Deel III.
Aansluitingscode


Hoofdstuk III.1.
Algemene bepalingen


Art. III.1.1.1.

§ 1

In de Aansluitingscode (Deel III) worden voorschriften opgelegd met betrekking tot:
de aansluiting;
de installaties van de elektriciteitsdistributienetgebruiker die een niet-verwaarloosbare invloed hebben op het functioneren van het elektriciteitsdistributienet, de aansluiting(en) of de installaties van een andere elektriciteitsdistributienetgebruiker.

§ 2

Behoudens de bepalingen van Artikel III.5.3.13 moeten alle aansluitingen op de elektriciteitsdistributienetten voldoen aan de bepalingen van het Technisch Reglement Distributie Elektriciteit.

Hoofdstuk III.2.
Een aansluiting op het elektriciteitsdistributienet


Art. III.2.1.1.
Een aansluiting op het elektriciteitsdistributienet bestaat uit verschillende onderdelen, zoals aangegeven in de schema's van de technische voorschriften vervat in C1-117, die door de netbeheerders zijn opgesteld, door de VREG zijn goedgekeurd, en gepubliceerd worden op de website van de elektriciteitsdistributienetbeheerders. Ook elke wijziging aan deze voorschriften wordt pas van kracht na goedkeuring door de VREG. De verdeling van eigendomsrechten en exploitatie- en onderhoudsplichten tussen elektriciteitsdistributienetgebruiker en elektriciteitsdistributienetbeheerder worden eenduidig opgegeven in de schema's. Deze schema's zijn van toepassing op nieuwe installaties. Voor bestaande installaties gelden deze schema's enkel bij gebrek aan andersluidende bepalingen.

Art. III.2.1.2.
Voor aansluitingen op het hoogspanningsnet kan afgeweken worden van de schema's voor zover de verdeling van eigendomsrechten en exploitatie- en onderhoudsplichten tussen elektriciteitsdistributienetgebruiker en elektriciteitsdistributienetbeheerder dan in het aansluitingscontract wordt bepaald.

Hoofdstuk III.3.
Aanvraag van een aansluiting op het elektriciteitsdistributienet


Afdeling III.3.1.
Algemene bepalingen


Art. III.3.1.1.

§ 1

De elektriciteitsdistributienetbeheerder bouwt zijn elektriciteitsdistributienet uit opdat aan de vraag voor nieuwe aansluitingen (inclusief decentrale productie) en openbare verplichting naar aanleiding van nieuwe verkavelingen (van grond of gebouwen), bedrijventerreinen en appartementsgebouwen kan worden voldaan, tenzij een uitbreiding economisch niet verantwoord is.

§ 2

Die projecten moeten tijdig, bij voorkeur in de ontwerp- of vergunningsfase, door de verantwoordelijke schriftelijk gemeld worden aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder. Hierbij beschrijft de verantwoordelijke de technische behoeften met betrekking tot de distributie van elektriciteit in de verkaveling (van grond of gebouw), het bedrijventerrein of het appartementsgebouw. Bij die beschrijving worden de nodige grondplannen van de verkaveling en bouwplannen van de gebouwen gevoegd met aanduiding van de plaatsen waar aansluitingen op het elektriciteitsdistributienet gewenst worden.

§ 3

De elektriciteitsdistributienetbeheerder hanteert bij de behandeling van die meldingen dezelfde termijnen voor de ontvankelijkheidsverklaring en het opstellen van een kostenraming als in Afdeling III.3.3, Artikel III.3.3.21 tot Artikel III.3.3.26 (Detailstudie en ontwerp van aansluiting).

§ 4

De elektriciteitsdistributienetbeheerder maakt op basis van de ontvangen beschrijving en plannen een ontwerp van de installaties voor de distributie van elektriciteit en de openbare verplichting en stelt ontwerpplannen ter beschikking.

§ 5

De elektriciteitsdistributienetbeheerder heeft het recht om een deel van het verkavelde terrein of gebouw, eventueel tegen een vergoeding, op te eisen voor de inrichting van installaties voor de distributie van elektriciteit en voor de openbare verplichting.

§ 6

De elektriciteitsdistributienetbeheerder bepaalt de grootte, de plaats en de technische vereisten van het deel van het verkavelde terrein of gebouw dat ter beschikking moet worden gesteld. Die vereisten motiveert hij ten opzichte van de verantwoordelijke van het project in kwestie. In overleg met de verantwoordelijke van het project kunnen wijzigingen aangebracht worden om beter aan de vereisten van het project te voldoen.

§ 7

Op basis van het finale ontwerp wordt een offerte opgesteld voor de uitbouw van het elektriciteitsdistributienet ten behoeve van de nieuwe verkaveling of het bedrijventerrein of appartementsgebouw. Die offerte wordt aan de verantwoordelijke van het betrokken project bezorgd. De offerte is gedetailleerd volgens de mate van detail conform de door de bevoegde regulator goedgekeurde of opgelegde tarieven.

Art. III.3.1.2.
De aansluiting van een installatie in een gebouw of op een perceel wordt uitgevoerd door de elektriciteitsdistributienetbeheerder die is aangesteld voor het grondgebied waarop het gebouw of perceel zich bevindt.

Art. III.3.1.3.
Wijze van aansluiten, afhankelijk van het aansluitings- of onderschreven vermogen

§ 1

Als het aansluitingsvermogen niet hoger is dan 25 kVA, zal de aansluiting vanaf het laagspanningsnet worden uitgevoerd.

§ 2

Voor aansluitingsvermogens tussen 25 kVA en 250 kVA zal de netbeheerder van het elektriciteitsdistributienet op het laagste spanningsniveau, op basis van technisch-economische criteria, ofwel aansluiten op het laagspanningsnet, ofwel aansluiten met een rechtstreekse verbinding op een hoogspanning/laagspanning-transformatiepost ofwel aansluiten op het hoogspanningsnet.

§ 3

Als het aansluitingsvermogen tussen 250 kVA en 15 MVA ligt, zal de aansluiting vanaf het hoogspanningsnet worden uitgevoerd door de beheerder van het elektriciteitsdistributienet op het laagste spanningsniveau.

§ 4

Als het aansluitingsvermogen tussen 15 MVA en 25 MVA ligt kan de elektriciteitsdistributienetbeheerder, op basis van een eerste technisch-economische analyse, beslissen om de aanvraag eveneens over te maken aan de netbeheerder op een hoger spanningsniveau. Beide mogelijkheden worden technisch-economisch onderzocht en de kosten-batenanalyses worden geëvalueerd door beide netbeheerders en de aanvrager. De kosten die de netbeheerder heeft gemaakt van wie de oplossing niet gekozen werd, komen voor rekening van deze netbeheerder.

§ 5

Als het gevraagde aansluitingsvermogen groter is dan 25 MVA wordt de installatie aangesloten op een spanningsniveau >30 kV.

§ 6

De elektriciteitsdistributienetbeheerder kan, in geval van een nieuwe aansluiting, de aansluiting uitvoeren via een rechtstreekse verbinding van de installaties van de elektriciteitsdistributienetgebruiker met de secundaire rails van een transformatiepost die het elektriciteitsdistributienet op hoogspanning voedt als het onderschreven vermogen dat bij de aanvraag tot aansluiting vooropgesteld wordt groter is dan 5 MW.

§ 7

De elektriciteitsdistributienetbeheerder kan beslissen om voor een wijze van aansluiten te kiezen die afwijkt van de bepalingen in dit artikel, afhankelijk van de karakteristieken van het lokale elektriciteitsdistributienet of als de installatie van de elektriciteitsdistributienetgebruiker schadelijke storingen op het elektriciteitsdistributienet of overdreven spanningsschommelingen zou veroorzaken.

Afdeling III.3.2.
De verschillende soorten aansluitingen


Art. III.3.2.1.
Bij de aanvraag voor een nieuwe aansluiting wordt onderscheid gemaakt tussen een eenvoudige aansluiting, een tijdelijke aansluiting en een aansluiting met voorafgaande studie.

Art. III.3.2.2.
Nieuwe aansluitingen voor wooneenheden op laagspanning moeten minimaal beschikken over een aansluitingsvermogen van 9,2 kVA.

Art. III.3.2.3. Een eenvoudige aansluiting

Een aanvraag voor een eenvoudige aansluiting is van toepassing als tegelijk aan de volgende voorwaarden is voldaan:
de afname gebeurt op laagspanning;
het gevraagde aansluitingsvermogen is lager dan 25 kVA of de elektriciteitsdistributienetbeheerder oordeelt dat geen uitbreiding of versterking van het elektriciteitsdistributienet nodig is;
zonder of met injectie < 400 VA.

