VLAREM III
16 MEI 2014 - Besluit van de Vlaamse Regering houdende bijkomende algemene en sectorale milieuvoorwaarden voor GPBV-installaties

Gelet op de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, artikel 20 en 87, §1, gewijzigd bij de bijzondere wet van 16 juli 1993;

 

Gelet op het bijzonder decreet van 7 juli 2006 over de Vlaamse instellingen, artikel 2;

 

Gelet op de wet van 28 december 1964 betreffende de bestrijding van de luchtverontreiniging, artikel 1;

 

Gelet op de wet van 26 maart 1971 op de bescherming van oppervlaktewateren tegen verontreiniging, artikel 3, gewijzigd bij de wet van 21 december 1998;

 

Gelet op de wet van 18 juli 1973 betreffende de bestrijding van de geluidshinder, artikel 1, eerste lid, gewijzigd bij de wet van 21 december 1998;

 

Gelet op het decreet van 24 januari 1984 houdende maatregelen inzake het grondwaterbeheer, het laatst gewijzigd bij het decreet van 1 maart 2013;

 

Gelet op het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, artikel 2bis, ingevoegd bij het decreet van 23 december 2010, artikel 3, tweede lid, vervangen bij het decreet van 23 december 2010, artikel 4, §2, tweede lid, artikel 11,§1 en §2, derde lid, artikel 12, §1, eerste lid, artikel 13, §1, gewijzigd bij het decreet van 12 december 2008, en §4, artikel 14, §1, gewijzigd bij het decreet van 21 december 1990, artikel 16, §4, artikel 18, gewijzigd bij de decreten van 11 mei 1999, 11 juni 2010, 23 maart 2012 en 1 maart 2013, artikel 20, eerste lid, vervangen bij het decreet van 25 mei 2012, en derde lid, ingevoegd bij het decreet van 25 mei 2012, artikel 21, §3, artikel 22, vierde lid, artikel 22bis, §1, tweede lid, ingevoegd bij het decreet van 16 januari 2004, artikel 24, §2, eerste lid, artikel 26, §4, en artikel 27, §3;

 

Gelet op het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, artikel 2.2.6, artikel 10.2.4, §5, ingevoegd bij het decreet van 24 december 2004, artikel 10.3.4, §6, ingevoegd bij het decreet van 12 december 2008, artikel 16.1.2, 1°, f), ingevoegd bij het decreet van 21 december 2007, artikel 16.3.9, §3, ingevoegd bij het decreet van 25 mei 2012, artikel 16.4.5, ingevoegd bij het decreet van 21 december 2007 en gewijzigd bij het decreet van 25 mei 2012, artikel 16.4.10, ingevoegd bij het decreet van 21 december 2007 en gewijzigd bij de decreten van 30 april 2009 en 23 december 2010, en artikel 16.7.1, ingevoegd bij het decreet van 21 december 2007 en vervangen bij het decreet van 25 mei 2012;

 

Gelet op het decreet van 26 maart 2004 betreffende de openbaarheid van bestuur, artikel 30;

 

Gelet op het decreet van 25 mei 2012 tot wijziging van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en het decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming met het oog op de omzetting van de richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging), artikel 17;

 

Gelet op het advies van de Inspectie van Financiën, gegeven op 18 november 2013;

 

Gelet op de adviesaanvraag binnen 30 dagen die op 9 april 2014 bij de Raad van State is ingediend, met toepassing van artikel 84, §1, eerste lid, 2°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

 

Overwegende dat het advies niet is meegedeeld binnen die gestelde termijn;

 

Gelet op artikel 84, §4, tweede lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

 

Overwegende dat dit besluit een aanpassing inhoudt aan het VLAREM ten gevolge van BBT-conclusies, als vermeld in richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging);

 

Op voorstel van de Vlaamse minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur;

 

Na beraadslaging,

 

 

BESLUIT:


Deel 1.
Algemene Bepalingen


Art. 1.1.

Met behoud van de toepassing van deel 4 en 5 van het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, hierna titel II van het VLAREM te noemen, bevat dit besluit bijkomende algemene en sectorale milieuvoorwaarden voor GPBV-installaties. Als de sectorale voorwaarden van titel II van het VLAREM en dit besluit dezelfde problematiek regelen, gelden de strengste voorwaarden.


Art. 1.2. De bepalingen, opgenomen in de bijlagen bij dit besluit, met betrekking tot meet- en analysemethodes en codes van goede praktijken kunnen door de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu en het waterbeleid, gewijzigd worden.

Art. 1.3.

Met behoud van de toepassing van artikel 3.3.0.3, 3°, van titel II van het VLAREM kan in de omgevingsvergunning van een emissiegrenswaarde in dit besluit afgeweken worden zolang de emissiegrenswaarde voldoet aan de BBT-GEN bepaald in de BBT-conclusies die de Europese Commissie heeft aangenomen en in voorkomend geval voldoet aan de desbetreffende emissiegrenswaarde in titel II van het VLAREM,voor zover er geen afwijkingsmogelijkheid van titel II van het VLAREM is voorzien.


Art. 1.4.

In afwijking van artikel 1.9, 5°, van dit besluit, en met behoud van de toepassing van artikel 3.3.0.3, 3°, van titel II van het VLAREM kan de Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu en het waterbeleid, in specifieke gevallen door middel van een individuele afwijking minder strenge emissiegrenswaarden dan deze vermeld in dit besluit, vaststellen, die niet voldoen aan de BBT-GEN bepaald in de BBT-conclusies die de Europese Commissie heeft aangenomen. Voor zover de emissiegrenswaarden waarop de afwijking betrekking heeft, ook in de omgevingsvergunning zijn opgelegd, geldt de afwijking ook voor die bijzondere milieuvoorwaarden.

 

De afwijking, vermeld in het eerste lid, kan alleen worden toegestaan als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

uit een beoordeling blijkt dat het behalen van de BBT-GEN zou leiden tot buitensporig hogere kosten in verhouding tot de milieuvoordelen, als gevolg van minstens een van de volgende oorzaken:
  a) de geografische ligging of de plaatselijke milieuomstandigheden van de installatie in kwestie;
  b) de technische kenmerken van de installatie in kwestie;
de emissiegrenswaarden, vastgesteld conform het eerste lid, zijn niet hoger dan:
  a) de desbetreffende emissiegrenswaarden in titel II van het VLAREM, voor zover er geen afwijkingsmogelijkheid van titel II van het VLAREM is voorzien;
  b) de eventueel toepasselijke grenswaarden, vermeld in bijlage 2;
er wordt gewaarborgd dat er geen aanzienlijke verontreiniging wordt veroorzaakt en dat een hoog niveau van bescherming van het milieu in zijn geheel wordt bereikt.

 

De vraag tot afwijking, vermeld in het eerste lid, wordt met een beveiligde zending ingediend bij de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning.

 

De afwijkingsaanvraag omvat de volgende gegevens: 

de naam, de hoedanigheid en het adres van de aanvrager;
de naam en, in voorkomend geval, het ondernemersnummer van de exploitant;
de identificatie van de ingedeelde inrichting of activiteit die het voorwerp uitmaakt van de afwijkingsaanvraag;
de vermelding van het toepasselijke BREF, de toepasselijke BBT uit de BBT-conclusies en, voor zover dat van toepassing is, de overeenkomstige voorwaarden met betrekking tot de emissiegrenswaarden, alsook de artikelen van dit besluit waarvoor de afwijking wordt aangevraagd;
een beoordeling waaruit blijkt dat het behalen van emissieniveaus die samenhangen met de BBT zoals beschreven in de BBT-conclusies, zou leiden tot buitensporige hogere kosten in verhouding tot de milieuvoordelen, als gevolg van een van de volgende oorzaken:
  a) de geografische ligging of de plaatselijke milieuomstandigheden van de installatie in kwestie;
  b) de technische kenmerken van de installatie in kwestie;
een voorstel van emissiegrenswaarden waarbij wordt aangetoond dat ze niet hoger zijn dan:
  a) de desbetreffende emissiegrenswaarden, vermeld in titel II van het VLAREM, als er niet in een afwijkingsmogelijkheid van titel II van het VLAREM is voorzien;
  b) de eventueel toepasselijke grenswaarden, vermeld in bijlage 2;
een voorstel van maatregelen die waarborgen dat er geen aanzienlijke verontreiniging wordt veroorzaakt en dat een hoog niveau van bescherming van het milieu in zijn geheel wordt bereikt;
een nota waarin wordt aangetoond dat de voorgestelde maatregelen beantwoorden aan de BBT, met bijzondere aandacht voor de criteria, vermeld in bijlage 3.3 van titel II van het VLAREM.

 

De afwijking, vermeld in het eerste lid, is geldig tot een van de volgende gevallen zich voordoet:

de geldigheidsduur van de omgevingsvergunning waarop ze betrekking heeft verstrijkt;
als de afwijking voor een beperkte termijn werd verleend, bij het verstrijken van deze termijn;
de bevoegde overheid, vermeld in artikel 15 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning:
  a) stelt de bijzondere milieuvoorwaarden bij als gevolg van een evaluatie als vermeld in artikel 1.4.1.1 en 1.4.2.1 van titel II van het VLAREM, en deze milieuvoorwaarden zijn strenger dan de voorwaarden die gelden als gevolg van de verleende afwijking;
  b) stelt de bijzondere milieuvoorwaarden bij als gevolg van een verzoek of ambtshalve initiatief tot bijstelling van het voorwerp of de duur van de omgevingsvergunning, vermeld in artikel 83 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, en deze milieuvoorwaarden zijn strenger dan de voorwaarden die gelden als gevolg van de verleende afwijking;
de voorwaarden waarvan afwijking is verleend, worden opgeheven of vervangen door andere voorwaarden.    

  


Art. 1.5.

De behandeling van de afwijkingsaanvraag, vermeld in artikel 1.4 van dit besluit, de beslissing erover en de bekendmaking van de beslissing gebeuren conform de bepalingen van artikel 1.2.2ter.2 tot en met artikel 1.2.2ter.6 van titel II van het VLAREM.


Art. 1.6.

De emissiegrenswaarden van deel 2 en 3 van dit besluit zijn niet van toepassing als in de omgevingsvergunning artikel 1.9, 5°, b), van dit besluit, wordt toegepast.


Art. 1.7.

De vergunningverlenende overheid kan in de omgevingsvergunning met toepassing van artikel 1.9, 3°, andere beste beschikbare technieken opnemen dan deze vermeld in de delen 2 en 3 van dit besluit.


Art. 1.8.

Met behoud van de toepassing van artikel 3.3.0.2 van titel II van het VLAREM, omvatten de bijzondere milieuvoorwaarden bovendien:

de bepalingen waaruit blijkt dat rekening wordt gehouden met de algemene beginselen, vermeld in artikel 2.1.1;
voor installaties die in de achtste kolom van de indelingslijst worden aangeduid met de kenletter S: de bepalingen over de periodieke monitoring van bodem en grondwater met betrekking tot relevante gevaarlijke stoffen die op het terrein kunnen worden aangetroffen, vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2007 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de bodemsanering en de bodembescherming. Daarbij wordt rekening gehouden met de mogelijkheid van bodem- en grondwaterverontreiniging op het terrein van de installatie;

met toepassing van artikel 1.9, 5°, b), de bepalingen dat de resultaten van de monitoring van emissies beschikbaar zijn voor dezelfde periode en referentieomstandigheden als voor de BBT-GEN.


Art. 1.9.

Met behoud van de toepassing van artikel 3.3.0.3 van titel II van het VLAREM gelden bij het vaststellen van de bijzondere milieuvoorwaarden de volgende bepalingen:

in voorkomend geval vormen de BBT-conclusies de referentie voor de vaststelling van milieuvoorwaarden. In afwachting van de aanneming door de Europese Commissie van het besluit met betrekking tot die BBT-conclusies gelden de BBT, afkomstig van de BREF’s die door de Europese Commissie vóór 7 januari 2011 zijn aangenomen, met uitzondering van de emissiegrenswaarden, vermeld in punt 5° en artikel 1.4;
conform artikel 3.3.0.3, 4°, tweede lid, van titel II van het VLAREM kunnen strengere bijzondere vergunningsvoorwaarden vastgesteld worden dan die welke haalbaar zijn door gebruik te maken van de BBT-conclusies;
als de milieuvoorwaarden worden vastgesteld op basis van een beste beschikbare techniek die niet in een van de desbetreffende BBT-conclusies staat beschreven, gelden de volgende voorwaarden:
  a) de techniek wordt bepaald met bijzondere aandacht voor de criteria, vermeld in bijlage 3.3 van titel II van het VLAREM;
  b) er is voldaan aan de definitie van emissiegrenswaarde, vermeld in artikel 1.1.2, en artikel 3.3.0.3, 2°, tweede lid, van titel II van het VLAREM, de punten 5° en 6°, en artikel 1.4;
  Als de BBT-conclusies, vermeld in het eerste lid, geen BBT-GEN bevatten, garandeert de techniek, vermeld in het eerste lid, een niveau van milieubescherming dat gelijkwaardig is aan dat van de BBT, vermeld in de BBT-conclusies;
als op een activiteit of op een type productieproces geen BBT-conclusies van toepassing zijn of als die BBT-conclusies niet alle mogelijke milieueffecten van de activiteit of het proces behandelen, worden de bijzondere milieuvoorwaarden vastgesteld, na voorafgaande raadpleging van de exploitant, op basis van de BBT die voor de desbetreffende activiteiten of processen bepaald zijn met bijzondere aandacht voor de criteria, vermeld in bijlage 3.3 van titel II van het VLAREM;
de emissiegrenswaarden, vermeld in artikel 3.3.0.2, 2°, van titel II van het VLAREM, waarborgen dat de emissies onder normale bedrijfsomstandigheden niet hoger zijn dan de BBT-GEN die zijn vastgesteld in de BBT-conclusies, door te opteren voor een van de volgende mogelijkheden:
  a) door emissiegrenswaarden vast te stellen die niet hoger zijn dan de BBT-GEN. Die emissiegrenswaarden worden uitgedrukt voor dezelfde of voor kortere periodes en voor dezelfde referentieomstandigheden als de BBT-GEN;
  b) door emissiegrenswaarden vast te stellen die, wat betreft waarden, perioden en referentieomstandigheden, verschillen van de emissiegrenswaarden, vermeld in punt a);
  Als emissiegrenswaarden worden vastgesteld met toepassing van het eerste lid, b), worden ten minste jaarlijks de resultaten van de monitoring van die emissies beoordeeld door de vergunningverlenende overheid die in eerste aanleg bevoegd is, zodat die kan nagaan of de emissies in normale bedrijfsomstandigheden niet hoger waren dan de BBT-GEN;
er kan een tijdelijke vrijstelling toegestaan worden van de eisen, vermeld in punt 5°, artikel 3.3.0.3, 2°, tweede lid, van titel II van het VLAREM, en artikel 2.1.1, 1° en 2°, voor een totale periode van ten hoogste negen maanden om technieken in opkomst te testen en te gebruiken, op voorwaarde dat na de vermelde periode hetzij met de techniek wordt gestopt, hetzij met de activiteit in kwestie in elk geval de BBT-GEN niet worden overschreden;
met behoud van de toepassing van de algemene en sectorale milieuvoorwaarden worden de eisen voor monitoring, vermeld in artikel 3.3.0.2, 9°, tweede lid, van titel II van het VLAREM, in voorkomend geval gebaseerd op de conclusies voor monitoring die in de BBT-conclusies worden beschreven.

Art. 1.10.

Met behoud van de toepassing van artikel 1.3 en 1.7 van dit besluit en tenzij anders vermeld in dit besluit, zijn de algemene en sectorale milieuvoorwaarden opgenomen in deel 2 en deel 3 van dit besluit van toepassing op inrichtingen en activiteiten die op de datum van inwerkingtreding van de milieuvoorwaarden zijn vergund en hebben zij voorrang op de bijzondere milieuvoorwaarden en de voorwaarden opgenomen in de individuele afwijkingen verleend op milieuvoorwaarden van titel II van het VLAREM die dezelfde problematiek regelen. In afwijking hiervan blijven de strengere bijzondere milieuvoorwaarden uit de op die datum lopende vergunning of uit de geldende beslissing verder gelden.


Art. 1.11.

Tenzij het in dit besluit anders is bepaald, zijn de definities, vermeld in artikel 1.1.2 van titel II van het VLAREM, ook van toepassing in dit besluit.


Deel 2.
Algemene milieuvoorwaarden


Hoofdstuk 2.1.
Algemene voorschriften


Art. 2.1.1.

De installatie wordt als volgt geëxploiteerd:

alle passende preventieve maatregelen tegen verontreiniging worden genomen;
de BBT worden toegepast;
er wordt geen significante verontreiniging veroorzaakt;
conform het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen (Materialendecreet) en het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen (VLAREMA), wordt het ontstaan van afvalstoffen voorkomen;
als toch afvalstoffen worden voortgebracht, worden ze in prioriteitsvolgorde en conform het Materialendecreet en het VLAREMA, voorbereid voor hergebruik, gerecycleerd, teruggewonnen of, als dat technisch en economisch onmogelijk is, op zo’n wijze verwijderd dat milieu-effecten worden voorkomen of beperkt;
de energie wordt op doelmatige wijze gebruikt;
de nodige maatregelen worden genomen om ongevallen te voorkomen en de gevolgen daarvan te beperken;
bij de definitieve stopzetting van de activiteiten worden de nodige maatregelen genomen om elk risico van verontreiniging te voorkomen en om het bedrijfsterrein weer in de bevredigende toestand, vermeld in artikel 2.2.3, te brengen.

 

 


Hoofdstuk 2.2.
Bodem


Art. 2.2.1.

Artikel 2.2.2 en 2.2.3 worden vastgesteld ter uitvoering van het decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming, en het besluit van de Vlaamse Regering van 14 december 2007 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de bodemsanering en de bodembescherming.


Art. 2.2.2.

Voor installaties die in de achtste kolom van de indelingslijst met de kenletter A of B worden aangeduid, geldt de periodieke bodemonderzoeksplicht, vastgesteld door en krachtens artikel 33 van het decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming.


Art. 2.2.3.

Als de activiteiten definitief worden stopgezet, gelden:
 

voor installaties die in de achtste kolom van de indelingslijst met de kenletter S worden aangeduid, de verplichtingen, vastgesteld door en krachtens artikel 32 en 122 van het decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming;

voor installaties die niet vallen onder de installaties, vermeld in punt 1°, de verplichtingen, vastgesteld door en krachtens artikel 9 tot en met 11 en artikel 19 tot en met 22 van het voormelde decreet.


Hoofdstuk 2.3.
Monitoring en informatieplicht


Art. 2.3.1.

Monitoring, bemonstering en beoordeling van emissies, worden uitgevoerd conform deel 4 van titel II van het VLAREM, tenzij anders vermeld in deel 3 van dit besluit.

 

In afwijking van het eerste lid kan in het controlemeetprogramma, vermeld in bijlage 4.2.5.2 en bijlage 4.4.4 van titel II van het VLAREM, voor parameters vermeld in deel 3 van dit besluit, de meetfrequentie maximaal dalen tot de basisfrequentie/4, met een minimum van eenmaal per jaar.


Art. 2.3.2. Als artikel artikel 1.9, 5°, b), wordt toegepast, bezorgt de exploitant aan de vergunningverlenende overheid die in eerste aanleg bevoegd is ten minste jaarlijks en uiterlijk voor 15 maart van elk kalenderjaar, een overzicht van de resultaten van de monitoring van emissies, met dezelfde periode en onder dezelfde referentieomstandigheden, zoals bepaald is voor de BBT-GEN, zodat een vergelijking mogelijk is met die BBT-GEN.

Art. 2.3.3. Met behoud van de toepassing van artikel 4.1.4.2 van titel II van het VLAREM, brengt de exploitant de toezichthouder regelmatig en ten minste jaarlijks op de hoogte van de informatie die wordt verkregen op basis van de resultaten van de monitoring van emissies die dit besluit of de omgevingsvergunning heeft opgelegd,en van andere vereiste gegevens aan de hand waarvan de toezichthouder de naleving van de vergunningsvoorwaarden kan toetsen.

Art. 2.3.4. [...]

Deel 3.
Sectorale milieuvoorwaarden


Hoofdstuk 3.1.
Ijzer- en Staalproductie


Afdeling 3.1.1.
Toepassingsgebied en definities


Art. 3.1.1.1.

§1. Dit hoofdstuk is van toepassing op de inrichtingen, vermeld in rubriek 20.1.1, 20.2.1 en 20.2.2.2 van de indelingslijst. Bestaande installaties, als vermeld in artikel 3.1.1.2, 2°, voldoen uiterlijk op 8 maart 2016 aan dit hoofdstuk.

 

De overeenkomstige GPBV-activiteiten zijn de activiteiten 1.3, 2.1 en 2.2, vermeld in bijlage 1 bij dit besluit. 

 

§2. Het toepassingsgebied van dit hoofdstuk omvat de volgende processen: 

het laden, lossen en transport van bulkgrondstoffen; 

het samenvoegen en mengen van grondstoffen;

het sinteren en pelletiseren van ijzererts;

de productie van cokes uit cokeskool;

de productie van gesmolten metaal in het hoogoventraject, inclusief slakkenverwerking;

de productie en raffinage van staal met behulp van het oxystaalprocedé, inclusief panontzwaveling bij voorbewerking, panmetallurgie bij nabewerking en slakkenverwerking;

de productie van staal in vlamboogovens, inclusief panmetallurgie bij nabewerking en slakkenverwerking;

het continugieten.

 

§3. De bepalingen, vermeld in paragraaf 1, hebben geen betrekking op de volgende activiteiten:

de productie van kalk in ovens;
de terugwinning van non-ferrometalen uit reststoffen en de productie van ijzerlegeringen;
zwavelzuurfabrieken in cokesovens.

 


Art. 3.1.1.2.

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

nieuwe installatie: een installatie die op het terrein van de inrichting gebouwd wordt na 8 maart 2012 of een installatie die volledig herbouwd wordt op de bestaande fundamenten na 8 maart 2012;
bestaande installatie: een andere dan een nieuwe installatie.
de BBT-conclusies voor ijzer- en staalproductie: het uitvoeringsbesluit 2012/135/EU van de Commissie van 28 februari 2012 tot vaststelling van de BBT-conclusies (beste beschikbare technieken) op grond van Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad inzake industriële emissies voor de ijzer- en staalproductie, gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie L70 van 8 maart 2012.

 

 


Afdeling 3.1.2. Algemene bepalingen.


Art. 3.1.2.1.

Tenzij anders is vermeld, is deze afdeling algemeen van toepassing voor alle inrichtingen, vermeld in dit hoofdstuk.

 

De processpecifieke bepalingen, vermeld in de afdeling 3.1.3 tot en met 3.1.8, zijn van toepassing naast de algemene bepalingen die in deze afdeling beschreven worden.


Art. 3.1.2.2.

Er wordt een milieubeheersysteem ten uitvoer gelegd en nageleefd dat alle volgende elementen omvat:

de inzet van het management, inclusief het senior management;
het uitwerken van een milieubeleid voor de continue verbetering van de installatie door het management;
het plannen en vaststellen van noodzakelijke procedures, doelstellingen en streefcijfers, samen met een financiële planning en investeringen;
het uitvoeren van de procedures, waarbij vooral aandacht geschonken wordt aan:
  a) bedrijfsorganisatie en verantwoordelijkheid van het personeel,
  b) opleiding, bewustmaking en bekwaamheid,
  c) communicatie,
  d) betrokkenheid van de werknemers,
  e) documentatie,
 

f)

efficiënte procescontrole,
  g) onderhoudsprogramma's,
  h) noodplan en rampenbestrijding,
  i) waarborging van de naleving van de milieuwetgeving;
het controleren van de prestaties en het nemen van corrigerende maatregelen, waarbij vooral aandacht geschonken wordt aan:
  a) monitoring en meting,
  b) corrigerende en preventieve maatregelen,
  c) het bijhouden van gegevens,
  d) onafhankelijke interne of externe audit, met als doel vast te stellen of het milieubeheersysteem overeenkomt met de geplande maatregelen en op de juiste wijze wordt uitgevoerd en gehandhaafd;
het evalueren van het milieubeheersysteem door het senior management met als doel te waarborgen dat het geschikt, adequaat en doeltreffend blijft;
het volgen van de ontwikkelingen van schonere technologieën;
het rekening houden met de milieueffecten bij het ontwerp van een nieuwe installatie, tijdens de volledige levensduur en bij de latere ontmanteling ervan;
het op gezette tijden uitvoeren van een benchmarkonderzoek.

 

 


Art. 3.1.2.3. Het verbruik van thermische energie wordt beperkt door toepassing van een combinatie van de technieken vermeld in BBT 2 van de BBT-conclusies voor ijzer- en staalproductie.

Art. 3.1.2.4. Het primaire energieverbruik wordt verminderd door de energiestromen te optimaliseren en optimaal gebruik te maken van afgezogen procesgassen, zoals cokesovengas, hoogovengas en oxystaalovengas.

Art. 3.1.2.5. Ontzwaveld en ontstoft overtollig cokesovengas en ontstoft hoogovengas en oxystaalovengas (gemengd of apart) wordt in ketels of in warmtekrachtkoppelingscentrales gebruikt om stoom, elektriciteit en/of warmte te produceren, met gebruik van de overtollige afvalwarmte voor interne of externe warmteverdeelnetten.

Art. 3.1.2.6. Het elektriciteitsverbruik wordt zo laag mogelijk gehouden door middel van een of meer van de technieken vermeld in BBT 5 van de BBT-conclusies voor ijzer- en staalproductie.

Art. 3.1.2.7. Het beheer en de controle van interne materiaalstromen wordt geoptimaliseerd, met als doel verontreiniging en kwaliteitsverlies te voorkomen, een adequate kwaliteit van het ingangsmateriaal te garanderen, hergebruik en recycling mogelijk te maken en de procesefficiëntie en optimalisering van de metaalopbrengst te verbeteren.

Art. 3.1.2.8. Om een laag emissieniveau voor relevante verontreinigende stoffen te bereiken, worden schroot en andere grondstoffen met de geschikte eigenschappen gekozen. Met betrekking tot schroot wordt een passende inspectie uitgevoerd op zichtbare verontreinigingen die zware metalen, in het bijzonder kwik, kunnen bevatten of tot de vorming van dioxinen en furanen en polychloorbifenylen kunnen leiden. Om het gebruik van schroot te verbeteren, kunnen de technieken vermeld in BBT 7 van de BBT-conclusies voor ijzer- en staalproductie afzonderlijk of in combinatie worden toegepast.

Art. 3.1.2.9. Voor vaste residuen worden geïntegreerde en operationele technieken toegepast om afval tot een minimum te beperken door intern hergebruik of toepassing van gespecialiseerde recyclingprocessen.

Art. 3.1.2.10.

Vaste residuen die niet overeenkomstig artikel 3.1.2.9 gebruikt of gerecycleerd kunnen worden, worden zo veel mogelijk extern gebruikt of gerecycleerd indien dat haalbaar is en in overeenstemming is met het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen (Materialendecreet) en het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen (VLAREMA). Residuen die noch vermeden noch gerecycleerd kunnen worden, worden op een gecontroleerde manier beheerd.


Art. 3.1.2.11. De beste bedrijfs- en onderhoudspraktijken worden toegepast voor het verzamelen, hanteren, opslaan en vervoeren van alle vaste residuen en voor de overkapping van overslagpunten om emissies naar de lucht en het water te voorkomen.

Art. 3.1.2.12. Diffuse stofemissies van de opslag, de hantering en het transport van materiaal worden voorkomen of verminderd door toepassing van een of meer van de technieken vermeld in BBT 11 van de BBT-conclusies voor ijzer- en staalproductie. Wanneer reductietechnieken gebruikt worden, wordt het afvangrendement en de aansluitende reiniging geoptimaliseerd door toepassing van passende technieken beschreven in BBT 11 van de BBT-conclusies voor ijzer- en staalproductie. De voorkeur gaat uit naar het afvangen van stof zo dicht mogelijk bij de bron.

Art. 3.1.2.13. Voor afvalwaterbeheer wordt afvalwater voorkomen, verzameld en de verschillende afvalwaterstromen worden gescheiden en daarbij wordt het afvalwater zo veel mogelijk intern gerecycleerd en elke eindstroom ervan adequaat behandeld. In deze context kunnen de technieken, vermeld in BBT 12 van de BBT-conclusies voor ijzer- en staalproductie, gebruikt worden wanneer aan de vermelde voorwaarden wordt voldaan.

Art. 3.1.2.14. Alle relevante parameters die voor de procesbesturing vanuit controlekamers noodzakelijk zijn, worden gemeten of ingeschat met behulp van moderne, computerondersteunde systemen om de processen voortdurend en online aan te kunnen passen en te optimaliseren, om een stabiele en vlotte verwerking te waarborgen met het oog op een grotere energie-efficiëntie, maximale opbrengst en betere onderhoudspraktijken.

Art. 3.1.2.15.

De orde van grootte van diffuse luchtemissies van relevante bronnen wordt bepaald aan de hand van de onderstaande methoden. Directe meetmethoden worden maximaal verkozen boven indirecte meetmethoden of evaluaties op basis van berekeningen met emissiefactoren:

directe meetmethoden waarbij de emissies aan de bron zelf gemeten worden. In dit geval kunnen concentraties en massastromen gemeten of bepaald worden;
indirecte meetmethoden waarbij de emissies op een bepaalde afstand van de bron gemeten worden. Een directe meting van concentraties en massastromen is daarbij niet mogelijk;
een berekening met emissiefactoren.

 

 


Art. 3.1.2.16.

Verontreiniging bij ontmanteling wordt voorkomen door gebruik te maken van de onderstaande noodzakelijke technieken:

bij het ontwerp van een nieuwe installatie wordt rekening gehouden met het milieueffect van een eventuele ontmanteling van de installatie, waardoor de ontmanteling uiteindelijk gemakkelijker, schoner en goedkoper verloopt;
ontmanteling houdt milieurisico's in voor de verontreiniging van de bodem en het grondwater en brengt grote hoeveelheden vast afval mee. Preventieve technieken zijn processpecifiek, maar algemene overwegingen omvatten in voorkomend geval:
  a) het vermijden van ondergrondse constructies;
  b) de integratie van voorzieningen die ontmanteling vergemakkelijken;
  c) het gebruik van vloerbedekkingen die gemakkelijk gedesinfecteerd kunnen worden;
  d) het gebruik van materieel dat zo samengesteld is dat zo min mogelijk chemicaliën achterblijven en dat het laten leeglopen en de reiniging vergemakkelijkt;
  e) het ontwerp van flexibele, zelfstandige eenheden die een stapsgewijze sluiting mogelijk maken;
  f) voor zover dat mogelijk is, het gebruik van biologisch afbreekbare en recycleerbare materialen.

 

 


Art. 3.1.2.17. Geluidsemissies van relevante bronnen in de ijzer- en staalproductieprocessen worden verminderd door toepassing van een of meer van de technieken vermeld in BBT 18 van de BBT-conclusies voor ijzer- en staalproductie.

Afdeling 3.1.3.
Sinterfabrieken


Art. 3.1.3.1. Deze afdeling is van toepassing op alle sinterfabrieken.

Subafdeling 3.1.3.1.
Luchtemissies


Art. 3.1.3.1.1.

Bij het samenvoegen of mengen van materialen wordt stofverspreiding maximaal voorkomen door het vochtgehalte van fijn materiaal aan te passen waardoor het samenklontert, als de materialen vooraf niet voldoende bevochtigd zijn.

 


Art. 3.1.3.1.2.

De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op de geloosde afgassen:

 

1° emissies van de sinterband:

 

Parameter

 

Emissiegrenswaarde

stof

Nieuwe installaties

15 mg/Nm³

Bestaande installaties

40 mg/Nm³

Hg

 

0,05 mg/Nm³

SOX, uitgedrukt als SO2

Nieuwe installaties

350 mg/Nm³

Bestaande installaties

500 mg/Nm³

NOX, uitgedrukt als NO2

 

400 mg/Nm³

dioxinen en furanen

Nieuwe installaties

0,2 ng TEQ/Nm³

Bestaande installaties

0,4 ng TEQ/Nm³

 

Voor dioxinen en furanen worden de gemiddelden bepaald over een bemonsteringsperiode van minimaal zes uur en maximaal acht uur. De emissiegrenswaarde heeft betrekking op de totale concentratie van dioxinen en furanen, berekend aan de hand van het begrip “toxische equivalentie”.

 

De concentratie van de parameters, als hierboven vermeld, wordt gemeten met de volgende frequentie:

 

Parameter

Meetfrequentie

stof, SO2, NOx

continu

Hg

om de vier maanden

 

Met betrekking tot de meting van dioxinen en furanen en de evaluatie van de meetresultaten, gelden de bepalingen van de meetstrategie, vermeld in artikel 5.29.0.6, §1, van titel II van het VLAREM.

 

2° emissies van de afvoer van de sinterband, van het malen, het koelen en het zeven van sinters en de overslagpunten op transportbanden worden beperkt door de installaties te overkappen of in te kapselen. De afgassen worden efficiënt afgezogen en naar een stofverwijderingsinstallatie geleid. Er geldt een emissiegrenswaarde voor stof van 10 mg/Nm³ bij het gebruik van een doekenfilter en van 30 mg/Nm³ bij het gebruik van een andere stofverwijderingsinstallatie.


Art. 3.1.3.1.3. Voor primaire emissies van sinterbanden worden de emissies van dioxinen en furanen en polychloorbifenylen voorkomen en/of  verminderd door gebruik te maken van een of meer van de technieken vermeld in BBT 24 van de BBT-conclusies voor ijzer- en staalproductie.

Subafdeling 3.1.3.2.
Water en afvalwater


Art. 3.1.3.2.1. Het waterverbruik in sinterfabrieken wordt geminimaliseerd door koelwater zo veel mogelijk te recycleren, tenzij doorstroomkoelsystemen gebruikt worden.

Art. 3.1.3.2.2.

De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op de lozing van het afvalwater in oppervlaktewater:

 

Parameter

Emissiegrenswaarde (in mg/l)

zwevende stoffen

30,0

CZV

100

som zware metalen (As+Cd+Cr+Cu+Hg+Ni+Pb+Zn)

0,1


Subafdeling 3.1.3.3.
Productieresiduen


Art. 3.1.3.3.1. Het ontstaan van afval in sinterfabrieken wordt voorkomen door toepassing van een of meer van de technieken vermeld in BBT 29 van de BBT-conclusies voor ijzer- en staalproductie. Procesresiduen in sinterfabrieken die voorkomen noch gerecycleerd kunnen worden, worden op een gecontroleerde manier beheerd.

Art. 3.1.3.3.2. Residuen van de sinterband en van andere processen in de geïntegreerde staalfabriek die olie kunnen bevatten, zoals stof, slib en walshuid die ijzer en koolstof bevatten, worden maximaal gerecycleerd op de sinterband, rekening houdend met het respectieve oliegehalte.

Art. 3.1.3.3.3. Het koolwaterstofgehalte van het sintermengsel wordt verlaagd door de gerecycleerde procesresiduen zorgvuldig te selecteren en voor te behandelen. In alle gevallen moet het oliegehalte van de gerecycleerde procesresiduen minder zijn dan 0,5% en dat van het sintermengsel minder dan 0,1%.

Subafdeling 3.1.3.4.
Energie


Art. 3.1.3.4.1. Het verbruik van thermische energie in sinterfabrieken wordt verminderd door toepassing van een van de technieken vermeld in BBT 32 van de BBT-conclusies voor ijzer- en staalproductie.

Afdeling 3.1.4.
Pelletiseerfabrieken


Art. 3.1.4.1. Deze afdeling is van toepassing op alle pelletiseerfabrieken.

Subafdeling 3.1.4.1.
Luchtemissies


Art. 3.1.4.1.1.

De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op de geloosde afgassen:

 

Parameter

Proces

Emissiegrenswaarde (in mg/Nm³)

stof

verbrijzelen, malen en drogen van grondstoffen

20

overige processtappen of als alle afgassen samen behandeld worden

15

SOX, uitgedrukt als SO2

verhardingslijn

50

gasvormige anorganische fluoriden, uitgedrukt als HF

verhardingslijn

3

gasvormige anorganische chloriden, uitgedrukt als HCl

verhardingslijn

3

 

De concentratie van de parameters in de afgassen van de verhardingslijn, vermeld in het eerste lid, wordt gemeten met de volgende frequentie:

 

Parameter

Meetfrequentie

stof en SO2

continu

gasvormige anorganische fluoriden, gasvormige anorganische chloriden

om de vier maanden

 


Art. 3.1.4.1.2. De emissies van NOx bij het drogen en het malen en in de afgassen van verhardingslijnen worden verminderd met procesgeïntegreerde technieken. Bij nieuwe installaties worden de emissies van NOx verminderd door selectieve katalytische reductie (SCR) of een gelijkwaardige techniek toe te passen. De concentratie NOx in de afgassen van de verhardingslijn wordt continu gemeten.

Subafdeling 3.1.4.2.
Water en afvalwater


Art. 3.1.4.2.1. Voor pelletiseerfabrieken wordt het waterverbruik en de afvoer van was-, spoel- en koelwater beperkt en wordt het water zo veel mogelijk hergebruikt.

Art. 3.1.4.2.2.

De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op de lozing van het afvalwater in oppervlaktewater:

 

Parameter

Emissiegrenswaarde (in mg/l)

zwevende stoffen

50,0

CZV

160

Kjeldahl-stikstof

45

som zware metalen (As+Cd+Cr+Cu+Hg+Ni+Pb+Zn)

0,55


Subafdeling 3.1.4.3.
Productieresiduen


Art. 3.1.4.3.1. Het ontstaan van afval in pelletiseerfabrieken wordt voorkomen door een efficiënte recycling ter plaatse of het hergebruik van residuen (d.w.z. ondermaatse groene en warmtebehandelde pellets). Procesresiduen van pelletiseerfabrieken (d.w.z. slib afkomstig van de afvalwaterzuivering) die vermeden noch gerecycleerd kunnen worden, worden op een gecontroleerde manier beheerd.

Subafdeling 3.1.4.4.
Energie


Art. 3.1.4.4.1. Het verbruik van thermische energie in pelletiseerfabrieken wordt beperkt/zo laag mogelijk gehouden door toepassing van een of meer van de technieken vermeld in BBT 41 van de BBT-conclusies voor ijzer- en staalproductie.

Afdeling 3.1.5.
Cokesfabrieken


Art. 3.1.5.1. Deze afdeling is van toepassing op alle cokesfabrieken.

Subafdeling 3.1.5.1.
Luchtemissies


Art. 3.1.5.1.1. Emissies van kolenmaalinstallaties worden beperkt door de installaties in te kapselen. De afgassen worden efficiënt afgezogen en naar een stofverwijderingsinstallatie geleid. Er geldt een emissiegrenswaarde voor stof van 20 mg/Nm³.

Art. 3.1.5.1.2. Voor de opslag en behandeling van poederkool worden diffuse stofemissies voorkomen of verminderd door toepassing van een of meer van de technieken vermeld in BBT 43 van de BBT-conclusies voor ijzer- en staalproductie.

Art. 3.1.5.1.3. De cokesovenkamers worden gevuld met emissiebeperkende vulsystemen. De afgassen worden behandeld via de afgaszuiveringsinstallatie van de cokesovens of worden afzonderlijk afgezogen en geloosd. Als de afgassen van het vullen van de cokesovenkamers afzonderlijk geloosd worden, worden ze verbrand en behandeld in een stofverwijderingsinstallatie. Er geldt een emissiegrenswaarde voor stof van 25 mg/Nm³ voor de afzonderlijk geloosde afgassen.

Art. 3.1.5.1.4.

De diffuse emissies uit de cokesovens worden beperkt door:

het opstellen en het uitvoeren van een systematisch onderhoudsprogramma van de cokesovenkamers, de ovendeuren, de deurafdichtingen, de klimpijpen en de vulgaten, alsook het herstellen van breuken en beschadigingen in de ovenwanden, vastgesteld tijdens het onderhoud, en het uitvoeren van het onderhoudsprogramma door speciaal getraind onderhoudspersoneel;
het vermijden van sterke temperatuurschommelingen in de oven;
het uitvoerig controleren en monitoren van het cokesproces;
het schoonmaken van deuren, deurafdichtingen, vulgaten en vulgatdeksels en klimpijpen na hantering;
het behouden van een vrije gasstroom in de oven;
het garanderen van een gepaste drukregeling tijdens het vercooksen en de toepassing van deuren met geveerde flexibele afdichtingen;
het toepassen van klimpijpen met waterslot;
het verzegelen van de vulgaten met een kleisuspensie of een ander gelijkwaardig geschikt materiaal om de zichtbare emissies uit alle gaten te verminderen;
het garanderen van een volledige vercooksing.

Art. 3.1.5.1.5.

De duur van zichtbare emissies bij het vullen van de cokesoven bedraagt minder dan 30 seconden per vulbeurt als maandelijks gemiddelde.Voor de diffuse emissies uit de cokesovens zijn de volgende lekemissiegrenswaarden van toepassing als maandgemiddelde, uitgedrukt als een lekpercentage van het totale aantal deuren of klimpijpen en deksels van de cokesovenbatterij:

 

Type opening

Lekemissiegrenswaarde (%)

deuren

10

klimpijpen en deksels

1

 

De diffuse emissies uit de cokesovens worden visueel bepaald door toepassing van de EPA 303-methode, de DMT-methode, de door de BCRA ontwikkelde methode, de methode die gebaseerd is op een telling van zichtbare lekken in de klimpijpen en vulgaten of een andere gelijkwaardige methode die is goedgekeurd door een erkend laboratorium in de discipline lucht als vermeld in artikel 6, 5°, b), van het VLAREL van 19 november 2010.


