Art. III.4.5.3.

1

Een productie-eenheid moet, behoudens een andersluidende bepaling in het aansluitingscontract:
over haar hele werkingsdomein synchroon met het elektriciteitsdistributienet kunnen werken als de spanning in het aansluitingspunt, uitgedrukt in percentage van de nominale spanning in het aansluitingspunt, gedurende een spanningsval met beperkte amplitude, binnen het gearceerde gebied van de onderstaande grafiek blijft;
over haar hele werkingsdomein synchroon met het elektriciteitsdistributienet kunnen werken als de spanning op het aansluitingspunt, uitgedrukt in procent van de nominale spanning op het aansluitingspunt, gedurende een spanningsval met belangrijke amplitude, binnen het gearceerde gebied van de onderstaande grafiek blijft.

2

In afwijking van wat bepaald is in 1 is de spanning waarmee rekening moet worden gehouden in het geval van een productie-eenheid die ingebed is in de installaties van de elektriciteitsdistributienetgebruiker, de spanning aan de uitgang van die productie-eenheid.