Art. III.3.2.4. Tijdelijke aansluiting

Een aanvraag voor een tijdelijke aansluiting is van toepassing als tegelijk aan de volgende voorwaarden is voldaan:
de aansluiting zal worden gebruikt voor het voeden van installaties op bouwterreinen of manifestaties;
het gebruik van de aansluiting is strikt beperkt in de tijd of de aansluiting wordt na een beperkte periode vervangen door een permanente aansluiting;
de elektriciteitsdistributienetbeheerder oordeelt dat geen uitbreiding of versterking van het elektriciteitsdistributienet nodig is.

Art. III.3.2.5. Aansluiting met voorafgaande studie

Als de aansluiting niet overeenstemt met de bepalingen van Artikel III.3.2.3 of Artikel III.3.2.4, is een aanvraag voor een aansluiting met studie van toepassing.

Afdeling III.3.3.
De aansluitingsprocedure bij de elektriciteitsdistributienetbeheerder



Algemene bepalingen


Art. III.3.3.1.

§ 1

Tenzij anders bepaald in Artikel III.3.1.3 kan elke natuurlijke persoon of rechtspersoon bij de elektriciteitsdistributienetbeheerder, die aangewezen is voor het grondgebied waarop het gebouw of perceel zich bevindt, een aanvraag tot aansluiting.

§ 2

De aansluitingsaanvraag bevat minstens de volgende gegevens:
de identiteit en contactgegevens van de aanvrager (eventueel de juridische vorm en het ondernemingsnummer);
de rechten van de aanvrager ten aanzien van het gebouw of de installatie waarop de aansluiting betrekking heeft;
het grondplan van de plaats van afname of injectie;
het gewenste aansluitingsvermogen en spanningsniveau, dat gebaseerd is op de tabel van de mogelijke waarden voor het aansluitingsvermogen op laagspanning gepubliceerd door de elektriciteitsdistributienetbeheerder;
de technische karakteristieken van de installaties die op het elektriciteitsdistributienet moeten worden aangesloten;
de informatie die nodig is voor het toekennen van het verbruiksprofiel.

Art. III.3.3.2.
De offerte, die wordt opgesteld naar aanleiding van een aanvraag tot aansluiting, is gedetailleerd volgens de mate van detail conform de door de bevoegde regulator goedgekeurde of opgelegde tarieven. Deze offerte is geldig gedurende een periode van zes maanden. Nadien wordt de procedure van de aansluitingsaanvraag beschouwd als afgesloten.


Eenvoudige aansluiting


Art. III.3.3.3.

§ 1

Elke aanvraag voor een aansluiting die beantwoordt aan de bepalingen van 0 wordt ingediend bij de elektriciteitsdistributienetbeheerder volgens de procedure die hij heeft opgesteld en bekendgemaakt.

§ 2

Een aanvraag kan schriftelijk per brief, per e-mail of via de website van de elektriciteitsdistributienetbeheerder ingediend worden.

Art. III.3.3.4.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder gaat na of de aanvraag ontvankelijk is, d.w.z. of ze volledig is en beantwoordt aan de definitie van een eenvoudige aansluiting. Als de aanvraag niet-ontvankelijk is, wordt dat binnen vijf werkdagen na ontvangst gemeld en gemotiveerd.

Art. III.3.3.5.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder beantwoordt een ontvankelijke aanvraag voor een eenvoudige aansluiting binnen tien werkdagen na ontvangst. Hij stuurt daarom een van de onderstaande documenten aan de aanvrager:
een bindende offerte waarin ook de voorwaarden voor de aansluiting, de EAN-GSRN van het toegangspunt of de toegangspunten die bij de aansluiting behoren, en het aansluitingsreglement opgenomen worden;
een schriftelijke gemotiveerde weigering van de aanvraag, met de vermelding dat de aanvrager bij de VREG beroep kan aantekenen tegen de weigering conform Afdeling III.3.4: Beroep tegen de weigering tot aansluiting door de elektriciteitsdistributienetbeheerder.

Art. III.3.3.6.
Als een deel van de aanleg van de aansluiting onder de verantwoordelijkheid van de elektriciteitsdistributienetbeheerder toevertrouwd wordt aan de aanvrager van de nieuwe aansluiting of van de aanpassing van de aansluiting, vermeldt de elektriciteitsdistributienetbeheerder in zijn offerte de werkzaamheden waarvan hij verwacht dat ze worden uitgevoerd, de delen van de aansluiting waarvan hij verwacht dat ze geïnstalleerd worden en de technische eisen waaraan die moeten voldoen tegen de datum die afgesproken wordt om de aansluiting te realiseren.


Tijdelijke aansluiting


Art. III.3.3.7.

§ 1

Elke aanvraag voor een tijdelijke aansluiting die beantwoordt aan de bepalingen van Artikel III.3.2.4, wordt ingediend bij de elektriciteitsdistributienetbeheerder volgens de procedure die hij heeft opgesteld en bekendgemaakt.

§ 2

Een aanvraag voor een tijdelijke aansluiting kan zowel schriftelijk per brief, e-mail of via de website van de elektriciteitsdistributienetbeheerder worden ingediend.

§ 3

De aanvraag voor een eenvoudige werfaansluiting kan eveneens telefonisch bij de elektriciteitsdistributienetbeheerder ingediend worden.

Art. III.3.3.8.
In zijn aanvraag moet de aanvrager een uitvoeringsdatum voorstellen.

Art. III.3.3.9.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder gaat na of de aanvraag ontvankelijk is, d.w.z. of ze volledig is en beantwoordt aan de definitie van tijdelijke aansluiting. Als de aanvraag niet ontvankelijk is, wordt dat binnen vijf werkdagen na ontvangst gemeld en gemotiveerd.

Art. III.3.3.10.

§ 1

De elektriciteitsdistributienetbeheerder beantwoordt een ontvankelijke aanvraag voor een tijdelijke aansluiting binnen vijf werkdagen na ontvangst. Hij stuurt daarvoor een van de onderstaande documenten aan de aanvrager:
een bindende offerte waarin ook de voorwaarden voor de aansluiting en de EAN-GSRN van het toegangspunt of de toegangspunten die bij de aansluiting behoren opgenomen worden;
een schriftelijk gemotiveerde weigering van de aanvraag, met de vermelding dat de aanvrager bij de VREG beroep kan aantekenen tegen deze weigering, conform Afdeling III.3.4: Beroep tegen de weigering tot aansluiting door de elektriciteitsdistributienetbeheerder.

§ 2

In uitzonderlijke omstandigheden en na motivatie kan de elektriciteitsdistributienetbeheerder afwijken van de gestelde termijn.

Art. III.3.3.11.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder gaat na of de uitvoeringsdatum haalbaar is. Als de voorgestelde uitvoeringsdatum niet haalbaar is, voegt de elektriciteitsdistributienetbeheerder een motivatie voor het verwerpen van de voorgestelde datum en een alternatieve uitvoeringsdatum bij zijn antwoord op de aanvraag.

Art. III.3.3.12.
Als een deel van de aanleg van de aansluiting onder de verantwoordelijkheid van de elektriciteitsdistributienetbeheerder toevertrouwd wordt aan de aanvrager van de nieuwe aansluiting of aanpassing van de aansluiting, vermeldt de elektriciteitsdistributienetbeheerder in zijn offerte de werkzaamheden waarvan hij verwacht dat ze worden uitgevoerd, de delen van de aansluiting waarvan hij verwacht dat ze geïnstalleerd worden en de technische eisen waaraan die moeten voldoen tegen de datum die afgesproken wordt om de aansluiting te realiseren.


Aansluiting met studie



Algemene bepalingen

Art. III.3.3.13.
Als het aansluitingsvermogen < 25 MVA moet de aanvraag gericht worden aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder van het laagste spanningsniveau. Beantwoordt de aansluitingsaanvraag aan de bepalingen van Artikel III.3.2.5, dan geeft de aanvrager aan of hij een oriënterende studie of een detailstudie wenst. De elektriciteitsdistributienetbeheerder publiceert de tarieven voor het maken van een oriënterende studie en een detailstudie.

Art. III.3.3.14.
Het doel van een oriënterende studie is het opmaken van een voorontwerp van aansluiting op hoogspanning. Het indienen van een aanvraag voor een oriënterende studie is facultatief. De gegevens in het voorontwerp van aansluiting binden noch de elektriciteitsdistributienetbeheerder, noch de aanvrager van de oriënterende studie op enige wijze.

Art. III.3.3.15.
Het doel van een detailstudie is het opmaken van een ontwerp van aansluiting, als onderdeel van een prijsofferte. De offerte is gedetailleerd volgens de mate van detail conform de door de bevoegde regulator goedgekeurde of opgelegde tarieven. Ze is geldig gedurende een periode van zes maanden. Nadien wordt de procedure van de aansluitingsaanvraag beschouwd als afgesloten.


Oriënterende studie en voorontwerp van aansluiting

Art. III.3.3.16.
Elke natuurlijke persoon of rechtspersoon kan bij de elektriciteitsdistributienetbeheerder een aanvraag voor een oriënterende studie indienen met betrekking tot een nieuwe aansluiting.