Art. 3.1.5.1.6.

De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op de geloosde afgassen, afkomstig van het stooksysteem van de cokesovens. De emissiegrenswaarden hebben betrekking op een referentiezuurstofgehalte van 5%.

  

Parameter

 

Emissiegrenswaarde (in mg/Nm³)

stof

 

20

SOX, uitgedrukt als SO2

 

500

NOx, uitgedrukt als NO2

Bestaande installaties zonder geïntegreerde lage NOx technieken

1800

Bestaande installaties met geïntegreerde lage NOx technieken

650

 

Nieuwe installaties

500

CO

 

250

 

 

De concentratie van de parameters in de afgassen van de cokesovens, vermeld in het eerste lid, wordt gemeten met de volgende frequentie:

 

Parameter

Meetfrequentie

stof, NOx, CO

continu

SOx

om de vier maanden


Art. 3.1.5.1.7. Tijdens het vercooksen wordt het cokesovengas zo veel mogelijk afgezogen.

Art. 3.1.5.1.8. De residuele waterstofsulfideconcentratie in het cokesovengas, bepaald als daggemiddelde concentratie, bedraagt minder dan 800 mg/Nm³, behalve bij stilstand van de ontzwavelingsinstallatie voor onderhoud en herstel, waarbij een richtwaarde van 2 g/Nm³ geldt.

Art. 3.1.5.1.9. Fugitieve gasemissies, afkomstig van de afgaszuiveringsinstallaties worden tot een minimum beperkt door een beperking van het aantal flenzen, door het gebruik van geschikte afdichtingen voor flenzen en kleppen, door het gebruik van gasdichte pompen, door het vermijden van emissies van drukkleppen in opslagtanks, door middel van het verbinden van de klepuitlaat met het cokesovengasverzamelsysteem of door het verzamelen en verbranden van de gassen.

Art. 3.1.5.1.10. Bij het uitdrukken van de cokes wordt gebruikgemaakt van een mobiele cokesbluswagen. De stofemissies worden afgezogen via een cokestransportmachine met vaste afzuigkap. Tijdens het volledige uitdrukproces wordt stof via de vaste afzuigkap afgezogen en worden de afgassen naar een stofverwijderingsinstallatie geleid. Voor de geloosde afgassen van het uitdrukken van cokes geldt een emissiegrenswaarde voor stof van 10 mg/Nm³ bij het gebruik van een doekenfilter, en van 20 mg/Nm³ bij het gebruik van een andere stofverwijderingsinstallatie.

Art. 3.1.5.1.11.

Bij het droog blussen van cokes, wordt de nuttige warmte teruggewonnen. Voor de geloosde afgassen van het droog blussen van cokes geldt een emissiegrenswaarde voor stof van 20 mg/Nm³.

 

Bij het nat blussen van cokes, is de blustoren voorzien van ingebouwde stofafscheiders. De emissiegrenswaarden voor stof worden uitgedrukt in gram per ton cokes. De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, voor stof zijn van toepassing op de geloosde afgassen, afkomstig van het nat blussen van cokes:

 

 

Emissiegrenswaarde (g/ton cokes)

traditioneel nat blussen

25

nat blussen met cokesstabilisatie

10

 

De emissies bij het nat blussen van cokes worden gemeten volgens de niet-isokinetische Mohrhauer-methode (VDI 2303) bij traditioneel nat blussen, volgens de isokinetische bemonsteringsmethode volgens VDI 2066 bij nat blussen met cokesstabilisatie of volgens een andere gelijkwaardige methode die is goedgekeurd door een erkend laboratorium in de discipline lucht als vermeld in artikel 6, 5°, b), van het VLAREL van 19 november 2010.


Art. 3.1.5.1.12. Emissies van installaties voor het sorteren en verwerken van cokes worden beperkt door de installaties in te kapselen. De afgassen worden efficiënt afgezogen en naar een stofverwijderingsinstallatie geleid. Voor de geloosde afgassen van installaties voor het sorteren en het verwerken van cokes geldt een emissiegrenswaarde voor stof van 10 mg/Nm³.

Subafdeling 3.1.5.2.
Water en afvalwater


Art. 3.1.5.2.1. Er wordt zo weinig mogelijk cokesbluswater gebruikt en het gebruikte bluswater wordt zo veel mogelijk hergebruikt.

Art. 3.1.5.2.2. Het hergebruik van proceswater met een significant gehalte organische stoffen als bluswater wordt vermeden.

Art. 3.1.5.2.3. Het afvalwater van het vercooksen en van het reinigen van cokesovengas (COG) wordt, voordat het naar een afvalwaterzuiveringsinstallatie wordt afgevoerd, behandeld met een of meer van de technieken vermeld in BBT 55 van de BBT-conclusies voor ijzer- en staalproductie.

Art. 3.1.5.2.4.

De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op de lozing van het afvalwater van een afzonderlijke cokesovenwaterzuiveringsinstallatie in oppervlaktewater:

 

Parameter

Emissiegrenswaarde

Eenheid

BZV

20,0

mg/l

CZV

220,0

mg/l

som van ammoniumstikstof (NH4 + -N), nitraatstikstof (NO3 - -N) en nitrietstikstof (NO2 - -N)

50

mg N/l

vrij cyanide

0,1

mg/l

Fenolen

0,5

mg/l

som van opgelost sulfide en in zuur milieu oplosbaar sulfide

0,1

mg S/l

Thiocyanaat

1

mg S/l

PAK’s (som van fluorantheen, benzo[b]fluorantheen, benzo[k]fluorantheen, benzo[a]pyreen, indeen[1,2,3-cd]pyreen en benzo[g,h,i]peryleen)

0,05

mg/l

 


Subafdeling 3.1.5.3.
Productieresiduen


Art. 3.1.5.3.1. Teer en andere productieresiduen uit het koolwater en stilstaand afvalwater, alsook spuislib uit de afvalwaterzuiveringsinstallatie en andere, worden naar de kolenbelading gerecycleerd.

Subafdeling 3.1.5.4.
Energie


Art. 3.1.5.4.1. Het afgezogen cokesovengas wordt als brandstof, reductiemiddel of voor de productie van chemicaliën gebruikt.

Afdeling 3.1.6.
Hoogovens


Art. 3.1.6.1. Deze afdeling is van toepassing op alle hoogovens.

Subafdeling 3.1.6.1.
Luchtemissies


Art. 3.1.6.1.1. De lucht die tijdens het laden uit de opslagbunkers van de koolinjectie-eenheid wordt verdreven, wordt afgevangen en naar een stofverwijderingsinstallatie geleid. Er geldt een emissiegrenswaarde voor stof van 20 mg/Nm³.

Art. 3.1.6.1.2. Bij de voorbereiding (samenvoegen en mengen) en aanvoer van de lading worden stofemissies tot een minimum beperkt.

Art. 3.1.6.1.3. Er worden teervrije gootbekledingen gebruikt.

Art. 3.1.6.1.4. Het vrijkomen van hoogovengas tijdens het laden wordt tot een minimum beperkt door toepassing van een of meer van de technieken vermeld in BBT 63 van de BBT-conclusies voor ijzer- en staalproductie.

Art. 3.1.6.1.5. Stofemissies van het hoogovengas worden gereduceerd door toepassing van een of meer van de technieken vermeld in BBT 64 van de BBT-conclusies voor ijzer- en staalproductie.

Art. 3.1.6.1.6. Emissies uit het ovenhuis worden beperkt door het optimaliseren van het afvangrendement voor diffuse stofemissies en dampen. De afgassen worden naar een stofverwijderingsinstallatie geleid. Er geldt een emissiegrenswaarde voor stof van 15 mg/Nm³. De concentratie stof in de afgassen van het ovenhuis wordt continu gemeten en geregistreerd.

Art. 3.1.6.1.7.

De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op de geloosde afgassen van windverhitters. De emissiegrenswaarden hebben betrekking op een referentiezuurstofgehalte van 3%.

 

Parameter

Emissiegrenswaarde (mg/Nm³)

stof

10

SOX, uitgedrukt als SO2

200

NOx, uitgedrukt als NO2

100

 

De concentratie van de parameters in de afgassen van windverhitters, vermeld in het eerste lid, wordt om de vier maanden gemeten.

 

In afwijking van de algemene emissiegrenswaarden vermeld in hoofdstuk 4.4 van titel II van het VLAREM, worden voor de reductie van de CO-emissies bij windverhitters met inwendige verbrandingskamer vuurvaste stalen platen ingewerkt in het metselwerk van de verbrandingskamer. Het vuurvaste metselwerk van de windverhitters wordt grondig hersteld tijdens een hoogovenstilstand.


Subafdeling 3.1.6.2.
Water en afvalwater


Art. 3.1.6.2.1. Bij hoogovengasreiniging wordt zo weinig mogelijk waswater gebruikt en het gebruikte waswater wordt zo veel mogelijk hergebruikt, zo nodig na behandeling met een grindbedfilter.

Art. 3.1.6.2.2.

De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op de lozing van het afvalwater van de hoogovengasreiniging in oppervlaktewater:

 

Parameter

Emissiegrenswaarde (in mg/l)

zwevende stoffen

30,0

vrij cyanide

0,4

totaal ijzer

3

totaal lood

0,5

totaal zink

2,0

 


Subafdeling 3.1.6.3.
Productieresiduen


Art. 3.1.6.3.1. Het ontstaan van afval in hoogovens wordt voorkomen door toepassing van een of meer van de technieken vermeld in BBT 68 van de BBT-conclusies voor ijzer- en staalproductie. Procesresiduen afkomstig van hoogovens die vermeden noch gerecycleerd kunnen worden, worden op een gecontroleerde manier beheerd.

Subafdeling 3.1.6.4.
Grondstoffenbeheer


Art. 3.1.6.4.1. Voor grondstoffenbeheer in hoogovens wordt het cokesverbruik verminderd door direct geïnjecteerde reductiemiddelen te gebruiken.

Subafdeling 3.1.6.5.
Energie


Art. 3.1.6.5.1. De hoogoven werkt vlot, continu en stabiel om emissies tot een minimum te beperken en de kans op ladingverliezen te verminderen.

Art. 3.1.6.5.2. Het afgezogen hoogovengas wordt als brandstof gebruikt.

Art. 3.1.6.5.3. De energie-efficiëntie van de windverhitter wordt geoptimaliseerd door de toepassing van een of meer van de technieken vermeld in BBT 74 van de BBT-conclusies voor ijzer- en staalproductie.

Afdeling 3.1.7.
Oxystaalproductie en -gieten


Art. 3.1.7.1. De bepalingen in deze afdeling zijn van toepassing op alle installaties voor oxystaalproductie en -gieten.

Subafdeling 3.1.7.1.
Luchtemissies


Art. 3.1.7.1.1.

Bij de terugwinning van oxystaalovengas door onderdrukte verbranding wordt de stofconcentratie in het oxystaalovengas gereduceerd door toepassing van een stofverwijderingsinstallatie. De resterende stofconcentratie in het gereinigde oxystaalovengas, na buffering, bedraagt 50 mg/Nm³ voor bestaande installaties en 30 mg/Nm³ voor nieuwe installaties.

 

Bij de terugwinning van oxystaalovengas tijdens het zuurstofblazen door volledige verbranding wordt de stofemissie gereduceerd door toepassing van een stofverwijderingsinstallatie. Er geldt een emissiegrenswaarde voor stof van 20 mg/Nm³ voor de afgassen van de oxystaaloven. De stofconcentratie in de geloosde afgassen wordt om de vier maanden gemeten en geregistreerd.

 

Emissies, afkomstig van het overschenken van ruwijzer vanuit de rijdende menger of ruwijzermenger naar de staalpan, de voorbehandeling van ruwijzer, processen met betrekking tot de oxystaalproductie, secundaire metallurgie en continugieten worden beperkt door de installaties te overkappen of in te kapselen. De afgassen worden efficiënt afgezogen en naar een stofverwijderingsinstallatie geleid. Er geldt een emissiegrenswaarde voor stof van 10 mg/Nm³ bij het gebruik van een doekenfilter, en van 20 mg/Nm³ bij het gebruik van een andere stofverwijderingsinstallatie. De stofconcentratie in de geloosde afgassen wordt continu gemeten en geregistreerd voor het laden en het tappen van de oxystaaloven, en om de vier maanden voor de andere processen zoals voorbehandeling, secundaire metallurgie en continugieten.


Art. 3.1.7.1.2. Stofemissies uit het zuurstoflansgat worden tot een minimum beperkt door toepassing van een of meer van de technieken vermeld in BBT 77 van de BBT-conclusies voor ijzer- en staalproductie.

Art. 3.1.7.1.3. Voor slakkenverwerking ter plaatse worden stofemissies verminderd door toepassing van een of meer van de technieken vermeld in BBT 79 van de BBT-conclusies voor ijzer- en staalproductie.

Subafdeling 3.1.7.2.
Water en afvalwater


Art. 3.1.7.2.1. Het waterverbruik en de afvalwateremissies van de primaire ontstoffing van oxystaalovengas wordt voorkomen of verminderd door toepassing van een van de technieken vermeld in BBT 80 van de BBT-conclusies voor ijzer- en staalproductie.

Art. 3.1.7.2.2.

De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op de lozing van het afvalwater van continugietmachines in oppervlaktewater:

 

Parameter

Emissiegrenswaarde (in mg/l)

zwevende stoffen

20,0

totaal ijzer

3

totaal nikkel

0,5

totaal chroom

0,5

totaal zink

2

perchloorethyleenextraheerbare apolaire stoffen

5


Subafdeling 3.1.7.3.
Productieresiduen


Art. 3.1.7.3.1. Het ontstaan van afval wordt voorkomen door toepassing van een of meer van de technieken vermeld in BBT 82 van de BBT-conclusies voor ijzer- en staalproductie. Procesresiduen in oxystaalovens die vermeden noch gerecycleerd kunnen worden, worden op een gecontroleerde manier beheerd.

Subafdeling 3.1.7.4.
Energie


Art. 3.1.7.4.1. Bij toepassing van onderdrukte verbranding wordt het oxystaalovengas verzameld, gereinigd en gebufferd voor verder gebruik als brandstof. Bij toepassing van volledige verbranding wordt energie gerecupereerd door de opwekking van stoom.

Art. 3.1.7.4.2. Bij nieuwe installaties wordt het energieverbruik verminderd door pandekselsystemen te gebruiken. Bij bestaande installaties worden pandekselsystemen gebruikt indien het vermogen van de hefinrichtingen en het ontwerp van het hele gebouw dit toelaten.

Art. 3.1.7.4.3. Het proces wordt geoptimaliseerd en het energieverbruik wordt verminderd door de oven direct na het zuurstofblazen af te tappen.

Art. 3.1.7.4.4. Het energieverbruik wordt verminderd door continugieten van „near-net-shape”-strippen, indien dit verantwoord is op basis van de kwaliteit en het productmengsel van de geproduceerde staalsoorten en indien er voldoende ruimte beschikbaar is bij bestaande installaties.

Afdeling 3.1.8.
Elektrostaalproductie en -gieten


Art. 3.1.8.1. Deze afdeling is van toepassing op alle installaties voor elektrostaalproductie en -gieten.

Subafdeling 3.1.8.1.
Luchtemissies


Art. 3.1.8.1.1. Voor de processen van vlamboogovens (elektro-ovens) worden emissies van kwik voorkomen door grondstoffen en hulpstoffen die kwik bevatten zo veel mogelijk te vermijden.

Art. 3.1.8.1.2.

Alle emissiebronnen van de vlamboogovens worden efficiënt afgezogen en naar een stofverwijderingsinstallatie geleid.De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op de geloosde afgassen van vlamboogovens, inclusief schroot voorverwarmen, laden, smelten, tappen, panoven en secundaire metallurgie:

 

Parameter

Emissiegrenswaarde

stof

5 mg/Nm³

Hg

0,05 mg/Nm³

dioxinen en furanen

0,1 ng TEQ/Nm³

 

Voor de afgassen van het continugieten geldt er een emissiegrenswaarde voor stof van 10 mg/Nm³.

 

De stofconcentratie in de geloosde afgassen wordt continu gemeten en geregistreerd voor de vlamboogovens, de converters, het continugieten en de slijpmachines, en om de vier maanden voor de andere processen.

 

De concentratie van Hg in de geloosde afgassen wordt om de vier maanden gemeten en geregistreerd.

 

Voor dioxinen en furanen worden de gemiddelden bepaald over een bemonsteringsperiode van minimaal zes uur en maximaal acht uur. De emissiegrenswaarde heeft betrekking op de totale concentratie van dioxinen en furanen, berekend aan de hand van het begrip “toxische equivalentie”.

 

Voor de meting van dioxinen en furanen en de evaluatie van de meetresultaten gelden de bepalingen van de meetstrategie, vermeld in artikel 5.29.0.6, §1, van titel II van het VLAREM.


Art. 3.1.8.1.3. Voor slakkenverwerking ter plaatse worden stofemissies verminderd door toepassing van een of meer van de technieken vermeld in BBT 90 van de BBT-conclusies voor ijzer- en staalproductie.

Subafdeling 3.1.8.2.
Water en afvalwater


Art. 3.1.8.2.1. Het waterverbruik van processen van vlamboogovens wordt zo laag mogelijk gehouden door zo veel mogelijk gesloten waterkoelsystemen te gebruiken voor de koeling van oveninstallaties, tenzij koelsystemen met één doorloop worden gebruikt.

Art. 3.1.8.2.2.

De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op de lozing van het afvalwater van continugietmachines in oppervlaktewater:

 

Parameter

Emissiegrenswaarde (in mg/l)

zwevende stoffen

20,0

totaal ijzer

3

totaal nikkel

0,5

totaal chroom

0,5

totaal zink

2

Perchloorethyleenextraheerbare apolaire stoffen

5

 

 

 

 

 


Subafdeling 3.1.8.3.
Productieresiduen


Art. 3.1.8.3.1. Het ontstaan van afval wordt voorkomen door toepassing van een of meer van de technieken vermeld in BBT 93 van de BBT-conclusies voor ijzer- en staalproductie. Procesresiduen van vlamboogovens die vermeden noch gerecycleerd kunnen worden, worden op een gecontroleerde manier beheerd.

Subafdeling 3.1.8.4.
Energie


Art. 3.1.8.4.1. Het energieverbruik wordt verminderd door continugieten van „near-net-shape”-strippen, indien dit verantwoord is op basis van de kwaliteit en het productmengsel van de geproduceerde staalsoorten en indien er voldoende ruimte beschikbaar is bij bestaande installaties.

Subafdeling 3.1.8.5.
Geluidshinder


Art. 3.1.8.5.1. Geluidsemissies van vlamboogoveninstallaties en -processen waarbij een grote akoestische energie vrijkomt, worden verminderd door toepassing van een combinatie van de technieken vermeld in BBT 95 van de BBT-conclusies voor ijzer- en staalproductie.

Hoofdstuk 3.2.
Productie van glas


Afdeling 3.2.1.
Toepassingsgebied en definities


Art. 3.2.1.1.

§1. Dit hoofdstuk is van toepassing op de inrichtingen vermeld in rubriek 20.3.4, 1°, b), en 20.3.6, 2°, van de indelingslijst. Bestaande installaties, als vermeld in artikel 3.2.1.2, 2°, voldoen uiterlijk op 8 maart 2016 aan dit hoofdstuk.

 

De overeenkomstige GPBV-activiteiten zijn de activiteiten 3.3 en 3.4, vermeld in bijlage 1 bij dit besluit.

 

§2. Paragraaf 1 heeft geen betrekking op de productie van waterglas, van polykristallijne wol of van spiegels.


Art. 3.2.1.2.

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

nieuwe installatie: een installatie die na 8 maart 2012 op het terrein van de inrichting gebouwd wordt of een installatie die na 8 maart 2012 volledig herbouwd wordt op de bestaande fundamenten;
bestaande installatie: een andere dan een nieuwe installatie;
nieuwe oven: een oven die na 8 maart 2012 op het terrein van de installatie wordt geplaatst of een oven die na 8 maart 2012 volledig omgebouwd wordt;
de BBT-conclusies voor de productie van glas: het uitvoeringsbesluit 2012/135/EU van de Commissie van 28 februari 2012 tot vaststelling van de BBT-conclusies (beste beschikbare technieken) op grond van Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad inzake industriële emissies voor de productie van glas, gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie L70 van 8 maart 2012.

 


Art. 3.2.1.3.

Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden de conversies van concentraties naar specifieke massa-emissies, vermeld in het tweede tot en met het vijfde lid.

 

De emissiegrenswaarden die zijn uitgedrukt als specifieke massa-emissies (kg/ton gesmolten glas), zijn gebaseerd op de berekening, vermeld in het derde lid, behalve voor oxyfuel-ovens en, in een beperkt aantal gevallen, voor elektrische smelting, waarvoor de emissiegrenswaarden in kg/ton gesmolten glas werden afgeleid uit specifieke verstrekte gegevens.

 

De berekeningsprocedure die wordt gebruikt voor de omzetting van concentraties in specifieke massa-emissies is de volgende:

 

specifieke massa-emissies (kg/ton gesmolten glas) = conversiefactor × emissieconcentratie (mg/Nm3)

 

waarbij: conversiefactor = (Q/P) × 10-6,

met Q gelijk aan afgasvolume in Nm3/h en  

P gelijk aan glasafname in ton gesmolten glas/h.

 

Het afgasvolume wordt bepaald door het specifieke energieverbruik, het soort brandstof en het oxidatiemiddel, zijnde lucht, lucht verrijkt met zuurstof en zuurstof met een zuiverheidsgraad die afhankelijk is van het productieproces. Het energieverbruik is een complexe functie van voornamelijk het soort oven, het soort glas en het percentage scherven.

 

De conversiefactoren, vermeld in de onderstaande tabel zijn gebruikt om concentraties naar specifieke massa-emissies om te zetten. De conversiefactoren zijn bepaald op basis van energie-efficiënte ovens en hebben uitsluitend betrekking op lucht-brandstofgestookte ovens. De volgende indicatieve conversiefactoren worden gebruikt om mg/Nm3 om te zetten in kg/ton gesmolten glas op basis van energie-efficiënte lucht-brandstofgestookte ovens:

 

Sectoren

Conversiefactoren voor omzetting mg/Nm3 naar kg/ton gesmolten glas

Vlakglas

2,5 × 10-3

Verpakkingsglas

Algemeen geval

1,5 × 10-3

Specifieke gevallen (1)

geval per geval (vaak 3,0 × 10-3)

Continuglasvezel

4,5 × 10-3

Tafelglas

Natronkalk

2,5 × 10-3

Specifieke gevallen (2)

geval per geval (tussen 2,5 en > 10 × 10-3; vaak 3,0 × 10-3)

Minerale wol

Glaswol

2 × 10-3

Steenwol (koepeloven)

2,5 × 10-3

Speciaalglas

tv-glas (schermen)

3 × 10-3

tv-glas (trechter)

2,5 × 10-3

Borosilicaatglas (buisglas)

4 × 10-3

Glaskeramiek

6,5 × 10-3

Verlichtingsglas (natronkalkglas)

2,5 × 10-3

Fritte

geval per geval (tussen 5 – 7,5 × 10-3)

(1) De specifieke gevallen stemmen overeen met de minst gunstige gevallen, namelijk kleine speciale ovens met een productie die gewoonlijk lager ligt dan 100 t/dag en een schervenpercentage van minder dan 30%.

(2) De specifieke gevallen stemmen overeen met de minst gunstige gevallen of niet-natronkalkglas: borosilicaatglas, glaskeramiek, kristalglas en, minder frequent, loodkristalglas.

 


Afdeling 3.2.2.
Algemene bepalingen


Art. 3.2.2.1.

Tenzij anders is vermeld, zijn de bepalingen in deze afdeling algemeen van toepassing voor alle inrichtingen, vermeld in dit hoofdstuk.

                         

De processpecifieke bepalingen, vermeld in afdeling 3.2.3 tot en met 3.2.10, zijn van toepassing naast de algemene bepalingen die in deze afdeling beschreven worden.


Art. 3.2.2.2.

Er wordt een milieubeheersysteem ten uitvoer gelegd en nageleefd dat alle volgende elementen omvat:

 

1°  de inzet van het management, inclusief het senior management; 
2°  het uitwerken van een milieubeleid voor de continue verbetering van de installatie door het management;
3°  het plannen en vaststellen van noodzakelijke procedures, doelstellingen en streefcijfers, samen met een financiële planning en investeringen;
4°  het uitvoeren van de procedures, waarbij vooral aandacht geschonken wordt aan:
  a)  bedrijfsorganisatie en verantwoordelijkheid van het personeel,
  b)  opleiding, bewustmaking en bekwaamheid,
  c)  communicatie,
  d)  betrokkenheid van de werknemers,
  e)  documentatie,
  f)  efficiënte procescontrole,
  g) onderhoudsprogramma's,
  h) noodplan en rampenbestrijding,
  i) waarborging van de naleving van de milieuwetgeving;
het controleren van de prestaties en het nemen van corrigerende maatregelen, waarbij vooral aandacht geschonken wordt aan:
  a) monitoring en meting,
  b) corrigerende en preventieve maatregelen,
  c) het bijhouden van gegevens,
  d) onafhankelijke interne of externe audit, met als doel vast te stellen of het milieubeheersysteem overeenkomt met de geplande maatregelen en op de juiste wijze wordt uitgevoerd en gehandhaafd;
het evalueren van het milieubeheersysteem door het senior management met als doel te waarborgen dat het geschikt, adequaat en doeltreffend blijft;
het volgen van de ontwikkelingen van schonere technologieën;
het rekening houden met de milieueffecten bij het ontwerp van een nieuwe installatie, tijdens de volledige levensduur en bij de latere ontmanteling ervan;
het op gezette tijden uitvoeren van een benchmarkonderzoek.

 

 


Art. 3.2.2.3. Het specifieke energieverbruik wordt beperkt door toepassing van een of meer van de technieken vermeld in BBT 2 van de BBT-conclusies voor productie van glas.

Art. 3.2.2.4. Diffuse stofemissies afkomstig van de opslag en hantering van vaste materialen worden voorkomen, of indien dat niet haalbaar is, beperkt door toepassing van een of meer van de technieken vermeld in BBT 3 van de BBT-conclusies voor productie van glas.

Art. 3.2.2.5.

Diffuse gasemissies afkomstig van de opslag en hantering van vluchtige grondstoffen worden voorkomen, of indien dat niet haalbaar is, beperkt door toepassing van een of meer van de technieken vermeld in BBT 4 van de BBT-conclusies voor productie van glas.

 


Art. 3.2.2.6. Energieverbruik en atmosferische emissies worden beperkt door een constante monitoring van de bedrijfsparameters en een geprogrammeerd onderhoud van de smeltoven. De techniek wordt vermeld in BBT 5 van de BBT-conclusies voor productie van glas.

Art. 3.2.2.7. Een zorgvuldige selectie en controle wordt uitgeoefend op alle stoffen en grondstoffen die in de smeltoven worden ingevoerd om atmosferische emissies te voorkomen of te beperken door toepassing van een of meer van de technieken vermeld in BBT 6 van de BBT-conclusies voor productie van glas.

Art. 3.2.2.8. Kritieke procesparameters om de processtabiliteit te garanderen worden continu gemeten.

Art. 3.2.2.9. Onder normale bedrijfsomstandigheden wordt een optimale capaciteit en beschikbaarheid van de afgasbehandelingsinstallaties gegarandeerd om de emissies te voorkomen of te beperken.

Art. 3.2.2.10. Als door omstandigheden van druk en temperatuur in de afgassen de metalen ook in gasvorm of in druppelvorm voorkomen, dan gelden de emissiegrenswaarden voor metalen in dit hoofdstuk voor de som van vaste, vloeibare en gasvormige emissies.

Art. 3.2.2.11. Voor discontinue metingen van atmosferische emissies wordt de meetwaarde bepaald als de gemiddelde waarde van drie steekproefmonsters van elk minstens 30 minuten. Voor regeneratieve ovens omvat de meetperiode minstens twee branderwisselingen van de regeneratieve kamers.

Art. 3.2.2.12.

De volgende referentieomstandigheden gelden met betrekking tot atmosferische emissies:

 

Activiteiten

Eenheid

Referentieomstandigheden

Smeltactiviteiten

Conventionele smeltoven in continue smelters

mg/Nm3

 

Zuurstofgehalte van 8 volumeprocent

Conventionele smeltoven in discontinue smelters

mg/Nm3

 

Zuurstofgehalte van 13 volumeprocent

Oxyfuelovens

 

kg/ton gesmolten glas

De uitdrukking van emissie-niveaus, gemeten als mg/Nm3 ten opzichte van een referentiezuurstofgehalte, is niet van toepassing

Elektrische ovens

 

mg/Nm3 of kg/ton gesmolten glas

De uitdrukking van emissie-niveaus, gemeten als mg/Nm3 ten opzichte van een referentiezuurstofgehalte, is niet van toepassing

Frittesmeltovens

mg/Nm3 of kg/ton gesmolten glasfritte

De concentraties zijn gebaseerd op 15 volume-procent zuurstof. Voor lucht-gasverbranding, uitgedrukt als emissieconcentratie (mg/Nm3). Als uitsluitend oxyfuelverbranding wordt toegepast, uitgedrukt als specifieke massa-emissies (kg/ton gesmolten fritte). In geval van verbranding van met zuurstof verrijkte lucht en brandstof, uitgedrukt als emissieconcentratie (mg/Nm3) of als specifieke massa-emissies (kg/ton gesmolten fritte).

Alle soorten ovens

kg/ton gesmolten glas

De specifieke massa-emissies hebben betrekking op een ton gesmolten glas.

Andere activiteiten dan smelten, inclusief nabewerkingsprocessen

Alle processen

mg/Nm³

Geen correctie voor zuurstof

Alle processen

kg/ton glas

De specifieke massa-emissies hebben betrekking op een ton geproduceerd glas

 


Art. 3.2.2.13.

De concentratie van de volgende parameters in de afgassen van de smeltovens, waarvoor in de afdelingen 3.2.3 tot en met 3.2.10 emissiegrenswaarden opgenomen zijn, wordt gemeten met de volgende frequentie:

 

Parameter

Meetfrequentie

stof, NOx en SO2

continu

gasvormige anorganische fluoriden, gasvormige anorganische chloriden, metalen

om de vier maanden

 

De continue metingen kunnen vervangen worden door continue metingen van vervangende parameters. De metingen van vervangende parameters waarborgen dat de afgasbehandelingsinstallatie naar behoren werkt en dat de emissieniveaus gehandhaafd blijven. In dat geval wordt om de zes maanden een periodieke meting uitgevoerd.


Art. 3.2.2.14. Booremissies afkomstig van de smeltoven, wanneer boorverbindingen in het gemeng worden gebruikt, worden beperkt door toepassing van een of meer van de technieken vermeld in BBT 11 van de BBT-conclusies voor productie van glas. De monitoring van booremissies dient uitgevoerd te worden volgens een specifieke methode waarmee zowel de vaste als gasvormige vormen kunnen worden gemeten en ter bepaling in welke mate deze soorten uit de rookgassen verwijderd zijn.

Art. 3.2.2.15.

De concentratie van de parameters in de afgassen van de nabewerkingsprocessen, waarvoor in de afdelingen 3.2.3 tot en met 3.2.10 emissiegrenswaarden opgenomen zijn, wordt om de vier maanden gemeten.


Art. 3.2.2.16.

De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op de geloosde afgassen van smeltovens:

 

Parameter

Emissiegrenswaarde in mg/Nm³

Opmerkingen

CO

100

 

ammoniak

30

in geval SCR- of SNCR-technieken worden toegepast


Art. 3.2.2.17. Bij toepassing van afgasbehandelingsinstallaties op basis van selectieve katalytische reductie of selectieve niet-katalytische reductie worden de emissies van NH3 in de geloosde afgassen maandelijks gemeten en geregistreerd.

Art. 3.2.2.18. Bij toepassing van primaire technieken of technieken voor chemische reductie met brandstof ter vermindering van de NOx-emissies of als onvolledige verbranding kan plaatsvinden, worden de emissies van CO in de geloosde afgassen maandelijks gemeten en geregistreerd.

Art. 3.2.2.19. Het waterverbruik wordt beperkt door toepassing van een of meer van de technieken vermeld in BBT 12 van de BBT-conclusies voor productie van glas.

Art. 3.2.2.20.

De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op de lozing van het afvalwater in oppervlaktewater:

  

Parameter

emissiegrenswaarde

eenheid

ondergrens pH

6,5

pH-eenheid

bovengrens pH

9

pH-eenheid

zwevende stoffen

30

mg/l

CZV

90

mg/l

sulfaten

1000

mg/l

totaal anorganisch gebonden fluoride

10

bij zuurpolijsten: 6

mg/l

totaal lood

loodkristalglas: 0,30

mg/l

andere sectoren: 0,05

mg/l

totaal antimoon

0,5

mg/l

totaal arseen

0,3

mg/l

totaal barium

3,0

mg/l

totaal zink

0,5

mg/l

totaal koper

0,3

mg/l

totaal chroom

0,3

mg/l

totaal cadmium

0,05

mg/l

totaal tin

0,5

mg/l

totaal nikkel

0,5

hol glas 0,2

mg/l

ammonium (NH4+)

5

spiegelglas en matglas: 10

mg/l

totaal boor

3,0

mg/l

fenol

1

hol glas: 0,4

plat glas en glasderivaten: 0,04

mg/l

perchloorethyleenextraheerbare apolaire stoffen

15

mg/l


Art. 3.2.2.21. De productie van vast afval dat verwijderd moet worden, wordt beperkt door toepassing van een of meer van de technieken vermeld in BBT 14 van de BBT-conclusies voor productie van glas.

Art. 3.2.2.22. Geluidsemissies worden beperkt door toepassing van een of meer van de technieken vermeld in BBT 15 van de BBT-conclusies voor productie van glas.

Afdeling 3.2.3.
Fabricage van verpakkingsglas


Art. 3.2.3.1. Deze afdeling is van toepassing op alle installaties voor de fabricage van verpakkingsglas.

Art. 3.2.3.2.

De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op de geloosde afgassen van smeltovens voor de fabricage van verpakkingsglas:

 

Parameter

Opmerkingen

Emissiegrenswaarde

mg/Nm³

kg/ton gesmolten glas

Stof

 

20

0,06

NOx, uitgedrukt als NO2

 

bij toevoeging van nitraten in het gemeng voor korte ovencampagnes of voor smeltovens met een capaciteit < 100 ton/dag

1000

3

in alle andere gevallen

primaire technieken voor verbrandingsproces en ovenontwerp

800

1,2

elektrisch smelten

100

0,3

oxyfuelsmelting

niet van toepassing

0,8

secundaire technieken

500

0,75

SOx, uitgedrukt als SO2

bij gebruik van aardgas

500

0,75

bij gebruik van stookolie

1200

1,8

gasvormige anorganische chloriden, uitgedrukt als HCl

bij gelijktijdige behandeling van afgassen afkomstig van hot-end coatingprocedés

20

0,03

anders

10

0,02

gasvormige anorganische fluoriden, uitgedrukt als HF

 

5

0,008

som As+Co+Ni+Cd+Se+Cr(VI)

zonder opzettelijke toevoeging van metalen aan het gemeng

0,2

0,3 x 10-3

met toevoeging van metalen aan het gemeng of bij gezamenlijke behandeling met afgassen van hot-end coatingprocedés

1

1,5 x 10-3

som As+Co+Ni+Cd+Se+Cr(VI)+Sb+Pb+Cr(III) +Cu+Mn+V+Sn

zonder opzettelijke toevoeging van metalen aan het gemeng

1

1,5 x 10-3

met toevoeging van metalen aan het gemeng of bij gezamenlijke behandeling met afgassen van hot-end coatingprocedés

5

7,5 x 10-3

 


Art. 3.2.3.3.

De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op de geloosde afgassen van nabewerkingsprocessen voor de fabricage van verpakkingsglas, als de afgassen afzonderlijk worden behandeld:

 

Parameter

Opmerkingen

Emissiegrenswaarde in mg/Nm³

stof

bij hot-end coatingprocedés

10

titaniumverbindingen, uitgedrukt als Ti

bij hot-end coatingprocedés

5

tinverbindingen, met inbegrip van organotinverbindingen, uitgedrukt als Sn

bij hot-end coatingprocedés

5

gasvormige anorganische chloriden, uitgedrukt als HCl

bij hot-end coatingprocedés

30

SOx, uitgedrukt als SO2

bij gebruik van SO3 voor oppervlaktebehandelingsprocessen

200

 


Afdeling 3.2.4.
Fabricage van vlakglas


Art. 3.2.4.1. Deze afdeling is van toepassing op alle installaties voor de fabricage van vlakglas.

Art. 3.2.4.2.

De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op de geloosde afgassen van smeltovens voor de fabricage van vlakglas:

 

Parameter

Opmerkingen

Emissiegrenswaarde

mg/Nm³

kg/ton gesmolten glas

Stof

 

20

0,05

NOx, uitgedrukt als NO2

 

bij toevoeging van nitraten in het gemeng voor de productie van speciaal vlakglas tijdens een beperkt aantal korte ovencampagnes

1200

3

in alle andere gevallen

primaire technieken voor verbrandings-proces

800

2

Fenix-proces

700

1,75

oxyfuelsmelting

niet van toepassing

2

secundaire technieken – geen nieuwe of normaal omgebouwde oven

700

1,75

secundaire technieken – nieuwe of normaal omgebouwde oven

400

1

SOx, uitgedrukt als SO2

bij gebruik van aardgas

500

1.25

bij gebruik van stookolie

1300

3,25

gasvormige anorganische chloriden, uitgedrukt als HCl

bij recycling van filterstof in het gemeng

25

0,0625

anders

10

0,025

gasvormige anorganische fluoriden, uitgedrukt als HF

 

4

0,010

som As+Co+Ni+Cd+Se+Cr(VI)

uitgezonderd met seleen gekleurd glas

1

2,5 x 10-3

som As+Co+Ni+Cd+Se+Cr(VI)+Sb+Pb+Cr(III) +Cu+Mn+V+Sn

uitgezonderd met seleen gekleurd glas

5

12,5 x 10-3

seleenverbindingen, uitgedrukt als Se

met seleen gekleurd glas

3

7,5 x 10-3

 


Art. 3.2.4.3.

De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op de geloosde afgassen van nabewerkingsprocessen voor de fabricage van vlakglas, als de afgassen afzonderlijk worden behandeld:

 

Parameter

emissiegrenswaarde in mg/Nm³

stof

20

gasvormige anorganische chloriden, uitgedrukt als HCl

10

gasvormige anorganische fluoriden, uitgedrukt als HF

5

SOx, uitgedrukt als SO2

200

som As+Co+Ni+Cd+Se+Cr(VI)

1

som As+Co+Ni+Cd+Se+Cr(VI)+Sb+Pb+Cr(III)+Cu+Mn+V+Sn

5

 


Afdeling 3.2.5.
Fabricage van continuglasvezel


Art. 3.2.5.1. Deze afdeling is van toepassing op alle installaties voor de fabricage van continuglasvezel.

Art. 3.2.5.2.

De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op de geloosde afgassen van smeltovens voor de fabricage van continuglasvezel:

 

Parameter

Opmerkingen

Emissiegrenswaarde

 

mg/Nm³

kg/ton gesmolten glas

stof

 

20

0,09

NOx, uitgedrukt als NO2

 

primaire technieken voor verbrandingsproces

1000

4,5

oxyfuelsmelting

niet van toepassing

1,5

SOx, uitgedrukt als SO2

bij gebruik van aardgas

800

3,6

bij gebruik van stookolie

1000

4,5

gasvormige anorganische chloriden, uitgedrukt als HCl

 

10

0,05

gasvormige anorganische fluoriden, uitgedrukt als HF

bij gebruik van fluorverbindingen in het gemeng

15

0,07

bij ander gebruik

5

0,02

som As+Co+Ni+Cd+Se+Cr(VI)

 

1

4,5 x 10-3

som As+Co+Ni+Cd+Se+Cr(VI)+Sb+Pb+Cr(III)+Cu+Mn+V+Sn

 

3

13,5 x 10-3

 


Art. 3.2.5.3.

De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op de geloosde afgassen van nabewerkingsprocessen voor de fabricage van continuglasvezel, als de afgassen afzonderlijk worden behandeld:

 

Parameter

Opmerkingen

Emissiegrenswaarde in mg/Nm³

stof

afkomstig van vorming en coating, snijden en malen

20

formaldehyde

afkomstig van vorming en coating

10

ammoniak

afkomstig van vorming en coating

30

vluchtige organische stoffen, uitgedrukt als totaal organische stoffen

afkomstig van vorming en coating

20

 


Afdeling 3.2.6.
Fabricage van tafelglas


Art. 3.2.6.1. Deze afdeling is van toepassing op alle installaties voor de fabricage van tafelglas.

Art. 3.2.6.2.

