Besluit dierlijke bijproducten en afgeleide producten
Besluit van de Vlaamse Regering van 21 juni 2013 betreffende dierlijke bijproducten en afgeleide producten

Gelet op verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1774/2002, het laatst gewijzigd bij richtlijn 2010/63/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2010;
Gelet op verordening (EU) nr. 142/2011 van de Commissie van 25 februari 2011 tot uitvoering van de Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot uitvoering van Richtlijn 97/78/EG van de Raad wat betreft bepaalde monsters en producten die vrijgesteld zijn van veterinaire controles aan de grens krachtens die richtlijn, het laatst gewijzigd bij verordening (EU) nr. 749/2011 van de Commissie van 29 juli 2011;
Gelet op het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, artikel 10.3.4, § 6;
Gelet op het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen, artikel 13, § 2, 19, § 1 en § 3, en 33;
Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 15 december 2006 betreffende de ophaling en de verwerking van dierlijk afval;
Gelet op het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen;
Gelet op het ministerieel besluit van 20 maart 2007 houdende nadere bepalingen inzake de verzameling en de ophaling van overleden gezelschapsdieren bij dierenartspraktijken en dierenklinieken;
Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 12 november 2012;
Gelet op het met redenen omklede advies van 6 februari 2013, uitgebracht door het Overlegcomité, vermeld in artikel 6, § 3bis, 5°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980;
Gelet op advies 53.057/3 van de Raad van State, gegeven op 17 april 2013, met toepassing van artikel 84, § 1, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
(...)

Hoofdstuk 1.
Definities en toepassingsgebied


Artikel 1.

§ 1

De begrippen en definities, vermeld in verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot intrekking van verordening (EG) nr. 1774/2002, zijn van toepassing op dit besluit.
De begrippen en definities, vermeld in verordening (EU) nr. 142/2011 van de Commissie van 25 februari 2011 tot uitvoering van verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot uitvoering van richtlijn 97/78/EG van de Raad wat betreft bepaalde monsters en producten die vrijgesteld zijn van veterinaire controles aan de grens krachtens die richtlijn, zijn van toepassing op dit besluit.

§ 2

In dit besluit gelden ook de volgende definities:
beheren: het inzamelen, vervoeren, hanteren, opslaan, verwerken, verbranden of meeverbranden, omzetten in biogas of compost van dierlijke bijproducten of afgeleide producten, met inbegrip van het houden van toezicht op die activiteiten en met inbegrip van activiteiten van inzamelaars, handelaars of makelaars;
1°/1
[beveiligde zending: een van de hiernavolgende betekeniswijzen:
a)
een aangetekend schrijven;
b)
een afgifte tegen ontvangstbewijs;
c)
elke andere door de Vlaamse Regering toegelaten betekeningswijze waarbij de datum van kennisgeving met zekerheid kan worden vastgesteld.
]
geregistreerde inzamelaar, handelaar of makelaar: inzamelaar, afvalstoffenhandelaar of -makelaar die geregistreerd is als vermeld in artikel 6.1.3.1, eerste en tweede lid, en artikel 6.1.3.2 tot en met artikel 6.1.3.5 van het VLAREMA;
geregistreerde vervoerder: een vervoerder die beschikt over een registratie zoals bepaald in afdeling 6.1.2 van het VLAREMA;
inzamelaar: de natuurlijke persoon of rechtspersoon die overgaat tot de inzameling van dierlijke bijproducten en afgeleide producten;
inzameling: het verzamelen van dierlijke bijproducten en afgeleide producten, inclusief de voorlopige sortering en voorlopige opslag van dierlijke bijproducten en afgeleide producten, om die daarna te vervoeren naar een vergunde of erkende eindbestemming voor dierlijke bijproducten of afgeleide producten;
handelaar: iedere onderneming die als verantwoordelijke optreedt bij het aankopen en vervolgens verkopen van dierlijke bijproducten en afgeleide producten, met inbegrip van handelaars die de afvalstoffen niet fysiek in hun bezit hebben;
makelaar: iedere onderneming die ten behoeve van anderen de verwijdering of de nuttige toepassing van dierlijke bijproducten en afgeleide producten organiseert, met inbegrip van makelaars die de dierlijke bijproducten en afgeleide producten niet fysiek in hun bezit hebben;
Materialendecreet: het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen;
minister: de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu en het waterbeleid;
10°
OVAM: de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij, vermeld in artikel 10.3.1, § 1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid;
11°
producent: elke natuurlijke persoon van wie of rechtspersoon waarvan activiteiten dierlijke bijproducten voortbrengen, namelijk de eerste producent;
12°
verordening (EG) nr. 1069/2009: verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1774/2002;
13°
verordening (EU) nr. 142/2011: verordening (EU) nr. 142/2011 van de Commissie van 25 februari 2011 tot uitvoering van de Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot uitvoering van Richtlijn 97/78/EG van de Raad van wat betreft bepaalde monsters en producten die vrijgesteld zijn van veterinaire controles aan de grens krachtens die richtlijn;
14°
vervoerder: de natuurlijke persoon of rechtspersoon die in opdracht van derden beroepsmatig dierlijke bijproducten en afgeleide producten vervoert. Beroepsmatig houdt in dat afvalstoffen worden vervoerd in het kader van een professionele activiteit, ongeacht of die professionele activiteit exclusief bestaat uit het vervoer en de inzameling van afvalstoffen of bestaat uit het, al dan niet occasioneel, inzamelen en vervoeren van afvalstoffen als onderdeel van een bredere professionele activiteit.
15°
VLAREMA: besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaamse reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen.