Art. III.3.3.17.
De aanvraag voor een oriënterende studie bevat minstens de gegevens, vermeld in Artikel III.3.3.1§2. Ze wordt schriftelijk ingediend volgens de procedure die de elektriciteitsdistributienetbeheerder heeft opgesteld en openbaar gemaakt.

Art. III.3.3.18.
De kosten van een oriënterende studie zijn voor rekening van de aanvrager.

Art. III.3.3.19.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder kan op elk moment bij de aanvrager aanvullende informatie opvragen die noodzakelijk is om het voorontwerp van aansluiting voor te bereiden.

Art. III.3.3.20.

§ 1

Binnen een redelijke termijn, en in ieder geval binnen een termijn van vijftien werkdagen na ontvangst van een volledige aanvraag voor een oriënterende studie, bezorgt de elektriciteitsdistributienetbeheerder zijn conclusies aan de aanvrager, hetzij door middel van een voorontwerp van aansluiting, hetzij door middel van een schriftelijk gemotiveerde weigering van de aansluiting, met de vermelding dat die beslissing het voorwerp van beroep kan uitmaken bij de VREG, conform Afdeling III.3.4.

§ 2

In afwijking van §1 bedraagt de termijn, vermeld in §1, maximaal dertig werkdagen als de aanvraag betrekking heeft op een aansluiting op een spanning groter dan of gelijk aan 30 kV en voor aansluitingen van installaties met een vermogen groter dan of gelijk aan 1 MVA.

§ 3

Het voorontwerp bevat ten minste:
een schema voor de beoogde aansluiting;
de technische voorschriften voor de aansluiting;
een indicatieve raming van de kosten;
een indicatieve raming van de termijn die nodig is voor de realisatie van de aansluiting, met inbegrip van de eventuele versterkingen die aan het elektriciteitsdistributienet moeten worden aangebracht ten gevolge van de aansluiting.

§ 4

Bij de behandeling van de aanvraag voor een oriënterende studie verleent de elektriciteitsdistributienetbeheerder, in de mate van het mogelijke en rekening houdend met de noodzakelijke continuïteit van de voorziening, voorrang aan aanvragen die betrekking hebben op kwalitatieve warmtekrachtkoppelingsinstallaties en productieinstallaties die hernieuwbare energiebronnen gebruiken.


Detailstudie en ontwerp van aansluiting

Art. III.3.3.21.
Elke natuurlijke persoon of rechtspersoon kan bij de elektriciteitsdistributienetbeheerder een aanvraag voor een aansluiting met studie indienen met betrekking tot een nieuwe aansluiting.

Art. III.3.3.22.
De aanvraag tot aansluiting bevat minstens de gegevens, vermeld in Artikel III.3.3.1§2. Ze wordt schriftelijk ingediend volgens de procedure die de elektriciteitsdistributienetbeheerder heeft opgesteld.

Art. III.3.3.23.
Na ontvangst van een aanvraag voor een aansluiting beoordeelt de elektriciteitsdistributienetbeheerder zo snel mogelijk en in ieder geval binnen een termijn van tien werkdagen, de ontvankelijkheid ervan. Hij stelt de aanvrager schriftelijk op de hoogte van het resultaat van de beoordeling, en vermeldt de verdere gegevens die de aanvrager eventueel moet verstrekken om het ontwerp van aansluiting voor te bereiden.

Art. III.3.3.24.

§ 1

Bij het onderzoek van de aanvraag voor een aansluiting verleent de elektriciteitsdistributienetbeheerder, in de mate van het mogelijke en rekening houdend met de noodzakelijke continuïteit van de voorziening, voorrang aan aanvragen die betrekking hebben op kwalitatieve warmtekrachtkoppelingsinstallaties en productieinstallaties die hernieuwbare energiebronnen gebruiken.

§ 2

Rekening houdend met §1 behandelt de elektriciteitsdistributienetbeheerder de ontvankelijke aanvragen voor een detailstudie en de bijhorende capaciteitsreserveringen in volgorde van aanvraag.

Art. III.3.3.25.

§ 1

Zo snel mogelijk en zeker binnen een termijn van dertig werkdagen na ontvangst van een volledige aanvraag, bezorgt de elektriciteitsdistributienetbeheerder de aanvrager een offerte of een schriftelijk gemotiveerde weigering van de aansluiting met de vermelding dat deze beslissing het voorwerp van beroep kan uitmaken bij de VREG, conform Afdeling III.3.4. De offerte omvat een ontwerp van aansluiting met de technische oplossingen en regelparameters die overeengekomen moeten worden tussen elektriciteitsdistributienetbeheerder en aanvrager, in overeenstemming met de voorschriften van het Technisch Reglement Distributie Elektriciteit en rekening houdend met de technische kenmerken van het elektriciteitsdistributienet. Dit voorstel omvat eveneens:
de uitvoeringsvoorwaarden en -termijnen voor de realisatie van de aansluiting, inclusief voorstel van startdatum van de werken op het terrein, naargelang het gaat om een nieuwe of een aan te passen aansluiting, met aanduiding van de onderliggende hypothesen en rekening houdend met de termijnen die nodig zijn voor de eventuele aanpassingen die aan het elektriciteitsdistributienet en transmissienet moeten worden aangebracht;
het aansluitingsreglement.

§ 2

In afwijking van §1 bedraagt de termijn voor aanvragen die betrekking hebben op aansluitingen op een spanning groter dan of gelijk aan 30 kV en voor aansluitingen van installaties met een vermogen groter dan of gelijk aan 1 MVA, veertig werkdagen. Indien een dergelijke aansluitingsaanvraag overleg noodzaakt met een andere netbeheerder, kan de termijn vermeerderd worden tot maximaal vijftig werkdagen.

§ 3

De termijnen, vermeld in §1 en §2, kunnen worden verlengd in onderling overleg.

§ 4

Als de detailstudie de oriënterende studie tegenspreekt moeten de aangerekende kosten voor de oriënterende studie worden terugbetaald.

Art. III.3.3.26.
De kosten die de elektriciteitsdistributienetbeheerder maakt voor de behandeling van de aansluitingsaanvraag en het opstellen van het ontwerp van aansluiting, zijn voor rekening van de aanvrager.

Art. III.3.3.27.
Bij een detailstudie met offerte, kan de elektriciteitsdistributienetbeheerder in de periode die eindigt 6 maanden vóór de geplande startdatum van de werken op het terrein een voorschot van maximaal 30 % van het volledige bedrag van de reëel te betalen aansluitingskosten factureren aan de aanvrager.


Termijnen van uitvoering van de aansluiting


Art. III.3.3.28.

§ 1

Na goedkeuring van de offerte voor een eenvoudige aansluiting spreken de aanvrager en de elektriciteitsdistributienetbeheerder een uitvoeringsdatum af, waarbij de aanvrager kan eisen dat de uitvoering gebeurt binnen vijftien werkdagen na de betaling. Enkel in uitzonderlijke omstandigheden en na motivatie, kan de elektriciteitsdistributienetbeheerder van die termijn afwijken.

§ 2

Na goedkeuring van de offerte voor een tijdelijke aansluiting spreken de aanvrager en de elektriciteitsdistributienetbeheerder een uitvoeringsdatum af, waarbij de aanvrager kan eisen dat de uitvoering gebeurt binnen vijftien werkdagen na de goedkeuring van de offerte. Alleen in uitzonderlijke omstandigheden en na motivatie, kan de elektriciteitsdistributienetbeheerder van deze termijn afwijken.

§ 3

Na goedkeuring van de offerte voor een aanvraag met detailstudie spreken de aanvrager en de elektriciteitsdistributienetbeheerder een uitvoeringsdatum af, waarbij voor aansluitingen tot 5 MVA de aanvrager kan eisen dat de uitvoering gebeurt binnen 18 weken. Alleen in uitzonderlijke omstandigheden en na motivatie, kan de elektriciteitsdistributienetbeheerder van deze termijnen afwijken.

Art. III.3.3.29.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder respecteert de termijn, vermeld in Artikel III.3.3.28 voor de realisatie van de aansluiting zoals die is afgesproken met de aanvrager. Alleen als de aanvrager in gebreke blijft bij het uitvoeren van de gemaakte afspraken of in uitzonderlijke omstandigheden en na motivatie, kan de elektriciteitsdistributienetbeheerder van die termijn afwijken.

Art. III.3.3.30.

§ 1

De noodzakelijke vergunningsaanvragen moeten binnen een termijn die met de planning van de realisatie van de aansluiting overeenstemt, bij de bevoegde overheden ingediend worden.

§ 2

De elektriciteitsdistributienetbeheerder kan niet aansprakelijk gesteld worden voor de gevolgen van een eventueel uitstel of eventuele weigering door de bevoegde overheid om de noodzakelijke vergunningen af te leveren.

Art. III.3.3.31.

