Hoofdstuk III.
Maatregelen betreffende de grindwinning


Art. 14.

§ 1.

In de provincie Limburg wordt een einde gemaakt aan elke activiteit van grindwinning zodra de totale grindwinning in de grindwinningsgebieden die krachtens dit decreet worden aangeduid, het toegewezen quotum van 41 400 000 ton berggrind en 59 500 000 ton valleigrind bereikt heeft. Op deze tonnages zijn enkel correcties mogelijk ingevolge eerder in het kader van het decreet genomen beslissingen omtrent overmachtsituaties en in het kader van zuinig ruimtegebruik en de uitvoering van het principe van optimale ontginning voor de hoeveelheden grind in de vergunde grindwinningsgebieden.

 

Als uitzondering op het verbod in § 1, eerste lid, wordt voor het bepalen van de vermelde quota geen rekening gehouden met :

a) het grind, gewonnen als nevenproductie bij de winning van het onderliggende kwartszand;
b) het grind, gewonnen bij infrastructuurwerken toegestaan volgens de bepalingen in artikel 14 bis ;
c) het grind, gewonnen bij de realisatie van projectgrindwinning, toegestaan volgens de bepalingen van hoofdstuk III bis.

 

§ 2.

De houders van een vergunning voor grindwinning verwijderen alle uitrustingen en installaties van de betrokken grindwinningsgebieden binnen een jaar nadat de toegewezen quota ontgonnen zijn. Een uitzondering kan gemaakt worden voor deze werken en activiteiten die dienen voor het afwerken en uitrusten van de betreffende grindwinningsgebieden.


Art. 14bis.

Voor de door de Vlaamse Regering aangewezen werken aan of aanleg van infrastructuur van openbaar nut, kan de Vlaamse Regering de winning van grind toestaan op de percelen waarop de infrastructuurwerken worden uitgevoerd.

 

De grindwinning moet beperkt blijven tot de ontgraving die noodzakelijk is voor de volledige realisatie op de percelen van het aangewezen infrastructuurwerk, met inbegrip van de berging van de ontgraven gronden.

 

De toestemming wordt verleend aan de houder van de omgevingsvergunning.

 

De artikelen 3 tot 13, 15 tot 22 en 23 bis , zijn niet van toepassing op de grindwinning bij infrastructuurwerken.


Art. 15.

§ 1.

De houders van de nodige vergunningen voor de exploitatie van grind in een grindwinning, met inbegrip van de hoeveelheden grind in het kader van zuinig ruimtegebruik en de uitvoering van het principe van optimale ontginning, zoals bepaald in artikel 14, § 1, zijn, vanaf een door de Vlaamse Regering te bepalen datum, onderworpen aan een grindheffing. De grindheffing is verschuldigd voor de grindwinning die plaatsvindt voor 1 januari 2018.

 

§ 2.

De grindheffing wordt berekend op het gewonnen tonnage grind inclusief geproduceerd breekzand dat tijdens een periode van 6 maanden werd afgevoerd. De heffingsplichtigen doen in de loop van de maanden januari en juli, bij de met de inning belaste diensten aangifte van de gegevens nodig voor het berekenen van de heffing die verschuldigd is over de voorgaande periode van zes maanden.

 

§ 3.

De Vlaamse regering regelt nader de aangifte en de aangiftetermijnen voor de grindheffing, alsmede de betaling en betalingstermijnen.

 

§ 3bis.

Er kan overgegaan worden tot een heffing van ambtswege in de gevallen waarin de heffingsplichtige nagelaten heeft :

ofwel een aangifte in te dienen binnen de door de Vlaamse regering bepaalde termijn; 
ofwel de vormgebreken waarmee de aangifte is aangetast, te verhelpen binnen de termijn die de Vlaamse regering hem hiervoor toekent;
ofwel de gevraagde inlichtingen te verstrekken of de bescheiden voor te leggen binnen de vastgestelde termijn; 
4°  ofwel zich te schikken naar de wettelijk voorgeschreven verplichtingen inzake het houden, het uitreiken, het bewaren of het ter inzage voorleggen van boeken, stukken of registers.