Art. 2.
Dit besluit is van toepassing op dierlijke bijproducten en afgeleide producten die voldoen aan de definitie van afvalstof, vermeld in artikel 3,1°, van het decreet van 23 december 2011, en die vallen onder het toepassingsgebied van verordening (EG) nr. 1069/2009.
Overeenkomstig artikel 36.3 van verordening (EU) nr. 142/2011 is dit besluit niet van toepassing op voormalige voedingsmiddelen, waaronder begrepen wordt producten van dierlijke oorsprong, of voedingsmiddelen die producten van dierlijke oorsprong bevatten, die niet langer voor menselijke consumptie bestemd zijn om commerciële redenen of wegens productieproblemen, verpakkingsgebreken, of andere problemen die geen risico inhouden voor de volksgezondheid of diergezondheid, als het volume van die dierlijke bijproducten niet meer dan 20 kilogram per week bedraagt voor de houder. Deze uitzondering is alleen geldig voor de termijn die wordt vastgelegd in artikel 36.3 van de voornoemde verordening.
[Dit besluit is niet van toepassing op de compostering van categorie 3-materiaal, meer bepaald keukenafval en etensresten, binnen huishoudens of verbonden aan een wooncomplex of wijk met een opslag- of composteerruimte van maximaal 25 m3, op voorwaarde dat de geproduceerde compost alleen wordt afgezet binnen die huishoudens en wooncomplexen of wijken. De compost mag niet worden verhandeld.]

Hoofdstuk 2.
Meldingsplicht


Art. 3.

§ 1

De producenten van dierlijke bijproducten melden de aanwezigheid ervan binnen vierentwintig uur na de productie aan een geregistreerde inzamelaar, handelaar of makelaar van dierlijke bijproducten.
Als de dierlijke bijproducten kadavers van landbouwhuisdieren zijn, geldt deze melding als de melding, vermeld in artikel 23 van Materialendecreet.

§ 2

De melding, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, is niet verplicht voor:
kadavers die minder dan 1 kilogram wegen;
dierlijke bijproducten bij particulieren, met uitzondering van kadavers van landbouwhuisdieren;
dierlijke bijproducten, waarvan de productie voorspelbaar is en de inzameling vooraf is geregeld in een overeenkomst tussen de producent en de geregistreerde inzamelaar, handelaar of makelaar. De minister kan nadere regels vastleggen voor de overeenkomst.
De vrijstelling van de meldingsplicht is niet van toepassing als er een vermoeden bestaat dat bij de betrokken producenten problemen kunnen ontstaan die een gevaar betekenen voor de volksgezondheid of de diergezondheid.
[In afwijking van het eerste lid, 1°, melden professionele veehouders de aanwezigheid van dergelijke kadavers minstens één keer per week aan een erkende ophaler]

§ 3

De melding binnen vierentwintig uur, vermeld in paragraaf 1, eerste lid, is niet verplicht als het gaat om dierlijke bijproducten, met uitzondering van kadavers van landbouwhuisdieren, op plaatsen waar dierlijke bijproducten veeleer occasioneel voorkomen. Dierenartsenpraktijken, dierenklinieken en erkende opvangcentra voor wilde dieren worden beschouwd als plaatsen waar dierlijke bijproducten veeleer occasioneel voorkomen.
De minister kan bijkomende plaatsen aanduiden waar dierlijke bijproducten veeleer occasioneel voorkomen.

§ 4

De producenten van de dierlijke bijproducten, vermeld in paragraaf 2 en 3, beheren de dierlijke bijproducten in overeenstemming met de wettelijke voorschriften die van toepassing zijn.

Hoofdstuk 3.
Financiering van de inzameling


Art. 4.
De producenten van kadavers van landbouwhuisdieren sluiten een overeenkomst met een geregistreerde inzamelaar, handelaar of makelaar over de financiering van de inzameling. Die overeenkomst kan de vorm aannemen van een abonnement.
Als een producent als vermeld in het eerste lid, geen abonnement neemt, wordt de inzameling verricht tegen een vergoeding per prestatie. De minister bepaalt het maximumtarief daarvoor.