§ 1

De termijnen voor de realisatie van de aansluiting kunnen worden verlengd in onderling overleg.

§ 2

De capaciteitsreservering voorzien in de offerte blijft geldig voor een periode van 2 jaar en kan slechts eenmaal mits motivering worden verlengd. Capaciteitsreserveringen zijn niet verhandelbaar of overdraagbaar.

Afdeling III.3.4.
Beroep tegen de weigering tot aansluiting door de elektriciteitsdistributienetbeheerder


Art. III.3.4.1.
Tegen de beslissing van de elektriciteitsdistributienetbeheerder inzake de aansluitingsaanvraag kan in beroep gegaan worden bij de VREG. De VREG neemt binnen twee maanden na ontvangst van het beroep een beslissing. Die periode kan met twee maanden worden verlengd indien de VREG aanvullende informatie nodig heeft. Deze periode kan met instemming van de beroepsindiener verder verlengd worden.

Hoofdstuk III.4.
De technische voorwaarden waaraan voldaan moet worden in elektriciteitsdistributienetten


Afdeling III.4.1.
Technische voorwaarden van toepassing op iedere aansluiting


Art. III.4.1.1.

§ 1

Elke aansluiting, alsook elke installatie van een elektriciteitsdistributienetgebruiker die op het elektriciteitsdistributienet is aangesloten, moet voldoen aan de normen en de reglementering die op elektrische installaties van toepassing zijn.

§ 2

Het tracé van de aansluiting, alsmede de opstelling en de karakteristieken van de samenstellende delen worden op zo'n wijze bepaald door de elektriciteitsdistributienetbeheerder dat de algemene veiligheid en de normale werking van de deelelementen van de aansluiting verzekerd zijn en dat de meteropnamen, het toezicht, het nazicht en het onderhoud gemakkelijk kunnen worden uitgevoerd.

§ 3

Vóór een toegangspunt naar een nieuwe installatie op het elektriciteitsdistributienet in dienst wordt genomen, bezorgt de aanvrager aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder het bewijs dat zijn installaties aan de wettelijke verplichtingen voldoen.

Art. III.4.1.2.

§ 1

De doorvoer van de aansluitingskabel door de muur van het gebouw van de elektriciteitsdistributienetgebruiker kan aan de aanvrager of de eigenaar van het gebouw worden toevertrouwd volgens de aanwijzingen van de elektriciteitsdistributienetbeheerder.

§ 2

De kabel moet over de hele lengte van de doorvoeropening mechanisch worden beschermd door een mantelbuis, vervaardigt uit polyvinylchloride, polyethyleen of vezelcement.

§ 3

De doorvoeropening voor de elektriciteitsaansluiting mag niet voor andere leidingen worden gebruikt.

§ 4

De muurdoorvoer wordt door de aanvrager of de eigenaar van het gebouw water- en gasdicht gemaakt. Hij bezorgt aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder het bewijs dat de muurdoorvoer water- en gasdicht werd gemaakt.

Afdeling III.4.2.
Voorschriften voor aansluitingen op laagspanning


Art. III.4.2.1.

§ 1

In gebouwen waar het gevraagde aansluitingsvermogen 25 kVA overschrijdt, stelt de elektriciteitsdistributienetgebruiker voor de plaatsing van de meetinrichting en andere apparatuur die deel uitmaakt van de aansluiting, gratis een (deel van een) ruimte ter beschikking aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder. Die ruimte voldoet aan de eisen van de elektriciteitsdistributienetbeheerder.

§ 2

In gebouwen waar het gevraagde aansluitingsvermogen 25 kVA niet overschrijdt, stelt de elektriciteitsdistributienetgebruiker gratis een deel van een muur ter beschikking voor de aansluitingskast.

Art. III.4.2.2.
De elektriciteitsdistributienetbeheerders leggen gemeenschappelijk de aanvullende technische voorschriften voor aansluitingsinstallaties en installaties van elektriciteitsdistributienetgebruikers op laagspanning vast en maken die bekend via hun website.

Afdeling III.4.3.
Voorschriften voor aansluitingen op hoogspanning


Art. III.4.3.1.
Voor de plaatsing van de meetinrichting en andere apparatuur die deel uitmaakt van de aansluiting, stelt de elektriciteitsdistributienetgebruiker gratis een ruimte ter beschikking aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder. Die ruimte voldoet aan de eisen van de elektriciteitsdistributienetbeheerder. De plaats wordt in onderling overleg bepaald.

Art. III.4.3.2.
De inplanting, de bereikbaarheid van de installaties, de bedienbaarheid en de identificatie van de bedieningsapparatuur van de elektriciteitsdistributienetgebruiker moet aanvaard worden door de elektriciteitsdistributienetbeheerder. De werking moet in overeenstemming zijn met de exploitatiewijze van het elektriciteitsdistributienet waarop ze aangesloten worden, zowel met betrekking tot hun technische kenmerken als met betrekking tot de veiligheidsaspecten die aan de exploitatie verbonden zijn.

Art. III.4.3.3.

§ 1

De instellingen van de beveiligingen van de elektriciteitsdistributienetgebruiker die in geval van incident zijn installaties afschakelen van de aansluiting, worden in onderling overleg met de elektriciteitsdistributienetbeheerder bepaald. De selectiviteit van de beveiliging van de netten mag door de keuze van de waarde van de beveiligingsparameters in geen geval in het gedrang gebracht worden.

§ 2

De elektriciteitsdistributienetbeheerder heeft het recht om, op basis van een gewijzigde netsituatie, de noodzakelijke aanpassingen op te leggen voor de beveiligingen in de installaties van de elektriciteitsdistributienetgebruiker, zodat de selectiviteit van de beveiligingen in de netten gewaarborgd kan blijven. Alle kosten die verbonden zijn aan eventueel uit te voeren aanpassingen aan de installaties van de elektriciteitsdistributienetgebruiker, komen voor rekening van de betrokken elektriciteitsdistributienetgebruiker.

Art. III.4.3.4.

§ 1

De elektriciteitsdistributienetbeheerder heeft het recht om de technische middelen aan te wenden die nodig zijn voor de compensatie van reactieve energie, of, meer in het algemeen, voor de compensatie van ieder verstorend fenomeen, als de belasting van een elektriciteitsdistributienetgebruiker die aan het elektriciteitsdistributienet is aangesloten, aanleiding geeft tot een extra afname van reactieve energie, zoals bepaald in Afdeling IV.5.2, of als ze de veiligheid, de betrouwbaarheid of de efficiëntie van het elektriciteitsdistributienet verstoort.

§ 2

De elektriciteitsdistributienetbeheerder motiveert zijn beslissing en deelt die mee aan de betrokken elektriciteitsdistributienetgebruiker.

§ 3

De installatie en de aanwending van de technische middelen, vermeld in §1, komen voor rekening van de betrokken elektriciteitsdistributienetgebruiker.

Art. III.4.3.5.

§ 1

De elektriciteitsdistributienetbeheerders leggen gemeenschappelijk de aanvullende technische voorschriften voor aansluitingsinstallaties en installaties van elektriciteitsdistributienetgebruikers op hoogspanning vast en maken die bekend via hun websites.

§ 2

Voor aansluitingen op spanningen gelijk aan of groter dan 30 kV, bepaalt de elektriciteitsdistributienetbeheerder, na overleg met de elektriciteitsdistributienetgebruiker voor wat betreft de aspecten die niet worden geregeld in dit Technisch Reglement Distributie Elektriciteit en die nodig worden geacht door de elektriciteitsdistributienetbeheerder met het oog op de veiligheid, de betrouwbaarheid en de efficiëntie van het elektriciteitsdistributienet, de minimale technische vereisten en de regelparameters met betrekking tot de installaties, vermeld in Artikel III.1.1.1§1.

Afdeling III.4.4.
Aanvullende voorschriften voor productie-eenheden op spanningen kleiner dan 30 kv


Art. III.4.4.1.
De elektriciteitsdistributienetbeheerders leggen gemeenschappelijk de aanvullende technische voorschriften voor aansluitingen van productie-eenheden op spanningen kleiner dan 30 kV vast en maken die bekend via hun websites. Bij wijziging van deze aanvullende technische voorschriften leggen de elektriciteitsdistributienetbeheerders deze voorschriften ter goedkeuring voor aan de VREG.

Art. III.4.4.2.
Voor projecten met een globaal opgesteld productievermogen ≥ 1000 kVA, of voor projecten waar uit de detailstudie blijkt dat in N-1 situaties of bij congestie tijdelijke productiebeperkingen noodzakelijk zijn, kan de elektriciteitsdistributienetbeheerder een telecontrole opleggen aan de producent die de netbeheerder in uitzonderlijke uitbatingsomstandigheden van het elektriciteitsdistributienet de mogelijkheid geeft, door middel van een centraal besturingssysteem, productiebeperkingen op te leggen op basis van objectieve criteria die contractueel vastgelegd worden.

