Art. 15.

§ 1.

De houders van de nodige vergunningen voor de exploitatie van grind in een grindwinning, met inbegrip van de hoeveelheden grind in het kader van zuinig ruimtegebruik en de uitvoering van het principe van optimale ontginning, zoals bepaald in artikel 14, § 1, zijn, vanaf een door de Vlaamse Regering te bepalen datum, onderworpen aan een grindheffing. De grindheffing is verschuldigd voor de grindwinning die plaatsvindt voor 1 januari 2018.

 

§ 2.

De grindheffing wordt berekend op het gewonnen tonnage grind inclusief geproduceerd breekzand dat tijdens een periode van 6 maanden werd afgevoerd. De heffingsplichtigen doen in de loop van de maanden januari en juli, bij de met de inning belaste diensten aangifte van de gegevens nodig voor het berekenen van de heffing die verschuldigd is over de voorgaande periode van zes maanden.

 

§ 3.

De Vlaamse regering regelt nader de aangifte en de aangiftetermijnen voor de grindheffing, alsmede de betaling en betalingstermijnen.

 

§ 3bis.

Er kan overgegaan worden tot een heffing van ambtswege in de gevallen waarin de heffingsplichtige nagelaten heeft :

ofwel een aangifte in te dienen binnen de door de Vlaamse regering bepaalde termijn; 
ofwel de vormgebreken waarmee de aangifte is aangetast, te verhelpen binnen de termijn die de Vlaamse regering hem hiervoor toekent;
ofwel de gevraagde inlichtingen te verstrekken of de bescheiden voor te leggen binnen de vastgestelde termijn; 
4°  ofwel zich te schikken naar de wettelijk voorgeschreven verplichtingen inzake het houden, het uitreiken, het bewaren of het ter inzage voorleggen van boeken, stukken of registers.

 

Er kan tevens tot een heffing van ambtswege worden overgegaan :

wanneer de berekeningselementen van de heffing niet of onjuist werden ingeschreven in de aangifte;
in de gevallen zoals vermeld in artikel 24, 3°. De heffing wordt in deze gevallen opgelegd voor het gedeelte dat onwettig werd geëxploiteerd.

 

Er wordt in elk geval een heffing van ambtswege opgelegd aan de houders van de nodige vergunningen voor de exploitatie van grind in een grindwinning, waarvoor proces-verbaal werd opgemaakt ingevolge ontduiking van artikel 15. De heffing op de ontdoken hoeveelheid grind is verschuldigd vanaf de kennisgeving van een afschrift van het proces-verbaal aan de overtreder.

 

De heffing van ambtswege wordt opgelegd door de krachtens artikel 23 bis, § 3, aangewezen ambtenaar en dit tot beloop van de heffing die vermoedelijk is verschuldigd. Zij wordt vastgesteld op basis van gegevens die kunnen bewezen worden door geschrift, getuigen en vermoedens. In voorkomend geval wordt zij vastgesteld op basis van de gegevens van het proces-verbaal.

 

De Vlaamse regering regelt terzake de modaliteiten, de mogelijkheid voor de heffingsplichtige om zijn bezwaar tegen de heffing naar voren te brengen, de betaling en de betalingstermijnen. In elk geval ligt de bewijslast van het juiste bedrag van de verschuldigde heffing bij de heffingsplichtige.

 

§ 4.

De grindheffing wordt vastgesteld op een bedrag gelijk aan het produkt van de in § 5 bedoelde heffingscoëfficiënt en 0,42 euro per ton gewonnen valleigrind, inclusief breekzand, en 0,29 euro per ton gewonnen berggrind, inclusief breekzand.


Een interest van 1 procent per maand is van rechtswege verschuldigd wanneer de heffing niet is betaald binnen de overeenkomstig § 3 vast te stellen termijn. De interest wordt om de maand berekend over het totaal van de verschuldigde heffing, afgerond op het duizendtal naar beneden.

 

§ 5.

De heffingscoëfficiënt bedraagt minimaal en wordt vanaf 1996 elk jaar aangepast aan de evolutie van het indexcijfer der consumptieprijzen.