 

Er kan tevens tot een heffing van ambtswege worden overgegaan :

wanneer de berekeningselementen van de heffing niet of onjuist werden ingeschreven in de aangifte;
in de gevallen zoals vermeld in artikel 24, 3°. De heffing wordt in deze gevallen opgelegd voor het gedeelte dat onwettig werd geëxploiteerd.

 

Er wordt in elk geval een heffing van ambtswege opgelegd aan de houders van de nodige vergunningen voor de exploitatie van grind in een grindwinning, waarvoor proces-verbaal werd opgemaakt ingevolge ontduiking van artikel 15. De heffing op de ontdoken hoeveelheid grind is verschuldigd vanaf de kennisgeving van een afschrift van het proces-verbaal aan de overtreder.

 

De heffing van ambtswege wordt opgelegd door de krachtens artikel 23 bis, § 3, aangewezen ambtenaar en dit tot beloop van de heffing die vermoedelijk is verschuldigd. Zij wordt vastgesteld op basis van gegevens die kunnen bewezen worden door geschrift, getuigen en vermoedens. In voorkomend geval wordt zij vastgesteld op basis van de gegevens van het proces-verbaal.

 

De Vlaamse regering regelt terzake de modaliteiten, de mogelijkheid voor de heffingsplichtige om zijn bezwaar tegen de heffing naar voren te brengen, de betaling en de betalingstermijnen. In elk geval ligt de bewijslast van het juiste bedrag van de verschuldigde heffing bij de heffingsplichtige.

 

§ 4.

De grindheffing wordt vastgesteld op een bedrag gelijk aan het produkt van de in § 5 bedoelde heffingscoëfficiënt en 0,42 euro per ton gewonnen valleigrind, inclusief breekzand, en 0,29 euro per ton gewonnen berggrind, inclusief breekzand.


Een interest van 1 procent per maand is van rechtswege verschuldigd wanneer de heffing niet is betaald binnen de overeenkomstig § 3 vast te stellen termijn. De interest wordt om de maand berekend over het totaal van de verschuldigde heffing, afgerond op het duizendtal naar beneden.

 

§ 5.

De heffingscoëfficiënt bedraagt minimaal en wordt vanaf 1996 elk jaar aangepast aan de evolutie van het indexcijfer der consumptieprijzen.


De heffingscoëfficiënt voor het begrotingsjaar 1995 bedraagt 1,1141.


De heffingscoëfficiënt wordt jaarlijks aangepaSt in het kader van de afbouw van de grindwinning.


De voor een begrotingsjaar toepasselijke heffingscoëfficiënt wordt bij besluit van de Vlaamse regering bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad vóór 1 januari van het betrokken begrotingsjaar.

 

§ 6.

De vordering tot betaling van de heffing en van de interesten verjaart door verloop van 5 jaar, te rekenen van de dag waarop zij is ontstaan. De verjaring wordt gestuit op de wijze en onder de voorwaarden bepaald bij artikelen 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek.

 

§ 7.

Betwistingen inzake de betaling en betalingstermijnen van heffingen, verhogingen en/of administratieve geldboeten die voor het inleiden van een rechtsgeding ontstaan, worden geregeld door de Vlaamse regering. De Vlaamse regering werkt hiervoor nadere regels uit.

 

§ 8.

Bij gebreke van betaling van de heffing en van de interesten, wordt door de met de invordering belaste ambtenaar een dwangbevel uitgevaardigd. Dit dwangbevel wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de daartoe door de Vlaamse regering aangewezen ambtenaar.
De kennisgeving van het dwangbevel gebeurt per ter post aangetekende brief. De afgifte van het stuk ter post geldt als kennisgeving vanaf de daarop volgende dag.
De in het tweede lid bedoelde kennisgeving :

 

1°  stuit de verjaring van de vordering tot voldoening van de heffingen en van de interesten; 
maakt het mogelijk inschrijving te nemen van de wettelijke hypotheek;
stelt de heffingsplichtige in staat verzet aan te tekenen tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel;
doet de moratoire interesten lopen tegen de rentevoet burgerlijke zaken en met inachtneming van de ter zake geldende regelen.

 

§ 9.