Afdeling III.4.5.
Aanvullende voorschriften voor productie-eenheden op spanning groter dan of gelijk aan 30 kv



Werkingsvoorwaarden voor spanning en frequentie


Art. III.4.5.1.

§ 1

Een productie-eenheid moet synchroon met het net kunnen werken:
zonder beperking in de tijd als de netfrequentie begrepen is tussen 47,5 Hz en 51,5 Hz;
tijdens een bepaalde tijd die de elektriciteitsdistributienetgebruiker en elektriciteitsdistributienetbeheerder in onderling overleg hebben vastgelegd, als de netfrequentie tussen 51,5 Hz en 52,5 Hz ligt.

§ 2

Het frequentierelais dat de overgang van een productie-eenheid naar eilandbedrijf bewaakt, mag niet geactiveerd worden zolang de frequentie van het elektriciteitsdistributienet groter dan of gelijk is aan 47,5 Hz, behoudens een andersluidende bepaling in het aansluitingscontract.

Art. III.4.5.2.
Een productie-eenheid moet zonder beperking in de tijd synchroon kunnen werken met het net, binnen het gearceerde gebied in de onderstaande grafiek ΔU-frequentie, waarin ΔU verwijst naar de spanningsafwijking aan de klemmen van de generator uitgedrukt in % van de nominale spanning van de generator.

Art. III.4.5.3.

§ 1

Een productie-eenheid moet, behoudens een andersluidende bepaling in het aansluitingscontract:
over haar hele werkingsdomein synchroon met het elektriciteitsdistributienet kunnen werken als de spanning in het aansluitingspunt, uitgedrukt in percentage van de nominale spanning in het aansluitingspunt, gedurende een spanningsval met beperkte amplitude, binnen het gearceerde gebied van de onderstaande grafiek blijft;
over haar hele werkingsdomein synchroon met het elektriciteitsdistributienet kunnen werken als de spanning op het aansluitingspunt, uitgedrukt in procent van de nominale spanning op het aansluitingspunt, gedurende een spanningsval met belangrijke amplitude, binnen het gearceerde gebied van de onderstaande grafiek blijft.

§ 2

In afwijking van wat bepaald is in §1 is de spanning waarmee rekening moet worden gehouden in het geval van een productie-eenheid die ingebed is in de installaties van de elektriciteitsdistributienetgebruiker, de spanning aan de uitgang van die productie-eenheid.

Art. III.4.5.4.
Specifieke voorschriften voor asynchrone generatoren worden op objectieve, transparante en niet-discriminerende wijze bepaald door de elektriciteitsdistributienetbeheerder.

Art. III.4.5.5.
Tijdens een plotse wijziging of een belangrijke afwijking van de frequentie mag een productie-eenheid de werking van de primaire frequentieregeling niet verstoren.


Werkingsvoorwaarden voor het reactief vermogen


Art. III.4.5.6.
Elke productie-eenheid waarvan het nominaal vermogen Pnom groter dan of gelijk is aan 25 MW, is een regelende productie-eenheid.

Art. III.4.5.7.
Elke regelende productie-eenheid moet in staat zijn haar levering van reactief vermogen automatisch en op verzoek van de elektriciteitsdistributienetbeheerder, zonder verwijl, aan te passen tijdens langzame (in de orde van minuten) en plotse (in de orde van een fractie van seconde) wijzigingen in de spanning.

Art. III.4.5.8.
Elke niet-regelende productie-eenheid moet in staat zijn haar levering van reactief vermogen aan te passen aan de behoeften van het elektriciteitsdistributienet, ten minste door de productie van het reactieve vermogen te kunnen omschakelen tussen twee niveaus die tussen de elektriciteitsdistributienetbeheerder en de betrokken elektriciteitsdistributienetgebruiker zijn overeengekomen.

Art. III.4.5.9.

§ 1

Voor elke waarde van het actief vermogen dat op het elektriciteitsdistributienet kan worden geïnjecteerd tussen het technisch minimum en het maximaal aansluitingsvermogen bij normale exploitatiespanning, moet de regelende productie-eenheid in het aansluitingspunt een reactief vermogen met een getalwaarde, gelegen tussen -0,1 Pnom en 0,45 Pnom, respectievelijk kunnen absorberen of leveren.

§ 2

Voor elke spanning op het aansluitingspunt tussen 0,9 en 1,05 maal de normale exploitatiespanning, moet de regelende productie-eenheid dezelfde mogelijkheden hebben, met uitzondering van een beperking, veroorzaakt door spanningsbeperkingen van de generator of veroorzaakt door de statorstroom van de generator. Een eventuele statorstroombeperking mag niet tussenkomen bij de snelle regeling van de spanning.

Art. III.4.5.10.

§ 1

De spanningsregelaar van een regelende productie-eenheid is voorzien van een over- en onderbekrachtigingsbegrenzer. Die werken automatisch en alleen als het reactief vermogen zich buiten het interval bevindt zoals bepaald in Artikel III.4.5.9.

§ 2

De spanningsregelaar neemt de regeling automatisch over zodra de spanning op het aansluitingspunt opnieuw binnen het interval, beschreven in Artikel III.4.5.9, gekomen is.

Art. III.4.5.11.
Binnen het werkingsgebied moet elke regelende productie-eenheid bij trage spanningswijzigingen ΔUnet op het aansluitingspunt, op automatische wijze haar reactieve productie ΔQnet aan kunnen passen zodat de relatieve gevoeligheidscoëfficiënt αeq begrepen is tussen 18 en 25.

Art. III.4.5.12.
Hierbij is αeq = –
ΔQnet / (0,45 × Pnom)
ΔUnet / Unorm,exp
met:
Qnet het reactief vermogen gemeten aan de hoogspanningszijde van de opvoertransformator;
Pnom het nominaal vermogen;
Unet de spanning, gemeten aan de hoogspanningszijde van de opvoertransformator;
Unorm,exp de normale exploitatiespanning, dat is de gemiddelde spanning waarrond het elektriciteitsdistributienet geëxploiteerd wordt.

Art. III.4.5.13.
Als een niet-regelende productie-eenheid uitgerust is met een regelaar, bestemd om de referentiewaarde van het geproduceerd reactief vermogen te volgen, moet die traag zijn ten opzichte van de primaire spanningsregeling van de regelende eenheden (waarvan de werking ingrijpt op de schaal van seconden) en snel ten opzichte van de dynamica van de transformatoren met automatische regelschakelaars (inwerkend op een schaal van tientallen seconden tot minuten) om zodoende spanningsschommelingen in het elektrische systeem te vermijden. De tijdsconstante van die regelaar in gesloten lus moet minstens tussen tien en dertig seconden kunnen ingesteld worden.

Hoofdstuk III.5.
De rechten en plichten van de elektriciteitsdistributienetbeheerder en de elektriciteitsdistributienetgebruiker


Afdeling III.5.1.
Algemene bepalingen


Art. III.5.1.1.

§ 1

De elektriciteitsdistributienetbeheerder is, voor het elektriciteitsdistributienet waarvoor hij als beheerder is aangesteld, als enige gemachtigd het gedeelte van de aansluiting waarvan hij het eigendoms- of gebruiksrecht heeft, aan te leggen, aan te passen, te onderhouden, te herstellen, te vervangen, te verwijderen, buiten dienst te stellen en uit te baten.

§ 2

Onder de verantwoordelijkheid van de elektriciteitsdistributienetbeheerder kan een deel van de aanleg van de aansluiting toevertrouwd worden aan een derde partij of aan de aanvrager van de nieuwe aansluiting of van de aanpassing van de aansluiting.

§ 3

Een elektriciteitsdistributienetgebruiker of een aanvrager van een aansluiting op het elektriciteitsdistributienet kan niet door de elektriciteitsdistributienetbeheerder verplicht worden de werkzaamheden op openbaar domein, die nodig zijn voor de realisatie van de aansluiting, zelf uit te voeren.

Art. III.5.1.2.

§ 1

De installaties die niet vallen onder Artikel III.1.1.1§1 en waarvan de elektriciteitsdistributienetgebruiker het eigendoms- of gebruiksrecht heeft, worden door de elektriciteitsdistributienetgebruiker, of door een derde in opdracht van de elektriciteitsdistributienetgebruiker, beheerd en onderhouden.

§ 2

In afwijking van §1 mogen tussenkomsten en schakelingen op installaties die functioneel deel uitmaken van het elektriciteitsdistributienet, alleen door de elektriciteitsdistributienetbeheerder of een door hem gemandateerde uitgevoerd worden, zelfs als de elektriciteitsdistributienetgebruiker het eigendoms- of gebruiksrecht heeft van deze installaties. Als de tussenkomsten of schakelingen gebeuren op verzoek van de elektriciteitsdistributienetgebruiker of hun oorzaak vinden in de installaties van de elektriciteitsdistributienetgebruiker komen de kosten van die tussenkomsten en schakelingen voor rekening van de elektriciteitsdistributienetgebruiker.

