Hoofdstuk III.4.
De technische voorwaarden waaraan voldaan moet worden in elektriciteitsdistributienetten


Afdeling III.4.1.
Technische voorwaarden van toepassing op iedere aansluiting


Art. III.4.1.1.

§ 1

Elke aansluiting, alsook elke installatie van een elektriciteitsdistributienetgebruiker die op het elektriciteitsdistributienet is aangesloten, moet voldoen aan de normen en de reglementering die op elektrische installaties van toepassing zijn.

§ 2

Het tracé van de aansluiting, alsmede de opstelling en de karakteristieken van de samenstellende delen worden op zo'n wijze bepaald door de elektriciteitsdistributienetbeheerder dat de algemene veiligheid en de normale werking van de deelelementen van de aansluiting verzekerd zijn en dat de meteropnamen, het toezicht, het nazicht en het onderhoud gemakkelijk kunnen worden uitgevoerd.

§ 3

Vóór een toegangspunt naar een nieuwe installatie op het elektriciteitsdistributienet in dienst wordt genomen, bezorgt de aanvrager aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder het bewijs dat zijn installaties aan de wettelijke verplichtingen voldoen.

Art. III.4.1.2.

§ 1

De doorvoer van de aansluitingskabel door de muur van het gebouw van de elektriciteitsdistributienetgebruiker kan aan de aanvrager of de eigenaar van het gebouw worden toevertrouwd volgens de aanwijzingen van de elektriciteitsdistributienetbeheerder.

§ 2

De kabel moet over de hele lengte van de doorvoeropening mechanisch worden beschermd door een mantelbuis, vervaardigt uit polyvinylchloride, polyethyleen of vezelcement.

§ 3

De doorvoeropening voor de elektriciteitsaansluiting mag niet voor andere leidingen worden gebruikt.

§ 4

De muurdoorvoer wordt door de aanvrager of de eigenaar van het gebouw water- en gasdicht gemaakt. Hij bezorgt aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder het bewijs dat de muurdoorvoer water- en gasdicht werd gemaakt.

Afdeling III.4.2.
Voorschriften voor aansluitingen op laagspanning


Art. III.4.2.1.

§ 1

In gebouwen waar het gevraagde aansluitingsvermogen 25 kVA overschrijdt, stelt de elektriciteitsdistributienetgebruiker voor de plaatsing van de meetinrichting en andere apparatuur die deel uitmaakt van de aansluiting, gratis een (deel van een) ruimte ter beschikking aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder. Die ruimte voldoet aan de eisen van de elektriciteitsdistributienetbeheerder.

§ 2

In gebouwen waar het gevraagde aansluitingsvermogen 25 kVA niet overschrijdt, stelt de elektriciteitsdistributienetgebruiker gratis een deel van een muur ter beschikking voor de aansluitingskast.

Art. III.4.2.2.
De elektriciteitsdistributienetbeheerders leggen gemeenschappelijk de aanvullende technische voorschriften voor aansluitingsinstallaties en installaties van elektriciteitsdistributienetgebruikers op laagspanning vast en maken die bekend via hun website.

Afdeling III.4.3.
Voorschriften voor aansluitingen op hoogspanning


Art. III.4.3.1.
Voor de plaatsing van de meetinrichting en andere apparatuur die deel uitmaakt van de aansluiting, stelt de elektriciteitsdistributienetgebruiker gratis een ruimte ter beschikking aan de elektriciteitsdistributienetbeheerder. Die ruimte voldoet aan de eisen van de elektriciteitsdistributienetbeheerder. De plaats wordt in onderling overleg bepaald.

Art. III.4.3.2.
De inplanting, de bereikbaarheid van de installaties, de bedienbaarheid en de identificatie van de bedieningsapparatuur van de elektriciteitsdistributienetgebruiker moet aanvaard worden door de elektriciteitsdistributienetbeheerder. De werking moet in overeenstemming zijn met de exploitatiewijze van het elektriciteitsdistributienet waarop ze aangesloten worden, zowel met betrekking tot hun technische kenmerken als met betrekking tot de veiligheidsaspecten die aan de exploitatie verbonden zijn.

Art. III.4.3.3.

§ 1

De instellingen van de beveiligingen van de elektriciteitsdistributienetgebruiker die in geval van incident zijn installaties afschakelen van de aansluiting, worden in onderling overleg met de elektriciteitsdistributienetbeheerder bepaald. De selectiviteit van de beveiliging van de netten mag door de keuze van de waarde van de beveiligingsparameters in geen geval in het gedrang gebracht worden.

§ 2

De elektriciteitsdistributienetbeheerder heeft het recht om, op basis van een gewijzigde netsituatie, de noodzakelijke aanpassingen op te leggen voor de beveiligingen in de installaties van de elektriciteitsdistributienetgebruiker, zodat de selectiviteit van de beveiligingen in de netten gewaarborgd kan blijven. Alle kosten die verbonden zijn aan eventueel uit te voeren aanpassingen aan de installaties van de elektriciteitsdistributienetgebruiker, komen voor rekening van de betrokken elektriciteitsdistributienetgebruiker.

