan eventueel uit te voeren aanpassingen aan de installaties van de elektriciteitsdistributienetgebruiker, komen voor rekening van de betrokken elektriciteitsdistributienetgebruiker.

Art. III.4.3.4.

§ 1

De elektriciteitsdistributienetbeheerder heeft het recht om de technische middelen aan te wenden die nodig zijn voor de compensatie van reactieve energie, of, meer in het algemeen, voor de compensatie van ieder verstorend fenomeen, als de belasting van een elektriciteitsdistributienetgebruiker die aan het elektriciteitsdistributienet is aangesloten, aanleiding geeft tot een extra afname van reactieve energie, zoals bepaald in Afdeling IV.5.2, of als ze de veiligheid, de betrouwbaarheid of de efficiëntie van het elektriciteitsdistributienet verstoort.

§ 2

De elektriciteitsdistributienetbeheerder motiveert zijn beslissing en deelt die mee aan de betrokken elektriciteitsdistributienetgebruiker.

§ 3

De installatie en de aanwending van de technische middelen, vermeld in §1, komen voor rekening van de betrokken elektriciteitsdistributienetgebruiker.

Art. III.4.3.5.

§ 1

De elektriciteitsdistributienetbeheerders leggen gemeenschappelijk de aanvullende technische voorschriften voor aansluitingsinstallaties en installaties van elektriciteitsdistributienetgebruikers op hoogspanning vast en maken die bekend via hun websites.

§ 2

Voor aansluitingen op spanningen gelijk aan of groter dan 30 kV, bepaalt de elektriciteitsdistributienetbeheerder, na overleg met de elektriciteitsdistributienetgebruiker voor wat betreft de aspecten die niet worden geregeld in dit Technisch Reglement Distributie Elektriciteit en die nodig worden geacht door de elektriciteitsdistributienetbeheerder met het oog op de veiligheid, de betrouwbaarheid en de efficiëntie van het elektriciteitsdistributienet, de minimale technische vereisten en de regelparameters met betrekking tot de installaties, vermeld in Artikel III.1.1.1§1.

Afdeling III.4.4.
Aanvullende voorschriften voor productie-eenheden op spanningen kleiner dan 30 kv


Art. III.4.4.1.
De elektriciteitsdistributienetbeheerders leggen gemeenschappelijk de aanvullende technische voorschriften voor aansluitingen van productie-eenheden op spanningen kleiner dan 30 kV vast en maken die bekend via hun websites. Bij wijziging van deze aanvullende technische voorschriften leggen de elektriciteitsdistributienetbeheerders deze voorschriften ter goedkeuring voor aan de VREG.

Art. III.4.4.2.
Voor projecten met een globaal opgesteld productievermogen ≥ 1000 kVA, of voor projecten waar uit de detailstudie blijkt dat in N-1 situaties of bij congestie tijdelijke productiebeperkingen noodzakelijk zijn, kan de elektriciteitsdistributienetbeheerder een telecontrole opleggen aan de producent die de netbeheerder in uitzonderlijke uitbatingsomstandigheden van het elektriciteitsdistributienet de mogelijkheid geeft, door middel van een centraal besturingssysteem, productiebeperkingen op te leggen op basis van objectieve criteria die contractueel vastgelegd worden.

Afdeling III.4.5.
Aanvullende voorschriften voor productie-eenheden op spanning groter dan of gelijk aan 30 kv



Werkingsvoorwaarden voor spanning en frequentie


Art. III.4.5.1.

§ 1

Een productie-eenheid moet synchroon met het net kunnen werken:
zonder beperking in de tijd als de netfrequentie begrepen is tussen 47,5 Hz en 51,5 Hz;
tijdens een bepaalde tijd die de elektriciteitsdistributienetgebruiker en elektriciteitsdistributienetbeheerder in onderling overleg hebben vastgelegd, als de netfrequentie tussen 51,5 Hz en 52,5 Hz ligt.

§ 2

Het frequentierelais dat de overgang van een productie-eenheid naar eilandbedrijf bewaakt, mag niet geactiveerd worden zolang de frequentie van het elektriciteitsdistributienet groter dan of gelijk is aan 47,5 Hz, behoudens een andersluidende bepaling in het aansluitingscontract.

Art. III.4.5.2.
Een productie-eenheid moet zonder beperking in de tijd synchroon kunnen werken met het net, binnen het gearceerde gebied in de onderstaande grafiek ΔU-frequentie, waarin ΔU verwijst naar de spanningsafwijking aan de klemmen van de generator uitgedrukt in % van de nominale spanning van de generator.

Art. III.4.5.3.

§ 1

Een productie-eenheid moet, behoudens een andersluidende bepaling in het aansluitingscontract:
over haar hele werkingsdomein synchroon met het elektriciteitsdistributienet kunnen werken als de spanning in het aansluitingspunt, uitgedrukt in percentage van de nominale spanning in het aansluitingspunt, gedurende een spanningsval met beperkte amplitude, binnen het gearceerde gebied van de onderstaande grafiek blijft;
over haar hele werkingsdomein synchroon met het elektriciteitsdistributienet kunnen werken als de spanning op het aansluitingspunt, uitgedrukt in procent van de nominale spanning op het aansluitingspunt, gedurende een spanningsval met belangrijke amplitude, binnen het gearceerde gebied van de onderstaande grafiek blijft.

§ 2

In afwijking van wat bepaald is in §1 is de spanning waarmee rekening moet worden gehouden in het geval van een productie-eenheid die ingebed is in de installaties van de elektriciteitsdistributienetgebruiker, de spanning aan de uitgang van die productie-eenheid.

Art. III.4.5.4.
Specifieke voorschriften voor asynchrone generatoren worden op objectieve, transparante en niet-discriminerende wijze bepaald door de elektriciteitsdistributienetbeheerder.

Art. III.4.5.5.
Tijdens een plotse wijziging of een belangrijke afwijking van de frequentie mag een productie-eenheid de werking van de primaire frequentieregeling niet verstoren.


Werkingsvoorwaarden voor het reactief vermogen


Art. III.4.5.6.
Elke productie-eenheid waarvan het nominaal vermogen Pnom groter dan of gelijk is aan 25 MW, is een regelende productie-eenheid.

Art. III.4.5.7.
Elke regelende productie-eenheid moet in staat zijn haar levering van reactief vermogen automatisch en op verzoek van de elektriciteitsdistributienetbeheerder, zonder verwijl, aan te passen tijdens langzame (in de orde van minuten) en plotse (in de orde van een fractie van seconde) wijzigingen in de spanning.

Art. III.4.5.8.
Elke niet-regelende productie-eenheid moet in staat zijn haar levering van reactief vermogen aan te passen aan de behoeften van het elektriciteitsdistributienet, ten minste door de productie van het reactieve vermogen te kunnen omschakelen tussen twee niveaus die tussen de elektriciteitsdistributienetbeheerder en de betrokken elektriciteitsdistributienetgebruiker zijn overeengekomen.

Art. III.4.5.9.

§ 1

Voor elke waarde van het actief vermogen dat op het elektriciteitsdistributienet kan worden geïnjecteerd tussen het technisch minimum en het maximaal aansluitingsvermogen bij normale exploitatiespanning, moet de regelende productie-eenheid in het aansluitingspunt een reactief vermogen met een getalwaarde, gelegen tussen -0,1 Pnom en 0,45 Pnom, respectievelijk kunnen absorberen of leveren.

§ 2

Voor elke spanning op het aansluitingspunt tussen 0,9 en 1,05 maal de normale exploitatiespanning, moet de regelende productie-eenheid dezelfde mogelijkheden hebben, met uitzondering van een beperking, veroorzaakt door spanningsbeperkingen van de generator of veroorzaakt door de statorstroom van de generator. Een eventuele statorstroombeperking mag niet tussenkomen bij de snelle regeling van de spanning.

Art. III.4.5.10.

§ 1

De spanningsregelaar van een regelende productie-eenheid is voorzien van een over- en onderbekrachtigingsbegrenzer. Die werken automatisch en alleen als het reactief vermogen zich buiten het interval bevindt zoals bepaald in Artikel III.4.5.9.

§ 2

De spanningsregelaar neemt de regeling automatisch over zodra de spanning op het aansluitingspunt opnieuw binnen het interval, beschreven in Artikel III.4.5.9, gekomen is.

Art. III.4.5.11.
Binnen het werkingsgebied moet elke regelende productie-eenheid bij trage spanningswijzigingen ΔUnet op het aansluitingspunt, op automatische wijze haar reactieve productie ΔQnet aan kunnen passen zodat de relatieve gevoeligheidscoëfficiënt αeq begrepen is tussen 18 en 25.

Art. III.4.5.12.
Hierbij is αeq = –
ΔQnet / (0,45 × Pnom)
ΔUnet / Unorm,exp
met:
Qnet het reactief vermogen gemeten aan de hoogspanningszijde van de opvoertransformator;
Pnom het nominaal vermogen;
Unet de spanning, gemeten aan de hoogspanningszijde van de opvoertransformator;
Unorm,exp de normale exploitatiespanning, dat is de gemiddelde spanning waarrond het elektriciteitsdistributienet geëxploiteerd wordt.

Art. III.4.5.13.
Als een niet-regelende productie-eenheid uitgerust is met een regelaar, bestemd om de referentiewaarde van het geproduceerd reactief vermogen te volgen, moet die traag zijn ten opzichte van de primaire spanningsregeling van de regelende eenheden (waarvan de werking ingrijpt op de schaal van seconden) en snel ten opzichte van de dynamica van de transformatoren met automatische regelschakelaars (inwerkend op een schaal van tientallen seconden tot minuten) om zodoende spanningsschommelingen in het elektrische systeem te vermijden. De tijdsconstante van die regelaar in gesloten lus moet minstens tussen tien en dertig seconden kunnen ingesteld worden.

Hoofdstuk III.5.
De rechten en plichten van de elektriciteitsdistributienetbeheerder en de elektriciteitsdistributienetgebruiker


Afdeling III.5.1.
Algemene bepalingen


Art. III.5.1.1.

§ 1

De elektriciteitsdistributienetbeheerder is, voor het elektriciteitsdistributienet waarvoor hij als beheerder is aangesteld, als enige gemachtigd het gedeelte van de aansluiting waarvan hij het eigendoms- of gebruiksrecht heeft, aan te leggen, aan te passen, te onderhouden, te herstellen, te vervangen, te verwijderen, buiten dienst te stellen en uit te baten.

§ 2

Onder de verantwoordelijkheid van de elektriciteitsdistributienetbeheerder kan een deel van de aanleg van de aansluiting toevertrouwd worden aan een derde partij of aan de aanvrager van de nieuwe aansluiting of van de aanpassing van de aansluiting.

§ 3

Een elektriciteitsdistributienetgebruiker of een aanvrager van een aansluiting op het elektriciteitsdistributienet kan niet door de elektriciteitsdistributienetbeheerder verplicht worden de werkzaamheden op openbaar domein, die nodig zijn voor de realisatie van de aansluiting, zelf uit te voeren.

Art. III.5.1.2.

§ 1

De installaties die niet vallen onder Artikel III.1.1.1§1 en waarvan de elektriciteitsdistributienetgebruiker het eigendoms- of gebruiksrecht heeft, worden door de elektriciteitsdistributienetgebruiker, of door een derde in opdracht van de elektriciteitsdistributienetgebruiker, beheerd en onderhouden.

§ 2

In afwijking van §1 mogen tussenkomsten en schakelingen op installaties die functioneel deel uitmaken van het elektriciteitsdistributienet, alleen door de elektriciteitsdistributienetbeheerder of een door hem gemandateerde uitgevoerd worden, zelfs als de elektriciteitsdistributienetgebruiker het eigendoms- of gebruiksrecht heeft van deze installaties. Als de tussenkomsten of schakelingen gebeuren op verzoek van de elektriciteitsdistributienetgebruiker of hun oorzaak vinden in de installaties van de elektriciteitsdistributienetgebruiker komen de kosten van die tussenkomsten en schakelingen voor rekening van de elektriciteitsdistributienetgebruiker.

Art. III.5.1.3.
Installaties gelegen achter verschillende toegangspunten mogen zonder expliciete toestemming van de elektriciteitsdistributienetbeheerder op geen enkele manier met elkaar verbonden worden.

Art. III.5.1.4.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder kan de delen van de aansluiting waarover hij het eigendoms- of gebruiksrecht heeft, verzegelen.

Afdeling III.5.2.
Aansluitingscontract en -reglement


Art. III.5.2.1.
Naast de bepalingen opgenomen onder Afdeling III.5.1: Algemene bepalingen worden de aangelegenheden, verhoudingen en voorwaarden met betrekking tot de aanleg en het gebruik van de aansluiting tussen de elektriciteitsdistributienetbeheerder en de elektriciteitsdistributienetgebruiker geregeld door het aansluitingsreglement en in voorkomend geval het aansluitingscontract. Ditzelfde aansluitingsreglement en in voorkomend geval het aansluitingscontract regelen eveneens de aangelegenheden, verhoudingen en voorwaarden met betrekking tot de aanleg en het gebruik van de aansluiting tussen de elektriciteitsdistributienetbeheerder en de eigenaar, als de elektriciteitsdistributienetgebruiker niet de eigenaar is van de aan te sluiten of aangesloten installatie of het gebouw of als de elektriciteitsdistributienetgebruiker niet bekend is op de toegangspunten in kwestie.

Art. III.5.2.2.

§ 1

Voor elke nieuwe aansluiting op het hoogspanningsnet moet met de elektriciteitsdistributienetbeheerder een aansluitingscontract worden gesloten.

§ 2

Voor aansluitingen op het laagspanningsnet moet geen aansluitingscontract ondertekend worden. Voor die aansluitingen op het laagspanningsnet worden de voorwaarden opgenomen in het aansluitingsreglement van de elektriciteitsdistributienetbeheerder.

Art. III.5.2.3.
In afwachting van de opmaak van nieuwe aansluitingscontracten tussen de elektriciteitsdistributienetbeheerder en de elektriciteitsdistributienetgebruiker, blijven de vroeger gemaakte afspraken tussen de partijen die bij de aansluiting betrokken zijn verder van kracht, voor zover ze niet strijdig zijn met het Technisch Reglement Distributie Elektriciteit.

Art. III.5.2.4.
Het aansluitingscontract bevat minstens de volgende elementen:
de identiteit van de partijen;
de aanwijzing van de contactpersonen;
de bepalingen met betrekking tot de looptijd en de stopzetting van het contract;
de beschrijving en het liggingsplan van de aansluiting en de meetinstallatie met locatie en spanningsniveau van het toegangspunt;
de unieke identificatie van het toegangspunt of de toegangspunten bij middel van een of meer EAN-GSRN;
de bepalingen in verband met de toegankelijkheid en het beheer van de aansluitingsinstallaties;
de beschrijving van de installaties van de elektriciteitsdistributienetgebruiker (inclusief installaties welke functioneel deel uitmaken van het net), inzonderheid de aangesloten productie-eenheden;
de specifieke technische voorwaarden en bepalingen, onder meer het aansluitingsvermogen, de relevante technische karakteristieken van de aansluiting en van de installaties van de elektriciteitsdistributienetgebruiker, het meetsysteem, de uitbating, het onderhoud, de eisen in verband met beveiligingen, de veiligheid enzovoort;
de bepalingen met betrekking tot de wederzijdse aansprakelijkheid en de confidentialiteit;
de bepalingen in verband met de meteropname;
de betalingsmodaliteiten.

Art. III.5.2.5.
Het aansluitingsreglement en het aansluitingscontract kunnen tevens voorzien in een regeling voor forfaitaire schadeloosstelling bij onderbrekingen van de stroomvoorziening die langer dan vier uur duren. Ingeval beroep gedaan wordt op de gemeenrechtelijke aansprakelijkheidsregeling, kan de forfaitaire schadeloosstelling voor onderbrekingen niet ingeroepen worden.

Art. III.5.2.6.
De modaliteiten met betrekking tot de onderbreekbaarheid van de toegang kunnen in een afzonderlijke overeenkomst vastgelegd worden.

Art. III.5.2.7.
De technische oplossingen en de regelparameters kunnen worden herzien op gemotiveerd verzoek van de elektriciteitsdistributienetbeheerder.

Art. III.5.2.8.
In geval van overdracht van roerende of onroerende goederen, in gebruik of in eigendom, waarvoor de aansluiting dient, sluit de overnemer onverwijld een nieuw aansluitingscontract af met de elektriciteitsdistributienetbeheerder als de aansluiting niet valt onder het toepassingsgebied van het aansluitingsreglement.

Afdeling III.5.3.
Gebruik, onderhoud en conformiteit van de aansluiting



Algemene bepalingen


Art. III.5.3.1.

§ 1

De elektriciteitsdistributienetgebruiker en de eigenaar van het goed in kwestie treffen de nodige voorzorgen om iedere beschadiging aan de aansluiting te voorkomen.

§ 2

De elektriciteitsdistributienetgebruiker of de eigenaar van het goed in kwestie moet de elektriciteitsdistributienetbeheerder onmiddellijk op de hoogte brengen van elke beschadiging, afwijking of niet-conformiteit aan de wettelijke of reglementaire voorschriften die hij redelijkerwijs kan vaststellen.

§ 3

Bij de uitvoering van werkzaamheden door de elektriciteitsdistributienetgebruiker in de nabijheid van de aansluiting, waarbij onderdelen van het elektriciteitsdistributienet, inclusief de aansluiting, beschadigd of beïnvloed kunnen worden, pleegt de elektriciteitsdistributienetgebruiker vooraf overleg met de elektriciteitsdistributienetbeheerder.

§ 4

Alvorens een gebouw of installatie waarin de aansluiting zich bevindt te slopen, moet de elektriciteitsdistributienetbeheerder de aansluiting voldoende beveiligen of wegnemen.
De eigenaar richt daarvoor een verzoek tot de elektriciteitsdistributienetbeheerder. Dezelfde aanvraagprocedures en bijbehorende termijnen als vermeld in Afdeling III.3.3: De aansluitingsprocedure en Hoofdstuk III.6: Wijziging en verzwaring van de aansluiting, zijn hier van toepassing.

Art. III.5.3.2.
Bij een storing aan het elektriciteitsdistributienet of de aansluiting is de elektriciteitsdistributienetbeheerder binnen twee uur na de melding door de elektriciteitsdistributienetgebruiker ter plaatse om de werkzaamheden aan te vangen die leiden tot het opheffen van de storing.

Art. III.5.3.3.
In geval van gewijzigde afname- of injectiekenmerken, of van wijzigingen ten opzichte van de omstandigheden en afspraken die golden op het ogenblik van de uitvoering van de aansluiting, en die toe te schrijven zijn aan de elektriciteitsdistributienetgebruiker, heeft de elektriciteitsdistributienetbeheerder het recht de aansluiting te wijzigen op kosten van de elektriciteitsdistributienetgebruiker of de eigenaar van het betrokken goed om de algemene veiligheid, het toezicht op en het gemakkelijk onderhoud van de aansluiting te vrijwaren, alsook de correcte werking van de toestellen van de aansluiting en de gemakkelijke opname van de meters toe te laten.


Gebruik van installaties die functioneel deel uitmaken van het elektriciteitsdistributienet


Art. III.5.3.4.
De installatie van de elektriciteitsdistributienetgebruiker die functioneel deel uitmaakt van het elektriciteitsdistributienet (voor doorvoer van energie naar andere elektriciteitsdistributienetgebruikers) wordt kosteloos ter beschikking gesteld van de elektriciteitsdistributienetbeheerder.


Gebruiken onderhoud van laagspanningsaansluitingen


Art. III.5.3.5.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder is belast met het onderhoud en de goede en veilige werking van de delen van de aansluiting waarover hij het eigendoms- of gebruiksrecht heeft. De onderhouds- en herstellingskosten, voor zover er geen schade door de elektriciteitsdistributienetgebruiker veroorzaakt werd, komen voor zijn rekening.

Art. III.5.3.6.
De aansluiting mag pas worden ingewerkt na de toestemming van de elektriciteitsdistributienetbeheerder. Ze moet doeltreffend beschermd worden. Toezicht moet altijd mogelijk zijn.

Art. III.5.3.7.
De elektriciteitsdistributienetgebruiker of de eigenaar van het goed zorgt ervoor dat de muren in kwestie waterdicht blijven.

Art. III.5.3.8.
De automatische schakelaar van de aansluiting die bij de meetinrichting behoort, mag bediend worden door de elektriciteitsdistributienetgebruiker, behalve als de elektriciteitsdistributienetbeheerder een verzegeling of een andere contra-indicatie heeft aangebracht.


Gebruiken onderhoud van hoogspanningsaansluitingen


Art. III.5.3.9.
Tenzij anders bepaald in het aansluitingscontract zijn de bepalingen van Artikel III.5.3.1, Artikel III.5.3.2, Artikel III.5.3.3 en Artikel III.5.3.4 van toepassing.


Conformiteit van de aansluiting


Art. III.5.3.10.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder heeft het recht om de conformiteit na te gaan van de aansluiting en de installaties van de elektriciteitsdistributienetgebruiker met de voorschriften van het Technisch Reglement Distributie Elektriciteit en het aansluitingscontract en -reglement.

Art. III.5.3.11.

§ 1

Om de conformiteit van de aansluiting en van de installaties van een elektriciteitsdistributienetgebruiker met de bepalingen van dit Technisch Reglement Distributie Elektriciteit en het aansluitingscontract te onderzoeken kan de elektriciteitsdistributienetbeheerder op eigen initiatief of op verzoek van een derde partij testen op de installaties uitvoeren.

§ 2

Na overleg komen de elektriciteitsdistributienetbeheerder en de betrokken elektriciteitsdistributienetgebruiker de procedure, de planning en de in te zetten middelen overeen.

§ 3

Binnen een maand na de proeven, uitgevoerd door of in opdracht van de elektriciteitsdistributienetbeheerder, bezorgt de elektriciteitsdistributienetbeheerder een rapport aan de betrokken partij(en), voor zover de gegevens in dat rapport niet vertrouwelijk zijn.

Art. III.5.3.12.
Als het onderzoek of de proeven aantonen dat een installatie niet beantwoordt aan de vereisten van het Technisch Reglement Distributie Elektriciteit of het aansluitingscontract, brengt de in gebreke blijvende partij de vereiste veranderingen aan de installatie aan binnen een door de elektriciteitsdistributienetbeheerder vastgelegde termijn. Die partij draagt de kosten voor het onderzoek of de proeven die de inbreuk onthuld hebben, alsook de kosten voor de nieuwe proeven die uitgevoerd worden nadat de veranderingen aan de installatie zijn aangebracht. In het tegenovergestelde geval zijn de proeven op kosten van diegene die ze aangevraagd heeft.

Art. III.5.3.13.

§ 1

Een aansluiting of installatie van een elektriciteitsdistributienetgebruiker die bestond op 1 juli 2002 en die niet in overeenstemming is met de voorschriften van dit Technisch Reglement Distributie Elektriciteit, kan als dusdanig worden gebruikt zolang ze geen schade of hinder berokkent of zou kunnen berokkenen aan de installaties van de elektriciteitsdistributienetbeheerder of aan de installaties van of de kwaliteit van de geleverde spanning bij een andere elektriciteitsdistributienetgebruiker. Bij de eerste ingrijpende wijziging of uitbreiding van de aansluiting of de installatie moet deze in overeenstemming gebracht worden met de bepalingen van dit Technisch Reglement.

§ 2

De elektriciteitsdistributienetbeheerder kan niet verantwoordelijk worden gesteld voor eventuele schade bij de elektriciteitsdistributienetgebruiker die veroorzaakt wordt door de slechte werking van diens installaties omdat die niet in overeenstemming zijn met het Technisch Reglement Distributie Elektriciteit.

Art. III.5.3.14.

§ 1

Elke aansluiting of installatie van een elektriciteitsdistributienetgebruiker die niet in overeenstemming is met de voorschriften van dit Technisch Reglement Distributie Elektriciteit en die daardoor schade of hinder berokkent aan de installaties van de elektriciteitsdistributienetbeheerder of bij een of meer andere elektriciteitsdistributienetgebruikers, moet door de elektriciteitsdistributienetgebruiker in overeenstemming gebracht worden binnen een door de elektriciteitsdistributienetbeheerder vastgelegde termijn afhankelijk van de aard en de omvang van de schade of hinder.

§ 2

De elektriciteitsdistributienetbeheerder kan gedurende die termijn niet verantwoordelijk gesteld worden voor eventuele schade die veroorzaakt wordt bij elektriciteitsdistributienetgebruikers doordat installaties van een
elektriciteitsdistributienetgebruiker niet in overeenstemming zijn met de voorschriften van dit Technisch Reglement Distributie Elektriciteit.

Art. III.5.3.15.
De aanpassingen, vermeld in Artikel III.5.3.14§1, komen voor rekening van de elektriciteitsdistributienetgebruiker of van de eigenaar van het goed in kwestie, volgens hun respectieve verantwoordelijkheden, als bewezen is dat de installaties van de elektriciteitsdistributienetgebruiker of van de eigenaar van het goed aan de basis liggen van de schade of hinder.

Art. III.5.3.16.

§ 1

Als de elektriciteitsdistributienetgebruiker de aanpassingen, vermeld in Artikel III.5.3.12 of Artikel III.5.3.14, niet binnen de opgelegde termijn heeft uitgevoerd, stelt de elektriciteitsdistributienetbeheerder hem per brief in gebreke.

§ 2

Behoudens andersluidend akkoord tussen de betrokken partijen, heeft de elektriciteitsdistributienetbeheerder het recht het toegangspunt buiten dienst te stellen, indien de aanpassingen tien werkdagen na de ingebrekestelling nog niet zijn uitgevoerd. Bij het vaststellen van die termijn geldt de postdatum van de brief als bewijs.

Art. III.5.3.17.
Onverminderd de bepalingen van Artikel III.5.3.14 kan de elektriciteitsdistributienetbeheerder eisen dat de elektriciteitsdistributienetgebruiker maatregelen treft en die bekostigt om te voorkomen dat ten gevolge van de werking van de installaties van de elektriciteitsdistributienetgebruiker het toegestane niveau van storingen, vermeld in Artikel III.5.4.1, wordt overschreden.

Art. III.5.3.18.

§ 1

Een elektriciteitsdistributienetgebruiker die zelf proeven wil uitvoeren of laten uitvoeren op de aansluiting of op zijn installaties die een niet-verwaarloosbare invloed hebben op het elektriciteitsdistributienet, op de aansluiting(en) of op de installaties van een andere elektriciteitsdistributienetgebruiker, moet vooraf een schriftelijke goedkeuring van de elektriciteitsdistributienetbeheerder krijgen. Elke aanvraag moet gemotiveerd zijn. Ze vermeldt de installatie(s) waarop de proeven betrekking hebben, de aard en de technische gegevens van de proeven, de procedure (onder meer wie de proeven uitvoert) en de planning.

§ 2

Op basis van de gegevens in die aanvraag, beslist de elektriciteitsdistributienetbeheerder over de opportuniteit van de aanvraag en geeft hij, in voorkomend geval, zijn goedkeuring aan de gevraagde proeven, de procedure en de planning ervan. Hij waarschuwt de partijen die volgens hem bij de gevraagde proeven betrokken zijn.

Afdeling III.5.4.
Spanningswisseling en stroomstoringen


Art. III.5.4.1.
Het toelaatbare niveau van storingen, teweeggebracht op het elektriciteitsdistributienet door de installaties van de aansluiting en de eigen installaties van de elektriciteitsdistributienetgebruiker, wordt bepaald door de voorschriften van de C10/11, C10/17 en C10/19 die door de netbeheerders zijn opgesteld, door de VREG zijn goedgekeurd, en gepubliceerd worden op de website van de elektriciteitsdistributienetbeheerders. Ook elke wijziging aan deze voorschriften wordt pas van kracht na goedkeuring door de VREG.

Art. III.5.4.2.

§ 1

Een klacht over de spanningskwaliteit kan schriftelijk ingediend worden bij de elektriciteitsdistributienetbeheerder.

§ 2

De elektriciteitsdistributienetbeheerder beantwoordt een klacht met betrekking tot de spanningskwaliteit binnen tien werkdagen na ontvangst van die klacht. Als de oorzaak bekend is, beschrijft de elektriciteitsdistributienetbeheerder in zijn antwoord de aard en duur van het probleem en de acties die hij ertegen onderneemt.

§ 3

Op verzoek van de elektriciteitsdistributienetgebruiker informeert de elektriciteitsdistributienetbeheerder de elektriciteitsdistributienetgebruiker over de mogelijkheid en de voorwaarden om een meting uit te voeren.

§ 4

Op verzoek van de elektriciteitsdistributienetgebruiker worden de nodige metingen ter controle van een klacht met betrekking tot de verandering van de geleverde spanning (amplitude) uitgevoerd. De elektriciteitsdistributienetgebruiker spreekt met de elektriciteitsdistributienetbeheerder een datum af waarop die meting moet worden uitgevoerd. De elektriciteitsdistributienetgebruiker kan eisen dat die meting binnen tien werkdagen uitgevoerd wordt. In uitzonderlijke omstandigheden en na motivatie, kan de elektriciteitsdistributienetbeheerder van die termijn afwijken.

§ 5

Een rapport met de resultaten en conclusies van die meting wordt aan de elektriciteitsdistributienetgebruiker bezorgd binnen vijf werkdagen na de uitvoering van de meting.

§ 6

Als die metingen een afwijking aantonen ten opzichte van de eisen van de norm NBN EN 50160, worden de kosten voor de metingen gedragen door de elektriciteitsdistributienetbeheerder. Als de metingen geen afwijking aantonen ten opzichte van de norm NBN EN 50160 aantonen, kan de elektriciteitsdistributienetbeheerder hiervoor kosten aanrekenen aan de elektriciteitsdistributienetgebruiker. Die kosten blijven in elk geval beperkt tot de vergoeding voor de verplaatsing van de elektriciteitsdistributienetbeheerder. Die kosten worden door de elektriciteitsdistributienetbeheerder gepubliceerd.

§ 7

Als de controlemeting niet uitwijst of de klacht terecht is, kan de elektriciteitsdistributienetgebruiker de elektriciteitsdistributienetbeheerder een langdurige registratie (minstens 48 uur) van de spanning opleggen.

§ 8

Als die testen een afwijking aantonen ten opzichte van de eisen van de norm NBN EN 50160, worden de kosten voor de registratie gedragen door de elektriciteitsdistributienetbeheerder. Als de testen geen afwijking aantonen ten opzichte van de norm NBN EN 50160 aantonen, worden de kosten voor de registratie gedragen door de elektriciteitsdistributienetgebruiker. De kosten voor de registratie worden door de elektriciteitsdistributienetbeheerder gepubliceerd.

§ 9

Voor de vaststellingen, vermeld in §7, kan eveneens een beroep gedaan worden op een geaccrediteerd controleorganisme of een derde partij die beide partijen met wederzijdse goedkeuring hebben aangewezen, en onder dezelfde voorwaarden van kostentoewijzing als vermeld in §8.

Art. III.5.4.3.
De installaties van de elektriciteitsdistributienetgebruiker mogen bij de elektriciteitsdistributienetbeheerder of bij derden geen risico's, schade of hinder van welke aard ook veroorzaken.

Hoofdstuk III.6.
Wijziging en verzwaring van een aansluiting op het elektriciteitsdistributienet


Art. III.6.1.1.

§ 1

Elke aangesloten elektriciteitsdistributienetgebruiker kan bij de elektriciteitsdistributienetbeheerder een aanvraag tot wijziging van zijn aansluiting indienen.

§ 2

De elektriciteitsdistributienetbeheerder kan een aansluitingsaanvraag ook opleggen als er aanpassingen aan installaties van een elektriciteitsdistributienetgebruiker worden verricht die een niet-verwaarloosbare invloed op het elektriciteitsdistributienet hebben. Het plaatsen/bij plaatsen of verzwaren van een decentrale productie-eenheid met een maximum AC vermogen > 10 kVA, ongeacht het feit of deze netto zal injecteren in het elektriciteitsdistributienet, is steeds een wijziging met niet verwaarloosbare invloed op het elektriciteitsdistributienet. Hiervoor is dus steeds een voorafgaandelijke aanvraag aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder noodzakelijk.

Art. III.6.1.2.
De aanvraag bevat minstens de volgende gegevens:
de identiteit en contactgegevens van de aanvrager (eventueel de juridische vorm en het ondernemingsnummer);
de rechten van de aanvrager ten aanzien van het gebouw of de installatie waarop de aansluiting betrekking heeft;
het grondplan van de plaats van afname of injectie;
het gewenste aansluitingsvermogen en spanningsniveau;
de technische karakteristieken van de installaties die op het elektriciteitsdistributienet moeten worden aangesloten;
de informatie die nodig is voor het toekennen van het verbruiksprofiel.

