Afdeling I.4.2.
Toegankelijkheid van de installaties van de elektriciteitsdistributienetgebruiker


Art. I.4.2.1.

§ 1

De elektriciteitsdistributienetbeheerder bepaalt welke installaties waarvan de elektriciteitsdistributienetgebruiker het eigendoms- of gebruiksrecht heeft, functioneel deel uitmaken van het elektriciteitsdistributienet en welke installaties van de elektriciteitsdistributienetgebruiker een niet-verwaarloosbare invloed hebben op het functioneren van het elektriciteitsdistributienet, de aansluiting(en) of de installaties van een andere elektriciteitsdistributienetgebruiker. Die bepalingen worden opgenomen in het aansluitingscontract of in een bijlage bij het aansluitingscontract.

§ 2

Met inachtname van (grond)wettelijke bepalingen, heeft de elektriciteitsdistributienetbeheerder het recht op toegang tot de installaties, vermeld in Artikel I.1.2.1§1, om er inspecties, testen of proeven uit te voeren. De elektriciteitsdistributienetbeheerder heeft tevens het recht om exploitatiehandelingen uit te voeren op functionele delen. De elektriciteitsdistributienetgebruiker zorgt voor een permanente toegang voor de elektriciteitsdistributienetbeheerder of verschaft hem die onmiddellijk op eenvoudig mondeling verzoek.

§ 3

Voor elke exploitatiehandeling op functionele delen en inspectie, test of proef, als vermeld in §2, moet de elektriciteitsdistributienetgebruiker de elektriciteitsdistributienetbeheerder schriftelijk op de hoogte brengen van de toepasselijke veiligheidsvoorschriften. Zo niet volgt de elektriciteitsdistributienetbeheerder zijn eigen veiligheidsvoorschriften.