Art. III.4.3.4.

§ 1

De elektriciteitsdistributienetbeheerder heeft het recht om de technische middelen aan te wenden die nodig zijn voor de compensatie van reactieve energie, of, meer in het algemeen, voor de compensatie van ieder verstorend fenomeen, als de belasting van een elektriciteitsdistributienetgebruiker die aan het elektriciteitsdistributienet is aangesloten, aanleiding geeft tot een extra afname van reactieve energie, zoals bepaald in Afdeling IV.5.2, of als ze de veiligheid, de betrouwbaarheid of de efficiëntie van het elektriciteitsdistributienet verstoort.

§ 2

De elektriciteitsdistributienetbeheerder motiveert zijn beslissing en deelt die mee aan de betrokken elektriciteitsdistributienetgebruiker.

§ 3

De installatie en de aanwending van de technische middelen, vermeld in §1, komen voor rekening van de betrokken elektriciteitsdistributienetgebruiker.

Art. III.4.3.5.

§ 1

De elektriciteitsdistributienetbeheerders leggen gemeenschappelijk de aanvullende technische voorschriften voor aansluitingsinstallaties en installaties van elektriciteitsdistributienetgebruikers op hoogspanning vast en maken die bekend via hun websites.

§ 2

Voor aansluitingen op spanningen gelijk aan of groter dan 30 kV, bepaalt de elektriciteitsdistributienetbeheerder, na overleg met de elektriciteitsdistributienetgebruiker voor wat betreft de aspecten die niet worden geregeld in dit Technisch Reglement Distributie Elektriciteit en die nodig worden geacht door de elektriciteitsdistributienetbeheerder met het oog op de veiligheid, de betrouwbaarheid en de efficiëntie van het elektriciteitsdistributienet, de minimale technische vereisten en de regelparameters met betrekking tot de installaties, vermeld in Artikel III.1.1.1§1.

Afdeling III.4.4.
Aanvullende voorschriften voor productie-eenheden op spanningen kleiner dan 30 kv


Art. III.4.4.1.
De elektriciteitsdistributienetbeheerders leggen gemeenschappelijk de aanvullende technische voorschriften voor aansluitingen van productie-eenheden op spanningen kleiner dan 30 kV vast en maken die bekend via hun websites. Bij wijziging van deze aanvullende technische voorschriften leggen de elektriciteitsdistributienetbeheerders deze voorschriften ter goedkeuring voor aan de VREG.

Art. III.4.4.2.
Voor projecten met een globaal opgesteld productievermogen ≥ 1000 kVA, of voor projecten waar uit de detailstudie blijkt dat in N-1 situaties of bij congestie tijdelijke productiebeperkingen noodzakelijk zijn, kan de elektriciteitsdistributienetbeheerder een telecontrole opleggen aan de producent die de netbeheerder in uitzonderlijke uitbatingsomstandigheden van het elektriciteitsdistributienet de mogelijkheid geeft, door middel van een centraal besturingssysteem, productiebeperkingen op te leggen op basis van objectieve criteria die contractueel vastgelegd worden.

Afdeling III.4.5.
Aanvullende voorschriften voor productie-eenheden op spanning groter dan of gelijk aan 30 kv



Werkingsvoorwaarden voor spanning en frequentie


Art. III.4.5.1.

§ 1

Een productie-eenheid moet synchroon met het net kunnen werken:
zonder beperking in de tijd als de netfrequentie begrepen is tussen 47,5 Hz en 51,5 Hz;
tijdens een bepaalde tijd die de elektriciteitsdistributienetgebruiker en elektriciteitsdistributienetbeheerder in onderling overleg hebben vastgelegd, als de netfrequentie tussen 51,5 Hz en 52,5 Hz ligt.

§ 2

Het frequentierelais dat de overgang van een productie-eenheid naar eilandbedrijf bewaakt, mag niet geactiveerd worden zolang de frequentie van het elektriciteitsdistributienet groter dan of gelijk is aan 47,5 Hz, behoudens een andersluidende bepaling in het aansluitingscontract.

Art. III.4.5.2.
Een productie-eenheid moet zonder beperking in de tijd synchroon kunnen werken met het net, binnen het gearceerde gebied in de onderstaande grafiek ΔU-frequentie, waarin ΔU verwijst naar de spanningsafwijking aan de klemmen van de generator uitgedrukt in % van de nominale spanning van de generator.

Art. III.4.5.3.

§ 1

Een productie-eenheid moet, behoudens een andersluidende bepaling in het aansluitingscontract:
over haar hele werkingsdomein synchroon met het elektriciteitsdistributienet kunnen werken als de spanning in het aansluitingspunt, uitgedrukt in percentage van de nominale spanning in het aansluitingspunt, gedurende een spanningsval met beperkte amplitude, binnen het gearceerde gebied van de onderstaande grafiek blijft;
over haar hele werkingsdomein synchroon met het elektriciteitsdistributienet kunnen werken als de spanning op het aansluitingspunt, uitgedrukt in procent van de nominale spanning op het aansluitingspunt, gedurende een spanningsval met belangrijke amplitude, binnen het gearceerde gebied van de onderstaande grafiek blijft.