Art. III.6.1.3.
Bij de aanvraag tot wijzing van een aansluiting wordt eveneens een onderscheid gemaakt tussen een eenvoudige aansluiting, een tijdelijke aansluiting en een aansluiting met voorafgaande studie. De procedures voor de aanvraag tot nieuwe aansluiting zoals beschreven onder Afdeling III.3.3 zijn van overeenkomstige toepassing.

Art. III.6.1.4.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder kan, in geval van een bestaande aansluiting, de aansluiting uitvoeren via een rechtstreekse verbinding van de installaties van de elektriciteitsdistributienetgebruiker met de secundaire rails van een transformatiepost die het elektriciteitsdistributienet op hoogspanning voedt, als het gemiddelde van de reële maandpieken met betrekking tot de voorbije twaalf maanden groter is dan 5 MW.

Art. III.6.1.5.
Vóór een toegangspunt naar een gewijzigde installatie in dienst wordt genomen, bezorgt de elektriciteitsdistributienetgebruiker aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder het bewijs dat zijn installaties aan de wettelijke verplichtingen voldoen.

Art. III.6.1.6.

§ 1

Voor elke aanpassing van een bestaande aansluiting op hoogspanningsnet, van een daarmee verbonden installatie van een elektriciteitsdistributienetgebruiker die een niet-verwaarloosbare invloed heeft op het hoogspanningsnet of van hun respectieve exploitatiewijze moet met de elektriciteitsdistributienetbeheerder een aansluitingscontract worden gesloten.

§ 2

Voor aanpassingen aan bestaande aansluiting op het laagspanningsnet, moet geen aansluitingscontract ondertekend worden. Voor die aanpassingen worden de voorwaarden opgenomen in het aansluitingsreglement van de elektriciteitsdistributienetbeheerder.

Art. III.6.1.7.
Op verzoek van de elektriciteitsdistributienetgebruiker kan de elektriciteitsdistributienetbeheerder beslissen dat een wijziging als vermeld in Artikel III.6.1.6§1 als minder belangrijk wordt beschouwd. Een dergelijke minder belangrijke aanpassing wordt vermeld in een bijvoegsel bij het aansluitingscontract.

Hoofdstuk III.7.
Het wegnemen van een aansluiting op het elektriciteitsdistributienet en de verzegeling ervan


Art. III.7.1.1.

§ 1

Elke aansluiting kan worden weggenomen op aangetekend verzoek van de eigenaar van het goed in kwestie, op voorwaarde dat niemand er nog gebruik van maakt.

§ 2

De kosten voor het wegnemen van een aansluiting, alsook de kosten voor het opnieuw in de oorspronkelijke staat brengen van lokalen, toegangswegen en terreinen, komen voor rekening van de elektriciteitsdistributienetgebruiker of de eigenaar van het goed in kwestie.

§ 3

Dezelfde aanvraagprocedures en bijbehorende termijnen als vermeld in Afdeling III.3.3: De aansluitingsprocedure zijn van toepassing voor diensten van de elektriciteitsdistributienetbeheerder met betrekking tot het wegnemen van een aansluiting.

Art. III.7.1.2.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder heeft het recht om, na overleg met de eigenaar van het goed in kwestie, elke aansluiting die meer dan een jaar niet meer gebruikt werd, weg te nemen of af te koppelen, behalve indien de aansluiting voor noodvoeding dienstig kan zijn.

Hoofdstuk III.8.
Bepalingen m.b.t. gesloten distributienetten voor elektriciteit


Art. III.8.1.1.
De beheerder van het gesloten distributienet voor elektriciteit voorziet
in een eigen procedure voor het verwerken en uitvoeren van aanvragen voor aansluiting op het gesloten distributienet voor elektriciteit;
voor elke gebruiker in een aansluitingscontract waarin de rechten en plichten van de beheerder en de gebruiker m.b.t. de aansluiting worden opgesomd;
in eigen procedures voor het verwerken van aanvragen voor het wijzigen of verzwaren van een bestaande aansluiting op het gesloten distributienet voor elektriciteit;
in eigen procedures voor het wegnemen of verzegelen van een bestaande aansluiting op het gesloten distributienet voor elektriciteit;
in een eigen procedure voor de ontvangst, behandeling en registratie van klachten van gebruikers van het gesloten distributienet voor elektriciteit.

Art. III.8.1.2.
Elke aansluiting, alsook elke binneninstallatie die op het gesloten distributienet voor elektriciteit is aangesloten, moet voldoen aan de normen en de reglementering die op elektrische installaties van toepassing zijn.

Art. III.8.1.3.
De voorwaarden voor injectie in het gesloten distributienet voor elektriciteit zijn gelijk aan de voorwaarden voor injectie in het net waarmee het gesloten distributienet voor elektriciteit gekoppeld is.

Art. III.8.1.4.
De beheerder van het gesloten distributienet voor elektriciteit die een aanvraag voor injectie ontvangt, overlegt hierover met de beheerder van het gekoppelde net.

Art. III.8.1.5.
Installaties gelegen achter verschillende koppelpunten mogen zonder expliciete toestemming van de netbeheerder van het gekoppelde net op geen enkele manier met elkaar verbonden worden.

Deel IV.
Toegangscode


Hoofdstuk IV.1.
Algemene bepaling


Art. IV.1.1.1.
In de Toegangscode (Deel IV) worden voorschriften opgelegd met betrekking tot:
het toegangsregister;
de verschillende berichten gebruikt in het berichtenverkeer;
de toegangsprocedure;
de toegang tot het net, de onderbrekingen van de toegang en de compensatie van de netverliezen.

Hoofdstuk IV.2.
Aanwijzing van de toegangshouder en evenwichtsverantwoordelijke(n) op het elektriciteitsdistributienet


Afdeling IV.2.1.
Toegangsregister


Art. IV.2.1.1.
Het toegangsregister is een bestand of een geheel van bestanden dat tot doel heeft de elektriciteitsdistributienetgebruiker, de toegangshouder(s) en de evenwichtsverantwoordelijke(n) op de toegangspunten op het elektriciteitsdistributienet te registreren en de vrije marktwerking te ondersteunen. Dat houdt onder meer het volgende in:
veranderingen van elektriciteitsdistributienetgebruikers, toegangshouders, en evenwichtsverantwoordelijken alsook technische aanpassingen op de toegangspunten kunnen geregistreerd en gevolgd worden;
op basis van de op de toegangspunten geregistreerde elektriciteitsdistributienetgebruikers, toegangshouders en evenwichtsverantwoordelijken kunnen de afgenomen en geïnjecteerde hoeveelheden elektriciteit correct aan die partijen toegewezen worden.

Art. IV.2.1.2.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder is verantwoordelijk voor het beheer van het toegangsregister, het actueel houden van de informatie erin, met inbegrip van de verwerking van de gegevens van de elektriciteitsdistributienetgebruikers zoals die worden aangeleverd door de toegangshouders.

Art. IV.2.1.3.

§ 1

In het toegangsregister worden minstens de volgende gegevens per toegangspunt opgenomen:
de EAN-GSRN van het toegangspunt;
de partijen die als toegangshouder en evenwichtsverantwoordelijke(n) zijn aangewezen;
informatie over de titularis van het toegangspunt:
o
(indicatief) de naam van de elektriciteitsdistributienetgebruiker;
o
het type elektriciteitsdistributienetgebruiker (huishoudelijk of niet-huishoudelijk) zoals aangeleverd door de toegangshouder;
o
indien van toepassing, het ondernemingsnummer;
o
het contactadres van de elektriciteitsdistributienetgebruiker;
informatie over de aansluiting:
o
het aansluitingsvermogen;
o
het aansluitingsspanningsniveau;
o
het adres waar de aansluiting zich bevindt;
informatie over de meetinrichting:
o
de configuratie van de berekende meter;
o
de meternummer(s);
o
de aanwezigheid van een budgetmeter of stroombegrenzer;
informatie over de meteropname:
o
frequentie van de meteropname: jaarlijks, maandelijks, of op basis van de elementaire periode zoals bepaald in Artikel V.1.2.3;
o
voor toegangspunten met jaarlijkse meteropname: de opnamemaand;
informatie over het gebruik van het toegangspunt:
o
gebruiksrichting: injectie of afname;
o
energietype: elektriciteit;
o
voor toegangspunten zonder registratie van het verbruiksprofiel, de profielcategorie en het standaard jaarverbruik of standaard maandverbruik of de forfaitair bepaalde afname;
o
het onderschreven vermogen;
o
het tarieftype;
o
de startdatum van het verkrijgen van toegang door een toegangshouder op het toegangspunt. Voor afnamepunten op elektriciteitsdistributienetten op spanningen kleiner dan 30 kV is dat de startdatum van de levering door een leverancier op het toegangspunt;
o
de startdatum van het verkrijgen van toegang op het toegangspunt door een toegangshouder voor de huidige elektriciteitsdistributienetgebruiker op het toegangspunt. Voor afnamepunten op elektriciteitsdistributienetten op spanningen kleiner dan 30 kV is dat de startdatum van de levering door een leverancier aan de huidige elektriciteitsdistributienetgebruiker op het toegangspunt;
o
de einddatum van de toegang voor de toegangshouder op het toegangspunt. Voor afnamepunten op elektriciteitsdistributienetten op spanningen kleiner dan 30 kV is dat de einddatum van de levering door een leverancier op het toegangspunt als die al gekend is op basis van de processen, beschreven in Afdeling IV.2.2.

§ 2

De historiek van de gegevens per toegangspunt wordt bewaard gedurende minstens vijfjaar.

§ 3

De toegangshouder is:
Op toegangspunten op het elektriciteitsdistributienet op spanningen groter dan of gelijk aan 30 kV: ofwel de elektriciteitsdistributienetgebruiker zelf, ofwel een leverancier, ofwel een evenwichtsverantwoordelijke, naargelang van de partij die het toegangscontract met de elektriciteitsdistributienetbeheerder heeft ondertekend voor dat toegangspunt (conform Afdeling IV.3.3);
Op injectiepunten op het elektriciteitsdistributienet op spanningen kleiner dan 30 kV: ofwel de elektriciteitsdistributienetgebruiker (producent) zelf, ofwel een leverancier, naargelang van de partij die de toegang heeft aangevraagd en verkregen voor dat toegangspunt (conform Afdeling IV.3.2);
Op afnamepunten op het elektriciteitsdistributienet op spanningen kleiner dan 30 kV: een leverancier die de toegang heeft aangevraagd en verkregen voor dat toegangspunt (conform Afdeling IV.3.2).

§ 4

Voor elektriciteitsdistributienetten op spanningen kleiner dan 30 kV, maakt de elektriciteitsdistributienetbeheerder maandelijks een momentopname van zijn toegangsregister zodat de overeenstemming van de informatie in het toegangsregister en de informatie in de klantenbestanden van leveranciers gecontroleerd kan worden. De gegevens die hij daarbij vastlegt en het moment waarop hij dat doet, worden in onderling overleg tussen leveranciers en netbeheerders bepaald en beschreven in de handleiding voor informatie-uitwisseling, alsook het moment wanneer, het formaat waarin en de drager waarop die gegevens ter beschikking gesteld worden van de leverancier die erom verzoekt. Bij gebrek aan een gemeenschappelijk bepaalde beschrijving legt de VREG de voorwaarden op van het vastleggen van gegevens alsook het moment wanneer, het formaat waarin en de drager waarop die gegevens ter beschikking gesteld worden.

§ 5

Voor elektriciteitsdistributienetten op spanningen kleiner dan 30 kV, maakt de leverancier een momentopname van zijn klantenbestand zodat de overeenstemming van de informatie in het toegangsregister van de elektriciteitsdistributienetbeheerder en de informatie in het klantenbestand gecontroleerd kan worden. De gegevens die hij daarbij vastlegt en het moment waarop hij dat doet, worden in onderling overleg tussen leveranciers en netbeheerders bepaald en beschreven in de handleiding voor informatie-uitwisseling, alsook het moment wanneer, het formaat waarin en de drager waarop die gegevens ter beschikking gesteld worden van de elektriciteitsdistributienetbeheerder die erom verzoekt.

Art. IV.2.1.4.

§ 1

Een gebouw dat nieuw aangesloten wordt op het elektriciteitsdistributienet en dat bestemd is als woning voor natuurlijke personen, moet uitgerust zijn met een individueel toegangspunt voor afname en, indien van toepassing, een toegangspunt voor injectie (> 10 kVA) per wooneenheid.

§ 2

Met uitzondering van bestaande situaties op 1 november 2003 en van productieinstallaties met een vermogen kleiner dan of gelijk aan 10 kVA wordt aan een elektriciteitsdistributienetgebruiker die zowel energie injecteert op het elektriciteitsdistributienet als energie afneemt van het elektriciteitsdistributienet, een apart toegangspunt voor injectie en een voor afname toegekend tenzij er een vermoeden is van niet- of verwaarloosbaar kleine injectie (< 400 VA).

Art. IV.2.1.5.
Bij elke aansluiting voor afname behoren één of meer toegangspunten tot het elektriciteitsdistributienet, met bij elk toegangspunt één of meer meetinstallaties.

Art. IV.2.1.6.
Bij elke aansluiting voor injectie behoren één of meer toegangspunten tot het elektriciteitsdistributienet, met bij elk toegangspunt één of meer meetinstallaties.

Art. IV.2.1.7.
Een toegangspunt wordt pas in dienst genomen nadat de toegangshouder en de evenwichtsverantwoordelijke(n) voor dat toegangspunt zijn geregistreerd in het toegangsregister van de elektriciteitsdistributienetbeheerder, volgens de hieronder beschreven bepalingen.

Art. IV.2.1.8.

§ 1

De elektriciteitsdistributienetbeheerder maakt een doorlopend beschikbare elektronische opzoeking door leveranciers van de EAN-GRSN-codes van de toegangspunten op zijn net op basis van adresgegevens (straatnaam, huisnummer, busnummer, postnummer en gemeente) en meternummer(s) én vice versa, mogelijk. De inhoud, het formaat waarin en de drager waarop die opzoeking kan gebeuren, wordt in onderling overleg tussen leveranciers en netbeheerders bepaald en beschreven in de handleiding voor informatie-uitwisseling. Bij gebrek aan een gemeenschappelijk opgestelde beschrijving legt de VREG de inhoud, het formaat waarin en de drager waarop die opzoeking kan gebeuren op.

§ 2

De elektriciteitsdistributienetbeheerder maakt binnen vijf werkdagen de EAN-GSRN-code van het toegangspunt van een elektriciteitsdistributienetgebruiker op basis van zijn naamgegevens, adresgegevens (straatnaam, huisnummer, busnummer, postnummer en gemeente) en meternummer(s) ter beschikking van de elektriciteitsdistributienetgebruiker die erom verzoekt. Dat verzoek kan schriftelijk, via e-mail of via de website van de elektriciteitsdistributienetbeheerder. Het antwoord wordt verstrekt op de manier die de elektriciteitsdistributienetgebruiker verkiest, namelijk per brief, via e-mail of via de website van de elektriciteitsdistributienetbeheerder.

§ 3

De elektriciteitsdistributienetbeheerder stelt binnen tien werkdagen de adresgegevens (straatnaam, huisnummer, busnummer, postnummer en gemeente) en meternummer(s) van het toegangspunt van een elektriciteitsdistributienetgebruiker op basis van de EAN-GSRN code en zijn naamgegevens, ter beschikking van de elektriciteitsdistributienetgebruiker die erom verzoekt. Dat verzoek kan per brief, via e-mail of via de website van de elektriciteitsdistributienetbeheerder. Het antwoord wordt verstrekt op de manier die de elektriciteitsdistributienetgebruiker verkiest, namelijk per brief, via e-mail of via de website van de elektriciteitsdistributienetbeheerder.

§ 4

De elektriciteitsdistributienetbeheerder brengt op de meetinrichting van elke aansluiting die nieuw geplaatst wordt op een permanente wijze en duidelijk leesbaar de EAN-GSRN-code aan van het toegangspunt.

Afdeling IV.2.2.
Berichten van aanwijzing en wijziging voor toegangspunten op spanningen lager dan 30 kv


Art. IV.2.2.1.

§ 1

Per afnamepunt op een spanning lager dan 30 kV wijst de elektriciteitsdistributienetgebruiker een leverancier aan met een geldige leveringsvergunning of een leverancier die voldoet aan de eisen gesteld door een andere lidstaat van de Europese Unie, de federale overheid of een andere gewestelijke energieregulator in verband met de levering van elektriciteit, behalve als de levering op dit toegangspunt door de elektriciteitsdistributienetbeheerder gebeurt.

§ 2

Per afnamepunt op een spanning lager dan 30 kV wijst de leverancier de evenwichtsverantwoordelijke aan.

§ 3

Per injectiepunt wijst de toegangshouder voor dit toegangspunt, de evenwichtsverantwoordelijke aan.

Art. IV.2.2.2. Indienstneming van een nieuw of afgesloten toegangspunt

§ 1

Alvorens een toegangspunt in dienst wordt gesteld, meldt een leverancier, of in geval van injectie de toegangshouder, zich aan bij de elektriciteitsdistributienetbeheerder conform de handleiding voor informatie-uitwisseling

§ 2

In zijn aanvraag vermeldt de leverancier de datum waarop hij zijn levering wenst te starten. Deze datum gaat de datum van de aanvraag niet vooraf.

§ 3

Binnen 48 uur na ontvangst van de melding beoordeelt de elektriciteitsdistributienetbeheerder conform de handleiding voor informatie-uitwisseling of de melding aanvaard of verworpen wordt en brengt de leverancier van die beslissing op de hoogte.

§ 4

De registratie van de leverancier wordt in het toegangsregister doorgevoerd om 0h00 lokale tijd op de datum dat de elektriciteitsdistributienetbeheerder het toegangspunt in dienst neemt overeenkomstig de afspraak met de elektriciteitsdistributienetgebruiker, zoals beschreven in Artikel IV.4.1.1.

§ 5

Als de datum van indienstneming minder dan zeven kalenderdagen in de toekomst ligt, kan de aanvraag niet meer geannuleerd worden. Als de datum van indienstname later dan zeven kalenderdagen in de toekomst ligt, kan die tot zeven kalenderdagen voor het ingaan van de indienstneming geannuleerd worden door de aanvragende leverancier.

§ 6

Binnen tien werkdagen na indienstneming van het toegangspunt stelt de elektriciteitsdistributienetbeheerder, conform de handleiding voor informatieuitwisseling, de stamgegevens van het toegangspunt ter beschikking van de aanvragende leverancier. Dat bericht bevat eveneens de datum waarop het toegangspunt daadwerkelijk in dienst werd genomen.

§ 7

Binnen tien werkdagen na indienstneming van het toegangspunt stelt de elektriciteitsdistributienetbeheerder, conform de handleiding voor informatieuitwisseling, het standaard jaar- of maandverbruik van het toegangspunt ter beschikking van de aanvragende leverancier. Dit standaard jaar- of maandverbruik is een gemiddelde waarde voor de SLP-categorie van het toegangspunt.

§ 8

Voor jaarlijks en maandelijks opgenomen toegangspunten stelt de elektriciteitsdistributienetbeheerder uiterlijk tien werkdagen na het in dienst nemen van het toegangspunt, conform de handleiding voor informatie-uitwisseling, de door hem vastgestelde beginmeterstand(en) ter beschikking van de leverancier.

Art. IV.2.2.3. Leverancierswissel

§ 1

Elke wijziging van leverancier op een toegangspunt moet minstens eenentwintig kalenderdagen vooraf aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder gemeld worden door de (nieuwe) leverancier, met aanwijzing van de datum van verandering.

§ 2

Bij jaarlijks opgenomen toegangspunten verstuurt de elektriciteitsdistributienetbeheerder bij het aanvaarden van een aanvraag voor een leverancierswissel, een meteropnamekaart naar de door de leverancier in zijn aanvraag vermelde elektriciteitsdistributienetgebruiker op het door de leverancier in zijn aanvraag vermelde contactadres conform Artikel V.3.1.8§2. Op die meteropnamekaart vermeldt de elektriciteitsdistributienetbeheerder de EAN-GSRN-code en het adres van het toegangspunt waarop de wissel zal plaatsvinden, de procedure voor het doorgeven van de meterstand en de meternummers, en de contactgegevens van beide betrokken leveranciers. Tevens wordt verduidelijkt welke stappen kunnen worden ondernomen om een onterechte leverancierswissel ongedaan te maken. Als de meterstand fysisch wordt opgenomen, wordt die informatie, die normaal op de meteropnamekaart naar aanleiding van een leverancierswissel staat, schriftelijk meegedeeld bij de meteropname.

§ 3

Binnen 48 uur na ontvangst van de melding beoordeelt de elektriciteitsdistributienetbeheerder volgens de handleiding voor informatie-uitwisseling of de leverancierswissel wordt aanvaard of verworpen. Hij brengt de nieuwe leverancier hiervan op de hoogte. Als de leverancierswissel wordt aanvaard, wordt de vorige leverancier gelijktijdig op de hoogte gebracht van de wijziging door de elektriciteitsdistributienetbeheerder.

§ 4

Tot zeven kalenderdagen voor het ingaan van de leverancierswissel kan die geannuleerd worden door de aanvragende leverancier.

§ 5

Vijf kalenderdagen voor het ingaan van de leverancierswissel stelt de elektriciteitsdistributienetbeheerder, conform de handleiding voor informatieuitwisseling, de stamgegevens en het standaard jaar- of maandverbruik van het toegangspunt ter beschikking van de nieuwe leverancier.

§ 6

De leverancierswissel wordt in het toegangsregister doorgevoerd om 00u00 lokale tijd op de door de leverancier aangevraagde datum.

§ 7

De betrokken leveranciers bevestigen de wijziging aan hun respectievelijke evenwichtsverantwoordelijken.

§ 8

De wisselmeterstanden worden als volgt bepaald:
Voor jaarlijks opgenomen toegangspunten worden de door de betrokken elektriciteitsdistributienetbeheerder doorgegeven en door de elektriciteitsdistributienetbeheerder gevalideerde meterstanden als wisselmeterstanden genomen. Als uit de validatie (volgens het proces beschreven in Afdeling V.3.5) blijkt dat de meterstanden onbruikbaar zijn en er uiterlijk op de tiende werkdag na de wisseldatum geen gevalideerde meterstanden beschikbaar zijn, worden de meterstanden geschat volgens de schattingsmethodieken beschreven in Artikel V.3.6.1.
Voor maandelijks opgenomen toegangspunten worden de wisselmeterstanden op de wisseldatum en -tijd berekend uit de opgenomen en door de elektriciteitsdistributienetbeheerder gevalideerde meterstanden volgens de in Artikel V.3.6.1 beschreven schattingsmethodieken.
In afwijking van het voorgaande kan, bij maandelijks en jaarlijks opgenomen toegangspunten met een slimme meter, de wisselmeterstand om 00u00 lokale tijd op de wisseldatum ook bepaald worden door tele-opname door de elektriciteitsdistributienetbeheerder.
Voor toegangspunten met registratie van het verbruiksprofiel worden de wisselmeterstanden door de elektriciteitsdistributienetbeheerder bepaald op de wisseldatum om 00u00 lokale tijd door tele-opname.

§ 9

Uiterlijk vijftien werkdagen na het ingaan van de leverancierswissel stelt de elektriciteitsdistributienetbeheerder, conform de handleiding voor informatieuitwisseling, de historische verbruiksgegevens van het toegangspunt ter beschikking van de nieuwe leverancier.

§ 10

Uiterlijk tien werkdagen na het ingaan van de leverancierswissel stelt de elektriciteitsdistributienetbeheerder, conform de handleiding voor informatieuitwisseling, de wisselmeterstanden van het toegangspunt ter beschikking van de nieuwe leverancier.

§ 11

Uiterlijk tien werkdagen na het ingaan van de leverancierswissel stelt de elektriciteitsdistributienetbeheerder, conform de handleiding voor informatieuitwisseling, de wisselmeterstanden en de daaruit afgeleide afname of injectie vanaf de voorgaande meteropname van het toegangspunt ter beschikking van de oude leverancier.

Art. IV.2.2.4. Klantenwissel en gecombineerde klant- / leverancierswissel

§ 1

Elke wissel van een elektriciteitsdistributienetgebruiker op een toegangspunt wordt door de leverancier van de nieuwe elektriciteitsdistributienetgebruiker gemeld aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder zodra hij daarvan op de hoogte wordt gebracht door de elektriciteitsdistributienetgebruiker. Hij vermeldt daarbij de datum van de wissel en, in geval van een jaarlijks gemeten toegangspunt, de meterstand die door de elektriciteitsdistributienetgebruiker aan hem werd doorgegeven.

§ 2

De datum van de wissel wordt als volgt bepaald:
De datum van de wissel kan tot 60 kalenderdagen in het verleden liggen als er geen verandering is van leverancier op het toegangspunt.
Voor jaarlijks opgenomen toegangspunten kan de datum van de verandering tot 30 kalenderdagen in het verleden liggen als tevens de leverancier op het toegangspunt verandert.
Voor maandelijks opgenomen toegangspunten en toegangspunten met een gemeten verbruiksprofiel moet de datum van die verandering minstens 30 en hoogstens 45 kalenderdagen in de toekomst liggen als tevens de leverancier op het toegangspunt verandert.

§ 3

Binnen 48 uur na ontvangst van de melding beoordeelt de elektriciteitsdistributienetbeheerder conform de handleiding voor informatieuitwisseling, of de wijziging aanvaard of verworpen wordt. Hij brengt de leverancier daarvan op de hoogte. Indien van toepassing wordt de vorige leverancier door de elektriciteitsdistributienetbeheerder gelijktijdig van de wijziging op de hoogte gebracht.

§ 4

Als de datum van de wissel in het verleden ligt, kan de aanvraag niet meer geannuleerd worden. Als de datum van de wissel in de toekomst ligt, kan die tot twee kalenderdagen voor het ingaan van de verandering geannuleerd worden door de aanvragende leverancier.

§ 5

Het toegangsregister wordt als volgt aangepast:
Als de datum van de wissel in het verleden ligt, voert de elektriciteitsdistributienetbeheerder onmiddellijk de aanpassing door in zijn toegangsregister om 00u00 lokale tijd op de door de leverancier aangevraagde datum.
Als de datum van de wissel in de toekomst ligt, voert de elektriciteitsdistributienetbeheerder die aanpassing door in zijn toegangsregister om 00u00 lokale tijd op de door de leverancier aangevraagde datum.

§ 6

Stamgegevens
Als de datum van de wissel in het verleden ligt, stelt de elektriciteitsdistributienetbeheerder, conform de handleiding voor informatieuitwisseling, binnen twee kalenderdagen na aanvaarding van de wissel de stamgegevens en het standaard jaar- of maandverbruik van het toegangspunt ter beschikking van de aanvragende leverancier. Het standaard jaar- of maandverbruik is het historisch standaard jaar- of maandverbruik van het toegangspunt.
Als de datum van de wissel in de toekomst ligt, stelt de elektriciteitsdistributienetbeheerder, conform de handleiding voor informatieuitwisseling, twee kalenderdagen voor het ingaan van de wissel de stamgegevens en het standaard jaar- of maandverbruik van het toegangspunt ter beschikking van de aanvragende leverancier. Het standaard jaar- of maandverbruik is het historisch standaard jaar- of maandverbruik van het toegangspunt.

§ 7

Bepaling van de wisselmeterstand:
Voor jaarlijks opgenomen toegangspunten wordt als wisselmeterstand de door de betrokken elektriciteitsdistributienetgebruiker aan zijn leverancier doorgegeven en door de elektriciteitsdistributienetbeheerder gevalideerde meterstand genomen. Als de elektriciteitsdistributienetgebruiker geen betrouwbare meterstand heeft doorgegeven, wordt die door de elektriciteitsdistributienetbeheerder geschat volgens de schattingsmethodieken vermeld in Artikel V.3.6.1.
Voor maandelijks opgenomen toegangspunten wordt de wisselmeterstand op de wisseldatum en -tijd berekend uit de opgenomen en door de elektriciteitsdistributienetbeheerder gevalideerde meterstand volgens de schattingsmethodieken, vermeld in Artikel V.3.6.1.
In afwijking van het voorgaande kan, bij maandelijks en jaarlijks opgenomen toegangspunten met een slimme meter, de wisselmeterstand om 00u00 lokale tijd op de wisseldatum ook bepaald worden door de elektriciteitsdistributienetbeheerder door tele-opname.
Voor toegangspunten met registratie van het verbruiksprofiel worden de wisselmeterstanden door de elektriciteitsdistributienetbeheerder bepaald op de wisseldatum om 00u00 lokale tijd door tele-opname.

§ 8

De wisselmeterstand wordt als volgt ter beschikking gesteld:
Bij een wissel in de toekomst stelt de elektriciteitsdistributienetbeheerder uiterlijk tien werkdagen na het ingaan van de wissel, de wisselmeterstand ter beschikking van de aanvragende leverancier. De daaruit afgeleide afname of injectie vanaf de voorgaande meteropname van het toegangspunt wordt ter beschikking gesteld van de aanvragende leverancier als de leverancier niet wijzigt op het toegangspunt. Het wordt ter beschikking gesteld van de oude leverancier als de leverancier wel wijzigt op het toegangspunt.
Bij een wissel in het verleden stelt de elektriciteitsdistributienetbeheerder uiterlijk tien werkdagen na de bevestigingsdatum van de wissel, de wisselmeterstand ter beschikking van de aanvragende leverancier. De daaruit afgeleide afname of injectie vanaf de voorgaande meteropname van het toegangspunt wordt ter beschikking gesteld van de aanvragende leverancier als de leverancier niet wijzigt op het toegangspunt. Het wordt ter beschikking gesteld van de oude leverancier als de leverancier wel wijzigt op het toegangspunt.

Art. IV.2.2.5. Verhuis

§ 1

Elke leverancier neemt in zijn leveringscontract met zijn klant de verplichting op dat een elektriciteitsdistributienetgebruiker op een toegangspunt dat jaarlijks opgenomen wordt, steeds aan zijn leverancier moet melden dat hij dat toegangspunt verlaat en aan die leverancier de volgende gegevens met betrekking tot het toegangspunt moet verstrekken, tenzij hij aangeeft dat het toegangspunt op zijn kosten buiten dienst mag worden gesteld:
de datum waarop hij het toegangspunt verlaat of verlaten heeft;
de meterstand of meterstanden vastgesteld door de netgebruiker op die datum;
de naam en contactgegevens van de eventuele nieuwe elektriciteitsdistributienetgebruiker of van de eigenaar van het gebouw of de installatie waaraan het toegangspunt verbonden is.
Hierbij kan hij gebruik maken van de verhuisformulieren die de VREG heeft opgesteld en ter beschikking stelt.

§ 2

Als de leverancier van de vertrekkende elektriciteitsdistributienetgebruiker de gevalideerde meterstand ontvangt van de elektriciteitsdistributienetbeheerder (doorgegeven door de leverancier van de nieuwe elektriciteitsdistributienetgebruiker) controleert hij of dit overeenkomt met de meterstand op het verhuisdocument dat ondertekend is door beide bewoners. Bij gebrek aan overeenstemming stuurt hij een rectificatiebericht.

§ 3

Als het toegangspunt niet buiten dienst wordt gesteld en de leverancier geen geldige contractuele band heeft met de elektriciteitsdistributienetgebruiker op het toegangspunt, kan de leverancier die situatie melden aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder. Daarbij verstrekt hij de gegevens, opgesomd in bovenstaande paragraaf, conform de handleiding voor informatie-uitwisseling.

§ 4

Binnen 48 uur na ontvangst van de melding beoordeelt de elektriciteitsdistributienetbeheerder conform de handleiding voor informatieuitwisseling, of de melding aanvaard of verworpen wordt. Hij brengt de leverancier daarvan op de hoogte.

§ 5

Uiterlijk om 24u00 lokale tijd op de dertigste kalenderdag na de melding door de leverancier stopt de elektriciteitsdistributienetbeheerder de levering van de leverancier aan dat toegangspunt, registreert hij dit in zijn toegangsregister en meldt hij dat aan de leverancier, tenzij het toegangspunt in die periode toch buiten dienst wordt gesteld, of de levering op het toegangspunt door een klantenwissel of een klanten- en leverancierswissel geregulariseerd wordt.

§ 6

De elektriciteitsdistributienetbeheerder neemt op zijn beurt binnen tien werkdagen na bevestigingsdatum schriftelijk contact op met de mogelijke nieuwe netgebruiker of met de eigenaar van het gebouw of de installatie als die gegevens door de leverancier werden bezorgd. Als de gegevens niet beschikbaar zijn of niet betrouwbaar blijken, doet de elektriciteitsdistributienetbeheerder een administratief onderzoek naar de contactgegevens van een mogelijke nieuwe netgebruiker of eigenaar van het gebouw en gebruikt hij die informatie in zijn pogingen met een mogelijke nieuwe netgebruiker op het toegangspunt contact op te nemen.
Bij zijn contact met de mogelijke nieuwe netgebruiker of eigenaar van het gebouw, wijst hij die op zijn plicht zijn verhuizing te melden aan zijn leverancier, om een leverancier aan te wijzen op het toegangspunt en dat met die leverancier te regelen of het toegangspunt uiterlijk binnen tien werkdagen buiten dienst te laten stellen. De elektriciteitsdistributienetbeheerder meldt eveneens de mogelijke gevolgen als de afnemer niet zou reageren. Naargelang van de beschikbare gegevens neemt hij telefonisch of per brief contact op.