Tot zekerheid van de voldoening van de heffing, de interesten en de kosten, heeft het Vlaamse Gewest een algemeen voorrecht op alle roerende goederen van de heffingsplichtige, met uitzondering van schepen en vaartuigen, en een wettelijke hypotheek op al zijn voor hypotheek vatbare en in België gelegen goederen, met inbegrip van de in België teboekgestelde schepen en vaartuigen.
De rang van de wettelijke hypotheek wordt bepaald door de dagtekening van de inschrijving die genomen wordt krachtens het uitgevaardigde en uitvoerbaar verklaarde dwangbevel, waarvan overeenkomstig § 8 aan de heffingsplichtige kennisgeving is gedaan.
Het voorrecht neemt rang in onmiddellijk na de voorrechten die vermeld zijn in de artikelen 19 en 20 van de wet van 16 december 1851 en artikel 23 van boek II van het Wetboek van Koophandel.
De hypotheek wordt ingeschreven op verzoek van een daartoe door de Vlaamse regering gemachtigde ambtenaar. De inschrijving heeft plaats, niettegenstaande verzet, betwisting of beroep, op voorlegging van een afschrift van het dwangbevel dat eensluidend werd verklaard door die ambtenaar en dat melding maakt van de kennisgeving ervan.

 

§ 10.

Artikel 447, tweede lid, van boek III van het Wetboek van Koophandel met betrekking tot het faillissement, de bankbreuk en het uitstel van betaling, is niet van toepassing op de wettelijke hypotheek inzake de verschuldigde heffing waarvoor een dwangbevel werd uitgevaardigd waarvan kennisgeving of betekening aan de heffingsschuldige is gedaan voor het vonnis van faillietverklaring.

 

§ 11.

Onder voorbehoud van wat bepaald is in § 7 en § 8 geschiedt de tenuitvoerlegging van het dwangbevel met inachtneming van de bepalingen van het vijfde deel, titel III van het Gerechtelijk Wetboek inzake gedwongen tenuitvoerlegging.


Art. 15bis.

De Vlaamse regering stelt de nadere regels vast ter vervanging van een gedeelte van de grindheffing door een waarborgsysteem, waarbij aan volgende voorwaarden dient voldaan te worden :

het waarborgsysteem wordt opgelegd voor alle grindwinningsactiviteiten in de grindwinningsgebieden en heeft enkel betrekking op het afwerken na ontgrinding;
het grindcomité en de subcomités stellen een gedetailleerde begroting op betreffende hun totale verwachte uitgaven; 
de grindheffingen die voorafgaand aan de invoering van het waarborgsysteem werden geïnd, dienen gedeeltelijk bestemd te worden als waarborg voor het afwerken na ontgrinding;
het waarborgsysteem dient éénvormig te zijn voor alle houders van een krachtens artikel 16 toegewezen productiequotum en dient het solidariteitsprincipe te beklemtonen;
het waarborgsysteem dient voldoende zekerheid te bieden om het afwerken na ontgrinding door de houders van een krachtens artikel 16 toegewezen productiequotum effectief te waarborgen;
de waarborg kan enkel worden vrijgegeven in de mate dat het afwerken is gebeurd conform het nabestemmingsplan of, in voorkomend geval, de nabestemmingsplannen;
het grindcomité legt aan de Vlaamse regering, op basis van de in 2° opgestelde begrotingen, voorafgaandelijk een voorstel voor aangaande de hoogte van de grindheffing, aangaande het waarborgsysteem en aangaande de gedeeltelijke bestemming van de grindheffingen zoals bepaald in 3°.

 

De Vlaamse regering wint voorafgaandelijk aan de uitvoering van dit artikel het advies in van de MINA-Raad en de SERV.

 

De Vlaamse regering kan de uitvoeringsmodaliteiten aangaande het waarborgsysteem toevertrouwen aan het herstructureringscomité.


Art. 16.

§ 1.

Om de 2 jaar bepaalt de Vlaamse regering het totaal produktiequotum voor grindwinning teneinde een planmatige en geleidelijke afbouw van de grindwinningssector te verwezenlijken.

 

De Vlaamse regering verdeelt het tweejaarlijks productiequotum voor de periode vanaf 1996 onder de houders van de nodige vergunningen voor de exploitatie van een grindwinning, volgens een gefixeerde verdeelsleutel die gebaseerd dient te worden op de verdeelsleutels die werden toegekend voor de periode 1994-1995, rekening houdende met de situatie van diegenen die op dat moment geen quotum bezaten.