De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op de geloosde afgassen van smeltovens voor de fabricage van tafelglas:

 

Parameter

Opmerkingen

Emissiegrenswaarde

mg/Nm³

kg/ton gesmolten glas

stof

bij gemengsamenstellingen met aanzienlijke hoeveelheden gevaarlijke stoffen

10

0,03

bij andere samenstellingen

20

0,06

NOx, uitgedrukt als NO2

 

bij toevoeging van nitraten in het gemeng voor een beperkt aantal productiecycli of voor smeltovens met een capaciteit van < 100 ton/dag voor de productie van bijzondere soorten natronkalkglas en andere soorten speciaal tafelglas

bij conventionele lucht-brandstof-gestookte ovens

1500

3,75

elektrisch smelten

500

10

in alle andere gevallen

primaire technieken voor verbrandingsproces en ovenontwerp

1000

2,5

elektrisch smelten

100

0,3

oxyfuelsmelting

niet van toepassing

1,5

SOx, uitgedrukt als SO2

bij gebruik van aardgas

300

0,75

bij gebruik van stookolie

1000

2,5

elektrisch smelten

100

0,25

gasvormige anorganische chloriden, uitgedrukt als HCl

elektrisch smelten

10

0,03

bij gebruik van KCl of NaCl als louteringsmiddel

30

0,09

anders

20

0,06

gasvormige anorganische fluoriden, uitgedrukt als HF

productie van opaalglas, recycling van filterstof, gebruik van grote hoeveelheden externe glasscherven in het gemeng

5

0,015

elektrisch smelten

0,003

som As + Co + Ni + Cd + Se + Cr(VI)

met uitzondering van met seleen ontkleurd glas

1

3 x 10-3

som As + Co + Ni + Cd + Se + Cr(VI) + Sb + Pb + Cr(III) + Cu + Mn + V + Sn

met uitzondering van met seleen ontkleurd glas

5

15 x 10-3

seleen-verbindingen, uitgedrukt als Se

bij gebruik van seleenverbindingen om het glas te ontkleuren

1

3 x 10-3

lood-verbindingen, uitgedrukt als Pb

bij gebruik van loodverbindingen om loodkristal te vervaardigen

1

3 x 10-3

 

 

 


Art. 3.2.6.3.

De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op de geloosde afgassen van nabewerkingsprocessen voor de fabricage van tafelglas, als de afgassen afzonderlijk worden behandeld:

 

Parameter

Opmerkingen

Emissiegrenswaarde in mg/Nm³

stof

 

10

som As+Co+Ni+Cd+Se+Cr(VI)

 

1

som As+Co+Ni+Cd+Se+Cr(VI)+Sb+Pb+Cr(III)+Cu+Mn+V+Sn

 

5

loodverbindingen als Pb

nabewerkingsprocessen van loodkristal

1,5

HF

afkomstig van zuurpolijsten

5

 


Afdeling 3.2.7.
Fabricage van speciaalglas


Art. 3.2.7.1. Deze afdeling is van toepassing op alle installaties voor de fabricage van speciaalglas.

Art. 3.2.7.2.

De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op de geloosde afgassen van smeltovens voor de fabricage van speciaalglas:

 

 

Parameter

Opmerkingen

Emissiegrenswaarde

mg/Nm³

kg/ton gesmolten glas

stof

bij gemengsamenstellingen met aanzienlijke hoeveelheden gevaarlijke stoffen

10

0,065

andere

20

0,13

NOx, uitgedrukt als NO2

 

als het gemeng nitraten bevat

elektrisch smelten

500

1

anders

1000

6

als het gemeng geen nitraten bevat

primaire technieken voor verbrandingsproces

800

3,2

elektrisch smelten

100

0,4

oxyfuelsmelting

niet van toepassing

1

oxyfuelsmelting: productie van speciaal borosilicaat-buisglas voor farmaceutisch gebruik

3

secundaire technieken

500

3

SOx, uitgedrukt als SO2

bij gebruik van elektrisch smelten en gemengsamenstellingen zonder sulfaten

30

0,08

bij gebruik van aardgas

200

0,5

bij gebruik van stookolie

800

2

gasvormige anorganische chloriden, uitgedrukt als HCl

bij gebruik van chloorhoudende grondstoffen in het gemeng

20

0,05

bij ander gebruik

10

0,03

gasvormige anorganische fluoriden, uitgedrukt als HF

 

5

0,04

som As+Co+Ni+Cd+Se+Cr(VI)

zonder opzettelijke toevoeging van metalen aan het gemeng

0,1

0,3 x 10-3

met toevoeging van metalen aan het gemeng

1

3 x 10-3

som As+Co+Ni+Cd+Se+Cr(VI)+Sb+Pb+Cr(III) +Cu+Mn+V+Sn

zonder opzettelijke toevoeging van metalen aan het gemeng

1

3 x 10-3

met toevoeging van metalen aan het gemeng

5

15 x 10-3

 


Art. 3.2.7.3.

De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op de geloosde afgassen van nabewerkingsprocessen voor de fabricage van speciaalglas, als de afgassen afzonderlijk worden behandeld:

 

Parameter

Opmerkingen

Emissiegrenswaarde in mg/Nm³

stof

 

10

som As+Co+Ni+Cd+Se+Cr(VI)

 

1

som As+Co+Ni+Cd+Se+Cr(VI)+Sb+Pb+Cr(III)+Cu+Mn+V+Sn

 

5

gasvormige anorganische fluoriden, uitgedrukt als HF

afkomstig van zuurpolijsten

5

 


Afdeling 3.2.8.
Fabricage van minerale wol


Art. 3.2.8.1. Deze afdeling is van toepassing op alle installaties voor de fabricage van minerale wol.

Art. 3.2.8.2.

De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op de geloosde afgassen van smeltovens voor de fabricage van minerale wol:

 

Parameter

Opmerkingen

Emissiegrenswaarde

mg/Nm³

kg/ton gesmolten glas

stof

 

20

0,05

NOx, uitgedrukt als NO2

 

 

bij glaswolproductie, als het gemeng geen nitraten bevat

lucht-brandstofgestookte ovens en elektrische ovens

500

1

oxyfuelsmelting

niet van toepassing

0,5

bij glaswolproductie, als het gemeng nitraten bevat

oxyfuelsmelting als het gemeng nitraten bevat

500

1

andere, als het gemeng nitraten bevat

700

1,4

bij steenwolproductie

500

1,25

SOx, uitgedrukt als SO2

 

bij glaswolproductie

elektrisch smelten

50

0,1

bij gebruik van aardgas

150

0,3

bij steenwolproductie

gasgestookte en elektrische ovens

350

0,9

 

koepelovens, geen briketten of recycling van slakken, voorrang SOx-reductie

400

1

 

koepelovens, met cementbriketten of recycling van slakken, voorrang afvalbeperking

1400

3,5

gasvormige anorganische chloriden, uitgedrukt als HCl

 

bij glaswolproductie

10

0,02

bij steenwolproductie

30

0,075

gasvormige anorganische fluoriden, uitgedrukt als HF

 

5

0,013

H2S

bij steenwolproductie

2

0,005

som As + Co + Ni + Cd + Se + Cr(VI)

fabricage van steenwol in koepelovens

1

2,5 x 10-3

andere

0,2

0,4 x 10-3

som As + Co + Ni + Cd + Se + Cr(VI) + Sb + Pb + Cr(III) + Cu + Mn + V + Sn

fabricage van steenwol in koepelovens

2

5 x 10-3

andere

1

2 x 10-3

 


Art. 3.2.8.3.

De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op de geloosde afgassen van de vormingszone voor de fabricage van minerale wol, als de afgassen afzonderlijk worden behandeld. De emissiegrenswaarden hebben betrekking op de totale emissies van vorming, uitharding en afkoeling:

 

Parameter

Emissiegrenswaarde in mg/Nm³

totaal vaste deeltjes

50

fenol

10

formaldehyde

5

ammoniak

60

amines

3

vluchtige organische stoffen, uitgedrukt als totaal organische koolstof

30

 


Art. 3.2.8.4.

De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op de geloosde afgassen van de uithardingsovens voor de fabricage van minerale wol, als de afgassen afzonderlijk worden behandeld:

 

Parameter

Emissiegrenswaarde

mg/Nm³

kg/ton gesmolten glas

totaal vaste deeltjes

30

0,2

fenol

5

0,03

formaldehyde

5

0,03

ammoniak

60

0,4

amines

2

0,01

vluchtige organische stoffen, uitgedrukt als totaal organische koolstof

10

0,065

NOx, uitgedrukt als NO2

200

1

 

 


Afdeling 3.2.9.
Fabricage van hittebestendige isolatiewol


Art. 3.2.9.1. Deze afdeling is van toepassing op alle installaties voor de fabricage van hittebestendige isolatiewol.

Art. 3.2.9.2.

De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op de geloosde afgassen van smeltovens voor de fabricage van hittebestendige isolatiewol:

 

Parameter

Opmerkingen

Emissiegrenswaarde
in mg/Nm³

stof

 

20

NOx, uitgedrukt als NO2

 

smeermiddelverbrandingsovens

200

SOx, uitgedrukt als SO2

 

 

50

gasvormige anorganische chloriden, uitgedrukt als HCl

 

10

gasvormige anorganische fluoriden, uitgedrukt als HF

 

5

som As+Co+Ni+Cd+Se+Cr(VI)

 

1

som As+Co+Ni+Cd+Se+Cr(VI)+Sb+Pb+Cr(III)+ Cu+Mn+V+Sn

 

5

vluchtige organische stoffen, uitgedrukt als totaal organische koolstof

smeermiddelverbrandingsovens

20

 


Art. 3.2.9.3.

De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op de geloosde afgassen van de nabewerkingsprocessen voor de fabricage van hittebestendige isolatiewol, als de afgassen afzonderlijk worden behandeld:

 

Parameter

Opmerkingen

Emissiegrenswaarde in mg/Nm³

stof

bij emissies van aluminiumsilicaatwol en vuurvaste keramische vezels

1

andere

5

SOx, uitgedrukt als SO2

 

 

50

som As+Co+Ni+Cd+Se+Cr(VI)

 

1

som As+Co+Ni+Cd+Se+Cr(VI)+Sb+Pb+Cr(III) +Cu+Mn+V+Sn

 

5

 


Afdeling 3.2.10.
Fabricage van fritte


Art. 3.2.10.1. Deze afdeling is van toepassing op alle installaties voor de fabricage van fritte.

Art. 3.2.10.2.

De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op de geloosde afgassen van smeltovens voor de fabricage van fritte:

 

Parameter

Opmerkingen

Emissiegrenswaarde

mg/Nm³

kg/ton gesmolten glas

stof

 

20

0,15

NOx, uitgedrukt als NO2

 

zuurstof-brandstofverbranding, zonder nitraten

niet van toepassing

5

zuurstof-brandstofverbranding, met nitraten

niet van toepassing

10

verbranding van brandstof en lucht of van brandstof en met zuurstof verrijkte lucht, zonder nitraten

1000

7,5

verbranding van brandstof en lucht of van brandstof en met zuurstof verrijkte lucht, met nitraten

1600

12

SOx, uitgedrukt als SO2

 

 

200

1,5

gasvormige anorganische chloriden, uitgedrukt als HCl

 

10

0,05

gasvormige anorganische fluoriden, uitgedrukt als HF

 

5

0,03

som As+Co+Ni+Cd+Se+Cr(VI)

 

1

7,5 x 10-3

som As+Co+Ni+Cd+Se+Cr(VI)+Sb+Pb+Cr(III) +Cu+Mn+V+Sn

 

5

37 x 10-3

 


Art. 3.2.10.3.

De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op de geloosde afgassen van de nabewerkingsprocessen voor de fabricage van fritte, als de afgassen afzonderlijk worden behandeld:

 

Parameter

Emissiegrenswaarde in mg/Nm³

stof

10

som As+Co+Ni+Cd+Se+Cr(VI)

1

som As+Co+Ni+Cd+Se+Cr(VI)+Sb+Pb+Cr(III)+Cu+Mn+V+Sn

5


Hoofdstuk 3.3.
Looien van huiden en vellen


Afdeling 3.3.1.
Toepassingsgebied en definities


Art. 3.3.1.1.

Dit hoofdstuk is van toepassing op de inrichtingen, vermeld in rubriek 25.1.1 en 3.6.7 (voor afvalwater dat geloosd wordt door een installatie waarin de onder rubriek 25.1.1. vallende activiteiten worden uitgevoerd) van de indelingslijst.

 

De overeenkomstige GPBV-activiteiten zijn de activiteiten, vermeld in punt 6.3 en 6.11 van bijlage 1 bij dit besluit.


Art. 3.3.1.2.

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

nathuis: het gedeelte van de looierij waar huiden voorafgaand aan het looiproces, voor zover nodig, worden geweekt, gekalkt, ontvleesd en onthaard;
bijproduct: het voorwerp dat of de stof die beantwoordt aan de voorwaarden, vermeld in artikel 37 en 39 van het Materialendecreet;
de BBT-conclusies voor het looien van huiden en vellen: het uitvoeringsbesluit 2013/84/EU van de Commissie van 11 februari 2013 tot vaststelling van de BBT-conclusies (beste beschikbare technieken) op grond van Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad inzake industriële emissies voor het looien van huiden en vellen, gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie L45 van 16 februari 2013.

 


Afdeling 3.3.2.
Algemene bepalingen


Art. 3.3.2.1.

Voor het verbeteren van de totale milieuprestatie van een looierij wordt een milieubeheersysteem ingevoerd en consequent uitgevoerd, dat de volgende elementen bevat:

1°  een sterke betrokkenheid van het management, waaronder begrepen het senior management;
het opstellen van een milieubeleid dat onder meer voorziet in de continue verbetering van de installatie door het management;
het plannen en opstellen van de noodzakelijke procedures, doelstellingen en streefcijfers, samen met het opstellen van een financieel en investeringsplan;
het uitvoeren van de procedures, waarbij vooral aandacht wordt geschonken aan:
  a) de organisatie en verantwoordelijkheidsverdeling;
  b)  de opleiding, bewustmaking en bekwaamheid;
  c)  de communicatie;
  d) de betrokkenheid van de werknemers;
  e) de documentatie;
  f) de efficiënte procescontrole;
  g) onderhoudsprogramma’s;
  h) een noodplan en rampenbestrijding;
  i) de naleving van milieuwetgeving;
het controleren van prestaties en het nemen van corrigerende maatregelen, waarbij vooral aandacht wordt geschonken aan:
  a) de monitoring en het meten;
  b) corrigerende en preventieve maatregelen;
  c) het bijhouden van gegevens;
  d) onafhankelijke (voor zover praktisch mogelijk) in- en externe systeemaudit om vast te stellen of het milieubeheersysteem in overeenstemming is met de geplande maatregelen, op de juiste wijze is geïmplementeerd en op de juiste wijze wordt onderhouden;
het regelmatig evalueren van het milieubeheersysteem door het senior management, zodat het geschikt, adequaat en doeltreffend blijft;
het volgen van de ontwikkelingen in het domein van schone technologie;
bij het ontwerp van een installatie rekening houden met de milieueffecten gedurende de hele levensduur van de installatie en met de milieueffecten van de uiteindelijke ontmanteling ervan;
het regelmatig uitvoeren van een benchmarkonderzoek op sectorniveau.

 

Daarnaast is het specifiek voor het looien van huiden en vellen van belang dat er wordt gekeken naar de volgende mogelijke elementen van het milieubeheersysteem:

het bijhouden van gegevens over de plaatsen op de site waar bepaalde processtappen plaatsvinden, voor het vereenvoudigen van de ontmanteling;
andere punten die onder artikel 3.3.2.2 zijn opgesomd.

 

 


Art. 3.3.2.2.

Om de milieueffecten van het productieproces tot een minimum te beperken, worden de beginselen van “good housekeeping” toegepast door de volgende technieken in combinatie te gebruiken:

een zorgvuldige selectie en controle van stoffen en grondstoffen;
een input-outputanalyse en inventarisatie van chemische stoffen, met vermelding van onder meer hoeveelheden en toxicologische eigenschappen;
de beperking van het gebruik van chemische stoffen tot het niveau dat minimaal is vereist om aan de kwaliteitseisen van het eindproduct te voldoen;
een zorgvuldige behandeling en opslag van grondstoffen en eindproducten om morsen, ongevallen en waterverspilling te verminderen;
de scheiding van afvalstromen, voor zover praktisch uitvoerbaar, zodat bepaalde afvalstromen kunnen worden gerecycleerd;
de monitoring van essentiële procesparameters om de stabiliteit van het productieproces te bewaken;
het regelmatig onderhoud van de systemen voor de behandeling van effluenten;
het beoordelen van opties voor hergebruik van proces- of waswater;
het beoordelen van opties voor afvalverwijdering.

 


Afdeling 3.3.3.
Monitoring


Art. 3.3.3.1.

Emissies en andere relevante procesparameters, inclusief de parameters, vermeld in de volgende tabel, worden gemeten met de aangegeven frequentie. De monitoring van emissies in de lucht wordt verricht overeenkomstig de meetmethoden, vermeld in bijlage 4.4.2 bij titel II van het VLAREM. De monitoring van emissies in water wordt verricht overeenkomstig de meetmethoden, vermeld in bijlage 4.2.5.2 bij titel II van het VLAREM. Als er geen meetmethoden worden vermeld, worden de CEN-normen gevolgd. Als er geen CEN-normen bestaan, worden de ISO-normen, de nationale normen of andere internationale normen toegepast die gegevens van een gelijkwaardige wetenschappelijke kwaliteit opleveren.

 

parameter frequentie
meten van het waterverbruik in de twee procesfasen: fase tot en met looien en nalooifase, en registreren van het productievolume in dezelfde periode ten minste één keer per maand in installaties waarin natte bewerkingen worden uitgevoerd
registreren van de hoeveelheid proceschemicaliën die in elke processtap worden gebruikt en het productievolume in dezelfde periode ten minste één keer per jaar
meten van de concentraties sulfide (= som van opgelost sulfide en in zuur milieu oplosbaar sulfide) en chroom totaal in het effluent nadat het afvalwater voor lozing in oppervlaktewater is gezuiverd, aan de hand van debietproportionele 24 uurmengmonsters

 

meten van de concentraties sulfide (= som van opgelost sulfide en in zuur milieu oplosbaar sulfide) en chroom totaal in het effluent na behandeling door middel van chroomprecipitatie voor lozing in riolering, aan de hand van debietproportionele 24 uurmengmonsters

chroom:

maandelijks in on-site- of off-site-installaties waarin chroomprecipitatie wordt toegepast.

 

sulfide (= som van opgelost sulfide en in zuur milieu oplosbaar sulfide):

maandelijks in on-site- of off-site-installaties waarin een gedeelte van de behandeling van het afvalwater van looierijen plaatsvindt

meten van het chemisch zuurstofverbruik (CZV), het biochemisch zuurstofverbruik (BZV) en de concentratie ammoniumstikstof na in- of externe behandeling van het afvalwater voor directe lozing in het ontvangende water, aan de hand van debietproportionele 24 uurmengmonsters

 

meten van de totale hoeveelheid zwevende deeltjes na on-site- of off-sitebehandeling van het afvalwater voor directe lozing in het ontvangende water

maandelijks in on-site- of off-site-installaties waarin een gedeelte van de behandeling van het afvalwater van looierijen plaatsvindt

 

en telkens als er procesveranderingen gebeuren

 

 

meten van de som van vluchtige organische halogeenverbindingen, matig vluchtige organische halogeenverbindingen na on-site- of off-sitebehandeling van het afvalwater voor directe lozing in het ontvangende water maandelijks in installaties waarin de som van vluchtige organische halogeenverbindingen, matig vluchtige organische halogeenverbindingen in het productieproces worden gebruikt die gemakkelijk in het ontvangende water kunnen terechtkomen

 

meten van het pH- of redoxpotentiaal bij de uitlaat van natte gaswassers

continu in installaties waar natte gaswassers worden gebruikt voor het verminderen van de emissie van waterstofsulfide of ammoniak in de lucht

jaarlijks inventariseren van de gebruikte oplosmiddelen en registreren van het productievolume in dezelfde periode

jaarlijks in installaties waar bij de afwerking oplosmiddelen worden gebruikt en watergedragen coatings of soortgelijke materialen worden gebruikt om het binnendringen van oplosmiddelen te beperken

 

meten van de uitstoot van vluchtige organische stoffen bij de uitlaat van zuiveringsapparatuur en registreren van het productievolume

maandelijks in installaties waar bij de afwerking oplosmiddelen worden gebruikt en emissiebeperkende maatregelen worden getroffen

 

indicatieve meting van de drukval over de doekenfilters

om de vier maanden in installaties waar doekenfilters worden gebruikt voor het verminderen van de uitstoot van vaste deeltjes en er sprake is van een directe uitstoot van die deeltjes in de atmosfeer

testen van het afvangrendement van natte gasreinigingssystemen

jaarlijks in installaties waar natte gasreiniging wordt gebruikt voor het verminderen van de uitstoot van vaste deeltjes en waar sprake is van een directe uitstoot van die deeltjes in de atmosfeer
registreren van de hoeveelheid procesresiduen bestemd voor terugwinning, hergebruik, recyclage en verwijdering om de vier maanden
registreren van alle vormen van energieverbruik en het productievolume in dezelfde periode om de vier maanden

Afdeling 3.3.4.
Minimalisering van het waterverbruik


Art. 3.3.4.1.

De verbruiksniveaus, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing bij de verwerking van runderhuiden, behalve kalfshuiden, en behalve bij plantaardige looiing:

 

procesfasen waterverbruik per ton ruwe huiden in m³/t (1)
ongezouten huiden gezouten huiden
ruw tot wet-blue/wet-white 15 18
nalooiproces en afwerking 10 10
totaal 25 28
(1)  maandgemiddelde waarden

 

De verbruiksniveaus, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing bij de verwerking van schapenhuiden, behalve voor schapenhuiden die niet van wol zijn ontdaan:

procesfasen specifiek waterverbruik in liters per huid (1)
ruw tot beitsen 80
beitsen tot wet-blue 55
nalooiproces en afwerking 45
totaal 180
(1)  maandgemiddelde waarden

 


Afdeling 3.3.5.
Beperking van emissies in afvalwater


Art. 3.3.5.1. De verontreinigingsbelasting van het afvalwater dat ontstaat door de processtappen in het nathuis, voordat het afvalwater wordt gezuiverd, wordt verminderd door het gebruik van een geschikte combinatie van technieken, vermeld in BBT 5 van de BBT-conclusies voor het looien van huiden en vellen.

Art. 3.3.5.2. De verontreinigingsbelasting van het afvalwater dat ontstaat door de processtappen in de looierij, voordat het afvalwater wordt gezuiverd, wordt verminderd door het gebruik van een geschikte combinatie van technieken, vermeld in BBT 6 van de BBT-conclusies voor het looien van huiden en vellen.

Art. 3.3.5.3. De verontreinigingsbelasting van het afvalwater dat ontstaat door de processtappen in het nalooiproces, voordat het afvalwater wordt gezuiverd, wordt verminderd door het gebruik van een geschikte combinatie van technieken, vermeld in BBT 7 van de BBT-conclusies voor het looien van huiden en vellen.

Art. 3.3.5.4.

De emissie van specifieke bestrijdingsmiddelen in het afvalwater wordt voorkomen door het uitsluitend verwerken van huiden of vellen die niet met die bestrijdingsmiddelen zijn behandeld. De techniek bestaat erin om in leveringscontracten uitdrukkelijk te bepalen dat grondstoffen vrij moeten zijn van bestrijdingsmiddelen die:

vermeld zijn in afdeling 2.3.1 van titel II van het VLAREM;
vermeld zijn in verordening (EG) nr. 850/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende persistente organische verontreinigende stoffen en tot wijziging van Richtlijn 79/117/EEG;
geclassificeerd zijn als carcinogeen, mutageen of reprotoxisch, in verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels tot wijziging en intrekking van de Richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006.

 

De techniek is algemeen toepasbaar in looierijen voor zover de specificaties voor huiden en vellen uit niet-EU-landen en huidenleveranciers bepaald kunnen worden.


Art. 3.3.5.5. De emissies van schadelijke biociden in afvalwater worden tot een minimum beperkt door huiden en vellen te verwerken door uitsluitend gebruik van biociden die zijn goedgekeurd conform verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het op de markt aanbieden en het gebruik van biociden.

Afdeling 3.3.6.
Zuivering van emissies in water


Art. 3.3.6.1.

De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op lozingen in oppervlaktewater, afkomstig van on-siteafvalwaterzuiveringsinstallaties van looierijen, en op lozingen in oppervlaktewater van afvalwater, afkomstig van zelfstandig opererende afvalwaterzuiveringsinstallaties die vallen onder rubriek 3.6.7 van de indelingslijst en die hoofdzakelijk afvalwater van looierijen zuiveren:

 

parameter emissiegrenswaarde in mg/l
CZV 300
BZV 25
zwevende stoffen 35
ammoniumstikstof NH4-N (als N) 10
totaal chroom 1
som van opgelost sulfide en in zuur milieu oplosbaar sulfide 1

Art. 3.3.6.2.

De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op lozingen van afvalwater in de riolering:

 

parameter emissiegrenswaarde in mg/l
totaal chroom 1
som van opgelost sulfide en in zuur milieu oplosbaar sulfide 1

Art. 3.3.6.3. Voor on-site- of off-sitebehandeling van afvalwater van looierijen die met chroom herlooien, wordt voor het verminderen van het chroomgehalte on-site- of off-sitechroomprecipitatie toegepast.

Afdeling 3.3.7.
Geur


Art. 3.3.7.1.

Voor procesvaten waarin, eventueel na aanpassing, tijdens het ontkalken CO2 kan worden gespoten, wordt de ammoniakgeur die bij het verwerkingsproces ontstaat, verminderd door het geheel of gedeeltelijk vervangen van ammoniumverbindingen voor ontkalking.

 

De volledige vervanging van ammoniumverbindingen door CO2 voor het ontkalken van huiden is een techniek die niet kan worden toegepast bij de verwerking van huiden met een dikte van meer dan 1,5 mm.


Art. 3.3.7.2. De geuremissie die bij bepaalde processtappen en bij de behandeling van afvalwater vrijkomt, wordt verminderd door ammonium- en waterstofsulfide te verwijderen door de wassing of biofiltratie van afgescheiden lucht waarin de geur van die gassen waarneembaar is.

Art. 3.3.7.3. Geurhinder door de ontbinding van ruwe huiden of vellen wordt voorkomen door het gebruik van conserveringstechnieken en opslagmethoden waardoor ontbinding wordt voorkomen en door het consequent hanteren van een korte omloopsnelheid van de voorraden.

Art. 3.3.7.4. Voor installaties waar voor verrotting vatbare afvalstoffen worden geproduceerd, wordt geurhinder door afval verminderd door procedures voor de behandeling en opslag van afval te gebruiken waardoor het afval minder gaat ontbinden.

Art. 3.3.7.5. Voor installaties die voor ontharing sulfide gebruiken, wordt de geuremissie uit het effluent van het nathuis verminderd door de pH van het effluent te controleren en vervolgens het sulfide te verwijderen.

Afdeling 3.3.8.
Luchtemissies


Art. 3.3.8.1.

Het gebruik van gehalogeneerde vluchtige organische stoffen in het verwerkingsproces is verboden.

 

Het eerste lid is niet van toepassing bij het droog ontvetten van schapenhuiden in afgesloten machines.


Art. 3.3.8.2.

Er wordt gebruikgemaakt van watergedragen coatings in combinatie met een efficiënt systeem voor het aanbrengen van die coating. De verbruiksniveaus, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op het oplosmiddelengebruik:

 

type van productie

verbruiksniveaus oplosmiddelengebruik

in g/m2 (jaargemiddelde waarden per stuk afgewerkt leer)

bekledings- en autoleder

25

schoen-, kledings- en lederwarenleder

85

gecoat leder (dikte van de coating > 0,15 mm)

150

 

In afwijking van het eerste lid worden de afgassen efficiënt afgezogen en naar een zuiveringssysteem geleid als niet gebruikgemaakt wordt van watergedragen coatings. Er geldt een emissiegrenswaarde voor vluchtige organische stoffen, uitgedrukt als totaal organische koolstof, van 23 g/m² (jaargemiddelde waarden per stuk afgewerkt leer).


Art. 3.3.8.3. De afgassen van de droge afwerking worden efficiënt afgezogen en naar een stofverwijderingsinstallatie geleid. Er geldt een emissiegrenswaarde voor stof van 6 mg/Nm3, uitgedrukt als een 30 minutengemiddelde.

Afdeling 3.3.9.
Afvalbeheer


Art. 3.3.9.1. De hoeveelheid afvalstoffen, bestemd voor verwijdering, wordt beperkt door de on-sitewerkzaamheden zo te organiseren dat zo veel mogelijk van de procesresiduen als bijproduct ontstaan en dat hergebruik, recyclage of andere vormen van terugwinning in die volgorde worden bevorderd.

Art. 3.3.9.2.

Voor installaties waar met chroom wordt gelooid, wordt het gebruik van chemicaliën en de hoeveelheid leerafval, bestemd voor verwijdering, dat chroomlooimiddelen bevat, verminderd door kalksplitten toe te passen. Kalksplitten is niet toepasbaar als:

huiden of vellen worden verwerkt voor niet-gespleten producten;
het leer van stevigere kwaliteit moet zijn;
het eindproduct een meer gelijkmatige dikte van het leer vereist;
gelooide splits wordt geproduceerd of als bijproduct ontstaat.

 

  

  


Art. 3.3.9.3. Het chroomgehalte van slib, bestemd voor verwijdering, wordt verminderd door het gebruik van één of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 24 van de BBT-conclusies voor het looien van huiden en vellen.

Art. 3.3.9.4. Voor installaties waarin natte bewerkingen worden uitgevoerd, worden de benodigde energie, chemicaliën en capaciteit voor de daaropvolgende behandeling van het slib verminderd door het watergehalte van het slib met een ontwateringssysteem te verminderen.

Afdeling 3.3.10.
Energie


Art. 3.3.10.1. Het energieverbruik bij het droogproces wordt verminderd door de voorbereidingen te optimaliseren door de huiden eerst door een wringer te laten gaan of een andere vorm van mechanische ontwatering te laten ondergaan.

Art. 3.3.10.2.

Het energieverbruik, vermeld in de volgende tabel, is van toepassing op natte processen:

 

activiteit

specifiek energieverbruik per eenheid grondstof in GJ/t (1)

verwerking van runderhuiden van ruw tot wet-blue/wet-white

3

verwerking van runderhuiden van ruw tot afgewerkt leer

14

verwerking van schapenhuiden van ruw tot afgewerkt leer

6

(1)  Het energieverbruik (uitgedrukt als jaargemiddelde waarden die niet zijn gecorrigeerd tot primaire energie) omvat het energieverbruik in de
productieprocessen, inclusief elektriciteitsverbruik in en verwarming van alle binnenruimten, exclusief het energieverbruik voor afvalwaterzuivering.


Hoofdstuk 3.4.
Productie van cement, kalk en magnesiumoxide


Afdeling 3.4.1.
Toepassingsgebied en definities


Art. 3.4.1.1.

§1. Dit hoofdstuk is van toepassing op de inrichtingen, vermeld in rubriek 30.2.2°, 30.2.3° en 30.3.4° van de indelingslijst. Bestaande installaties, als vermeld in artikel 3.4.1.2, 2°, voldoen uiterlijk op 9 april 2017 aan dit hoofdstuk.

 

De overeenkomstige GPBV-activiteiten zijn de activiteiten, vermeld in punt 3.1, a), b) en c), van bijlage 1 bij dit besluit.

 

§2. Wat activiteit 30.3.4° van de indelingslijst betreft, hebben de bepalingen, vermeld in paragraaf 1, uitsluitend betrekking op de productie van MgO met behulp van de droge procesroute op basis van gedolven natuurlijk magnesiet (magnesiumcarbonaat - MgCO3).

 

§3. Het toepassingsgebied van dit hoofdstuk omvat de volgende processen:

de productie van cement, ongebluste kalk en magnesiumoxide met behulp van de droge procesroute;
de opslag en voorbehandeling van grondstoffen;
de opslag en voorbehandeling van brandstoffen;
het gebruik van afvalstoffen als grondstof of brandstof – kwaliteitseisen, controle en voorbehandeling;
de opslag en voorbehandeling van producten;
de verpakking en verzending.

 

§4. Paragraaf 1 heeft geen betrekking op de volgende activiteiten:

de productie van magnesiumoxide met behulp van de natte procesroute op basis van magnesiumchloride;
de productie van gebrand dolomiet met een zeer laag koolstofgehalte, een mengsel van calcium- en magnesiumoxiden, ontstaan uit de bijna volledige ontharding van dolomiet (CaCO3.MgCO3) met een restgehalte aan CO2 van minder dan 0,25% en een bulkdichtheid van minder dan 3,05 g/cm3;
schachtovens voor de productie van cementklinker;
activiteiten die niet rechtstreeks verband houden met de primaire activiteit, zoals de winning van grondstoffen.

 

  

 


Art. 3.4.1.2.

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

nieuwe installatie: een installatie die op het terrein van de inrichting gebouwd wordt na 9 april 2013 of een installatie die volledig herbouwd wordt op de bestaande fundamenten na 9 april 2013;
bestaande installatie: een andere installatie dan een nieuwe installatie;
gebruik van afvalstoffen als brandstof of grondstof: deze term heeft betrekking op het gebruik van:
  a) afvalbrandstoffen met een significante calorische waarde;
  b) afvalstoffen zonder significante calorische waarde, maar met minerale bestanddelen die bij gebruik als grondstof bijdragen aan het tussenproduct klinker;
  c) afvalstoffen die zowel een significante calorische waarde hebben als minerale bestanddelen bevatten;
de BBT-conclusies voor de productie van cement, kalk en magnesiumoxide: het uitvoeringsbesluit 2013/163/EU van de Commissie van 26 maart 2013 tot vaststelling van de BBT-conclusies (beste beschikbare technieken) op grond van Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad inzake industriële emissies voor de productie van cement, kalk en magnesiumoxide, gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie L100/1 van 9 april 2013.

Afdeling 3.4.2.
Algemene bepalingen


Art. 3.4.2.1.

Tenzij anders is vermeld, is deze afdeling algemeen van toepassing voor alle inrichtingen, vermeld in dit hoofdstuk.

 

De processpecifieke bepalingen, vermeld in afdeling 3.4.3 tot en met 3.4.5, zijn van toepassing naast de algemene bepalingen die in deze afdeling beschreven worden.


Art. 3.4.2.2. Voor discontinue metingen van atmosferische emissies wordt de meetwaarde bepaald als de gemiddelde waarde van drie steekproefmonsters van elk minstens dertig minuten.

Art. 3.4.2.3.

De monitoring van emissies in de lucht wordt verricht overeenkomstig de meetmethoden, vermeld in bijlage 4.4.2 bij titel II van het VLAREM. Als er geen meetmethoden worden vermeld, worden de CEN-normen gevolgd. Als er geen CEN-normen bestaan, worden de ISO-normen, de nationale normen of andere internationale normen toegepast die gegevens van een gelijkwaardige wetenschappelijke kwaliteit opleveren.


Art. 3.4.2.4.

De volgende referentieomstandigheden gelden voor atmosferische emissies:

 

activiteiten

referentieomstandigheden

ovenactiviteiten

cementindustrie

zuurstofgehalte van 10 volumeprocent

kalkindustrie (1)

zuurstofgehalte van 11 volumeprocent

magnesiumoxide-industrie met behulp van de droge procesroute (2)

zuurstofgehalte van 10 volumeprocent

activiteiten die geen verband houden met ovens

alle processen

geen correctie voor zuurstof

kalkblusinstallaties

uitgestoten gassen, geen correctie voor zuurstof en voor droog gas

(1)  Voor gesinterd dolomiet dat in twee stappen wordt geproduceerd, geldt de correctie voor zuurstof niet. Gesinterd dolomiet is een mengsel van calcium- en magnesiumoxiden dat uitsluitend wordt gebruikt voor de productie van vuurvaste stenen en andere vuurvaste producten, met een minimale bulkdichtheid van 3,05 g/cm3.

(2)    Voor doodgebrand magnesiumoxide dat in twee stappen wordt geproduceerd, geldt de correctie voor zuurstof niet.


Art. 3.4.2.5.

Voor het verbeteren van de totale milieuprestatie van de installaties voor de productie van cement, kalk en magnesiumoxide wordt een milieubeheersysteem uitgevoerd en nageleefd dat al de volgende elementen omvat:

de inzet van het management, inclusief het senior management;
het uitwerken van een milieubeleid dat de continue verbetering van de installatie door het management omvat;
het plannen en vaststellen van noodzakelijke procedures, doelstellingen en streefcijfers, samen met een financiële planning en investeringen;
het uitvoeren van procedures, waarbij vooral aandacht wordt geschonken aan:
  a)  de bedrijfsorganisatie en verantwoordelijkheid van het personeel;
  b) opleiding, bewustmaking en bekwaamheid;
  c) communicatie;
  d)  betrokkenheid van de werknemers;
  e) documentatie;
  f) efficiënte procescontrole;
  g) onderhoudsprogramma's;
  h) rampenplan en -bestrijding;
  i) het waarborgen van de naleving van de milieuwetgeving;
het controleren van de prestaties en het nemen van corrigerende maatregelen, waarbij vooral aandacht wordt geschonken aan:
  a) monitoring en meting;
  b) corrigerende en preventieve maatregelen;
  c) bijhouden van gegevens;
  d) interne en externe, waar mogelijk, onafhankelijke audits, om vast te stellen of het milieubeheersysteem voldoet aan de voorgenomen regelingen en of het op de juiste wijze wordt uitgevoerd en gehandhaafd;
6°   de evaluatie van het milieubeheersysteem door het senior management om te waarborgen dat het geschikt, adequaat en doeltreffend blijft;
het volgen van de ontwikkeling van schonere technologieën;
het rekening houden met milieueffecten bij het ontwerp van een nieuwe installatie tijdens de volledige levensduur en de latere ontmanteling ervan;
het op regelmatige tijdstippen uitvoeren van een benchmarkonderzoek in de bedrijfstak.

 

  

  

  

 


Art. 3.4.2.6. De geluidshinder tijdens de productie van cement, kalk en magnesiumoxide wordt verminderd of zo laag mogelijk gehouden door toepassing van een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 2 van de BBT-conclusies voor de productie van cement, kalk en magnesiumoxide.

Afdeling 3.4.3.
Cementindustrie


Art. 3.4.3.1. Deze afdeling is van toepassing op alle installaties voor de productie van cement.

Art. 3.4.3.2.

De ovenemissies worden teruggedrongen en het efficiënte gebruik van energie wordt bevorderd door tot een vlot en stabiel ovenproces te komen waarbij dicht bij de instelpunten van de procesparameters wordt gebleven aan de hand van de onderstaande technieken:

1°  de procesbesturing optimaliseren, mede door computerondersteunde automatische controle te gebruiken;
2°  moderne, gravimetrische vaste-brandstoftoevoersystemen gebruiken.

Art. 3.4.3.3. De emissies worden voorkomen of verminderd door alle stoffen die in de oven worden ingevoerd, zorgvuldig te selecteren en te controleren.

Art. 3.4.3.4. Procesparameters die de processtabiliteit aantonen, zoals temperatuur, O2-gehalte, druk en debiet, worden continu gemeten.

Art. 3.4.3.5. Kritieke procesparameters, zoals homogeen grondstoffenmengsel, homogene brandstoftoevoer, juiste dosering en overtollige zuurstof worden continu gemonitord en stabiel gehouden.

Art. 3.4.3.6. Bij de toepassing van selectieve niet-katalytische reductie worden de emissies van NH3 in de geloosde afgassen continu gemeten en geregistreerd.

Art. 3.4.3.7.

De concentratie van de volgende parameters in de afgassen van de ovens wordt gemeten met de volgende frequentie:

 

parameter

meetfrequentie

stof, NOx, SO2 en CO

continu

dioxinen en furanen, metalen

jaarlijks

gasvormige anorganische chloriden,

gasvormige anorganische fluoriden

om de vier maanden

totaal organische koolstof

jaarlijks

 


Art. 3.4.3.8.

Bij de toepassing van activiteiten die geen verband houden met ovens, worden de stofemissies maandelijks gemeten.

 

In afwijking van het eerste lid wordt voor kleinere bronnen, met een debiet van minder dan 10.000 Nm3/u, afkomstig van andere stofveroorzakende bewerkingen dan het koelen en malen, de frequentie van de metingen of de werkingscontroles gebaseerd op een onderhoudsbeheersysteem.    


Art. 3.4.3.9.

Het energieverbruik wordt verminderd door een droogprocesoven met trapsgewijze voorverwarming en voorgloeiing te gebruiken. Het verbruiksniveau van energie, vermeld in de volgende tabel, is van toepassing bij nieuwe installaties:

 

Proces

eenheid

het verbruiksniveau van energie (1)

droog proces met trapsgewijze voorverwarming en voorgloeiing

MJ/ton klinker

3 300 (2)(3)

(1)  Deze niveaus gelden niet voor installaties die klinkers van speciaal of wit cement produceren die aanzienlijk hogere procestemperaturen vereisen vanwege de productspecificaties. Wit cement is cement met de Prodcom 2007-code 26.51.12.10 – wit portlandcement. Speciaal cement heeft de volgende Prodcom 2007-codes, 26.51.12.50 – aluminiumcement en 26.51.12.90 – ander hydraulisch cement.