Art. 5.

§ 1

De inzameling bij particulieren van kadavers van landbouwhuisdieren en hertachtigen, die zijn gestorven of gedood, met inbegrip van de doodgeboren en ongeboren dieren en de nageboorte, is gratis.
De inzameling van gestorven dieren die bij erkende opvangcentra voor wilde dieren en bij Dierengezondheidszorg Vlaanderen vzw opgevangen zijn, is gratis.

§ 2

Een geregistreerde inzamelaar, handelaar of makelaar ontvangt voor de kosten die hij maakt voor de inzameling van de dieren, vermeld in paragraaf 1, een tegemoetkoming die wordt uitbetaald door het Fonds voor Preventie en Sanering inzake Leefmilieu en Natuur, opgericht bij het decreet van 23 januari 1991 tot oprichting van het Fonds voor Preventie en Sanering inzake Leefmilieu en Natuur als Gewestdienst met Afzonderlijk Beheer. Die tegemoetkoming geldt alleen als de afvalstoffen afkomstig zijn uit het Vlaamse Gewest.
Voor de inzameling van kadavers van landbouwhuisdieren die zijn gestorven of gedood, met inbegrip van de doodgeboren en ongeboren dieren en de nageboorte, bij professionele veehouders, komt het fonds, vermeld in het eerste lid, tegemoet in de kosten die niet gedekt zijn door de tarieven van de abonnementen, vermeld in artikel 4, eerste lid. Die tegemoetkoming geldt alleen als de afvalstoffen afkomstig zijn uit het Vlaamse Gewest.
In het tweede lid wordt verstaan onder veehouder: de houder van een of meer landbouwhuisdieren.

Hoofdstuk 4.
Verwijdering en gebruik


Art. 6.
Voor het storten, het begraven, het verbranden ter plaatse of het verwijderen op een andere wijze dan toegelaten is volgens verordening (EG) nr. 1069/2009, kan de OVAM in de volgende omstandigheden een schriftelijke toestemming verlenen:
als de dierlijke bijproducten zich bevinden in afgelegen gebieden;
als de dierlijke bijproducten zich bevinden in gebieden die alleen toegankelijk zijn onder omstandigheden die, om geografische of klimatologische redenen, of ten gevolge van een natuurramp, risico's inhouden voor de gezondheid en veiligheid van het personeel dat het afval inzamelt, of een inzet van onevenredige middelen voor het verzamelen van het materiaal zou vereisen;
bij uitbraak van een meldingsplichtige ziekte, als het vervoer naar het dichtstbijzijnde erkende verwerkings- of verwijderingsbedrijf het gevaar van verspreiding van gezondheidsrisico's zou doen toenemen;
als door een wijdverbreide uitbraak van epizoötie een gebrek aan destructiecapaciteit zou ontstaan.
Volgende handelingen zijn van rechtswege toegelaten zonder schriftelijke toestemming:
het begraven van dode gezelschapsdieren, op voorwaarde dat de kadavers rechtstreeks worden verwijderd door begraving op een terrein dat ter beschikking staat van de eigenaar of houder van de desbetreffende dode dieren, dan wel op een vergunde dierenbegraafplaats die is ingericht conform de daarvoor geldende milieureglementering of voorschriften;
het verbranden of begraven van dierlijke bijproducten van bijen en bijenteelt, in omstandigheden waarmee de overdracht van risico's voor de volksgezondheid en de dierengezondheid wordt voorkomen.
[het verwijderen op het agrarische bedrijf van dierlijke bijproducten, uitgezonderd categorie 1-materiaal, die ontstaan bij chirurgische ingrepen bij levende dieren of bij de geboorte van dieren op dat bedrijf;
het verwijderen op een andere wijze dan toegelaten is conform verordening (EG) nr. 1069/2009, van categorie 2- en 3-materiaal dat afkomstig is van inrichtingen met een toelating om het te gebruiken voor onderzoek en andere specifieke doeleinden, als de hoeveelheid per week niet meer dan 20 kg bedraagt;
het verwijderen op een andere wijze dan toegelaten is conform verordening (EG) nr. 1069/2009, van dierlijk materiaal dat wordt opgevangen bij het voorbehandelingsproces van de afvalwaterbehandeling in bedrijfsruimten die alleen categorie 3-materiaal ontvangen, als de hoeveelheid per week niet meer dan 20 kg bedraagt.
]

Hoofdstuk 5.
De inzameling en het vervoeren van dierlijke bijproducten en afgeleide producten


Art. 7.
Elke inzameling van dierlijke bijproducten en afgeleide producten gebeurt door een geregistreerde inzamelaar, handelaar of makelaar die geregistreerd is voor één of meer van de volgende afvalstoffencategorieën:
categorie 1-materiaal met uitzondering van kadavers;
categorie 1-materiaal, in het bijzonder kadavers van gezelschapsdieren;
categorie 1-materiaal, in het bijzonder kadavers van landbouwhuisdieren;
categorie 2-materiaal met uitzondering van kadavers;
categorie 2-materiaal, in het bijzonder kadavers van landbouwhuisdieren;
categorie 3-materiaal;
afgeleide producten van categorie 1-materiaal;
afgeleide producten van categorie 2-materiaal;
afgeleide producten van categorie 3-materiaal.

