M.B. geluidzorgsysteem in digitale bioscopen
Ministerieel besluit van 24 januari 2014 tot vaststelling van de vereisten waaraan een geluidzorgsysteem in digitale bioscopen moet voldoen

Gelet op de wet van 18 juli 1973 betreffende de bestrijding van de geluidshinder, artikel 1, eerste lid, gewijzigd bij de wet van 21 december 1998;
Gelet op het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, artikel 20, eerste lid, vervangen bij het decreet van 25 mei 2012;
Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, artikel 5.32.5bis.1, ingevoegd bij besluit van de Vlaamse Regering van 17 januari 2014;
Gelet op advies 54.577/1 van de Raad van State, gegeven op 18 december 2013, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
Gelet op de mededeling van het ministerieel besluit aan de Vlaamse Regering op 17 januari 2014, zoals voorgeschreven door artikel 5.32.5bis.1 van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne,
(...)

Hoofdstuk 1.
Toepassingsgebied


Artikel 1.
Dit besluit is van toepassing op digitale bioscopen, vermeld in artikel 1.1.2. van titel II van het VLAREM.

Hoofdstuk 2.
Definities


Art. 2.

§ 1

De definities, vermeld in artikel 1.1.2. van titel II van het VLAREM, zijn ook van toepassing op dit besluit.