§ 7

Als de nieuwe netgebruiker of eigenaar van het gebouw of wooneenheid hierop niet tijdig reageert, gaat de elektriciteitsdistributienetbeheerder ter plaatse om een regularisatiedocument te laten ondertekenen door de netgebruiker. Dat document biedt aan de netgebruiker drie mogelijkheden:
als de netgebruiker over een geldig leveringscontract beschikt op zijn oude adres, maar zijn leverancier nog niet op de hoogte heeft gebracht zijn verhuizing, dan geeft hij de naam van zijn huidige leverancier door;
als de netgebruiker nog niet over een geldig leveringscontract beschikt, dan wijst hij de leverancier van de vorige bewoner aan als zijn leverancier;
het toegangspunt mag buiten dienst worden gesteld.

§ 8

De netbeheerder stuurt, indien van toepassing, binnen vijf werkdagen na ontvangst het ingevulde en ondertekende regularisatiedocument door naar de leverancier in kwestie.

§ 9

De leverancier die dit regularisatiedocument ontvangt, neemt onmiddellijk en uiterlijk binnen vijf werkdagen de nodige maatregelen om de levering op het toegangspunt te regulariseren door middel van een melding van klantenwissel of een gelijktijdige klanten- en leverancierswissel waarvan de wisseldatum overeenkomt met de datum, vermeld op het regularisatiedocument rekening houdend met de bepalingen en beperkingen in Artikel IV.2.2.4.

§ 10

Uiterlijk tien werkdagen na het beëindigen van de levering stelt de elektriciteitsdistributienetbeheerder, conform de handleiding voor informatieuitwisseling, de eindmeterstanden en de daaruit afgeleide afname of injectie vanaf de voorgaande meteropname van het toegangspunt ter beschikking van de leverancier.

Art. IV.2.2.6. Wissel van evenwichtsverantwoordelijke

§ 1

Een wissel van evenwichtsverantwoordelijke kan alleen ingaan om 0u00 lokale tijd.

§ 2

Als een leverancier de aanwijzing van een evenwichtsverantwoordelijke op een of meer toegangspunten wil veranderen, moet hij de identiteit en de contactgegevens van die partij, alsook een verklaring van samenwerking ermee, minstens dertig kalenderdagen voor de wisseldatum en uiterlijk vijf werkdagen voor de aanvraag van de wissel aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder bezorgen.

§ 3

De elektriciteitsdistributienetbeheerder meldt binnen vijf werkdagen na de melding van de leverancier, vermeld in §2, of die volledig is en of de wissels kunnen worden aangevraagd. Hij motiveert een negatief antwoord met vermelding van de noodzakelijke aanpassingen.

§ 4

De leverancier meldt de wissel van evenwichtsverantwoordelijke minstens tien en maximum zestig kalenderdagen vooraf.

§ 5

Binnen 48 uur na ontvangst van de aanvraag beoordeelt de elektriciteitsdistributienetbeheerder conform de handleiding voor informatie-uitwisseling of de aanvraag aanvaard of verworpen wordt. Hij brengt de leverancier van die beslissing op de hoogte.

§ 6

Voor jaarlijks opgenomen toegangspunten met berekend verbruiksprofiel schat de elektriciteitsdistributienetbeheerder de meterstanden op het moment van de wissel van evenwichtsverantwoordelijke door interpolatie volgens de principes, vermeld in Artikel V.3.6.1. Voor maandelijks opgenomen toegangspunten met berekend verbruiksprofiel neemt de elektriciteitsdistributienetbeheerder de meterstand op rond het moment van de wissel van evenwichtsverantwoordelijke.

§ 7

In afwijking van het voorgaande kan, bij maandelijks en jaarlijks opgenomen toegangspunten met een slimme meter, de wisselmeterstand om 0u00 lokale tijd op de wisseldatum ook bepaald worden door de elektriciteitsdistributienetbeheerder door tele-opname.

Art. IV.2.2.7. Opzegging contract door leverancier bij huishoudelijke afnemers

§ 1

De beëindiging van de contractuele overeenkomsten met betrekking tot de afname of injectie op een toegangspunt, moet minstens zestig kalenderdagen vooraf door de leverancier aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder gemeld worden.

§ 2

Binnen 48 uur na ontvangst van de melding beoordeelt de elektriciteitsdistributienetbeheerder conform de handleiding voor informatie-uitwisseling of de melding aanvaard of verworpen wordt. Hij brengt de leverancier van die beslissing op de hoogte.

§ 3

De elektriciteitsdistributienetbeheerder neemt binnen tien werkdagen na ontvangst van het bericht contact op met de elektriciteitsdistributienetgebruiker. Hierbij wijst hij hem op zijn plicht om een leverancier aan te wijzen op het toegangspunt en dat met die leverancier te regelen uiterlijk acht kalenderdagen vóór het einde van de opzegtermijn. De elektriciteitsdistributienetbeheerder meldt eveneens de mogelijke gevolgen als de afnemer niet zou reageren. Naargelang van de beschikbare gegevens neemt hij telefonisch of per brief contact op. De elektriciteitsdistributienetbeheerder verstuurt een meteropnamekaart naar de elektriciteitsdistributienetgebruiker.

§ 4

De melding bedoeld in §1 kan tot acht kalenderdagen voor de door de leverancier aangevraagde einddatum van levering kan door hem geannuleerd worden.

§ 5

De levering aan het toegangspunt door de leverancier wordt stopgezet om 0u00 lokale tijd op de door de leverancier gevraagde datum. De elektriciteitsdistributienetbeheerder registreert dat in zijn toegangsregister.

§ 6

Uiterlijk dertig kalenderdagen na het beëindigen van de levering stelt de elektriciteitsdistributienetbeheerder, conform de handleiding voor informatieuitwisseling, de eindmeterstanden en de daaruit afgeleide afname of injectie vanaf de voorgaande meteropname van het toegangspunt ter beschikking van de leverancier.

§ 7

In afwijking van §1 gebeurt de melding voor injectiepunten door de partij die toegang heeft verkregen onder de voorwaarden van het toegangsreglement.

Art. IV.2.2.8. Leverancierswissel na opzegging contract bij huishoudelijke afnemers

§ 1

Een nieuwe leverancier kan zich steeds melden voor een toegangspunt waarop een andere leverancier zijn contractuele overeenkomst beëindigt in de periode dat een annulering mogelijk is tot acht kalenderdagen voor de door de leverancier aangevraagde einddatum voor de levering.

§ 2

Binnen 48 uur na ontvangst van de melding beoordeelt de elektriciteitsdistributienetbeheerder conform de handleiding voor informatie-uitwisseling of de leverancierswissel aanvaard of verworpen wordt. Hij brengt de nieuwe leverancier van zijn beslissing op de hoogte. Bij aanvaarding wordt de huidige leverancier gelijktijdig op de hoogte gebracht van de stopzetting van de levering.

§ 3

De nieuwe leverancier neemt de levering op het toegangspunt over ten laatste om 00u00 lokale tijd op de datum waarop de huidige leverancier heeft aangevraagd te stoppen met leveren. De leverancierswissel wordt gelijktijdig doorgevoerd door de elektriciteitsdistributienetbeheerder in zijn toegangsregister.

§ 4

Vijf kalenderdagen voor het ingaan van de leverancierswissel stelt de elektriciteitsdistributienetbeheerder, conform de handleiding voor informatieuitwisseling, de stamgegevens en het standaard jaar- of maandverbruik van het toegangspunt ter beschikking van de nieuwe leverancier.

§ 5

Uiterlijk vijftien werkdagen na het ingaan van de wissel stelt de elektriciteitsdistributienetbeheerder, conform de handleiding voor informatieuitwisseling, de historische verbruiksgegevens van het toegangspunt ter beschikking van de nieuwe leverancier.

§ 6

Uiterlijk tien kalenderdagen na het ingaan van de wissel stelt de elektriciteitsdistributienetbeheerder, conform de handleiding voor informatieuitwisseling, de wisselmeterstanden van het toegangspunt ter beschikking van de nieuwe leverancier.

§ 7

Uiterlijk tien kalenderdagen na het ingaan van de wissel stelt de elektriciteitsdistributienetbeheerder, conform de handleiding voor informatieuitwisseling, de wisselmeterstanden en de daaruit afgeleide afname of injectie vanaf de voorgaande meteropname van het toegangspunt ter beschikking van de oude leverancier.

§ 8

Als er geen leverancierswissel heeft plaatsgevonden op de door de leverancier aangevraagde einddatum voor de levering start de elektriciteitsdistributienetbeheerder de leveringen.

Art. IV.2.2.9. Opzegging contract door leverancier bij niet-huishoudelijke afnemers.

§ 1

De beëindiging van de contractuele overeenkomsten met betrekking tot de afname of injectie op een toegangspunt, moet minstens dertig kalenderdagen vooraf door de leverancier aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder gemeld worden.

§ 2

Binnen 48 uur na ontvangst van de melding beoordeelt de elektriciteitsdistributienetbeheerder conform de handleiding voor informatie-uitwisseling of de melding aanvaard of verworpen wordt. Hij brengt de leverancier van die beslissing op de hoogte.

§ 3

De elektriciteitsdistributienetbeheerder neemt binnen tien werkdagen contact op met de elektriciteitsdistributienetgebruiker. Hierbij wijst hij hem op zijn plicht om een leverancier aan te wijzen op het toegangspunt en dat met die leverancier te regelen uiterlijk tien kalenderdagen vóór het einde van de opzegtermijn. De elektriciteitsdistributienetbeheerder meldt eveneens de mogelijke gevolgen als de afnemer niet zou reageren. Naargelang van de beschikbare gegevens neemt hij telefonisch of per brief contact op.

§ 4

De melding bedoeld in §1 kan tot zeven kalenderdagen voor de door de leverancier aangevraagde einddatum voor de levering door hem geannuleerd worden.

§ 5

De levering aan het toegangspunt door de leverancier wordt stopgezet om 0u00 lokale tijd op de door de leverancier gevraagde datum. De elektriciteitsdistributienetbeheerder registreert dat in zijn toegangsregister.

§ 6

Uiterlijk tien werkdagen na het beëindigen van de levering stelt de elektriciteitsdistributienetbeheerder, conform de handleiding voor informatieuitwisseling, de eindmeterstanden en de daaruit afgeleide afname of injectie vanaf de voorgaande meteropname van het toegangspunt ter beschikking van de leverancier.

§ 7

In afwijking van §1 gebeurt de melding voor injectiepunten door de partij die toegang heeft verkregen onder de voorwaarden van het toegangsreglement.

Art. IV.2.2.10. Leverancierswissel na opzegging contract bij niet-huishoudelijke afnemers

§ 1

Een nieuwe leverancier kan zich steeds melden voor een toegangspunt waarop een andere leverancier zijn contractuele overeenkomst beëindigt in de periode dat een annulering mogelijk is tot 7 kalenderdagen voor de door de leverancier aangevraagde einddatum voor de levering.

§ 2

Binnen 48 uur na ontvangst van de melding beoordeelt de elektriciteitsdistributienetbeheerder conform de handleiding voor informatie-uitwisseling of de leverancierswissel aanvaard of verworpen wordt. Hij brengt de nieuwe leverancier van zijn beslissing op de hoogte. Indien van toepassing, wordt de huidige leverancier gelijktijdig op de hoogte gebracht van de annulering van zijn lopende aanvraag.

§ 3

De nieuwe leverancier neemt de levering op het toegangspunt over ten laatste om 0u00 lokale tijd op de datum waarop de huidige leverancier heeft aangevraagd te stoppen met leveren. De leverancierswissel wordt gelijktijdig doorgevoerd door de elektriciteitsdistributienetbeheerder in zijn toegangsregister.

§ 4

Vijf kalenderdagen voor het ingaan van de leverancierswissel stelt de elektriciteitsdistributienetbeheerder, conform de handleiding voor informatieuitwisseling, de stamgegevens en het standaard jaar- of maandverbruik van het toegangspunt ter beschikking van de nieuwe leverancier.

§ 5

Uiterlijk vijftien werkdagen na het ingaan van de wissel stelt de elektriciteitsdistributienetbeheerder, conform de handleiding voor informatieuitwisseling, de historische verbruiksgegevens van het toegangspunt ter beschikking van de nieuwe leverancier.

§ 6

Uiterlijk tien werkdagen kalenderdagen na het ingaan van de wissel stelt de elektriciteitsdistributienetbeheerder, conform de handleiding voor informatie-uitwisseling, de wisselmeterstanden van het toegangspunt ter beschikking van de nieuwe leverancier.

§ 7

Uiterlijk tien werkdagen na het ingaan van de wissel stelt de elektriciteitsdistributienetbeheerder, conform de handleiding voor informatieuitwisseling, de wisselmeterstanden en de daaruit afgeleide afname of injectie vanaf de voorgaande meteropname van het toegangspunt ter beschikking van de oude leverancier.

§ 8

Als er geen leverancierswissel heeft plaatsgevonden op de door de leverancier aangevraagde einddatum voor de levering levert de elektriciteitsdistributienetbeheerder tot op het moment van de afsluiting.

Art. IV.2.2.11. Mystery Switch

§ 1

Een elektriciteitsdistributienetgebruiker die meent onterecht van leverancier te zullen veranderen of te zijn veranderd, kan dat melden ofwel aan zijn eigenlijke leverancier, ofwel aan de leverancier die onterecht een leverancierswissel op zijn toegangspunt heeft aangevraagd.

§ 2

De gecontacteerde partij meldt uiterlijk twee werkdagen na melding van de getroffen netgebruiker die gecontesteerde wissel aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder.

§ 3

Binnen 48 uur na de melding beoordeelt de elektriciteitsdistributienetbeheerder conform de handleiding voor informatie-uitwisseling of die melding aanvaard of verworpen wordt. Hij brengt de verzender van de beslissing op de hoogte alsook de andere betrokken leverancier.

§ 4

De leverancier die de gecontesteerde leverancierswissel heeft aangevraagd, controleert binnen twee werkdagen of de leverancierswissel daadwerkelijk verkeerdelijk of onterecht door hem werd aangevraagd en meldt het resultaat aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder. Als blijkt dat de leverancierswissel toch terecht gebeurd is, meldt hij dat onmiddellijk aan de betrokken netgebruiker.

§ 5

Als de leverancier die de gecontesteerde leverancierswissel heeft aangevraagd, bevestigt dat de wissel inderdaad onterecht of verkeerdelijk was, dan meldt de elektriciteitsdistributienetbeheerder dat uiterlijk twee werkdagen na die bevestiging aan de eigenlijke leverancier.

§ 6

Als de aangevraagde onterechte leverancierswissel nog niet uitgevoerd werd in het toegangsregister en geannuleerd kan worden, dan annuleert de leverancier die onterecht de leverancierswissel heeft aangevraagd de aanvraag gelijktijdig met de bevestiging aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder dat de wissel verkeerdelijk of onterecht door hem werd aangevraagd.

§ 7

Als de onterechte leverancierswissel al uitgevoerd werd in het toegangsregister of niet geannuleerd kan worden, dan vraagt de eigenlijke leverancier een nieuwe leverancierswissel uiterlijk vijf werkdagen na ontvangst van de bevestiging van de elektriciteitsdistributienetbeheerder dat de leverancierswissel onterecht was aangevraagd. De wisseldatum in die aanvraag ligt minstens zeven kalenderdagen in de toekomst voor jaarlijks opgenomen toegangspunten of op de eerste dag van de volgende maand voor maandelijks of doorlopend opgenomen toegangspunten.

§ 8

Binnen 48 uur na ontvangst van de aanvraag beoordeelt de elektriciteitsdistributienetbeheerder conform de handleiding voor informatieuitwisseling, of de aanvraag voor een nieuwe leverancierswissel aanvaard of verworpen wordt. Hij brengt beide leveranciers van die beslissing op de hoogte. Bij aanvaarding verzendt hij tegelijk de stamgegevens en het standaard jaar- of maandverbruik van het toegangspunt naar de eigenlijke leverancier.

§ 9

De elektriciteitsdistributienetbeheerder schat de wisselmeterstand op de wisseldatum en -tijd volgens de methodieken, vermeld in Artikel V.3.6.1.

§ 10

Uiterlijk vijftien werkdagen na het ingaan van de wissel stelt de elektriciteitsdistributienetbeheerder, conform de handleiding voor informatieuitwisseling, de historische verbruiksgegevens van het toegangspunt ter beschikking van de eigenlijke leverancier.

§ 11

Uiterlijk tien werkdagen na het ingaan van de wissel stelt de elektriciteitsdistributienetbeheerder, conform de handleiding voor informatieuitwisseling, de geschatte wisselmeterstanden van het toegangspunt ter beschikking van de eigenlijke leverancier.

§ 12

Uiterlijk tien werkdagen na het ingaan van de wissel stelt de elektriciteitsdistributienetbeheerder, conform de handleiding voor informatieuitwisseling, de geschatte wisselmeterstanden en de daaruit afgeleide afname of injectie vanaf de voorgaande meteropname van het toegangspunt ter beschikking van de leverancier die onterecht de leverancierswissel heeft aangevraagd.

§ 13

De leverancier die onterecht de leverancierswissel heeft aangevraagd verrekent de kosten voor de elektriciteitsafname en het gebruik van het elektriciteitsdistributienet en transmissienet in de periode dat hij onterecht aan het betrokken toegangspunt leverde (berekend op basis van de wisselmeterstanden) niet aan de betrokken elektriciteitsdistributienetgebruiker. Indien van toepassing annuleert hij al verstuurde verrekeningen aan de elektriciteitsdistributienetgebruiker of betaalt facturen die de elektriciteitsdistributienetgebruiker al heeft betaald terug.

§ 14

De eigenlijke leverancier meldt aan de getroffen elektriciteitsdistributienetgebruiker (zijn klant) tien werkdagen na de bevestiging van de elektriciteitsdistributienetbeheerder dat hij opnieuw levert aan dat toegangspunt en dat de onterechte wissel werd rechtgezet.

Art. IV.2.2.12. Wijziging van informatie over toegangspunt

§ 1

De leverancier meldt aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder elke wijziging met betrekking tot de naam en het contactadres van de elektriciteitsdistributienetgebruiker op het toegangspunt in kwestie, alsook elke wijziging van het type elektriciteitsdistributienetgebruiker (huishoudelijk of niet-huishoudelijk) en het ondernemingsnummer binnen twee werkdagen nadat hij van die wijziging op de hoogte werd gebracht.

§ 2

Binnen 48 uur na ontvangst van de melding beoordeelt de elektriciteitsdistributienetbeheerder conform de handleiding voor informatieuitwisseling, of de melding aanvaard of verworpen wordt. Hij brengt de leverancier van die beslissing op de hoogte en past de gegevens aan in zijn toegangsregister.

§ 3

Elke wijziging in de informatie over een toegangspunt dat bijgehouden wordt in het toegangsregister zoals beschreven in Artikel IV.2.1.3§1, wordt doorgevoerd in het toegangsregister en gecommuniceerd aan de leverancier op het toegangspunt binnen tien werkdagen nadat de elektriciteitsdistributienetbeheerder op de hoogte werd gebracht van de wijziging of zelf die wijzigingen heeft aangebracht.

§ 4

Voor toegangspunten met jaarlijkse meteropname wordt een eventuele wijziging van opnamemaand binnen twee maanden voor de vroegste datum van de oude of nieuwe opnamedatum door de elektriciteitsdistributienetbeheerder aangekondigd bij de betrokken leverancier, conform de handleiding voor informatie-uitwisseling.

Art. IV.2.2.13. Rechtzetting van fouten in het toegangsregister

§ 1

Mogelijke fouten in de informatie van een toegangspunt dat in het toegangsregister wordt beheerd, worden door de leverancier en de elektriciteitsdistributienetbeheerder onmiddellijk aan elkaar gemeld. Daarvoor stellen zij gezamenlijk een meldings- en afhandelingsprocedure op en beschrijven die in de handleiding voor informatieuitwisseling. Typefouten of groepen van fouten en de bijbehorende behandeling worden beschreven in een catalogus die wordt geactualiseerd op basis van overleg tussen leveranciers en elektriciteitsdistributienetbeheerders.

§ 2

De meldings- en afhandelingsprocedure en de in de catalogus beschreven behandeling bevatten minstens de volgende stappen:
melding door de leverancier of elektriciteitsdistributienetbeheerder aan de andere partij, met aanduiding van de typefout;
beoordeling door de andere partij van de gemelde fout met terugmelding van de aanvaarding of verwerping van dat bericht binnen 48 uur na ontvangst. Bij aanvaarding wordt door de ontvangende partij een uniek referentienummer toegekend aan de foutmelding;
de aanvaarde foutmelding wordt behandeld conform de procedure en het tijdschema die in de catalogus zijn vastgelegd;
beide partijen communiceren aan elkaar de nodige wijzigingen in de stamgegevens ter correctie van de fout.
beide partijen nemen de nodige maatregelen om de fout in de eigen gegevensbestanden en processen recht te zetten en bevestigen de afhandeling ervan aan elkaar;
als dit is overeengekomen tussen de leveranciers en de netbeheerders en zoals vastgelegd in de catalogus, worden andere processen en verrekeningen al dan niet met terugwerkende kracht (nettarieffactuur, allocatie, reconciliatie) tussen beide partijen gelijktijdig rechtgezet.

Art. IV.2.2.14.
De handleiding voor informatie-uitwisseling bij het EDIEL-protocol beschrijft de sequentie van de boodschappen bij elk wijzigingsproces, alsook de vorm en de inhoud van de boodschappen, en de modaliteiten bij het annuleren van een aangekondigde wijziging.

Art. IV.2.2.15.
Voor de verwerking van de correct toegepaste aanvragen en meldingen van leveranciers, beschreven in deze afdeling, worden geen kosten aangerekend aan de betrokken leveranciers.

Art. IV.2.2.16.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder voorziet in een procedure waardoor hij de aanwijzingen van toegangshouder en evenwichtsverantwoordelijke in het toegangsregister zelf kan aanpassen ingeval de toegangshouder of de evenwichtsverantwoordelijke niet meer aan hun verplichtingen kunnen voldoen.

Afdeling IV.2.3.
Berichten van aanwijzing en wijziging voor toegangspunten op spanningen groter dan of gelijk aan 30 kv


Art. IV.2.3.1.
Per toegangspunt op een spanning hoger dan of gelijk aan 30 kV wijst een elektriciteitsdistributienetgebruiker een toegangshouder aan die met de elektriciteitsdistributienetbeheerder een toegangscontract afsluit. Voor afnamepunten wijst de toegangshouder een of meer leveranciers aan met een geldige leveringsvergunning of die voldoen aan de eisen gesteld door een andere lidstaat van de Europese Unie, de federale overheid of een andere gewestelijke energieregulator in verband met de levering van elektriciteit en voor elk van hen een evenwichtsverantwoordelijke. Voor injectiepunten wijst de toegangshouder een of meer evenwichtsverantwoordelijken aan.

Art. IV.2.3.2.

§ 1

De melding van een wijziging van toegangshouder voor toegangspunten op spanningen groter dan of gelijk aan 30 kV gebeurt door de nieuwe toegangshouder, minstens eenentwintig kalenderdagen vooraf.

§ 2

Als de toegangshouder en de toegangspunten waarop het toegangscontract betrekking heeft, ongewijzigd blijven, gebeurt de melding van een wijziging van leverancier of evenwichtsverantwoordelijke door de toegangshouder, en dit minstens tien werkdagen vooraf.

§ 3

De elektriciteitsdistributienetbeheerder beoordeelt binnen vijf werkdagen of de wijziging aanvaard of verworpen wordt, en brengt de (nieuwe) toegangshouder van die beslissing op de hoogte. Indien van toepassing waarschuwt hij de vorige toegangshouder, die op zijn beurt de betrokken leverancier of evenwichtsverantwoordelijke op de hoogte brengt.

Art. IV.2.3.3.
Elke wissel van een elektriciteitsdistributienetgebruiker op een toegangspunt wordt door de toegangshouder gemeld aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder zodra hij daarvan op de hoogte wordt gebracht door de elektriciteitsdistributienetgebruiker. Hij vermeldt daarbij de datum van de wissel.

Art. IV.2.3.4.

§ 1

De beëindiging van de contractuele overeenkomsten met betrekking tot de afname of injectie op een toegangspunt, moet minstens dertig kalenderdagen vooraf door de toegangshouder aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder gemeld worden.

§ 2

De elektriciteitsdistributienetbeheerder vraagt binnen tien werkdagen aan de elektriciteitsdistributienetgebruiker een nieuwe toegangshouder aan te duiden die het nieuwe toegangscontract zal afsluiten. Dat toegangscontract moet uiterlijk tien werkdagen voor het einde van de opzegtermijn worden gesloten.

Art. IV.2.3.5.
De toegangshouder meldt aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder elke wijziging met betrekking tot de naam en het contactadres van de elektriciteitsdistributienetgebruiker op het toegangspunt in kwestie, alsook elke wijziging van het ondernemingsnummer, binnen twee werkdagen nadat hij daarvan op de hoogte werd gebracht.

Art. IV.2.3.6.
Elke wijziging in de informatie over een toegangspunt die bijgehouden wordt in het toegangsregister zoals beschreven in Artikel IV.2.1.3§1, wordt doorgevoerd in het toegangsregister en gecommuniceerd aan de toegangshouder op het toegangspunt binnen tien werkdagen nadat de elektriciteitsdistributienetbeheerder op de hoogte werd gebracht van de wijziging of zelf die wijzigingen heeft aangebracht.

Art. IV.2.3.7.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder voorziet in een procedure waardoor hij de aanwijzingen van toegangshouder en evenwichtsverantwoordelijken in het toegangsregister zelf kan aanpassen ingeval de toegangshouder of de evenwichtsverantwoordelijke niet meer aan hun verplichtingen kunnen voldoen.

Hoofdstuk IV.3.
Toegangsprocedure voor elektriciteitsdistributienetten


Afdeling IV.3.1.
Algemeen


Art. IV.3.1.1.
De toegang tot het elektriciteitsdistributienet, zoals vermeld in de toegangscode en in de documenten waarnaar wordt verwezen, impliceert, met uitzondering van toegangspunten op spanningen groter dan of gelijk aan 30 kV, de toegang tot de aansluitingsinstallaties die door de elektriciteitsdistributienetbeheerder worden beheerd.

Art. IV.3.1.2.

§ 1

Toegang tot het elektriciteitsdistributienet op spanningen kleiner dan 30 kV wordt verkregen na een door de elektriciteitsdistributienetbeheerder goedgekeurde toegangsaanvraag. Het toegangsreglement is van toepassing op iedere toegangshouder die toegang heeft verkregen.

§ 2

Toegang tot het elektriciteitsdistributienet op spanningen groter dan of gelijk aan 30 kV kan pas verkregen worden na het afsluiten van een toegangscontract tussen de toegangshouder en de elektriciteitsdistributienetbeheerder. Elk toegangscontract moet voorafgegaan worden door een door de elektriciteitsdistributienetbeheerder goed te keuren toegangsaanvraag.

Afdeling IV.3.2.
Toegangsaanvraag en toegangsreglement voor toegangspunten op spanningen kleiner dan 30 kV


Art. IV.3.2.1.
Elke leverancier of producent kan bij de elektriciteitsdistributienetbeheerder een toegangsaanvraag voor toegang tot het elektriciteitsdistributienet op spanningen kleiner dan 30 kV indienen.

Art. IV.3.2.2.
Elke toegangsaanvraag wordt ingediend volgens de procedure van de elektriciteitsdistributienetbeheerder. Die procedure specificeert de voorwaarden waaraan een toegangsaanvraag moet voldoen om voor de elektriciteitsdistributienetbeheerder ontvankelijk te zijn.

Art. IV.3.2.3.
Een toegangsaanvraag omvat onder meer de volgende elementen:
de identiteit en contactgegevens van de aanvrager (naam, adres, ondernemingsnummer, EAN-GLN ...);
de identiteit en contactgegevens van de evenwichtsverantwoordelijke(n) waarmee de aanvrager zal samenwerken (naam, adres, ondernemingsnummer, EAN-GLN
een verklaring van samenwerking tussen de aanvrager de en evenwichtsverantwoordelijke;
de wijze van financiële borgstelling;
de ingangsdatum waarop toegang tot het net van de elektriciteitsdistributienetbeheerder wordt aangevraagd.

Art. IV.3.2.4.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder gaat na of de aanvraag volledig is. Als de aanvraag niet volledig is, meldt hij aan de aanvrager uiterlijk één maand na ontvangst van de aanvraag welke elementen er ontbreken.

Art. IV.3.2.5.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder gaat na of de aanvrager de volgende voorwaarden voor het verkrijgen van toegang tot het elektriciteitsdistributienet heeft vervuld:
indien de toegangsaanvraag betrekking heeft op afnamepunten: de aanvrager beschikt over een geldige leveringsvergunning of voldoet aan de eisen gesteld door een andere lidstaat van de Europese Unie, de federale overheid of een andere gewestelijke energieregulator in verband met de levering van elektriciteit;
de aanvrager is zelf evenwichtsverantwoordelijke of heeft een overeenkomst met een of meer evenwichtsverantwoordelijke(n);
de evenwichtsverantwoordelijken zijn opgenomen in het register van toegangsverantwoordelijken;
de ingangsdatum waarop toegang tot het net van de elektriciteitsdistributienetbeheerder wordt aangevraagd, ligt minstens één maand in de toekomst;
de wijze van financiële borgstelling voldoet aan de gespecificeerde voorwaarden.

Art. IV.3.2.6.

§ 1

Als de aanvraag niet wordt goedgekeurd, meldt de elektriciteitsdistributienetbeheerder aan de aanvrager uiterlijk één maand na ontvangst van de volledige aanvraag welke voorwaarden niet zijn vervuld. Tevens wordt melding gemaakt van de beroepsmogelijkheden bij de VREG tegen die beslissing.

§ 2

Als de toegangsaanvraag betrekking heeft op afnamepunten: Als de aanvrager nog niet beschikt over een geldige leveringsvergunning en niet voldoet aan de eisen gesteld door een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte, de federale overheid of een andere gewestelijke bevoegdheid in verband met de levering van elektriciteit zal de elektriciteitsdistributienetbeheerder toch al starten met het onderzoek om na te gaan of er voldaan wordt aan de verschillende voorwaarden voor het verkrijgen van toegang tot het elektriciteitsdistributienet en dit vanaf het moment dat de kandidaat leverancier zich aanmeldt om toegang te krijgen. De aanvraag voor toegang tot het elektriciteitsdistributienet zal echter pas goedgekeurd worden nadat de aanvrager een geldige leveringsvergunning verkregen heeft of aangetoond te voldoen aan de eisen gesteld door een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte, de federale overheid of een andere gewestelijke bevoegde overheid.

§ 3

Als de aanvraag voor toegang tot het elektriciteitsdistributienet wordt goedgekeurd door de elektriciteitsdistributienetbeheerder, verkrijgt de aanvrager toegang tot het elektriciteitsdistributienet onder de voorwaarden van het toegangsreglement van de elektriciteitsdistributienetbeheerder.

Art. IV.3.2.7.

§ 1

Het toegangsreglement bevat, naast verwijzingen naar dit Technisch Reglement Distributie Elektriciteit, onder meer de volgende elementen:
de wederzijdse rechten en plichten;
de aansprakelijkheidsregeling;
de betalingsvoorwaarden en financiële borgstellingen.

§ 2

Voor toegangspunten op elektriciteitsdistributienetten op spanningen kleiner dan 30 kV is het onderschreven vermogen per toegangspunt gelijk aan het maximum van de piekvermogens van de voorbije twaalf maanden.

§ 3

Wat de verplichting van de elektriciteitsdistributienetbeheerder tot het verstrekken van gegevens betreft, waaronder in het bijzonder meetgegevens, moet de elektriciteitsdistributienetbeheerder in het toegangsreglement voorzien in een regeling van (forfaitaire) schadeloosstelling ingeval hij zijn verplichtingen niet nakomt.

Afdeling IV.3.3.
Toegangsaanvraag en toegangscontract voor toegangspunten op spanningen groter dan of gelijk aan 30 kV


Art. IV.3.3.1.
Elke leverancier, producent, evenwichtsverantwoordelijke of elektriciteitsdistributienetgebruiker kan bij de elektriciteitsdistributienetbeheerder een toegangsaanvraag voor toegang tot het net op spanningen groter dan of gelijk aan 30 kV indienen.