Art. 8.
[Elk vervoer van dierlijke bijproducten en afgeleide producten gebeurt door een geregistreerde vervoerder die geregistreerd is voor een of meer van de afvalcategorieën zoals vermeld in artikel 7.] Een geregistreerde vervoerder werkt steeds in opdracht van een geregistreerde inzamelaar, handelaar of -makelaar.

Afdeling 1.
Bewaringsmaatregelen


Art. 9.
In afwachting van de inzameling worden dierlijke bijproducten en afgeleide producten zo opgeslagen dat de risico's voor besmetting van mens of dier en voor de vervuiling van het leefmilieu worden beperkt.
De minister kan, op advies van de OVAM, nadere regels vaststellen voor de inrichting van kadaveropslagplaatsen en de manier waarop dierlijke bijproducten en afgeleide producten op opslagplaatsen aangeboden worden.

Art. 10.

§ 1

Kadavers van landbouwhuisdieren die door de producent worden gemeld als vermeld in artikel 3, § 1, worden door een geregistreerde inzamelaar, handelaar of makelaar opgehaald binnen twee werkdagen na de melding.

§ 2

Voor de inzameling van dierlijke bijproducten op plaatsen als vermeld in artikel 3, § 3, door een geregistreerde inzamelaar, handelaar of makelaar gelden de volgende bepalingen, naargelang van de wijze van bewaring:
inzameling binnen twee werkdagen na productie, als de dierlijke bijproducten worden bewaard bij een omgevingstemperatuur hoger die hoger is dan 5 °C;
minstens één inzameling per twee weken, als de dierlijke bijproducten worden bewaard in een actief gekoelde afgesloten ruimte of in een recipiënt waarin de temperatuur maximaal 5 °C bedraagt;
inzameling op verzoek van de exploitant, als dierlijke bijproducten worden bewaard in een actief gekoelde afgesloten ruimte of in een recipiënt waarin de temperatuur maximaal -18 °C bedraagt.
De geregistreerde inzamelaar, handelaar of makelaar van kadavers van landbouwhuisdieren houdt een register bij van de gevallen waarin de gemelde kadavers niet meer bij de producent worden aangetroffen. Dit register bevat tenminste de gegevens van de producent en de datum van melding.

Afdeling 2.
Voorwaarden voor het inzamelen en het vervoeren van dierlijke bijproducten en afgeleide producten


Art. 11.
Dierlijke bijproducten en afgeleide producten worden als volgt opgehaald en vervoerd:
dierlijke bijproducten worden in opdracht van een geregistreerde inzamelaar, handelaar of makelaar van dierlijke bijproducten vervoerd naar erkende of vergunde bedrijven voor het beheren van dierlijke bijproducten;
afgeleide producten worden in opdracht van een geregistreerde inzamelaar, handelaar of makelaar van afgeleide producten vervoerd naar erkende of vergunde bedrijven voor het beheren van afgeleide producten;
de vervoermiddelen, dekzeilen en recipiënten voor dierlijke bijproducten en afgeleide producten, die opnieuw kunnen worden gebruikt, worden na ieder gebruik gereinigd en ontsmet met een door de bevoegde overheid erkend ontsmettingsmiddel.
[Het eerste lid, 3°, is niet van toepassing op vervoermiddelen en recipiënten die gebruikt worden bij inzamelrondes van keukenafval dat afkomstig is van particulieren of van inrichtingen met keukenafval dat een vergelijkbare aard en samenstelling heeft.]

Art. 12.

§ 1

Bij elk vervoer van dierlijke bijproducten en afgeleide producten moet het handelsdocument gevoegd zijn, vermeld in bijlage VIII, hoofdstuk III, punt 6 van verordening (EU) nr. 142/2011.