§ 2

In dit besluit wordt verstaan onder:
gespecialiseerde technicus: technicus met grondige kennis en de nodige ervaring met de toepassing van de toepasselijke standaarden en methodes voor de kalibratie van het (meerkanaals) geluidssysteem van een digitale bioscoop;
operator: diegene die de digitale cinema apparatuur bedient, controleert en in beperkte mate ook onderhoudt;
roze ruis: signaal waarbij de bijdragen van alle frequenties zodanig zijn verdeeld dat de energie van alle octaaf-of tertsbanden identiek is;
C-gewogen maximaal geluidsdrukniveau gemeten met de trage tijdsweging LCslow,max: het maximaal C-gewogen niveau van de geluidsdruk, gemeten met de trage (1 sec) tijdswegingskarakteristiek S;
C-gewogen equivalent continu geluidsdrukniveau LCeq,T: het constante C-gewogen geluidsdrukniveau dat gedurende het tijdsinterval T dezelfde geluidsenergie zou veroorzaken als het werkelijk gemeten C-gewogen geluidsdrukniveau gedurende hetzelfde tijdsinterval T;
C-weging: frequentieweging volgens de C-curve als gedefinieerd in IEC 61672; deze en verder in dit besluit vermelde IEC en ISO normen kunnen verkregen worden bij het NBN, het Bureau voor Normalisatie;
DCP: Digital Cinema Package: aanduiding voor het geheel van digitale bestanden (beeld, klank, meta-data) waaruit een film voor digitale cinema bestaat. Deze digitale bestanden worden door de lokale cinema server gelezen en verstuurd naar de digitale projector en de digitale cinema audio processor;
afdeling, bevoegd voor geluidshinder: de afdeling Lucht, Hinder, Risicobeheer, Milieu & Gezondheid van het Departement LNE, zoals thans bepaald met toepassing van artikel 10 van het besluit van de Vlaamse Regering van 10 oktober 2003 tot regeling van de delegatie van beslissingsbevoegdheden aan de hoofden van de departementen van de Vlaamse ministeries;
audio processor: apparaat dat instaat voor de ontvangst van de digitale geluidsdatastroom afkomstig van de lokale cinema server en het versturen van de signalen, na de nodige regelingen (volume en frequentie) per geluidskanaal, naar de geluidsversterkers per kanaal;
10°
rotating pink noise: proces waarbij een testsignaal beurtelings aan de verschillende kanalen van een meerkanaals geluidssysteem wordt aangeboden. Het testsignaal is een intermitterende roze ruis. Ze wordt “roterend” genoemd, omdat vanuit het standpunt van de toehoorder het geluid in uurwijzerszin “ronddraait”. Ze dient om de geluidsdrukniveaus, per kanaal, in de zaal te kalibreren;
11°
geluidsniveaumeter: meetinstrument om het geluidsniveau te meten dat voldoet aan specificaties IEC 61672-1 voor klasse 2 geluidsniveaumeters en een meetnauwkeurigheid van ħ1.5 dB heeft;
12°
main fader: hoofdvolumeknop van de digitale cinema audio processor. Deze volumeknop regelt de toe- of afname van het afspeelvolume van alle geluidskanalen met eenzelfde factor. De instelling van de main fader volumeknop wordt aangeduid met een (numerieke) positie. Deze positie wordt digitaal weergegeven en kan variëren van 0 tot en met 10 [-]. De corresponderende versterkings- of afzwakkingsfactor wordt aangeduid als gain en uitgedrukt in [dB]. De referentiepositie “7” komt overeen met een gain van 0 [dB], een hogere positie is een versterking, een lagere positie een verzwakking;
13°
gain: aanduiding van de versterkingsfactor (gain > 0 dB) of de verzwakkingsfactor (gain < 0 dB), toegepast in een welbepaald punt in een keten op een signaal. Per type van digitale cinema audio processor bestaat er een specifiek verloop van de gain in functie van de positie van de volumeknop (main fader). De eenheid voor gain is [dB];
14°
dBFS: Loudness Units ref. Full Scale: uitdrukking voor de luidheid van het bronmateriaal. Het referentieniveau [0 dB] staat voor de maximale amplitude van het digitale signaal. Alle andere waarden van het signaal zijn kleiner en hebben een negatieve waarde dBFS;
15°
M-gewogen equivalent digitaal signaal Leq(M): de equivalente luidheid van een meerkanaals digitaal signaal, bepaald door de energetische sommering van de signalen van de verschillende kanalen, na toepassing van de M-frequentieweging, volgens de in ISO 21727:2004 beschreven methode;
16°
M-weging: frequentieweging volgens de M-curve als gedefinieerd in ISO 21727:2004;
17°
A-gewogen maximaal geluidsdrukniveau gemeten met de trage tijdsweging LAslow,max: het maximaal A-gewogen niveau van de geluidsdruk, gemeten met de trage (1 sec) tijdswegingskarakteristiek S;
18°
A-weging: frequentieweging volgens de A-curve als gedefinieerd in IEC 61672;
19°
referentiemeetpunt: zitplaats in een bioscoopzaal die zich bevindt op 2/3 van de afstand van het scherm tot de achterste zetelrij, en op 1/3 breedte van een zetelrij;
20°
pre-gain: constante aanpassing van de gain, afzonderlijk per kanaal. Deze instelling gebeurt éénmalig tijdens de kalibratie van de verschillende kanalen. De pre-gain wordt uitgedrukt in [dB];

Hoofdstuk 3.
Vereisten van een geluidzorgsysteem in digitale bioscopen


Afdeling 1.
Zaalkalibratie en geluidsonderhoud


Art. 3.

§ 1

Een zaalkalibratie wordt in bestaande zalen eenmaal per jaar uitgevoerd.

§ 2

In een nieuwe bioscoopzaal wordt een zaalkalibratie uitgevoerd voor de opstart van de activiteiten.

§ 3

Telkenmale er een belangrijke aanpassing of vervanging van de geluidsapparatuur gebeurt, wordt de zaal opnieuw gekalibreerd alvorens vertoningen voor publiek plaatshebben.

§ 4

Een zaalkalibratie wordt uitgevoerd door een gespecialiseerde technicus.