Art. III.5.1.3.
Installaties gelegen achter verschillende toegangspunten mogen zonder expliciete toestemming van de elektriciteitsdistributienetbeheerder op geen enkele manier met elkaar verbonden worden.

Art. III.5.1.4.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder kan de delen van de aansluiting waarover hij het eigendoms- of gebruiksrecht heeft, verzegelen.

Afdeling III.5.2.
Aansluitingscontract en -reglement


Art. III.5.2.1.
Naast de bepalingen opgenomen onder Afdeling III.5.1: Algemene bepalingen worden de aangelegenheden, verhoudingen en voorwaarden met betrekking tot de aanleg en het gebruik van de aansluiting tussen de elektriciteitsdistributienetbeheerder en de elektriciteitsdistributienetgebruiker geregeld door het aansluitingsreglement en in voorkomend geval het aansluitingscontract. Ditzelfde aansluitingsreglement en in voorkomend geval het aansluitingscontract regelen eveneens de aangelegenheden, verhoudingen en voorwaarden met betrekking tot de aanleg en het gebruik van de aansluiting tussen de elektriciteitsdistributienetbeheerder en de eigenaar, als de elektriciteitsdistributienetgebruiker niet de eigenaar is van de aan te sluiten of aangesloten installatie of het gebouw of als de elektriciteitsdistributienetgebruiker niet bekend is op de toegangspunten in kwestie.

Art. III.5.2.2.

§ 1

Voor elke nieuwe aansluiting op het hoogspanningsnet moet met de elektriciteitsdistributienetbeheerder een aansluitingscontract worden gesloten.

§ 2

Voor aansluitingen op het laagspanningsnet moet geen aansluitingscontract ondertekend worden. Voor die aansluitingen op het laagspanningsnet worden de voorwaarden opgenomen in het aansluitingsreglement van de elektriciteitsdistributienetbeheerder.

Art. III.5.2.3.
In afwachting van de opmaak van nieuwe aansluitingscontracten tussen de elektriciteitsdistributienetbeheerder en de elektriciteitsdistributienetgebruiker, blijven de vroeger gemaakte afspraken tussen de partijen die bij de aansluiting betrokken zijn verder van kracht, voor zover ze niet strijdig zijn met het Technisch Reglement Distributie Elektriciteit.

Art. III.5.2.4.
Het aansluitingscontract bevat minstens de volgende elementen:
de identiteit van de partijen;
de aanwijzing van de contactpersonen;
de bepalingen met betrekking tot de looptijd en de stopzetting van het contract;
de beschrijving en het liggingsplan van de aansluiting en de meetinstallatie met locatie en spanningsniveau van het toegangspunt;
de unieke identificatie van het toegangspunt of de toegangspunten bij middel van een of meer EAN-GSRN;
de bepalingen in verband met de toegankelijkheid en het beheer van de aansluitingsinstallaties;
de beschrijving van de installaties van de elektriciteitsdistributienetgebruiker (inclusief installaties welke functioneel deel uitmaken van het net), inzonderheid de aangesloten productie-eenheden;
de specifieke technische voorwaarden en bepalingen, onder meer het aansluitingsvermogen, de relevante technische karakteristieken van de aansluiting en van de installaties van de elektriciteitsdistributienetgebruiker, het meetsysteem, de uitbating, het onderhoud, de eisen in verband met beveiligingen, de veiligheid enzovoort;
de bepalingen met betrekking tot de wederzijdse aansprakelijkheid en de confidentialiteit;
de bepalingen in verband met de meteropname;
de betalingsmodaliteiten.

Art. III.5.2.5.
Het aansluitingsreglement en het aansluitingscontract kunnen tevens voorzien in een regeling voor forfaitaire schadeloosstelling bij onderbrekingen van de stroomvoorziening die langer dan vier uur duren. Ingeval beroep gedaan wordt op de gemeenrechtelijke aansprakelijkheidsregeling, kan de forfaitaire schadeloosstelling voor onderbrekingen niet ingeroepen worden.

Art. III.5.2.6.
De modaliteiten met betrekking tot de onderbreekbaarheid van de toegang kunnen in een afzonderlijke overeenkomst vastgelegd worden.

Art. III.5.2.7.
De technische oplossingen en de regelparameters kunnen worden herzien op gemotiveerd verzoek van de elektriciteitsdistributienetbeheerder.

Art. III.5.2.8.
In geval van overdracht van roerende of onroerende goederen, in gebruik of in eigendom, waarvoor de aansluiting dient, sluit de overnemer onverwijld een nieuw aansluitingscontract af met de elektriciteitsdistributienetbeheerder als de aansluiting niet valt onder het toepassingsgebied van het aansluitingsreglement.

Afdeling III.5.3.
Gebruik, onderhoud en conformiteit van de aansluiting



Algemene bepalingen


Art. III.5.3.1.

§ 1

De elektriciteitsdistributienetgebruiker en de eigenaar van het goed in kwestie treffen de nodige voorzorgen om iedere beschadiging aan de aansluiting te voorkomen.

§ 2

De elektriciteitsdistributienetgebruiker of de eigenaar van het goed in kwestie moet de elektriciteitsdistributienetbeheerder onmiddellijk op de hoogte brengen van elke beschadiging, afwijking of niet-conformiteit aan de wettelijke of reglementaire voorschriften die hij redelijkerwijs kan vaststellen.

§ 3

Bij de uitvoering van werkzaamheden door de elektriciteitsdistributienetgebruiker in de nabijheid van de aansluiting, waarbij onderdelen van het elektriciteitsdistributienet, inclusief de aansluiting, beschadigd of beïnvloed kunnen worden, pleegt de elektriciteitsdistributienetgebruiker vooraf overleg met de elektriciteitsdistributienetbeheerder.

§ 4

Alvorens een gebouw of installatie waarin de aansluiting zich bevindt te slopen, moet de elektriciteitsdistributienetbeheerder de aansluiting voldoende beveiligen of wegnemen.
De eigenaar richt daarvoor een verzoek tot de elektriciteitsdistributienetbeheerder. Dezelfde aanvraagprocedures en bijbehorende termijnen als vermeld in Afdeling III.3.3: De aansluitingsprocedure en Hoofdstuk III.6: Wijziging en verzwaring van de aansluiting, zijn hier van toepassing.

Art. III.5.3.2.
Bij een storing aan het elektriciteitsdistributienet of de aansluiting is de elektriciteitsdistributienetbeheerder binnen twee uur na de melding door de elektriciteitsdistributienetgebruiker ter plaatse om de werkzaamheden aan te vangen die leiden tot het opheffen van de storing.

Art. III.5.3.3.
In geval van gewijzigde afname- of injectiekenmerken, of van wijzigingen ten opzichte van de omstandigheden en afspraken die golden op het ogenblik van de uitvoering van de aansluiting, en die toe te schrijven zijn aan de elektriciteitsdistributienetgebruiker, heeft de elektriciteitsdistributienetbeheerder het recht de aansluiting te wijzigen op kosten van de elektriciteitsdistributienetgebruiker of de eigenaar van het betrokken goed om de algemene veiligheid, het toezicht op en het gemakkelijk onderhoud van de aansluiting te vrijwaren, alsook de correcte werking van de toestellen van de aansluiting en de gemakkelijke opname van de meters toe te laten.


Gebruik van installaties die functioneel deel uitmaken van het elektriciteitsdistributienet


Art. III.5.3.4.
De installatie van de elektriciteitsdistributienetgebruiker die functioneel deel uitmaakt van het elektriciteitsdistributienet (voor doorvoer van energie naar andere elektriciteitsdistributienetgebruikers) wordt kosteloos ter beschikking gesteld van de elektriciteitsdistributienetbeheerder.


Gebruiken onderhoud van laagspanningsaansluitingen


Art. III.5.3.5.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder is belast met het onderhoud en de goede en veilige werking van de delen van de aansluiting waarover hij het eigendoms- of gebruiksrecht heeft. De onderhouds- en herstellingskosten, voor zover er geen schade door de elektriciteitsdistributienetgebruiker veroorzaakt werd, komen voor zijn rekening.

Art. III.5.3.6.
De aansluiting mag pas worden ingewerkt na de toestemming van de elektriciteitsdistributienetbeheerder. Ze moet doeltreffend beschermd worden. Toezicht moet altijd mogelijk zijn.

Art. III.5.3.7.
De elektriciteitsdistributienetgebruiker of de eigenaar van het goed zorgt ervoor dat de muren in kwestie waterdicht blijven.

Art. III.5.3.8.
De automatische schakelaar van de aansluiting die bij de meetinrichting behoort, mag bediend worden door de elektriciteitsdistributienetgebruiker, behalve als de elektriciteitsdistributienetbeheerder een verzegeling of een andere contra-indicatie heeft aangebracht.