§ 2

Als de inzamelaar, handelaar of makelaar en de ontvanger dezelfde zijn, volstaat de opmaak van alleen de volgende twee exemplaren van het handelsdocument:
het originele exemplaar dat samen met de zending naar de eindbestemming gaat;
een afschrift dat de producent bewaart.
Als dierlijke bijproducten of afgeleide producten die tijdens dezelfde ronde zijn ingezameld door de geregistreerde inzamelaar, handelaar of makelaar naar een eerste ontvangende inrichting worden gevoerd, mag voor het transport naar die ontvangende inrichting gebruik gemaakt worden van een overkoepelend handelsdocument, dat expliciet verwijst naar alle betrokken handelsdocumenten van die inzamelronde.
In geval van keukenafval, ingezameld bij particulieren of bij inrichtingen met keukenafval van vergelijkbare aard, samenstelling en hoeveelheid, dat tijdens dezelfde ronde door de geregistreerde inzamelaar, handelaar of makelaar naar een eerste ontvangende inrichting wordt vervoerd, mag gebruik gemaakt worden van een overkoepelend handelsdocument. De volgende gegevens zijn opgenomen in dit handelsdocument of in een document dat bij het handelsdocument gevoegd is:
in geval van inzameling bij particulieren: de naam van de gemeenten van oorsprong;
in geval van inzameling bij inrichtingen: de naam en het adres van de producenten.”;
In de gevallen, vermeld in het tweede en derde lid, volstaat de opmaak van alleen de volgende twee exemplaren van het overkoepelend handelsdocument:
het originele exemplaar dat samen met de zending naar de eindbestemming gaat;
een afschrift dat de geregistreerde inzamelaar, handelaar of makelaar bewaart.

§ 3

Elk handelsdocument is geïdentificeerd aan de hand van een uniek nummer.

§ 4

Een kopie van het volledig ingevulde en ondertekende handelsdocument wordt teruggestuurd naar de producent en geldt als verwerkingsattest.
Een factuur van de inzameling die aan de producent gericht is, waarop formeel en eenduidig de referentie van de handelsdocumenten, de categorie, de aard en de hoeveelheid van de dierlijke bijproducten worden vermeld, kan ook als verwerkingsattest gelden. De factuur bevat in dat geval integraal de volgende tekst: “De verantwoordelijke van de onderneming die een registratie heeft voor het inzamelen van de dierlijke bijproducten die op deze factuur zijn vermeld, bevestigt dat het afval in zijn geheel overgedragen is aan een inrichting die erkend of vergund is voor het beheer ervan.”.

§ 5

De producent die het verwerkingsattest ontvangt, voegt een kopie van dat attest bij de bijbehorende handelsdocumenten. Hij bewaart die documenten gedurende tenminste twee jaar, zodat hij ze op elk verzoek van een toezichthouder kan voorleggen.

§ 6

De exploitant brengt de OVAM systematisch en schriftelijk op de hoogte in de volgende twee gevallen:
als op de factuur of het handelsdocument vermeldingen ontbreken die het afval beschrijven en die bewijzen dat het afval gehanteerd, verzameld, verwerkt of gebruikt is;
als er geen factuur of handelsdocument is terugbezorgd.

§ 7

Paragraaf 4, 5 en 6 zijn niet van toepassing op de inzameling van keukenafval bij particulieren en inrichtingen met keukenafval van vergelijkbare aard, samenstelling en hoeveelheid, dat tijdens eenzelfde ronde door de geregistreerde inzamelaar, handelaar of makelaar naar een eerste ontvangende inrichting wordt gevoerd.

Art. 13.

§ 1

In afwijking van artikel 12, § 1, kan voor elk vervoer van kadavers een identificatieformulier voor kadavers worden opgemaakt waarop de volgende gegevens vermeld zijn:
het unieke volgnummer;
de naam en het adres van de producent en het verzendingsadres, als dat niet het adres van de producent is;
[het erkenningsnummer of het registratienummer in het kader van verordening (EG) nr. 1069/2009 van de inrichting of het bedrijf van oorsprong als dat van toepassing is;]
de datum van de melding;
de datum waarop het materiaal is ingezameld;
de categorie en de diersoort;
[het gemelde oormerknummer of chipnummer van landbouwhuisdieren als dat van toepassing is;]
de hoeveelheid materiaal, uitgedrukt in volume of gewicht;
de naam, het adres en, indien van toepassing, het registratienummer van de geregistreerde inzamelaar, handelaar of makelaar;
10°
de naam, het adres en het registratienummer van de vervoerder, als die gegevens verschillen met de gegevens, vermeld in punt 9°;
11°
de naam, het adres en, indien van toepassing, het erkenningsnummer van de vergunde of erkende bestemming van de dierlijke bijproducten.

§ 2

Het identificatieformulier is bij de kadavers gevoegd tijdens het vervoer ervan.

§ 3

Het identificatieformulier wordt tenminste in drievoud opgemaakt, namelijk een origineel en twee afschriften. Het origineel gaat samen met de zending naar de eindbestemming. De ontvanger bewaart het. De geregistreerde inzamelaar, handelaar of makelaar en de producent bewaren ieder een afschrift.
De documenten worden ter inzage van de toezichthouder gehouden gedurende een periode van twee jaar.

§ 4

Als de geregistreerde inzamelaar, handelaar of makelaar en de ontvanger dezelfde zijn, volstaat de opmaak van alleen de volgende twee exemplaren van het identificatieformulier:
het originele exemplaar dat samen met de zending naar de eindbestemming gaat;
een afschrift dat de producent bewaart.