Art. 4.
De zaalkalibratie bestaat erin een roze ruissignaal bij main fader stand 7 door de verschillende geluidskanalen te sturen, en het geluidsdrukniveau in de zaal af te regelen conform de in de bioscoopsector toepasselijke standaarden en richtlijnen (o.a. ISO 22234, ISO 2969), zoals in onderstaande tabel weergegeven voor een zeskanaals kalibratie:
Kanaal
LCeq,30sec of LCslow,max [dB(C) (ref. 20 µPa)]
Links
85
Centrum
85
Rechts
85
Links surround
82
Rechts surround
82
LFE (subwoofer), in zalen met minder dan 200 zitplaatsen
85
LFE (subwoofer), in zalen met tussen 200 en 400 zitplaatsen
86 à 87
LFE (subwoofer), in zalen met meer dan 400 zitplaatsen
88

Art. 5.
Het voor de zaalkalibratie te gebruiken roze ruissignaal is een standaard standalone roze ruis referentiesignaal met welbepaalde luidheid, dat in DCP formaat ter beschikking wordt gesteld door de afdeling, bevoegd voor de geluidshinder. Als alternatief kan gebruik gemaakt worden van de in de audio processor ingebouwde rotating pink noise, tenzij hierbij significante afwijkingen ten aanzien van het roze ruis referentiesignaal worden vastgesteld. Hiertoe wordt een controlemeting uitgevoerd met de standaard standalone roze ruis.

Art. 6.

§ 1

Het roze ruissignaal wordt door elk geluidskanaal afzonderlijk gestuurd.

§ 2

Per kanaal worden de nodige toonregelingen volgens de regels der kunst toegepast opdat geen abnormale klankverhoudingen optreden.

§ 3

Nadat de toonregelingen zijn toegepast, wordt het C-gewogen geluidsdrukniveau (LCeq,30sec of LCslow,max) op tenminste 4 over de zaal verspreide plaatsen opgemeten.

Art. 7.
Voor de metingen wordt gebruik gemaakt van een geluidsniveaumeter zoals gedefinieerd in artikel 2.

Art. 8.
Per geluidskanaal resulteren de handelingen zoals beschreven in artikels 4 tot 6 in 4 meetwaarden, die energetisch worden gemiddeld. Het energetisch gemiddelde wordt vergeleken met de waarde uit de tabel in artikel 4.

Art. 9.
Bij een onder- of overschrijding van de waarde uit de tabel in artikel 4 met meer dan 2 decibels, worden corrigerende maatregelen genomen.

Art. 10.

§ 1

Tezamen met de zaalkalibratie wordt een geluidsonderhoud uitgevoerd. Dit bestaat uit een check-up uit van de relevante parameters en instellingen.

§ 2

Het geluidsonderhoud wordt uitgevoerd door de operator of de gespecialiseerde technicus.

Art. 11.
De in artikel 10 vermelde check-up bestaat minimaal uit:
een auditieve controle van de klankkwaliteit en de balans tussen de kanalen;
ter controle van de geluidsverdeling in de zaal: metingen van het geluidsdrukniveau met een geluidsniveaumeter aan de periferie van de zaal tijdens het afspelen van roze ruissignaal. Indien anomalieën in de verwachte geluidsdrukniveaus worden vastgesteld, worden corrigerende maatregelen genomen.

Afdeling 2.
Aangepaste volumeregeling


Art. 12.
De main fader gain per type programmaonderdeel wordt begrensd overeenkomstig onderstaande tabel. In deze tabel zijn de opgegeven waarden maximale instelniveaus, waarbij de hoogste waarde geldt voor zalen met meer dan 400 zitplaatsen en de kleinste waarde voor zalen met minder dan 200 zitplaatsen. De exploitant kan er ook voor kiezen om de programmaonderdelen minder luid af te spelen dan volgens de hieronder aangegeven afspeelniveaus.
Type programmaonderdeel
main fader gain [dB]
zalen met minder dan 200 zitplaatsen
zalen met tussen 200 en 400 zitplaatsen
zalen met meer dan 400 zitplaatsen
Voorprogramma (trailers en reclame)
-18
-16
-14
Hoofdfilm: kinderfilm
-12
-11
-10
Hoofdfilm: andere dan kinderfilm
-12
-10
-8

Art. 13.