(2)  In normale en geoptimaliseerde bedrijfsomstandigheden.

(3)  De productiecapaciteit is van invloed op de vraag naar energie, waarbij een grotere capaciteit een energiebesparing oplevert en een kleinere capaciteit meer energie vergt. Het energieverbruik is ook afhankelijk van het aantal cycloonvoorverhitters, waarbij een groter aantal cycloonvoorverhitters leidt tot een lager energieverbruik van het ovenproces. Hoeveel cycloonvoorverhitters er nodig zijn, wordt hoofdzakelijk bepaald door het vochtgehalte van de grondstoffen.


Art. 3.4.3.10. Het verbruik van thermische energie wordt beperkt of zo laag mogelijk gehouden door de aanwending van een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 7 van de BBT-conclusies voor de productie van cement, kalk en magnesiumoxide.

Art. 3.4.3.11. Het verbruik van elektrische energie wordt beperkt of zo laag mogelijk gehouden door de toepassing van een of meer van de technieken, vermeld in BBT 10 van de BBT-conclusies voor de productie van cement, kalk en magnesiumoxide.

Art. 3.4.3.12.

De kenmerken van afvalstoffen die als brandstoffen of grondstoffen in een cementoven zullen worden gebruikt, worden gewaarborgd en de emissies worden verminderd door de toepassing van de volgende technieken:

1°  kwaliteitsborgingssystemen om de kenmerken van afvalstoffen te waarborgen en alle afval te analyseren dat als grondstof of brandstof in een cementoven zal worden gebruikt met het oog op:
  a) de constante kwaliteit;
  b) de fysische criteria;
  c) de chemische criteria;
het aantal relevante parameters beheersen voor afval dat als grondstof of brandstof in een cementoven zal worden aangewend;
kwaliteitsborgingssystemen voor elke lading afval.

 


Art. 3.4.3.13.

De juiste behandeling van afvalstoffen die als brandstof of grondstoffen in de oven zullen worden aangewend, wordt gegarandeerd door de toepassing van de volgende technieken:

1°  voedingspunten naar de oven gebruiken die geschikt zijn op het vlak van temperatuur en verblijftijd, afhankelijk van de vormgeving en werking van de oven;
afvalstoffen toevoeren die organische componenten bevatten die voor de gloeiingszone kunnen vervluchtigen in de hogetemperatuurszones van het ovensysteem;
zodanig te werk gaan dat het door meeverbranding van afval ontstane gas, zelfs in de meest ongunstige omstandigheden, gedurende twee seconden op beheerste en homogene wijze wordt verhit tot een temperatuur van 850 °C;
de temperatuur tot 1100 °C opvoeren als gevaarlijk afval met een gehalte van meer dan 1% gehalogeneerde organische stoffen, uitgedrukt in chloor, wordt meeverbrand;
5°  afvalstoffen onafgebroken en constant toevoeren;
geen afvalstoffen meer meeverbranden voor activiteiten zoals opstarten of stilleggen als de geschikte temperaturen en verblijftijden, vermeld in punt 1° tot en met 4°, niet kunnen worden bereikt.

 


Art. 3.4.3.14. Een veiligheidsbeleid wordt toegepast voor de opslag, de hantering en de toevoer van gevaarlijke afvalstoffen, zoals het gebruik van een op risico's gebaseerde aanpak volgens de herkomst en het type afval, voor de etikettering, controle, monsterneming en het testen van de te hanteren afvalstoffen.

Art. 3.4.3.15. Diffuse stofemissies van stofveroorzakende bewerkingen worden zo veel mogelijk beperkt of voorkomen door de toepassing van een of meer van de technieken, vermeld in BBT 14 van de BBT-conclusies voor de productie van cement, kalk en magnesiumoxide.

Art. 3.4.3.16. Stofemissies van bulkopslagruimten worden zo laag mogelijk gehouden of voorkomen door de toepassing van een of meer van de technieken, vermeld in BBT 15 van de BBT-conclusies voor de productie van cement, kalk en magnesiumoxide.

Art. 3.4.3.17. Voor de geleide emissies van stofveroorzakende activiteiten die geen verband houden met het stoken van ovens, het koelen en het malen, geldt een emissiegrenswaarde voor stof van 10 mg/Nm³. Er wordt een onderhoudsbeheersysteem toegepast dat in het bijzonder gericht is op de werking van de filter.

Art. 3.4.3.18.

De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op de geloosde afgassen die vrijkomen bij het stoken van ovens:

 

parameter emissiegrenswaarde
stof 10 mg/Nm³
gasvormige anorganische chloriden, uitgedrukt als HCl 10 mg/Nm³
gasvormige anorganische fluoriden, uitgedrukt als HF 1 mg/Nm³
dioxinen en furanen 0,1 ng I-TEQ/Nm³
Hg 0,03 mg/Nm³
Σ(Cd, Tl) 0,05 mg/Nm³
Σ(As, Sb, Pb, Cr, Co, Cu, Mn, Ni, V) 0,5 mg/Nm³

 

Voor dioxinen en furanen worden de gemiddelden bepaald over een bemonsteringsperiode van minimaal zes uur en maximaal acht uur. De emissiegrenswaarde heeft betrekking op de totale concentratie van dioxinen en furanen, berekend aan de hand van het begrip “toxische equivalentie”.


Art. 3.4.3.19. Stofemissies die vrijkomen bij koel- en maalprocessen, worden beperkt door de afgassen efficiënt af te zuigen en naar een droge rookgasreiniging met een filter te leiden. Er geldt een emissiegrenswaarde voor stof van 10 mg/Nm³.

Art. 3.4.3.20. Voor afgassen die vrijkomen bij het stoken van ovens of het voorverwarmen of voorgloeien, geldt een emissiegrenswaarde voor NOx, uitgedrukt als NO2, van 450 mg/Nm³ voor ovens met voorverhitter en van 500 mg/Nm³ voor Lepol- en lange draaiovens.

Art. 3.4.3.21. Bij de toepassing van selectieve niet-katalytische reductie geldt een emissiegrenswaarde voor ammoniak van 50 mg/Nm³.

Art. 3.4.3.22. Voor afgassen die vrijkomen bij het stoken van ovens of het voorverwarmen of voorgloeien, geldt een emissiegrenswaarde voor SOx, uitgedrukt als SO2, van 400 mg/Nm³.

Art. 3.4.3.23. Als een gedeelte van de afgassen, afkomstig van de voorverwarmer, tijdens het droge maalproces door de maalinstallatie wordt geleid, worden de SO2-emissies van de oven verminderd door de maalprocessen van de grondstoffen te optimaliseren.

Art. 3.4.3.24.

Bij de toepassing van elektrostatische stofvangers of hybride filters wordt het aantal CO-pieken verminderd en duren die jaarlijks in totaal niet langer dan dertig minuten door de toepassing van een combinatie van de onderstaande technieken:

CO-pieken beheersen om de periode van stillegging van de elektrostatische stofvanger te beperken;
2°  continu automatische CO-metingen uitvoeren met behulp van dicht bij de CO-bron geplaatste meetapparatuur met een korte reactietijd.

 


Art. 3.4.3.25. De uitstoot van de totale organische koolstof, afkomstig van afgassen die vrijkomen bij het stoken van ovens, wordt laag gehouden door te voorkomen dat grondstoffen met een hoog gehalte aan vluchtige organische verbindingen via de aanvoerroute voor grondstoffen in het ovensysteem worden gebracht.

Art. 3.4.3.26. De hoeveelheid vaste afvalstoffen van de cementproductie wordt verminderd en op de grondstoffen wordt bespaard door de toepassing van de technieken, vermeld in BBT 29 van de BBT-conclusies voor de productie van cement, kalk en magnesiumoxide.

Afdeling 3.4.4.
Kalkindustrie


Art. 3.4.4.1. Deze afdeling is van toepassing op alle installaties voor de productie van kalk.

Art. 3.4.4.2.

Alle ovenemissies worden verminderd en energie wordt efficiënt gebruikt door een vlot en stabiel ovenproces te bereiken dat nauw aansluit bij de ingestelde waarden van de procesparameters door de toepassing van de volgende technieken:

de procesbesturing optimaliseren, mede door het gebruik van computergestuurde automatische controle;
moderne, gravimetrische vaste-brandstoftoevoersystemen of gasmeters gebruiken.

Art. 3.4.4.3. De emissies worden voorkomen of verminderd door een zorgvuldige controle van de grondstoffen die in de oven worden ingevoerd.

Art. 3.4.4.4. Procesparameters van de ovenprocessen die de processtabiliteit aantonen, zoals temperatuur, O2-gehalte, druk, debiet en CO-emissies, worden continu gemeten.

Art. 3.4.4.5. Kritieke procesparameters van de ovenprocessen, zoals brandstoftoevoer, juiste dosering en overtollige zuurstof worden continu gemonitord en stabiel gehouden.

Art. 3.4.4.6. Bij de toepassing van selectieve niet-katalytische reductie worden de emissies van NH3 in de geloosde afgassen maandelijks gemeten en geregistreerd.

Art. 3.4.4.7.

De concentratie van de volgende parameters in de afgassen van de ovens wordt gemeten met de volgende frequentie:

 

parameter

meetfrequentie

stof

continu

NOx, SOx en CO

maandelijks

dioxinen en furanen, metalen

jaarlijks

totaal organische koolstof

jaarlijks

 


Art. 3.4.4.8.

Als afval wordt meeverbrand, wordt de concentratie van de volgende parameters in de afgassen van de ovens gemeten met de volgende frequentie:

 

Parameter

meetfrequentie

gasvormige anorganische chloriden,

gasvormige anorganische fluoriden

om de vier maanden

totaal organische koolstof

continu


Art. 3.4.4.9.

Bij de toepassing van activiteiten die geen verband houden met ovens, worden de stofemissies maandelijks gemeten.

 

In afwijking van het eerste lid wordt voor kleinere bronnen, met een debiet van minder dan 10.000 Nm3/u, de frequentie van de metingen of de werkingscontroles gebaseerd op een onderhoudsbeheersysteem.


Art. 3.4.4.10.

Het verbruiksniveau van thermische energie, vermeld in de volgende tabel, is van toepassing in de kalk- en dolomietindustrie:

 

oventype

verbruiksniveaus van thermische energie

[GJ/ton product]

lange draaiovens

9,2

draaiovens met voorverhitter

7,8

regeneratieovens met gelijkstroom

4,2

ringschachtovens

4,9

schachtovens met gemengde toevoer

4,7

andere ovens (1)

7,0

(1)  voor de kalkindustrie omvatten die:
  a) ovens met twee schuine schachten;
  b) schachtovens met meerdere kamers;
  c) schachtovens met centrale brander;
  d) schachtovens met externe kamer;
  e) schachtovens met straalbrander;
  f) schachtovens met interne boog;
  g) ovens met bewegend rooster;
  h) ‘top-shaped’ ovens;
  i) flash-ovens;
  j) draaihaardovens.

 


Art. 3.4.4.11. Het elektriciteitsverbruik wordt zo laag mogelijk gehouden door de toepassing van een of meer van de technieken, vermeld in BBT 34 van de BBT-conclusies voor de productie van cement, kalk en magnesiumoxide.

Art. 3.4.4.12. Het kalksteenverbruik wordt zo laag mogelijk gehouden door de toepassing van een of meer van de technieken, vermeld in BBT 35 van de BBT-conclusies voor de productie van cement, kalk en magnesiumoxide.

Art. 3.4.4.13. De emissies worden voorkomen of verminderd door een zorgvuldige selectie en controle van de in de oven gebrachte brandstoffen.

Art. 3.4.4.14.

De kenmerken van afval dat voor gebruik als brandstof in een kalkoven bedoeld is, worden gegarandeerd door de toepassing van de volgende technieken:

1°  kwaliteitsborgingssystemen om de kenmerken van afvalstoffen te waarborgen en te controleren en alle afval dat als brandstof in een kalkoven zal worden gebruikt, analyseren op:
  a) de constante kwaliteit;
  b) de fysische criteria;
  c) de chemische criteria;
een aantal relevante componenten beheersen voor afval dat als brandstof in een kalkoven zal worden gebruikt.

 


Art. 3.4.4.15.

De emissies, afkomstig van het gebruik van afvalbrandstoffen in de oven, worden voorkomen of verminderd door de toepassing van de volgende technieken:

geschikte branders gebruiken voor de aanvoer van geschikte afvalstoffen, afhankelijk van de vormgeving en de werking van de oven;
zodanig te werk gaan dat het door meeverbranding van afval ontstane gas, zelfs in de meest ongunstige omstandigheden, gedurende twee seconden op beheerste en homogene wijze wordt verhit tot een temperatuur van 850 °C;
de temperatuur opvoeren tot 1100 °C als gevaarlijk afval met een gehalte van meer dan 1% gehalogeneerde organische stoffen, uitgedrukt in chloor, wordt meeverbrand;
afvalstoffen onafgebroken en constant toevoeren;
geen afvalstoffen meer meeverbranden bij het opstarten of stilleggen als de geschikte temperaturen en verblijftijden, vermeld in punt 2° en 3°, niet kunnen worden bereikt.

Art. 3.4.4.16. De emissies als gevolg van voorvallen worden voorkomen door de toepassing van veiligheidsbeheer voor de opslag, de behandeling en de toevoer van gevaarlijke afvalstoffen.

Art. 3.4.4.17. De diffuse stofemissies van stofveroorzakende bewerkingen worden zo veel mogelijk beperkt of voorkomen door de toepassing van een of meer van de technieken, vermeld in BBT 40 van de BBT-conclusies voor de productie van cement, kalk en magnesiumoxide.

Art. 3.4.4.18. De stofemissies van bulkopslagruimten worden zo laag mogelijk gehouden of voorkomen door de aanwending van een of meer van de technieken, vermeld in BBT 41 van de BBT-conclusies voor de productie van cement, kalk en magnesiumoxide.

Art. 3.4.4.19. Voor de geleide emissies van stofveroorzakende activiteiten die geen verband houden met het stoken van ovens, geldt een emissiegrenswaarde voor stof van 20 mg/Nm³ bij toepassing van een natte wasser en van 10 mg/Nm³ bij toepassing van een andere stofverwijderingsinstallatie. Er wordt een onderhoudsbeheersysteem toegepast dat in het bijzonder gericht is op de werking van de filter.

Art. 3.4.4.20.

De emissiegrenswaarden, vermeld in volgende tabel, zijn van toepassing op de geloosde afgassen die vrijkomen bij het stoken van ovens:

parameter

opmerking

emissiegrenswaarde

stof

doekenfilter

10 mg/Nm³

in alle andere gevallen

20 mg/Nm³

NOx, uitgedrukt als NO2

 

regeneratieoven met gelijkstroom, ringschachtoven, schachtoven met gemengde toevoer, andere schachtoven(1)

350 mg/Nm³

lange draaioven, draaioven met voorverwarmer

500 mg/Nm³

SOx, uitgedrukt als SO2

regeneratieoven met gelijkstroom, ringschachtoven, schachtoven met gemengde toevoer, andere schachtoven(1), draaioven met voorverwarmer

200 mg/Nm³

lange draaioven

400 mg/Nm³

CO

regeneratieoven met gelijkstroom,

andere schachtoven(1), lange draaioven, draaioven met voorverwarmer

500 mg/Nm³

totaal organische koolstof

lange draaioven, draaioven met voorverwarmer

10 mg/Nm³

ringschachtoven, schachtoven met gemengde toevoer, regeneratieoven met gelijkstroom

30 mg/Nm³

gasvormige anorganische chloriden, uitgedrukt als HCl

bij gebruik van afvalstoffen

10 mg/Nm³

gasvormige anorganische fluoriden, uitgedrukt als HF

bij gebruik van afvalstoffen

1 mg/Nm³

dioxinen en furanen

 

0,1 ng I-TEQ/Nm³

Hg

bij gebruik van afvalstoffen

0,05 mg/Nm³

Σ(Cd, Tl)

bij gebruik van afvalstoffen

0,05 mg/Nm³

Σ(As, Sb, Pb, Cr, Co, Cu, Mn, Ni, V)

bij gebruik van afvalstoffen

0,5 mg/Nm³

(1) andere schachtoven dan een ringschachtoven en dan een schachtoven met gemengde toevoer

 

Voor dioxinen en furanen worden de gemiddelden bepaald over een bemonsteringsperiode van minimaal zes uur en maximaal acht uur. De emissiegrenswaarde heeft betrekking op de totale concentratie van dioxinen en furanen, berekend aan de hand van het begrip “toxische equivalentie”.


Art. 3.4.4.21. De uitstoot van gasvormige verbindingen, dat wil zeggen NOx, SOx, gasvormige anorganische chloriden, CO, totaal organische koolstof, vluchtige organische verbindingen, vluchtige metalen, afkomstig van de afgassen die vrijkomen bij het stoken van ovens, wordt verminderd door de toepassing van een of meer van de technieken, vermeld in BBT 44 van de BBT-conclusies voor de productie van cement, kalk en magnesiumoxide.

Art. 3.4.4.22. Bij de toepassing van selectieve niet-katalytische reductie geldt een emissiegrenswaarde voor ammoniak van 30 mg/Nm³.

Art. 3.4.4.23.

De frequentie van CO-pieken bij het gebruik van elektrostatische stofvangers bij draaiovens wordt zo veel mogelijk beperkt door de toepassing van de onderstaande technieken:

1°  CO-pieken beheersen om de periode van stillegging van de elektrostatische stofvanger te beperken;
continu automatische CO-metingen uitvoeren met behulp van dicht bij de CO-bron geplaatste meetapparatuur met een korte reactietijd.

 


Art. 3.4.4.24.

De hoeveelheid vaste afvalstoffen, afkomstig van de productie van kalk, wordt verminderd en grondstoffen worden bespaard door de toepassing van de volgende technieken:

de opgevangen stofdeeltjes of andere vaste deeltjes in het proces hergebruiken;
stof, ongebluste kalk en gebluste kalk die niet aan de specificaties voldoet, gebruiken in geselecteerde commerciële producten.

Afdeling 3.4.5.
Magnesiumoxide-industrie


Art. 3.4.5.1. Deze afdeling is van toepassing op alle installaties voor de productie van magnesiumoxide met behulp van de droge procesroute.

Art. 3.4.5.2. Procesparameters van de ovenprocessen die de processtabiliteit aangeven, zoals temperatuur, O2-gehalte, druk en debiet worden continu gemeten.

Art. 3.4.5.3. Kritieke procesparameters van de ovenprocessen, zoals de toevoer van grond- en brandstoffen, juiste dosering en overtollige zuurstof worden continu gemonitord en stabiel gehouden.

Art. 3.4.5.4.

De concentratie van de volgende emissies van de ovenprocessen worden gemeten met de volgende frequentie:

 

parameter meetfrequentie
stof continu
NOx, SOx en CO maandelijks

Art. 3.4.5.5.

Bij de toepassing van activiteiten die geen verband houden met ovens, worden de stofemissies maandelijks gemeten.

 

In afwijking van het eerste lid wordt voor kleinere bronnen, met een debiet van minder dan 10.000 Nm3/u, de frequentie van de metingen of de werkingscontroles gebaseerd op een onderhoudsbeheersysteem.


Art. 3.4.5.6. Het verbruiksniveau van thermische energie bedraagt maximaal 12 GJ/ton product.

Art. 3.4.5.7. Het elektriciteitsverbruik wordt zo laag mogelijk gehouden door de toepassing van een of meer van de technieken, vermeld in BBT 57 van de BBT-conclusies voor de productie van cement, kalk en magnesiumoxide.

Art. 3.4.5.8. De diffuse stofemissies van stofveroorzakende bewerkingen worden zo veel mogelijk beperkt of voorkomen door de toepassing van een of meer van de technieken, vermeld in BBT 58 van de BBT-conclusies voor de productie van cement, kalk en magnesiumoxide.

Art. 3.4.5.9. Voor de geleide emissies van stofveroorzakende activiteiten die geen verband houden met het stoken van ovens, geldt een emissiegrenswaarde voor stof van 10 mg/Nm³. Er wordt een onderhoudsbeheersysteem toegepast dat in het bijzonder gericht is op de werking van de filter.

Art. 3.4.5.10.

De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op de geloosde afgassen die vrijkomen bij het stoken van ovens:

 

parameter opmerking emissiegrenswaarde (mg/Nm³)
stof   35
NOx, uitgedrukt als NO2   verwerking van doodgebrand magnesiumoxide bij hoge temperatuur 1500
overig 500
CO   1000
SOx, uitgedrukt als SO2   bij gebruik van grondstoffen met een laag zwavelgehalte en het gebruik van aardgas 50
bij gebruik van grondstoffen met een hoger zwavelgehalte of het gebruik van zwavelhoudende brandstoffen 400

Art. 3.4.5.11. De uitstoot van gasvormige verbindingen, dat wil zeggen NOx, SOx, gasvormige anorganische chloriden, CO, afkomstig van afgassen die vrijkomen bij het stoken van ovens, wordt beperkt door de toepassing van een of meer van de technieken, vermeld in BBT 61 van de BBT-conclusies voor de productie van cement, kalk en magnesiumoxide.

Art. 3.4.5.12.

Het aantal CO-pieken bij de toepassing van elektrostatische stofvangers wordt zo veel mogelijk beperkt door de toepassing van de onderstaande technieken:

CO-pieken beheersen om de periode van stillegging van de elektrostatische stofvanger te beperken;
continu automatische CO-metingen uitvoeren met behulp van dicht bij de CO-bron geplaatste meetapparatuur met een korte reactietijd.

 


Art. 3.4.5.13. Procesverliezen en afval worden verminderd of zo veel mogelijk beperkt door diverse soorten opgevangen magnesiumcarbonaatstof te hergebruiken in het proces.

Art. 3.4.5.14.

De kenmerken van afvalstoffen die als brand- of grondstoffen in magnesiumoxideovens zullen worden gebruikt, worden gewaarborgd door de toepassing van de onderstaande technieken:

afvalstoffen selecteren die geschikt zijn voor het proces en de brander;
kwaliteitsborgingssystemen toepassen om de kenmerken van afvalstoffen te waarborgen en te controleren, en het afval analyseren dat zal worden gebruikt aan de hand van de volgende criteria:
  a) de beschikbaarheid;
  b) de constante kwaliteit;
  c) de fysische criteria;
  d) de chemische criteria;
het aantal relevante parameters beheersen voor afval dat zal worden aangewend.

 


Hoofdstuk 3.5.
Productie van chlooralkali


Afdeling 3.5.1.
Toepassingsgebied en definities


Art. 3.5.1.1.

§1. Dit hoofdstuk is van toepassing op de inrichtingen, vermeld in rubriek 7.11.2°, a) en c), van de indelingslijst, voor de productie van chlooralkali (chloor, waterstof, kaliumhydroxide en natriumhydroxide) door de elektrolyse van pekel. Bestaande installaties, als vermeld in artikel 3.5.1.2, 2°, voldoen uiterlijk op 11 december 2017 aan dit hoofdstuk.

 

De overeenkomstige GPBV-activiteiten zijn de activiteiten, vermeld in punt 4.2, a) en c), van bijlage 1 bij dit besluit.

 

§2. Het toepassingsgebied van dit hoofdstuk omvat de volgende processen:

1°  de opslag van zout;
de bereiding, zuivering en resaturatie van pekel;
de elektrolyse van pekel;
4°  de concentratie, zuivering, opslag van natrium- of kaliumhydroxide en het werken ermee;
5°  het koelen, drogen, de zuivering, de compressie, het vloeibaar maken, de opslag van chloor en het werken ermee;
het koelen, de zuivering, de compressie, de opslag van waterstof en het werken ermee;
7°   de ombouw van kwikcelleninstallaties tot membraancelleninstallaties;
8°  de buitengebruikstelling van kwikcelleninstallaties;
de sanering van locaties voor productie van chlooralkali.

 

§3. Paragraaf 1 heeft geen betrekking op de volgende activiteiten:

de elektrolyse van zoutzuur voor de productie van chloor;
de elektrolyse van pekel voor de productie van natriumchloraat;
de elektrolyse van gesmolten zouten voor de productie van alkali- of aardalkalimetalen en chloor;
de productie van specialiteiten, zoals alcoholaten, dithionieten en alkalimetalen, door het gebruik van amalgaam van alkalimetalen, geproduceerd met de kwikcellentechniek;
de productie van chloor, waterstof of natrium- of kaliumhydroxide door andere processen dan elektrolyse.

 

 

§4. Dit hoofdstuk heeft geen betrekking op de volgende aspecten van productie van chlooralkali:

de behandeling van afvalwater in een downstream-behandelingsinstallatie;
geluidsemissies.

Art. 3.5.1.2.

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

nieuwe installatie: een installatie die pas na 11 december 2013 in gebruik is genomen of een volledige vervanging is van een installatie op de bestaande fundamenten van de installatie na 11 december 2013;
bestaande installatie: een andere installatie dan een nieuwe installatie;
de BBT-conclusies voor de productie van chlooralkali: het uitvoeringsbesluit 2013/732/EU van de Commissie van 9 december 2013 tot vaststelling van de BBT-conclusies (beste beschikbare technieken) op grond van Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad inzake industriële emissies voor de productie van chlooralkali, gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie L332 van 11 december 2013.

 


Art. 3.5.1.3. Tenzij het anders is vermeld, kunnen de bepalingen in dit hoofdstuk algemeen worden toegepast.

Afdeling 3.5.2.
Algemene bepalingen


Art. 3.5.2.1. Voor de productie van chlooralkali wordt gebruikgemaakt van één of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 1 van de BBT-conclusies voor de productie van chlooralkali. De kwikcellentechniek wordt onder geen omstandigheden toegepast. Diafragma’s van asbest worden niet gebruikt.

Art. 3.5.2.2.

Om de emissies van kwik te beperken en om het ontstaan van met kwik vervuild afval tijdens de buitengebruikstelling of ombouw van kwikcelleninstallaties te beperken, is een buitengebruikstellingsplan beschikbaar en wordt dat uitgevoerd. Al de volgende kenmerken zijn in het buitengebruikstellingsplan verwerkt:

 

een deel van het personeel dat ervaring heeft met het beheer van de voormalige installatie wordt betrokken bij alle fasen van uitwerking en uitvoering;
er wordt voorzien in procedures en instructies voor alle uitvoeringsfasen;
er wordt voorzien in een gedetailleerd trainings- en toezichtprogramma voor personeel zonder ervaring met het werken met kwik;
de hoeveelheid metallisch kwik dat moet worden teruggewonnen, wordt bepaald en de hoeveelheid afval die moet worden afgevoerd, en de kwikvervuiling die zich daarin bevindt, wordt geschat;
er wordt voorzien in werkzones die:
  a) zijn voorzien van een overdakking;
  b) zijn uitgerust met een gladde, aflopende en ondoordringbare vloer om gemorst kwik naar een opvangbak te leiden;
  c) goed verlicht zijn;
  d) vrij zijn van obstakels en puin dat kwik kan opnemen;
  e) zijn uitgerust met een watertoevoer voor wassen;
  f) zijn aangesloten op een afvalwaterbehandelingssysteem;
de cellen worden geleegd en metallisch kwik wordt overgebracht naar houders door:
  a) het systeem gesloten te houden als dat mogelijk is;
  b) kwik te wassen;
  c) gebruik te maken van overbrengen onder invloed van de zwaartekracht als dat mogelijk is;
  d) vaste onzuiverheden uit het kwik te verwijderen als dat noodzakelijk is;
  e) de houders te vullen tot ≤ 80 % van de volumetrische inhoud ervan;
  f) de houders hermetisch af te dichten na het vullen;
  g) de lege cellen te wassen en ze vervolgens te vullen met water;
alle ontmantelings- en sloopactiviteiten worden uitgevoerd door:
  a) hete methoden om uitrusting te slopen, te vervangen door koude methoden als dat mogelijk is;
  b) vervuilde uitrusting op te slaan in daarvoor geschikte zones;
  c) de vloer in het werkgebied regelmatig te wassen;
  d) gemorst kwik snel op te ruimen door gebruik te maken van ademhalingsuitrusting met actieve koolfilters;
  e) afvalstromen te registreren;
  f) afval dat met kwik is vervuild, te scheiden van afval dat niet met kwik is vervuild;
  g) afval dat met kwik vervuild is geraakt, te decontamineren door gebruik te maken van mechanische en fysieke behandelingstechnieken, chemische behandelingstechnieken of thermische behandelingstechnieken;
  h) gedecontamineerde uitrusting te hergebruiken of te recyclen als dat mogelijk is;
  i) het gebouw waarin de cellenzaal zich bevindt, te reinigen door de muren en de vloer schoon te maken, en ze vervolgens te coaten of te verven om ze een ondoordringbaar oppervlak te geven als het gebouw opnieuw zal worden gebruikt;
  j) de afvalwateropvangsystemen in of rond de installatie te reinigen of te vervangen;
  k) het werkgebied af te sluiten en ventilatielucht te zuiveren als hoge concentraties kwik worden verwacht. Zuiveringstechnieken voor ventilatielucht zijn onder meer adsorptie op jodium- of zwavelhoudend actieve kool, gasreinigen met hypochloriet of gechloreerde pekel, of het toevoegen van chloor om vast dikwikdichloride te vormen;
  l) kwikhoudend afvalwater, waaronder waswater dat afkomstig is van het reinigen van beschermende uitrusting, te behandelen;
  m) kwik in lucht, water en afval te monitoren, waaronder gedurende een gepaste tijd na de afronding van de buitengebruikstelling of ombouw;
indien nodig wordt metallisch kwik tussentijds opgeslagen op de locatie in opslagruimtes die:
  a) goed verlicht en weerbestendig zijn;
  b) zijn uitgerust met een geschikte secondaire insluiting die 110% van het vloeistofvolume van enige afzonderlijke houder kan vasthouden;
  c) vrij zijn van obstakels en puin dat kwik kan opnemen;
  d) zijn uitgerust met ademhalingsuitrusting met actieve koolfilters;
  e) periodiek worden geïnspecteerd, zowel visueel als met kwikbewakingsapparatuur;
als dat nodig is, wordt afval getransporteerd, mogelijk verder behandeld en afgevoerd.

 


Art. 3.5.2.3.

Om de mogelijke vervuiling van de bodem, het grondwater en de lucht te beperken en de verspreiding van mogelijke vervuiling en overdracht aan flora en fauna van chlooralkalisites te stoppen, moeten alle verplichtingen die voortvloeien uit het Bodemdecreet van 27 oktober 2006 en zijn uitvoeringsbesluiten worden nageleefd.

 

Als overeenkomstig voormeld decreet tot bodemsanering moet worden overgegaan, bevat het bodemsaneringsproject ook een financiële planning en een overzicht van de geplande investeringen om de doelstelling te behalen. Deze bepaling wordt vastgesteld ter uitvoering van artikel 48 van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006.


Art. 3.5.2.4.

De monitoring van emissies in de lucht wordt verricht overeenkomstig de meetmethoden, vermeld in bijlage 4.4.2 bij titel II van het VLAREM. De monitoring van emissies in water wordt verricht overeenkomstig de meetmethoden, vermeld in bijlage 4.2.5.2 bij titel II van het VLAREM. Als er geen meetmethoden worden vermeld, worden de CEN-normen gevolgd. Als er geen CEN-normen bestaan, worden de ISO-normen, de nationale normen of andere internationale normen toegepast die gegevens van een gelijkwaardige wetenschappelijke kwaliteit opleveren.


Afdeling 3.5.3.
Energie


Art. 3.5.3.1. In het elektrolyseproces wordt efficiënt met energie omgegaan door gebruik te maken van een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 5 van de BBT-conclusies voor de productie van chlooralkali.

Art. 3.5.3.2. Om efficiënt met energie om te gaan, wordt de waterstof die tijdens de elektrolyse mee geproduceerd is, zo veel mogelijk als een chemisch reagens of brandstof gebruikt.

Afdeling 3.5.4.
Luchtemissies


Art. 3.5.4.1.

De emissies van chloor en chloordioxide worden aan de uitlaat van de chloorabsorptie-eenheid continu gemeten door middel van elektrochemische cellen.

 

Er geldt een emissiegrenswaarde voor chloor en chloordioxide, uitgedrukt als Cl2, van 1 mg/m³ voor de geloosde afgassen van de chloorabsorptie-eenheid. In functie van deze emissiegrenswaarde worden de emissies van chloor en chloordioxide aan de uitlaat van de chloorabsorptie-eenheid, in afwijking van artikel 2.3.1, eerste lid, jaarlijks gemeten door middel van absorptie in een oplossing gevolgd door analyse, waarbij de meetwaarde wordt bepaald als de gemiddelde waarde van ten minste drie opeenvolgende metingen met tussentijd van een uur.


Art. 3.5.4.2. Voor de eliminatie van stikstoftrichloride of voor de terugwinning van chloor uit restgas mag niet gebruikgemaakt worden van tetrachloormethaan.

Afdeling 3.5.5.
Afvalwater


Art. 3.5.5.1.

Het milieuprestatieniveau voor kwikemissies naar water, uitgedrukt als Hg, bij de uitlaat van de kwikzuiveringseenheid tijdens buitengebruikstelling of ombouw bedraagt minder dan 0,015 mg/l, in debietproportionele 24 uurmengmonsters die, in afwijking van artikel 2.3.1, eerste lid, dagelijks aan de uitlaat van de kwikbehandelingseenheid worden genomen.


Art. 3.5.5.2. Het ontstaan van afvalwater wordt beperkt door gebruik te maken van een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 4 van de BBT-conclusies voor de productie van chlooralkali.

Art. 3.5.5.3. Emissies van vervuilende stoffen naar het water worden beperkt door gebruik te maken van een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 11 van de BBT-conclusies voor de productie van chlooralkali.

Art. 3.5.5.4.

Chloride-emissies van de chlooralkali-installatie naar het water worden beperkt door gebruik te maken van een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 4 van de BBT-conclusies voor de productie van chlooralkali. De emissies van chloride worden, in afwijking van artikel 2.3.1, eerste lid, maandelijks gemeten in de pekelspui.


Art. 3.5.5.5.

De emissies van vrij chloor van de chlooralkali-installatie naar water worden beperkt door afvalwaterstromen die vrij chloor bevatten, zo dicht mogelijk bij de bron te behandelen om vervluchtiging van chloor of het ontstaan van gehalogeneerde verbindingen te voorkomen. De emissiegrenswaarde van vrij chloor, uitgedrukt als Cl2, bedraagt minder dan 0,2 mg/l, in steekproefmonsters die, in afwijking van artikel 2.3.1, eerste lid, ten minste een keer per maand worden genomen op het punt waar de emissie de installatie verlaat.

 

 

De emissies van vrij chloor dicht bij de bron worden continu gemeten.

 


Art. 3.5.5.6.

Chloraatemissies van de chlooralkali-installatie naar het water worden beperkt door gebruik te maken van één of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 14 van de BBT-conclusies voor de productie van chlooralkali. De emissies van chloraat worden, in afwijking van artikel 2.3.1, eerste lid, maandelijks gemeten op het punt waar de emissie de installatie verlaat.


Art. 3.5.5.7.

Emissies van gehalogeneerde organische verbindingen van de chlooralkali-installatie naar het water worden beperkt door gebruik te maken van een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 15 van de BBT-conclusies voor de productie van chlooralkali. De emissies van gehalogeneerde organische verbindingen worden, in afwijking van artikel 2.3.1, eerste lid, jaarlijks gemeten in de pekelspui.


Art. 3.5.5.8.

De emissies van sulfaat worden, in afwijking van artikel 2.3.1, eerste lid, jaarlijks gemeten in de pekelspui.


Art. 3.5.5.9.

De emissies van relevante zware metalen worden, in afwijking van artikel 2.3.1, eerste lid, jaarlijks gemeten in de pekelspui.


Afdeling 3.5.6.
Afval


Art. 3.5.6.1. Het milieuprestatieniveau voor de hoeveelheid van afgewerkt zwavelzuur dat moet worden afgevoerd, uitgedrukt als H2SO4 (96 gewichtsprocent), bedraagt minder dan 0,1 kg per ton geproduceerd chloor.

Hoofdstuk 3.6.
Productie van pulp, papier en karton


Afdeling 3.6.1.
Toepassingsgebied en definities


Art. 3.6.1.1.

§1. Dit hoofdstuk is van toepassing op de inrichtingen, vermeld in rubriek 33.1 en 33.2, e), van de indelingslijst. Bestaande installaties, als vermeld in artikel 3.6.1.2, 2°, voldoen uiterlijk op 30 september 2018 aan dit hoofdstuk.

 

De overeenkomstige GPBV-activiteiten zijn de activiteiten vermeld in punt 6.1, a), en 6.1, b), van bijlage 1, die bij dit besluit is gevoegd.

 

§2. Het toepassingsgebied van dit hoofdstuk omvat de volgende processen:

de volgende chemische pulpproducties:
  a) pulpproces op basis van sulfaat (kraft);
  b) pulpproces op basis van sulfiet;
mechanische en chemisch-mechanische pulpproductie;
verwerking van papier voor recyclage met en zonder ontinkting;
papierproductie en aanverwante processen;
alle terugwinningsinstallaties en kalkovens geëxploiteerd in pulp- en papierfabrieken.

 

§3. De bepalingen, vermeld in paragraaf 1, hebben geen betrekking op de volgende activiteiten:

fabricage van papierpulp uit niet-houtachtig ruw vezelmateriaal;
stationaire verbrandingsmotoren;
andere stookinstallaties om stoom en elektriciteit op te wekken dan terugwinningsinstallaties;
drogers met interne branders voor papiermachines en coaters.

 


Art. 3.6.1.2.

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

nieuwe installatie: een installatie die voor het eerst wordt vergund op het terrein van de installatie na 30 september 2014 of een volledige vervanging van een installatie op bestaande fundamenten van de installatie na 30 september 2014;
bestaande installatie: een andere installatie dan een nieuwe installatie;
totaal gereduceerde zwavel, afgekort TRS: de som van de volgende gereduceerde onwelriekende zwavelverbindingen gegenereerd in het pulpproductieproces: waterstofsulfide, methylmercaptaan, dimethylsulfide en dimethyldisulfide, uitgedrukt als zwavel;
sterk geurende gassen: de geconcentreerde, niet-condenseerbare geurende gassen. Dat zijn TRS-houdende gassen uit het koken, verdampen en strippen van condensaten;
zwak geurende gassen: de verdunde, niet-condenseerbare geurende gassen. Dat zijn TRS-houdende gassen die geen sterk geurende gassen zijn;
geïntegreerde productie: de productie waarbij zowel de pulp als het papier of het karton op dezelfde locatie wordt geproduceerd. De pulp wordt in de regel niet gedroogd voor de fabricage van het papier of karton;
niet-geïntegreerde productie: de productie van een van de volgende zaken:
  a) marktpulp in fabrieken waar geen papiermachines in gebruik zijn;
  b) papier of karton uitsluitend op basis van marktpulp, dus pulp die in andere fabrieken is geproduceerd;
nettoproductie:
  a) voor papierfabrieken: de onverpakte, verkoopbare productie na de laatste rollensnijmachine, dat wil zeggen voordat het verder wordt verwerkt of getransformeerd;
  b) voor offline coaters: de productie na het coaten;
  c) voor tissuepapierfabrieken: de verkoopbare productie na de tissuepapiermachine voor herwikkelprocessen zonder kern;
  d) voor marktpulpfabrieken: de productie na de verpakking, uitgedrukt in luchtgedroogde ton; 
  e) voor geïntegreerde fabrieken:
    1) de nettoproductie van pulp: de productie na de verpakking, uitgedrukt in luchtgedroogde ton, plus de naar de papierfabriek gebrachte pulp, uitgedrukt in 90% droogheid, wat neerkomt op luchtdroog;
    2) de nettoproductie van papier: dezelfde productie als vermeld in punt a);
hardhout: de groep van houtsoorten zoals esp, beuk, berk en eucalyptus. De term hardhout wordt gebruikt als het tegenovergestelde van naaldhout;
10° naaldhout: het hout van naaldbomen, waaronder dennen en sparren. De term naaldhout wordt gebruikt als het tegenovergestelde van hardhout;
11° ADt: air dry ton of luchtgedroogde ton van pulp, uitgedrukt als 90% droog;
12° vluchtige organische stof, afgekort VOS: een organische verbinding, alsook de fractie creosoot, die bij 293,15 K een dampspanning van 0,01 kPa of meer heeft of die onder specifieke gebruiksomstandigheden een vergelijkbare vluchtigheid heeft;
13° de BBT-conclusies voor de productie van pulp, papier en karton: het uitvoeringsbesluit 2014/687/EU van de Commissie van 26 september 2014 tot vaststelling van de BBT-conclusies (beste beschikbare technieken) op grond van Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad, voor de productie van pulp, papier en karton, gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie L284 van 30 september 2014.

 

 

 


Art. 3.6.1.3. Voor geïntegreerde en multiproduct- pulp- en papierfabrieken worden de emissiegrenswaarden, die worden bepaald voor de individuele processen of producten, gecombineerd volgens een mengregel op basis van het aandeel in het debiet.

Afdeling 3.6.2.
Algemene bepalingen


Art. 3.6.2.1.

De processpecifieke bepalingen vermeld in afdeling 3.6.3 tot en met 3.6.7, zijn van toepassing naast de algemene bepalingen die in deze afdeling beschreven worden.