Art. 14.
Artikel 11 tot en met 13 zijn niet van toepassing op:
het vervoer van dode gezelschapsdieren door de eigenaar naar vergunde dierenbegraafplaatsen, erkende dierencrematoria en inzamelplaatsen voor dode gezelschapsdieren;
het vervoer van dode gezelschapsdieren door de behandelende dierenarts, van de particulier naar de dierenartsenpraktijk;
het vervoer van dierlijke bijproducten, afkomstig van legale thuisslachtingen en bijzondere toelatingen in overeenstemming met de verordening (EG) nr. 1069/2009, door particulieren naar daartoe erkende inzamelplaatsen.

Art. 15.
Het handelsdocument, vermeld in artikel 12, of het identificatieformulier voor kadavers, vermeld in artikel 13, kunnen in elektronische vorm worden gebruikt na voorafgaande goedkeuring door de OVAM. De gegevens die deel uitmaken van de verplichte identificatie, moeten tijdens het vervoer altijd voorgelegd kunnen worden aan de toezichthouder.
Een kopie van het handelsdocument of het identificatieformulier voor kadavers, of een oplijsting van alle gegevens in een periodiek overzicht, wordt terugbezorgd aan de producent van de dierlijke bijproducten of van de afgeleide producten.

Hoofdstuk 6.
Invoer en uitvoer binnen de Europese Unie


Art. 16.

§ 1

Als een exploitant categorie 1-materiaal, categorie 2-materiaal, of vleesbeendermeel of dierlijke vetten, afgeleid van categorie 1- of categorie 2-materiaal, naar een andere lidstaat van de Europese Unie wil verzenden, brengt hij de OVAM daarvan op de hoogte met een kopie van het daartoe verkregen besluit van toestemming dat hij daarvoor heeft verkregen van de bevoegde autoriteit van de lidstaat van bestemming, overeenkomstig het standaardformaat, opgenomen als bijlage XVI bij verordening (EU) nr. 142/2011.
De OVAM zal de bevoegde lidstaat van bestemming pas op de hoogte brengen van geplande zendingen na de ontvangst van dat besluit van toestemming van die lidstaat van bestemming.

§ 2

Als een exploitant verwerkte dierlijke eiwitten die afkomstig zijn van de verwerking van categorie 3-materiaal, naar een andere lidstaat van de Europese Unie wil verzenden, meldt hij dat aan de OVAM met het meldingsformulier dat de OVAM ter beschikking stelt via haar website www.ovam.be.

§ 3

Als een exploitant verwerkte dierlijke eiwitten die afkomstig zijn van de verwerking van categorie 3-materiaal, wil ontvangen vanuit een andere lidstaat van de Europese Unie, meldt hij dat aan de OVAM met het meldingsformulier dat de OVAM ter beschikking stelt via haar website www.ovam.be.

Hoofdstuk 7.
Erkenning


Art. 17.
De volgende exploitanten hebben per exploitatiezetel een erkenning van de OVAM nodig overeenkomstig de bepalingen van dit besluit:
categorie 1-, 2- of 3-verwerkingsbedrijven, vermeld in artikel 24, eerste lid, a), van verordening (EG) nr. 1069/2009;
verbrandings- en meeverbrandingsinstallaties voor dode gezelschapsdieren, vermeld in artikel 24, eerste lid, b), van verordening (EG) nr. 1069/2009;
andere verbrandings- en meeverbrandingsinstallaties voor dierlijke bijproducten of afgeleide producten, met uitzondering van inrichtingen die een exploitatievergunning hebben overeenkomstig richtlijn 2000/76/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 december 2000 betreffende de verbranding van afval, vermeld in artikel 24, eerste lid, b) en c) van verordening (EG) nr. 1069/2009;
installaties voor de omzetting van dierlijke bijproducten of afgeleide producten in biogas of compost, vermeld in artikel 24, eerste lid, g), van verordening (EG) nr. 1069/2009;
categorie 1-, 2- of 3-bedrijven voor de opslag en hantering van dierlijke bijproducten, vermeld in artikel 24, eerste lid, h) en i) van verordening (EG) nr. 1069/2009;
bedrijven voor de opslag van afgeleide producten, vermeld in artikel 24, eerste lid, j) van verordening (EG) nr. 1069/2009.
De OVAM stelt een lijst van erkende en geschorste bedrijven ter beschikking op haar website www.ovam.be.

Art. 18.
De OVAM verleent advies aan de afdeling Mestbank van de bij het decreet van 21 december 1988 opgerichte Vlaamse Landmaatschappij over de erkenningsaanvraag van bedrijven die zowel mest als andere dierlijke bijproducten, die afvalstoffen zijn, verwerken.