Art. IV.3.3.2.
Elke toegangsaanvraag wordt ingediend volgens de procedure van de elektriciteitsdistributienetbeheerder. Die procedure specificeert de voorwaarden waaraan een toegangsaanvraag moet voldoen om voor de elektriciteitsdistributienetbeheerder ontvankelijk te zijn.

Art. IV.3.3.3.
Een toegangsaanvraag omvat onder meer de volgende elementen:
de identiteit en contactgegevens van de aanvrager (naam, adres, ondernemingsnummer, EAN-GLN ...);
de identiteit en contactgegevens van de evenwichtsverantwoordelijke(n) waarmee de aanvrager zal samenwerken (naam, adres, ondernemingsnummer, EAN-GLN
een verklaring van samenwerking tussen de aanvrager en de evenwichtsverantwoordelijke;
de wijze van financiële borgstelling;
de ingangsdatum waarop toegang tot het net van de elektriciteitsdistributienetbeheerder wordt aangevraagd.

Art. IV.3.3.4.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder gaat na of de aanvraag volledig is. Als de aanvraag niet volledig is, meldt hij aan de aanvrager uiterlijk één maand na ontvangst van de aanvraag welke elementen er ontbreken.

Art. IV.3.3.5.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder gaat na of de aanvrager de volgende voorwaarden voor het verkrijgen van toegang tot het elektriciteitsdistributienet heeft vervuld:
de aanvrager is zelf evenwichtsverantwoordelijke of heeft een overeenkomst met een of meer evenwichtsverantwoordelijken;
de evenwichtsverantwoordelijken zijn opgenomen in het register van Toegangsverantwoordelijken;
de ingangsdatum waarop toegang tot het net van de elektriciteitsdistributienetbeheerder wordt aangevraagd, ligt minstens één maand in de toekomst;
de wijze van financiële borgstelling voldoet aan de gespecificeerde voorwaarden.

Art. IV.3.3.6.

§ 1

Als de aanvraag niet wordt goedgekeurd, meldt de elektriciteitsdistributienetbeheerder aan de aanvrager uiterlijk één maand na ontvangst van de volledige aanvraag welke voorwaarden niet zijn vervuld. Tevens wordt melding gemaakt van de beroepsmogelijkheden bij de VREG tegen die beslissing.

§ 2

Als de toegangsaanvraag betrekking heeft op afnamepunten: Als de aanvrager nog niet beschikt over een geldige leveringsvergunning en niet voldoet aan de eisen gesteld door een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte, de federale overheid of een andere gewestelijke bevoegdheid in verband met de levering van elektriciteit zal de elektriciteitsdistributienetbeheerder toch al starten met het onderzoek om na te gaan of er voldaan wordt aan de verschillende voorwaarden voor het verkrijgen van toegang tot het elektriciteitsdistributienet en dit vanaf het moment dat de kandidaat leverancier zich aanmeldt om toegang te krijgen. De aanvraag voor toegang tot het elektriciteitsdistributienet zal echter pas goedgekeurd worden nadat de aanvrager een geldige leveringsvergunning verkregen heeft of aangetoond te voldoen aan de eisen gesteld door een andere lidstaat van de Europese Economische Ruimte, de federale overheid of een andere gewestelijke bevoegde overheid.

§ 3

Als een aanvraag voor toegang tot het elektriciteitsdistributienet op spanningen groter dan of gelijk aan 30 kV wordt goedgekeurd, legt de elektriciteitsdistributienetbeheerder het toegangscontract aan de aanvrager voor binnen vijf werkdagen na ontvangst van de volledige aanvraag.

Art. IV.3.3.7.

§ 1

Het toegangscontract zal, naast verwijzingen naar dit Technisch Reglement Distributie Elektriciteit, onder meer de volgende elementen bevatten:
de wederzijdse rechten en plichten;
de aansprakelijkheidsregeling;
de betalingsvoorwaarden en financiële borgstellingen;
de identiteit van de betrokken partijen (naam, adres, ondernemingsnummer, EAN-GLN ...);
de aanwijzing van de contactpersonen;
de identiteit en contactgegevens van de evenwichtsverantwoordelijken met wie de aanvrager zal samenwerken (naam, adres, ondernemingsnummer, EAN-GLN ...) als hij niet zelf de evenwichtsverantwoordelijke is;
de datum van de inwerkingtreding van het toegangscontract en de looptijd van het contract.

§ 2

Voor toegangspunten op elektriciteitsdistributienetten groter dan of gelijk aan 30 kV worden de modaliteiten voor het vastleggen en het wijzigen van het onderschreven vermogen per toegangspunt, bepaald in het toegangscontract.

§ 3

Wat de verplichting van de elektriciteitsdistributienetbeheerder tot het verstrekken van gegevens betreft, waaronder in het bijzonder meetgegevens, moet de elektriciteitsdistributienetbeheerder in het toegangsreglement of -contract voorzien in een regeling van (forfaitaire) schadeloosstelling ingeval hij zijn verplichtingen niet nakomt.

Afdeling IV.3.4.
Verklaringen en garanties van de toegangshouder en de evenwichtsverantwoordelijke


Art. IV.3.4.1.
De toegangshouder verklaart en garandeert ten opzichte van de elektriciteitsdistributienetbeheerder dat vanaf de datum van inwerkingtreding van het toegangscontract of het verkrijgen van toegang onder de voorwaarden van het toegangsreglement en voor de hele duurtijd ervan, alle door hem geplande afnamen en injecties gedekt zijn of gedekt zullen zijn door een leverings- of aankoopcontract.

Art. IV.3.4.2.
Als de toegangshouder niet zelf de evenwichtsverantwoordelijke is, moet voor elke evenwichtsverantwoordelijke met wie hij in dat verband samenwerkt, een verklaring die de toegangshouder en de evenwichtsverantwoordelijke hebben ondertekend, aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder bezorgd worden. In die verklaring wordt de samenwerking van de beide partijen bevestigd met betrekking tot (een deel van) de toegangspunten waarop de toegangshouder toegang tot het elektriciteitsdistributienet heeft. De elektriciteitsdistributienetbeheerder stelt daarvoor een modelformulier op.

Art. IV.3.4.3.
De toegangshouder of de evenwichtsverantwoordelijke waarschuwt de elektriciteitsdistributienetbeheerder onmiddellijk als een of meer van de hierboven beschreven verklaringen en garanties vervallen.

Hoofdstuk IV.4.
Toegang tot het elektriciteitsdistributienet


Afdeling IV.4.1.
Verlenen van toegang


Art. IV.4.1.1. (Her)indienststelling van een toegangspunt

§ 1

Een nieuw of buiten dienst gesteld toegangspunt kan pas in dienst genomen worden als de volgende voorwaarden vervuld zijn en de volgende vernoemde partijen werden geregistreerd voor dit toegangspunt:
het aansluitingsreglement is onderschreven door de elektriciteitsdistributienetgebruiker of een aansluitingscontract is afgesloten met de elektriciteitsdistributienetbeheerder voor de aansluiting in kwestie;
voor een toegangspunt op spanningen kleiner dan 30 kV: de leverancier die door de elektriciteitsdistributienetgebruiker is aangewezen (of, indien van toepassing, de producent), heeft toegang tot het elektriciteitsdistributienet onder de voorwaarden van het toegangsreglement van de elektriciteitsdistributienetbeheerder;
voor een toegangspunt op spanningen groter dan of gelijk aan 30 kV: er is een toegangscontract afgesloten tussen de elektriciteitsdistributienetbeheerder en de toegangshouder die de elektriciteitsdistributienetgebruiker heeft aangewezen;
er is een erkende evenwichtsverantwoordelijke voor het toegangspunt in kwestie aangewezen, of de toegangshouder is zelf evenwichtsverantwoordelijke;
de aansluiting is conform de bepalingen van dit Technisch Reglement Distributie Elektriciteit, met de van toepassing zijnde technische regelgeving en met de bepalingen van het aansluitingsreglement en, in voorkomend geval, het aansluitingscontract.

§ 2

Een elektriciteitsdistributienetgebruiker kan steeds bij de elektriciteitsdistributienetbeheerder aanvragen om zijn toegangspunt in dienst te laten nemen. Daartoe neemt hij per telefoon, via e-mail of per brief contact op met de elektriciteitsdistributienetbeheerder, die nagaat of aan de voorwaarden, vermeld in §1, voldaan is.

§ 3

Als voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in §1, en behoudens andersluidende bepalingen, spreken de elektriciteitsdistributienetgebruiker en elektriciteitsdistributienetbeheerder een datum af waarop de elektriciteitsdistributienetbeheerder het toegangspunt in dienst zal nemen. De afnemer kan eisen dat die datum binnen twee werkdagen ligt. De producent kan eisen dat die datum binnen twee weken ligt. Alleen in uitzonderlijke omstandigheden en na motivatie, kan de elektriciteitsdistributienetbeheerder afwijken van die termijn.

§ 4

Op de datum van de afspraak neemt de elektriciteitsdistributienetbeheerder het toegangspunt in dienst. De wijziging in het toegangsregister gebeurt om 00u00 lokale tijd op die datum. Als bij het ter plaatse gaan conform de afspraak met de elektriciteitsdistributienetgebruiker, de elektriciteitsdistributienetbeheerder geen toegang heeft of krijgt tot de aansluiting, vervalt de aanvraag en wordt het toegangspunt niet in dienst genomen. Voor een toegangspunt op een spanning kleiner dan 30 kV wordt de leverancier op het toegangspunt op de hoogte gebracht conform de bepalingen in Artikel IV.2.2.2.

§ 5

Behoudens andersluidende bepaling zijn de kosten voor (her)indienststelling van een toegangspunt voor rekening van de elektriciteitsdistributienetgebruiker.

Art. IV.4.1.2. Buitendienststelling van een toegangspunt

§ 1

Een elektriciteitsdistributienetgebruiker kan steeds bij de elektriciteitsdistributienetbeheerder aanvragen om zijn toegangspunt buiten dienst te laten stellen. Daartoe neemt hij contact op met de elektriciteitsdistributienetbeheerder per telefoon, via e-mail of per brief.

§ 2

Bij dat contact wordt met de elektriciteitsdistributienetbeheerder een datum afgesproken waarop het toegangspunt buiten dienst zal worden gesteld. De netgebruiker kan eisen dat dit gebeurt binnen twee werkdagen. In uitzonderlijke omstandigheden en na motivatie kan de elektriciteitsdistributienetbeheerder van die termijn afwijken.

§ 3

Op de datum van de afspraak stelt de elektriciteitsdistributienetbeheerder het toegangspunt buiten dienst. De wijziging in het toegangsregister gebeurt om 00u00 lokale tijd op die datum. Als bij het ter plaatse gaan conform de afspraak met de elektriciteitsdistributienetgebruiker, de elektriciteitsdistributienetbeheerder geen toegang heeft of krijgt tot de aansluiting, vervalt de aanvraag en wordt het toegangspunt niet buiten dienst gesteld.

§ 4

Voor een toegangspunt op een spanning kleiner dan 30 kV meldt de elektriciteitsdistributienetbeheerder binnen tien werkdagen nadat het toegangspunt buiten dienst werd gesteld, conform de handleiding voor informatie-uitwisseling, dat aan de leverancier op het toegangspunt. Dat bericht bevat eveneens de datum waarop het toegangspunt daadwerkelijk buiten dienst werd gesteld.

§ 5

Voor jaarlijks en maandelijks opgenomen toegangspunten (op spanningen kleiner dan 30 kV) stelt de elektriciteitsdistributienetbeheerder uiterlijk tien werkdagen na het buiten dienst stellen van het toegangspunt, conform de handleiding voor informatieuitwisseling, de door hem vastgestelde eindmeterstanden en de daaruit afgeleide afname of injectie vanaf de voorgaande meteropname van het toegangspunt ter beschikking van de leverancier.

§ 6

Tenzij het wettelijk of reglementair anders geregeld is, komen de daaraan verbonden kosten voor rekening van de elektriciteitsdistributienetgebruiker.

Art. IV.4.1.3.

§ 1

De elektriciteitsdistributienetgebruiker die op het elektriciteitsdistributienet is aangesloten, heeft toegang tot het elektriciteitsdistributienet ter grootte van het op het toegangspunt onderschreven vermogen. De elektriciteitsdistributienetbeheerder stelt al wat redelijkerwijs binnen zijn vermogen ligt in het werk om die toegang te verlenen.

§ 2

Als het onderschreven vermogen niet vooraf werd vastgelegd, stelt de elektriciteitsdistributienetbeheerder al wat redelijkerwijs binnen zijn vermogen ligt in het werk om toegang te verlenen ter grootte van het aansluitingsvermogen.

§ 3

Een klacht over regelmatige problemen bij injectie kan schriftelijk ingediend worden bij de elektriciteitsdistributienetbeheerder.

§ 4

Op verzoek van de elektriciteitsdistributienetgebruiker informeert de elektriciteitsdistributienetbeheerder de elektriciteitsdistributienetgebruiker over de mogelijkheid en de voorwaarden om ter plaatse een onderzoek in te stellen.

§ 5

Op verzoek van de elektriciteitsdistributienetgebruiker worden de nodige metingen uitgevoerd ter controle van een klacht met betrekking tot de onderbreking van de omvormer. De elektriciteitsdistributienetgebruiker spreekt met de elektriciteitsdistributienetbeheerder een datum af waarop die meting moet worden uitgevoerd. De elektriciteitsdistributienetgebruiker kan eisen dat die meting binnen twintig werkdagen uitgevoerd wordt. In uitzonderlijke omstandigheden en na motivatie, kan de elektriciteitsdistributienetbeheerder van die termijn afwijken.

§ 6

Een rapport met de resultaten en conclusies van die meting wordt aan de elektriciteitsdistributienetgebruiker bezorgd binnen vijftien werkdagen na de uitvoering van de meting.

§ 7

Als de metingen aantonen dat de installatie van de elektriciteitsdistributienetgebruiker beantwoordt aan de technische voorschriften van de elektriciteitsdistributienetbeheerder en dit Technisch Reglement Distributie Elektriciteit, stelt de elektriciteitsdistributienetbeheerder een oplossing voor. Als die metingen een afwijking aantonen op de installatie van de elektriciteitsdistributienetgebruiker ten opzichte van de technische voorschriften van de elektriciteitsdistributienetbeheerder of dit Technisch Reglement Distributie Elektriciteit, kunnen de kosten voor de metingen aangerekend worden aan de elektriciteitsdistributienetgebruiker. Die kosten worden door de elektriciteitsdistributienetbeheerder gepubliceerd.

§ 8

Voor de vaststellingen, vermeld in §7, kan op vraag van de elektriciteitsdistributienetgebruiker eveneens een beroep gedaan worden op een geaccrediteerd controleorganisme of een derde partij die de elektriciteitsdistributienetgebruiker en de elektriciteitsdistributienetbeheerder met wederzijdse goedkeuring hebben aangewezen en onder dezelfde voorwaarden van kostentoewijzing als vermeld in §7.

Afdeling IV.4.2.
Geplande onderbrekingen van de toegang


Art. IV.4.2.1. Geplande onderbrekingen op hoogspanning

§ 1

De elektriciteitsdistributienetbeheerder heeft het recht om, na overleg met de betrokken elektriciteitsdistributienetgebruiker, de toegang op hoogspanning te onderbreken als de veiligheid, de betrouwbaarheid of de efficiëntie van het elektriciteitsdistributienet of de aansluiting werkzaamheden vereist aan het elektriciteitsdistributienet of de aansluiting.

§ 2

Behoudens in geval van een noodsituatie, uitzonderlijke uitbatingsomstandigheden of congestie brengt de elektriciteitsdistributienetbeheerder de elektriciteitsdistributienetgebruiker op hoogspanning, alsook de toegangshouders, minstens tien werkdagen vooraf op de hoogte van de start en de vermoedelijke duur van een onderbreking.

Art. IV.4.2.2. Geplande onderbrekingen op laagspanning

§ 1

De elektriciteitsdistributienetbeheerder heeft het recht om de toegang op laagspanning te onderbreken als de veiligheid, de betrouwbaarheid of de efficiëntie van het elektriciteitsdistributienet of de aansluiting werkzaamheden vereist aan het elektriciteitsdistributienet of de aansluiting.

§ 2

Behoudens in geval van een noodsituatie en voor aanpassing van de tapstand van de transformator voor het bijregelen van de spanningshuishouding brengt de elektriciteitsdistributienetbeheerder de elektriciteitsdistributienetgebruiker op laagspanning, alsook de toegangshouders die daarom verzocht hebben, minstens vijf werkdagen vooraf op de hoogte van de start en de vermoedelijke duur van een onderbreking.

Afdeling IV.4.3.
Ongeplande onderbrekingen van de toegang


Art. IV.4.3.1.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder voorziet ten minste in een permanent telefonisch informatienummer waarop onderbrekingen kunnen worden gemeld en informatie over onderbrekingen kan worden verstrekt.

Art. IV.4.3.2.

§ 1

Bij ongeplande onderbrekingen van de toegang informeert de elektriciteitsdistributienetbeheerder desgevraagd de elektriciteitsdistributienetgebruiker of de toegangshouder op het toegangspunt over de aard en de te verwachten duur ervan.

§ 2

Bij ongeplande onderbrekingen van de toegang geeft de elektriciteitsdistributienetbeheerder op verzoek van de elektriciteitsdistributienetgebruiker of de toegangshouder op het toegangspunt binnen tien werkdagen een verklaring voor het ontstaan ervan.

Afdeling IV.4.4.
Onderbrekingen van de toegang ten gevolge van congestie


Art. IV.4.4.1.
In geval van congestie brengt de elektriciteitsdistributienetbeheerder de elektriciteitsdistributienetgebruiker, alsook de toegangshouder, vooraf op de hoogte van de start en de vermoedelijke duur van de congestiebeperking. Hij spant er zich voor in om deze aankondiging op de voorafgaande kalenderdag te doen.

Afdeling IV.4.5.
Ontzeggen van toegang


Art. IV.4.5.1.

§ 1

De elektriciteitsdistributienetbeheerder heeft het recht om de toegang tot zijn elektriciteitsdistributienet geheel of gedeeltelijk te ontzeggen:
in geval van een noodsituatie;
als hij oordeelt dat er een ernstig risico bestaat dat de goede werking van het elektriciteitsdistributienet of de veiligheid van personen of materiaal in het gedrang komt;
als het onderschreven vermogen op een aanzienlijke wijze overschreden wordt, na overleg met de elektriciteitsdistributienetgebruiker en de toegangshouder op het toegangspunt;
indien het toegangspunt niet langer voldoet aan de bepalingen van Artikel IV.4.1.1.

§ 2

Het door de elektriciteitsdistributienetgebruiker werkelijk afgenomen of geïnjecteerd vermogen mag in geen geval het aansluitingsvermogen, gespecificeerd in het aansluitingscontract, overschrijden. Als het schijnbaar vermogen niet gemeten wordt, wordt rekening gehouden met een arbeidsfactor (cos phi) van 0,9 op het geïnjecteerde of afgenomen vermogen. In geval van overschrijding komt de schade die hierdoor wordt veroorzaakt, voor rekening van de elektriciteitsdistributienetgebruiker.

§ 3

Als het door een elektriciteitsdistributienetgebruiker werkelijk afgenomen of geïnjecteerd vermogen het aansluitingsvermogen, gespecificeerd in het aansluitingscontract overschrijdt, kan de elektriciteitsdistributienetbeheerder de toegang tot het elektriciteitsdistributienet voor het voor het toegangspunt in kwestie onderbreken, voor zover de elektriciteitsdistributienetbeheerder de elektriciteitsdistributienetgebruiker en eventueel de toegangshouder op het toegangspunt van die overschrijding op de hoogte brengt met een aangetekende brief en voor zover de elektriciteitsdistributienetgebruiker die overschrijding niet heeft hersteld of niet de nodige maatregelen heeft genomen om die overschrijding te herstellen binnen een termijn van acht werkdagen na verzending van de aangetekende brief.

Art. IV.4.5.2.

§ 1

De elektriciteitsdistributienetbeheerder heeft het recht om de toegang tot zijn elektriciteitsdistributienet aan een niet-huishoudelijke
elektriciteitsdistributienetgebruiker geheel of gedeeltelijk te ontzeggen als die elektriciteitsdistributienetgebruiker of de toegangshouder op het toegangspunt zijn financiële verplichtingen niet nakomen of als er op een bepaald ogenblik geen toegangshouder of evenwichtsverantwoordelijke meer aangewezen is.

§ 2

De elektriciteitsdistributienetbeheerder heeft het recht om de toegang tot zijn elektriciteitsdistributienet aan een huishoudelijke elektriciteitsdistributienetafnemer geheel of gedeeltelijk te ontzeggen onder de voorwaarden, vermeld in het Energiebesluit.

Art. IV.4.5.3.

§ 1

De elektriciteitsdistributienetbeheerder brengt de elektriciteitsdistributienetgebruiker of, als die niet bekend is, de eigenaar van de woning of de installatie, verbonden aan het toegangspunt, schriftelijk op de hoogte van het feit dat hem de toegang tot het elektriciteitsdistributienet ontzegd wordt vanaf de datum die de elektriciteitsdistributienetbeheerder heeft vastgesteld, conform de procedures in de reglementering.

§ 2

Als hem op verzoek van de elektriciteitsdistributienetbeheerder de toegang tot het net formeel ontzegd wordt zonder dat dit automatisch gebeurt door de automaten in de aansluiting zelf, verleent de elektriciteitsdistributienetgebruiker of, als die niet bekend is, de eigenaar van de woning of de installatie, verbonden aan het toegangspunt, toegang aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder tot de aansluitingsinstallatie op de vastgestelde datum.

§ 3

Als de elektriciteitsdistributienetbeheerder geen toegang krijgt tot de aansluitingsinstallatie op de hiervoor vastgestelde datum, neemt hij de nodige maatregelen om het toegangspunt alsnog buiten dienst te stellen.

§ 4

Tenzij het wettelijk of reglementair anders is geregeld, worden de kosten voor het buiten dienst stellen van het toegangspunt en van de mogelijke aanvullende maatregelen die de elektriciteitsdistributienetbeheerder daarbij moet nemen als hem geen spontane toegang werd verleend, gedragen door de elektriciteitsdistributienetgebruiker of, indien die niet gekend is, door de eigenaar van de woning of de installatie, verbonden aan het toegangspunt.

Art. IV.4.5.4.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder brengt de betrokken toegangshouders binnen twee werkdagen op de hoogte van de gehele of gedeeltelijke ontzegging van de toegang, en van de reden hiervan.

Afdeling IV.4.6.
Compensatie van de netverliezen


Art. IV.4.6.1.
In het kader van de levering van ondersteunende diensten compenseert de elektriciteitsdistributienetbeheerder de energieverliezen in zijn distributienet voor elke gebruiker van zijn net.

Afdeling IV.4.7.
Toegang tot andere netten


Art. IV.4.7.1.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder is ten opzichte van de partij die het toegangscontract met hem heeft afgesloten of waaraan hij toegang heeft verleend onder de voorwaarden van het toegangsreglement, verantwoordelijk voor de toegang tot de netten waarmee zijn elektriciteitsdistributienet gekoppeld is.

Afdeling IV.4.8.
Nettarieffacturatie


Art. IV.4.8.1.
Voor elektriciteitsdistributienetten op spanningen kleiner dan 30 kV stelt de elektriciteitsdistributienetbeheerder gelijktijdig met de aanrekening van het gebruik van het elektriciteitsdistributienet, een elektronisch bestand ter beschikking van de toegangshouder. In dat bestand wordt, per toegangspunt, de gedetailleerde berekening van de kosten opgenomen voor het gebruik van het elektriciteitsdistributienet en de daarvoor gebruikte gegevens, voor de periode waarop de aanrekening betrekking heeft en waarin de toegangshouder geregistreerd stond op het toegangspunt.

Art. IV.4.8.2.
De gegevens in dat bestand moeten de toegangshouder in staat stellen om zonder aanvullende informatie, de berekening van de aangerekende kosten te controleren.

Art. IV.4.8.3.
De gegevens die in dat bestand worden opgenomen, worden in onderling overleg tussen leveranciers en netbeheerders bepaald en beschreven in de handleiding voor informatie-uitwisseling, alsook het moment wanneer, het formaat waarin en de drager waarop die gegevens ter beschikking gesteld worden. Bij gebrek aan een gemeenschappelijk bepaalde beschrijving legt de VREG de gegevens in dat bestand op alsook het moment wanneer, het formaat waarin en de drager waarop die bestanden ter beschikking gesteld worden.

Hoofdstuk IV.5.
Specifieke voorschriften voor de toegang tot het elektriciteitsdistributienet op hoogspanning


Afdeling IV.5.1.
Toegangsprogramma's


Art. IV.5.1.1.

§ 1

Als de elektriciteitsdistributienetbeheerder het nodig acht, kan hij op bepaalde toegangspunten volgens de grootte van het afgenomen of geïnjecteerd vermogen, of op basis van andere objectieve en niet-discriminerende criteria, dagelijks een toegangsprogramma eisen van de partij die het toegangscontract afsluit of waaraan hij toegang verleent onder de voorwaarden van het toegangsreglement, alvorens toegang tot het elektriciteitsdistributienet te verlenen. Ook kan hij voor die toegangspunten jaarlijks vooruitzichten eisen van die partij.

§ 2

Als de partij die het toegangscontract afsluit of die toegang verkregen heeft onder de voorwaarden van een toegangsreglement, voorziet dat het werkelijke afname- of injectieprofiel sterk zal afwijken van het opgegeven toegangsprogramma of de meegedeelde vooruitzichten, brengt ze de elektriciteitsdistributienetbeheerder daarvan onverwijld op de hoogte.

Afdeling IV.5.2.
Afname van reactieve energie


Art. IV.5.2.1.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder kent aan de partij die het toegangscontract ondertekent met de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de partij die toegang verkregen heeft onder de voorwaarden van een toegangsreglement, per tijdsinterval een hoeveelheid reactieve energie toe per afnamepunt waarop het toegangscontract of -reglement betrekking heeft.

Art. IV.5.2.2.
De hoeveelheden met betrekking tot de werking in inductief en capacitief regime worden afzonderlijk opgemeten en worden onderling niet gecompenseerd.

Art. IV.5.2.3.

§ 1

De partij, vermeld in Artikel IV.5.2.1 geniet per tijdsinterval een afnamerecht op een forfaitaire hoeveelheid reactieve energie, in inductief en capacitief regime.

§ 2

Onder voorbehoud van de bepalingen van §3 is die forfaitaire hoeveelheid reactieve energie per tijdsinterval gelijk aan 32,9 % van de hoeveelheid actieve energie, afgenomen op het afnamepunt tijdens dat tijdsinterval voor een afname op een spanning groter dan of gelijk aan 30 kV of via een rechtstreekse aansluiting op een transformatiepost die het elektriciteitsdistributienet op hoogspanning voedt, en 48,4 % van de hoeveelheid actieve energie, afgenomen op het afnamepunt tijdens dat tijdsinterval in alle andere gevallen.

§ 3

Die forfaitaire hoeveelheid reactieve energie per tijdsinterval mag niet lager zijn dan 3,29 %, respectievelijk 4,84 % van de hoeveelheid actieve energie die conform is met de duurtijd van het tijdsinterval, vermenigvuldigd met het door de in Artikel IV.5.2.1 vermelde partij op het betrokken afnamepunt onderschreven vermogen.

§ 4

Het positieve verschil tussen de hoeveelheid in inductief regime en de forfaitaire hoeveelheid, toegewezen overeenkomstig deze afdeling, komt voor rekening van de partij, vermeld in Artikel IV.5.2.1, volgens het overeenkomstige tarief.

§ 5

Het positieve verschil tussen de hoeveelheid in capacitief regime en de forfaitaire hoeveelheid, toegewezen overeenkomstig deze afdeling, komt voor rekening van de partij, vermeld in Artikel IV.5.2.1, volgens het overeenkomstige tarief.

§ 6

Voor de toepassing van deze afdeling is het desbetreffende tijdsinterval hetzij een kwartier, hetzij een maand, zoals vastgesteld door de elektriciteitsdistributienetbeheerder en vermeld in het toegangscontract of -reglement.

Afdeling IV.5.3.
Congestiebeheer


Art. IV.5.3.1.

§ 1

De elektriciteitsdistributienetbeheerder neemt de nodige maatregelen om op een veilige, betrouwbare en efficiënte wijze de elektriciteitsstromen op het elektriciteitsdistributienet te beheren. In geval van congestie verleent hij bij voorrang toegang aan installaties die elektriciteit produceren op basis van hernieuwbare energiebronnen.

§ 2

Bij het voorbereiden van de exploitatie laten de maatregelen, vermeld in §1, onder meer toe:
in overleg met en via de transmissienetbeheerder de regeling van de productie-eenheden te coördineren;
de onderbreking of beperking van de afname door een elektriciteitsdistributienetgebruiker te voorzien in geval die aan het congestiebeheer deelneemt;
een noodsituatie in te roepen overeenkomstig Hoofdstuk 1.5.

§ 3

Bij de exploitatie van het elektriciteitsdistributienet door de elektriciteitsdistributienetbeheerder laten de maatregelen, vermeld in §1, onder meer toe:
in overleg met en via de transmissienetbeheerder de regeling van de productie-eenheden te coördineren;
indien noodzakelijk, de afname van een elektriciteitsdistributienetgebruiker te onderbreken of beperken in geval die aan het congestiebeheer deelneemt;
een noodsituatie in te roepen overeenkomstig Hoofdstuk 1.5.

Art. IV.5.3.2.

§ 1

De modaliteiten voor de onderbreking of beperking van de afname resp. de regeling van de productie-eenheden, vermeld in Artikel IV.5.3.1 worden contractueel overeengekomen tussen de elektriciteitsdistributienetbeheerder en de elektriciteitsdistributienetgebruiker, de toegangshouder of de evenwichtsverantwoordelijke.

§ 2

Als de modaliteiten met de toegangshouder of de evenwichtsverantwoordelijke werden vastgelegd, levert die het bewijs aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder dat hij die vermogensonderbreking of -beperking op het injectie- of afnamepunt kan mobiliseren. De elektriciteitsdistributienetbeheerder beoordeelt de geldigheid van die mobilisatie op transparante en niet-discriminerende basis.

Hoofdstuk IV.6.
Aanvullende voorschriften voor toegang tot het elektriciteitsdistributienet op spanningen groter dan of gelijk aan 30 kv


Afdeling IV.6.1.
Coördinatie van de inschakeling van de productie-eenheden


Art. IV.6.1.1.

§ 1

De elektriciteitsdistributienetbeheerder en de transmissienetbeheerder komen overeen welke productie-eenheden aangesloten op het elektriciteitsdistributienet in aanmerking komen voor coördinatie van de inschakeling van de productie-eenheden door de transmissienetbeheerder. Voor die eenheden wordt een contract voor de coördinatie van de inschakeling van de productie-eenheden gesloten tussen de transmissienetbeheerder en de betrokken evenwichtsverantwoordelijke.

§ 2

De elektriciteitsdistributienetbeheerder meldt aan de VREG op welke productie-eenheden §1 van toepassing is.

Art. IV.6.1.2.
De coördinatie van de inschakeling van de productie-eenheden voldoet aan de bepalingen ter zake van het Technisch Reglement Transmissie.

Art. IV.6.1.3.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder en de transmissienetbeheerder verlenen elkaar de nodige bijstand bij de uitvoering van de taak van coördinatie van de inschakeling van de productie-eenheden.

Afdeling IV.6.2.
Ondersteunende diensten


A.
Regeling van de spanning en het reactief vermogen


Art. IV.6.2.1.

§ 1

De elektriciteitsdistributienetbeheerder bepaalt de specificaties inzake de beschikbaarheid en de levering van de regeling van de spanning en van het reactief vermogen.

§ 2

De beschikbaarheid en de levering van de regeling van de spanning en van het reactief vermogen worden aangekocht via een mededingingsprocedure of door aanbesteding.

§ 3

De modaliteiten met betrekking tot de beschikbaarheid en de levering van de regeling van de spanning en van het reactief vermogen, worden op transparante en niet-discriminerende wijze bepaald door de elektriciteitsdistributienetbeheerder en in een of meer contracten voor ondersteunende diensten gepreciseerd.

§ 4

Als de regeling van de spanning en van het reactief vermogen dat aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder ter beschikking wordt gesteld, niet volstaat om de veiligheid, de betrouwbaarheid of de efficiëntie van het net te handhaven, zijn de op het elektriciteitsdistributienet aangesloten producenten ertoe gehouden, op verzoek van de elektriciteitsdistributienetbeheerder, de regeling van de spanning en van het reactief vermogen aan die laatste voor een billijke prijs op basis van criteria, bepaald door de VREG, ter beschikking te stellen en te leveren, met naleving van de technische criteria, vermeld in dit Technisch Reglement Distributie Elektriciteit.

§ 5

De elektriciteitsdistributienetbeheerder bepaalt, op individuele basis en op basis van technische en transparante criteria, de hoeveelheid die elke producent ter beschikking stelt en, indien van toepassing, levert aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder.