Gebruiken onderhoud van hoogspanningsaansluitingen


Art. III.5.3.9.
Tenzij anders bepaald in het aansluitingscontract zijn de bepalingen van Artikel III.5.3.1, Artikel III.5.3.2, Artikel III.5.3.3 en Artikel III.5.3.4 van toepassing.


Conformiteit van de aansluiting


Art. III.5.3.10.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder heeft het recht om de conformiteit na te gaan van de aansluiting en de installaties van de elektriciteitsdistributienetgebruiker met de voorschriften van het Technisch Reglement Distributie Elektriciteit en het aansluitingscontract en -reglement.

Art. III.5.3.11.

§ 1

Om de conformiteit van de aansluiting en van de installaties van een elektriciteitsdistributienetgebruiker met de bepalingen van dit Technisch Reglement Distributie Elektriciteit en het aansluitingscontract te onderzoeken kan de elektriciteitsdistributienetbeheerder op eigen initiatief of op verzoek van een derde partij testen op de installaties uitvoeren.

§ 2

Na overleg komen de elektriciteitsdistributienetbeheerder en de betrokken elektriciteitsdistributienetgebruiker de procedure, de planning en de in te zetten middelen overeen.

§ 3

Binnen een maand na de proeven, uitgevoerd door of in opdracht van de elektriciteitsdistributienetbeheerder, bezorgt de elektriciteitsdistributienetbeheerder een rapport aan de betrokken partij(en), voor zover de gegevens in dat rapport niet vertrouwelijk zijn.

Art. III.5.3.12.
Als het onderzoek of de proeven aantonen dat een installatie niet beantwoordt aan de vereisten van het Technisch Reglement Distributie Elektriciteit of het aansluitingscontract, brengt de in gebreke blijvende partij de vereiste veranderingen aan de installatie aan binnen een door de elektriciteitsdistributienetbeheerder vastgelegde termijn. Die partij draagt de kosten voor het onderzoek of de proeven die de inbreuk onthuld hebben, alsook de kosten voor de nieuwe proeven die uitgevoerd worden nadat de veranderingen aan de installatie zijn aangebracht. In het tegenovergestelde geval zijn de proeven op kosten van diegene die ze aangevraagd heeft.

Art. III.5.3.13.

§ 1

Een aansluiting of installatie van een elektriciteitsdistributienetgebruiker die bestond op 1 juli 2002 en die niet in overeenstemming is met de voorschriften van dit Technisch Reglement Distributie Elektriciteit, kan als dusdanig worden gebruikt zolang ze geen schade of hinder berokkent of zou kunnen berokkenen aan de installaties van de elektriciteitsdistributienetbeheerder of aan de installaties van of de kwaliteit van de geleverde spanning bij een andere elektriciteitsdistributienetgebruiker. Bij de eerste ingrijpende wijziging of uitbreiding van de aansluiting of de installatie moet deze in overeenstemming gebracht worden met de bepalingen van dit Technisch Reglement.

§ 2

De elektriciteitsdistributienetbeheerder kan niet verantwoordelijk worden gesteld voor eventuele schade bij de elektriciteitsdistributienetgebruiker die veroorzaakt wordt door de slechte werking van diens installaties omdat die niet in overeenstemming zijn met het Technisch Reglement Distributie Elektriciteit.

Art. III.5.3.14.

§ 1

Elke aansluiting of installatie van een elektriciteitsdistributienetgebruiker die niet in overeenstemming is met de voorschriften van dit Technisch Reglement Distributie Elektriciteit en die daardoor schade of hinder berokkent aan de installaties van de elektriciteitsdistributienetbeheerder of bij een of meer andere elektriciteitsdistributienetgebruikers, moet door de elektriciteitsdistributienetgebruiker in overeenstemming gebracht worden binnen een door de elektriciteitsdistributienetbeheerder vastgelegde termijn afhankelijk van de aard en de omvang van de schade of hinder.

§ 2

De elektriciteitsdistributienetbeheerder kan gedurende die termijn niet verantwoordelijk gesteld worden voor eventuele schade die veroorzaakt wordt bij elektriciteitsdistributienetgebruikers doordat installaties van een
elektriciteitsdistributienetgebruiker niet in overeenstemming zijn met de voorschriften van dit Technisch Reglement Distributie Elektriciteit.

Art. III.5.3.15.
De aanpassingen, vermeld in Artikel III.5.3.14§1, komen voor rekening van de elektriciteitsdistributienetgebruiker of van de eigenaar van het goed in kwestie, volgens hun respectieve verantwoordelijkheden, als bewezen is dat de installaties van de elektriciteitsdistributienetgebruiker of van de eigenaar van het goed aan de basis liggen van de schade of hinder.

Art. III.5.3.16.

§ 1

Als de elektriciteitsdistributienetgebruiker de aanpassingen, vermeld in Artikel III.5.3.12 of Artikel III.5.3.14, niet binnen de opgelegde termijn heeft uitgevoerd, stelt de elektriciteitsdistributienetbeheerder hem per brief in gebreke.

§ 2

Behoudens andersluidend akkoord tussen de betrokken partijen, heeft de elektriciteitsdistributienetbeheerder het recht het toegangspunt buiten dienst te stellen, indien de aanpassingen tien werkdagen na de ingebrekestelling nog niet zijn uitgevoerd. Bij het vaststellen van die termijn geldt de postdatum van de brief als bewijs.

Art. III.5.3.17.
Onverminderd de bepalingen van Artikel III.5.3.14 kan de elektriciteitsdistributienetbeheerder eisen dat de elektriciteitsdistributienetgebruiker maatregelen treft en die bekostigt om te voorkomen dat ten gevolge van de werking van de installaties van de elektriciteitsdistributienetgebruiker het toegestane niveau van storingen, vermeld in Artikel III.5.4.1, wordt overschreden.

Art. III.5.3.18.

§ 1

Een elektriciteitsdistributienetgebruiker die zelf proeven wil uitvoeren of laten uitvoeren op de aansluiting of op zijn installaties die een niet-verwaarloosbare invloed hebben op het elektriciteitsdistributienet, op de aansluiting(en) of op de installaties van een andere elektriciteitsdistributienetgebruiker, moet vooraf een schriftelijke goedkeuring van de elektriciteitsdistributienetbeheerder krijgen. Elke aanvraag moet gemotiveerd zijn. Ze vermeldt de installatie(s) waarop de proeven betrekking hebben, de aard en de technische gegevens van de proeven, de procedure (onder meer wie de proeven uitvoert) en de planning.

§ 2

Op basis van de gegevens in die aanvraag, beslist de elektriciteitsdistributienetbeheerder over de opportuniteit van de aanvraag en geeft hij, in voorkomend geval, zijn goedkeuring aan de gevraagde proeven, de procedure en de planning ervan. Hij waarschuwt de partijen die volgens hem bij de gevraagde proeven betrokken zijn.

Afdeling III.5.4.
Spanningswisseling en stroomstoringen


Art. III.5.4.1.
Het toelaatbare niveau van storingen, teweeggebracht op het elektriciteitsdistributienet door de installaties van de aansluiting en de eigen installaties van de elektriciteitsdistributienetgebruiker, wordt bepaald door de voorschriften van de C10/11, C10/17 en C10/19 die door de netbeheerders zijn opgesteld, door de VREG zijn goedgekeurd, en gepubliceerd worden op de website van de elektriciteitsdistributienetbeheerders. Ook elke wijziging aan deze voorschriften wordt pas van kracht na goedkeuring door de VREG.

Art. III.5.4.2.

§ 1

Een klacht over de spanningskwaliteit kan schriftelijk ingediend worden bij de elektriciteitsdistributienetbeheerder.

§ 2

De elektriciteitsdistributienetbeheerder beantwoordt een klacht met betrekking tot de spanningskwaliteit binnen tien werkdagen na ontvangst van die klacht. Als de oorzaak bekend is, beschrijft de elektriciteitsdistributienetbeheerder in zijn antwoord de aard en duur van het probleem en de acties die hij ertegen onderneemt.

§ 3

Op verzoek van de elektriciteitsdistributienetgebruiker informeert de elektriciteitsdistributienetbeheerder de elektriciteitsdistributienetgebruiker over de mogelijkheid en de voorwaarden om een meting uit te voeren.

§ 4

Op verzoek van de elektriciteitsdistributienetgebruiker worden de nodige metingen ter controle van een klacht met betrekking tot de verandering van de geleverde spanning (amplitude) uitgevoerd. De elektriciteitsdistributienetgebruiker spreekt met de elektriciteitsdistributienetbeheerder een datum af waarop die meting moet worden uitgevoerd. De elektriciteitsdistributienetgebruiker kan eisen dat die meting binnen tien werkdagen uitgevoerd wordt. In uitzonderlijke omstandigheden en na motivatie, kan de elektriciteitsdistributienetbeheerder van die termijn afwijken.