§ 1

De in de tabel, vermeld in artikel 12, weergegeven maximale afspeelniveaus gelden voor:
een voorprogramma waarvan de luidheid van het bronmateriaal maximaal 85 dB Leq(M) of -23 dBFS met M-weging bedraagt;
een kinderfilm waarvan de luidheid maximaal -29 dBFS met M-weging bedraagt;
een andere dan kinderfilm waarvan de luidheid maximaal -21 dBFS met M-weging bedraagt.

§ 2

Als men te maken heeft met bronmateriaal waarvan de luidheid sterk afwijkt van deze waarden, moet de main fader gain hieraan aangepast worden.

Afdeling 3.
Indicatief maximaal geluidsdrukniveau


Art. 14.
De indicatieve maximale geluidsdrukniveaus per type programmaonderdeel, uitgedrukt als LAslow,max waarden, zijn weergegeven in onderstaande tabel.
Type programmaonderdeel
Indicatief maximaalgeluidsdrukniveau LAslow,max [dB(A) (ref. 20 µPa)]
Voorprogramma (trailers en reclame)
87
Hoofdfilm: kinderfilm
87
Hoofdfilm: andere dan kinderfilm
95

Art. 15.
De geluidsdrukniveaus per type programmaonderdeel worden steekproefsgewijs minstens eenmaal per trimester per inrichting gemeten met een geluidsniveaumeter ter hoogte van het referentiemeetpunt, 15 cm boven de rug van de zetel. De LAslow,max waarde over de ganse film wordt geregistreerd en vergeleken met de corresponderende waarde zoals vermeld in artikel 14. Bij overschrijding neemt de exploitant corrigerende maatregelen.

Afdeling 4.
Registratieverplichtingen


Art. 16.
De exploitant van een digitale bioscoop houdt het volgende bij:
de verslagen van de zaalkalibraties en het geluidsonderhoud, waarin minimaal zijn opgenomen:
a)
datum van de zaalkalibratie en het geluidsonderhoud;
b)
gemeten waarden;
c)
vaststellingen en eventueel uitgevoerde corrigerende maatregelen;
d)
instellingen van de eindversterkers (kan als alternatief ook via een merkteken aangeduid worden);
e)
instellingen van de pre-gain per kanaal;
f)
standen van de toonregelaar(s);
resultaten kalibratie van de geluidsniveaumeter;
tabel waarin het verloop van de gain in functie van de main fader stand is genoteerd voor elk type in gebruik zijnde digitale audio processor, en bijgaande grafische weergave;
resultaten van LAslow,max metingen zoals bedoeld in artikel 15.

Art. 17.
De exploitant houdt de gegevens, vermeld in artikel 16, ter beschikking van de toezichthouders. Hij bewaart ze gedurende minimaal 5 jaar.

Afdeling 5.
Bewustmaking van bioscoopbezoekers


Art. 18.
De exploitant brengt de bioscoopbezoekers via de meest geschikte communicatiekanalen in kennis van:
de maatregelen die hij neemt met betrekking tot de geluidzorg in de bioscoop;
de typische geluidsverdeling in bioscoopzalen, waarbij vooraan in de bioscoopzaal hogere geluidsniveaus verwacht kunnen worden dan achteraan;

Art. 19.
Ingeval een film door de verdeler als relatief luid is aangeduid, wordt dit in het programmaoverzicht duidelijk gemaakt. Dit kan bijvoorbeeld door het voorzien van een herkenbaar pictogram.

Afdeling 6.
Bijkomende maatregelen


Art. 20.
Als de technologie hiervoor aanwezig is voorziet de exploitant in een automatische sturing van de main fader standen.

Art. 21.
De operator voert regelmatig auditorium checks uit tijdens de voorstellingen, waarbij hij zich vergewist van de klankkwaliteit en het geluidsvolume.