Art. IV.6.2.2.
De producent die de regeling van de spanning en van het reactief vermogen levert, moet voor elke regelende eenheid die actief vermogen injecteert, aan de volgende voorwaarden voldoen:
hij beschikt over een reactief vermogen binnen de grenzen, vastgesteld in het hierboven vermelde contract;
hij belemmert de vrije werking niet van de primaire spanningsregelaar binnen de vastgestelde grenzen;
hij schikt zich naar de door de elektriciteitsdistributienetbeheerder meegedeelde richtlijnen voor de productie van reactief vermogen.

Art. IV.6.2.3.
De producent die de regeling van de spanning en van het reactief vermogen levert, moet zich voor elke niet-regelende eenheid die actief vermogen in het elektriciteitsdistributienet injecteert, zich onverwijld naar de door de elektriciteitsdistributienetbeheerder meegedeelde richtlijnen voor de productie van reactief vermogen schikken.

Art. IV.6.2.4.
De richtlijnen, vermeld in Artikel IV.6.2.3, komen overeen met de niveaus die tussen de elektriciteitsdistributienetbeheerder en de leverancier van die ondersteunende dienst zijn bepaald.

B.
Ondersteunende diensten, geleverd aan de transmissienetbeheerder


Art. IV.6.2.5.

§ 1

De ondersteunende diensten die een elektriciteitsdistributienetgebruiker aan de transmissienetbeheerder levert, voldoen aan de desbetreffende bepalingen van het Technisch Reglement Transmissie.

§ 2

De elektriciteitsdistributienetbeheerder verleent aan de transmissienetbeheerder de nodige bijstand bij de controle op de beschikbaarheid en de levering van de ondersteunende diensten, vermeld in §1.

Afdeling IV.6.3.
Stelwaarden in exploitatie


A.
Actief vermogen


Art. IV.6.3.1.

§ 1

De evenwichtsverantwoordelijke voor een injectiepunt bezorgt de productiestelwaarden aan de productie-eenheden op zijn injectiepunten. Hij geeft er gelijktijdig een kopie van aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder en de transmissienetbeheerder.

§ 2

De evenwichtsverantwoordelijke deelt alle informatie die de procedures voor de coördinatie van de inschakeling van de productie-eenheden kan beïnvloeden, onverwijld mee aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder en de transmissienetbeheerder.

Art. IV.6.3.2.

§ 1

Als de elektriciteitsdistributienetbeheerder en of de transmissienetbeheerder oordeelt dat alle of een gedeelte van de productiestelwaarden, vermeld in het Artikel IV.6.3.1, de veiligheid, de betrouwbaarheid of de efficiëntie van het elektriciteitsdistributienet of het transmissienet in het gedrang kunnen brengen, deelt de transmissienetbeheerder aan de evenwichtsverantwoordelijke voor het injectiepunt de wijzigingen van de productiestelwaarden mee. De evenwichtsverantwoordelijke moet die productiestelwaarden onverwijld door de betrokken productie-eenheden laten toepassen overeenkomstig het contract voor de coördinatie van de inschakeling van de productie-eenheden.

§ 2

De toepassing van §1 ontslaat de elektriciteitsdistributienetgebruikers niet van hun plichten, vastgesteld in dit Technisch Reglement Distributie Elektriciteit of in de contracten die met de elektriciteitsdistributienetbeheerder werden afgesloten.

§ 3

De evenwichtsverantwoordelijke voor een injectiepunt is ertoe gehouden de kosten, die de betrokken netbeheerders hebben gemaakt, te dragen in het geval de productiestelwaarden afwijken van het dagelijkse toegangsprogramma van die evenwichtsverantwoordelijke.

Art. IV.6.3.3.
De evenwichtsverantwoordelijke voor een injectiepunt brengt de elektriciteitsdistributienetbeheerder en de transmissienetbeheerder binnen drie minuten na het uitvallen van een productie-eenheid op een van zijn injectiepunten, op de hoogte van het niet-geprogrammeerd, individueel, volledig of gedeeltelijk uitvallen van die productie-eenheid. Hij vermeldt de reden voor de uitval, en zijn beste vooruitzichten over de duur ervan.

Art. IV.6.3.4.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder en de transmissienetbeheerder verlenen elkaar de nodige bijstand bij de uitvoering van de bepalingen van die onderafdeling.

B.
Spanning en reactief vermogen


Art. IV.6.3.5.

§ 1

De elektriciteitsdistributienetbeheerder deelt aan de productie-eenheden in kwestie de stelwaarden mee die bestemd zijn voor de regeling van de spanning en van het te injecteren of af te nemen reactief vermogen voor de regelende en niet-regelende eenheden.

§ 2

De technische middelen die worden aangewend voor de mededeling, vermeld in §1, worden door de elektriciteitsdistributienetbeheerder in het contract voor ondersteunende diensten bepaald.

Art. IV.6.3.6.
De stelwaarden, vermeld in Artikel IV.6.3.5, kunnen pas worden gewijzigd na akkoord van de elektriciteitsdistributienetbeheerder.

Hoofdstuk IV.7.
Bepalingen m.b.t. gesloten distributienetten voor elektriciteit


Afdeling IV.7.1.
Toegangsregister


Art. IV.7.1.1.
De beheerder van een gesloten distributienet voor elektriciteit is verantwoordelijk voor het beheer van het toegangsregister, het actueel houden van de informatie erin, met inbegrip van de verwerking van de gegevens van de gebruikers van het gesloten distributienet voor elektriciteit zoals die worden aangeleverd door de toegangshouders.

Art. IV.7.1.2.
Het toegangsregister van een gesloten distributienet voor elektriciteit bevat dezelfde gegevens als deze voor elektriciteitsdistributienetten zoals vermeld onder Artikel IV.2.1.3§1, met als verschil dat ook bij afname een achterliggende netgebruiker toegangshouder kan zijn.

Art. IV.7.1.3.
Aan elke achterliggende netgebruiker wordt voor zijn afname minstens één achterliggend toegangspunt toegekend. Aan een achterliggende netgebruiker die zowel elektriciteit injecteert op als afneemt van het gesloten distributienet voor elektriciteit wordt een apart achterliggend toegangspunt voor injectie en één voor afname toegekend.

Art. IV.7.1.4.
Mits akkoord van de achterliggende netgebruiker kan de beheerder van het gesloten distributienet meerdere fysieke afnamepunten of injectiepunten van de achterliggende netgebruiker in het gesloten distributienet toewijzen aan één achterliggend toegangspunt voor afname of injectie. Deze groepering kan evenwel op gemotiveerde vraag van de achterliggende netgebruiker herzien worden.

Afdeling IV.7.2.
Berichten van wijziging


Art. IV.7.2.1.
Elke wijziging van leverancier op een achterliggend toegangspunt moet minstens eenentwintig kalenderdagen vooraf aan de beheerder van het gesloten distributienet voor elektriciteit gemeld worden door de (nieuwe) leverancier, met aanwijzing van de datum van verandering.

Art. IV.7.2.2.
Indien de beheerder van het gesloten distributienet voor elektriciteit het beheer van het toegangsregister uitbesteedt aan de beheerder van het gekoppelde net, zijn dezelfde artikels voor berichten van wijziging van toepassing als deze voor het gekoppelde net.

Art. IV.7.2.3.
Als de beheerder van het gesloten distributienet voor elektriciteit het beheer van het toegangsregister niet uitbesteedt aan de beheerder van het gekoppelde net, voorziet hij in een eigen interne procedure voor
de wijziging van leverancier op een achterliggend toegangspunt,
de wijziging van titularis en gecombineerde wissel van titularis en leverancier op een achterliggend toegangspunt,
de wijziging van evenwichtsverantwoordelijke op een achterliggend toegangspunt,
de opzegging van contract door een leverancier op een achterliggend toegangspunt,
de situatie waarbij een nieuwe leverancier zich meldt voor een achterliggend toegangspunt waarop een andere leverancier zijn contractuele overeenkomst beëindigt,
de melding van mogelijke fouten in de informatie van een achterliggend toegangspunt tussen de leverancier en de beheerder van het gesloten distributienet.
De beheerder van het gesloten distributienet beantwoordt de verzoeken of vragen van achterliggende netgebruikers hieromtrent binnen redelijke termijn.

Art. IV.7.2.4.
Als er geen leverancierswissel heeft plaatsgevonden op de door de leverancier aangevraagde einddatum voor de levering, levert de gesloten distributienetbeheerder tot op het moment van de afsluiting.

Afdeling IV.7.3.
Toegangsprocedure


Art. IV.7.3.1.
Toegang tot het gesloten distributienet voor elektriciteit wordt verkregen na een door de beheerder van het gesloten distributienet voor elektriciteit goedgekeurde toegangsaanvraag. Het toegangscontract is van toepassing op iedere toegangshouder of achterliggende netgebruiker die toegang heeft verkregen.

Art. IV.7.3.2.
Elke toegangsaanvraag wordt ingediend volgens de procedure van de beheerder van het gesloten distributienet voor elektriciteit. Die procedure specificeert de voorwaarden waaraan een toegangsaanvraag moet voldoen om voor de beheerder van het gesloten distributienet voor elektriciteit ontvankelijk te zijn.

Afdeling IV.7.4.
Verklaringen en garanties van de toegangshouder en de evenwichtsverantwoordelijke


Art. IV.7.4.1.
De toegangshouder verklaart en garandeert ten opzichte van de beheerder van het gesloten distributienet voor elektriciteit, dat vanaf de datum van het verkrijgen van toegang onder de voorwaarden van het toegangsreglement en voor de hele duurtijd ervan, alle door hem geplande afnamen en injecties gedekt zijn of gedekt zullen zijn door een leverings- of aankoopcontract.

Art. IV.7.4.2.
Indien de toegangshouder niet zelf de evenwichtsverantwoordelijke is, moet voor elke evenwichtsverantwoordelijke met wie hij in dat verband samenwerkt, een verklaring die de toegangshouder en de evenwichtsverantwoordelijke hebben ondertekend, aan de beheerder van het gesloten distributienet voor elektriciteit bezorgd worden. In die verklaring wordt de samenwerking van de beide partijen bevestigd met betrekking tot (een deel van) de toegangspunten waarop de toegangshouder toegang tot het gesloten distributienet voor elektriciteit heeft. De beheerder van het gesloten distributienet voor elektriciteit stelt daarvoor een modelformulier op.

Art. IV.7.4.3.
De leverancier verklaart en garandeert, voor wat de toegang tot gekoppelde netten betreft, ten opzichte van de beheerder van het gesloten distributienet voor elektriciteit dat hij de nodige contracten zal afsluiten zodat de toegang voor alle injecties en afnamen gedekt is.

Art. IV.7.4.4.
De toegangshouder of de evenwichtsverantwoordelijke waarschuwt de beheerder van het gesloten distributienet voor elektriciteit onmiddellijk als een of meer van de hierboven beschreven verklaringen en garanties vervallen.

Afdeling IV.7.5.
(Her)indienststelling van een achterliggend toegangspunt


Art. IV.7.5.1.
Een nieuw of buiten dienst gesteld achterliggend toegangspunt kan pas in dienst genomen worden als de volgende voorwaarden vervuld zijn.
de achterliggende netgebruiker heeft een aansluitingscontract afgesloten met de beheerder van het gesloten distributienet voor elektriciteit voor de aansluiting in kwestie;
de door de achterliggende netgebruiker aangewezen toegangshouder heeft een toegangscontract afgesloten met de beheerder van het gesloten distributienet voor elektriciteit;
de toegangshouder is zelf erkend evenwichtsverantwoordelijke of heeft een overeenkomst met een erkende evenwichtsverantwoordelijke;

Art. IV.7.5.2.
Overeenkomstig de bepalingen in Fout! Verwijzingsbron niet gevonden, voorziet de beheerder van het gesloten distributienet in een procedure voor de aanvraag door een achterliggende gebruiker tot (her)indienstname van zijn toegangspunt. Als voldaan is aan de voorwaarden, vermeld in Artikel IV.7.5.1, neemt de beheerder van het gesloten distributienet voor elektriciteit het toegangspunt binnen redelijke termijn in dienst. De wijziging in het toegangsregister gebeurt om 00u00 lokale tijd op de dag van indienstname. De leverancier op het achterliggend toegangspunt wordt hiervan op de hoogte gebracht door de beheerder van het gesloten distributienet voor elektriciteit.

Art. IV.7.5.3.
Behoudens andersluidende bepalingen komen de daaraan verbonden kosten voor rekening van de achterliggende netgebruiker.

Afdeling IV.7.6.
Buitendienststelling van een achterliggend toegangspunt


Art. IV.7.6.1.
Overeenkomstig de bepalingen in Fout! Verwijzingsbron niet gevonden, voorziet de beheerder van het gesloten distributienet voor elektriciteit in een eigen procedure voor de aanvraag door een gebruiker van het gesloten distributienet voor elektriciteit tot buitendienststelling van zijn achterliggend toegangspunt. De beheerder van het gesloten distributienet voor elektriciteit zal het toegangspunt steeds binnen redelijke termijn uit dienst nemen. De wijziging in het toegangsregister gebeurt om 00u00 lokale tijd op de dag van buitendienststelling. De leverancier op het achterliggend toegangspunt wordt hiervan op de hoogte gebracht door de beheerder van het gesloten distributienet voor elektriciteit.

Art. IV.7.6.2.
Behoudens andersluidende bepalingen komen de daaraan verbonden kosten voor rekening van de achterliggende netgebruiker.

Afdeling IV.7.7.
Geplande onderbrekingen van de toegang


Art. IV.7.7.1.
In geval de beheerder van het gesloten distributienet voor elektriciteit werkzaamheden aan het gesloten distributienet voor elektriciteit plant die een onderbreking van de toegang op één of meer achterliggende toegangspunten tot gevolg zullen hebben, brengt hij de betrokken netgebruikers en toegangshouders van deze achterliggende toegangspunten voorafgaandelijk op de hoogte van tijdstip en duur van deze onderbreking.

Afdeling IV.7.8.
Ongeplande onderbrekingen van de toegang


Art. IV.7.8.1.
De beheerder van het gesloten distributienet voor elektriciteit voorziet in een telefoonnummer waarop hij permanent bereikbaar is voor meldingen van onderbrekingen van de toegang en informatie over onderbrekingen kan worden verstrekt.

Art. IV.7.8.2.
Een producent op het gesloten distributienet voor elektriciteit voor elektriciteit en de beheerder van het gesloten distributienet voor elektriciteit voor elektriciteit zijn voor elkaar permanent bereikbaar.

Art. IV.7.8.3.
Bij ongeplande onderbrekingen van de toegang informeert de beheerder van het gesloten distributienet voor elektriciteit desgevraagd de achterliggende netgebruiker of zijn leverancier over de aard en de te verwachten duur ervan.

Afdeling IV.7.9.
Toegangsprogramma's


Art. IV.7.9.1.
Als de beheerder van het gesloten distributienet voor elektriciteit het nodig acht, kan hij op bepaalde achterliggende toegangspunten volgens de grootte van de afgenomen of geïnjecteerde capaciteit, of op basis van andere objectieve en niet-discriminerende criteria, dagelijks een toegangsprogramma eisen van de partij die toegang heeft verkregen onder de voorwaarden van het toegangsreglement, alvorens toegang tot het gesloten distributienet voor elektriciteit te verlenen. Ook kan hij voor die achterliggende toegangspunten jaarlijks vooruitzichten eisen van die partij.

Art. IV.7.9.2.
Als de partij die toegang heeft verkregen onder de voorwaarden van het toegangsreglement, voorziet dat het werkelijke afname- of injectieprofiel sterk zal afwijken van het opgegeven toegangsprogramma of de meegedeelde vooruitzichten, brengt ze de beheerder van het gesloten distributienet voor elektriciteit daarvan onverwijld op de hoogte.

Afdeling IV.7.10.
Compensatie van de netverliezen


Art. IV.7.10.1.
In het kader van de levering van ondersteunende diensten compenseert de beheerder van het gesloten distributienet voor elektriciteit de energieverliezen in zijn net voor elke gebruiker van zijn net.

Deel V.
Meetcode


Hoofdstuk V.1.
Algemeen


Afdeling V.1.1.
Doel


Art. V.1.1.1.
De Meetcode (Deel V) beschrijft de toepasselijke regels met betrekking tot:
het ter beschikking stellen, de plaatsing, het gebruik en onderhoud van de meetinrichtingen;
de uitlezing, de verwerking en het ter beschikking stellen van de meetgegevens, afkomstig van de meetinrichting.

Art. V.1.1.2.
De meetinrichtingen dienen voor het bepalen van de hoeveelheden geïnjecteerde en afgenomen elektriciteit op het elektriciteitsdistributienet en de gekoppelde gesloten distributienetten, en de hoeveelheid geproduceerde elektriciteit. De meetgegevens, aangevuld met de gegevens vermeld in Afdeling V.1.3, dienen voor de verrekeningen tussen de verschillende partijen. Ze dienen eveneens als basis om een goed beheer van het elektriciteitsdistributienet en de gesloten distributienetten mogelijk te maken.

Art. V.1.1.3.
De elektriciteitsdistributienetgebruiker is eigenaar van zijn meetgegevens en heeft ten allen tijde recht op toegang tot de meetinrichting.

Afdeling V.1.2.
Algemene principes m.b.t. elektriciteitsdistributienetbeheerders


Art. V.1.2.1.

§ 1

Elk toegangspunt dat bij een aansluiting op het elektriciteitsdistributienet behoort, vormt het voorwerp van een telling om de afname of de injectie van de actieve en / of reactieve energie op dat toegangspunt te bepalen ten opzichte van het elektriciteitsdistributienet. Hiervoor wordt gebruikgemaakt van een meetinrichting.

§ 2

Onder de voorwaarden en volgens de procedure vermeld in Afdeling V.1.3, kan met de elektriciteitsdistributienetbeheerder een forfaitaire vaststelling van de energiehoeveelheden worden afgesproken, zonder gebruik te maken van een meetinrichting.

Art. V.1.2.2.
De verrekening, vermeld in Artikel V.1.1.2, is gebaseerd op gegevens die betrekking hebben op elementaire perioden. Afhankelijk van de aard van de aansluiting worden die gegevens rechtstreeks betrokken uit de meetinrichting of zijn ze het resultaat van de toepassing van synthetische lastprofielen op de meetgegevens.

Art. V.1.2.3.
De elementaire periode, vermeld in Artikel V.1.2.2, bedraagt vijftien minuten.

Art. V.1.2.4.
De meetgegevens voor de actieve energie, evenals de allocatie- en reconciliatiegegevens, worden uitgedrukt in kWh. De meetgegevens voor reactieve energie worden uitgedrukt in kVArh. De meetgegevens voor de actieve energie worden ter beschikking gesteld van de betrokken partijen zoals vastgelegd in Afdeling V.3.8 en Afdeling V.3.9. De meetgegevens voor de reactieve energie worden maandelijks geaggregeerd overgemaakt.

Afdeling V.1.3.
Forfaitair bepaalde afname


Art. V.1.3.1.
Op verzoek van de elektriciteitsdistributienetgebruiker of op initiatief van de elektriciteitsdistributienetbeheerder wordt de elektriciteitsafname van een op het elektriciteitsdistributienet aangesloten installatie forfaitair bepaald zonder de plaatsing van een meetinrichting, indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:
1
de installatie heeft een aansluitingsvermogen dat beperkt is tot 1,4 kVA, dient voor de openbare verplichting of heeft een aansluitingsvermogen dat beperkt is tot 10 kVA en een gebruiksduur van minstens 4000 uur per jaar;
2
het afnamepatroon is bekend;
3
op de installatie kan geen aanvullende apparatuur worden aangesloten.

Art. V.1.3.2.
De forfaitaire elektriciteitsafname wordt bepaald door de elektriciteitsdistributienetbeheerder, afhankelijk van het afgenomen vermogen en de geplande gebruiksduur van de installatie. De VREG kan richtlijnen vastleggen ter bepaling van de afname en voor de uniforme toepassing van de afnameforfaits door alle elektriciteitsdistributienetbeheerders.

Art. V.1.3.3.
Voor de vaststelling van het afgenomen vermogen kan de elektriciteitsdistributienetbeheerder na overleg, een beroep doen op een geaccrediteerd laboratorium. De kosten van de vaststelling van het afgenomen vermogen worden gedragen door de elektriciteitsdistributienetgebruiker.

Art. V.1.3.4.
De elektriciteitsafname van de installaties in kwestie wordt verrekend volgens het meest aangewezen berekende verbruiksprofiel.

Art. V.1.3.5.
De overeenkomst met betrekking tot de forfaitaire bepaling van de elektriciteitsafname moet opgenomen worden in een contract als aanvulling van het aansluitingsreglement. In dit document kunnen eveneens aanvullende bepalingen over levensduur en slijtage van de installaties opgenomen worden.

Hoofdstuk V.2.
Bepalingen betreffende de meetinrichtingen op het elektriciteitsdistributienet


Afdeling V.2.1.
Algemene bepalingen


Art. V.2.1.1.

§ 1

De elektriciteitsdistributienetbeheerder is, voor het elektriciteitsdistributienet waarvoor hij als beheerder is aangesteld, als enige gemachtigd de meetinrichting ter beschikking te stellen, te plaatsen, aan te passen, te onderhouden, te vervangen, te verwijderen en uit te baten, behoudens andersluidende bepalingen in de voorschriften vermeld in de Aansluitingscode (Deel III) en behoudens in de gevallen bedoeld in §2. De elektriciteitsdistributienetbeheerder is tevens verantwoordelijk voor het verzamelen, valideren, bewerken, ter beschikking stellen en archiveren van de meetgegevens.

§ 2

Als de elektriciteitsdistributienetgebruiker zelf eigenaar is van meetuitrustingen heeft de elektriciteitsdistributienetbeheerder een gebruiksrecht op deze uitrustingen, en worden de modaliteiten van aanpassing, uitbreiding, onderhoud en uitbating, vastgelegd in een overeenkomst met de elektriciteitsdistributienetgebruiker.

Art. V.2.1.2.

§ 1

Een meetinrichting bestaat uit alle uitrustingen die nodig zijn voor het uitvoeren van de meetfuncties, vermeld in Artikel V.1.1.2, en kan dus onder meer bestaan uit al dan niet geïntegreerde combinaties van:
stroomtransformatoren;
spanningstransformatoren;
meters;
data loggers;
communicatie-uitrusting, met inbegrip van ontvangsttoestellen die gebruikt worden voor tariefomschakeling;
kast – klemmen – bedrading – beveiliging.

Art. V.2.1.3.

§ 1

De elektriciteitsdistributienetgebruiker en de elektriciteitsdistributienetbeheerder hebben het recht in hun installaties op eigen kosten alle uitrustingen te plaatsen die zij nuttig achten om de nauwkeurigheid na te gaan van de meetinrichting, vermeld in Artikel V.2.1.2. Een dergelijke meetuitrusting, die eventueel toebehoort aan de elektriciteitsdistributienetgebruiker, moet voldoen aan de voorschriften van dit Technisch Reglement Distributie Elektriciteit.

§ 2

Een meetuitrusting van een elektriciteitsdistributienetgebruiker kan dienst doen als controlemeting voor comptabele metingen na aanvaarding door de elektriciteitsdistributienetbeheerder.

Art. V.2.1.4.

§ 1

Als de elektriciteitsdistributienetgebruiker extra uitrustingen wil integreren in de meetinrichting die betrekking heeft op zijn toegangspunt, zal hij zich daarvoor richten tot de elektriciteitsdistributienetbeheerder. De elektriciteitsdistributienetbeheerder zal op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria oordelen of die plaatsing kan worden uitgevoerd zonder de correcte uitvoering van zijn taak als elektriciteitsdistributienetbeheerder in het gedrang te brengen. Bij een positieve evaluatie zal de elektriciteitsdistributienetbeheerder de plaatsing uitvoeren. Die uitrustingen moeten voldoen aan de voorschriften van dit Technisch Reglement Distributie Elektriciteit, en mogen de meetinrichting of andere installaties van de elektriciteitsdistributienetbeheerder niet beïnvloeden.

§ 2

Alle kosten met betrekking tot die extra uitrustingen worden gedragen door de elektriciteitsdistributienetgebruiker.

Art. V.2.1.5.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder heeft het recht aan de meetinrichting alle extra apparatuur toe te voegen die hij nuttig acht voor de uitvoering van zijn taak, onder meer met het oog op het meten van kwaliteitsindicatoren van de spanning en / of de stroom, en de faseverschuiving tussen spanning en stroom.

Art. V.2.1.6.
Op verzoek van de elektriciteitsdistributienetgebruiker moeten bij de plaatsing van een nieuwe digitale meetinrichting, meetgegevens afkomstig uit de meetinrichting kosteloos beschikbaar gemaakt worden ter hoogte van de meetinrichting voor toepassingen van de elektriciteitsdistributienetgebruiker. Als de toegang tot de installatie onderworpen is aan voorwaarden, opgelegd door de elektriciteitsdistributienetbeheerder, worden die voorwaarden in het aansluitingscontract vastgelegd.

Art. V.2.1.7.
Bij het verwisselen van een meter moeten de genoteerde meterstanden zowel door de afnemer (of een vertegenwoordiger van de afnemer) als door de elektriciteitsdistributienetbeheerder ter plaatse genoteerd, gedagtekend en ondertekend worden. Indien de afnemer in de mogelijkheid gesteld was om de genoteerde meterstanden te ondertekenen, maar hiervan geen gebruik maakte, heeft hij later niet meer de mogelijkheid deze meterstanden te betwisten.

Art. V.2.1.8.
Een elektriciteitsdistributienetgebruiker die beschikt over een meter met rollentelwerk, waarop een meervoudig tariefmeting wordt geregistreerd, kan enkel overschakelen op een enkelvoudige tariefmeting mits vervanging van deze meter op eigen kosten.

Afdeling V.2.2.
Locatie van de meetinrichting


Art. V.2.2.1.
De meetinrichting wordt geplaatst ter hoogte van het toegangspunt.

Art. V.2.2.2.
In afwijking van Artikel V.2.2.1 kan de elektriciteitsdistributienetbeheerder, om economische redenen en voor zover dat technisch haalbaar is, beslissen om de meetinrichting met betrekking tot een aansluiting vanuit het hoogspanningsnet en met een aansluitingsvermogen kleiner dan of gelijk aan 250 kVA, te plaatsen aan de laagspanningszijde van de vermogentransformator.

Art. V.2.2.3.
In afwijking van Artikel V.2.2.1 kan de elektriciteitsdistributienetbeheerder beslissen om de meetinrichting elders te plaatsen na motivering van de beslissing ten overstaan van de elektriciteitsdistributienetgebruiker.

Afdeling V.2.3.
Nauwkeurigheidsvereisten


Art. V.2.3.1.

§ 1

De meetinrichtingen voldoen aan de minimale nauwkeurigheidsvereisten opgenomen in bijlage III: “Nauwkeurigheidsvereisten voor de meetinrichting”, voor zover geen andere regelgeving terzake geldt.

§ 2

De nauwkeurigheid van de elektrische meetapparatuur waarvan de meetresultaten worden gebruikt voor de berekening van het aantal toe te kennen groenestroom- en/of warmtekrachtcertificaten en garanties van oorsprong (in uitvoering van het Energiebesluit) moet voldoen aan de voorschriften vermeld in bijlage III: “Nauwkeurigheidsvereisten voor de meetinrichting”.

Afdeling V.2.4.
Decentrale productie-installaties


Art. V.2.4.1.
Voor het installeren en uitlezen van de meetinstallatie en het beheer van de meetgegevens van een decentrale productie-eenheid kan de elektriciteitsdistributienetgebruiker een beroep doen op de diensten van de elektriciteitsdistributienetbeheerder als de meting op het toegangspunt niet toelaat om de hoeveelheid geproduceerde elektriciteit eenduidig te bepalen. Die diensten en de verrekening van de kosten ervan worden gepreciseerd in het aansluitingscontract.

Art. V.2.4.2.

§ 1

Voor productie-installaties met een maximaal AC-vermogen van 10 kVA moet op verzoek van de distributienetgebruiker en op kosten van de distributienetbeheerder de meetinstallatie op zo'n wijze aangepast worden, dat de elektrische productie van de installatie die geïnjecteerd wordt op het distributienet, in rekening gebracht kan worden van de afname, tussen twee meteropnames. Dit in rekening brengen gebeurt per tariefperiode en maximaal ten belope van de afname. Voor de bepaling van de vermelde vermogensgrens wordt geen rekening gehouden met een softwarematige beperking van het vermogen.

§ 2

Voor productie-installaties met een vermogen groter dan 10 kVA plaatst de distributienetbeheerder binnen 15 werkdagen na een positief onderzoek van de conformiteit met de aansluitingsvoorschriften van de netbeheerder de meetinrichting met uitlezing van de productie op afstand. De afname- en injectiemeting wordt zo nodig aangepast om ook op afstand uitgelezen te worden. Het onderzoek moet, mits ondertekening van het aansluitingscontract, plaatsvinden binnen de 15 werkdagen na het uitvoeren van de eventuele aanpassing aan de aansluitingsinstallaties door de distributienetbeheerder en/of de distributienetgebruiker.

§ 3

Voor productie-installaties in dienst genomen vanaf 1 september 2010 moet de meetinrichting op een zichtbare plaats in de buurt van de verbruiksteller van de netbeheerder geplaatst worden.

Afdeling V.2.5.
Tariefperiodes


Art. V.2.5.1.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder beheert en bedient de apparatuur die nodig is voor de sturing van meetinrichtingen en voedingscircuits met het oog op het toepassen van verschillende tariefperiodes.

Art. V.2.5.2.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder zorgt ervoor dat de apparatuur, vermeld in Artikel V.2.5.1, minimaal de volgende functionaliteit biedt:
het aansturen van meetinrichtingen voor meervoudig tarief;
het aansturen van afzonderlijke voedingscircuits voor afname gedurende welbepaalde periodes.

Art. V.2.5.3.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder publiceert de informatie over de toegepaste sturing met inbegrip van de uurregeling voor de tarief periodes in zijn distributiegebied.

Art. V.2.5.4.

§ 1

Aanpassingen van de functionaliteit, vermeld in Artikel V.2.5.2, op initiatief van de elektriciteitsdistributienetbeheerder kunnen pas worden uitgevoerd na overleg met de betrokken toegangshouders.

§ 2

De elektriciteitsdistributienetgebruikers of de toegangshouders op het elektriciteitsdistributienet kunnen verzoeken om de aanpassing van de sturing of van de periodes bij de betrokken elektriciteitsdistributienetbeheerder, die de technisch-economische haalbaarheid ervan beoordeelt op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria.

Afdeling V.2.6.
Specifieke voorschriften voor budgetmeters


Art. V.2.6.1.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder zorgt ervoor dat er steeds een duidelijke gebruiksaanwijzing voor de budgetmeter op eenvoudig verzoek en gratis aangevraagd kan worden. Deze gebruiksaanwijzing moet zowel een handleiding bevatten voor het gebruik van een budgetmeter als deze geactiveerd is als voor het uitlezen van deze meter in geval van een gedesactiveerde budgetmeter.

Art. V.2.6.2.

§ 1

Een budgetmeter wordt niet weggenomen als er geen gebruik meer wordt gemaakt van zijn functionaliteiten, tenzij een elektriciteitsdistributienetgebruiker of eigenaar van het betrokken gebouw daar uitdrukkelijk om verzoekt.

§ 2

De kosten voor het wegnemen van de budgetmeter komen voor rekening van de aanvrager.

§ 3

Voor het wegnemen van de budgetmeter maakt de elektriciteitsdistributienetgebruiker of eigenaar van het betrokken gebouw een afspraak met de elektriciteitsdistributienetbeheerder, waarbij hij kan eisen dat de budgetmeter wordt weggenomen binnen 15 werkdagen na ontvangst door de elektriciteitsdistributienetbeheerder van de betaling van de kosten. In uitzonderlijke omstandigheden en na motivatie kan de elektriciteitsdistributienetbeheerder van die termijn afwijken.

Afdeling V.2.7.
Storingen en fouten


Art. V.2.7.1.
Als bij een dubbele meting de hoofdmeting uitvalt, vervangt de controlemeting de hoofdmeting voor wat betreft de in de controlemeting beschikbare gegevens.

Art. V.2.7.2.

§ 1

De elektriciteitsdistributienetbeheerder zorgt ervoor dat een storing bij de meting (exclusief dataoverdracht) in een meetuitrusting die hij beheert, verholpen wordt binnen een termijn van:
drie werkdagen, bij een meetinrichting die betrekking heeft op een toegangspunt met een aansluitingsvermogen groter dan of gelijk aan 100 kVA;
zeven werkdagen, voor de overige meetinrichtingen.
Die termijn vangt aan op het ogenblik dat de elektriciteitsdistributienetbeheerder op de hoogte is van de storing.

§ 2

In de mate van het mogelijke worden dezelfde termijnen gehanteerd in geval van een storing bij de dataoverdracht.