§ 2

In afwijking van wat bepaald is in §1 is de spanning waarmee rekening moet worden gehouden in het geval van een productie-eenheid die ingebed is in de installaties van de elektriciteitsdistributienetgebruiker, de spanning aan de uitgang van die productie-eenheid.

Art. III.4.5.4.
Specifieke voorschriften voor asynchrone generatoren worden op objectieve, transparante en niet-discriminerende wijze bepaald door de elektriciteitsdistributienetbeheerder.

Art. III.4.5.5.
Tijdens een plotse wijziging of een belangrijke afwijking van de frequentie mag een productie-eenheid de werking van de primaire frequentieregeling niet verstoren.


Werkingsvoorwaarden voor het reactief vermogen


Art. III.4.5.6.
Elke productie-eenheid waarvan het nominaal vermogen Pnom groter dan of gelijk is aan 25 MW, is een regelende productie-eenheid.

Art. III.4.5.7.
Elke regelende productie-eenheid moet in staat zijn haar levering van reactief vermogen automatisch en op verzoek van de elektriciteitsdistributienetbeheerder, zonder verwijl, aan te passen tijdens langzame (in de orde van minuten) en plotse (in de orde van een fractie van seconde) wijzigingen in de spanning.

Art. III.4.5.8.
Elke niet-regelende productie-eenheid moet in staat zijn haar levering van reactief vermogen aan te passen aan de behoeften van het elektriciteitsdistributienet, ten minste door de productie van het reactieve vermogen te kunnen omschakelen tussen twee niveaus die tussen de elektriciteitsdistributienetbeheerder en de betrokken elektriciteitsdistributienetgebruiker zijn overeengekomen.

Art. III.4.5.9.

§ 1

Voor elke waarde van het actief vermogen dat op het elektriciteitsdistributienet kan worden geïnjecteerd tussen het technisch minimum en het maximaal aansluitingsvermogen bij normale exploitatiespanning, moet de regelende productie-eenheid in het aansluitingspunt een reactief vermogen met een getalwaarde, gelegen tussen -0,1 Pnom en 0,45 Pnom, respectievelijk kunnen absorberen of leveren.

§ 2

Voor elke spanning op het aansluitingspunt tussen 0,9 en 1,05 maal de normale exploitatiespanning, moet de regelende productie-eenheid dezelfde mogelijkheden hebben, met uitzondering van een beperking, veroorzaakt door spanningsbeperkingen van de generator of veroorzaakt door de statorstroom van de generator. Een eventuele statorstroombeperking mag niet tussenkomen bij de snelle regeling van de spanning.

Art. III.4.5.10.

§ 1

De spanningsregelaar van een regelende productie-eenheid is voorzien van een over- en onderbekrachtigingsbegrenzer. Die werken automatisch en alleen als het reactief vermogen zich buiten het interval bevindt zoals bepaald in Artikel III.4.5.9.

§ 2

De spanningsregelaar neemt de regeling automatisch over zodra de spanning op het aansluitingspunt opnieuw binnen het interval, beschreven in Artikel III.4.5.9, gekomen is.

Art. III.4.5.11.
Binnen het werkingsgebied moet elke regelende productie-eenheid bij trage spanningswijzigingen ΔUnet op het aansluitingspunt, op automatische wijze haar reactieve productie ΔQnet aan kunnen passen zodat de relatieve gevoeligheidscoëfficiënt αeq begrepen is tussen 18 en 25.

Art. III.4.5.12.
Hierbij is αeq = –
ΔQnet / (0,45 × Pnom)
ΔUnet / Unorm,exp
met:
Qnet het reactief vermogen gemeten aan de hoogspanningszijde van de opvoertransformator;
Pnom het nominaal vermogen;
Unet de spanning, gemeten aan de hoogspanningszijde van de opvoertransformator;
Unorm,exp de normale exploitatiespanning, dat is de gemiddelde spanning waarrond het elektriciteitsdistributienet geëxploiteerd wordt.

Art. III.4.5.13.
Als een niet-regelende productie-eenheid uitgerust is met een regelaar, bestemd om de referentiewaarde van het geproduceerd reactief vermogen te volgen, moet die traag zijn ten opzichte van de primaire spanningsregeling van de regelende eenheden (waarvan de werking ingrijpt op de schaal van seconden) en snel ten opzichte van de dynamica van de transformatoren met automatische regelschakelaars (inwerkend op een schaal van tientallen seconden tot minuten) om zodoende spanningsschommelingen in het elektrische systeem te vermijden. De tijdsconstante van die regelaar in gesloten lus moet minstens tussen tien en dertig seconden kunnen ingesteld worden.