 

In afwijking kan er een beperkt deel van het tweejaarlijks produktiequotum worden toegewezen aan bedrijven die op 1 januari 1991 eigenaar waren of een ontginningsrecht hadden op gronden die toen gelegen waren in een ontginningsgebied dat voor grindwinning in aanmerking kwam. Een dergelijke afwijking kan slechts onder de volgende voorwaarden worden toegestaan :

- dat er binnen de zes maanden na de eerste bekendmaking van de produktiequota in het Belgisch Staatsblad een aanvraag tot het verkrijgen van een deel van de tweejaarlijkse produktiequota bij de Vlaamse minister bevoegd voor de natuurlijke rijkdomen wordt ingediend :
- dat de beoordeling zal gebeuren op grond van de ervaring in de grindwinning en de financiële en technische capaciteiten van het bedrijf;
- dat het toegewezen deel van het produktiequotum de aanwezige grindhoeveelheden binnen bovenvoormelde gronden niet overstijgt;
- dat het eigendoms- en/ of ontginningsrecht officieel geregistreerd is of zijn;
- dat het bedrijf bij de goedkeuring van het decreet over geen vergunde grindwinning met recht op een produktiequotum beschikt.

 

Ingeval een houder meer dan één vergunning voor de exploitatie van grind bezit, wordt het quotum per afzonderlijk grindwinningsgebied berekend en toegekend.


Het bij het einde van de tweejaarlijkse periode niet gebruikte gedeelte van een produktiequotum kan enkel in het geval van overmacht worden overgedragen op de volgende tweejaarlijkse periode. Dergelijke niet gebruikte gedeelten, die betrekking hebben op de periodes vanaf 1996-1997, worden overgedragen naar de resterende tweejaarlijkse periodes.

 

de houder van een vergunning voor de exploitatie van grind in een grindwinningsgebied kan het niet-gebruikte deel van een productiequotum bij het einde van de tweejaarlijkse periode enkel in geval van overmacht overdragen op de volgende jaren. Hij wordt daartoe gehoord door het Grindcomité, dat vervolgens beslist over de nog toegelaten productieperiode na 2005.

 

De beslissing wordt ter kennis gebracht van de betrokken houder van de nodige vergunningen voor de exploitatie van grind en van het grindcomité.

 

Het grindcomité beslist, na de betrokken houder van de nodige vergunningen voor de exploitatie van grind te hebben gehoord, over de verdeling van het wegens overmacht niet gebruikte gedeelte van de quota over de resterende tweejaarlijkse periodes en brengt deze beslissing ter kennis van de betrokken houder en van de Vlaamse regering. 


De Vlaamse regering zal bij het vaststellen van de produktiequota een onderscheid maken tussen vallei- en berggrind.

 

§ 2.

De in § 1 bedoelde produktiequota worden bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad vóór 1 december voorafgaand aan de tweejaarlijkse periode waarop zij betrekking hebben. De produktiequota voor de eerste tweejaarlijkse periode worden bekendgemaakt uiterlijk één maand na de bekendmaking van dit decreet.

 

De productiequota, bekendgemaakt overeenkomstig het vorige lid, worden automatisch vermeerderd met de quota, toegewezen overeenkomstig § 1, voorlaatste lid.  

 

§ 3.

De GOM verwerft, op bindend advies van het grindcomité, ofwel de eigendom bij aankoop of onteigening, ofwel het ontginningsrecht via een overeenkomst met de eigenaar, van de aangeduide grindwinningsgebieden die zich in de provincie Limburg bevinden.

 

§ 4.

De Vlaamse regering kan bij overschrijding van het toegewezen produktiequotum of bij het niet nakomen van de verplichtingen in het kader van het waarborgsysteem de vergunnirig voor de exploitatie van grind schorsen voor de periode die zij vaststelt en, ingeval het produktiequotum met meer dan 20 procent wordt overschreden, de vergunnning voor de exploitatie van grind definitief intrekken of het produktiequotum voor de volgende tweejaarlijkse periode halveren. In ieder geval wordt de gedurende twee kalenderjaren teveel gewonnen hoeveelheid grind in mindering gebracht van het produktiequotum voor de volgende tweejaarlijkse periode.