Art. V.2.7.3.
Als door overmacht de storing niet binnen de termijn, vermeld in Artikel V.2.7.2, kan worden verholpen, neemt de elektriciteitsdistributienetbeheerder alle noodzakelijke maatregelen om het verlies van meetgegevens te beperken. Hij deelt aan de elektriciteitsdistributienetgebruiker en toegangshouder op het toegangspunt de vermoedelijke duur van de storing mee.

Art. V.2.7.4.
Een fout bij de meting wordt als significant beschouwd als ze groter is dan toegestaan krachtens de toepasbare nauwkeurigheidsvereisten conform Afdeling V.2.3.

Art. V.2.7.5.
Een elektriciteitsdistributienetgebruiker of leverancier die in de meetgegevens een significante fout vermoedt, brengt de elektriciteitsdistributienetbeheerder daar onverwijld van op de hoogte en kan bij de elektriciteitsdistributienetbeheerder schriftelijk een controle van de meetinrichting aanvragen. De elektriciteitsdistributienetbeheerder plant dan zo snel mogelijk de uitvoering van een testprogramma.

Art. V.2.7.6.
Als de controle, vermeld in Artikel V.2.7.5, uitwijst dat een significante fout veroorzaakt wordt door een fout, een defect of een onnauwkeurigheid in de meetinrichting of een onderdeel ervan, waarvoor de elektriciteitsdistributienetbeheerder verantwoordelijk is, zorgt de elektriciteitsdistributienetbeheerder ervoor dat de fout wordt verholpen of de meter wordt vervangen binnen tien werkdagen, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, gemotiveerd door de elektriciteitsdistributienetbeheerder..

Art. V.2.7.7.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder draagt de kosten verbonden aan de acties, vermeld in Artikel V.2.7.5 en Artikel V.2.7.6, als een significante fout kon worden vastgesteld. In het andere geval worden ze gedragen door de aanvrager.

Afdeling V.2.8.
Inspectie


Art. V.2.8.1.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder heeft het recht op toegang tot de meetinrichting, met inbegrip van de uitrusting van de eventuele controlemeting, om een conformiteitcontrole uit te voeren met betrekking tot de bepalingen van dit Technisch Reglement Distributie Elektriciteit.

Afdeling V.2.9.
Administratief beheer van technische gegevens (andere dan meetgegevens)


Art. V.2.9.1.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder is verantwoordelijk voor het bijhouden en archiveren van de administratieve gegevens die vereist zijn voor een goed beheer van de meetinrichtingen en de toepasselijke wettelijke controles (onder meer fabrikant, type, fabrieksnummer, bouwjaar, controle- en ijktijdstippen).

Art. V.2.9.2.
Wijzigingen aan de meetinrichtingen op een toegangspunt, voor zover ze betrekking hebben op de comptabele metingen, worden door de elektriciteitsdistributienetbeheerder binnen tien werkdagen meegedeeld aan de toegangshouder op het toegangspunt.

Hoofdstuk V.3.
Bepalingen betreffende de meetgegevens voor elektriciteitsdistributienetten


Afdeling V.3.1.
Gemeten en berekende verbruiksprofielen


Art. V.3.1.1.
De verrekening van de toegang tot en het gebruik van het elektriciteitsdistributienet is gebaseerd op een reeks gegevens die elk betrekking hebben op een elementaire periode zoals bepaald in Artikel V.1.2.3. Een reeks dergelijke gegevens wordt hierna verbruiksprofiel genoemd.

Art. V.3.1.2.
Er worden twee soorten verbruiksprofielen onderscheiden:
Gemeten verbruiksprofiel: de meetinrichting registreert voor elke elementaire periode de afgenomen of geïnjecteerde energie, waarmee het verbruiksprofiel wordt opgesteld;
Berekend verbruiksprofiel: op basis van periodiek gelezen meterstanden van de meetinrichting en de toepassing van een toegekend synthetisch lastprofiel wordt het berekende verbruiksprofiel opgesteld.

Art. V.3.1.3.
Voor meetinrichtingen, waarvoor het gemiddelde van het afgenomen of geïnjecteerde maximum kwartiervermogen op maandbasis, bepaald over een periode van twaalf opeenvolgende maanden, minstens 100 kW bedraagt, wordt het gemeten verbruiksprofiel geregistreerd.

Art. V.3.1.4.
Voor toegangspunten die betrekking hebben op kleinere vermogens, voorziet de elektriciteitsdistributienetbeheerder, op vraag en voor rekening van de elektriciteitsdistributienetgebruiker of de toegangshouder op het toegangspunt, in de plaatsing van een meetinrichting die voor elke elementaire periode de afgenomen of geïnjecteerde energie registreert.

Art. V.3.1.5.
Voor toegangspunten van nieuwe aansluitingen met uitzondering van tijdelijke aansluitingen die niet bedoeld zijn voor het voeden van installaties op bouwterreinen, of bestaande aansluitingen waarop een verzwaring wordt uitgevoerd, met een aansluitingsvermogen van minstens 100 kVA, plaatst de elektriciteitsdistributienetbeheerder een meetinrichting met registratie van het verbruiksprofiel.

Art. V.3.1.6.
Voor alle toegangspunten waar een gemeten verbruiksprofiel wordt geregistreerd geschiedt de verrekening, vermeld in Artikel V.3.1.1, op basis van dat gemeten verbruiksprofiel.

Art. V.3.1.7.

§ 1

De afname, of, indien van toepassing, de injectie, op toegangspunten op hoogspanning zonder registratie van het gemeten verbruiksprofiel en op toegangspunten waar het maximaal afgenomen of geïnjecteerd vermogen wordt geregistreerd, wordt door de elektriciteitsdistributienetbeheerder maandelijks opgenomen.

§ 2

De afname, of, indien van toepassing, de injectie, op toegangspunten op laagspanning wordt door de elektriciteitsdistributienetbeheerder minstens één keer per kalenderjaar opgenomen in de opnamemaand van het toegangspunt volgens het toegangsregister, als ook:
bij elke leverancierswissel (of verandering van toegangshouder);
bij elke klantenwissel;
bij het in dienst stellen van een toegangspunt;
bij het buiten dienst nemen van een toegangspunt;
bij aanpassing of vernieuwing van de aansluiting;
bij aanpassing of vervanging van de meetinrichting;
op verzoek van een toegangshouder;
op verzoek van een elektriciteitsdistributienetgebruiker.
De meetgegevens op basis van deze meterstand worden door de elektriciteitsdistributienetbeheerder overgemaakt aan de toegangshouder.

§ 3

Een meterstand wordt op een van volgende manieren bepaald:
op basis van een fysieke meteropname door de elektriciteitsdistributienetbeheerder;
op basis van een meterstand of meterstanden die de elektriciteitsdistributienetgebruiker doorgeeft aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder (ofwel telefonisch, via e-mail, via website of door middel van een meterkaartje);
op basis van een meterstand of meterstanden die de elektriciteitsdistributienetgebruiker doorgeeft aan zijn leverancier en die de leverancier op zijn beurt doorgeeft aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder (bijvoorbeeld bij een klantenwissel of correctie van een geschatte meterstand);
op basis van een uitlezing op afstand, o.m. via een slimme meter;
als de bovenstaande manieren geen betrouwbare meterstanden opleverden, door middel van schattingen conform Artikel V.3.6.1.

§ 4

De elektriciteitsdistributienetbeheerder bepaalt per toegangspunt, vermeld in §2 de maand waarin hij jaarlijks de meterstanden zal bepalen (= opnamemaand). Dat is een eigenschap van het toegangspunt dat bijgehouden wordt in het toegangsregister en waarvan de leverancier op het toegangspunt op de hoogte wordt gebracht (onderdeel van de stamgegevens). De meterstanden worden bepaald in een periode die loopt van tien werkdagen voor het begin van die maand tot tien werkdagen na het einde van die maand. Voor maandelijkse gemeten toegangspunten worden de meterstanden bepaald in de periode van zeven werkdagen voor en vijf werkdagen na het einde van de te meten maand.

§ 5

Bij toegangspunten op laagspanning zonder registratie van het verbruiksprofiel of slimme meters neemt de elektriciteitsdistributienetbeheerder minstens eenmaal in een periode van 24 maanden fysieke meterstanden op, voor zover hij toegang heeft of krijgt tot de meetinrichting. Als hij bij een eerste poging geen toegang krijgt tot de meetinrichting, laat hij een kaartje achter in de brievenbus met de vermelding van het tijdstip waartussen hij nogmaals een bezoek zal brengen. Die datum ligt maximaal tien kalenderdagen later. Het kaartje vermeldt eveneens de mogelijkheid om met de elektriciteitsdistributienetbeheerder een afspraak te maken voor een bezoek op een andere datum of tussen andere uren als de elektriciteitsdistributienetgebruiker op de voorgestelde datum of tussen de voorgestelde uren verhinderd zou zijn. De elektriciteitsdistributienetgebruiker kan verzoeken om die afspraak buiten de kantooruren te laten plaatsvinden, als de elektriciteitsdistributienetbeheerder al 48 maanden lang geen fysieke meteropname kon uitvoeren. In dat geval kan de elektriciteitsdistributienetbeheerder daar extra kosten voor aanrekenen.

§ 6

Op de in §5 vermelde voorgestelde of afgesproken datum en tussen de voorgestelde of afgesproken uren, bezoekt de elektriciteitsdistributienetbeheerder het toegangspunt opnieuw. Als hij daarbij opnieuw geen toegang krijgt tot de meetinrichting, laat de elektriciteitsdistributienetbeheerder een meteropnamekaartje achter met het verzoek binnen tien kalenderdagen contact op te nemen met de elektriciteitsdistributienetbeheerder en de meterstanden door te geven. Het meteropnamekaartje vermeldt dat als niet tijdig gereageerd wordt, de meterstanden geschat zullen worden en dat die niet betwist kunnen worden, tenzij de elektriciteitsdistributienetgebruiker uitdrukkelijk en op zijn kosten om een nieuwe meteropname verzoekt.

§ 7

Als het meer dan 48 maanden geleden is dat de elektriciteitsdistributienetbeheerder voor een toegangspunt zonder slimme meter met jaarlijkse meteropname fysiek een meteropname heeft kunnen uitvoeren, moet de elektriciteitsdistributienetgebruiker toegang tot de meetinrichting verlenen aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder. De kosten die de elektriciteitsdistributienetbeheerder moet maken om toegang tot de meetinrichting te verkrijgen, worden door de elektriciteitsdistributienetgebruiker gedragen.

§ 8

Een elektriciteitsdistributienetgebruiker of de toegangshouder op het toegangspunt kan steeds een fysieke meteropname door de elektriciteitsdistributienetbeheerder aanvragen. Bij de aanvraag wordt een afspraak gemaakt met de elektriciteitsdistributienetbeheerder over het tijdstip waarop deze meteropname uitgevoerd zal worden. Daarbij kan de aanvrager eisen dat die datum binnen vijftien werkdagen ligt. De kosten voor de meteropname worden gedragen door de elektriciteitsdistributienetgebruiker tenzij die een beschermde afnemer is volgens het Energiebesluit en het zijn eerste vraag is in het lopende kalenderjaar. Als de elektriciteitsdistributienetbeheerder op de datum en tussen de uren van de afspraak geen toegang krijgt tot de meetinrichting, vervalt de aanvraag en worden de kosten gedragen door de aanvrager.

§ 9

De afname of de injectie, bepaald volgens §1, §2 en §3, wordt door de elektriciteitsdistributienetbeheerder gevalideerd overeenkomstig de procedure, beschreven in Afdeling V.3.5.

Art. V.3.1.8.

§ 1

Als voor de jaarlijkse meteropname op een toegangspunt zonder slimme meter geen fysieke meteropname door de elektriciteitsdistributienetbeheerder gebeurt, verstuurt de elektriciteitsdistributienetbeheerder een meteropnamekaart naar het contactadres van de elektriciteitsdistributienetgebruiker op het toegangspunt. Op die meteropnamekaart wordt de elektriciteitsdistributienetgebruiker verzocht binnen tien werkdagen contact op te nemen met de elektriciteitsdistributienetbeheerder en de meterstanden door te geven. De meteropnamekaart vermeldt dat als niet tijdig gereageerd wordt, de meterstanden geschat zullen worden en dat die niet betwist kunnen worden, tenzij de elektriciteitsdistributienetgebruiker uitdrukkelijk en op zijn kosten om een nieuwe meteropname verzoekt.

§ 2

Als de meterstand bij een leverancierswissel op een toegangspunt zonder slimme meter niet fysiek wordt opgenomen, stuurt de elektriciteitsdistributienetbeheerder zo spoedig mogelijk na de bevestiging aan beide betrokken leveranciers van de leverancierswissel, een meteropnamekaart naar het contactadres conform Artikel IV.2.2.3§2. Op die meteropnamekaart wordt de elektriciteitsdistributienetgebruiker verzocht binnen tien werkdagen contact op te nemen met de elektriciteitsdistributienetbeheerder en de meterstanden door te geven. De meteropnamekaart vermeldt dat indien niet tijdig gereageerd wordt, de meterstanden zullen geschat worden en dat die niet betwist kunnen worden, tenzij de elektriciteitsdistributienetgebruiker uitdrukkelijk en op zijn kosten om een nieuwe meteropname verzoekt.

Art. V.3.1.9. Klantencabines

§ 1

De elektriciteitsdistributienetbeheerder verstrekt de elektriciteitsdistributienetgebruiker het recht om te allen tijde de in de meetinrichting lokaal beschikbare meetgegevens die betrekking hebben op zijn toegangspunt, te consulteren. In de uitzonderlijke gevallen waarbij de meetinstallatie zich bevindt op een plaats die niet rechtstreeks voor de elektriciteitsdistributienetgebruiker toegankelijk is, wendt de elektriciteitsdistributienetgebruiker zich tot de elektriciteitsdistributienetbeheerder, die hem binnen een redelijke termijn toegang zal verschaffen overeenkomstig de bepalingen, vermeld in Artikel I.3.1.2.

§ 2

De meetgegevens, vermeld in §1, omvatten minstens de comptabele metingen, waaruit op een eenvoudige manier de elektriciteitsafname of -injectie over een bepaalde periode kan worden afgeleid.

§ 3

De periode, vermeld in §2, is de maand van afname of injectie of, bij elektriciteitsdistributienetgebruikers met jaarlijkse meteropname, de periode vanaf de laatste meteropname.

§ 4

Op verzoek van de elektriciteitsdistributienetgebruiker of de toegangshouder op een toegangspunt verschaft de elektriciteitsdistributienetbeheerder binnen de tien werkdagen de nodige inlichtingen voor de interpretatie van de meetgegevens.

§ 5

De afleesmethode en de omrekeningsfactoren die toegepast moeten worden voor het bepalen van de elektriciteitsafname of -injectie, vermeld in §2, worden bij nieuw geïnstalleerde meetinrichtingen op een duidelijke manier aangebracht op of vlak naast de meter.

Afdeling V.3.2.
Bijzondere bepalingen betreffende het gemeten verbruiksprofiel


Art. V.3.2.1.
Het verbruiksprofiel wordt geregistreerd op basis van meetperioden die overeenstemmen met de elementaire periode zoals bepaald in Artikel V.1.2.3.

Art. V.3.2.2.
In overeenstemming met de bepalingen van het aansluitingscontract en / of de noden van de elektriciteitsdistributienetbeheerder registreert een meetinrichting per meetperiode de volgende data:
de aanduiding van de meetperiode;
de opgenomen of geïnjecteerde actieve energie;
desgevallend de opgenomen en / of geïnjecteerde reactieve energie;
de piekvermogens van de voorbije twaalf maanden.

Art. V.3.2.3.
Als de elektriciteitsdistributienetbeheerder dit nodig acht, wordt hierbij bovendien onderscheid gemaakt tussen de vier kwadranten.

Art. V.3.2.4.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder verzamelt de meetgegevens op elektronische wijze en eventueel door tele-opname.

Art. V.3.2.5.

§ 1

Om desgevallend de tele-opname van de meetinrichting mogelijk te maken, zorgt de elektriciteitsdistributienetbeheerder, op basis van technisch-economische criteria, voor de realisatie van de meest aangewezen telecommunicatieverbinding.

§ 2

Als de elektriciteitsdistributienetbeheerder geen eigenaar is van de meetuitrustingen, is de elektriciteitsdistributienetgebruiker verantwoordelijk voor de overdracht van de meetgegevens naar de elektriciteitsdistributienetbeheerder volgens de procedure die de elektriciteitsdistributienetbeheerder bepaalt.

§ 3

Als de elektriciteitsdistributienetbeheerder geen eigenaar is van de meetuitrustingen en de inzameling overeenkomstig §2 onmogelijk is ten gevolge van een storing of een defect ervan, inclusief de overdracht naar de elektriciteitsdistributienetbeheerder, of ten gevolge van iedere andere oorzaak, heeft de elektriciteitsdistributienetbeheerder te allen tijde het recht om op kosten van de elektriciteitsdistributienetgebruiker, de meetgegevens of ieder ander gegeven ter plaatse op de meetuitrustingen in kwestie te verzamelen, met naleving van de voorschriften die betrekking hebben op de toegang tot die uitrustingen.

Art. V.3.2.6.
Een meetperiode is gerelateerd aan het tijdstip 00:00:00 volgens de lokale tijd.

Art. V.3.2.7.
De afwijking van de begin- en eindtijden van de meetperiode ten overstaan van de gehanteerde referentietijd mag niet groter zijn dan tien seconden.

Art. V.3.2.8.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder is belast met het beheer van deze gegevens en deelt elke wijziging mee aan de betrokken toegangshouder.

Afdeling V.3.3.
Bijzondere bepalingen betreffende het berekende verbruiksprofiel


Art. V.3.3.1.
Een berekend verbruiksprofiel wordt onderverdeeld op basis van meetperioden die overeenstemmen met de elementaire periode zoals bepaald in Artikel V.1.2.3.

Art. V.3.3.2.
Een berekend verbruiksprofiel schat per meetperiode de verdeling van de afgenomen actieve energie van een elektriciteitsdistributienetgebruiker per elementaire periode.

Art. V.3.3.3.

§ 1

De VREG legt een classificatie vast van elektriciteitsdistributienetgebruikers zonder registratie van het gemeten verbruiksprofiel op basis van objectieve en eenduidige criteria zoals het type elektriciteitsdistributienetgebruiker (huishoudelijk of niet-huishoudelijk), het aansluitingsvermogen van de installatie of de historische verbruiksgegevens van de elektriciteitsdistributienetgebruiker. Met elke categorie komt een synthetisch lastprofiel overeen.

§ 2

De VREG legt de synthetische lastprofielen vast, met inbegrip van eventuele correctiefactoren en de wijze waarop die in rekening worden gebracht, per categorie van elektriciteitsdistributienetgebruikers.

§ 3

De categorieën en de synthetische lastprofielen kunnen te allen tijde worden gewijzigd op basis van een statistische studie van werkelijk gemeten verbruiksprofielen, of op basis van de vastgestelde residu's bij de allocatie. De wijzigingen kunnen ten vroegste van kracht worden een maand na de publicatie ervan door de VREG.

§ 4

Uiterlijk op 30 november van elk jaar moeten de distributienetbeheerders, na overleg met de leveranciers, nieuwe profielen voor het komende kalenderjaar voorstellen aan de VREG.

§ 5

De VREG publiceert de categorieën en de synthetische lastprofielen in elektronische vorm op zijn website met vermelding van de datum waarop ze van kracht worden.

Art. V.3.3.4.
Aan elk toegangspunt dat niet voorzien is van een registratie van het gemeten verbruiksprofiel, wordt een synthetisch lastprofiel toegewezen door de elektriciteitsdistributienetbeheerder.

Art. V.3.3.5.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder is belast met het beheer van die gegevens en deelt elke wijziging mee aan de betrokken toegangshouder.

Afdeling V.3.4.
Databehandeling


Art. V.3.4.1.

§ 1

De elektriciteitsdistributienetbeheerder slaat de data, vermeld in Artikel V.3.2.2, elektronisch op.

§ 2

Voor de toegangspunten zonder registratie van het verbruiksprofiel slaat de elektriciteitsdistributienetbeheerder die gegevens op die hem in staat stellen om het verbruiksprofiel te herberekenen.

Art. V.3.4.2.
Aan de data, vermeld in Artikel V.3.4.1, koppelt de elektriciteitsdistributienetbeheerder de volgende gegevens:
de identificatie van het toegangspunt;
de locatie en het type van de meetinrichting;
de identificatie van de toegangshouder en de evenwichtsverantwoordelijken.

Afdeling V.3.5.
Validatie en correctie van meetgegevens


Art. V.3.5.1.

§ 1

Als de meetinrichting zich niet ter hoogte van het toegangspunt bevindt, zullen de meetgegevens worden aangepast op basis van een schattingsprocedure die rekening houdt met de fysische verliezen tussen het meetpunt en het toegangspunt.

§ 2

Op voorstel van de elektriciteitsdistributienetbeheerder en na goedkeuring door de VREG kunnen in bepaalde gevallen verliezen stroomopwaarts van het toegangspunt en die betrekking hebben op de aansluiting van de elektriciteitsdistributienetgebruiker, in de aanpassing worden meegerekend.

§ 3

Als de wijze van aanpassing niet is beschreven in het aansluitingscontract, zal de elektriciteitsdistributienetbeheerder op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria bepalen welke wijze het meest geschikt is.

§ 4

De fysische verliezen of verliezen stroomopwaarts worden beschouwd als onderdeel van de configuratie van de berekende meter en worden geregistreerd in het toegangsregister.

§ 5

Op eenvoudige schriftelijke aanvraag worden de fysische verliezen of verliezen stroomopwaarts en de manier waarop die de meetgegevens aanpassen, bekendgemaakt binnen tien werkdagen na de aanvraag aan de elektriciteitsdistributienetgebruiker op het toegangspunt.

Art. V.3.5.2.
Als de datum van de meteropname niet samenvalt met de datum waarop de meterstand bekend moet zijn, zal de elektriciteitsdistributienetbeheerder die meterstand herleiden op basis van de schattingsprincipes, beschreven in Artikel V.3.6.1.

Art. V.3.5.3.

§ 1

Als de elektriciteitsdistributienetbeheerder niet kan beschikken over de werkelijke meetgegevens of als hij van oordeel is dat de beschikbare resultaten niet betrouwbaar of foutief zijn, worden de meetresultaten in kwestie in het validatieproces vervangen door waarden die de elektriciteitsdistributienetbeheerder op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria billijk acht.

§ 2

De waarden waardoor de onbetrouwbare of foutieve gegevens worden vervangen zijn de waarden die de uitkomst vormen van een van de volgende schattingsprocedures waarbij de netbeheerder onderstaande volgorde van schattingsprocedures respecteert:
redundante metingen;
andere meetresultaten die de betrokken elektriciteitsdistributienetgebruiker ter beschikking heeft;
vergelijking met de gegevens van een periode die als equivalent wordt beschouwd.

§ 3

De elektriciteitsdistributienetbeheerders publiceren gemeenschappelijk een gedetailleerde beschrijving van de methodiek van de validatie.

Art. V.3.5.4.
Een elektriciteitsdistributienetgebruiker of de toegangshouder op een toegangspunt kan een extra fysieke meteropname bij de elektriciteitsdistributienetbeheerder aanvragen, als hij van oordeel is dat de ter beschikking gestelde meetgegevens foutief zijn. De kosten voor die extra meteropname komen voor rekening van de elektriciteitsdistributienetbeheerder als de extra meteropname uitwijst dat de door de elektriciteitsdistributienetbeheerder opgenomen meetgegevens foutief waren; in het andere geval worden de kosten door de aanvrager gedragen.

Afdeling V.3.6.
Schatting, allocatie en reconciliatie


Art. V.3.6.1.

§ 1

De afname of injectie van een elektriciteitsdistributienetgebruiker zonder registratie van het verbruiksprofiel in de periode tussen twee meteropnames kan geschat worden op basis van de totale afname of injectie over de vorige periode of op de typisch gemiddelde afname of injectie van een vergelijkbaar type van eindafnemer.

§ 2

De elektriciteitsdistributienetbeheerders publiceren gemeenschappelijk een gedetailleerde beschrijving van de methodiek van de schatting.

Art. V.3.6.2.
In de volgende gevallen mag een meterstand of afname of injectie geschat worden door de elektriciteitsdistributienetbeheerder overeenkomstig de bepalingen in Artikel V.3.6.1:
als de meteropnamekaart niet “onbezorgd” teruggestuurd werd en een netgebruiker niet tijdig reageert op de hem toegestuurde meteropnamekaart;
als werd vastgesteld dat een meetinrichting gedurende een bepaalde periode niet of incorrect de afname of injectie registreerde. In dat geval wordt de afname of injectie over die periode herberekend, rekening houdend met de bepalingen in Artikel V.3.11.1.
als werd vastgesteld dat meetgegevens van een toegangspunt gedurende een bepaalde periode incorrect werden verwerkt en ter beschikking gesteld door de elektriciteitsdistributienetbeheerder. In dat geval wordt de afname of injectie over die periode herberekend, rekening houdend met de bepalingen in Artikel V.3.11.1;
als werd vastgesteld dat een elektriciteitsdistributienetgebruiker gedurende een bepaalde periode onrechtmatig elektriciteit afnam van het elektriciteitsdistributienet en dit niet of slechts gedeeltelijk geregistreerd werd door een meetinrichting. In dat geval wordt de afname of injectie over die periode herberekend.
in toepassing van Artikel V.3.11.4.

Art. V.3.6.3.
Op basis van de geschatte totale afname en het toegewezen lastprofiel bepaalt de elektriciteitsdistributienetbeheerder het berekende verbruiksprofiel.

Art. V.3.6.4.

§ 1

Op basis van de geïnjecteerde elektriciteit op het elektriciteitsdistributienet die geregistreerd werd door een meetinrichting, de uitgewisselde elektriciteit met andere netten, de berekende verbruiksprofielen, de gemeten verbruiksprofielen en een schatting van de elektriciteitsdistributienetverliezen wordt per elektriciteitsdistributienetbeheerder en per elementaire periode het residu berekend. Dat residu wordt pro rata toegekend aan de toegangshouders en hun respectieve evenwichtsverantwoordelijken voor de toegangspunten met geschatte verbruiken. De VREG legt de gedetailleerde beschrijving van de methodiek van de allocatie vast.

§ 2

De elektriciteitsdistributienetbeheerder is verantwoordelijk voor de tijdige uitvoering van de allocatieberekening over de toegangspunten in zijn elektriciteitsdistributienet. Die berekeningen worden maandelijks uitgevoerd op basis van de historiek van het toegangsregister over de voorgaande maand die op dat moment bekend is, op voorwaarde dat alle processen op het toegangsregister correct uitgevoerd werden of worden door de elektriciteitsdistributienetbeheerder.

§ 3

Op basis van de resultaten van de allocatie verdeelt de elektriciteitsdistributienetbeheerder de energie die geleverd werd aan afnemers over de toegangshouders en hun evenwichtsverantwoordelijken per elementaire periode.

§ 4

De resultaten van de allocatie voor een bepaalde maand zijn definitief ten laatste op de eerste werkdag van de zesde maand die volgt op die maand.

Art. V.3.6.5.

§ 1

De verdeling van de energie over de toegangshouders en hun evenwichtsverantwoordelijken die verkregen wordt door de allocatie, beschreven in Artikel V.3.6.4, moet op maandelijkse basis gecorrigeerd worden op basis van de werkelijk gemeten afnamen of injecties op de toegangspunten. De VREG legt de gedetailleerde beschrijving van de methodiek van de reconciliatie vast.

§ 2

De elektriciteitsdistributienetbeheerder is verantwoordelijk voor de uitvoering van de reconciliatieberekening over de toegangspunten in zijn elektriciteitsdistributienet. De berekeningen voor een maand en de vijftien voorgaande maanden worden maandelijks en voor de eerste keer zes maand na deze maand uitgevoerd op basis van de historiek van het toegangsregister over de voorgaande maanden.

§ 3

Bij de eindreconciliatie van een maand wordt de restterm van die maand vastgesteld. Die restterm komt voor rekening van de elektriciteitsdistributienetbeheerder. De VREG legt de gedetailleerde beschrijving van de methodiek van de eindreconciliatie vast.

§ 4

De elektriciteitsdistributienetbeheerder is verantwoordelijk voor de uitvoering van de eindreconciliatieberekening over de toegangspunten in zijn elektriciteitsdistributienet. De voorlopige berekeningen worden uiterlijk 32 maanden na de betrokken maand uitgevoerd op basis van de historiek van het toegangsregister over die maanden. De definitieve berekeningen worden uiterlijk 37 maanden na de betrokken maand uitgevoerd op basis van de historiek van het toegangsregister over die maanden.

§ 5

De elektriciteitsdistributienetbeheerders en de toegangshouders op hun elektriciteitsdistributienetten, van zodra ze toegang krijgen, nemen deel aan de financiële afhandeling voor de betrokken maand die volgt uit de berekeningen vermeld in §3 en §4.

§ 6

De elektriciteitsdistributienetbeheerders en de leveranciers stellen gezamenlijk een partij aan die instaat voor de uitvoering van de financiële afhandeling vermeld in §5.

Afdeling V.3.7.
Opslag, archivering en beveiliging van de data


Art. V.3.7.1.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder slaat zowel de onbewerkte meetgegevens als de eventueel gewijzigde meetgegevens op een niet vluchtige informatiedrager op.

Art. V.3.7.2.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder archiveert de gegevens, vermeld in Artikel V.3.7.1, gedurende een periode van minstens vijfjaar.

Art. V.3.7.3.
De door de elektriciteitsdistributienetbeheerder centraal beheerde meetgegevens zijn, overeenkomstig de toepasselijke wettelijke bepalingen, beveiligd tegen kennisneming door anderen dan de elektriciteitsdistributienetbeheerder.

Afdeling V.3.8.
Ter beschikking te stellen meetgegevens bij gemeten verbruiksprofielen


Art. V.3.8.1.

§ 1

De elektriciteitsdistributienetbeheerder stelt aan de toegangshouder op elke werkdag de niet-gevalideerde meetgegevens per elementaire periode zoals bepaald in Artikel V. 1.2.3 per toegangspunt van de voorgaande werkdag en de eventueel tussenliggende dagen ter beschikking voor de toegangspunten waarop hij energie levert of injecteert en die voorzien zijn van een automatische meteruitlezing.

§ 2

De elektriciteitsdistributienetbeheerder valideert de meetgegevens op basis van de elementaire periode zoals bepaald in Artikel V.1.2.3 op elke werkdag voor de voorgaande werkdag en de eventueel tussenliggende dagen en deelt de eventuele afwijkingen ten opzichte van de niet-gevalideerde meetgegevens zo spoedig mogelijk mee aan de toegangshouder. Op de tiende werkdag na de dag van afname of injectie zijn de meetgegevens gevalideerd. Ten minste voor 95 % van de toegangspunten zijn de gevalideerde meetgegevens van een maand beschikbaar uiterlijk op de vierde werkdag van de volgende maand.

§ 3

Gevalideerde meetgegevens die geschat werden op basis van de procedures, vermeld in Artikel V.3.5.3§2, zijn voorzien van een herkenningsvlag.

§ 4

Voor productie-installaties worden de gevalideerde meetgegevens, vermeld in dit artikel, aan de betrokken producent meegedeeld op zijn eenvoudig verzoek volgens de principes van §2en §3. In afwijking van Artikel I.2.2.2§1 kan die informatie-uitwisseling in overleg met de producent volgens een ander protocol gebeuren.

Art. V.3.8.2.
Op verzoek van toegangshouder kan de elektriciteitsdistributienetbeheerder meetgegevens van een toegangspunt met verschillende fysieke meetpunten, ook uitgesplitst ter beschikking stellen van de aanvrager. De betrokkene richt zich daarvoor tot de elektriciteitsdistributienetbeheerder, die op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria de aanvraag evalueert en de daaruit voortkomende taken uitvoert. De daaraan verbonden kosten worden door de aanvrager gedragen.

Art. V.3.8.3.

§ 1

De elektriciteitsdistributienetbeheerder stelt aan de evenwichtsverantwoordelijke op elke werkdag voor de voorgaande werkdag en de eventueel tussenliggende dagen, de niet-gevalideerde meetgegevens per elementaire periode zoals bepaald in Artikel V.1.2.3 in geaggregeerde vorm per toegangshouder ter beschikking, en deelt de geaggregeerde gegevens per evenwichtsverantwoordelijke gelijktijdig mee aan de transmissienetbeheerder.

§ 2

De elektriciteitsdistributienetbeheerder stelt aan de evenwichtsverantwoordelijke dagelijks de gevalideerde meetgegevens in geaggregeerde vorm per toegangshouder ter beschikking uiterlijk op de tiende werkdag na de dag van afname of injectie, en deelt de geaggregeerde gegevens per evenwichtsverantwoordelijke gelijktijdig mee aan de transmissienetbeheerder.