De heffingscoëfficiënt voor het begrotingsjaar 1995 bedraagt 1,1141.


De heffingscoëfficiënt wordt jaarlijks aangepaSt in het kader van de afbouw van de grindwinning.


De voor een begrotingsjaar toepasselijke heffingscoëfficiënt wordt bij besluit van de Vlaamse regering bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad vóór 1 januari van het betrokken begrotingsjaar.

 

§ 6.

De vordering tot betaling van de heffing en van de interesten verjaart door verloop van 5 jaar, te rekenen van de dag waarop zij is ontstaan. De verjaring wordt gestuit op de wijze en onder de voorwaarden bepaald bij artikelen 2244 en volgende van het Burgerlijk Wetboek.

 

§ 7.

Betwistingen inzake de betaling en betalingstermijnen van heffingen, verhogingen en/of administratieve geldboeten die voor het inleiden van een rechtsgeding ontstaan, worden geregeld door de Vlaamse regering. De Vlaamse regering werkt hiervoor nadere regels uit.

 

§ 8.

Bij gebreke van betaling van de heffing en van de interesten, wordt door de met de invordering belaste ambtenaar een dwangbevel uitgevaardigd. Dit dwangbevel wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de daartoe door de Vlaamse regering aangewezen ambtenaar.
De kennisgeving van het dwangbevel gebeurt per ter post aangetekende brief. De afgifte van het stuk ter post geldt als kennisgeving vanaf de daarop volgende dag.
De in het tweede lid bedoelde kennisgeving :

 

1°  stuit de verjaring van de vordering tot voldoening van de heffingen en van de interesten; 
maakt het mogelijk inschrijving te nemen van de wettelijke hypotheek;
stelt de heffingsplichtige in staat verzet aan te tekenen tegen de tenuitvoerlegging van het dwangbevel;
doet de moratoire interesten lopen tegen de rentevoet burgerlijke zaken en met inachtneming van de ter zake geldende regelen.

 

§ 9.

Tot zekerheid van de voldoening van de heffing, de interesten en de kosten, heeft het Vlaamse Gewest een algemeen voorrecht op alle roerende goederen van de heffingsplichtige, met uitzondering van schepen en vaartuigen, en een wettelijke hypotheek op al zijn voor hypotheek vatbare en in België gelegen goederen, met inbegrip van de in België teboekgestelde schepen en vaartuigen.
De rang van de wettelijke hypotheek wordt bepaald door de dagtekening van de inschrijving die genomen wordt krachtens het uitgevaardigde en uitvoerbaar verklaarde dwangbevel, waarvan overeenkomstig § 8 aan de heffingsplichtige kennisgeving is gedaan.
Het voorrecht neemt rang in onmiddellijk na de voorrechten die vermeld zijn in de artikelen 19 en 20 van de wet van 16 december 1851 en artikel 23 van boek II van het Wetboek van Koophandel.
De hypotheek wordt ingeschreven op verzoek van een daartoe door de Vlaamse regering gemachtigde ambtenaar. De inschrijving heeft plaats, niettegenstaande verzet, betwisting of beroep, op voorlegging van een afschrift van het dwangbevel dat eensluidend werd verklaard door die ambtenaar en dat melding maakt van de kennisgeving ervan.

 

§ 10.

Artikel 447, tweede lid, van boek III van het Wetboek van Koophandel met betrekking tot het faillissement, de bankbreuk en het uitstel van betaling, is niet van toepassing op de wettelijke hypotheek inzake de verschuldigde heffing waarvoor een dwangbevel werd uitgevaardigd waarvan kennisgeving of betekening aan de heffingsschuldige is gedaan voor het vonnis van faillietverklaring.

 

§ 11.

Onder voorbehoud van wat bepaald is in § 7 en § 8 geschiedt de tenuitvoerlegging van het dwangbevel met inachtneming van de bepalingen van het vijfde deel, titel III van het Gerechtelijk Wetboek inzake gedwongen tenuitvoerlegging.