Art. 19.
De aanvraag voor een erkenning als vermeld in artikel 17, wordt met een [beveiligde zending] ingediend bij de OVAM.
Uiterlijk negentig kalenderdagen na de ontvangst van de aanvraag, verklaart de OVAM de aanvraag al dan niet ontvankelijk en volledig en brengt ze die beslissing ter kennis van de aanvrager.
Als de OVAM bij een onvolledige aanvraag om aanvullingen verzoekt, wordt de termijn, vermeld in het tweede lid, gestuit en loopt de termijn verder vanaf de ontvangst van de aanvullingen.
Als de aanvraag ontvankelijk en volledig is, doet de OVAM uitspraak uiterlijk dertig kalenderdagen na de datum van de kennisgeving van de beslissing over de ontvankelijkheid en volledigheid aan de aanvrager.
In uitzonderlijke gevallen kan een erkenning verleend worden na een spoedprocedure die op maat van de situatie wordt voorgesteld aan de aanvrager. De aanvrager moet minstens een beschrijving van de werkwijze en de bestemming van het afval opgeven.
In voorkomend geval kan een aanvraag worden ingediend voor een erkenning met expliciete vermelding van de diersoort van de dierlijke bijproducten, waartoe het bedrijf zich zal beperken. De OVAM kan in dat geval extra informatie opvragen en advies inwinnen van andere overheidsinstanties.

Art. 20.
De aanvraag tot erkenning voor bedrijven als vermeld in artikel 17, eerste lid, 1° tot en met 6°, bevat, indien van toepassing, minstens de volgende documenten:
een omschrijving van de activiteit, met vermelding van de categorieën dierlijke bijproducten;
de administratieve gegevens van het bedrijf, namelijk:
a)
de naam van de rechtspersoon die de aanvraag indient;
b)
het adres van de aanvrager en in voorkomend geval de maatschappelijke en administratieve zetels en de exploitatiezetels;
c)
de naam van de natuurlijke persoon die verantwoordelijk is voor de exploitatie van het bedrijf;
[de toestand betreffende de omgevingsvergunning voor de exploitaitie van de ingedeelde inrichting of activiteit;]
een grondplan met aanduiding van de verschillende bedrijfsruimtes en procesinstallaties, de reine en onreine zones en de eventuele scheiding van verschillende categorieën;
een kopie van de schriftelijke procedures op basis van de beginselen van risicoanalyse en kritieke controlepunten;
een stroomschema met een duidelijke omschrijving van de kritieke controlepunten van de verwerkingsmethoden, monsternemingen en bacteriële analyses die uitgevoerd worden door een door de OVAM erkend laboratorium;
een noodplan in geval van overmacht;
een procedure voor ijking van de meetapparatuur voor de verwerkingsparameters en een kopie van de meest recente ijkingscertificaten;
een beschrijving van alle reinigingsprocedures, zowel voor recipiënten, vrachtwagens als voor bedrijfsruimten;
10°
een beschrijving van het traceersysteem van de materiaalstromen;
11°
in voorkomend geval een overzicht van de effectieve strafrechtelijke veroordelingen voor overtredingen van de wetgeving op het vlak van milieuhygiëne gedurende de laatste vijf jaar.

Art. 21.

§ 1

De OVAM verleent of weigert de erkenning binnen de termijn, vermeld in artikel 19. Elk erkend bedrijf krijgt een officieel nummer.

§ 2

De erkenning geldt slechts voor de gegeven termijn. De maximumtermijn van de erkenning bedraagt vijf jaar. De minister kan voorwaarden vaststellen waaronder die termijn kan worden overschreden.
De erkenning kan niet aan derden worden overgedragen.

§ 3

Als uit controles van de toezichthouders blijkt dat niet voldaan wordt aan de voorwaarden van het erkenningsbesluit, kan de OVAM de erkenning op verzoek van de toezichthouders schorsen. De OVAM brengt de schorsingsbeslissing binnen de veertien kalenderdagen na de uitspraak met een [beveiligde zending] ter kennis van de houder van de erkenning.

§ 4

Vanaf de ontvangst van de schorsingsbeslissing beschikt de houder van de erkenning over dertig kalenderdagen om zijn verweermiddelen met een [beveiligde zending] naar de OVAM te sturen. Bij overschrijding van die termijn heft de OVAM de erkenning op. De OVAM brengt de opheffingsbeslissing met een [beveiligde zending] ter kennis van de houder van de erkenning binnen veertien kalenderdagen na de uitspraak.

§ 5

De OVAM maakt de schorsing ongedaan of heft de erkenning op binnen zestig kalenderdagen na de ontvangst van de verweermiddelen. De OVAM brengt de beslissing met een [beveiligde zending] ter kennis van de houder van de erkenning binnen veertien kalenderdagen na de uitspraak.