§ 3

De meetgegevens, vermeld in dit artikel, hebben alleen betrekking op de actieve energie.

Art. V.3.8.4.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder motiveert, indien van toepassing, de aanpassingen en correcties die op basis van Artikel V.3.5.1 tot en met Artikel V.3.5.3 werden aangebracht.

Art. V.3.8.5.
Op verzoek van de producent, de toegangshouder of de evenwichtsverantwoordelijke kan de elektriciteitsdistributienetbeheerder de meetgegevens, al dan niet gevalideerd, met een grotere frequentie dan vermeld in Artikel V.3.8.1 ter beschikking stellen. De betrokkene richt zich daarvoor tot de elektriciteitsdistributienetbeheerder, die op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria de aanvraag evalueert en de daaruit voortkomende taken uitvoert. De daaraan verbonden kosten worden door de aanvrager gedragen.

Art. V.3.8.6.
Na ontvangst van de meetgegevens voor een toegangspunt moet de leverancier, in geval van klanten wissel, leverancierswissel of gecombineerde wissel, buitendienststelling van het toegangspunt of vervanging van de meter, binnen een termijn van zes weken een factuur opmaken gebaseerd op de meetgegevens zoals doorgegeven door de elektriciteitsdistributienetbeheerder en deze overmaken aan de elektriciteitsdistributienetgebruiker.

Afdeling V.3.9.
Ter beschikking te stellen meet-, allocatie- en reconciliatiegegevens bij berekende verbruiksprofielen


Art. V.3.9.1.

§ 1

De elektriciteitsdistributienetbeheerder stelt aan de leverancier gevalideerde meetgegevens ter beschikking voor de toegangspunten waarop hij energie levert of injecteert en die maandelijks worden uitgelezen. Voor minstens 95 % van de toegangspunten moeten die gegevens worden meegedeeld uiterlijk op de vierde werkdag van de volgende maand en voor alle toegangspunten uiterlijk op de tiende werkdag van deze maand. De elektriciteitsdistributienetbeheerder moet steeds de datum van de meteropname van de toegangspunten vermelden. Gevalideerde meetgegevens die geschat werden op basis van de procedures, vermeld in Artikel V.3.5.3§2, zijn voorzien van een herkenningsvlag.

§ 2

De elektriciteitsdistributienetbeheerder stelt aan de leverancier gevalideerde meetgegevens ter beschikking voor de toegangspunten waarop hij energie levert of injecteert en die jaarlijks worden uitgelezen. Voor minstens 95 % van de toegangspunten moeten die gegevens worden meegedeeld uiterlijk op de vierde werkdag na de meteropname en voor alle toegangspunten, uiterlijk op de tiende werkdag na de meteropname. De elektriciteitsdistributienetbeheerder moet steeds de datum van de meteropname vermelden. Als bij het valideren van de meetgegevens blijkt dat een fysieke meteropname vereist is, gelden de vermelde termijnen vanaf de dag van deze extra meteropname. Gevalideerde meetgegevens die geschat werden op basis van de procedures, vermeld in Artikel V.3.5.3§2, zijn voorzien van een herkenningsvlag.

§ 3

Voor productie-installaties met een injectiemeter/-punt worden de gevalideerde meetgegevens, vermeld in dit artikel, tevens meegedeeld aan de betrokken producent volgens de principes van §1 en §2.

Art. V.3.9.2.
Op verzoek van de toegangshouder kan de elektriciteitsdistributienetbeheerder meetgegevens van een toegangspunt met verschillende fysieke meetpunten, ook uitgesplitst ter beschikking stellen van de aanvrager. De betrokkene richt zich daarvoor tot de elektriciteitsdistributienetbeheerder, die op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria de aanvraag evalueert en de daaruit voortkomende taken uitvoert. De daaraan verbonden kosten worden door de aanvrager gedragen.

Art. V.3.9.3.

§ 1

De elektriciteitsdistributienetbeheerder stelt uiterlijk op de vijftiende werkdag van de volgende maand de allocatiegegevens op basis van de elementaire periode zoals bepaald in Artikel V.1.2.3 van de maand ter beschikking van de leverancier voor de toegangspunten zonder registratie van het verbruiksprofiel waarop hij energie levert of injecteert.

§ 2

Die allocatiegegevens omvatten, naast het aan de leverancier toegekende totaal per kwartier van de energiehoeveelheden op toegangspunten van zowel gemeten als berekende verbruiksprofielen voor de betrokken maand, ook minstens volgende opsplitsing:
de energiehoeveelheden op toegangspunten met een berekend verbruiksprofiel, opgesplitst over de verschillende profielcategorieën, gesommeerd over de toegangspunten in kwestie;
de afnames op afnamepunten met een gemeten verbruiksprofiel, gesommeerd over de afnamepunten in kwestie;
de injecties op injectiepunten met een gemeten verbruiksprofiel (lokale producties), gesommeerd over de injectiepunten in kwestie.

Art. V.3.9.4.

§ 1

De elektriciteitsdistributienetbeheerder stelt uiterlijk op de vijftiende werkdag van de volgende maand aan de evenwichtsverantwoordelijke de allocatiegegevens op basis van de elementaire periode zoals bepaald in Artikel V.1.2.3 van de maand ter beschikking in geaggregeerde vorm per toegangshouder.

§ 2

Die allocatiegegevens omvatten naast, het aan elke toegangshouder toegekende totaal per kwartier van de energiehoeveelheden op toegangspunten van zowel gemeten als berekende verbruiksprofielen voor de betrokken maand, ook minstens volgende opsplitsing:
de energiehoeveelheden op toegangspunten met een berekend verbruiksprofiel, opgesplitst over de verschillende profielcategorieën, gesommeerd over de toegangspunten in kwestie;
de afnames op afnamepunten met een gemeten verbruiksprofiel, gesommeerd over de afnamepunten in kwestie;
de injecties op injectiepunten met een gemeten verbruiksprofiel (lokale producties), gesommeerd over de injectiepunten in kwestie.

Art. V.3.9.5.

§ 1

De elektriciteitsdistributienetbeheerder stelt uiterlijk op de vijftiende werkdag van de volgende maand aan de transmissienetbeheerder de allocatiegegevens op basis van de elementaire periode zoals bepaald in Artikel V.1.2.3 van de maand ter beschikking in geaggregeerde vorm per evenwichtsverantwoordelijke.

§ 2

Die allocatiegegevens omvatten, naast het aan elke evenwichtsverantwoordelijke toegekende totaal per kwartier van de energiehoeveelheden op toegangspunten van zowel gemeten als berekende verbruiksprofielen voor de betrokken maand, ook minstens volgende opsplitsing:
de energiehoeveelheden op toegangspunten met een berekend verbruiksprofiel, opgesplitst over de verschillende profielcategorieën, gesommeerd over de toegangspunten in kwestie;
de afnames op afnamepunten met een gemeten verbruiksprofiel, gesommeerd over de afnamepunten in kwestie;
de injecties op injectiepunten met een gemeten verbruiksprofiel (lokale producties), gesommeerd over de injectiepunten in kwestie.

Art. V.3.9.6.
Uiterlijk op de laatste dag van de zesde maand na de maand, stelt de elektriciteitsdistributienetbeheerder de reconciliatiegegevens van die maand en de vorige 15 maanden ter beschikking van de leverancier.

Art. V.3.9.7.

§ 1

Uiterlijk op de laatste dag van de 32ste maand na de maand, stelt de elektriciteitsdistributienetbeheerder de voorlopige eindreconciliatiegegevens van die maand ter beschikking van de leverancier.

§ 2

Uiterlijk op de laatste dag van de 37ste maand na de maand, stelt de elektriciteitsdistributienetbeheerder de definitieve eindreconciliatiegegevens van die maand ter beschikking van de leverancier.

§ 3

De elektriciteitsdistributienetbeheerder stelt ten laatste op het moment van het overmaken van de gegevens vermeld in Artikel V.3.9.6 en Artikel V.3.9.7. §1 en §2 (reconciliatiegegevens) een momentopname van de gegevens die gediend hebben voor de respectieve berekeningen ter beschikking van de leverancier. De gegevens die hij hierbij vastlegt en het moment waarop hij dat doet, worden in onderling overleg tussen leveranciers en netbeheerders bepaald en beschreven in de handleiding voor informatie-uitwisseling, alsook het moment wanneer, het formaat waarin en de drager waarop die gegevens ter beschikking gesteld worden van de leverancier. Bij gebrek aan een gemeenschappelijk bepaalde beschrijving legt de VREG de voorwaarden op van het vastleggen van gegevens alsook het moment wanneer, het formaat waarin en de drager waarop die gegevens ter beschikking gesteld worden.

Art. V.3.9.8.

§ 1

De elektriciteitsdistributienetbeheerder verzamelt dagelijks de waarden per elementaire periode zoals bepaald in Artikel V.l.2.3 van de netinvoer op zijn elektriciteitsdistributienet, aggregeert die en stelt die ter beschikking van de leveranciers die toegang hebben tot zijn elektriciteitsdistributienet.

§ 2

De elektriciteitsdistributienetbeheerder verzamelt dagelijks de waarden per elementaire periode zoals bepaald in Artikel V.l.2.3 van energie die de elektriciteitsdistributienetgebruikers met een gemeten verbruiksprofiel van zijn net hebben afgenomen, aggregeert die en stelt die ter beschikking van de leveranciers die toegang hebben tot zijn elektriciteitsdistributienet.

§ 3

De elektriciteitsdistributienetbeheerder stelt gelijktijdig met de gegevens in §1 en §2 de nodige informatie ter beschikking zodat de leveranciers die toegang hebben tot zijn elektriciteitsdistributienet de netverliezen die door de vervoerde energie op zijn elektriciteitsdistributienet worden veroorzaakt, kunnen berekenen.

§ 4

Het formaat waarin, het moment waarop en de drager waarop die informatie ter beschikking gesteld wordt, worden in onderling overleg tussen leveranciers en netbeheerders bepaald en beschreven in de handleiding voor informatie-uitwisseling. Bij gebrek aan een gemeenschappelijk bepaalde beschrijving legt de VREG het formaat waarin, het moment waarop en de drager waarop deze informatie ter beschikking gesteld wordt, op.

Art. V.3.9.9.
Na ontvangst van de meetgegevens voor een toegangspunt moet de leverancier, in geval van een periodieke meteropname, een klanten wissel, leverancierswissel of gecombineerde wissel, buitendienststelling van het toegangspunt of een vervanging van de meter, met uitzondering van de vervanging van de meter op een toegangspunt voorzien van decentrale productie in compensatie op initiatief van de elektriciteitsdistributienetbeheerder binnen een termijn van zes weken een factuur opmaken, gebaseerd op de meetgegevens zoals doorgegeven door de elektriciteitsdistributienetbeheerder, en deze overmaken aan de elektriciteitsdistributienetgebruiker.

Afdeling V.3.10.
Historische verbruiksgegevens


Art. V.3.10.1. Aanvraag van maandelijkse en jaarlijkse verbruiksgegevens

§ 1

Als een elektriciteitsdistributienetgebruiker verandert van leverancier, worden de beschikbare historische verbruiksgegevens op maand- of jaarbasis gratis ter beschikking gesteld van de nieuwe leverancier. De aanvraag voor de leverancierswissel geldt gelijktijdig als een aanvraag tot het ter beschikking stellen van de historische verbruiksgegevens, tenzij de betrokken elektriciteitsdistributienetgebruiker dat weigert door middel van een schriftelijke melding bij de elektriciteitsdistributienetbeheerder.

§ 2

De maandelijkse verbruiksgegevens van de laatste drie jaar voor toegangspunten met registratie van het verbruiksprofiel of maandelijkse meteropname, en de jaarlijkse verbruiksgegevens van de laatste drie jaar voor de toegangspunten met jaarlijkse meteropname voor zover de betrokken elektriciteitsdistributienetgebruiker op hetzelfde toegangspunt actief was in de referentieperiode en voor zover de gegevens beschikbaar zijn, worden doorgestuurd door de elektriciteitsdistributienetbeheerder naar de nieuwe leverancier, uiterlijk vijftien werkdagen na de datum waarop de leverancierswissel ingaat. De inhoud en samenstelling van dat bericht worden beschreven in de handleiding voor informatie-uitwisseling.

§ 3

In afwijking van Artikel V.3.10.2§2 en Artikel V.3.10.2§3 kan de elektriciteitsdistributienetbeheerder een ander protocol opleggen als hij eveneens beheerder is van het transmissienet.

Art. V.3.10.2. Aanvraag van gedetailleerde verbruiksgegevens

§ 1

Elke elektriciteitsdistributienetgebruiker kan maximaal een keer per jaar zijn verbruiksgegevens van de laatste drie jaar op eenvoudig verzoek, met opgave van zijn EAN-code, gratis verkrijgen bij de elektriciteitsdistributienetbeheerder. Hij kan die taak ook toevertrouwen aan een toegangshouder aan wie hij de nodige volmacht verleent.

§ 2

De opgevraagde verbruiksgegevens moeten door de elektriciteitsdistributienetbeheerder aan de aanvrager ter beschikking gesteld worden uiterlijk vijftien werkdagen na de aanvraag, voor zover de betrokken elektriciteitsdistributienetgebruiker op hetzelfde toegangspunt actief was in de referentieperiode en voor zover de gegevens beschikbaar zijn.

§ 3

De informatie moet duidelijk en eenvormig gerangschikt worden, per EAN-code, per tijdstip en per type verbruik (actief, capacitief, inductief) volgens een door de elektriciteitsdistributienetbeheerders gezamenlijk bepaald formaat:
voor continu gelezen toegangspunten:
o
actief verbruik of injectie per elementaire periode zoals bepaald in Artikel V. 1.2.3;
o
inductief en capacitief verbruik of injectie per elementaire periode zoals bepaald in Artikel V. 1.2.3;
voor toegangspunten met maandopname:
o
actief verbruik of injectie per maand, opgesplitst per teller; o piekvermogen, opgesplitst per teller (indien van toepassing);
o
de opnamedatums;
voor toegangspunten met jaaropname:
o
actief verbruik of injectie per jaar, opgesplitst per teller;
o
de opnamedatums.

§ 4

De informatie wordt bij voorkeur elektronisch ter beschikking gesteld van de aanvrager.

Afdeling V.3.11.
Rechtzettingen


Art. V.3.11.1.
Mogelijke fouten in de informatie van een toegangspunt met betrekking tot de uitgewisselde meetgegevens worden door de toegangshouder en de elektriciteitsdistributienetbeheerder onmiddellijk aan elkaar gemeld. Daartoe stellen zij gezamenlijk een meldings- en afhandelingsprocedure op en beschrijven die in de handleiding voor informatie-uitwisseling. Typefouten of groepen van fouten en de bijbehorende behandeling worden beschreven in een catalogus die wordt geactualiseerd op basis van overleg tussen leveranciers en elektriciteitsdistributienetbeheerders.

Art. V.3.11.2.
De meldings- en afhandelingsprocedure en de in de catalogus beschreven behandeling bevatten minstens volgende stappen:
De leverancier of elektriciteitsdistributienetbeheerder meldt de fout aan de andere partij, met aanduiding van de typefout.
De andere partij beoordeelt de gemelde fout, met terugmelding van de aanvaarding of verwerping van dat bericht binnen twee kalenderdagen na ontvangst. Bij aanvaarding wordt door de ontvangende partij een uniek referentienummer aan de foutmelding toegekend.
De aanvaarde foutmelding wordt behandeld conform de procedure en het tijdschema die in de catalogus vastgelegd zijn.
Beide partijen communiceren aan elkaar over de nodige wijzigingen in de uitgewisselde meetgegevens ter correctie van de fout. Beide partijen nemen de nodige maatregelen om die fout in de eigen gegevensbestanden en processen recht te zetten.
Andere processen en verrekeningen worden al dan niet met terugwerkende kracht (nettarieffactuur, allocatie, reconciliatie) tussen beide partijen gelijktijdig rechtgezet, als dat is overeengekomen tussen leveranciers en netbeheerders en zoals vastgelegd in de catalogus.

Art. V.3.11.3.

§ 1

Een elektriciteitsdistributienetgebruiker kan met inachtname van de periode gespecifieerd in Artikel V.3.11.4, zijn afgenomen of geïnjecteerde energiehoeveelheden betwisten bij de elektriciteitsdistributienetbeheerder of via zijn toegangshouder bij de elektriciteitsdistributienetbeheerder.

§ 2

Een elektriciteitsdistributienetgebruiker kan met inachtname van de periode gespecifieerd in Artikel V.3.11.4 zijn geschatte afgenomen of geïnjecteerde energiehoeveelheden betwisten bij de elektriciteitsdistributienetbeheerder of via zijn toegangshouder bij de elektriciteitsdistributienetbeheerder.

§ 3

In uitzondering op voorgaande paragraaf kunnen schattingen van meetgegevens in de specifieke gevallen, vermeld in Artikel V.3.1.7 en Artikel V.3.1.8, niet betwist worden, tenzij de elektriciteitsdistributienetgebruiker aangeeft dat de elektriciteitsdistributienetbeheerder een fout heeft gemaakt bij het toepassen van de schattingsmethodieken, beschreven in Artikel V.3.6.1.

§ 4

Als de betwiste meterstanden voortkwamen uit een fysieke meteropname door de elektriciteitsdistributienetbeheerder, kan de elektriciteitsdistributienetgebruiker een nieuwe fysieke meteropname aanvragen bij de elektriciteitsdistributienetbeheerder overeenkomstig Artikel V.3.1.7§8. Als die meteropname uitwijst dat de betwiste meterstanden niet correct waren, worden de kosten voor die meteropname gedragen door de elektriciteitsdistributienetbeheerder. In dat geval worden de betwiste meterstanden en indien nodig de daaropvolgende meterstanden rechtgezet overeenkomstig Artikel V.3.11.1.

§ 5

Als de betwiste meterstanden voortkwamen uit een meteropname door de elektriciteitsdistributienetgebruiker zelf via een meteropnamekaart, wordt aan de elektriciteitsdistributienetgebruiker de mogelijkheid geboden nieuwe (actuele) meterstanden door te geven aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder. Als die meteropname uitwijst dat de betwiste meterstanden niet correct waren, worden de betwiste meterstanden en indien nodig de daaropvolgende meterstanden rechtgezet overeenkomstig Artikel V.3.11.1.

§ 6

Als de betwiste meterstanden voortkwamen uit een schatting (of correctie) door de elektriciteitsdistributienetbeheerder, met uitzondering van de gevallen vermeld in Artikel V.3.1.7 en Artikel V.3.1.8 waarbij de geschatte meterstand niet meer betwist kan worden, wordt aan de elektriciteitsdistributienetgebruiker de mogelijkheid geboden nieuwe (actuele) meterstanden door te geven aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder. Als die meteropname uitwijst dat de betwiste meterstanden niet correct waren, worden de betwiste meterstanden en indien nodig de daaropvolgende meterstanden rechtgezet overeenkomstig Artikel V.3.11.1.

§ 7

Als de betwiste meterstanden voortkwamen uit een schatting of correctie door de elektriciteitsdistributienetbeheerder en de elektriciteitsdistributienetgebruiker aangeeft dat de elektriciteitsdistributienetbeheerder een fout heeft gemaakt bij het toepassen van de schattingsprincipes, onderzoekt de elektriciteitsdistributienetbeheerder binnen tien werkdagen of hij een fout heeft gemaakt bij het toepassen van de schattingsmethodieken. Als dit onderzoek uitwijst dat de betwiste meterstanden niet correct waren, herschat de elektriciteitsdistributienetbeheerder de betwiste meterstanden en worden de betwiste meterstanden en indien nodig de daaropvolgende meterstanden rechtgezet overeenkomstig Artikel V.3.11.1.

Art. V.3.11.4.
Dit artikel is van toepassing op de gegevens die door een elektriciteitsdistributienetbeheerder aan de toegangshouder worden bezorgd in het kader van de facturatie van een afname of injectie door een elektriciteitsdistributienetgebruiker.
Wanneer een elektriciteitsdistributienetbeheerder overgaat tot een rechtzetting van afgenomen of geïnjecteerde energiehoeveelheden voor een toegangspunt of de inbreng van afgenomen of geïnjecteerde energiehoeveelheden voor een toegangspunt waarvoor in het verleden geen energiehoeveelheden beschikbaar waren (spontaan, op vraag van een leverancier of een elektriciteitsdistributienetgebruiker) moet hij zich houden aan volgende voorwaarden:
De tijdspanne waarvoor de rechtzetting of inbreng kan, behoudens kwade trouw, maximaal plaatsvinden is:
o
voor jaarlijks gemeten toegangspunten:
vanaf de eerste dag van de laatste 2 periodieke meteropnameperiodes
tot aan de dag van de gevalideerde meteropname die aanleiding gaf tot de rechtzetting
met de beperking dat de periode van de rechtzetting of inbreng ten vroegste kan aanvangen op de eerste dag van de maand volgend op de 2 maanden die volgen op de maand van de eindreconciliatie, die geldt op het moment van de rechtzetting.
Eventuele tussenliggende meteropnames (wissel,...)vormen hierop geen belemmering.
o
voor maandelijkse gemeten toegangspunten: de laatste 24 volledig opgenomen maanden voorafgaand aan de dag van de gevalideerde meteropname die aanleiding gaf tot de rechtzetting. Eventuele tussenliggende meteropnames vormen hierop geen belemmering.
o
voor continu gemeten toegangspunten: voor de elementaire meetwaarden die overeenstemmen met de laatste 24 volledig opgenomen maanden, voorafgaand aan de dag van de gevalideerde meteropname die aanleiding gaf tot de rechtzetting.
Voor een toegangspunt zet de elektriciteitsdistributienetbeheerder de in het verleden ontbrekende, geschatte of foutief toegewezen energiehoeveelheden als volgt recht: De elektriciteitsdistributienetbeheerder verdeelt de nieuwe energiehoeveelheid over de periode tijdens dewelke deze energiehoeveelheid werd verbruikt of geïnjecteerd en dit volgens de schattingsregels zoals bepaald in Afdeling V.3.6 Voor de rechtzetting weerhoudt hij het aandeel uit deze verdeling van de tijdspanne van de rechtzetting zoals bepaald volgens 1°.;
De tarieven die gehanteerd worden voor de facturatie van de rechtzetting of inbreng van deze energiehoeveelheden zijn de tarieven die gehanteerd werden in de verbruiks- of injectieperiode waarvan de energiehoeveelheden rechtgezet of ingebracht worden;
Deze rechtzetting of inbreng van energiehoeveelheden sluit evenwel de mogelijkheid tot een gemeenrechtelijke schadevergoeding niet uit.
Deze voorwaarden gelden ook voor de toegangshouder(s) die deze rechtzetting zal/zullen factureren aan de elektriciteitsdistributienetgebruiker.
Deze voorwaarden gelden ook voor rechtzetting of inbreng van gegevens andere dan energiehoeveelheden die door een elektriciteitsdistributienetbeheerder aan een toegangshouder worden bezorgd in het kader van de facturatie van een afname of injectie door een elektriciteitsdistributienetgebruiker.
In afwijking van het tweede lid, 1° wordt in ieder geval de rechtzetting van energiehoeveelheden niet beperkt tot de laatste 2 periodieke meteropnameperiodes voor jaarlijks gemeten toegangspunten of tot de laatste 24 opnamemaanden voor maandelijks en continu gemeten toegangspunten als het gaat om een rechtzetting die gevolg is van een foutieve registratie door de elektriciteitsdistributienetbeheerder van gegevens met betrekking tot een toegangspunt in het toegangsregister, als deze rechtzetting in het voordeel van de elektriciteitsdistributienetgebruiker is. In deze gevallen wordt de rechtzettingstermijn beperkt tot 5 jaar, te rekenen vanaf het moment dat de elektriciteitsdistributienetbeheerder of de toegangshouder kennis heeft genomen van de foutieve registratie.

Art. V.3.11.5.
Hoewel in het toegangsreglement voorzien wordt in een mogelijkheid tot forfaitaire schadeloosstelling ten aanzien van de leverancier voor de niet-naleving van zijn verplichting inzake het verstrekken van gegevens, is de elektriciteitsdistributienetbeheerder niet ontslaan van zijn verplichting om die gegevens alsnog onverwijld te bezorgen aan de leverancier zodra hij erover beschikt.

Hoofdstuk V.4.
Bepalingen betreffende de meetinrichtingen en de meetgegevens voor gesloten distributienetten voor elektriciteit


Afdeling V.4.1.
Algemeen


Art. V.4.1.1.
De beheerder van het gesloten distributienet voor elektriciteit rust zijn net uit met voldoende meetinstallaties opdat de afgenomen en geïnjecteerde energiehoeveelheden door middel van meetgegevens aan alle achterliggende toegangspunten kunnen toegewezen worden. De aan elk achterliggend toegangspunt toegewezen hoeveelheid afgenomen of geïnjecteerde energie wordt aldus bepaald door minstens één meetinstallatie.

Art. V.4.1.2.
De achterliggende netgebruiker is eigenaar van zijn meetgegevens.

Art. V.4.1.3.

§ 1

Indien de beheerder van het gesloten distributienet voor elektriciteit overeenkomstig artikel 4.6.3. van het Energiedecreet bepaalde taken met betrekking tot de meetgegevens uitbesteedt aan de beheerder van het net waaraan zijn net gekoppeld is, handelt de elektriciteitsdistributienetbeheerder hierbij niet-discriminatoir met de mogelijkheid de taak uit te voeren conform de werkwijze voor zijn eigen net met uitzondering van de bepalingen in Artikel V.4.1.4.

§ 2

Indien de beheerder van het gesloten distributienet voor elektriciteit zelf instaat voor de taken met betrekking tot de meetinrichtingen, hanteert hij in de uitvoering van zijn taken dezelfde termijnen als deze die van toepassing zijn voor een elektriciteitsdistributienetbeheerder zoals vermeld onder Hoofdstuk V.2.

Art. V.4.1.4.
De meetinrichting op een achterliggend toegangspunt voldoet aan de minimale nauwkeurigheidsvereisten opgelegd aan de elektriciteitsdistributienetbeheerders overeenkomstig Afdeling V.2.3 zodra er een leverancierswissel plaatsvindt op dit achterliggend toegangspunt en in elk geval bij een vervanging van de meetinstallatie of de plaatsing van een nieuwe meetinstallatie voor het achterliggend toegangspunt, voor zover geen andere regelgeving ter zake geldt.

Afdeling V.4.2.
Gemeten verbruiksprofiel


Art. V.4.2.1.
In het gesloten distributienet voor elektriciteit is voor alle achterliggende toegangspunten voor injectie het gemeten verbruiksprofiel van toepassing, d.w.z. dat de meetinstallaties voor injectie worden uitgerust met tele-opname. De bepalingen in Afdeling V.3.2 zijn ook van toepassing voor de beheerder van het gesloten distributienet voor elektriciteit.

Afdeling V.4.3.
Storingen en fouten


Art. V.4.3.1.
De beheerder van het gesloten distributienet voor elektriciteit voorziet in een procedure voor meldingen door de achterliggende netgebruiker van storingen of fouten bij de meting. Een gebruiker kan daarbij aan de beheerder een controle van de meetinrichting vragen.

Art. V.4.3.2.
Een fout bij de meting wordt als significant beschouwd als ze groter is dan toegestaan is krachtens de toepasbare nauwkeurigheidsvereisten conform Afdeling V.2.3.

Art. V.4.3.3.
De beheerder van het gesloten distributienet voor elektriciteit zorgt ervoor dat een storing bij de meting of bij de dataoverdracht in een meetuitrusting die hij beheert, verholpen wordt binnen een termijn van zeven werkdagen tenzij anders vastgelegd in overleg met de achterliggende netgebruiker.

Art. V.4.3.4.
De beheerder van het gesloten distributienet voor elektriciteit zorgt ervoor dat een fout, een defect of een onnauwkeurigheid aan de meetinrichting waarvoor de beheerder van het gesloten distributienet voor elektriciteit verantwoordelijk is, verholpen wordt binnen een termijn van zeven werkdagen tenzij anders vastgelegd in overleg met de achterliggende netgebruiker.

Art. V.4.3.5.
De beheerder van het gesloten distributienet voor elektriciteit draagt de kosten, verbonden aan de acties vermeld in Artikel V.4.3.4 als een significante fout kon worden vastgesteld. In het andere geval worden ze gedragen door de gebruiker die de controle aanvroeg.

Afdeling V.4.4.
Validatie, correctie, schatting van meetgegevens


Art. V.4.4.1.
De beheerder van het gesloten distributienet voor elektriciteit voorziet in een eigen methodiek voor de validatie en correctie van de meetgegevens.

Art. V.4.4.2.
De beheerder van het gesloten distributienet voor elektriciteit voorziet in een eigen methodiek voor de schatting van meetgegevens.

Afdeling V.4.5.
Opslag, archivering en beveiliging van de data


Art. V.4.5.1.
Dezelfde artikels zijn van toepassing voor gesloten distributienetten voor elektriciteit als deze onder Afdeling V.3.7 voor elektriciteitsdistributienetten.

Afdeling V.4.6.
Ter beschikking stellen van meetgegevens


Art. V.4.6.1.
De beheerder van het gesloten distributienet voor elektriciteit verstrekt per achterliggend toegangspunt aan de leverancier of producent, de evenwichtsverantwoordelijke en de vervoersonderneming de nodige meetgegevens per elementaire periode, zoals bepaald in Artikel V.1.2.3, en per maand, in een vorm, met een snelheid en een frequentie zoals afgesproken met de betrokken partij, waarbij de bestaande marktprocessen voor elektriciteitsdistributienetten niet worden vertraagd.

Afdeling V.4.7.
Reconciliatie


Art. V.4.7.1.
De beheerder van het gesloten distributienet voor elektriciteit en de toegangshouders op zijn net, van zodra deze toegang krijgen, nemen deel aan de financiële afhandeling voor de betrokken maand zoals vermeld in Afdeling V.3.6.

Afdeling V.4.8.
Historische verbruiksgegevens


Art. V.4.8.1.
De beheerder van het gesloten distributienet voor elektriciteit voorziet in een procedure waarbij een nieuwe leverancier in geval van een leverancierswissel de beschikbare historische verbruiksgegevens van de laatste drie jaar op het achterliggend toegangspunt gratis kan opvragen.

Art. V.4.8.2.
De beheerder van het gesloten distributienet voor elektriciteit voorziet in een procedure waarbij een netgebruiker maximaal één keer per jaar de beschikbare historische verbruiks- of injectiegegevens van de laatste drie jaar op zijn achterliggend toegangspunt gratis kan opvragen.

Afdeling V.4.9.
Rechtzettingen


Art. V.4.9.1.
Mogelijke fouten in de informatie van een achterliggend toegangspunt met betrekking tot de uitgewisselde meetgegevens worden door de toegangshouder en de beheerder van het gesloten distributienet voor elektriciteit onmiddellijk aan elkaar gemeld. De beheerder van het gesloten distributienet stelt een procedure op voor de melding en de rechtzetting van de fouten.

Art. V.4.9.2.
In geval van uitbesteding overeenkomstig Artikel V.4.1.3 mag de beheerder van het gekoppelde elektriciteitsdistributienet voor rechtzettingen handelen overeenkomstig Artikel V.3.11.4

Afdeling V.4.10.
Decentrale productie-installaties


Art. V.4.10.1.
Voor productie-installaties met een vermogen groter dan 10 kVA plaatst de beheerder van het gekoppelde net een meetinrichting met uitlezing van de productie op afstand.

Art. V.4.10.2.
Voor het installeren en uitlezen van de meetinstallatie en het beheer van de meetgegevens van een decentrale productie-eenheid kan de gebruiker van het gesloten distributienet voor elektriciteit een beroep doen op de diensten van de elektriciteitsdistributienetbeheerder als de meting op het toegangspunt niet toelaat om de hoeveelheid geproduceerde elektriciteit eenduidig te bepalen. Die diensten en de verrekening van de kosten ervan worden contractueel gepreciseerd.

Deel VI.
Samenwerkingscode


Hoofdstuk VI.1.
Algemene bepalingen


Art. VI.1.1.1.
In de Samenwerkingscode (Deel VI) worden de voorschriften beschreven in verband met de koppeling tussen het transmissienet, de elektriciteitsdistributienetten en de gesloten distributienetten voor elektriciteit.

Hoofdstuk VI.2.
Koppelingen van elektriciteitsdistributienetten onderling en aan het transmissienet


Art. VI.2.1.1.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder en de netbeheerder aan wiens net hij gekoppeld is, bepalen in onderling overleg de fysieke plaats van het koppelpunt of de koppelpunten.

Art. VI.2.1.2.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder en de netbeheerder aan wiens net hij gekoppeld is, verlenen elkaar wederzijds de noodzakelijke medewerking bij de uitvoering van de taken waartoe beide partijen wettelijk of contractueel verplicht zijn.

