Werkingsvoorwaarden voor het reactief vermogen


Art. III.4.5.6.
Elke productie-eenheid waarvan het nominaal vermogen Pnom groter dan of gelijk is aan 25 MW, is een regelende productie-eenheid.

Art. III.4.5.7.
Elke regelende productie-eenheid moet in staat zijn haar levering van reactief vermogen automatisch en op verzoek van de elektriciteitsdistributienetbeheerder, zonder verwijl, aan te passen tijdens langzame (in de orde van minuten) en plotse (in de orde van een fractie van seconde) wijzigingen in de spanning.

Art. III.4.5.8.
Elke niet-regelende productie-eenheid moet in staat zijn haar levering van reactief vermogen aan te passen aan de behoeften van het elektriciteitsdistributienet, ten minste door de productie van het reactieve vermogen te kunnen omschakelen tussen twee niveaus die tussen de elektriciteitsdistributienetbeheerder en de betrokken elektriciteitsdistributienetgebruiker zijn overeengekomen.

Art. III.4.5.9.

§ 1

Voor elke waarde van het actief vermogen dat op het elektriciteitsdistributienet kan worden geïnjecteerd tussen het technisch minimum en het maximaal aansluitingsvermogen bij normale exploitatiespanning, moet de regelende productie-eenheid in het aansluitingspunt een reactief vermogen met een getalwaarde, gelegen tussen -0,1 Pnom en 0,45 Pnom, respectievelijk kunnen absorberen of leveren.

§ 2

Voor elke spanning op het aansluitingspunt tussen 0,9 en 1,05 maal de normale exploitatiespanning, moet de regelende productie-eenheid dezelfde mogelijkheden hebben, met uitzondering van een beperking, veroorzaakt door spanningsbeperkingen van de generator of veroorzaakt door de statorstroom van de generator. Een eventuele statorstroombeperking mag niet tussenkomen bij de snelle regeling van de spanning.

Art. III.4.5.10.

§ 1

De spanningsregelaar van een regelende productie-eenheid is voorzien van een over- en onderbekrachtigingsbegrenzer. Die werken automatisch en alleen als het reactief vermogen zich buiten het interval bevindt zoals bepaald in Artikel III.4.5.9.

§ 2

De spanningsregelaar neemt de regeling automatisch over zodra de spanning op het aansluitingspunt opnieuw binnen het interval, beschreven in Artikel III.4.5.9, gekomen is.

Art. III.4.5.11.
Binnen het werkingsgebied moet elke regelende productie-eenheid bij trage spanningswijzigingen ΔUnet op het aansluitingspunt, op automatische wijze haar reactieve productie ΔQnet aan kunnen passen zodat de relatieve gevoeligheidscoëfficiënt αeq begrepen is tussen 18 en 25.

Art. III.4.5.12.
Hierbij is αeq = –
ΔQnet / (0,45 × Pnom)
ΔUnet / Unorm,exp
met:
Qnet het reactief vermogen gemeten aan de hoogspanningszijde van de opvoertransformator;
Pnom het nominaal vermogen;
Unet de spanning, gemeten aan de hoogspanningszijde van de opvoertransformator;
Unorm,exp de normale exploitatiespanning, dat is de gemiddelde spanning waarrond het elektriciteitsdistributienet geëxploiteerd wordt.

Art. III.4.5.13.
Als een niet-regelende productie-eenheid uitgerust is met een regelaar, bestemd om de referentiewaarde van het geproduceerd reactief vermogen te volgen, moet die traag zijn ten opzichte van de primaire spanningsregeling van de regelende eenheden (waarvan de werking ingrijpt op de schaal van seconden) en snel ten opzichte van de dynamica van de transformatoren met automatische regelschakelaars (inwerkend op een schaal van tientallen seconden tot minuten) om zodoende spanningsschommelingen in het elektrische systeem te vermijden. De tijdsconstante van die regelaar in gesloten lus moet minstens tussen tien en dertig seconden kunnen ingesteld worden.