Art. 17.

§ 1.

De Vlaamse regering neemt het initiatief tot wijziging van de betrokken gewestplannen. Zij laat een ecologische impactstudie, inclusief eco-hydrologische aspecten, maken ter bepaling van de ecologisch waardevolle zones. Daarnaast wordt een studie gemaakt ter bepaling van de grindreserves waarvan de exploitatie economische en milieutechnisch kan worden verantwoord. De kosten van de studie vallen ten laste van het grindfonds.

 

§ 2.

De reservegebieden, de effectieve grindwinningsgebieden en de uitbreidingsgebieden worden door de overeenkomstig § 1 gewijzigde gewestplannen aangeduid evenals hun nabestemming rekening houdend met de structuurvisie bedoeld in artikel 10.


De effectieve grindwinningsgebieden zijn de gebieden waar op de datum van het vaststellen van het betrokken ontwerp van gewestplan vergunde grindwinning plaatsvindt of mag plaatsvinden.


Vergunningen voor de winning Van grind worden aangevraagd volgens de bestaande wetten, decreten en besluiten.

 

Een vergunning voor de exploitatie van grind met betrekking tot een uitbreidingsgebied kan slechts worden verleend indien het effectieve grindwinningsgebied, waarvan het de uitbreiding vormt, is uitgeput.

 

In de vergunningen voor exploitatie van grind en de stedebouwkundige vergunningen wordt de precieze nabestemming van de ontginningsgebieden opgenomen, zoals vastgesteld in het kader van de structuurvisie, vermeld in artikel 10, en in het gewestplan. 

 

§ 3.

De POM verwerft bij aankoop of onteigening, op bindend advies van het grindcomité, de eigendom van de in de gewijzigde gewestplannen aangeduide reservegebieden die zich in de provincie Limburg bevinden, alsmede de voor de herinrichting benodigde randzones.


Art. 18.

Vergunningen voor de exploitatie van grind voor nieuwe grindwinningsgebieden kunnen slechts worden verleend nadat:

1°  het betrokken gewestplan is gewijzigd overeenkomstig artikel 17;
het betrokken gebied op het gewijzigd gewestplan is aangeduid hetzij als effectief grindwinningsgebied hetzij als uitbreidingsgebied;
wat de provincie Limburg betreft, de POM de eigendom of het ontginningsrecht heeft verworven van het betrokken gebied en met de exploitant een concessie-overeenkomst heeft gesloten.

 

[...]

 

De in het eerste lid, 3°, bedoelde concessie-overeenkomst neemt van rechtswege een einde bij het verstrijken of het intrekken van de vergunning voor de exploitatie van grind.


Art. 19. Het tijdstip waarop de voorschriften inzake effectieve ontginningsgebieden en uitbreiding van ontginningsgebieden van kracht worden in de reservegebieden wordt bepaald bij besluit van de Vlaamse regering. De Vlaamse regering wint ter zake voorafgaand het advies in van het grindcomité.

Art. 20.

§ 1.

Aan de houders van een in toepassing van artikel 16 toegewezen produktiequotum wordt een trekkingsrecht verleend op de gebieden die overeenkomstig artikel 19 worden ondergebracht bij de effectieve grindwinningsgebieden of uitbreidingsgebieden, rekening houdend met hun toegewezen produktiequotum. Het trekkingsrecht van elke houder wordt door de Vlaamse regering bekendgemaakt. Het is overdraagbaar.

 

Op straffe van nietigheid wordt deze overdracht gemeld aan het grindcomité binnen 5 werkdagen na de overdracht.

 

Indien een houder meer dan één vergunning voor de exploitatie van grind bezit, wordt het trekkingsrecht per afzonderlijk grindwinningsgebied berekend en toegekend.

 

§ 2.

De Vlaamse regering regelt de uitoefening van de trekkingsrechten en de toewijzing van nieuwe grindwinningsgebieden binnen de reservezones aan de houders van vergunningen voor de exploitatie van grind die hun trekkingsrecht hebben uitgeoefend.

 

§ 3.

De uitoefening van een trekkingsrecht ontslaat de houder ervan niet van de verplichting de nodige vergunningen voor de exploitatie van grind te verkrijgen voor de betrokken gebieden binnen de reservegebieden.