§ 6

De erkenning kan ook opgeheven worden door de OVAM in een van de volgende gevallen:
het bedrijf is binnen één jaar na de betekening van de erkenning niet in werking gesteld;
het bedrijf heeft gedurende een ononderbroken periode van twee jaar niet gewerkt;
de houder van een erkenning heeft aan de erkenningverlenende overheid schriftelijk verklaard dat hij zijn erkenning niet gebruikt.
Voor de erkenning op basis van het eerste lid, 1° en 2° wordt opgeheven, krijgt de erkenninghouder de gelegenheid om binnen een vastgestelde termijn de inrichting alsnog in overeenstemming te brengen met de voorwaarden die in de erkenning zijn vastgelegd of met de technische eisen, gesteld in vervoers- en handelsdocumenten en in de erkenningsaanvraag.

§ 7

Als een erkenning wordt geschorst of opgeheven, neemt de toezichthouder alle maatregelen om de activiteiten van de erkenningsplichtige inrichting te beëindigen en om hinder voor de omgeving en verontreiniging van het leefmilieu te doen stoppen of te voorkomen.

Art. 22.
De volgende actoren inzake dierlijke bijproducten en afgeleide producten zijn ertoe gedetailleerde registers of jaarverslagen van de afvalstoffengegevens te verschaffen op eenvoudig verzoek van de OVAM:
de geregistreerde inzamelaars, handelaars en makelaars;
de erkende inrichtingen.

Hoofdstuk 8.
Commissie Krengenfinanciering


Art. 23.
Er wordt een commissie Krengenfinanciering georganiseerd binnen de OVAM.
De commissie Krengenfinanciering verleent advies over de financiering van kadavers van landbouwdieren, onder andere over de abonnementsprijzen en de tegemoetkomingen van het Vlaamse Gewest. Ze doet dat uit eigen beweging of op verzoek van de minister. De minister zal binnen een termijn van zestig dagen een antwoord geven op een advies of vraag van de commissie.

Art. 24.
De commissie Krengenfinanciering is samengesteld uit:
vertegenwoordigers van de landbouworganisaties;
vertegenwoordigers van de inzamelaars en verwerkers van kadavers van landbouwdieren;
personeelsleden van de OVAM;
personeelsleden van het Departement [Omgeving];
personeelsleden van het Departement Landbouw en Visserij;
facultatief personeelsleden van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen;
facultatief personeelsleden van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid, Veiligheid Voedselketen en Leefmilieu.
De minister kan de nadere regels vaststellen voor de taken en de werking van die commissie en wijst de leden aan.

Hoofdstuk 9.
Wijzigingsbepalingen


Art. 25.

§ 1

Artikel 6.1.1 van het VLAREMA, wordt vervangen door wat volgt:
(...)

§ 2

In artikel 6.1.2.2 van het VLAREMA wordt tussen het eerste en het tweede lid de volgende tekst toegevoegd:
(...)

Hoofdstuk 10.
Slotbepalingen


Art. 26.
De volgende regelingen worden opgeheven:
het besluit van de Vlaamse Regering van 15 december 2006 betreffende de ophaling en de verwerking van dierlijk afval, gewijzigd bij de besluiten van de Vlaamse Regering van 13 februari 2009 en 23 december 2011 met uitzondering van artikel 10 tot en met 16, die opgeheven worden op een door de minister vast te stellen datum;
het ministerieel besluit van 20 maart 2007 houdende nadere bepalingen inzake de verzameling en de ophaling van overleden gezelschapsdieren bij dierenartsenpraktijken en dierenklinieken.

Art. 27.
Alle erkenningen als ophalers van dierlijk afval, verleend met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 december 2006 betreffende de ophaling en de verwerking van dierlijk afval, worden beschouwd als een registratie als inzamelaar, handelaar of makelaar van dierlijke bijproducten en afgeleide producten overeenkomstig artikel 6.1.3.1 van het VLAREMA. Ze blijven geldig voor de termijn waarvoor ze zijn verleend, en ze worden automatisch opgenomen in het register van geregistreerde inzamelaars, handelaars en makelaars.

Art. 28.
Alle registraties als vervoerders van dierlijk afval, verleend met toepassing van het besluit van de Vlaamse Regering van 15 december 2006 betreffende de ophaling en de verwerking van dierlijk afval, worden beschouwd als een registratie als vervoerder van dierlijke bijproducten of afgeleide producten conform artikel 6.1.2.1, § 1, van het VLAREMA. Ze blijven geldig voor de termijn waarvoor ze zijn verleend, en ze worden automatisch opgenomen in het register van geregistreerde vervoerders.

Art. 29.
Dit besluit treedt in werking op de tiende dag die volgt op de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad, met uitzondering van artikel 7 en 8, die in werking treden op een door de minister vast te stellen datum.

Art. 30.
De Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu en het waterbeleid, is belast met de uitvoering van dit besluit.