§ 5

Een rapport met de resultaten en conclusies van die meting wordt aan de elektriciteitsdistributienetgebruiker bezorgd binnen vijf werkdagen na de uitvoering van de meting.

§ 6

Als die metingen een afwijking aantonen ten opzichte van de eisen van de norm NBN EN 50160, worden de kosten voor de metingen gedragen door de elektriciteitsdistributienetbeheerder. Als de metingen geen afwijking aantonen ten opzichte van de norm NBN EN 50160 aantonen, kan de elektriciteitsdistributienetbeheerder hiervoor kosten aanrekenen aan de elektriciteitsdistributienetgebruiker. Die kosten blijven in elk geval beperkt tot de vergoeding voor de verplaatsing van de elektriciteitsdistributienetbeheerder. Die kosten worden door de elektriciteitsdistributienetbeheerder gepubliceerd.

§ 7

Als de controlemeting niet uitwijst of de klacht terecht is, kan de elektriciteitsdistributienetgebruiker de elektriciteitsdistributienetbeheerder een langdurige registratie (minstens 48 uur) van de spanning opleggen.

§ 8

Als die testen een afwijking aantonen ten opzichte van de eisen van de norm NBN EN 50160, worden de kosten voor de registratie gedragen door de elektriciteitsdistributienetbeheerder. Als de testen geen afwijking aantonen ten opzichte van de norm NBN EN 50160 aantonen, worden de kosten voor de registratie gedragen door de elektriciteitsdistributienetgebruiker. De kosten voor de registratie worden door de elektriciteitsdistributienetbeheerder gepubliceerd.

§ 9

Voor de vaststellingen, vermeld in §7, kan eveneens een beroep gedaan worden op een geaccrediteerd controleorganisme of een derde partij die beide partijen met wederzijdse goedkeuring hebben aangewezen, en onder dezelfde voorwaarden van kostentoewijzing als vermeld in §8.

Art. III.5.4.3.
De installaties van de elektriciteitsdistributienetgebruiker mogen bij de elektriciteitsdistributienetbeheerder of bij derden geen risico's, schade of hinder van welke aard ook veroorzaken.

Hoofdstuk III.6.
Wijziging en verzwaring van een aansluiting op het elektriciteitsdistributienet


Art. III.6.1.1.

§ 1

Elke aangesloten elektriciteitsdistributienetgebruiker kan bij de elektriciteitsdistributienetbeheerder een aanvraag tot wijziging van zijn aansluiting indienen.

§ 2

De elektriciteitsdistributienetbeheerder kan een aansluitingsaanvraag ook opleggen als er aanpassingen aan installaties van een elektriciteitsdistributienetgebruiker worden verricht die een niet-verwaarloosbare invloed op het elektriciteitsdistributienet hebben. Het plaatsen/bij plaatsen of verzwaren van een decentrale productie-eenheid met een maximum AC vermogen > 10 kVA, ongeacht het feit of deze netto zal injecteren in het elektriciteitsdistributienet, is steeds een wijziging met niet verwaarloosbare invloed op het elektriciteitsdistributienet. Hiervoor is dus steeds een voorafgaandelijke aanvraag aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder noodzakelijk.

Art. III.6.1.2.
De aanvraag bevat minstens de volgende gegevens:
de identiteit en contactgegevens van de aanvrager (eventueel de juridische vorm en het ondernemingsnummer);
de rechten van de aanvrager ten aanzien van het gebouw of de installatie waarop de aansluiting betrekking heeft;
het grondplan van de plaats van afname of injectie;
het gewenste aansluitingsvermogen en spanningsniveau;
de technische karakteristieken van de installaties die op het elektriciteitsdistributienet moeten worden aangesloten;
de informatie die nodig is voor het toekennen van het verbruiksprofiel.

Art. III.6.1.3.
Bij de aanvraag tot wijzing van een aansluiting wordt eveneens een onderscheid gemaakt tussen een eenvoudige aansluiting, een tijdelijke aansluiting en een aansluiting met voorafgaande studie. De procedures voor de aanvraag tot nieuwe aansluiting zoals beschreven onder Afdeling III.3.3 zijn van overeenkomstige toepassing.

Art. III.6.1.4.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder kan, in geval van een bestaande aansluiting, de aansluiting uitvoeren via een rechtstreekse verbinding van de installaties van de elektriciteitsdistributienetgebruiker met de secundaire rails van een transformatiepost die het elektriciteitsdistributienet op hoogspanning voedt, als het gemiddelde van de reële maandpieken met betrekking tot de voorbije twaalf maanden groter is dan 5 MW.

Art. III.6.1.5.
Vóór een toegangspunt naar een gewijzigde installatie in dienst wordt genomen, bezorgt de elektriciteitsdistributienetgebruiker aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder het bewijs dat zijn installaties aan de wettelijke verplichtingen voldoen.

Art. III.6.1.6.

§ 1

Voor elke aanpassing van een bestaande aansluiting op hoogspanningsnet, van een daarmee verbonden installatie van een elektriciteitsdistributienetgebruiker die een niet-verwaarloosbare invloed heeft op het hoogspanningsnet of van hun respectieve exploitatiewijze moet met de elektriciteitsdistributienetbeheerder een aansluitingscontract worden gesloten.

§ 2

Voor aanpassingen aan bestaande aansluiting op het laagspanningsnet, moet geen aansluitingscontract ondertekend worden. Voor die aanpassingen worden de voorwaarden opgenomen in het aansluitingsreglement van de elektriciteitsdistributienetbeheerder.

Art. III.6.1.7.
Op verzoek van de elektriciteitsdistributienetgebruiker kan de elektriciteitsdistributienetbeheerder beslissen dat een wijziging als vermeld in Artikel III.6.1.6§1 als minder belangrijk wordt beschouwd. Een dergelijke minder belangrijke aanpassing wordt vermeld in een bijvoegsel bij het aansluitingscontract.

Hoofdstuk III.7.
Het wegnemen van een aansluiting op het elektriciteitsdistributienet en de verzegeling ervan


Art. III.7.1.1.

§ 1

Elke aansluiting kan worden weggenomen op aangetekend verzoek van de eigenaar van het goed in kwestie, op voorwaarde dat niemand er nog gebruik van maakt.

§ 2

De kosten voor het wegnemen van een aansluiting, alsook de kosten voor het opnieuw in de oorspronkelijke staat brengen van lokalen, toegangswegen en terreinen, komen voor rekening van de elektriciteitsdistributienetgebruiker of de eigenaar van het goed in kwestie.

§ 3

Dezelfde aanvraagprocedures en bijbehorende termijnen als vermeld in Afdeling III.3.3: De aansluitingsprocedure zijn van toepassing voor diensten van de elektriciteitsdistributienetbeheerder met betrekking tot het wegnemen van een aansluiting.

Art. III.7.1.2.
De elektriciteitsdistributienetbeheerder heeft het recht om, na overleg met de eigenaar van het goed in kwestie, elke aansluiting die meer dan een jaar niet meer gebruikt werd, weg te nemen of af te koppelen, behalve indien de aansluiting voor noodvoeding dienstig kan zijn.

Hoofdstuk III.8.
Bepalingen m.b.t. gesloten distributienetten voor elektriciteit


Art. III.8.1.1.
De beheerder van het gesloten distributienet voor elektriciteit voorziet
in een eigen procedure voor het verwerken en uitvoeren van aanvragen voor aansluiting op het gesloten distributienet voor elektriciteit;
voor elke gebruiker in een aansluitingscontract waarin de rechten en plichten van de beheerder en de gebruiker m.b.t. de aansluiting worden opgesomd;
in eigen procedures voor het verwerken van aanvragen voor het wijzigen of verzwaren van een bestaande aansluiting op het gesloten distributienet voor elektriciteit;
in eigen procedures voor het wegnemen of verzegelen van een bestaande aansluiting op het gesloten distributienet voor elektriciteit;
in een eigen procedure voor de ontvangst, behandeling en registratie van klachten van gebruikers van het gesloten distributienet voor elektriciteit.

Art. III.8.1.2.
Elke aansluiting, alsook elke binneninstallatie die op het gesloten distributienet voor elektriciteit is aangesloten, moet voldoen aan de normen en de reglementering die op elektrische installaties van toepassing zijn.

Art. III.8.1.3.
De voorwaarden voor injectie in het gesloten distributienet voor elektriciteit zijn gelijk aan de voorwaarden voor injectie in het net waarmee het gesloten distributienet voor elektriciteit gekoppeld is.

Art. III.8.1.4.
De beheerder van het gesloten distributienet voor elektriciteit die een aanvraag voor injectie ontvangt, overlegt hierover met de beheerder van het gekoppelde net.

Art. III.8.1.5.
Installaties gelegen achter verschillende koppelpunten mogen zonder expliciete toestemming van de netbeheerder van het gekoppelde net op geen enkele manier met elkaar verbonden worden.