Subafdeling 3.6.2.1.
Milieubeheersysteem


Art. 3.6.2.1.1.

Voor het verbeteren van de totale milieuprestatie van de installaties voor de productie van pulp, papier en karton, wordt een milieubeheersysteem uitgevoerd en nageleefd dat al de volgende elementen omvat:

1°  de betrokkenheid van het kader, met inbegrip van het hogere kader;
2°  de vaststelling van een milieubeleid dat de continue verbetering van de installatie door het kader omvat;
3°  de planning en vaststelling van de noodzakelijke procedures, doelstellingen en streefcijfers, samen met de financiële planning en investeringen;
4°  de toepassing van procedures met bijzondere aandacht voor:
  a)  structuur en verantwoordelijkheid;
  b)  opleiding, bewustzijn en vakbekwaamheid;
  c) communicatie;
  d) betrokkenheid van de werknemers;
  e) documentatie;
  f)  efficiënte procesbeheersing;
  g) onderhoudsprogramma's;
  h) paraatheid ten overstaan van noodsituaties en rampenplannen;
  i) waarborgen van de naleving van het milieurecht;
5°  de controle van de uitvoering en het nemen van corrigerende maatregelen, met bijzondere aandacht voor:
  a) monitoring en meting;
  b) corrigerende en preventieve maatregelen;
  c) bijhouden van gegevens;
  d)  waar mogelijk: onafhankelijke interne en externe controle om te bepalen of het milieubeheersysteem voldoet aan de voorgenomen regelingen en naar behoren ten uitvoer is gelegd en bijgehouden;
de herziening van het milieubeheersysteem en de continue controle van de geschiktheid, adequaatheid en doeltreffendheid ervan door het hogere kader;
het volgen van de ontwikkelingen op het vlak van schonere technologieën;
8°  de aandacht voor de milieueffecten van de uiteindelijke ontmanteling van de installatie bij de ontwerpfase van een nieuwe fabriek, en gedurende de hele levensduur;
de toepassing van de sectorale benchmarking op regelmatige basis.

 


Subafdeling 3.6.2.2.
Materialenbeheer en goede bedrijfspraktijk


Art. 3.6.2.2.1.

Het milieueffect van het productieproces wordt beperkt door de toepassing van de principes van goede bedrijfspraktijk door gebruik te maken van de volgende technieken:

 

de chemicaliën en additieven zorgvuldig selecteren en controleren;
2°  de input-outputanalyse maken met een lijst van chemische stoffen, met inbegrip van de hoeveelheden en toxicologische eigenschappen;
3°  het gebruik van chemicaliën beperken tot het vereiste minimumniveau in overeenstemming met de kwaliteitsspecificaties van het eindproduct;
het gebruik vermijden van schadelijke stoffen en die vervangen door minder schadelijke alternatieven;
de hoeveelheid stoffen beperken die de bodem indringen door lekken, luchtafzetting en de inadequate opslag van grondstoffen, producten of residuen;
een programma opzetten om lekken te beheersen en relevante bronnen verder in te kapselen om verontreiniging van bodem en grondwater te voorkomen;
de leidingen en opslagsystemen optimaal ontwerpen om de oppervlakken schoon te houden en de behoefte aan spoelen en reinigen te beperken.

 


Art. 3.6.2.2.2. Het vrijkomen van niet gemakkelijk biologisch afbreekbare organische chelaatvormers, zoals ethyleendiaminetetra-azijnzuur (EDTA) of diethyleentriaminepenta-azijnzuur (DTPA), bij het bleken met peroxide wordt beperkt door de toepassing van een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 3 van de BBT-conclusies voor de productie van pulp, papier en karton.

Subafdeling 3.6.2.3.
Water en afvalwater


Art. 3.6.2.3.1.

Procesparameters die relevant zijn voor emissies in het water, worden gemeten met frequentie, vermeld in de volgende tabel:

 

parameter

meetfrequentie

waterdebiet, temperatuur en pH

continu

P- en N-gehalte in biomassa, slibvolume-index, overtollige ammonium en orthofosfaat in het afvalwater, en microscopische controle van de biomassa

om de drie maanden


Art. 3.6.2.3.2. Emissies van relevante metalen in het water, zoals Zn, Cu, Cd, Pb en Ni, worden om de drie maanden gemeten.

Art. 3.6.2.3.3.

Tenzij het anders is vermeld, worden de middelingstijden voor emissies in het water als volgt bepaald:

het daggemiddelde: het debietproportioneel 24uur-mengmonster;
het jaargemiddelde: het voortschrijdend gemiddelde van alle daggemiddelden, genomen binnen een jaar, gewogen op basis van de dagelijkse productie, en uitgedrukt als massa van uitgestoten stoffen per eenheid van massa van de gegenereerde of verwerkte producten of materialen.

Art. 3.6.2.3.4.

De monitoring van emissies in het water wordt verricht overeenkomstig de meetmethoden, vermeld in bijlage 4.2.5.2 van titel II van het VLAREM. Als er geen meetmethoden worden vermeld, worden de CEN-normen gevolgd. Als er geen CEN-normen bestaan, worden de ISO-normen, de nationale normen of andere internationale normen toegepast die gegevens van een gelijkwaardige wetenschappelijke kwaliteit opleveren.


Art. 3.6.2.3.5. Het afvalwaterdebiet bij droge ontschorsing bedraagt maximaal 2,5 m³/ADt.

Art. 3.6.2.3.6.

De maximale afvalwaterdebieten, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing bij lozing na de behandeling van het afvalwater, uitgedrukt in voortschrijdende jaargemiddelden:

 

sector

afvalwaterdebiet

gebleekte kraftpulp

50 m³/ADt

ongebleekte kraftpulp

40 m³/ADt

gebleekte sulfietpulp van papierkwaliteit

50 m³/ADt

magnesiumpulp

70 m³/ADt

oplosbare pulp

60 m³/ADt

neutraal sulfiet, halfchemische pulp

20 m³/ADt

mechanische pulp

16 m³/t

chemisch-thermomechanische en chemisch-mechanische pulp

16 m³/ADt

papierfabrieken die gebruikmaken van gerecycleerde vezels zonder ontinkting

10 m³/t

papierfabrieken die gebruikmaken van gerecycleerde vezels met ontinkting

15 m³/t

fabrieken voor tissuepapier die gebruikmaken van gerecycleerde vezels zonder ontinkting

25 m³/t

niet-geïntegreerde papierfabrieken

20 m³/t

 


Art. 3.6.2.3.7. Als de stikstof in de chemische additieven niet biologisch beschikbaar is of als de nutriëntenbalans een overschot vertoont, worden emissies van nutriënten in ontvangende wateren beperkt door chemische additieven met een hoog stikstof- en fosforgehalte te vervangen door additieven met een laag stikstof- en fosforgehalte.

Art. 3.6.2.3.8.

Emissies van verontreinigende stoffen in ontvangende wateren worden beperkt door de toepassing van:

primaire fysisch-chemische behandeling;
secundaire biologische behandeling.

 

Secundaire biologische behandeling is niet van toepassing op installaties waar de biologische belasting van het afvalwater na de primaire behandeling zeer laag is.


Art. 3.6.2.3.9.

De emissies van verontreinigende stoffen in ontvangende wateren uit biologische waterzuiveringsinstallaties worden beperkt door de toepassing van:

optimaal ontwerp en exploitatie van de biologische zuiveringsinstallatie;
regelmatige controle van de actieve biomassa;
de aanvoer van nutriënten, zoals stikstof en fosfor, afstemmen op de werkelijke behoefte aan actieve biomassa.

Subafdeling 3.6.2.4.
Energie


Art. 3.6.2.4.1.

Het brandstof- en energieverbruik in de pulp- en papierfabrieken wordt beperkt door de toepassing van een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 6 van de BBT-conclusies voor de productie van pulp, papier en karton, en door de toepassing van een energiebeheersysteem dat:

het volledige verbruik en de productie van energie van de fabriek controleert;
de mogelijkheden voor de terugwinning van energie opspoort, kwantificeert en optimaliseert;
de geoptimaliseerde situatie voor energieverbruik monitort en beschermt.

Subafdeling 3.6.2.5.
Geuremissies


Art. 3.6.2.5.1. De emissies van geurstoffen afkomstig uit het afvalwater worden voorkomen en beperkt door de toepassing van een combinatie van technieken, vermeld in BBT 7 van de BBT-conclusies voor de productie van pulp, papier en karton.

Subafdeling 3.6.2.6.
Luchtemissies


Art. 3.6.2.6.1.

Procesparameters die relevant zijn voor emissies in de lucht, worden gemeten met de frequentie, vermeld in de volgende tabel:  

parameter meetfrequentie
druk, temperatuur, zuurstof, CO en waterdampgehalte in rookgassen voor verbrandingsprocessen continu
debiet en CH4-gehalte van biogas dat is ontstaan in de anaerobe behandeling van afvalwater continu
het H2S- en CO2-gehalte in biogas dat is ontstaan bij de anaerobe afvalwaterbehandeling om de vier maanden

Art. 3.6.2.6.2. Diffuse zwavelemissies uit relevante bronnen worden regelmatig gecontroleerd.

Art. 3.6.2.6.3.

Tenzij het anders is vermeld, worden de middelingstijden voor emissies in de lucht als volgt bepaald:

het gemiddelde van de hele bemonsteringsperiode: de gemiddelde waarde van drie opeenvolgende metingen van ten minste dertig minuten elk;
het daggemiddelde: het gemiddelde over een periode van 24 uur op basis van geldige uurgemiddelden uit continue metingen;
3°  het jaargemiddelde: het gemiddelde van alle geldige uurgemiddelden in geval van continue metingen of gemiddelde van alle gemiddelden van de hele bemonsteringsperiode, verkregen gedurende een jaar in geval van periodieke metingen.

Art. 3.6.2.6.4.

De monitoring van emissies in de lucht wordt verricht overeenkomstig de meetmethoden, vermeld in bijlage 4.4.2 van titel II van het VLAREM. Als er geen meetmethoden worden vermeld, worden de CEN-normen gevolgd. Als er geen CEN-normen bestaan, worden de ISO-normen, de nationale normen of andere internationale normen toegepast die gegevens van een gelijkwaardige wetenschappelijke kwaliteit opleveren.


Subafdeling 3.6.2.7.
Productieresiduen


Art. 3.6.2.7.1. De hoeveelheid afval die wordt verwijderd, wordt beperkt door een systeem voor afvalbeheer en -evaluatie, inclusief afvalinventarissen, in te stellen dat afval hergebruik mogelijk maakt, of, als dat niet mogelijk is, afvalrecyclage, of, als dat niet mogelijk is, “andere vormen van terugwinning”, inclusief de toepassing van een combinatie van technieken, vermeld in BBT 12 van de BBT-conclusies voor de productie van pulp, papier en karton.

Subafdeling 3.6.2.8.
Geluidsemissies


Art. 3.6.2.8.1. Geluidsemissies van de pulp- en papierindustrie worden beperkt door de toepassing van een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 17 van de BBT-conclusies voor de productie van pulp, papier en karton.

Subafdeling 3.6.2.9.
Ontmanteling


Art. 3.6.2.9.1.

Om verontreinigingsrisico’s te voorkomen als een installatie wordt ontmanteld, wordt/worden:

ervoor gezorgd dat ondergrondse opslagtanks en leidingen in de ontwerpfase worden vermeden, of dat hun locatie goed bekend is en gedocumenteerd wordt;
een plan met instructies vastgesteld om procesapparatuur, vaten en leidingen te legen;
3°  ervoor gezorgd dat de installatie op een schone manier wordt afgesloten door het terrein schoon te maken en te herstellen in zijn oorspronkelijke staat. Als dat mogelijk is, worden de natuurlijke bodemfuncties beschermd;
de verplichtingen en de procedure van artikel 122 van het Bodemdecreet van 27 oktober 2006 van overeenkomstige toepassing;
op basis van een risicoanalyse een transparant plan ontwikkeld voor de stopzetting van de activiteiten op het terrein en de sluiting van de installatie, waarin rekening wordt gehouden met specifieke plaatselijke omstandigheden.

Afdeling 3.6.3.
Kraftpulpproductie


Art. 3.6.3.1.

Voor geïntegreerde pulp- en papierfabrieken die aan kraftpulpproductie doen, zijn de processpecifieke bepalingen voor papierproductie, vermeld in afdeling 3.6.7, van toepassing, in aanvulling op de bepalingen van deze afdeling.


Art. 3.6.3.2. Als in deze afdeling voor dezelfde problematiek emissiegrenswaarden voor dezelfde gemiddelde periode worden opgegeven in andere eenheden, worden die verschillende manieren om emissiegrenswaarden uit te drukken, gezien als gelijkwaardige alternatieven.

Art. 3.6.3.3.

Met toepassing van de bepalingen, vermeld in BBT 20 en 30 van de BBT-conclusies voor de productie van pulp, papier en karton, kan er vanwege de toepasbaarheid worden afgeweken van artikel 3.6.3.2.1 en 3.6.3.3.1 in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit.


Subafdeling 3.6.3.1.
Water en afvalwater


Art. 3.6.3.1.1.

Voor fabrieken die kraftpulp produceren, zijn voor de niet-geïntegreerde productie van marktpulp en het pulpproductiegedeelte van geïntegreerde fabrieken de emissiegrenswaarden en, in afwijking van artikel 2.3.1, eerste lid, de meetfrequenties, vermeld in de volgende tabel, van toepassing op de lozing van afvalwater in oppervlaktewater:

 

parameter

emissiegrenswaarde, voortschrijdend jaargemiddelde (in kg/ADt)

meetfrequentie

gebleekte kraftpulp

ongebleekte kraftpulp

CZV (1)

20

8

dagelijks (2)

BZV

-

-

wekelijks

zwevende stoffen

1,5

1,0

dagelijks (2)

totaal stikstof

0,25

0,2

wekelijks (2)

totaal fosfor

0,03 (3)

0,02

wekelijks (2)

EDTA, DTPA

-

-

maandelijks (4)

AOX

0,2 (5)

-

maandelijks (6)

(1)  Als totaal organische koolstof (TOC) al wordt gemeten als een voorname sleutelprocesparameter, is het niet nodig om CZV te meten. Er wordt echter wel door een MER-deskundige, erkend in de discipline water, deeldomein oppervlakte- en afvalwater als vermeld in artikel 6, 1°, d), 4), van het VLAREL van 19 november 2010, een correlatie tussen de twee parameters vastgesteld voor de specifieke emissiebron en de stap van de afvalwaterbehandeling.
(2) Er kunnen ook snelle testmethodes worden gebruikt. Voor CZV en zwevende stoffen wordt maandelijks door een erkend laboratorium in de discipline water, deeldomein afvalwater als vermeld in artikel 6, 5°, a), van het VLAREL van 19 november 2010, gecontroleerd of de resultaten van de snelle tests in overeenstemming zijn met de meetmethodes, vermeld in artikel 3.6.2.3.4. Voor totaal stikstof en totaal fosfor wordt om de drie maanden door een erkend laboratorium in de discipline water, deeldomein afvalwater als vermeld in artikel 6, 5°, a), van het VLAREL van 19 november 2010, gecontroleerd of de resultaten van de snelle tests in overeenstemming zijn met de meetmethodes, vermeld in artikel 3.6.2.3.4.
(3)  Bij gebruik van eucalyptus geldt een emissiegrenswaarde van 0,11 kg/ADt als voortschrijdend jaargemiddelde voor totaal fosfor.
(4) Van toepassing als EDTA of DTPA worden gebruikt in het proces.
(5) Toepasbaar voor fabrieken die chloorhoudende bleekmiddelen gebruiken.
(6)  Niet van toepassing op installaties die kunnen aantonen dat er geen AOX wordt gegenereerd of toegevoegd via chemische additieven en grondstoffen.

 

De emissiegrenswaarden in de tabel, vermeld in het eerste lid, zijn niet toepasbaar voor fabrieken die oplosbare kraftpulp produceren.

 


Subafdeling 3.6.3.2.
Luchtemissies


Art. 3.6.3.2.1.

§1.

Om geuremissies en de totale emissies ten gevolge van sterk en zwak geurende gassen te beperken, worden diffuse emissies voorkomen door alle procesgebaseerde, zwavelhoudende afgassen af te vangen, met inbegrip van zwavelhoudende emissies langs ventilatiegaten, door toepassing van al de volgende technieken:

collectorsystemen voor sterk en zwak geurende gassen, met de volgende elementen:
  a) afdekkingen, afzuigkappen, leidingen en afzuigsystemen met voldoende capaciteit;
  b) systemen voor continue detectie van lekken;
  c) veiligheidsmaatregelen en apparatuur;
verbranding van sterk en zwak geurende gassen. Om ervoor te zorgen dat sterk geurende gassen altijd kunnen worden verbrand, worden back-upsystemen geïnstalleerd;
voor de behandeling van sterk geurende gassen: detecteren wanneer het verbrandingssysteem niet beschikbaar is en eventuele, daaruit resulterende emissies.

 

§2.

Voor stoomketels geldt een emissiegrenswaarde van 0,2 kg S/ADt als jaargemiddelde voor totaal gereduceerde zwavel in restgassen van zwak geurende gassen. De emissies van totaal gereduceerde zwavel worden om de vier maanden gemeten.

 

In het eerste lid wordt verstaan onder restgassen van zwak geurende gassen: de zwak geurende gassen die worden uitgestoten op andere manieren dan via een terugwinningsinstallatie, een kalkoven of een TRS-brander.


Art. 3.6.3.2.2.

De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op de geloosde afgassen van een terugwinningsinstallatie:

 

parameter opmerkingen emissiegrenswaarde
daggemiddelde
(in mg/Nm³ bij 6% O2) (1)
jaargemiddelde
(in mg/Nm³ bij 6% O2)
jaargemiddelde
(in kg/ADt)
SO2   DS < 75% 70 50 -
DS 75-83% 50 25 -
totaal gereduceerde zwavel (TRS)   10 (2) 5 -
gasvormige S (TRS-S + SO2-S) DS < 75% - - 0,17
DS 75-83% - - 0,13
NOX, uitgedrukt als NO2 naaldhout DS < 75% - 200 1,4
DS 75-83% 1,6
hardhout DS < 75% - 200 1,4
DS 75-83% 1,7
stof   - 25 0,20

(1) Emissiegrenswaarden hebben geen betrekking op de perioden waarin de terugwinningsinstallatie werkt met een DS-gehalte

     dat veel lager ligt dan het normale DS-gehalte ten gevolge van een stillegging of onderhoud van de installatie om zwart residuloog te concentreren.

(2)  van toepassing zonder de verbranding van sterk geurende gassen

DS = droge-stof-gehalte van zwart residuloog

 

De concentratie van de parameters SO2, TRS, NOX en stof in de afgassen van de terugwinningsinstallatie wordt continu gemeten.


Art. 3.6.3.2.3.

De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op de geloosde afgassen van een kalkoven:

 

parameter opmerkingen emissiegrenswaarde
jaargemiddelde
(in mg/Nm³ bij 6% O2)
jaargemiddelde
(in kg/ADt)
SO2 als sterke gassen niet in de kalkoven worden verbrand 70   -
als sterke gassen in de kalkoven worden verbrand 120 -
gasvormige S (TRS-S + SO2-S) als sterke gassen niet in de kalkoven worden verbrand - 0,07
als sterke gassen in de kalkoven worden verbrand - 0,12
totaal gereduceerde zwavel (TRS) als sterke gassen in de kalkoven worden verbrand 40 -
als sterke gassen niet in de kalkoven worden verbrand 10 -
NOX, uitgedrukt als NO2     vloeibare brandstoffen, afkomstig van plantaardig materiaal,
waaronder brandstoffen die worden verkregen als bijproducten van het pulpproductieproces
350 0,35
alle andere vloeibare brandstoffen 200 0,2
gasvormige brandstoffen, afkomstig van plantaardig materiaal,
waaronder brandstoffen die worden verkregen als bijproducten van het pulpproductieproces
450 0,45
alle andere gasvormige brandstoffen 350 0,3
stof   25 0,02

 

De concentratie van de parameters SO2, TRS, NOX en stof in de afgassen van de kalkoven, vermeld in het eerste lid, wordt gemeten met de frequentie, vermeld in de volgende tabel:  

 

parameter meetfrequentie
SO2, NOX, stof       continu
TRS om de vier maanden

 


Art. 3.6.3.2.4.

De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op de geloosde afgassen van een speciale TRS-brander voor de verbranding van sterk geurende gassen:

 


parameter

emissiegrenswaarde

jaargemiddelde (in mg/Nm³ bij 9% O2)

jaargemiddelde (in kg/ADt)

SO2

120

-

totaal gereduceerde zwavel (TRS)

5

-

gasvormige S (TRS-S + SO2-S)

-

0,05 (1)

NOX, uitgedrukt als NO2

400

0,1

(1)  Deze emissiegrenswaarde is gebaseerd op een gasstroom van 100 tot 200 Nm3/ADt.

 

De concentratie van de parameters SO2, TRS en NOX in de afgassen van de TRS-brander, vermeld in het eerste lid, wordt gemeten met de frequentie, vermeld in de volgende tabel:

 

parameter

meetfrequentie

SO2, NOX

continu

TRS

om de vier maanden

 


Subafdeling 3.6.3.3.
Productieresiduen


Art. 3.6.3.3.1. Afvalproductie wordt voorkomen en de hoeveelheid te verwijderen vast afval wordt zoveel mogelijk beperkt door recyclage van stof uit de elektrostatische stofvangers van de terugwinningsinstallatie met zwart residuloog.

Subafdeling 3.6.3.4.
Energie


Art. 3.6.3.4.1. Het verbruik van thermische energie wordt beperkt, de voordelen van de gebruikte energiedragers worden zoveel mogelijk benut en het stroomverbruik wordt beperkt door de toepassing van een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 31 van de BBT-conclusies voor de productie van pulp, papier en karton.

Art. 3.6.3.4.2. Het rendement van de stroomproductie wordt geoptimaliseerd door de toepassing van een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 32 van de BBT-conclusies voor de productie van pulp, papier en karton.

Afdeling 3.6.4.
Sulfietpulpproductie


Art. 3.6.4.1.

Voor geïntegreerde pulp- en papierfabrieken die werken met sulfiet zijn de processpecifieke bepalingen voor papierproductie, vermeld in de afdeling 3.6.7, van toepassing, in aanvulling op de bepalingen in deze afdeling.


Subafdeling 3.6.4.1.
Water en afvalwater


Art. 3.6.4.1.1.

Voor een fabriek die pulp produceert op basis van sulfiet of magnefiet, zijn voor de niet-geïntegreerde productie van marktpulp en voor het pulpproductiegedeelte van geïntegreerde fabrieken de emissiegrenswaarden en, in afwijking van artikel 2.3.1, eerste lid, de meetfrequenties, vermeld in de volgende tabel, van toepassing op de lozing van afvalwater in oppervlaktewater:

 

parameter

eenheid

emissiegrenswaarde, voortschrijdend jaargemiddelde

meetfrequentie

pulp van papierkwaliteit op basis van gebleekt sulfiet

pulp van papierkwaliteit op basis van magnefiet

neutraal sulfiet, halfchemische pulp

CZV (1)

kg/ADt

30 (3)(4)

35

11

dagelijks (2)

BZV

 

-

-

-

wekelijks

zwevende stoffen

kg/ADt

1,5 (3)

2,0

1,3

dagelijks (2)

totaal stikstof

kg/ADt

0,3 (3)

0,25

0,2 (5)

wekelijks (2)

totaal fosfor

kg/ADt

0,05 (3)(4)

0,07

0,02

wekelijks (2)

EDTA, DTPA

 

-

-

-

maandelijks (6)

AOX

mg/l

1,5 (7)

-

-

maandelijks (8)

(1)

Als totaal organische koolstof (TOC) al wordt gemeten als een voorname sleutelprocesparameter, is het niet nodig om CZV te meten. Er wordt echter wel door een MER-deskundige, erkend in de discipline water, deeldomein oppervlakte- en afvalwater als vermeld in artikel 6, 1°, d), 4), van het VLAREL van 19 november 2010, een correlatie tussen de twee parameters vastgesteld voor de specifieke emissiebron en de stap van de afvalwaterbehandeling.

(2)

Er kunnen ook snelle testmethodes worden gebruikt. Voor CZV en zwevende stoffen wordt maandelijks door een erkend

laboratorium in de discipline water, deeldomein afvalwater als vermeld in artikel 6, 5°, a), van het VLAREL van 19 november 2010, gecontroleerd of de resultaten van de snelle tests in overeenstemming zijn met de meetmethodes, vermeld in artikel 3.6.2.3.4. Voor totaal stikstof en totaal fosfor wordt om de drie maanden door een erkend laboratorium in de discipline water,

deeldomein afvalwater als vermeld in artikel 6, 5°, a), van het VLAREL van 19 november 2010, gecontroleerd of de resultaten van de snelle tests in overeenstemming zijn met de meetmethodes, vermeld in artikel 3.6.2.3.4.

(3)

Niet van toepassing op fabrieken die vetvrije pulp produceren.

(4) Niet van toepassing op marktpulp op basis van eucalyptus.
(5) Niet van toepassing op neutraal sulfiet, halfchemische pulpproductie op basis van ammonium.
(6) Van toepassing als EDTA of DTPA worden gebruikt in het proces.
(7) Niet van toepassing op chloorvrije fabrieken.
(8)

Niet van toepassing op installaties die kunnen aantonen dat er geen AOX wordt gegenereerd of toegevoegd via chemische additieven en grondstoffen; niet van toepassing op fabrieken die volledig chloorvrij bleken en neutraal sulfiet, halfchemische pulpfabrieken. 

 

De emissiegrenswaarden in de tabel, vermeld in het eerste lid, zijn niet toepasbaar voor fabrieken die oplosbare pulp produceren en voor de productie van speciale pulp voor chemische toepassingen.


Subafdeling 3.6.4.2.
Luchtemissies


Art. 3.6.4.2.1. De emissies van SO2 worden voorkomen en beperkt door alle sterk geconcentreerde SO2-gasstromen uit de productie van zuur residuloog, kookketels, diffusieketels of blaastanks te verzamelen, om de zwavelcomponenten terug te winnen.

Art. 3.6.4.2.2. Diffuse zwavelhoudende geuremissies uit spoeling, screening en verdampers worden voorkomen en beperkt door die zwak geurende gassen te verzamelen en door de toepassing van een van de technieken, vermeld in BBT 35 van de BBT-conclusies voor de productie van pulp, papier en karton.

Art. 3.6.4.2.3.

§1. De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op de geloosde afgassen uit een terugwinningsinstallatie:

 

 

parameter

opmerkingen

emissiegrenswaarde

daggemiddelde (in mg/Nm³ bij 5% O2)

jaargemiddelde (in mg/Nm³ bij 5% O2)

gemiddelde over de bemonsteringsperiode (in mg/Nm3 bij 5% O2)

NOX, uitgedrukt als NO2

fabrieken die werken op basis van ammonium

580

450

-

alle andere fabrieken

350

270

-

NH3 (1)

 

-

5

-

stof (2)

terugwinningsinstallaties in fabrieken die meer dan 25% hardhout als grondstof gebruiken

-

-

30

alle andere terugwinningsinstallaties

-

-

20

SO2 (3)

 

300 (4)

250

-

(1) De emissiegrenswaarde voor ammoniak geldt alleen bij de toepassing van selectieve niet-katalytische reductie.
(2) Niet van toepassing op fabrieken die werken met ammonium.
(3)

Niet van toepassing op terugwinningsinstallaties die permanent worden gebruikt in zure omstandigheden, dat wil zeggen bij het gebruik van sulfietresiduloog als spoelmiddel voor gaswassers in het kader van het sulfietterugwinningsproces.

(4)

Niet van toepassing tijdens “zure bedrijfsvoering”, namelijk periodes waarin preventieve spoeling en reiniging plaatsvinden om aanzetting in de gaswassers te verwijderen. Tijdens die periodes geldt een emissiegrenswaarde van 500 mg SO2/Nm3 (halfuurgemiddelde, bij 5% O2) bij de reiniging van een van de gaswassers en 1200 mg SO2/Nm3 (halfuurgemiddelde, bij 5% O2) als de laatste gaswasser wordt gereinigd.

 

De concentratie van de parameters in de afgassen van de terugwinningsinstallatie, vermeld in het eerste lid, wordt gemeten met de frequentie, vermeld in de volgende tabel:

 

parameter

meetfrequentie

SO2, NOX

continu

stof

maandelijks

NH3

maandelijks

 

§2. De “zure bedrijfsvoering”, namelijk de periode waarin preventieve spoeling en reiniging plaatsvinden om aanzetting in de gaswassers te verwijderen, wordt beperkt tot ongeveer 240 uur per jaar voor de gaswassers, en minder dan 24 uur per maand voor de laatste monosulfietgaswasser.


Subafdeling 3.6.4.3.
Energie


Art. 3.6.4.3.1. Het verbruik van thermische energie wordt beperkt, de voordelen van de energiedragers die worden gebruikt, worden gemaximaliseerd, en het verbruik van elektriciteit wordt beperkt door de toepassing van een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 38 van de BBT-conclusies voor de productie van pulp, papier en karton.

Art. 3.6.4.3.2. Het rendement van de elektriciteitsopwekking wordt geoptimaliseerd door de toepassing van een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 39 van de BBT-conclusies voor de productie van pulp, papier en karton.

Afdeling 3.6.5.
Mechanische en chemisch-mechanische pulpproductie


Art. 3.6.5.1.

Deze afdeling is van toepassing op de geïntegreerde productie van papier en karton uit mechanische pulp, op de productie van mechanische pulp uit niet-geïntegreerde fabrieken en op de productie van chemisch-thermomechanische en chemisch-mechanische pulp uit geïntegreerde of niet-geïntegreerde fabrieken.

 

Voor geïntegreerde pulp- en papierfabrieken die werken met chemisch-thermomechanische en chemisch-mechanische pulp zijn de processpecifieke bepalingen voor papierproductie, vermeld in afdeling 3.6.7, van toepassing, in aanvulling op de bepalingen in deze afdeling.

 

Artikel 3.6.7.1.3, 3.6.7.2.1, 3.6.7.3.1, 3° en 3.6.7.4.1 zijn ook van toepassing op geïntegreerde fabrieken voor mechanische pulp, papier en karton, in aanvulling op de bepalingen in deze afdeling.


Subafdeling 3.6.5.1.
Water en afvalwater


Art. 3.6.5.1.1.

Voor de geïntegreerde productie van papier en karton uit mechanische pulp die in de installatie is geproduceerd, voor de niet-geïntegreerde productie van mechanische pulp en voor de productie van chemisch-thermomechanische of chemisch-mechanische pulp uit geïntegreerde of niet-geïntegreerde fabrieken zijn de emissiegrenswaarden en, in afwijking van artikel 2.3.1, eerste lid, de meetfrequenties, vermeld in de volgende tabel, van toepassing op de lozing van afvalwater in oppervlaktewater:

 

parameter

opmerkingen

emissiegrenswaarde, voortschrijdend jaargemiddelde

meetfrequentie

geïntegreerde productie van papier en karton uit mechanische pulp die in de installatie is geproduceerd of niet-geïntegreerde productie van mechanische pulp (in kg/t)

geïntegreerde of niet-geïntegreerde productie van chemisch-thermomechanische of chemisch-mechanische pulp

(in kg/ADt)

CZV (1)

sterk gebleekte mechanische pulp, met 70 - 100% van de vezels in het eindproduct

8

20

dagelijks (2)

in alle andere gevallen

4,5

BZV

 

-

-

wekelijks

zwevende stoffen

 

0,45

0,9

dagelijks (2)

totaal stikstof

 

0,1

0,18

wekelijks (2)

totaal fosfor

 

0,01

0,01

wekelijks (2)

EDTA, DTPA

 

-

-

maandelijks (3)

AOX

 

-

-

maandelijks (4) (5)

(1)

Als totaal organische koolstof (TOC) al wordt gemeten als een voorname sleutelprocesparameter, is het niet nodig om CZV te meten. Er wordt echter wel door een MER-deskundige, erkend in de discipline water, deeldomein oppervlakte- en afvalwater als vermeld in artikel 6, 1°, d), 4), van het VLAREL van 19 november 2010, een correlatie tussen de twee parameters vastgesteld voor de specifieke emissiebron en de stap van de afvalwaterbehandeling.

(2) 

Er kunnen ook snelle testmethodes worden gebruikt. Voor CZV en zwevende stoffen wordt maandelijks door een erkend laboratorium in de discipline water, deeldomein afvalwater als vermeld in artikel 6, 5°, a), van het VLAREL van 19 november 2010, gecontroleerd of de resultaten van de snelle tests in overeenstemming zijn met de meetmethodes, vermeld in artikel 3.6.2.3.4. Voor totaal stikstof en totaal fosfor wordt om de drie maanden door een erkend laboratorium in de discipline water, deeldomein afvalwater als vermeld in artikel 6, 5°, a), van het VLAREL van 19 november 2010, gecontroleerd of de resultaten van de snelle tests in overeenstemming zijn met de meetmethodes, vermeld in artikel 3.6.2.3.4.

(3) Van toepassing als EDTA of DTPA worden gebruikt in het proces.
(4) 

Niet van toepassing op installaties die kunnen aantonen dat er geen AOX wordt gegenereerd of toegevoegd via chemische additieven en grondstoffen.

(5) 

Niet van toepassing op chemisch-thermomechanische of chemisch-mechanische pulpfabrieken.


Subafdeling 3.6.5.2.
Energie


Art. 3.6.5.2.1. Het verbruik van thermische en elektrische energie wordt beperkt door de toepassing van een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 41 van de BBT-conclusies voor de productie van pulp, papier en karton.

Afdeling 3.6.6.
Verwerking van papier voor hergebruik


Art. 3.6.6.1.

Deze afdeling is van toepassing op alle geïntegreerde papierfabrieken die gebruikmaken van gerecycleerde vezels en alle niet-geïntegreerde pulpfabrieken die gebruikmaken van gerecycleerde vezels.

 

Artikel 3.6.7.1.3, 3.6.7.2.1, 3.6.7.3.1, 3° en 3.6.7.4.1 zijn ook van toepassing op de productie van papier in geïntegreerde pulp-, papier- en kartonfabrieken die gebruikmaken van gerecycleerde vezels, in aanvulling op de bepalingen in deze afdeling.


Subafdeling 3.6.6.1.
Materialenbeheer


Art. 3.6.6.1.1. De verontreiniging van de bodem en het grondwater wordt voorkomen of het gevaar daarvan wordt beperkt, en het wegwaaien van papier voor hergebruik en diffuse stofemissies van de recyclagewerf wordt beperkt door de toepassing van een van de technieken of een combinatie ervan, vermeld in BBT 42 van de BBT-conclusies voor de productie van pulp, papier en karton.

Subafdeling 3.6.6.2.
Water en afvalwater


Art. 3.6.6.2.1. Het watergebruik, de hoeveelheid afvalwater en de verontreiniging worden beperkt door de toepassing van een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 43 van de BBT-conclusies voor de productie van pulp, papier en karton.

Art. 3.6.6.2.2. In fabrieken met geavanceerde watercircuitsluiting die papier verwerken voor hergebruik, wordt geavanceerde sluiting van watercircuits gehandhaafd, en worden mogelijke nadelige effecten van het verhoogde hergebruik van proceswater vermeden door de toepassing van een van de technieken of een combinatie ervan, vermeld in BBT 44 van de BBT-conclusies voor de productie van pulp, papier en karton.

Art. 3.6.6.2.3.

Voor niet-geïntegreerde pulpfabrieken die gebruikmaken van gerecycleerde vezels en voor de geïntegreerde productie van papier en karton op basis van pulp uit gerecycleerde vezels zijn de emissiegrenswaarden en, in afwijking van artikel 2.3.1, eerste lid, de meetfrequenties, vermeld in de volgende tabel, van toepassing op de lozing van afvalwater in oppervlaktewater:

 

parameter

opmerkingen

emissiegrenswaarde, voortschrijdend jaargemiddelde (in kg/t)

meetfrequentie

zonder ontinkting

met ontinkting

tissuepapier

alle andere

CZV (1)

 

1,4

4,0

3,0

dagelijks (2)

BZV

 

-

-

-

wekelijks

zwevende stoffen

bestaande installaties

0,45

0,4

0,3

dagelijks (2)

nieuwe installaties

0,2

totaal stikstof

 

0,09

0,15

0,1

wekelijks (2)

totaal fosfor

fabrieken met een hoeveelheid afvalwater tussen 5 en 10 m3/t

0,008

0,015

0,01

wekelijks (2)

alle andere fabrieken

0,005

EDTA, DTPA

 

-

-

-

maandelijks (3)

AOX

 

0,05 (4)

0,05 (4)

maandelijks (5)

(1)

Als totaal organische koolstof (TOC) al wordt gemeten als een voorname sleutelprocesparameter, is het niet nodig om CZV te meten. Er wordt echter wel door een MER-deskundige, erkend in de discipline water, deeldomein oppervlakte- en afvalwater als vermeld in artikel 6, 1°, d), 4), van het VLAREL van 19 november 2010, een correlatie tussen de twee parameters vastgesteld voor de specifieke emissiebron en de stap van de afvalwaterbehandeling.

(2) Er kunnen ook snelle testmethodes worden gebruikt. Voor CZV en zwevende stoffen wordt maandelijks door een erkend laboratorium in de discipline water, deeldomein afvalwater als vermeld in artikel 6, 5°, a), van het VLAREL van 19 november 2010, gecontroleerd of de resultaten van de snelle tests in overeenstemming zijn met de meetmethodes, vermeld in artikel 3.6.2.3.4. Voor totaal stikstof en totaal fosfor wordt om de drie maanden door een erkend laboratorium in de discipline water, deeldomein afvalwater als vermeld in artikel 6, 5°, a), van het VLAREL van 19 november 2010, gecontroleerd of de resultaten van de snelle tests in overeenstemming zijn met de meetmethodes, vermeld in artikel 3.6.2.3.4.
(3) Van toepassing als EDTA of DTPA worden gebruikt in het proces.
(4)  De emissiegrenswaarde voor AOX geldt alleen voor natsterktepapier.
(5)  Niet van toepassing op installaties die kunnen aantonen dat er geen AOX wordt gegenereerd of toegevoegd via chemische additieven en grondstoffen.

 


Subafdeling 3.6.6.3.
Energie


Art. 3.6.6.3.1. Het verbruik van elektrische energie binnen papierfabrieken die gebruikmaken van gerecycleerde vezels, wordt beperkt door de toepassing van een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 46 van de BBT-conclusies voor de productie van pulp, papier en karton.

Afdeling 3.6.7.
Papierproductie en aanverwante processen


Art. 3.6.7.1.

Deze afdeling is van toepassing op alle niet-geïntegreerde papier- en kartonfabrieken, en op de papier- en kartonproductie van geïntegreerde kraft-, sulfiet-, chemisch-thermomechanische en chemisch-mechanische pulp- en papierfabrieken.

 

Artikel 3.6.7.1.3, 3.6.7.2.1, 3.6.7.3.1, 3° en 3.6.7.4.1 zijn van toepassing op alle geïntegreerde pulp- en papierfabrieken.

 

Voor geïntegreerde kraft-, sulfiet-, chemisch-thermomechanische en chemisch-mechanische pulp- en papierfabrieken zijn de processpecifieke bepalingen voor het verpulpen, namelijk respectievelijk de afdeling 3.6.3, 3.6.4 en 3.6.5, ook van toepassing, in aanvulling op de bepalingen in deze afdeling.


Subafdeling 3.6.7.1.
Water en afvalwater


Art. 3.6.7.1.1. Het ontstaan van afvalwater wordt beperkt door de toepassing van een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 47 van de BBT-conclusies voor de productie van pulp, papier en karton.

Art. 3.6.7.1.2. Het watergebruik en emissies in het water uit speciale papierfabrieken worden beperkt door de toepassing van een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 48 van de BBT-conclusies voor de productie van pulp, papier en karton.

Art. 3.6.7.1.3. De uitstoot van emissies van coatingkleuren en bindmiddelen die de werking van de biologische afvalwaterbehandelingsinstallatie kunnen verstoren, wordt beperkt door de terugwinning van coatingkleuren of het hergebruik van pigmenten, of, als dat technisch niet haalbaar is, door de voorbehandeling van afvalwater dat coatingkleuren bevat.

Art. 3.6.7.1.4.