Art. VI.2.1.3.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder pleegt overleg met de netbeheerder aan wiens net hij gekoppeld is, met betrekking tot alle aspecten die direct of indirect gevolgen voor de betrokken netbeheerders kunnen hebben, en inzonderheid met betrekking tot:
de ontwikkeling, het onderhoud en de exploitatie van hun respectieve netten;
de ondersteunende diensten die zij respectievelijk ter beschikking stellen;
het evenwicht tussen de vraag naar en het aanbod van elektriciteit in de Belgische regelzone;
het technische beheer van de elektriciteitsstromen op hun respectieve netten;
de coördinatie van de inschakeling van de productie-eenheden die op hun respectieve netten aangesloten zijn;
de toegang tot hun respectieve netten;
de toepassing van de reddings- en heropbouwcode.

Art. VI.2.1.4.
Minstens eenmaal per jaar pleegt de elektriciteitsdistributienetbeheerder overleg met de beheerders van de met zijn net gekoppelde netten over de geplande investeringen in zijn elektriciteitsdistributienet met inbegrip van de ontwikkelingen van decentrale productie en de daaruit voortvloeiende knelpunten.

Art. VI.2.1.5.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder deelt de planningsgegevens mee aan de netbeheerder aan wiens net hij gekoppeld is, overeenkomstig Hoofdstuk II.2.

Art. VI.2.1.6.

§ 1

De elektriciteitsdistributienetbeheerder sluit met de netbeheerder aan wiens net hij gekoppeld is, een exploitatieovereenkomst waarin onder meer het vermogen bepaald wordt dat die laatste ter beschikking kan stellen aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder op elk koppelpunt en, indien van toepassing, de evolutie van dit vermogen.

§ 2

De overeenkomst, vermeld in §1, bepaalt eveneens de respectieve rechten, verplichtingen en verantwoordelijkheden, en de procedures met betrekking tot alle aspecten van de exploitatie die een indirecte of directe invloed kunnen hebben op de veiligheid, de betrouwbaarheid en de efficiëntie van de betrokken netten, aansluitingen, of installaties van netgebruikers.

§ 3

De reddingscode, opgesteld door de transmissienetbeheerder, wordt opgenomen in de overeenkomst die met de transmissienetbeheerder wordt gesloten.

§ 4

De heropbouwcode, opgesteld door de transmissienetbeheerder, wordt opgenomen in de overeenkomst die met de transmissienetbeheerder wordt gesloten.

§ 5

Afspraken over de praktische uitvoering van het afschakelplan wat betreft onderbrekingen van koppelpunten tussen het transmissienet en de elektriciteitsdistributienetten en de herinschakeling van die koppelpunten en in het bijzonder van prioritaire afnemers worden opgenomen in de overeenkomst met de transmissienetbeheerder.

§ 6

Afspraken over de door de elektriciteitsdistributienetbeheerder aangeboden mogelijkheden om selectief belastingen af te schakelen in plaats van volledige koppelpunten, overeenkomstig de prioriteiten van het afschakelplan, worden opgenomen in de overeenkomst met de transmissienetbeheerder.

Art. VI.2.1.7.

§ 1

Elke versterking of uitbreiding van een bestaande koppeling wordt gezamenlijk door de elektriciteitsdistributienetbeheerder en de netbeheerder aan wiens net hij gekoppeld is, beoordeeld op basis van de zorg voor de optimale ontwikkeling van de betrokken netten, en rekening houdend met de voorrang die moet worden gegeven aan kwalitatieve warmtekrachtkoppelingsinstallaties en productie-installaties die hernieuwbare energiebronnen gebruiken.

§ 2

De kwaliteit van de geleverde spanning op elk koppelpunt wordt bepaald in de exploitatieovereenkomst, vermeld in Artikel VI.2.1.6, rekening houdend met de bepalingen, vermeld in Artikel I.1.2.1§2.

§ 3

Het toegestane niveau van storingen op het koppelpunt wordt bepaald door de normen die algemeen worden toegepast op Europees niveau, en meer bepaald de technische rapporten IEC 61000-3-6, 61000-3-7 en 61000-3-13.

Art. VI.2.1.8.

§ 1

In de koppelpunten geniet de elektriciteitsdistributienetbeheerder per tijdsinterval van een afnamerecht op een forfaitaire hoeveelheid reactieve energie, in inductief en capacitief regime.

§ 2

Onder voorbehoud van de bepalingen van §3, is die forfaitaire hoeveelheid reactieve energie per tijdsinterval gelijk aan 32,9 % van de hoeveelheid actieve energie, afgenomen op het koppelpunt tijdens dat tijdsinterval.

§ 3

Die forfaitaire hoeveelheid reactieve energie per tijdsinterval mag niet lager zijn dan 3,29 % van de hoeveelheid actieve energie die conform is met de duurtijd van het tijdsinterval vermenigvuldigd met het op het koppelpunt ter beschikking gesteld vermogen, zoals vermeld in Artikel VI.2.1.6.

§ 4

Het positieve verschil tussen de hoeveelheid in inductief regime en de forfaitaire hoeveelheid, toegewezen overeenkomstig dit artikel, wordt ten laste gelegd aan de betrokken elektriciteitsdistributienetbeheerder, volgens het overeenkomstige tarief.

§ 5

Het positieve verschil tussen de hoeveelheid in capacitief regime en de forfaitaire hoeveelheid, toegewezen overeenkomstig dit artikel, wordt ten laste gelegd aan de betrokken elektriciteitsdistributienetbeheerder, volgens het overeenkomstige tarief.

§ 6

Voor de toepassing van dit artikel is het desbetreffende tijdsinterval een kwartier.

Art. VI.2.1.9.

§ 1

De elektriciteitsdistributienetbeheerder licht de netbeheerder aan wiens net hij gekoppeld is, tijdig in over de tijdelijke en permanente overschakelingen van belasting tussen de betrokken koppelpunten.

§ 2

De elektriciteitsdistributienetbeheerder stelt op het gemotiveerde verzoek van de netbeheerder aan wiens net hij gekoppeld is, de verdere informatie over het verwachte verbruiksprofiel per koppelpunt ter beschikking.

Art. VI.2.1.10.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder sluit een samenwerkingsovereenkomst met de netbeheerder aan wiens net hij gekoppeld is. Die overeenkomst bepaalt onder meer de procedures voor de uitwisseling van gegevens met betrekking tot de aspecten, vermeld in Artikel VI.2.1.2, alsook de respectieve verantwoordelijkheden voor de kwaliteit, de periodiciteit van de terbeschikkingstelling en de betrouwbaarheid van die gegevens, voor het naleven van de mededelingstermijnen en voor de confidentialiteit van de gegevens die onderling worden uitgewisseld of ter beschikking staan.

Art. VI.2.1.11.

§ 1

De netbeheerders van wie (delen van) de netten onderling gekoppeld zijn, delen elkaar dagelijks de al dan niet gevalideerde energie-uitwisselingen op de koppelingspunten mee binnen een werkdag.

§ 2

De transmissienetbeheerder deelt maandelijks de gevalideerde energie-uitwisselingen op de koppelingspunten met het elektriciteitsdistributienet of de elektriciteitsdistributienetten mee aan de betrokken elektriciteitsdistributienetbeheerder of elektriciteitsdistributienetbeheerders binnen vier werkdagen na het einde van de maand in kwestie.

§ 3

De elektriciteitsdistributienetbeheerders van wie (delen van) de elektriciteitsdistributienetten onderling gekoppeld zijn, delen elkaar maandelijks de gevalideerde energie-uitwisselingen op de koppelingspunten mee binnen zes werkdagen na het einde van de maand in kwestie. In de periode tussen de dag van opname van de energie-uitwisseling en de zesde werkdag na het einde van de maand in kwestie, plegen zij overleg en corrigeren indien nodig de geregistreerde energieuitwisselingen opdat de door en onder hen verdeelde energie-uitwisselingen overeenstemmen met de door de transmissienetbeheerder opgegeven energieuitwisselingen op de koppelingspunten van het transmissienet met de elektriciteitsdistributienetten.

§ 4

De elektriciteitsdistributienetbeheerders van wie (delen van) de elektriciteitsdistributienetten onderling gekoppeld zijn, delen de gevalideerde energieuitwisselingen op de koppelingspunten met het transmissienet mee aan de transmissienetbeheerder binnen de tien werkdagen na het einde van de maand in kwestie.

§ 5

De elektriciteitsdistributienetbeheerders van wie (delen van) de elektriciteitsdistributienetten onderling gekoppeld zijn, delen de gevalideerde energieuitwisseling tussen hun netten mee aan de transmissienetbeheerder binnen de tien werkdagen na het einde van de maand in kwestie.

Art. VI.2.1.12.
De bepalingen in de Samenwerkingscode (Deel VI) zijn niet van toepassing als de elektriciteitsdistributienetbeheerder en de netbeheerder aan wiens net hij gekoppeld is, dezelfde rechtspersoon zijn.

Hoofdstuk VI.3.
Koppeling van een gesloten distributienet voor elektriciteit aan een ander net


Art. VI.3.1.1.
Het koppelpunt tussen het gesloten distributienet voor elektriciteit en het gekoppelde net wordt door de beheerder van het gekoppelde net uitgerust met een meetinstallatie met afzonderlijke registratie van afnames en injecties per elementaire periode via teleopname.

Art. VI.3.1.2.

§ 1

De installaties van het koppelpunt tussen het gesloten distributienet voor elektriciteit en het gekoppelde net moeten beantwoorden aan alle wettelijke en reglementaire bepalingen die van toepassing zijn op het gekoppelde net.

§ 2

Er wordt tussen de beheerder van het gesloten distributienet voor elektriciteit en de beheerder van het gekoppelde net een overeenkomst opgesteld die alle operationele bepalingen m.b.t. het koppelpunt bevat, zoals:
de wederzijdse rechten en plichten met betrekking tot het geheel van fysische uitrustingen nodig om het gesloten distributienet voor elektriciteit te koppelen aan het net; In afwachting van deze bepalingen, blijven de vroeger gemaakte afspraken rond de aansluiting verder van kracht, voor zover ze niet strijdig zijn met het Technisch Reglement Distributie Elektriciteit.
de afspraken, wederzijdse rechten en plichten met betrekking tot de uitwisseling van de gegevens op de achterliggende toegangspunten;
de modaliteiten van een eventuele uitbesteding van taken door de beheerder van het gesloten distributienet voor elektriciteit aan de beheerder van het gekoppelde net en dit krachtens het Energiedecreet;
de afspraken omtrent de coördinatie van maatregelen te nemen tijdens incidenten, noodsituaties of operationele problemen overeenkomstig de bepalingen in Afdeling I.5.3;
de frequentie waarmee, de vorm waarin en de inhoud van de gegevens die de beheerder van het gesloten distributienet voor elektriciteit aan de beheerder van het gekoppelde elektriciteitsdistributienet zal overmaken in het kader van de opmaak van het investeringsplan voor het elektriciteitsdistributienet volgens Hoofdstuk II.1.

Art. VI.3.1.3.
In geval van een aanvraag door de beheerder van een gesloten distributienet voor elektriciteit aan een elektriciteitsdistributienetbeheerder voor
een nieuwe koppeling of
een wijziging of verzwaring van een bestaande koppeling
zijn de procedures van aanvraag en behandeling volgens aansluiting met studie zoals beschreven onder Afdeling III.3.3 overeenkomstig van toepassing.

Bijlage I.
Begrippenlijst

Aansluiting: het geheel van fysieke uitrustingen dat nodig is om de installaties van een gebruiker op het elektriciteitsdistributienet of gesloten distributienet met het elektriciteitsdistributienet of het gesloten distributienet voor elektriciteit te verbinden, inclusief de meetinrichting
Aansluitingscontract: het contract, gesloten overeenkomstig dit Technisch Reglement Distributie Elektriciteit, tussen een gebruiker op het elektriciteitsdistributienet of gesloten distributienet voor elektriciteit en de beheerder van het elektriciteitsdistributienet of gesloten distributienet voor elektriciteit. Dat contract regelt de wederzijdse rechten, verplichtingen en aansprakelijkheden in verband met een bepaalde aansluiting, alsook de voor de aansluiting van de installaties relevante technische bepalingen
Aansluitingsinstallatie: een component van een aansluiting
Aansluitingspunt: de fysieke plaats en het spanningsniveau van het punt waar de aansluiting is verbonden met het elektriciteitsdistributienet of het gesloten distributienet voor elektriciteit
Aansluitingsreglement: het reglement, opgesteld overeenkomstig dit Technisch Reglement Distributie Elektriciteit, dat geldig is tussen een gebruiker van het elektriciteitsdistributienet en de beheerder van het elektriciteitsdistributienet. Dat reglement regelt de wederzijdse rechten, verplichtingen en aansprakelijkheden in verband met een bepaalde aansluiting, alsook de voor de aansluiting van de installaties relevante technische bepalingen
Aansluitingsvermogen: het maximaal vermogen, vermeld in het aansluitingscontract en uitgedrukt in kilovoltampère (kVA) of megavoltampère (MVA), waarover de gebruiker van het elektriciteitsdistributienet of gesloten distributienet voor elektriciteit mag beschikken door middel van zijn aansluiting
Actief vermogen: het elektrische vermogen, uitgedrukt in kilowatt (kW) of megawatt (MW) dat kan worden omgezet naar andere vormen van vermogen, zoals mechanisch, thermisch, akoestisch, ... in waarde gelijk aan 3.U.I.cosφ (voor een driefasige aansluiting) U.I.cosφ (voor een eenfasige aansluiting) waarbij U en I de effectieve waarden zijn van de fundamentele componenten van de fasespanning en de stroom en waarbij φ het faseverschil voorstelt tussen de fundamentele componenten van die spanning en stroom
Actieve energie: de integraal van het actief vermogen gedurende een bepaalde tijdsperiode
Actieve verliezen: het verbruik van actief vermogen door het elektriciteitsdistributienet, veroorzaakt door het gebruik van dat elektriciteitsdistributienet
Achterliggend toegangspunt: toegangspunt van een achterliggende netgebruiker.
Adres: locatie, aangeduid door een straatnaam, huisnummer, busnummer, postnummer en de naam van de stad en gemeente
Afname: het afnemen van vermogen vanuit het elektriciteitsdistributienet
Belasting: elke installatie die actief of reactief vermogen verbruikt.
Buiten dienst stellen van een toegangspunt: het fysiek verhinderen van afname van of injectie op een toegangspunt op een bestaande aansluiting, door het spanningsloos maken van de installatie van de elektriciteitsdistributienetgebruiker
Comptabele meting: meting of telling die gebruikt wordt voor de verrekening van geleverde diensten
Configuratie van de berekende meter: virtuele meter waarbij de indexen bepaald worden door berekening op basis van meerdere reële registers of meters
Congestie: een situatie waarin een element van het net niet alle fysieke stromen kan opvangen zonder de operationele veiligheid in het gevaar te brengen
Contactadres: adres, aangegeven door de betrokken partij, waarop die zijn correspondentie wenst te ontvangen
Contract van toegangsverantwoordelijke: het contract, gesloten tussen de beheerder van het transmissienet en een evenwichtsverantwoordelijke, dat in het bijzonder de voorwaarden in verband met het evenwicht bevat
Contract voor de coördinatie van de inschakeling van de productie-eenheden: het contract, gesloten tussen een elektriciteitsdistributienetbeheerder en een evenwichtsverantwoordelijke, voor een of meer injectiepunten, dat in het bijzonder de voorwaarden in verband met de coördinatie van de inschakeling van de productie-eenheden bevat
Dag D: een kalenderdag
Dag D-1: de kalenderdag vóór de dag D
Decentrale productie-eenheid: productie-eenheid waarvan de inschakeling niet centraal gecoördineerd wordt
Decentrale productie-installaties: installaties voor productie van elektriciteit, die aangesloten zijn op het elektriciteitsdistributienet op laagspanning of op hoogspanning kleiner dan 30 kV en met een opwekkingsvermogen dat beperkt is tot 25 MW
Elektriciteitsdistributienetgebruiker: de titularis van het toegangspunt op het elektriciteitsdistributienet of , indien er geen titularis is, de natuurlijke persoon of rechtspersoon die van dit toegangspunt gebruik maakt
EAN-GLN: European Article Number/Global Location Number (uniek numeriek veld van 13 posities voor unieke identificatie van een marktpartij)
EAN-GSRN: European Article Number/Global Service Related Number (uniek numeriek veld van 18 posities)
EDIEL: Electronic Data Interchange for the Electricity Industry (maakt deel uit van de internationale UN/EDIFACT standaard voor elektronisch dataverkeer)
Eenvoudige werfaansluiting: een eenvoudige aansluiting van tijdelijke aard op een bouwterrein met een maximumvermogen van 25 kVA en maximaal 25 meter van de rooilijn
Eilandbedrijf: situatie waarbij een productie-eenheid, na plotse uitschakeling van het elektriciteitsdistributienet, kan blijven instaan voor de voeding van de eigen hulpdiensten en eventueel (een deel van) het afgekoppelde systeem, en beschikbaar is om opnieuw op dat elektriciteitsdistributienet aangesloten te worden
Energiebesluit: Besluit van de Vlaamse Regering houdende algemene bepalingen over het energiebeleid van 19 november 2010
Energiedecreet: het Vlaamse decreet van 8 mei 2009 houdende algemene bepalingen betreffende het energiebeleid
Elektrisch systeem: het geheel van de uitrustingen dat alle gekoppelde netten, alle aansluitingsinstallaties en alle installaties van de netgebruikers, aangesloten op die netten omvat
Frequentie: cijfermatige aanduiding van het aantal herhalingen per seconde van de fundamentele component in de voedingsspanning. De frequentie wordt uitgedrukt in Hertz (Hz)
Heropbouwcode: operationele code voor de heropbouw van het elektrisch systeem na een gehele of gedeeltelijke instorting
Hoogspanning: spanningsniveau boven 1000 V
In dienst nemen van een toegangspunt: het fysiek mogelijk maken van afname van of injectie op een toegangspunt op een bestaande aansluiting
Indicatief programma: het indicatief programma van de productiemiddelen voor elektriciteit, opgesteld ter uitvoering van artikel 3 van de wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt
Injectie: het leveren van vermogen aan het elektriciteitsdistributienet
Injectiepunt: de fysieke plaats en het spanningsniveau van het punt waar vermogen in het elektriciteitsdistributienet wordt geïnjecteerd
Installatie die functioneel deel uitmaakt van het elektriciteitsdistributienet: elke uitrusting die niet tot het elektriciteitsdistributienet behoort, maar waarvan het gebruik de functionaliteit van het elektriciteitsdistributienet wezenlijk beïnvloedt
Installatie van de elektriciteitsdistributienetgebruiker: elke uitrusting van de elektriciteitsdistributienetgebruiker die door middel van een aansluiting op het elektriciteitsdistributienet is aangesloten en die niet tot die aansluiting behoort, en waarop dit Technisch Reglement Distributie Elektriciteit van toepassing is
Kennisgeving: elke vorm van bekendmaking, mededeling, (aan)vraag of klacht
Koppelpunt: het tussen beheerders onderling overeengekomen fysieke punt waar de koppeling tussen hun netten is gerealiseerd
Kwaliteit: het geheel van de karakteristieken van elektriciteit die een invloed kunnen hebben op het elektriciteitsdistributienet (met inbegrip van de aansluiting) en de installaties van een of meer elektriciteitsdistributienetgebruikers, dat in het bijzonder de continuïteit van de spanning en de elektrische karakteristieken van die spanning (frequentie, amplitude, golfvorm, symmetrie) bevat
Kwartiervermogen: het gemiddeld afgenomen of geïnjecteerd vermogen over een periode van een kwartier, uitgedrukt in kilowatt (kW) of megawatt (MW) in geval van actief vermogen, in kilovar (kVAr) of megavar (MVAr) in geval van reactief vermogen, en in kilovoltampère (kVA) of megavoltampère (MVA) in geval van schijnbaar vermogen
Laagspanning: spanningsniveau van 1000 V of lager
Meetgegeven: een gegeven dat verkregen wordt door of gebaseerd is op een telling of meting door middel van een meetinrichting
Meetpunt de fysieke plaats en het spanningsniveau van het punt waar de meetinrichting met de betrokken installatie verbonden is
Meternummer uniek identificatienummer van een meettoestel
Meteropname: elke elektronische meteruitlezing op afstand, fysieke meteropname door een personeelslid van de beheerder van het net, opname van de meetgegevens door de gebruiker van het net waarbij deze meetgegevens al dan niet via de leverancier worden overgemaakt aan de beheerder van het net of schatting door de beheerder van het net op basis waarvan de elektriciteit die over een bepaalde periode afgenomen, geïnjecteerd, geproduceerd of verbruikt is, bepaald wordt.
Meting: opname door middel van een meetinrichting van een fysische grootheid op een bepaald tijdstip
Netinvoer: de actieve energie die via een ander net, hetzij een elektriciteitsdistributienet, hetzij een transmissienet, of via een aansluiting waaraan een productie-installatie gekoppeld is, in het elektriciteitsdistributienet ingevoerd wordt
Nominaal vermogen (Pnom): het maximaal ontwikkelbaar actief vermogen van een productie-eenheid, bepaald in het aansluitingscontract, dat de maximaal toegestane levering van actief vermogen in het elektriciteitsdistributienet bepaalt
Nominale spanning: de spanning die kenmerkend is voor een elektriciteitsdistributienet en waarnaar men verwijst om bepaalde werkingskenmerken aan te geven
Onderschreven vermogen: het actief kwartiervermogen dat overeenstemt met de maximale behoefte (injectie of afname) van een elektriciteitsdistributienetgebruiker op een toegangspunt gedurende een bepaalde periode
Ondersteunende diensten van de elektriciteitsdistributienetbeheerder: het geheel van de volgende diensten:
de regeling van de spanning en van het reactief vermogen,
de compensatie van de netverliezen,
de toegang tot de netten waarmee het elektriciteitsdistributienet van de elektriciteitsdistributienetbeheerder gekoppeld is,
indien van toepassing, het congestiebeheer
Onterechte leverancierswissel: leverancierswissel die niet gedekt is door een leveringscontract
Opnamemaand: de door de elektriciteitsdistributienetbeheerder aangegeven maand waarin de elektriciteitsdistributienetbeheerder de jaarlijkse meterstand(en) zal bepalen op een toegangspunt
Periodieke meteropnameperiode: De periode tussen twee meteropnames die allebei door de elektriciteitsdistributienetbeheerder werden uitgevoerd in het kader van de jaarlijkse meteropname, zoals bedoeld in Artikel V.3.1.7§2 pt. 1 en die in de tijd die op elkaar volgen.
Productie-eenheid: een fysische eenheid die een elektrische generator omvat
Programma: een lijst, opgedeeld in tijdseenheden, van de geplande afgenomen en geïnjecteerde vermogens voor een bepaalde dag D, met betrekking tot een bepaald toegangspunt
Railstel: het geheel van drie metalen rails of geleiders die voor elk van de drie fasen afzonderlijk een gemeenschappelijk spanningspunt vormen en waarop de verschillende installaties aangesloten zijn zodat ze onderling verbonden zijn
Reactief vermogen: de waarde gelijk aan 3.U.I.sinφ (voor een driefasige aansluiting) of U.I.sinφ (voor een eenfasige aansluiting) waarbij U en I de effectieve waarden zijn van de fundamentele componenten van de fasespanning en de stroom en waarbij cp het faseverschil voorstelt tussen de fundamentele componenten van die spanning en stroom
Reactieve energie: de integraal van het reactief vermogen gedurende een bepaalde tijdsperiode
Reddingscode: operationele code voor het behoud van de veiligheid, de betrouwbaarheid en de efficiëntie van het elektrisch systeem onder uitzonderlijke exploitatieomstandigheden
Register van toegangsverantwoordelijken: register dat de transmissienetbeheerder bijhoudt overeenkomstig het koninklijk besluit van 27 juni 2001 houdende een Technisch Reglement voor het beheer van het transmissienet van elektriciteit en de toegang ertoe
Schijnbaar vermogen: de waarde gelijk aan 3.U.I (voor een driefasige aansluiting) of U.I (voor een eenfasige aansluiting) waarbij U en I de effectieve waarden zijn van de fundamentele componenten van de fasespanning en de stroom
Stamgegevens: gegevens met betrekking tot een toegangspunt die nodig zijn voor het uitvoeren van de activiteiten verbonden aan de levering van elektriciteit op dit toegangspunt
Standaard jaarverbruik: een berekend verbruik over een jaar op basis van het werkelijk verbruik en het synthetisch lastprofiel (SLP). De berekeningswijze wordt door de elektriciteitsdistributienetbeheerders gepubliceerd.
Standaard maandverbruik: een berekend verbruik over een maand op basis van het werkelijk verbruik en synthetisch lastprofiel (SLP). De berekeningswijze wordt door de elektriciteitsdistributienetbeheerders gepubliceerd
Synthetisch lastprofiel: gemodelleerd afnamepatroon van een afnemer, niet uitgerust met een meetinrichting met registratie van het verbruiksprofiel, ter benadering van de verdeling van het verbruik in de tijd
Technisch-economisch meest aangewezen punt: het punt waarvan blijkt dat dit het meest geschikte punt is op basis van een macro-economische kosten-batenanalyse van de technisch mogelijke aansluitingspunten
Technisch Reglement Transmissie: het koninklijk besluit van 19 december 2002 houdende een technisch reglement voor het beheer van het transmissienet van elektriciteit en de toegang ertoe
Telling: opname – door middel van een meetinrichting – van de hoeveelheid actieve of reactieve energie die gedurende een tijdsperiode wordt geïnjecteerd of afgenomen
Toegangsaanvraag: een aanvraag voor toegang tot het elektriciteitsdistributienet of een gesloten distributienet voor elektriciteit overeenkomstig dit Technisch Reglement Distributie Elektriciteit
Toegangscontract: het contract dat de bijzondere voorwaarden bepaalt in verband met de toegang tot het elektriciteitsdistributienet of het gesloten distributienet voor elektriciteit
Toegangsreglement: het reglement van de elektriciteitsdistributienetbeheerder dat de bijzondere voorwaarden bepaalt in verband met de toegang tot het elektriciteitsdistributienet
UMIG: de Utility Market Implementation Guide, de door de elektriciteitsdistributienetbeheerders gemeenschappelijk opgestelde handleiding die de uitwisseling van informatie beschrijft tussen de elektriciteitsdistributienetbeheerders en andere marktpartijen
Verbruiksprofiel: gemeten of berekende reeks van gegevens over de afname of de injectie van elektriciteit op een toegangspunt per elementaire periode
Voedingsspanning: de effectieve waarde van de spanning op een toegangspunt, gemeten over een gegeven tijdsinterval
Werkdag: elke dag van de week, met uitzondering van zaterdag, zondag en de wettelijke feestdagen

Bijlage II.
Gegevenslijst

De eerste kolom van Tabel 1: gegevenstabel heeft als kopje “Aansluitingstype” en onderscheidt twee types aansluitingen: de aansluitingen van productie-eenheden (“Pr”) en de aansluitingen van belastingen (“B”).
Bij een gemengde aansluiting (productie-eenheid en belasting, “Pr + B”) kan de elektriciteitsdistributienetbeheerder alle gegevens of een gedeelte ervan voor beide aansluitingstypes opvragen.
De tweede kolom van Tabel 1: gegevenstabel heeft als kopje “Doel” en refereert aan het hoofdstuk of de paragrafen van dit Technisch Reglement Distributie Elektriciteit waarop de gegevens betrekking hebben.
De afkorting “P” betreft de Planningscode. De afkortingen “S” en “A” komen respectievelijk overeen met de afdeling “Aanvraag voor Oriënterende studie” en “Aanvraag tot Aansluiting” in de Aansluitingscode. Andere gegevens over bestaande installaties worden gecatalogeerd onder de titel “Andere” en “Alle”.
De planningsgegevens waarvan sprake in Artikel 2.1.1 van Deel II: Planningscode zijn die welke in Tabel 1: gegevenstabel door het teken “P” of “Alle” in de kolom “Doel” zijn aangegeven.
De algemene technische gegevens of informatie waarvan sprake in Artikel 8.5.4 van Deel III: Aansluitingscode zijn die welke in Tabel 1: gegevenstabel door het teken “S” of “Alle” in de kolom “Doel” zijn aangegeven.
De gedetailleerde technische gegevens of informatie waarvan sprake in Artikel 8.6.4 van Deel III: Aansluitingscode zijn die welke in Tabel 1: gegevenstabel door het teken “A” of “Alle” in de kolom “Doel” zijn aangegeven.
De derde kolom van Tabel 1: gegevenstabel heeft als kopje “Omschrijving” en beschrijft de gevraagde technische gegevens en informatie.
De vierde kolom van van Tabel 1: gegevenstabel heeft als kopje “Eenheid” en duidt voor de meetbare grootheden de meeteenheid aan.
De vijfde kolom van van Tabel 1: gegevenstabel heeft als kopje “Periode”. De letter T geeft het aantal jaar weer waarvoor het gegeven of de informatie wordt doorgegeven aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder, in overeenstemming met de planningsperiode, beschouwd in de Planningscode.
Aansluitingstype
Doel
Omschrijving
Eenheid
Periode
Pr + B
Alle
Identificatie van de aansluiting
 
 
Pr + B
Alle
Naam en adres van de elektriciteitsdistributienetgebruiker
 
 
Pr + B
A
Koppeling met het net: beschrijving van de aansluiting met inbegrip van de hulpvoeding
 
 
Pr + B
S, A
Datum van indienstname
mm/jjjj
 
Pr + B
Andere
Laatste datum van conformiteitskeuring
dd/mm/jjjj
 
Pr + B
A
Lokalisatie en toegang tot schakelapparatuur en meetapparatuur
 
 
Pr + B
Andere
Algemene overstroom beveiliging: merk, type, instelwaarden, kableringsschema
 
 
Pr + B
Andere
Elektrisch schema
 
 
B
Alle
Actief vermogen piek en maand van optreden
kW, mm
T
B
Alle
Reactief vermogen (of cosφ) bij actief vermogen piek
kVAr
T
B
P
Wekelijks afnamepatroon
kW
 
B
P
Eventuele trendbreuken in afnamepatroon
kW, mm/jjjj
T
B
S, A
Type en vermogen van storende belasting
kW
 
B
S, A
Opgesteld motorvermogen
kVA
 
B
Alle
Datum van indienstname van condensatorbatterij
mm/jjjj
 
B
Alle
Geïnstalleerd vermogen condensatorbatterij
kVAr
 
Pr
Alle
Identificatie Productie-eenheid
 
 
Pr
Alle
Maximaal netto-ontwikkelbaar vermogen
kW
T
Pr
Alle
cosφ bij maximaal vermogen
 
T
Pr
P
Geschatte jaarproductie of gebruiksduur
kWh of h
T
Pr
S,A
Type generator (asynchroon/synchroon/invertor)
 
 
Pr
A
Elektrische kenplaatgegevens van de generator
 
 
Pr
Alle
Energiebron (hernieuwbare energie / WKK / andere)
 
 
Pr
Alle
Driefasig kortsluitvermogen (subtransiënt) op het toegangspunt
MVA
 
Pr
Alle
Werking in eilandbedrijf mogelijk?
J/N
 
Pr
Alle
Parallelbedrijf mogelijk?
J/N
 
Pr
P
Beschikbaarheidsgraad
%
 
Pr
S, A
Type en vermogen van storende productie-eenheid
kW
 
Pr
A
Kortsluitspanning transformator
%
 
Pr
A
Elektrische kenplaatgegevens
 
 
Pr
Andere
Ontkoppelingsbeveiliging: merk, type, instelwaarden, kableringsschema, afstandsbediening (J/N)
 
 
Tabel 1: gegevenstabel

Bijlage III.
Nauwkeurigheidsvereisten voor de meetinrichting

Tabel 2 vermeldt de minimaal vereiste nauwkeurigheidsklasse van de gebruikte onderdelen in de meetinrichting, afhankelijk van het aansluitingsvermogen en het spanningsniveau.
Aansluitingsvermogen
Spanningsniveau waarop de meetinrichting aangesloten is
Minimaal vereiste van de onderdelen in nauwkeurigheidsklasse de meetinrichting
TP
TI
Wh-meter
VArh-meter
≥ 5 MVA
HS
0.2
0.2
0.2
A
≥1 MVA tot 5 MVA
HS
0.2
0.2
C
A
≥ 250 kVA tot 1 MVA
HS
0.5
0.5
B
A
LS(uitzonderlijk)
nvt
0.5
B
A
≥ 100 kVA tot 250 kVA
HS
0.5
0.5
B
A
LS
nvt
0.5
B
A
< 100 kVA
LS zonder TI
nvt
nvt
A
A
Tabel 2: Nauwkeurigheidsklasse van de onderdelen van een meetinrichting
Met:
TP: spanningstransformator
TI: stroomtransformator
Wh-meter: meter voor actieve energie
VArh-meter: meter voor reactieve energie
PF: arbeidsfactor