Art. III.4.5.9.

ž 1

Voor elke waarde van het actief vermogen dat op het elektriciteitsdistributienet kan worden ge´njecteerd tussen het technisch minimum en het maximaal aansluitingsvermogen bij normale exploitatiespanning, moet de regelende productie-eenheid in het aansluitingspunt een reactief vermogen met een getalwaarde, gelegen tussen -0,1 Pnom en 0,45 Pnom, respectievelijk kunnen absorberen of leveren.

ž 2

Voor elke spanning op het aansluitingspunt tussen 0,9 en 1,05 maal de normale exploitatiespanning, moet de regelende productie-eenheid dezelfde mogelijkheden hebben, met uitzondering van een beperking, veroorzaakt door spanningsbeperkingen van de generator of veroorzaakt door de statorstroom van de generator. Een eventuele statorstroombeperking mag niet tussenkomen bij de snelle regeling van de spanning.