Voor het productieproces voor papier en karton van geïntegreerde kraft-, sulfiet-, chemisch-thermomechanische en chemisch-mechanische pulp- en papierfabrieken en van niet-geïntegreerde papier- en kartonfabrieken zijn de emissiegrenswaarden en, in afwijking van artikel 2.3.1, eerste lid, de meetfrequenties, vermeld in de volgende tabel, van toepassing op de lozing van afvalwater in oppervlaktewater:

 

parameter

emissiegrenswaarde, voortschrijdend jaargemiddelde (in kg/t)

meetfrequentie

gespecialiseerde papierfabriek (3)

alle andere papier- en kartonfabrieken

CZV (1)

5

1,5

dagelijks (2)

BZV

-

-

wekelijks

zwevende stoffen

1

0,35

dagelijks (2)

totaal stikstof

0,4

 

0,1 (4)

 

wekelijks (2)

totaal fosfor

0,04

0,012

wekelijks (2)

EDTA, DTPA

-

-

maandelijks (5)

AOX

0,05 (6)

0,05 (6)

maandelijks (7)

(1) Als totaal organische koolstof (TOC) al wordt gemeten als een voorname sleutelprocesparameter, is het niet nodig om CZV te meten. Er wordt echter wel door een MER-deskundige, erkend in de discipline water, deeldomein oppervlakte- en afvalwater als vermeld in artikel 6, 1°, d), 4), van het VLAREL van 19 november 2010, een correlatie tussen de twee parameters vastgesteld voor de specifieke emissiebron en de stap van de afvalwaterbehandeling.
(2) Er kunnen ook snelle testmethodes worden gebruikt. Voor CZV en zwevende stoffen wordt maandelijks door een erkend laboratorium in de discipline water, deeldomein afvalwater als vermeld in artikel 6, 5°, a), van het VLAREL van 19 november 2010, gecontroleerd of de resultaten van de snelle tests in overeenstemming zijn met de meetmethodes, vermeld in artikel 3.6.2.3.4. Voor totaal stikstof en totaal fosfor wordt om de drie maanden door een erkend laboratorium in de discipline water, deeldomein afvalwater als vermeld in artikel 6, 5°, a), van het VLAREL van 19 november 2010, gecontroleerd of de resultaten van de snelle tests in overeenstemming zijn met de meetmethodes, vermeld in artikel 3.6.2.3.4.
(3) Een gespecialiseerde papierfabriek is een fabriek die papier en karton van verschillende kwaliteitsniveaus voor speciale, industriële of niet-industriële, doeleinden produceert dat wordt gekenmerkt door specifieke eigenschappen, een relatief kleine eindafzetmarkt of niche-toepassingen die vaak speciaal zijn ontworpen voor een bepaalde klant of groep van eindgebruikers. Die soorten papier en karton vallen buiten de standaardpapiercategorieën.
(4)  Voor tissuepapier geldt een emissiegrenswaarde van 0,15 kg/t als voortschrijdend jaargemiddelde voor totaal stikstof.
(5)  Van toepassing als EDTA of DTPA worden gebruikt in het proces.
(6)

De emissiegrenswaarde voor AOX geldt alleen voor decoratie- en natsterktepapier.

(7)  Niet van toepassing op installaties die kunnen aantonen dat er geen AOX wordt gegenereerd of toegevoegd via chemische additieven en grondstoffen.

 


Subafdeling 3.6.7.2.
Luchtemissies


Art. 3.6.7.2.1. De VOS-emissies van offline- of onlinecoaters worden beperkt door coatingkleurrecepten te kiezen die de VOS-emissies beperken.

Subafdeling 3.6.7.3.
Productieresiduen


Art. 3.6.7.3.1.

De hoeveelheid te verwijderen afval wordt geminimaliseerd door het ontstaan van afval te voorkomen en dat afval te hergebruiken door de toepassing van een combinatie van de volgende technieken:

1° herwinning van vezels en vulmiddelen en de behandeling van witwater;

2° hercirculatiesysteem voor papieruitval;

3° terugwinning van coatingkleuren of hergebruik van pigmenten;

4° hergebruik van vezelslib uit de primaire afvalwaterbehandeling.


Subafdeling 3.6.7.4.
Energie


Art. 3.6.7.4.1. Het verbruik van thermische en elektrische energie wordt beperkt door de toepassing van een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 53 van de BBT-conclusies voor de productie van pulp, papier en karton.

Hoofdstuk 3.7.
Raffineren van aardolie en gas


Afdeling 3.7.1.
Toepassingsgebied en definities


Art. 3.7.1.1.

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

eenheid: een segment of onderdeel van de installatie waarin een specifieke bewerkingsactiviteit wordt verricht;
nieuwe eenheid: een eenheid die op de plaats van de installatie pas wordt vergund na 28 oktober 2014, of een eenheid die volledig wordt vervangen op de bestaande fundamenten van de installatie na 28 oktober 2014;
bestaande eenheid: een andere eenheid dan een nieuwe eenheid;
procesafgassen: het verzamelde gas dat wordt geproduceerd tijdens een proces en dat moet worden behandeld;
rookgas: de uitlaatgassen die een eenheid verlaten na een oxidatiestap, doorgaans verbranding;
VOS: een organische verbinding alsook de fractie creosoot die bij 293,15 K een dampspanning van 0,01 kPa of meer of onder de specifieke gebruiksomstandigheden een vergelijkbare vluchtigheid heeft;
diffuse VOS-emissies: de niet-gekanaliseerde VOS-emissies die niet worden uitgestoten via specifieke emissiepunten. Ze kunnen afkomstig zijn van oppervlaktebronnen of puntbronnen;
gefluïdiseerd katalytisch kraken: een omzettingsproces om zware koolwaterstoffen te verbeteren door gebruik te maken van warmte en een katalysator om grotere koolwaterstofmoleculen op te breken in lichtere moleculen;
raffinagebrandstof: een vast, vloeibaar of gasvormig brandbaar materiaal verkregen uit de distillatie en omzettingsfasen van de raffinage van ruwe aardolie;
10° raffinagerestgas, afgekort RFG: de afgassen van de distillatie- en omzettingseenheden die worden gebruikt als brandstof;
11° verbrandingseenheid: een eenheid waarin raffinagebrandstoffen alleen worden verbrand of samen met andere brandstoffen voor de productie van energie op de raffinaderij;
12° indirecte monitoring van emissies naar lucht: raming van de emissieconcentratie in het rookgas van een verontreinigende stof verkregen door een passende combinatie van metingen van vervangende parameters, berekeningen en periodieke schoorsteenmetingen;
13° de BBT-conclusies voor het raffineren van aardolie en gas: het uitvoeringsbesluit 2014/738/EU van de Commissie van 9 oktober 2014 tot vaststelling van de BBT-conclusies (beste beschikbare technieken) op grond van Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad, voor het raffineren van aardolie en gas, gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie L307 van 28 oktober 2014.

 

 

 

 


Art. 3.7.1.2.

§1. Dit hoofdstuk is van toepassing op de inrichtingen, vermeld in rubriek 1.1, 16.1.a) en 20.1.2 van de indelingslijst. Bestaande installaties, voldoen uiterlijk op 28 oktober 2018 aan dit hoofdstuk.

 

De overeenkomstige GPBV-activiteiten zijn de activiteiten vermeld in punt 1.2, van bijlage 1, die bij dit besluit is gevoegd.

 

§2. Het toepassingsgebied van dit hoofdstuk omvat de volgende processen en activiteiten:

 1° alkylering: alle alkyleringsprocessen. Dat zijn waterstoffluoride (HF), zwavelzuur (H2SO4) en vaste zuren;
 2° productie van basisolie: deasfalteren, aromatische extractie, wasverwerking en hydrofinishing van smeerolie;
 3° productie van bitumen: alle technieken gaande van opslag tot toevoegingsmiddelen in eindproducten;
 4° katalytisch kraken: alle soorten eenheden voor katalytisch kraken, zoals eenheden voor gefluïdiseerd katalytisch kraken;
 5° katalytisch reformeren: continu, cyclisch en semiregeneratief katalytisch reformeren;
 6°  vercooksing: vertraagde en gefluïdiseerde vercooksingsprocessen en het calcineren van cokes;
 7°  afkoeling: afkoeltechnieken die in raffinaderijen worden toegepast;
 8° ontzouting: ontzouting van ruwe aardolie;
 9° verbrandingseenheden voor energieproductie die raffinagebrandstoffen verbranden, met uitzondering van eenheden die alleen conventionele of commerciële brandstoffen gebruiken;
10° etherificatie: productie van chemische stoffen die worden gebruikt als additieven in motorbrandstoffen;
11° gasscheiding: scheiding van lichte fracties van ruwe aardolie;
12° waterstofverbruikende processen: hydrokraken, hydrogenerende raffinage, hydrobehandelingen, hydroconversie, hydrobewerking en hydrogeneringsprocessen;
13° waterstofproductie: gedeeltelijke oxidatie, stoomreforming, met gas verhitte reforming en waterstofzuivering;
14° isomerisatie van koolwaterstofverbindingen C4, C5 en C6;
15° aardgascentrales: verwerking van aardgas, met inbegrip van het vloeibaar maken van aardgas;
16° polymerisatie: polymerisatie, dimerisatie en condensatie;
17° primaire distillatie: atmosferische en vacuümdistillatie;
18° productbehandelingen: stankverwijderingsproces en eindproductbehandelingen;
19° opslag en behandeling van raffinagematerialen: opslag, mengen, laden en lossen van raffinagematerialen;
20° viscositeitsreductie en andere thermische conversies;
21° afvalgasbehandeling: technieken om emissies naar lucht te beperken of te bestrijden;
22° afvalwaterbehandeling: technieken om afvalwater vóór de lozing te behandelen;
23° afvalbeheer: technieken die de productie van afval voorkomen of beperken.

 

§3. De bepalingen, vermeld in paragraaf 1, hebben geen betrekking op de volgende activiteiten of processen:

de exploratie naar en productie van ruwe aardolie en aardgas;

het transport van ruwe aardolie en aardgas;
het in de handel brengen en de distributie van producten.

   


Afdeling 3.7.2.
Algemene bepalingen


Art. 3.7.2.1.

De processpecifieke bepalingen, vermeld in afdeling 3.7.3 tot en met 3.7.19, zijn van toepassing naast de algemene bepalingen die in deze afdeling beschreven worden.


Art. 3.7.2.2.

Met toepassing van de bepalingen, vermeld in BBT 30, 44, 4647 en 54 van de BBT-conclusies voor het raffineren van aardolie en gas, kan er vanwege de toepasbaarheid worden afgeweken van artikel 3.7.8.2, 3.7.14.1, 3.7.14.3, 3.7.15.1 en 3.7.17.1 in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit.


Art. 3.7.2.3.

Voor het verbeteren van de totale milieuprestatie van de installaties voor de raffinage van aardolie en gas, wordt een milieubeheersysteem uitgevoerd en nageleefd dat al de volgende elementen omvat:

betrokkenheid van het management, inclusief het senior management;
2°   de uitwerking van een milieubeleid dat de continue verbetering van de installatie door het management omvat;
3°  het plannen en vaststellen van noodzakelijke procedures, doelstellingen en streefcijfers, samen met een financiële planning en investeringen;
de uitvoering van procedures, waarbij meer bepaald aandacht wordt geschonken aan:
  a) de bedrijfsorganisatie en de verantwoordelijkheid van het personeel;
  b)  opleiding, bewustmaking en bekwaamheid;
  c)  communicatie;
  d)  betrokkenheid van de werknemers;
  e) documentatie;
  f)  efficiënte procescontrole;
  g) onderhoudsprogramma's;
  h) noodplan en rampenbestrijding;
  i) het waarborgen van de naleving van de milieuwetgeving;
het controleren van de prestaties en het nemen van corrigerende maatregelen, waarbij meer bepaald aandacht wordt geschonken aan:
  a)  monitoring en meting;
  b) corrigerende en preventieve maatregelen;
  c) bijhouden van gegevens;
  d) interne en externe, waar mogelijk onafhankelijke, audits, om vast te stellen of het milieubeheersysteem voldoet aan de voorgenomen regelingen en of het op de juiste wijze wordt uitgevoerd en gehandhaafd;
evaluatie van het milieubeheersysteem door het senior management om te waarborgen dat het geschikt, adequaat en doeltreffend blijft;
het volgen van de ontwikkeling van schonere technologieën;
8°  bij het ontwerp van een nieuwe inrichting en gedurende de volledige levensduur ervan rekening houden met de milieueffecten tijdens de latere ontmanteling van de installatie;
het op regelmatige tijdstippen uitvoeren van een benchmarkonderzoek in de bedrijfstak.

 


Art. 3.7.2.4. Energie wordt efficiënt gebruikt door gebruik te maken van een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 2 van de BBT-conclusies voor het raffineren van aardolie en gas.

Art. 3.7.2.5. Stofemissies, afkomstig van de opslag en behandeling van stoffige materialen worden voorkomen of, als dat niet mogelijk is, beperkt door gebruik van een of meer van de technieken, vermeld in BBT 3 van de BBT-conclusies voor het raffineren van aardolie en gas.

Art. 3.7.2.6. Voor periodieke metingen van atmosferische emissies wordt de meetwaarde bepaald als gemiddelde waarde van drie steekproefmonsters van elk minstens dertig minuten.

Art. 3.7.2.7. Bij continue metingen van atmosferische emissies wordt voldaan aan de emissiegrenswaarden als geen maandgemiddelde, dat bepaald wordt als het gemiddelde van alle geldige uurgemiddelden die zijn gemeten over een periode van een maand, boven de emissiegrenswaarde ligt.

Art. 3.7.2.8.

De emissiegrenswaarden voor verbrandingseenheden, vermeld in dit hoofdstuk, zijn gedefinieerd bij een referentiezuurstofgehalte in de afgassen van 6% voor vaste brandstoffen, 3% voor verbrandingseenheden, met uitzondering van gasturbines en stationaire motoren, die vloeibare en gasvormige brandstoffen gebruiken, en 15% voor gasturbines, met inbegrip van STEG, en stationaire motoren.

 

De emissiegrenswaarden voor de regeneratoren van het katalytische kraakproces en voor de eenheden voor zwavelterugwinning uit het afvalgas, vermeld in dit hoofdstuk, zijn gedefinieerd bij een referentiezuurstofgehalte in de afgassen van 3%.


Art. 3.7.2.9.

De monitoring van emissies in de lucht wordt verricht overeenkomstig de meetmethoden, vermeld in bijlage 4.4.2 bij titel II van het VLAREM. Als er geen meetmethoden worden vermeld, worden de CEN-normen gevolgd. Als er geen CEN-normen bestaan, worden de ISO-normen, de nationale normen of andere internationale normen toegepast die gegevens van een gelijkwaardige wetenschappelijke kwaliteit opleveren.


Art. 3.7.2.10.

Aan eenheden voor katalytisch kraken en verbrandingseenheden worden de relevante procesparameters in verband met verontreinigende emissies gemonitord met de volgende aangegeven frequentie en met de geschikte technieken:

 

O2-gehalte in rookgassen: continu;
stikstof- en zwavelgehalte in brandstof of toevoer bij afwezigheid van continue metingen voor NOx en SO2: jaarlijks, alsook bij iedere belangrijke wijziging van brandstof of toevoer.

 


Art. 3.7.2.11.

Diffuse VOS-emissies naar lucht afkomstig van de volledige raffinaderij worden gemonitord door de toepassing van afdeling 4.4.6 en subafdeling 5.17.4.5 van titel II van het VLAREM.

 

In aanvulling van subafdeling 5.17.4.5 van titel II van het VLAREM, gelden de bepalingen van voormelde subafdeling voor vaste houders die vloeibare koolwaterstofverbindingen bevatten met een dampspanning van meer dan 4 kPa, bepaald volgens de Reidmethode, en gelden de bepalingen van voormelde subafdeling ook voor vaste houders met een volume kleiner dan 500 m3.


Art. 3.7.2.12. Emissies naar lucht worden voorkomen of beperkt door de eenheden voor de verwijdering van zure gassen, de zwavelterugwinningseenheden en alle andere afvalgasbehandelingssystemen te exploiteren met een hoge beschikbaarheid en optimale capaciteit.

Art. 3.7.2.13.

Voor verbrandings- of proceseenheden waar SCR of SNCR-technieken worden gebruikt, geldt een emissiegrenswaarde voor ammoniak van 15 mg/Nm³.

 

De concentratie ammoniak in de afgassen van verbrandings- of proceseenheden waar SCR of SNCR-technieken worden gebruikt, wordt continu gemeten.


Art. 3.7.2.14.

Bij gebruik van een eenheid voor het strippen van de zure waterstroom, worden emissies naar lucht voorkomen en beperkt door de zure afgassen, afkomstig van die eenheid, naar een zwavelterugwinningseenheid of een gelijkwaardig gasbehandelingssysteem af te leiden.

 

Onbehandelde gassen afkomstig van het strippen van zuur water, mogen niet direct worden verbrand.


Art. 3.7.2.15.

Emissies naar water worden gemonitord met de frequentie, vermeld in de volgende tabel. De monitoringfrequentie heeft betrekking op een schepmonster, een debietproportioneel 24 uur-mengmonster of een schepmonster en een debietproportioneel 24 uur-mengmonster als vermeld in artikel 4.2.6.1 van titel II van het VLAREM. De monitoring van emissies in water wordt verricht overeenkomstig de meetmethoden, vermeld in bijlage 4.2.5.2 bij titel II van het VLAREM. Als er geen meetmethoden worden vermeld, worden de CEN-normen gevolgd. Als er geen CEN-normen bestaan, worden de ISO-normen, de nationale normen of andere internationale normen toegepast die gegevens van een gelijkwaardige wetenschappelijke kwaliteit opleveren.

 

parameter

minimale monitoringfrequentie

minerale-olie-index (HOI)

dagelijks

zwevende stoffen

dagelijks

CZV (1)

dagelijks

BZV

wekelijks

totaal stikstof

dagelijks

lood

driemaandelijks

cadmium

driemaandelijks

nikkel

driemaandelijks

kwik

driemaandelijks

vanadium

driemaandelijks

fenolindex

maandelijks

benzeen, tolueen, ethylbenzeen, xyleen (BTEX)

maandelijks

(1)  Als een correlatie ter plaatse beschikbaar is, mag het CZV worden vervangen door TOC.
De correlatie tussen CZV en TOC wordt wel geval per geval vastgesteld door een MER-deskundige, erkend in de discipline water,
deeldomein oppervlakte- en afvalwater als vermeld in artikel 6, 1°, d), 4), van het VLAREL van 19 november 2010.


Art. 3.7.2.16.

Het waterverbruik en het volume verontreinigd water, alsook de emissies naar water, afkomstig van viscositeitsreductie en andere thermische processen, worden beperkt door gebruik van al de volgende technieken:

integratie van waterstromen, voor nieuwe eenheden;
water- en drainagesysteem voor scheiding van vervuilde waterstromen, voor nieuwe eenheden;
scheiding van niet-vervuilde waterstromen, voor nieuwe eenheden;
voorkoming van accidentele lozingen en lekkages.

 


Art. 3.7.2.17.

Tenzij het anders is vermeld, worden de middelingstijden voor emissies in het water als volgt bepaald:

daggemiddelde: gemiddelde over een bemonsteringsperiode van 24 uur, genomen als een met het debiet evenredig samengesteld monster of, op voorwaarde dat een toereikende stabiliteit van het debiet is aangetoond, een tijdsevenredig monster;
2°  jaargemiddelde: voortschrijdend gemiddelde van alle daggemiddelden, verkregen binnen een jaar, gewogen naargelang de dagelijkse debieten.

 


Art. 3.7.2.18.

De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op lozingen op oppervlaktewater, afkomstig van de raffinage van aardolie en gas.

 

parameter

eenheid

emissiegrenswaarde

middelingstijd

HOI

mg/l

2,5

jaargemiddelde

ZS

mg/l

25

jaargemiddelde

CZV

mg/l

raffineren van aardolie: 125

raffineren van aardgas: 125

ogenblikkelijk

jaargemiddelde

Ntot

mg/l

raffineren van aardolie: 25

raffineren van aardgas: 25

daggemiddelde

jaargemiddelde

Pb

mg/l

0,030

jaargemiddelde

Cd

mg/l

raffineren van aardolie: 0,005

raffineren van aardgas: 0,0008

ogenblikkelijk

daggemiddelde

Ni

mg/l

0,03

daggemiddelde

Hg

mg/l

raffineren van aardolie: 0,001

raffineren van aardgas: 0,0003

ogenblikkelijk

daggemiddelde

Benzeen

mg/l

raffineren van aardolie: 0,005

raffineren van aardgas: 0,01

ogenblikkelijk

daggemiddelde

 


Art. 3.7.2.19. De productie van afval wordt voorkomen of, als dat niet mogelijk is, beperkt door een afvalbeheerplan aan te nemen en ten uitvoer te leggen dat, volgens prioriteit, garandeert dat afval wordt behandeld met het oog op hergebruik, recyclage, terugwinning of verwijdering.

Art. 3.7.2.20. De hoeveelheid slib die moet worden behandeld of verwijderd, wordt beperkt door gebruik van een of meer van de technieken, vermeld in BBT 15 van de BBT-conclusies voor het raffineren van aardolie en gas.

Art. 3.7.2.21. De productie van afvalstoffen afkomstig van uitgewerkte vaste katalysatoren, wordt beperkt door gebruik van een of meer van de technieken, vermeld in BBT 16 van de BBT-conclusies voor het raffineren van aardolie en gas.

Art. 3.7.2.22. Geluidshinder wordt voorkomen of beperkt door gebruik van een of meer van de technieken, vermeld in BBT 17 van de BBT-conclusies voor het raffineren van aardolie en gas.

Art. 3.7.2.23.

Diffuse VOS-emissies worden voorkomen of beperkt door gebruik van de volgende technieken:

technieken in verband met het ontwerp van de inrichting, voor nieuwe eenheden;
technieken in verband met het opzetten en de inbedrijfstelling van inrichtingen, voor nieuwe eenheden;
technieken in verband met de exploitatie van de inrichting, meer bepaald de toepassing van de bepalingen van afdeling 4.4.6 en subafdeling 5.17.4.5 van titel II van het VLAREM.

Afdeling 3.7.3.
Alkyleringsproces


Subafdeling 3.7.3.1.
Alkylering van waterstoffluoride


Art. 3.7.3.1.1.

Waterstoffluoride-emissies naar lucht afkomstig van de alkylering van waterstoffluoride worden voorkomen door gebruik van natte gaswassing met alkalische oplossing om niet-condenseerbare gasstromen te behandelen voor die via de fakkel afgeblazen worden.

 

Vanwege de gevaarlijke aard van waterstoffluoride worden veiligheidsvereisten in acht genomen.


Art. 3.7.3.1.2.

Emissies naar water afkomstig van de alkylering van waterstoffluoride worden beperkt door gebruik van een combinatie van de volgende technieken:

1°  precipitatie-/neutralisatiefase;
scheidingsfase.

Subafdeling 3.7.3.2.
Alkylering van zwavelzuur


Art. 3.7.3.2.1. Emissies naar water, afkomstig van de alkylering van zwavelzuur, worden beperkt door het gebruik van zwavelzuur te beperken door het verbruikte zuur te regenereren en het in dat proces geproduceerde afvalwater te neutraliseren voor het naar de afvalwaterbehandeling afgeleid wordt.

Afdeling 3.7.4.
Productieprocessen van basisolie


Art. 3.7.4.1. Emissies van gevaarlijke stoffen naar lucht en water, afkomstig van de productieprocessen van basisolie worden voorkomen en beperkt door gebruik van een of meer van de technieken, vermeld in BBT 22 van de BBT-conclusies voor het raffineren van aardolie en gas.

Afdeling 3.7.5.
Productieproces van bitumen


Art. 3.7.5.1. Emissies naar lucht, afkomstig van het productieproces van bitumen worden voorkomen en beperkt door gasvormige topproducten te behandelen aan de hand van een van de technieken, vermeld in BBT 23 van de BBT-conclusies voor het raffineren van aardolie en gas.

Subafdeling 3.7.6.
Gefluïdiseerd katalytisch kraken


Art. 3.7.6.1. De emissies van CO naar lucht afkomstig van de regenerator van het katalytische kraakproces, worden beperkt door gebruik van een of meer van de technieken, vermeld in BBT 27 van de BBT-conclusies voor het raffineren van aardolie en gas.

Art. 3.7.6.2.

De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op emissies naar lucht afkomstig van de regenerator in het katalytische kraakproces:

 

parameter

opmerkingen

emissiegrenswaarde
(mg/Nm³)

NOx, uitgedrukt als NO2

nieuwe eenheid

100

bestaande eenheid/volledige verbranding

zonder injectie van antimoon voor passivering van metaal

300

met injectie van antimoon voor passivering van metaal

700

bestaande eenheid/ gedeeltelijke verbranding

zonder injectie van antimoon voor passivering van metaal

400

met injectie van antimoon voor passivering van metaal

700

stof

nieuwe eenheid

25 (1)

bestaande eenheid

50 (1)

 

SO2

nieuwe eenheid

300

bestaande eenheid/ volledige verbranding

bij zwavelarme toevoer (of hydrobehandeling), of bij gaswassing

600

in alle andere gevallen

800

bestaande eenheid/ gedeeltelijke verbranding

bij zwavelarme toevoer (of hydrobehandeling), of bij gaswassing

600

in alle andere gevallen

1200

CO

gedeeltelijke verbranding

100

(1)  De emissiegrenswaarde voor stof geldt niet voor roetblazen in CO-ketel en via de gaskoeler.

 


Art. 3.7.6.3.

De concentratie van de parameters in de afgassen van de regenerator van het katalytisch kraakproces wordt gemeten met de frequentie, vermeld in de volgende tabel:

 

parameter

meetfrequentie

SO2, NOx, stof en CO

continu

SO3

bij kalibratie van het SO2-monitoringsysteem

nikkel, antimoon en vanadium

zesmaandelijks en na belangrijke wijzigingen in de eenheid (1)

(1)  In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan afwijking verleend worden van deze monitoringfrequenties als de gegevensreeksen duidelijk een toereikende stabiliteit aantonen

 

De continue meting van SO2, vermeld in het eerste lid, kan vervangen worden door berekeningen op basis van metingen van het zwavelgehalte van de brandstof of de toevoer als kan worden aangetoond dat het in een gelijkwaardige nauwkeurigheid resulteert.

 

De meting van antimoon, vermeld in het eerste lid, is alleen vereist als tijdens het proces antimoon wordt geïnjecteerd.

 

De directe metingen van nikkel, vanadium en antimoon, vermeld in het eerste lid, kunnen vervangen worden door analyses op basis van het metaalgehalte in de fijne katalysatordeeltjes en in de brandstof.


Afdeling 3.7.7.
Katalytisch reformeren


Art. 3.7.7.1.

De emissies van dioxinen en furanen naar lucht, afkomstig van de eenheid voor katalytisch reformeren worden beperkt door gebruik van een of meer van de technieken, vermeld in BBT 28 van de BBT-conclusies voor het raffineren van aardolie en gas.

 

De concentratie dioxinen en furanen in de afgassen van de eenheid voor katalytisch reformeren wordt jaarlijks gemeten.


Afdeling 3.7.8.
Vercooksingsproces


Art. 3.7.8.1. De emissies naar lucht, afkomstig van vercooksingsprocessen, worden beperkt door gebruik van een of meer van de technieken, vermeld in BBT 29 van de BBT-conclusies voor het raffineren van aardolie en gas.

Art. 3.7.8.2. De emissies van NOx naar lucht, afkomstig van het calcineren van groene cokes, worden beperkt door gebruik van selectieve niet-katalytische reductie.

Art. 3.7.8.3. De emissies van SOX naar lucht, afkomstig van het calcineren van groene cokes, worden beperkt door gebruik van een of meer van de technieken, vermeld in BBT 31 van de BBT-conclusies voor het raffineren van aardolie en gas.

Art. 3.7.8.4.

Er geldt een emissiegrenswaarde voor stof van 50 mg/Nm3 voor de geloosde afgassen van eenheden voor het calcineren van groene cokes.

 

In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan van de emissiegrenswaarde, vermeld in het eerste lid, afgeweken worden voor eenheden waarvoor een elektrostatische precipitator niet toepasbaar is. De individueel afwijkende emissiegrenswaarde bedraagt in dat geval maximaal 150 mg/Nm³.


Art. 3.7.8.5.

De concentratie van de parameters in de afgassen van calcineereenheden wordt gemeten met de frequentie, vermeld in de volgende tabel:

 

parameter

meetfrequentie

SO2, NOx en stof

continu

SO3

bij kalibratie van het SO2-monitoringsysteem

 

De continue meting van SO2, vermeld in het eerste lid, kan vervangen worden door berekeningen op basis van metingen van het zwavelgehalte van de brandstof of de toevoer als kan worden aangetoond dat het in een gelijkwaardige nauwkeurigheid resulteert, of door een andere vorm van indirecte monitoring.


Afdeling 3.7.9.
Ontzoutingsproces


Art. 3.7.9.1. Het verbruik van water en emissies naar water, afkomstig van het ontzoutingsproces worden beperkt door gebruik van een of meer van de technieken, vermeld in BBT 33 van de BBT-conclusies voor het raffineren van aardolie en gas.

Afdeling 3.7.10.
Verbrandingseenheden


Art. 3.7.10.1.

De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op de emissies naar lucht afkomstig van verbrandingseenheden. Voor gasturbines hebben de emissiegrenswaarden betrekking op de gecombineerde emissies van de gasturbine en de aanvullende terugwinningsketels als die aanwezig zijn.

 

parameter opmerkingen emissiegrenswaarde (mg/Nm³)
NOx, uitgedrukt als NO2 gasturbines, met inbegrip van STEG en KV-STEG bestaande turbine 120
nieuwe turbine, bij brandstof met H2-gehalte > 10% 75
nieuwe turbine, in alle andere gevallen 50
gasgestookte verbrandingseenheid, met uitzondering van gasturbines bestaande eenheid, bij gebruik van luchtvoorverwarming > 200°C
of bij brandstof met H2-gehalte > 50%
200
bestaande eenheid, in alle andere gevallen 150
nieuwe eenheid 100
gemengde verbrandingseenheid, met uitzondering van gasturbines bestaande eenheid 300 (1)
stof gemengde verbrandingseenheid, met uitzondering van gasturbines bestaande eenheid 50
nieuwe eenheid < 50 MW 25
SO2 verbrandingseenheid waarin RFG wordt gestookt, met uitzondering van gasturbines 35 (2)    
gemengde verbrandingseenheid, met uitzondering van gasturbines en stationaire gasmotoren bestaande eenheid 600
CO   100
(1) Bij bestaande eenheden <100 MW op stookolie met een stikstofgehalte boven 0,5 gewichtspercent of bij gebruik van vloeibare brandstof >50%, of bij bestaande eenheden die gebruikmaken van luchtvoorverwarming,
geldt een emissiegrenswaarde voor NOx van 450 mg/Nm3.
(2) Bij specifieke configuratie van RFG-behandeling met een lage bedrijfsdruk van de gaswasser en met een raffinagerestgas met een H/C-molverhouding boven 5 geldt een emissiegrenswaarde voor SO2 van 45 mg/Nm³.

 

In de tabel, vermeld in het eerste lid, wordt verstaan onder KV-STEG: STEG met geïntegreerde vergassing.


Art. 3.7.10.2.

In afwijking van artikel 5.43.2.23 en artikel 5.43.3.25 van titel II van het VLAREM wordt de concentratie van de parameters in de rookgassen van verbrandingseenheden gemeten met de frequentie, vermeld in de volgende tabel. Het nominaal thermisch ingangsvermogen wordt bepaald als het totale nominale thermische ingangsvermogen van alle verbrandingseenheden die zijn aangesloten op de schoorsteen waar de uitstoot plaatsvindt.

 

nominaal thermisch ingangsvermogen

parameter

meetfrequentie

≥ 100 MW    

SO2, NOx en stof

Continu (1)

 

SO3

bij kalibratie van het SO2-monitoringsysteem

 

CO

continu

 

nikkel en vanadium

om de zes maanden en na belangrijke wijzigingen in de eenheid (2) (3)

≥ 50 tot 100 MW

SO2, NOx en stof

Continu [...] (4)

 

SO3

bij kalibratie van het SO2-monitoringsysteem

 

CO

om de drie maanden

 

nikkel en vanadium

om de zes maanden en na belangrijke wijzigingen in de eenheid (2) (3)

> 5 MW tot 50 MW

SOx, NOx en stof

om de drie maanden (5) (6)

 

CO

om de drie maanden

 

nikkel en vanadium

om de zes maanden en na belangrijke wijzigingen in de eenheid (2) (3)

≤5 MW

SOx, NOx en stof

jaarlijks en na belangrijke brandstofwijzigingen (3) (6)

 

CO

om de zes maanden (3)

 

nikkel en vanadium

om de zes maanden en na belangrijke wijzigingen in de eenheid (2) (3)

 

(1) Voor verbrandingseenheden met een nominaal thermisch ingangsvermogen van 100 MW of meer die gestookt worden met olie waarvan het zwavelgehalte bekend is, als er geen ontzwavelingsuitrusting is, kan de continue meting van SO2 vervangen worden door berekeningen op basis van metingen van het zwavelgehalte van de brandstof of de toevoer, als kan worden aangetoond dat het in een gelijkwaardige nauwkeurigheid resulteert, of door een andere vorm van indirecte continue monitoring.
(2) De directe metingen van nikkel en vanadium, vermeld in het eerste lid, kunnen vervangen worden door analyses op basis van het metaalgehalte in de fijne katalysatordeeltjes en in de brandstof. Meting van nikkel en vanadium is niet vereist in geval van verbrandingseenheden waarin alleen gasvormige brandstoffen gestookt worden.
(3)  In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan afwijking verleend worden van deze monitoringfrequenties als de gegevensreeksen duidelijk een toereikende stabiliteit aantonen.
(4) Voor verbrandingseenheden met een nominaal thermisch ingangsvermogen van 50 MW of meer tot 100 MW, kan de continue meting van NOx en stof vervangen worden door indirecte continue monitoring en kan de continue meting van SO2 vervangen worden door berekeningen op basis van metingen van het zwavelgehalte van de brandstof of de toevoer, als kan worden aangetoond dat het in een gelijkwaardige nauwkeurigheid resulteert, of door een andere vorm van indirecte continue monitoring. Voor stof worden in dit geval ten minste om de zes maanden emissiemetingen uitgevoerd.
(5) Voor verbrandingseenheden met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 5 MW tot 50 MW volstaat een jaarlijkse meting voor stof als het gaat om verbrandingseenheden die in hoofdzaak gevoed worden met gasvormige brandstoffen en een jaarlijkse meting voor SOx als het gaat om verbrandingseenheden die gestookt worden met ontzwaveld raffinaderijgas waarvan het zwavelgehalte minder dan 150 ppm bedraagt.
(6) Voor verbrandingseenheden met een nominaal thermisch ingangsvermogen kleiner dan 50 MW kan de directe meting van SOx, NOx en stof vervangen worden door indirecte monitoring.

 


Art. 3.7.10.3.

Tenzij het anders is vermeld, gelden voor grote stookinstallaties aanvullend de bepalingen, vermeld in afdeling 5.43.3 van titel II van het VLAREM, met uitzondering van de erin vastgestelde emissiegrenswaarden voor andere stookinstallaties dan gasturbines en stationaire motoren die gevoed worden met gasvormige of vloeibare brandstoffen. Voor andere grote stookinstallaties dan gasturbines en stationaire motoren die gevoed worden met gasvormige of vloeibare brandstoffen, gelden aanvullend de emissiegrenswaarden, vermeld in afdeling 5.20.2 van titel II van het VLAREM.


Afdeling 3.7.11.
Etherificatieproces


Art. 3.7.11.1. De emissies naar lucht afkomstig van het etherificatieproces worden beperkt door een passende behandeling van procesafgassen waarin ze worden afgeleid naar het raffinagerestgassysteem.

Art. 3.7.11.2. Een verstoring van de biobehandeling wordt voorkomen door gebruik te maken van een opslagtank en een geschikt productieplanbeheer voor de eenheid om het opgeloste gehalte van toxische stoffen in de afvalwaterstroom vóór de laatste behandeling te controleren.

Afdeling 3.7.12.
Isomerisatieproces


Art. 3.7.12.1. Emissies van chloorverbindingen naar lucht worden beperkt door de optimalisatie van het gebruik van organische chloorverbindingen die worden gebruikt om de katalysatoractiviteit te handhaven, als een dergelijk proces aanwezig is, of door het gebruik van niet-gechloreerde katalytische systemen.

Afdeling 3.7.13.
Raffineren van aardgas


Art. 3.7.13.1.

De emissies van zwaveldioxide naar lucht afkomstig van de aardgasinrichting worden beperkt door de toepassing van al de volgende technieken:

1°  verwijdering van zuur gas;
zwavelterugwinningseenheid;
restgasbehandelingseenheid.

Art. 3.7.13.2. Stikstofoxide-emissies naar lucht, afkomstig van de aardgasinrichting worden beperkt door de toepassing van BBT 34 van de BBT-conclusies voor het raffineren van aardolie en gas.

Art. 3.7.13.3. De emissies van kwik, als die aanwezig zijn in ruw aardgas, worden voorkomen door verwijdering van kwik en terugwinning van kwikhoudende slib met het oog op afvalverwijdering.

Afdeling 3.7.14.
Distillatieproces


Art. 3.7.14.1. De afvalwaterstromen afkomstig van het distillatieproces worden voorkomen en beperkt door vloeistofringvacuümpompen of oppervlaktecondensoren te gebruiken.

Art. 3.7.14.2. Watervervuiling, afkomstig van het distillatieproces wordt voorkomen of beperkt door zuur water naar de strippingeenheid af te leiden.

Art. 3.7.14.3. Emissies naar lucht, afkomstig van distillatie-eenheden worden voorkomen of beperkt door te zorgen voor de passende behandeling van procesafgassen, in het bijzonder niet-condenseerbare afgassen, door zuur gas te verwijderen vóór verder gebruik.

Afdeling 3.7.15.
Behandelingsproces van producten


Art. 3.7.15.1. De emissies naar lucht, afkomstig van het behandelingsproces van producten, worden beperkt door te zorgen voor de passende verwijdering van afgassen, meer bepaald sterk ruikende lucht, afkomstig van stankverwijderingseenheden, door die af te leiden naar een verwerkingseenheid.

Art. 3.7.15.2. In geval van een behandelingsproces van producten waarbij caustische middelen worden gebruikt, wordt de productie van afval en afvalwater beperkt door een caustische cascadeoplossing en een globaal beheer van verbruikte caustische middelen, met inbegrip van recyclage na een passende behandeling, te hanteren.

Afdeling 3.7.16.
Opslag- en behandelingsprocessen


Art. 3.7.16.1.

§1.
Bovengrondse verticale houders die vloeibare koolwaterstofverbindingen bevatten met een dampspanning van meer dan 4 kPa, bepaald volgens de Reidmethode, worden uitgerust met vlottende daken, voorzien van de beste beschikbare dichtingen, vermeld in paragraaf 2 tot en met 7.

 

§2.
Houders, uitgerust met een uitwendig vlottend dak, zijn voorzien van een primaire afdichting om de ringvormige ruimte tussen de wand van de houder en de buitenste rand van het vlottende dak af te dichten, en van een secundaire afdichting die boven de primaire afdichting is aangebracht, zodat in vergelijking met een vergelijkbare houder met vast dak zonder dampbeheersvoorzieningen, dat wil zeggen een houder met vast dak en alleen vacuüm/overdrukklep, in totaal 95% of meer van de damp wordt vastgehouden.

 

Houders die na 28 oktober 2018 in gebruik worden genomen, worden aanvullend uitgerust met een tertiaire dichting waardoor een minimaal rendement van 98% of meer wordt bereikt.

 

§3.
De houders, uitgerust met een intern vlottend dak, zijn voorzien van een primaire afdichting, zodat in vergelijking met een vergelijkbare houder met vast dak zonder dampbeheersvoorzieningen, namelijk een houder met vast dak en alleen vacuüm/overdrukklep, in totaal 90% of meer van de damp wordt vastgehouden.

 

Houders die na 1 januari 2016 in gebruik worden genomen, worden aanvullend uitgerust met een dubbele dichting zodat een rendement van 98% of meer wordt bereikt.

 

§4.
Om het rendement, vermeld in paragraaf 2 en 3, te bepalen, worden berekeningsmethoden uit de literatuur gebruikt die ten minste rekening houden met de volgende parameters: de dampspanning bij opslagtemperatuur, het moleculaire gewicht van de dampen, het type afdichting, de diameter van de houder en de vrije damphoogte. De berekeningen van het rendement worden voor elke houder ter beschikking gehouden van de toezichthouder.

 

§5.
Als het rendement, vermeld in paragraaf 2 en 3, niet gerealiseerd kan worden vanwege de specifieke karakteristieken van de betrokken houder, wordt aangetoond dat de beste beschikbare primaire, secundaire en tertiaire dichtingen worden ingezet. Dat kan door aan te tonen dat de geïnstalleerde dampvoorzieningen het rendement wel zouden bereiken in een houder met gemiddelde karakteristieken.

 

§6.
In afwijking van paragraaf 1 zijn ook tanks met een vast dak, verbonden met een dampterugwinningseenheid, toegelaten, als daarbij minimaal hetzelfde rendement als vermeld in paragraaf 3 wordt gerealiseerd.

 

§7.
Alle naden, verbindingen en doorvoeringen van de drijvende daken worden afgedicht met toepassing van de beste beschikbare technieken.


Art. 3.7.16.2. De emissies van VOS naar lucht, afkomstig van de opslag van vloeibare koolwaterstofverbindingen met een dampspanning van meer dan 4 kPa, bepaald volgens de Reidmethode, worden beperkt door gebruik van een of meer van de technieken, vermeld in BBT 50 van de BBT-conclusies voor het raffineren van aardolie en gas.

Art. 3.7.16.3. De emissies naar bodem en grondwater, afkomstig van de opslag van vloeibare koolwaterstofverbindingen worden voorkomen of beperkt door gebruik van een of meer van de technieken, vermeld in BBT 51 van de BBT-conclusies voor het raffineren van aardolie en gas.

Art. 3.7.16.4.

§1. Verplaatsingsdampen uit vaste en mobiele tanks die worden gevuld met vloeibare koolwaterstofverbindingen met een dampspanning van meer dan 4 kPa, bepaald volgens de Reidmethode, worden via een dampdichte leiding teruggevoerd naar een dampterugwinningseenheid, waarbij een terugwinning van ten minste 95% bewerkstelligd wordt.

 

Voor zeeschepen zijn de bepalingen, vermeld in het eerste lid, uitsluitend van toepassing als op jaarbasis meer dan 1 miljoen kubieke meter van de stoffen of mengels, vermeld in het eerste lid wordt beladen.

 

Als dampterugwinning onveilig of technisch onmogelijk is vanwege de hoeveelheden retourdamp, kan in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit toestemming verleend worden om de dampterugwinningseenheid te vervangen door een dampverwerkingseenheid.

 

§2. De emissiegrenswaarden, vermeld in volgende tabel, zijn van toepassing op de geloosde afgassen van de dampterugwinnings- of dampverwerkingseenheid.

 

parameter

emissiegrenswaarde

middelingstijd

NMVOS

5 g/Nm³

uurgemiddelde

Benzeen

1 mg/Nm³

uurgemiddelde

 

§3. Uiterlijk drie maanden na de datum van ingebruikname en vervolgens minstens eenmaal per jaar, wordt door een erkend laboratorium in de discipline lucht, vermeld in artikel 6, 5°, b), van het VLAREL, een verslag opgesteld. Hierin worden de resultaten van de metingen, uitgevoerd ter bepaling van de gemiddelde concentratie van dampen in de afvoer van de dampterugwinningseenheid, weergegeven, besproken en getoetst aan de emissiegrenswaarden, vermeld in §2. De termijn tussen twee controlemetingen mag in geen geval vijftien maanden overschrijden. Het verslag wordt opgestuurd naar de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, de afdeling, bevoegd voor milieuhandhaving, en de Vlaamse Milieumaatschappij.

 

De metingen worden uitgevoerd conform de bepalingen, vermeld in bijlage 5.17.9, §3, 2°, van titel II van het VLAREM.

 

§4. Elke periode van buitengebruikstelling van de dampterugwinnings- of dampverwerkingseenheid wordt in een register vermeld, alsook de reden daarvan en de getroffen maatregelen. Dat register ligt ter inzage van de toezichthouder op de plaats van exploitatie.


Afdeling 3.7.17.
Zwavelbehandeling van afvalgassen


Art. 3.7.17.1.

De emissies van zwavel naar lucht afkomstig van afgassen die waterstofsulfide bevatten, worden beperkt door al de volgende technieken:

1°  verwijdering van zuur gas;
2°  zwavelterugwinningseenheid;
restgasbehandelingseenheid.

 

Bij de verwijdering van zuur gas wordt waterstofsulfide in het behandelde RFG verwijderd om te voldoen aan de emissiegrenswaarde voor SO2 als vermeld in art. 3.7.10.1.

 

Wat betreft het zwavelterugwinningsrendement voor de hele behandelingsketen gelden de bepalingen vermeld in artikel 5.20.2.7, §3 van titel II van het VLAREM.


Art. 3.7.17.2.

De concentratie SO2 in de geloosde afgassen van zwavelterugwinningseenheden wordt continu gemeten.

 

De continue meting van SO2, vermeld in het eerste lid, kan vervangen worden door een continue materiaalbalans of de monitoring van andere relevante procesparameters, op voorwaarde dat passende metingen van de efficiëntie van de zwavelterugwinningseenheid gebaseerd zijn op tweejaarlijkse proeven van de prestaties van de inrichting.


Afdeling 3.7.18.
Fakkels


Art. 3.7.18.1. De emissies, afkomstig van fakkels, naar lucht worden voorkomen door affakkeling alleen toe te passen om veiligheidsredenen of voor niet-routinematige bedrijfsomstandigheden.

Art. 3.7.18.2.

Als affakkelen onvermijdelijk is, worden de emissies naar lucht, afkomstig van fakkels, beperkt door gebruik te maken van de volgende technieken:

correct ontwerp van de inrichting, voor nieuwe eenheden. In bestaande eenheden kan een systeem voor de terugwinning van afgefakkeld gas worden ingebouwd;
2°  inrichtingsbeheer;
3°  correct ontwerp van affakkelingsinrichtingen, voor nieuwe eenheden;
4°  monitoring en verslaglegging.

 


Afdeling 3.7.19.
Geïntegreerd emissiebeheer


Art. 3.7.19.1.

In afwijking van de emissiegrenswaarden, vermeld in artikel 3.7.6.2 en artikel 3.7.10.1, en in afwijking van de bepalingen, vermeld in artikel 3.7.17.1, kan ter verwezenlijking van een algemene reductie van NOx- en SO2-emissies naar lucht, afkomstig van verbrandingseenheden, FCC-eenheden en zwavelterugwinningseenheden, een techniek voor geïntegreerd emissiebeheer gehanteerd worden. De toepassing van die techniek en de emissiegrenswaarden voor NOx die gelden voor alle verbrandingseenheden en FCC-eenheden en de emissiegrenswaarden voor SO2 die gelden voor alle verbrandingseenheden, FCC-eenheden en zwavelterugwinningseenheden, worden in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit vastgelegd, conform de bepalingen van BBT 57 en BBT 58 van de BBT-conclusies voor het raffineren van aardolie en gas. De exploitant verstrekt daarvoor de informatie, vermeld in bijlage 4, die bij dit besluit is gevoegd, aan de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning, als die daarom verzoekt.

 

In afwijking van het eerste lid blijven de emissiegrenswaarden voor NOx en SO2, vermeld in artikel 3.7.6.2 en artikel 3.7.10.1, en het zwavelterugwinningsrendement, vermeld in artikel 3.7.17.1, gelden voor elke nieuwe verbrandingseenheid, nieuwe FCC-eenheid en nieuwe zwavelterugwinningseenheid die wordt opgenomen in het systeem voor geïntegreerd emissiebeheer.

 

In het tweede lid wordt verstaan onder FCC-eenheid: de eenheid voor gefluïdiseerd katalytisch kraken.

 

Als een techniek voor geïntegreerd emissiebeheer toegepast wordt, wordt de monitoring van NOx- en SO2-emissies, vermeld in artikel 3.7.6.3, artikel 3.7.10.2 en artikel 3.7.17.2, aangevuld met de volgende zaken:

een monitoringplan, met inbegrip van een beschrijving van de gemonitorde processen, een lijst van de emissiebronnen en bronstromen die voor elk proces worden gemonitord, alsook een beschrijving van de gebruikte methodologie, de onderliggende aannames en de bijbehorende betrouwbaarheidsgraad;
2°  continue monitoring van het rookgasdebiet van de betrokken eenheden, hetzij via directe metingen, hetzij via een gelijkwaardige methode;
een gegevensbeheersysteem voor de verzameling, verwerking en verslaglegging van alle monitoringgegevens die nodig zijn om de emissies te bepalen van de bronnen die onder de techniek voor geïntegreerd emissiebeheer vallen.

 

Als een techniek voor geïntegreerd emissiebeheer toegepast wordt, wordt uiterlijk op 30 maart 2020 de informatie, vermeld in bijlage 5, die bij dit besluit is gevoegd, bezorgd aan de afdeling Milieu, bevoegd voor de omgevingsvergunning. De informatie heeft betrekking op de jaren 2017, 2018 en 2019.


Hoofdstuk 3.8.
Productie van platen en panelen van hout


Afdeling 3.8.1.
Toepassingsgebied en definities


Art. 3.8.1.1.

§1. Dit hoofdstuk is van toepassing op de inrichtingen, vermeld in rubriek 19.9 van de indelingslijst. Bestaande installaties, als vermeld in artikel 3.8.1.2, 2°, voldoen uiterlijk op 24 november 2019 aan dit hoofdstuk.

De overeenkomstige GPBV-activiteiten zijn de activiteiten, vermeld in punt 6.1, c), van bijlage 1, die bij dit besluit is gevoegd.
 

§2. Het toepassingsgebied van dit hoofdstuk omvat de volgende processen:

1°  de fabricage van platen en panelen van hout;
stookinstallaties, inclusief motoren, gesitueerd op het bedrijfsterrein die hete gassen produceren voor direct verwarmde drogers;
de fabricage van met harsen geïmpregneerd papier.


§3. De bepalingen, vermeld in paragraaf 1, hebben geen betrekking op de volgende activiteiten en processen:

1°  stookinstallaties, inclusief motoren, gesitueerd op het bedrijfsterrein die geen hete gassen produceren voor direct verwarmde drogers;
het lamineren, het lakken of het schilderen van onbewerkte platen.

Art. 3.8.1.2.
nieuwe installatie: een installatie die voor het eerst wordt vergund op het terrein van de installatie na 24 november 2015 of een installatie die volledig wordt vervangen na 24 november 2015;
bestaande installatie: een andere installatie dan een nieuwe installatie;
vezel: lignocellulosehoudende componenten van hout of andere plantaardige stoffen, verkregen door mechanische of thermomechanische pulpproductie met behulp van een refiner. Vezels worden gebruikt als uitgangsmateriaal voor de productie van houtvezelplaten;
houtvezelplaat: plaatmateriaal met een nominale dikte van ten minste 1,5 mm, vervaardigd van lignocellulosevezels met toepassing van warmte of druk. Houtvezelplaten omvatten door een nat proces vervaardigde platen, inclusief harde platen, halfharde platen en zachte platen, en door een droogproces vervaardigde houtvezelplaten, inclusief MDF;
matvorming: een proces van het rangschikken van deeltjes, strengen of vezels om een plaat te creëren, die naar de pers wordt geleid;
oriented strand board, afgekort OSB: een meerlagige plaat, voornamelijk gemaakt van houtstrengen, gebonden met een bindmiddel. De strengen in de deklaag zijn uitgelijnd en liggen parallel aan de lengte of de breedte van de plaat. De strengen in de binnenste laag of lagen kunnen willekeurig liggen of uitgelijnd zijn, in het algemeen loodrecht op de strengen in de deklagen;
spaanplaat: plaatmateriaal van houtdeeltjes, inclusief houtvlokken, spanen, krullen en zaagsel, of ander lignocellulosisch materiaal in de vorm van deeltjes, inclusief vlaslemen, henneplemen en fragmenten van bagasse, vervaardigd onder druk en warmte, met toevoeging van een bindmiddel;
verontreinigd hemelwater: het afvalwater, afkomstig van afvloeiende neerslag en afvoer, opgevangen in gebieden met stapelplaatsen voor hout in open lucht, inclusief verwerkingsgebieden in open lucht. Water dat afkomstig is van stapelplaatsen met uitsluitend rondhout, slabben of onbehandeld houtafval waarvoor een grondstoffenverklaring is opgesteld, dat niet geloosd wordt, wordt hiervan uitgesloten;
stroom­opwaartse en stroom­afwaartse houthandelingen: alle actieve hantering en manipulatie, opslag of vervoer van houtdeeltjes, spanen, strengen of vezels en van geperste platen:
  a) stroomopwaartse houthandelingen: alle houtverwerking vanaf het ogenblik waarop de houtgrondstof de opslagplaats verlaat;  
  b) stroomafwaartse houthandelingen: alle processen vanaf het ogenblik waarop de plaat de pers verlaat tot en met het ogenblik waarop de onbewerkte plaat of het plaatproduct met toegevoegde waarde naar de opslagplaats vertrekt.
Het drogen of het persen van platen maakt geen deel uit van de stroomopwaartse en stroomafwaartse houthandelingen;
10° de BBT-conclusies voor de productie van platen en panelen van hout: het uitvoeringsbesluit 2015/2119/EU van de Commissie van 20 november 2015 tot vaststelling van de BBT-conclusies (beste beschikbare technieken) op grond van Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad, voor de productie van platen en panelen van hout.

 


Afdeling 3.8.2.
Algemene bepalingen


Art. 3.8.2.1.

Voor het verbeteren van de totale milieuprestatie wordt een milieubeheersysteem ingevoerd en nageleefd dat alle volgende elementen omvat:

de betrokkenheid van het kader, met inbegrip van het hogere kader;
2°  de vaststelling van een milieubeleid dat de continue verbetering van de installatie door het kader omvat;
de planning en vaststelling van de noodzakelijke procedures, doelstellingen en streefcijfers, samen met een financiële planning en investeringen;
de toepassing van procedures, met bijzondere aandacht voor:
  a)  bedrijfsorganisatie en verantwoordelijkheid;
  b) aanwerving, opleiding, bewustmaking en bekwaamheid;
  c) communicatie;
  d)  betrokkenheid van de werknemers;
  e) documentatie;
  f) efficiënte procescontrole;
  g) onderhoudsprogramma's;
  h) noodplan en rampenbestrijding;
  i)  waarborgen van de naleving van de milieuwetgeving;
de controle van de uitvoering en het nemen van corrigerende maatregelen, met bijzondere aandacht voor:
  a) monitoring en meting;
  b) corrigerende en preventieve maatregelen;
  c) bijhouden van gegevens;
  d)  interne en externe, voor zover mogelijk, onafhankelijke audits om te bepalen of het milieubeheersysteem voldoet aan de voorgenomen regelingen en of het op de juiste wijze wordt uitgevoerd en gehandhaafd;
de evaluatie van het milieubeheersysteem en de continue controle van de geschiktheid, adequaatheid en doeltreffendheid ervan door het hogere kader;
het volgen van de ontwikkelingen op het vlak van schonere technologieën;
de aandacht voor de milieueffecten van de uiteindelijke ontmanteling van de installatie bij de ontwerpfase van een nieuwe installatie, en gedurende de volledige levensduur;
de toepassing van benchmarkonderzoek in de bedrijfstak op regelmatige basis.

 

De volgende elementen maken deel uit van het milieubeheersysteem:

het kwaliteitscontroleprogramma voor houtafval van recyclage dat als grondstof voor platen en panelen, en als brandstof wordt gebruikt als vermeld in artikel 3.8.2.2, 2°;
het geluidsbeheersplan als vermeld in artikel 3.8.3.1;
het afvalbeheersplan als vermeld in artikel 3.8.6.1;
het stofbeheersplan als vermeld in artikel 3.8.7.3.2.

Art. 3.8.2.2.

Het milieueffect van het productieproces wordt tot een minimum beperkt door de toepassing van de beginselen van goede bedrijfspraktijk waarbij gebruik wordt gemaakt van alle volgende technieken:

de zorgvuldige selectie en controle van de chemicaliën en additieven;
de toepassing van een kwaliteitscontroleprogramma voor houtafval van recyclage dat als grondstof of als brandstof wordt gebruikt, namelijk voor de bestrijding van verontreinigende stoffen, waaronder As, Pb, Cd, Cr, Cu, Hg, Zn, chloor, fluor en PAK;
de zorgvuldige behandeling en opslag van de grond- en afvalstoffen;
het regelmatige onderhoud en de regelmatige reiniging van de apparatuur, transportroutes en opslagplaatsen voor grondstoffen;
5°  de beoordeling van de mogelijkheden voor het hergebruik van proceswater en het gebruik van secundaire waterbronnen.

Art. 3.8.2.3. De emissies naar lucht worden beperkt door de afgasbehandelingssystemen onder normale bedrijfsomstandigheden te laten werken met een hoge beschikbaarheid en optimale capaciteit.

Art. 3.8.2.4. De stabiliteit en de efficiëntie van de gebruikte technieken ter voorkoming en beperking van de emissies naar lucht worden gewaarborgd door geschikte parameters te monitoren.

Art. 3.8.2.5.

De belangrijkste procesparameters die relevant zijn voor de emissies naar water, afkomstig van het productieproces, inclusief debiet, pH en temperatuur van afvalwater, worden gemonitord overeenkomstig artikel 4.2.5.2.1 en 4.2.5.3.1 van titel II van het VLAREM.


Afdeling 3.8.3.
Geluidsemissies


Art. 3.8.3.1. De geluidshinder en trillingen worden voorkomen of, als dat niet mogelijk is, beperkt door gebruik te maken van één of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 4 van de BBT-conclusies voor de productie van platen en panelen van hout.

Afdeling 3.8.4.
Emissies naar bodem en grondwater


Art. 3.8.4.1.

De emissies naar bodem en grondwater worden voorkomen door gebruik te maken van de volgende technieken:

voor stoffen, opgenomen in bijlage 2B bij titel II van het VLAREM, en gevaarlijke producten volgens de CLP-verordening geldt dat:
  a) de harsen en andere hulpstoffen alleen worden geladen en gelost in de daarvoor bestemde plaatsen die beschermd zijn tegen afvloeiing van gelekte stoffen;
  b) alle stoffen, in afwachting van verwijdering, worden verzameld en opgeslagen in de daarvoor bestemde plaatsen die beschermd zijn tegen afvloeiing van gelekte stoffen;
  c) alle pompputten of andere tussentijdse opslagvoorzieningen die kunnen overlopen, worden uitgerust met een alarm dat door een hoog vloeistofniveau wordt geactiveerd;
er wordt een programma opgesteld en uitgevoerd voor het testen en controleren van vaste houders en leidingen die harsen, additieven en harsmengsels vervoeren;
alle flenzen en kleppen van leidingen die worden gebruikt om andere stoffen dan water en hout te vervoeren, worden gecontroleerd op lekken. Van die controles wordt een logboek bijgehouden;
er wordt voor een opvangsysteem gezorgd om lekkende vloeistoffen op te vangen uit flenzen en kleppen van leidingen die worden gebruikt om andere stoffen dan water en hout te vervoeren, behalve als de constructie van de flenzen en kleppen technisch dicht is;
er wordt gezorgd voor een toereikende hoeveelheid afdammingen en geschikt absorberend materiaal;
6°  ondergrondse leidingen voor het vervoer van andere stoffen dan water en hout worden vermeden;
al het water van brandbestrijding wordt verzameld en veilig verwijderd;
de opvangbekkens voor verontreinigd hemelwater, afkomstig van buiten gelegen opslagplaatsen voor hout, worden uitgerust met een ondoordringbare bodem.

Afdeling 3.8.5.
Energie


Art. 3.8.5.1.

Om het energieverbruik te verminderen wordt een energiebeheersplan vastgesteld met daarin alle volgende technieken:

het gebruik van een systeem om het energieverbruik en de energiekosten op te volgen;
het uitvoeren van energie-efficiëntie audits van belangrijke werkzaamheden;
het toepassen van een systematische benadering om de apparatuur voortdurend te verbeteren en zo de energie-efficiëntie te verhogen;
de verbetering van de controle op het energieverbruik;
het aanbieden aan de medewerkers van interne opleidingen over energiebeheer.

Art. 3.8.5.2.

§1. De energie-efficiëntie wordt verhoogd door de werking van de stookinstallatie te optimaliseren door belangrijke verbrandingsparameters, inclusief O2, CO en NOX, te monitoren en te controleren, alsook door gebruik te maken van één of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 7 van de BBT-conclusies voor de productie van platen en panelen van hout.

 

§2. De concentratie van de parameters in de rookgassen die afkomstig zijn van het verbrandingsproces van de stookinstallatie en die vervolgens gebruikt worden voor direct verwarmde drogers, wordt gemeten met de volgende frequentie:

 

parameter meetfrequentie
NOX om de drie maanden of continu
CO om de drie maanden of continu


De metingen worden uitgevoerd vóór het mengen van het rookgas met andere luchtstromen.

 

In afwijking van het eerste lid kan er in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit vrijstelling verleend worden van de metingen als die technisch niet haalbaar zijn.


Art. 3.8.5.3. Energie wordt efficiënt gebruikt tijdens de voorbereiding van natte vezels voor de vervaardiging van houtvezelplaten door de toepassing van één of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 8 van de BBT-conclusies voor de productie van platen en panelen van hout.

Afdeling 3.8.6.
Productieresiduen


Art. 3.8.6.1.

De hoeveelheid afval, bestemd voor verwijdering, wordt voorkomen of, als dat niet mogelijk is, beperkt door een afvalbeheersplan op te stellen en uit te voeren als onderdeel van het milieubeheersysteem, vermeld in artikel 3.8.2.1, dat, in volgorde van prioriteit, garandeert dat afval wordt voorkomen, behandeld met het oog op hergebruik, gerecycleerd of op een andere wijze wordt teruggewonnen.


Art. 3.8.6.2. De hoeveelheid vast afval, bestemd voor verwijdering, wordt beperkt door gebruik te maken van één of een combinatie van technieken, vermeld in BBT 12 van de BBT-conclusies voor de productie van platen en panelen van hout.

Art. 3.8.6.3.

Het veilige beheer en hergebruik van bodemas en slakken, afkomstig van het stoken van biomassa, wordt gewaarborgd door gebruik te maken van alle volgende technieken:

de voortdurende evaluatie van de mogelijkheden voor extern en intern hergebruik van bodemas en slakken;
2°  een efficiënt verbrandingsproces dat de hoeveelheid residuele koolstof vermindert;
de behandeling en het vervoer van bodemas en slakken in gesloten transportsystemen of containers, of door bevochtiging;
4°  de opslag van bodemas en slakken in een daarvoor bestemde ondoordringbare plaats, met opvang van percolaat.

Afdeling 3.8.7.
Emissies naar lucht


Subafdeling 3.8.7.1.
Meetstrategie en toetsing meetwaarden


Art. 3.8.7.1.1.

Voor atmosferische emissies gelden de volgende referentiezuurstofgehalten:

emissiebron referentiezuurstofgehalten
direct verwarmde spaanplaat- of direct verwarmde OSB-drogers              zuurstofgehalte van 18 volumeprocent
alle andere bronnen geen correctie voor zuurstof

Art. 3.8.7.1.2.

Voor periodieke metingen van atmosferische emissies wordt de meetwaarde bepaald als de gemiddelde waarde van drie opeenvolgende metingen van elk minstens dertig minuten.

Voor parameters waarvoor, door beperkingen op het vlak van bemonstering of analyse, een meting van dertig minuten niet geschikt is, kan er in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit een meer geschikte meetperiode worden vastgelegd.

Voor continue metingen van atmosferische emissies gelden de emissiegrenswaarden als uurgemiddelden.


Art. 3.8.7.1.3.

De monitoring van emissies naar lucht wordt verricht overeenkomstig de meetmethoden, vermeld in bijlage 4.4.2 bij titel II van het VLAREM. Als er geen meetmethoden worden vermeld, worden de CEN-normen gevolgd. Als er geen CEN-normen bestaan, worden de ISO-normen, de nationale normen of andere internationale normen toegepast die gegevens van een gelijkwaardige wetenschappelijke kwaliteit opleveren.


Subafdeling 3.8.7.2.
Geleide emissies


Art. 3.8.7.2.1.

Op de geloosde afgassen van de droger zijn de volgende emissiegrenswaarden van toepassing:

 

parameter product type droger nominaal thermisch
ingangsvermogen
emissiegrenswaarde
(mg/Nm³)
stof spaanplaat of OSB direct verwarmde droger < 50 MW 20
≥ 50 MW 15
indirect verwarmde droger   10
houtvezelplaat alle typen   20
TOC (1) spaanplaat alle typen   200 (2) (3)
OSB   400 (3)
houtvezelplaat   120
formaldehyde spaanplaat   alle typen   10 (4)
OSB   20
houtvezelplaat   15
(1) Methaan, gemonitord in overeenstemming met EN ISO 25140 of EN ISO 25139, wordt van het resultaat afgetrokken als aardgas, lpg enzovoort als brandstof worden gebruikt.
(2) In afwijking van bovenvermelde emissiegrenswaarde van 200 mg/Nm³ voor TOC, geldt de emissiegrenswaarde, vermeld in artikel 5.19.1.4, §3, van titel II van het VLAREM, als dennenhout als belangrijkste grondstof wordt gebruikt.
(3) Bij gebruik van een UTWS-droger geldt voor spaanplaten en OSB een emissiegrenswaarde van 30 mg/Nm³ voor TOC. Onder UTWS-droger wordt verstaan: een combinatie van een droogtrommel met een warmtewisselaar en een stookinstallatie met volledige recirculatie van afgas van de droger.
(4) Als nagenoeg uitsluitend houtafval van recyclage wordt gebruikt, kan er in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit worden afgeweken van bovenvermelde emissiegrenswaarde van 10 mg/Nm³ voor formaldehyde, met een maximum van 15 mg/Nm³.

 

Bij gebruik van onbehandeld hout, onbehandeld houtafval of niet-verontreinigd behandeld houtafval als brandstof, wordt de concentratie van de parameters in de afgassen van de droger, vermeld in het eerste lid, en van de parameters metalen, HCl, HF, dioxinen en furanen, gemeten met de frequentie, vermeld in artikel 5.19.1.4, §7, van titel II van het VLAREM.

 

Met behoud van de toepassing van artikel 5.19.1.4, §7, van titel II van het VLAREM, en in afwijking van artikel 2.3.1, eerste lid, van dit besluit, worden de concentraties van de parameters stof, TOC en formaldehyde, alsook HCl en HF in geval niet-verontreinigd behandeld houtafval als brandstof wordt gebruikt, in de afgassen van de droger, ten minste om de zes maanden gemeten.

 

De concentratie van SO2 in de afgassen van de droger wordt jaarlijks gemeten, tenzij voornamelijk onbehandeld hout, onbehandeld houtafval, niet-verontreinigd behandeld houtafval, aardgas, lpg of andere vergelijkbare brandstoffen als brandstof worden gebruikt.

 


Art. 3.8.7.2.2. Bij toepassing van selectieve niet-katalytische reductie wordt de concentratie ammoniak in de afgassen van de droger jaarlijks gemeten.

Art. 3.8.7.2.3.

Op de geloosde afgassen van een direct verwarmde droger zijn de volgende emissiegrenswaarden van toepassing:

 

parameter

product

type droger

emissiegrenswaarde (mg/Nm³)

NOX

spaanplaat of OSB

≥ 50 MW

150

< 50 MW

240

houtvezelplaat

alle typen

250

 

Bij gebruik van onbehandeld hout, onbehandeld houtafval of niet-verontreinigd behandeld houtafval als brandstof, wordt de concentratie NOx in de afgassen van een direct verwarmde droger gemeten met de frequentie, vermeld in artikel 5.19.1.4, §7, van titel II van het VLAREM.

 

Met behoud van de toepassing van artikel 5.19.1.4, §7, van titel II van het VLAREM, en in afwijking van artikel 2.3.1, eerste lid, van dit besluit, wordt de concentratie NOx in de afgassen van een direct verwarmde droger ten minste om de zes maanden gemeten.


Art. 3.8.7.2.4.

Op de geloosde afgassen van de pers zijn de volgende emissiegrenswaarden en, in afwijking van artikel 2.3.1, eerste lid, de volgende meetfrequenties van toepassing:

 

parameter emissiegrenswaarde (mg/Nm³) meetfrequentie
stof 15 om de zes maanden
TOC 100 om de zes maanden
formaldehyde 15 om de zes maanden

Art. 3.8.7.2.5.

Op de geleide stofemissies naar lucht, afkomstig van de stroomopwaartse en stroomafwaartse houthandelingen, het transport van houtmaterialen en de matvorming zijn de volgende emissiegrenswaarden en meetfrequenties van toepassing:

 

parameter emissiegrenswaarde (mg/Nm³) meetfrequentie
stof 5 jaarlijks

 

Met toepassing van de bepalingen inzake toepasbaarheid, vermeld in BBT 20 van de BBT-conclusies voor de productie van platen en panelen van hout, kan er in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit worden afgeweken van de emissiegrenswaarde van 5 mg/Nm³, met een maximum van 10 mg/Nm³.

 

In afwijking van de meetfrequentie, vermeld in het eerste lid, kunnen stofemissiemetingen op afgassen die via een doekenfilter of cyclofilter geloosd worden, vervangen worden door continue monitoring van de drukval in de filter.


Art. 3.8.7.2.6.

Op de geloosde afgassen van een droogoven voor de impregnatie van papier zijn de volgende emissiegrenswaarden en meetfrequenties van toepassing:

 

parameter emissiegrenswaarde (mg/Nm³) meetfrequentie
TOC (1) 30 jaarlijks
formaldehyde 10 jaarlijks
(1) Methaan, gemonitord in overeenstemming met EN ISO 25140 of EN ISO 25139, wordt van het resultaat afgetrokken als aardgas, lpg enzovoort als brandstof worden gebruikt.

Subafdeling 3.8.7.3.
Diffuse emissies


Art. 3.8.7.3.1. Diffuse emissies naar lucht, afkomstig van de pers, worden voorkomen of, als dat niet mogelijk is, beperkt door de efficiëntie van de afgasopvang te optimaliseren en de afgassen te kanaliseren voor behandeling.

Art. 3.8.7.3.2.

Diffuse stofemissies naar lucht, afkomstig van het transport, de hantering en de opslag van houtmaterialen, worden beperkt door een stofbeheersplan op te stellen en uit te voeren als onderdeel van het milieubeheersysteem, vermeld in artikel 3.8.2.1, en door gebruik te maken van één of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 23 van de BBT-conclusies voor de productie van platen en panelen van hout.


Afdeling 3.8.8.
Emissies naar water


Art. 3.8.8.1.

Art. 3.8.8.1. De vervuilingsbelasting van het opgevangen afvalwater wordt beperkt door gebruik te maken van beide volgende technieken:

1°  het verontreinigde hemelwater en het procesafvalwater worden afzonderlijk opgevangen en afzonderlijk behandeld;
alle hout wordt opgeslagen op een verharde zone, met uitzondering van rondhout, slabben of onbehandeld houtafval waarvoor een grondstoffenverklaring is opgesteld.

 

Met toepassing van de bepalingen inzake het ontwerp van bestaande afvoerinfrastructuur, vermeld in BBT 24 van de BBT-conclusies voor de productie van platen en panelen van hout, kan er in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit worden afgeweken van de techniek 1°.

 

In het eerste lid wordt verstaan onder slabben: een van de buitenzijde afkomstig stuk hout, al dan niet met verwijderde schors, van de eerste sneden in het zaagproces waarbij rondhout in zaaghout wordt omgezet.

 


Art. 3.8.8.2. De emissiegrenswaarden voor emissies naar water hebben betrekking op het voortschrijdend gemiddelde van de monsters, genomen gedurende één jaar: het voortschrijdend debietgewogen gemiddelde van alle debietproportionele 24 uur-mengmonsters, genomen gedurende één jaar met de minimale meetfrequentie, vastgesteld voor de relevante parameter, en onder normale bedrijfsomstandigheden.

Art. 3.8.8.3.

De monitoring van emissies naar water wordt verricht overeenkomstig de meetmethoden, vermeld in artikel 4, §1, van bijlage 4.2.5.2 bij titel II van het VLAREM. Als er geen meetmethoden worden vermeld, worden de CEN-normen gevolgd. Als er geen CEN-normen bestaan, worden de ISO-normen, de nationale normen of andere internationale normen toegepast die gegevens van een gelijkwaardige wetenschappelijke kwaliteit opleveren.


Art. 3.8.8.4.

§1. Emissies naar water, afkomstig van verontreinigd hemelwater, worden beperkt door gebruik te maken van een combinatie van de volgende technieken:

1°  het mechanisch scheiden van grove materialen met roosters en zeven als voorbehandeling;
2°  het scheiden van olie en water;
het verwijderen van vaste deeltjes door sedimentatie in opvangbekkens of bezinkingstanks.

 

§2. Op de lozing van verontreinigd hemelwater in oppervlaktewater zijn de volgende emissiegrenswaarden en meetfrequenties van toepassing:

 

parameter

emissiegrenswaarde (mg/l)

Meetfrequentie

zwevende stoffen

40

maandelijks (1)

(1) In afwijking van artikel 2.3.1, eerste lid, wordt ten minste om de drie maanden gemeten.

 

Als het debiet ontoereikend is voor een representatieve bemonstering, kan debietproportionele bemonstering worden vervangen door een schepmonster.


Art. 3.8.8.5. Het procesafvalwater, afkomstig van de productie van houtvezels, wordt voorkomen en beperkt door de recyclage van proceswater te maximaliseren.

Art. 3.8.8.6.

§1. Op de lozing van procesafvalwater, afkomstig van de productie van houtvezels in oppervlaktewater, zijn de volgende emissiegrenswaarden van toepassing:

 

parameter

emissiegrenswaarde (mg/l)

zwevende stoffen

35

CZV

200

 

De parameter CZV kan worden vervangen door TOC. Er wordt dan door een MER-deskundige, erkend in de discipline water, deeldomein oppervlakte- en afvalwater als vermeld in artikel 6, 1°, d), 4), van het VLAREL van 19 november 2010, een site-specifieke correlatie tussen de twee parameters vastgesteld.

 

De concentratie van de parameters zwevende stoffen en CZV of TOC in procesafvalwater, afkomstig van de productie van houtvezels, wordt, in afwijking van artikel 2.3.1, eerste lid, wekelijks gemeten.

 

§2. De concentraties van relevante metalen zoals As, Cr, Cu, Ni, Pb en Zn in procesafvalwater, afkomstig van de productie van houtvezels, worden om de drie maanden gemeten.


Art. 3.8.8.7. De productie van afvalwater, afkomstig van natte luchtzuiveringssystemen, dat vóór afvoer moet worden behandeld, wordt voorkomen of beperkt door gebruik te maken van één of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 28 van de BBT-conclusies voor de productie van platen en panelen van hout.

Hoofdstuk 3.9.
Gemeenschappelijke behandeling en het gemeenschappelijke beheer van afvalwaterstromen, en afgasstromen in de chemiesector


Afdeling 3.9.1.
Toepassingsgebied en definities


Art. 3.9.1.1.

§1. Dit hoofdstuk is van toepassing op:

de inrichtingen, vermeld in rubriek 5.5 en 7.11 van de indelingslijst van titel II van het VLAREM;
de inrichtingen, vermeld in rubriek 3.6.7 van de indelingslijst van titel II van het VLAREM, het behandelde afvalwater afkomstig is van een of meer installaties waarin een of meer activiteiten die onder de toepassing van rubriek 7.11 van de indelingslijst van titel II van het VLAREM vallen, worden uitgevoerd;
de gecombineerde behandeling van afvalwater van verschillende herkomst, als de belangrijkste verontreinigingsbelasting afkomstig is van een of meer activiteiten die onder de toepassing van rubriek 7.11 van de indelingslijst van titel II van het VLAREM vallen.

 

Bestaande installaties, zijnde andere installaties dan nieuwe installaties, voldoen uiterlijk op 9 juni 2020 aan dit hoofdstuk.

 

De overeenkomstige GPBV-activiteiten zijn de activiteiten, vermeld in punt 4 en punt 6.11 van bijlage 1, die bij dit besluit is gevoegd.

 

§2. Het toepassingsgebied van dit hoofdstuk omvat de volgende processen:

milieubeheersystemen;
waterbesparing;
afvalwaterbeheer, -verzameling en -behandeling;
afvalbeheer;
behandeling van afvalwaterslib, met uitzondering van verbranding;
afgasbeheer, -verzameling en -behandeling;
affakkelen;
diffuse emissies van vluchtige organische stoffen naar lucht;
geuremissies;
10° geluidsemissies.

Art. 3.9.1.2.

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

nieuwe installatie: een installatie die voor het eerst wordt vergund op het terrein van de inrichting na 9 juni 2016, of een volledige vervanging van een installatie na 9 juni 2016;
vluchtige organische stof, afgekort VOS: een organische verbinding, alsook de fractie creosoot, die bij 293,15 K een dampspanning van 0,01 kPa of meer heeft of die onder de specifieke gebruiksomstandigheden een vergelijkbare vluchtigheid heeft;
BBT-conclusies voor de gemeenschappelijke behandeling en het gemeenschappelijke beheer van afvalwaterstromen, en afgasstromen in de chemiesector: het uitvoeringsbesluit 2016/902/EU van de Commissie van 30 mei 2016 tot vaststelling van de BBT-conclusies (beste beschikbare technieken) op grond van Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad voor gangbare systemen voor gemeenschappelijk(e) behandeling en beheer van afvalwater en afvalgas in de chemiesector.

    


Afdeling 3.9.2.
Algemene bepalingen


Art. 3.9.2.1.

Voor het verbeteren van de totale milieuprestatie van de installatie voor het gemeenschappelijk behandelen en het gemeenschappelijke beheren van afvalwaterstromen, en afgasstromen in de chemiesector wordt een milieubeheersysteem ingevoerd en nageleefd dat al de volgende elementen omvat:

betrokkenheid van het management, met inbegrip van het hoger kader;
uitwerking van een milieubeleid door het management dat de continue verbetering van de installatie omvat;
planning en vaststelling van de noodzakelijke procedures, doelstellingen en streefcijfers, samen met de financiële planning en investeringen;
uitvoeren van procedures, met bijzondere aandacht voor:
  a) Structuur en verantwoordelijkheid;
  b) aanwerving, opleiding, bewustmaking en bekwaamheid;
  c) communicatie;
  d) betrokkenheid van de werknemers;
  e) documentatie;
  f) doeltreffende procesbeheersing;
  g) onderhoudsprogramma's;
  h) paraatheid bij noodsituaties en rampenplannen;
  i) waarborgen van de naleving van de milieuwetgeving;
controle van de uitvoering van het milieubeheersysteem en het nemen van corrigerende maatregelen, met bijzondere aandacht voor:
  a) monitoring en meting;
  b) corrigerende en preventieve maatregelen;
  c) bijhouden van gegevens;
  d) interne en externe audits, voor zover mogelijk onafhankelijk, om te bepalen of het milieubeheersysteem voldoet aan de voorgenomen regelingen en of het op de juiste wijze wordt uitgevoerd en gehandhaafd;
evaluatie van het milieubeheersysteem en de continue controle door het management van de geschiktheid, adequaatheid en doeltreffendheid;
volgen van de ontwikkelingen op het vlak van schonere technologieën;
bij de ontwerpfase van een nieuwe installatie rekening houden met de milieueffecten ervan tijdens de volledige levensduur en de latere ontmanteling;
uitvoeren van benchmarkonderzoek in de bedrijfstak op regelmatige basis
10° het afvalbeheersplan, vermeld in artikel 3.9.7.1;
11° voor installaties of locaties die door verschillende exploitanten worden geëxploiteerd: de opmaak van een overeenkomst waarin de taken, verantwoordelijkheden en de coördinatie van de operationele procedures van elke exploitant van de installatie worden bepaald, om de samenwerking tussen de verschillende exploitanten te verbeteren;
12° de opmaak van een overzicht van de afvalwater- of afgasstromen als vermeld in artikel 3.9.2.2.

 


Art. 3.9.2.2.

De emissies naar water en lucht worden beperkt en de vermindering van het waterverbruik wordt bevorderd door een overzicht, als onderdeel van het milieubeheersysteem, vermeld in artikel 3.9.2.1, van de afvalwater- of afgasstromen op te stellen en actueel te houden. Dat overzicht, , omvat de volgende elementen:

 

informatie over de chemische productieprocessen, met inbegrip van:
  a) de chemische reactievergelijkingen, waaruit ook de bijproducten blijken;
  b) de vereenvoudigde processtroomdiagrammen, waaruit de herkomst van de emissies blijkt;
  c) een beschrijving van de procesgeïntegreerde technieken en de afvalwater- of afgasbehandelingen, inclusief de prestaties ervan;
informatie over de kenmerken van de verschillende afvalwaterstromen, zoals:
  a) de gemiddelde waarden en variabiliteit van debiet, pH, temperatuur en geleidbaarheid;
  b) de gemiddelde concentraties, vuilvrachten en variabiliteit van de verontreinigende stoffen in kwestie;
  c) de gegevens over biologische verwijderbaarheid;
informatie over de kenmerken van de verschillende afgasstromen, zoals:
  a) de gemiddelde waarden en variabiliteit van debiet en temperatuur;
  b) de gemiddelde concentraties, massastromen en variabiliteit van de aanwezige verontreinigende stoffen;
  c) de gegevens over ontvlambaarheid, laagste en hoogste explosiegrenswaarden en reactiviteit;
  d) de aanwezigheid van andere stoffen die van invloed kunnen zijn op het afgasbehandelingssysteem of de veiligheid van de installatie.

  

                


Afdeling 3.9.3.
Afvalwater


Art. 3.9.3.1.

De belangrijkste procesparameters die relevant zijn voor de emissies naar water, zoals vastgesteld in het overzicht van de afvalwaterstromen, vermeld in artikel 3.9.2.2, waaronder continue metingen van debiet, pH en temperatuur van het afvalwater, worden gemonitord op cruciale locaties.


Art. 3.9.3.2.

De monitoring van emissies naar water wordt verricht met de aangegeven frequentie, vermeld in de volgende tabel, en conform de meetmethoden, vermeld in artikel 4, §1, van bijlage 4.2.5.2 bij titel II van het VLAREM. Als er geen meetmethoden worden vermeld, worden de CEN-normen gevolgd. Als er geen CEN-normen bestaan, worden de ISO-normen, de nationale normen of andere internationale normen toegepast die gegevens van een gelijkwaardige wetenschappelijke kwaliteit opleveren:

 

parameter

minimale monitoringfrequentie (1)

(2)

TOC (3)

 

dagelijks

CZV (3)

zwevende stoffen

totaal stikstof

totaal fosfor

AOX

 

maandelijks

metalen (Cr, Cu, Ni, Pb, Zn, andere als dat relevant is)

 

toxiciteit (4)

viseieren (Danio rerio)

te bepalen in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit op basis van een risicobeoordeling, na een eerste karakterisering

 

Daphnia (Daphnia magna Straus)

 
 

luminescente bacteriën (Vibrio fischeri)

 
 

eendenkroos (Lemna minor)

 
  algen  
(1) Het monsternamepunt bevindt zich op de plaats waar de emissie de installatie verlaat.

(2) Voor TOC/CZV, zwevende stoffen, totaal stikstof en totaal fosfor kan de monitoringsfrequentie afgebouwd worden volgens onderstaand schema:

 

(3) TOC-monitoring en CZV-monitoring zijn alternatieven. TOC-monitoring is de voorkeursoptie omdat daarbij geen zeer toxische verbindingen hoeven te worden gebruikt.

(4) Ecotoxiciteitsbepalingen gebeuren op basis van de ISO-normen zoals opgenomen in BBT 4 van de BBT-conclusies voor de gemeenschappelijke behandeling en het gemeenschappelijke beheer van afvalwaterstromen, en afgasstromen in de chemiesector. Er moet een geschikte combinatie van de vermelde biologische

parameters gebruikt worden.

 

 


Art. 3.9.3.3. Het waterverbruik en de productie van afvalwater worden verminderd door de hoeveelheid of de verontreinigingsbelasting van afvalwaterstromen te beperken, meer afvalwater binnen het productieproces te hergebruiken en grondstoffen terug te winnen en te hergebruiken.

Art. 3.9.3.4. De verontreiniging van niet-verontreinigd water wordt voorkomen en de emissies naar water worden verminderd door niet-verontreinigde waterstromen gescheiden te houden van afvalwaterstromen die moeten worden behandeld, tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit.

Art. 3.9.3.5. Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, worden ongecontroleerde emissies naar water voorkomen door in een passende bufferopslagcapaciteit, gebaseerd op een risicobeoordeling, te voorzien voor afvalwater dat ontstaat tijdens andere dan de normale bedrijfsomstandigheden, en door passende vervolgmaatregelen te nemen.

Art. 3.9.3.6.

Emissies naar water worden verminderd door een geïntegreerde strategie voor afvalwaterbeheer en -behandeling toe te passen, gebaseerd op het overzicht van de afvalwaterstromen, vermeld in artikel 3.9.2.2, die een geschikte combinatie van de volgende technieken, weergegeven in de volgorde van prioriteit, omvat:

 

procesgeïntegreerde technieken;
terugwinning van verontreinigende stoffen bij de bron;
voorbehandeling van afvalwater als vermeld in BBT 11 van de BBT-conclusies voor de gemeenschappelijke behandeling en het gemeenschappelijke beheer van afvalwaterstromen, en afgasstromen in de chemiesector;
eindbehandeling van afvalwater, door gebruik te maken van een geschikte combinatie van de technieken, vermeld in BBT 12 van de BBT-conclusies voor de gemeenschappelijke behandeling en het gemeenschappelijke beheer van afvalwaterstromen, en afgasstromen in de chemiesector.

     


Art. 3.9.3.7.

De emissiegrenswaarden voor emissies naar water betreffen voortschrijdende jaargemiddelden.

 

In het eerste lid wordt verstaan ondervoortschrijdende jaargemiddelde: het voortschrijdend debietgewogen gemiddelde van alle debietproportionele 24 uur- mengmonsters, genomen gedurende één jaar met de minimale meetfrequentie, vastgesteld voor de relevante parameter, en onder normale bedrijfsomstandigheden.


Art. 3.9.3.8.

Voor de lozing in oppervlaktewater zijn de volgende emissiegrenswaarden van toepassing:

parameter, bij een emissie van:

emissiegrenswaarde,

voortschrijdend jaargemiddelde

TOC (1), > 3,3 ton/jaar

33 mg/l (2)(3)(4)

CZV (1), > 10 ton/jaar

100 mg/l (2)(3)(4)

zwevende stoffen, > 3,5 ton/jaar

35 mg/l (5)

totaal stikstof, > 2,5 ton/jaar

25 mg/l (6)(7)

totaal fosfor, > 0,3 ton/jaar

3 mg/l

AOX, > 100 kg/jaar

1000 µg/l (8)

chroom en chroomverbindingen, uitgedrukt als chroom (Cr), > 2,5 kg/jaar

25 µg/l (9)(10)(11)

koper en koperverbindingen, uitgedrukt als koper (Cu), > 5 kg/jaar

50 µg/l (9)(10)(12)

nikkel en nikkelverbindingen, uitgedrukt als nikkel (Ni), > 5 kg/jaar

50 µg/l (9)(10)

zink en zinkverbindingen, uitgedrukt als zink

(Zn), > 30 kg/jaar

300 µg/l (9)(10)(13)

(1)   De parameters TOC en CZV zijn alternatieven. Ofwel zijn de emissiegrenswaarde en meetfrequentie voor TOC van toepassing, ofwel de emissiegrenswaarde en meetfrequentie voor CZV.

(2)   In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan van de emissiegrenswaarden voor TOC en CZV worden afgeweken tot maximaal 100 mg/l voor TOC en maximaal 300 mg/l voor CZV, allebei als jaargemiddelde, als aan de volgende twee voorwaarden is voldaan:

-

voorwaarde A: verwijderingsrendement ≥ 90 % als jaargemiddelde

(inclusief voorbehandeling en eindbehandeling);

-

voorwaarde B: als een biologische behandeling wordt toegepast, wordt ten minste voldaan aan een van de volgende criteria:

  -

er wordt een biologische behandeling met lage belasting toegepast (dat wil zeggen ≤ 0,25 kg CZV/kg organische droge stof van het slib).

Dat impliceert een BOD5-niveau in het effluent van ≤ 20 mg/l;

  - er wordt nitrificatie toegepast;

(3)   In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan bepaald worden dat de emissiegrenswaarde niet van toepassing is als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

-

voorwaarde A: doeltreffendheid van de emissiebeperking ≥ 95 % als jaargemiddelde, inclusief voorbehandeling en eindbehandeling;

-

voorwaarde B: als een biologische behandeling wordt toegepast, wordt ten minste voldaan aan een van de volgende criteria:

  -

er wordt een biologische behandeling met lage belasting toegepast (dat wil zeggen ≤ 0,25 kg CZV/kg organische droge stof van het slib).

Dat impliceert een BOD5-niveau in het effluent van ≤ 20 mg/l;

  - er wordt nitrificatie toegepast.
-

voorwaarde C: het influent naar de laatste afvalwaterbehandeling heeft de volgende kenmerken: TOC > 2 g/l (of CZV > 6 g/l) als jaargemiddelde en een hoog gehalte aan moeilijk afbreekbare organische verbindingen.

(4)   In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan bepaald worden dat de emissiegrenswaarde niet van toepassing is als de belangrijkste verontreinigingsbelasting afkomstig is van de productie van methylcellulose.

(5)   In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan bepaald worden dat de emissiegrenswaarde niet van toepassing is als de belangrijkste verontreinigingsbelasting afkomstig is van de productie van natriumcarbonaat via het Solvayproces of van de productie van titaandioxide.

(6)   De emissiegrenswaarde is niet van toepassing voor installaties zonder biologische afvalwaterbehandeling.

(7)   In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan van de emissiegrenswaarde afgeweken worden tot die maximaal 40

mg/l bedraagt, als de doeltreffendheid van de emissievermindering ≥ 70% bedraagt

als jaargemiddelde, inclusief voorbehandeling en eindbehandeling.

(8)   In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan bepaald worden dat de emissiegrenswaarde niet van toepassing is als de belangrijkste verontreinigingsbelasting afkomstig is van de productie van gejodeerde röntgencontrastmiddelen door de grote hoeveelheid moeilijk afbreekbare belastingen, of door de productie van propyleenoxide of epichloorhydrine via het chloorhydrineproces als gevolg van de hoge belastingen.

(9)   In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan bepaald worden dat de emissiegrenswaarde niet van toepassing is als de belangrijkste verontreinigingsbelasting afkomstig is van de productie van anorganische verbindingen van zware metalen.

(10)   In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan bepaald worden dat de emissiegrenswaarde niet van toepassing is als de belangrijkste verontreinigingsbelasting afkomstig is van de verwerking van grote hoeveelheden vaste anorganische grondstoffen die zijn verontreinigd met metalen. 

(11) In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan bepaald worden dat de emissiegrenswaarde niet van toepassing is als de belangrijkste verontreinigingsbelasting afkomstig is van de productie van organische chroomverbindingen.

(12) In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan bepaald worden dat de emissiegrenswaarde niet van toepassing is als de belangrijkste verontreinigingsbelasting afkomstig is van de productie van vinylchloridemonomeer/ethyleendichloride via het oxychloreringsproces.

(13) In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan bepaald worden dat de emissiegrenswaarde niet van toepassing is als de belangrijkste verontreinigingsbelasting afkomstig is van de productie van viscosevezels.

 

De emissiegrenswaarden, vermeld in het eerste lid, zijn van toepassing als de emissies die afkomstig zijn van:

de inrichtingen, vermeld in rubriek 5.5 en 7.11 van de indelingslijst van titel II van het VLAREM;
de inrichtingen, vermeld in rubriek 3.6.7 van de indelingslijst van titel II van het VLAREM, als de belangrijkste verontreinigingsbelasting van het afvalwater dat behandeld wordt, afkomstig is van een of meer installaties waarin een of meer activiteiten die onder de toepassing van rubriek 7.11 van de indelingslijst van titel II van het VLAREM vallen, worden uitgevoerd;
de gecombineerde behandeling van afvalwater van verschillende herkomst, als de belangrijkste verontreinigingsbelasting afkomstig is van een of meer activiteiten die onder de toepassing van rubriek 7.11 van de indelingslijst van titel II van het VLAREM vallen.

 

In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan met toepassing van de bepalingen, vermeld in punt 3.4 van de BBT- conclusies voor de gemeenschappelijke behandeling en het gemeenschappelijke beheer van afvalwaterstromen, en afgasstromen in de chemiesector, worden afgeweken van de emissiegrenswaarden, vermeld in het eerste lid.

 

De monitoring geassocieerd met de emissiegrenswaarden in de bovenstaande tabel wordt vermeld in artikel 3.9.3.2.


Afdeling 3.9.4.
Luchtemissies


Art. 3.9.4.1.

Diffuse VOS-emissies naar lucht worden periodiek gemonitord door een geschikte combinatie van de volgende technieken toe te passen:

een meet- en beheersprogramma als vermeld in afdeling 4.4.6 van titel II van het VLAREM.;
de optische beeldvorming van gas, met behulp van een IR-camera, vermeld in subafdeling 5.17.4.5 van titel II van het VLAREM.;
berekeningen van emissies van relevante bronnen op basis van emissiefactoren die periodiek worden gevalideerd door metingen, zoals vermeld in de desbetreffende CEN-normen.

 

Als de totaal berekende diffuse VOS-emissies van de inrichting meer dan 20 ton per jaar bedragen, worden alle technieken, vermeld in het eerste lid, toegepast. In dat geval zijn differentiële absorptielichtdetectie en -peiling (DIAL) of “solar occultation flux” (SOL) nuttige aanvullende technieken op de technieken, vermeld in het eerste lid.


Art. 3.9.4.2. Diffuse VOS-emissies naar lucht worden voorkomen of, als dat niet haalbaar is, beperkt door gebruik te maken van een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 19 van de BBT-conclusies voor de gemeenschappelijke behandeling en het gemeenschappelijke beheer van afvalwaterstromen, en afgasstromen in de chemiesector.

Art. 3.9.4.3. De terugwinning van verbindingen en de vermindering van emissies naar lucht worden bewerkstelligd door emissiebronnen te omhullen en emissies te behandelen, tenzij dat omwille van bereikbaarheid door de toegang tot apparatuur, veiligheid door het vermijden van concentraties die de laagste explosiegrenswaarde benaderen, of gezondheid als de bediener toegang moet hebben tot de omhulde ruimte, niet mogelijk is.

Art. 3.9.4.4.

Emissies naar lucht worden verminderd door een geïntegreerde strategie voor afgasbeheer en -behandeling toe te passen, gebaseerd op het overzicht van de afgasstromen, vermeld in artikel 3.9.2.2, die procesgeïntegreerde technieken en afgasbehandelingstechnieken omvat.


Art. 3.9.4.5. Emissies naar lucht, afkomstig van fakkels, worden beperkt door affakkeling uitsluitend toe te passen om veiligheidsredenen of bij andere dan normale bedrijfsomstandigheden door gebruik te maken van een of beide van de technieken, vermeld in BBT 17 van de BBT-conclusies voor de gemeenschappelijke behandeling en het gemeenschappelijke beheer van afvalwaterstromen, en afgasstromen in de chemiesector.

Art. 3.9.4.6. Emissies naar lucht, afkomstig van fakkels, worden, als affakkelen onvermijdelijk is, beperkt door gebruik te maken van een of beide van de technieken, vermeld in BBT 18 van de BBT-conclusies voor de gemeenschappelijke behandeling en het gemeenschappelijke beheer van afvalwaterstromen, en afgasstromen in de chemiesector.

Afdeling 3.9.5.
Geur


Art. 3.9.5.1. Geuremissies, afkomstig van afvalwaterverzameling en -behandeling en van slibbehandeling, worden voorkomen of, als dat niet mogelijk is, beperkt door gebruik te maken van een of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 21 van de BBT- conclusies voor de gemeenschappelijke behandeling en het gemeenschappelijke beheer van afvalwaterstromen, en afgasstromen in de chemiesector.

Afdeling 3.9.6.
Geluid


Art. 3.9.6.1. Geluidsemissies worden voorkomen of, als dat niet mogelijk is, beperkt door gebruik te maken van een of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 23 van de BBT-conclusies voor de gemeenschappelijke behandeling en het gemeenschappelijke beheer van afvalwaterstromen, en afgasstromen in de chemiesector.

Afdeling 3.9.7.
Afval


Art. 3.9.7.1.

Afval dat ter verwerking moet worden afgevoerd, wordt maximaal voorkomen of, als dat niet mogelijk is, beperkt door een afvalbeheersplan op te stellen en uit te voeren als onderdeel van het milieubeheersysteem, vermeld in artikel 3.9.2.1. Dat afvalbeheersplan garandeert, in volgorde van prioriteit, dat afval wordt voorkomen, behandeld voor hergebruik, gerecycleerd of op een andere wijze wordt teruggewonnen.


Art. 3.9.7.2. De hoeveelheid afvalwaterslib dat verder moet worden behandeld of moet worden verwijderd, wordt voorkomen en het potentiële milieueffect ervan wordt beperkt door gebruik te maken van een of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 14 van de BBT-conclusies voor de gemeenschappelijke behandeling en het gemeenschappelijke beheer van afvalwaterstromen, en afgasstromen in de chemiesector.

Hoofdstuk 3.10.
Non-ferrometaalindustrie


Afdeling 3.10.1.
Toepassingsgebied en definities


Art. 3.10.1.1.

§1. Dit hoofdstuk is van toepassing op de inrichtingen, vermeld in rubriek 20.2.1, 20.2.4.a.3, 20.2.4.b.3, 20.2.5 en 20.3.7 van de indelingslijst. Bestaande installaties, als vermeld in artikel 3.10.1.2, 2°, voldoen uiterlijk op 30 juni 2020 aan dit hoofdstuk.

 

De overeenkomstige GPBV-activiteiten zijn de activiteiten, vermeld in punt 2.1, 2.5   en 6.8, van bijlage 1, die bij dit besluit is gevoegd.

 

§2. Het toepassingsgebied van dit hoofdstuk omvat de volgende processen:

de primaire en secundaire productie van non-ferrometalen;

de productie van zinkoxide uit dampen tijdens de productie van andere metalen; 

de productie van nikkelverbindingen uit residulogen tijdens de productie van een metaal;

de productie van calciumsilicium en silicium in dezelfde oven als de oven voor de productie van ferrosilicium;
de productie van aluminiumoxide uit bauxiet voorafgaand aan de productie van primair aluminium, als dat integraal deel uitmaakt van de productie van het metaal;
de recyclage van aluminiumzoutslakken;
de productie van koolstof- of grafietelektroden.

 

§3. De bepalingen, vermeld in paragraaf 1, hebben geen betrekking op de volgende activiteiten en processen:

sinteren van metaalerts;
de productie van zwavelzuur op basis van SO2-gassen, afkomstig van de productie van non-ferrometalen;
gieterijen als vermeld in rubriek 20.2.4.a.3 en 20.2.4.b.3 van de indelingslijst, die worden behandeld in het referencedocument on Best Available Techniques in the Smitheries and Foundries Industry, gepubliceerd door de Europese Commissie in mei 2005.

     


Art. 3.10.1.2.

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

nieuwe installatie: een installatie die voor het eerst wordt vergund op het terrein van de installatie na 30 juni 2016, of een volledige vervanging van een installatie op bestaande funderingen na 30 juni 2016;
bestaande installatie: een installatie die geen nieuwe installatie is;
belangrijke verbetering: een significante wijziging in het ontwerp of de technologie van een installatie, met grote aanpassingen of de vervanging van de verwerkingseenheden en bijbehorende apparatuur;
primaire productie: de productie van metalen met gebruik van erts en concentraten;
secundaire productie: de productie van metalen met gebruik van residuen of schroot, met inbegrip van omsmeltings- en legeringsprocessen;
vluchtige organische stof, afgekort VOS: een organische verbinding, alsook de fractie creosoot die bij 293,15 K een dampspanning van 0,01 kPa of meer heeft of onder de specifieke gebruiksomstandigheden een vergelijkbare vluchtigheid heeft;
andere non-ferrometalen: de productie van andere non-ferrometalen dan de non- ferrometalen, vermeld in afdeling 3.10.3 tot en met 3.10.9;
BBT-conclusies voor de non-ferrometaalindustrie: de BBT-conclusies voor de non- ferrometaalindustrie, opgenomen in de bijlage bij het uitvoeringsbesluit (EU) 2016/1032 van de Commissie van 13 juni 2016 tot vaststelling van de BBT- conclusies (beste beschikbare technieken) op grond van Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad, voor de non-ferrometaalindustrie.

 

 


Afdeling 3.10.2.
Algemene bepalingen


Subafdeling 3.10.2.1.
Toepasbaarheid


Art. 3.10.2.1.1.

De processpecifieke bepalingen, vermeld in afdeling 3.10.3 tot en met 3.10.11, zijn van toepassing naast de algemene bepalingen die in deze afdeling beschreven worden.


Art. 3.10.2.1.2.

Met toepassing van de bepalingenover de toepasbaarheid, vermeld in voetnoot 7 van BBT 10 en in BBT 15, 24, 62, 63, 70, 72, 76, 105 en 152 van de BBT- conclusies voor de non-ferrometaalindustrie, kan er in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit worden afgeweken van artikel 3.10.2.6.2, 3.10.3.3.2, 3.10.4.2.5, 3.10.4.2.6, 3.10.4.3.6, 3.10.4.3.9, 3.10.4.4.3, 3.10.5.4.2, 3.10.8.1.3 en 3.10.11.1.1 van dit besluit.


Subafdeling 3.10.2.2.
Milieubeheersysteem


Art. 3.10.2.2.1.

Voor het verbeteren van de totale milieuprestatie van de non-ferro metaalindustrie wordt een milieubeheersysteem ingevoerd en nageleefd dat al de volgende elementen omvat:

 

betrokkenheid van het gehele management;
uitwerking van een milieubeleid door het management dat de continue verbetering van de installatie omvat;
planning en vaststelling van de noodzakelijke procedures, doelstellingen en streefcijfers, samen met de financiële planning en investeringen;
uitvoeren van procedures, met bijzondere aandacht voor:
  a) bedrijfsorganisatie en verdeling van verantwoordelijkheid;
  b) aanwerving, opleiding, bewustmaking en bekwaamheid;
  c) communicatie;
  d) betrokkenheid van de werknemers;
  e) documentatie;
  f) efficiënte procescontrole;
  g) onderhoudsprogramma's;
  h) paraatheid bij noodsituaties en rampenplannen;
  i) waarborgen van de naleving van de milieuwetgeving;
controle van de uitvoering van het milieubeheersysteem en het nemen van corrigerende maatregelen, met bijzondere aandacht voor:
  a) monitoring en meting;
  b) corrigerende en preventieve maatregelen;
  c) bijhouden van gegevens;
  d) interne en externe audits, voor zover mogelijk onafhankelijk, om te bepalen of het milieubeheersysteem voldoet aan de voorgenomen regelingen en of het op de juiste wijze wordt uitgevoerd en gehandhaafd;
evaluatie van het milieubeheersysteem en de continue controle door het management van de geschiktheid, adequaatheid en doeltreffendheid;
volgen van de ontwikkelingen op het vlak van schonere technologieën;
bij de ontwerpfase van een nieuwe installatie rekening houden met de milieueffecten ervan tijdens de volledige levensduur en de latere ontmanteling;
uitvoeren van benchmarkonderzoek in de bedrijfstak op regelmatige basis.
10° de opstelling en uitvoering van een actieplan over de diffuse stofemissies als vermeld in artikel 3.10.2.5.2;
11° de toepassing van een onderhoudsbeheersysteem dat specifiek is toegespitst op de prestaties van stofbestrijdingssystemen vermeld in artikel 3.10.2.4.2.

 


Subafdeling 3.10.2.3.
Energiebeheer


Art. 3.10.2.3.1. Energie wordt efficiënt gebruikt door de toepassing van een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 2 van de BBT-conclusies voor de non- ferrometaalindustrie.

Subafdeling 3.10.2.4.
Processturing


Art. 3.10.2.4.1. Om de totale milieuprestaties te verbeteren, wordt een stabiel proces gewaarborgd door middel van een procesbesturingssysteem, samen met de toepassing van een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 3 van de BBT-conclusies voor de non-ferrometaalindustrie.

Art. 3.10.2.4.2.

De geleide stof- en metaalemissies naar de lucht worden beperkt door de toepassing van een onderhoudsbeheersysteem dat specifiek gericht is op de prestaties van stofbestrijdingssystemen als onderdeel van het milieubeheersysteem, vermeld in artikel 3.10.2.2.1.


Subafdeling 3.10.2.5.
Luchtemissies


Art. 3.10.2.5.1. De diffuse emissies naar de lucht en in het water worden voorkomen of, als dat niet haalbaar is, beperkt door de diffuse emissies zo veel mogelijk en zo dicht mogelijk bij de bron op te vangen en te behandelen.

Art. 3.10.2.5.2.

De diffuse stofemissies naar de lucht worden voorkomen of, als dat niet haalbaar is, beperkt door als onderdeel van het milieubeheersysteem, vermeld in artikel 3.10.2.2.1, een actieplan voor diffuse stofemissies op te stellen en uit te voeren dat de volgende twee maatregelen omvat:

de identificatie van de meest relevante bronnen van diffuse stofemissies;
de bepaling en uitvoering van passende acties en technieken om binnen een bepaalde periode diffuse emissies te voorkomen of te beperken.

  


Art. 3.10.2.5.3. De diffuse emissies naar de lucht, afkomstig van de opslag van grondstoffen, worden voorkomen door de toepassing van een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 7 van de BBT-conclusies voor de non-ferrometaalindustrie.

Art. 3.10.2.5.4. De diffuse emissies naar de lucht, afkomstig van het overslaan en het vervoer van grondstoffen, worden voorkomen door de toepassing van een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 8 van de BBT-conclusies voor de non- ferrometaalindustrie.

Art. 3.10.2.5.5. De diffuse emissies naar de lucht, afkomstig van de metaalproductie, worden voorkomen of, als dat niet haalbaar is, beperkt door de efficiëntie van de afgasopvang en -behandeling te optimaliseren door de toepassing van een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 9 van de BBT-conclusies voor de non- ferrometaalindustrie.

Art. 3.10.2.5.6.

Tenzij het anders is vermeld in dit hoofdstuk, worden de middelingstijden voor emissies naar de lucht als volgt bepaald:

daggemiddelde: het gemiddelde over een periode van 24 uur op basis van geldige halfuur- of uurgemiddelden uit continue metingen;
gemiddelde over de bemonsteringsperiode: de gemiddelde waarde van drie opeenvolgende metingen van ten minste dertig minuten elk. Voor batchprocessen kan het gemiddelde van een representatief aantal metingen dat is genomen over de totale ladingstijd, of het resultaat van een meting die is uitgevoerd over de totale ladingstijd, gebruikt worden.

 

 


Art. 3.10.2.5.7.

De monitoring van emissies in de lucht wordt verricht conform de meetmethoden, vermeld in bijlage 4.4.2 bij titel II van het VLAREM. Als er geen meetmethoden worden vermeld, worden de CEN-normen gevolgd. Als er geen CEN- normen bestaan, worden de ISO-normen, de nationale normen of andere internationale normen toegepast die gegevens van een gelijkwaardige wetenschappelijke kwaliteit opleveren.


Art. 3.10.2.5.8.

Parameters waarvan de emissies naar de lucht conform dit hoofdstuk gemonitord moeten worden en waarvan de emissie de massastroom, vermeld in bijlage 4.4.3 van titel II van het VLAREM, niet overschrijdt, worden minstens één keer per jaar gemeten, tenzij het anders bepaald is in dit hoofdstuk.


Art. 3.10.2.5.9. Voor bronnen met een debiet van minder dan 10.000 Nm³/h van stofemissies, afkomstig van de opslag en overslag van grondstoffen, kan de monitoring worden gebaseerd op de meting van vervangende parameters.

Art. 3.10.2.5.10.

Voor kwikemissies naar de lucht van een pyrometallurgisch proces waarbij kwikhoudende grondstoffen worden gebruikt, zijn de volgende emissiegrenswaarden van toepassing:

 

parameter

proces

emissiegrenswaarde (mg/Nm³)

kwik en zijn verbindingen, uitgedrukt als Hg

overig

0,05

gebruik van adsorptiemiddelen in combinatie met een doekfilter, behalve voor processen waarbij Waelzovens worden

gebruikt

0,03


Art. 3.10.2.5.11.

De NOX-emissies naar de lucht, afkomstig van een pyrometallurgisch proces, worden voorkomen door de toepassing van een van de technieken, vermeld in BBT 13 van de BBT-conclusies voor de non-ferrometaalindustrie.

 

De concentratie van de NOx-emissies, uitgedrukt als NO2, naar de lucht, vermeld in het eerste lid, wordt gemeten.


Subafdeling 3.10.2.6.
Water en afvalwater


Art. 3.10.2.6.1. De productie van afvalwater wordt voorkomen of beperkt door de toepassing van één of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 14 van de BBT- conclusies voor de non-ferrometaalindustrie.

Art. 3.10.2.6.2. Niet-verontreinigde waterstromen worden gescheiden van afvalwaterstromen die moeten worden behandeld.

Art. 3.10.2.6.3.

De monitoring van emissies in water wordt verricht overeenkomstig de meetmethoden, vermeld in artikel 4, §1, van bijlage 4.2.5.2 bij titel II van het VLAREM. Als er geen meetmethoden worden vermeld, worden de CEN-normen gevolgd. Als er geen CEN-normen bestaan, worden de ISO-normen, de nationale normen of andere internationale normen toegepast die gegevens van een gelijkwaardige wetenschappelijke kwaliteit opleveren.


Art. 3.10.2.6.4. De emissies via het afvalwater worden beperkt door de lekken, afkomstig van de opslag van vloeistoffen, en het afvalwater, afkomstig van de productie van non- ferrometalen, met inbegrip van het afvalwater, afkomstig van de wasfase in het proces met een Waelzoven, te behandelen en metalen en sulfaten te verwijderen door de toepassing van een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 17 van de BBT- conclusies voor de non-ferrometaalindustrie.

Subafdeling 3.10.2.7.
Geluid en geuremissies


Art. 3.10.2.7.1. De geluidsemissies worden beperkt door de toepassing van één of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 18 van de BBT-conclusies voor de non- ferrometaalindustrie.

Art. 3.10.2.7.2. De geuremissies worden beperkt door de toepassing van één of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 19 van de BBT-conclusies voor de non- ferrometaalindustrie.

Afdeling 3.10.3.
Koperproductie


Subafdeling 3.10.3.1.
Secundaire materialen


Art. 3.10.3.1.1.

Het terugwinningsrendement van secundaire materialen uit schroot wordt verhoogd door niet-metallische bestanddelen en andere metalen dan koper te scheiden door de toepassing van één of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 20 van de BBT-conclusies voor de non-ferrometaalindustrie.

 


Subafdeling 3.10.3.2.
Energie


Art. 3.10.3.2.1. Om bij de productie van primair koper energie efficiënt te gebruiken, wordt één of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 21 van de BBT- conclusies voor de non-ferrometaalindustrie, toegepast.

Art. 3.10.3.2.2. Om bij de productie van secundair koper energie efficiënt te gebruiken, wordt één of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 22 van de BBT- conclusies voor de non-ferrometaalindustrie, toegepast.

Art. 3.10.3.2.3. Om bij de elektrolytische raffinage en elektrolytische winning energie efficiënt te gebruiken, wordt een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 23 van de BBT-conclusies voor de non-ferrometaalindustrie, toegepast.

Subafdeling 3.10.3.3.
Luchtemissies


Art. 3.10.3.3.1. De SO2-emissies naar de lucht, afkomstig van afgassen met een hoog SO2-gehalte, worden beperkt en de productie van afval, afkomstig van het afgasreinigingssysteem, wordt vermeden door zwavel terug te winnen door middel van de productie van zwavelzuur of vloeibaar SO2.

Art. 3.10.3.3.2.

Bij de productie van primair koper worden de secundaire emissies naar de lucht, afkomstig van ovens en hulpinrichtingen, beperkt en worden de prestaties van het zuiveringssysteem geoptimaliseerd door secundaire emissies op te vangen, te mengen en te behandelen in een gecentraliseerd afgasreinigingssysteem.

 

Er worden geen stromen gemengd die chemisch niet compatibel zijn en ongewenste chemische reacties tussen de verschillende opgevangen stromen worden vermeden.

 

In het eerste lid wordt verstaan onder secundaire emissies: emissies die vrijkomen uit de ovenbekleding of tijdens werkzaamheden, zoals laden of aftappen, en die met een afzuigkap of omkastingen worden opgevangen.


Art. 3.10.3.3.3. De diffuse emissies naar de lucht, afkomstig van de voorbehandeling van primaire en secundaire materialen, worden voorkomen of beperkt door de toepassing van één of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 25 van de BBT-conclusies voor de non-ferrometaalindustrie.

Art. 3.10.3.3.4. De diffuse emissies naar de lucht, afkomstig van laad-, smelt- en aftapwerkzaamheden in smelters voor primair en secundair koper en afkomstig van warmhoud- en smeltovens, worden voorkomen of beperkt door de toepassing van een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 26 van de BBT-conclusies voor de non- ferrometaalindustrie.

Art. 3.10.3.3.5. De diffuse emissies naar de lucht, afkomstig van een Peirce-Smith- convertor bij de productie van primair en secundair koper, worden beperkt door de toepassing van een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 27 van de BBT- conclusies voor de non-ferrometaalindustrie.

Art. 3.10.3.3.6. De diffuse emissies naar de lucht, afkomstig van een Hoboken- convertoroven bij de productie van primair koper, worden beperkt door de toepassing van een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 28 van de BBT-conclusies voor de non-ferrometaalindustrie.

Art. 3.10.3.3.7. De diffuse emissies naar de lucht, afkomstig van de conversie van matte, worden beperkt door bij nieuwe installaties of bij belangrijke verbeteringen van bestaande installaties een flash-convertoroven te gebruiken.

Art. 3.10.3.3.8. De diffuse emissies naar de lucht, afkomstig van een TBRC-oven bij de productie van secundair koper, worden beperkt door de toepassing van een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 30 van de BBT-conclusies voor de non- ferrometaalindustrie.

Art. 3.10.3.3.9.

De diffuse emissies naar de lucht, afkomstig van de terugwinning van koper met een slakkenconcentrator, worden beperkt door de toepassing van al de volgende technieken:

stofbestrijdingstechnieken voor de opslag, de overslag en het breken van slakken;
malen en flotatie, uitgevoerd met water;
verplaatsing van slakken naar de uiteindelijke opslagruimte via hydrotransport in een gesloten pijpleiding;
behoud van een waterlaag in de vijver of gebruik van een stofbestrijdingsmiddel in droge gebieden.

 

 


Art. 3.10.3.3.10. De diffuse emissies naar de lucht, afkomstig van de ovenbehandeling van slakken met een hoog kopergehalte, worden beperkt door de toepassing van een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 32 van de BBT-conclusies voor de non- ferrometaalindustrie.

Art. 3.10.3.3.11. De diffuse emissies naar de lucht, afkomstig van het gieten van anoden bij de productie van primair en secundair koper, worden beperkt door de toepassing van één of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 33 van de BBT-conclusies voor de non-ferrometaalindustrie.

Art. 3.10.3.3.12. De diffuse emissies naar de lucht, afkomstig van de elektrolysecellen, worden beperkt door de toepassing van één of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 34 van de BBT-conclusies voor de non-ferrometaalindustrie.

Art. 3.10.3.3.13. De diffuse emissies naar de lucht, afkomstig van het gieten van koperlegeringen, worden beperkt door de toepassing van één of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 35 van de BBT-conclusies voor de non-ferrometaalindustrie.

Art. 3.10.3.3.14. De diffuse emissies naar de lucht, afkomstig van alkalisch en zuurbeitsen; worden beperkt door de toepassing van een van de technieken, vermeld in BBT 36 van de BBT-conclusies voor de non-ferrometaalindustrie.

Art. 3.10.3.3.15.

Voor stofemissies naar de lucht, afkomstig van koperproductie, zijn de volgende emissiegrenswaarden van toepassing:

 

parameter proces opmerking emissiegrenswaarde (mg/Nm³)
stof

ontvangen, opslaan, overslaan, vervoeren, doseren, mengen, samenvoegen, breken, drogen, versnijden en screenen van grondstoffen, en de pyrolytische behandeling van koperdraaisels bij de productie van primair en secundair koper

  5

als de emissies van zware metalen hoger liggen dan de volgende niveaus: 1 mg/Nm³ voor lood, 1 mg/Nm³ voor koper, 0,05 mg/Nm³ voor

arseen, 0,05 mg/Nm³ voor cadmium

3,5

drogen van concentraten bij de productie van primair koper

  5

als de emissies van zware metalen hoger liggen dan de volgende niveaus: 1 mg/Nm³ voor lood, 1 mg/Nm³ voor koper, 0,05 mg/Nm³ voor

arseen, 0,05 mg/Nm³ voor cadmium

4
smelter en convertor voor primair koper (andere emissies dan die welke naar de zwavelzuur- of vloeibaar-SO2-installatie of elektriciteitscentrale worden geleid)   5

als de emissies van zware metalen hoger liggen dan de volgende niveaus: 1 mg/Nm³ voor lood, 1 mg/Nm³ voor koper, 0,05 mg/Nm³ voor

arseen, 0,05 mg/Nm³ voor cadmium
3,5
    4
smelter en convertor voor secundair koper en verwerking van secundaire intermediaire koperproducten (andere emissies dan die welke naar de zwavelzuurinstallatie worden geleid)

als de emissies van zware metalen hoger liggen dan de volgende niveaus: 1 mg/Nm³ voor lood, 1 mg/Nm³ voor koper, 0,05 mg/Nm³ voor

arseen, 0,05 mg/Nm³ voor cadmium
3
warmhoudoven voor secundair koper   5
    5
ovenverwerking van slakken met een hoog kopergehalte

als de emissies van

lood hoger liggen dan 1 mg/Nm³
3,5
    5
anodeoven (bij de productie van primair en secundair koper)

als de emissies van zware metalen hoger liggen dan de

volgende niveaus: 1 mg/Nm³ voor lood, 1 mg/Nm³ voor koper, 0,05 mg/Nm³ voor arseen, 0,05 mg/Nm³ voor cadmium
3,5

gieten van anoden (bij de

productie van primair en

secundair koper) 

  10
kopersmeltoven   5
als de emissies van koper hoger liggen dan 1 mg/Nm³ 3,5

 

 

In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan van de emissiegrenswaarde voor stof, afkomstig van het drogen van concentraten bij de productie van primair koper, vermeld in het eerste lid, afgeweken worden als de gebruikte concentraten een gehalte van meer dan 10 volumeprocent organische koolstof hebben, met een maximum van 10 mg/Nm³.

 

De concentratie van de emissies naar de lucht van stof, afkomstig van de smelter en convertor voor primair koper (andere emissies dan die welke naar de zwavelzuur- of vloeibaar-SO2-installatie of elektriciteitscentrale worden geleid), vermeld in het eerste lid, wordt continu gemeten.

 

De concentratie van de emissies naar de lucht van arseen en zijn verbindingen, cadmium en zijn verbindingen, koper en zijn verbindingen, lood en zijn verbindingen en andere metalen, afhankelijk van de samenstelling van de gebruikte grondstoffen, afkomstig van de processen, vermeld in het eerste lid, wordt één keer per jaar gemeten.

 

De dampen, nevels en afgassen voor de processen ontvangen, opslaan, overslaan, vervoeren, doseren, mengen, samenvoegen, breken, drogen, versnijden en screenen van grondstoffen, en de pyrolytische behandeling van koperdraaisels bij de productie van primair en secundair koper, vermeld in het eerste lid, worden opgevangen op de plaats waar ze ontstaan, en ze worden naar een afgasbehandelingsinstallatie geleid.


Art. 3.10.3.3.16.

Voor de emissies naar de lucht van totaal organische koolstof van de pyrolytische behandeling van koperdraaisels en het drogen, gieten en smelten van secundaire grondstoffen zijn de volgende emissiegrenswaarden van toepassing:

 

parameter

proces

emissiegrenswaarde (mg/Nm³)

totaal organische koolstof

overig

30

gebruik van een regeneratieve naverbrander

5

 

De concentratie van de emissies van totaal organische koolstof naar de lucht wordt jaarlijks gemeten.


Art. 3.10.3.3.17.

De emissies van organische verbindingen naar de lucht, afkomstig van de extractie met oplosmiddelen in de hydrometallurgische koperproductie, worden beperkt door de VOS-emissies jaarlijks te bepalen en door de toepassing van de volgende twee technieken:

procesreagentia (oplosmiddelen) met lagere stoomdruk;
gesloten apparatuur.

        


Art. 3.10.3.3.18.

Voor de pyrolytische behandeling van koperdraaisels en het smelten, thermisch raffineren en converteren bij de productie van secundair koper is voor de parameter dioxinen en furanen een emissiegrenswaarde van 0,1 ng I-TEQ/Nm³ van toepassing.

 

De emissies van dioxinen en furanen naar de lucht, vermeld in het eerste lid, worden gemeten conform artikel 5.29.0.6, §1, derde lid, van titel II, van het VLAREM met een frequentie als vermeld in artikel 5.29.0.6, §1, vijfde lid, van titel II, van het VLAREM.


Art. 3.10.3.3.19.

Voor SO2-emissies naar de lucht, andere dan die welke naar een elektriciteitscentrale worden geleid, zijn de volgende emissiegrenswaarden van toepassing:

 

parameter

proces

emissiegrenswaarde (mg/Nm³)

SO2

productie van primair koper

natte gaswasser of

concentraat met laag zwavelgehalte

350

overig

500

productie van secundair koper

 

300

 


Art. 3.10.3.20.

De emissies van zure gassen naar de lucht, afkomstig van uitlaatgassen uit de cellen voor elektrolytische winning, cellen voor elektrolytische raffinage, de waskamer van de kathodestripmachine en de wasmachine voor anoderesten, worden beperkt door de toepassing van een techniek, vermeld in BBT 50 van de BBT-conclusies voor de non-ferrometaalindustrie.

 

De concentratie van de zwavelzuuremissies naar de lucht, afkomstig van de processen, vermeld in het eerste lid, wordt jaarlijks gemeten.


Subafdeling 3.10.3.4.
Bodem en grondwater


Art. 3.10.3.4.1. De verontreiniging van bodem en grondwater als gevolg van de terugwinning van koper in de slakkenconcentrator wordt voorkomen door een drainagesysteem in koelruimten toe te passen en door de opslagplaats voor eindslakken om overtollig water te verzamelen en lekken te voorkomen, correct te ontwerpen.

Art. 3.10.3.4.2. De verontreiniging van bodem en grondwater als gevolg van de elektrolyse bij de productie van primair en secundair koper wordt voorkomen door de toepassing van een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 52 van de BBT- conclusies voor de non-ferrometaalindustrie.

Subafdeling 3.10.3.5.
Water en afvalwater


Art. 3.10.3.5.1.

De volgende emissiegrenswaarden zijn van toepassing op de lozing van afvalwater:

 

parameter

emissiegrenswaarde (mg/l)

totaal arseen

0,1

totaal cadmium

0,02

totaal koper

0,5

totaal kwik

0,005

totaal nikkel

0,2

totaal lood

0,2

totaal zink

1

 

In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan van de emissiegrenswaarde voor arseen, vermeld in het eerste lid, afgeweken worden in geval van een hoog arseengehalte in de totale input van de installatie met een maximum van 0,2 mg/l.

 

De concentratie van de parameters, vermeld in het eerste lid, en bijkomend van de parameters Fe, Sb, Sn en sulfaten wordt maandelijks gemeten.


Art. 3.10.3.5.2. De productie van afvalwater, afkomstig van de productie van primair en secundair koper, wordt voorkomen door de toepassing van één of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 53 van de BBT-conclusies voor de non-ferrometaalindustrie.

Subafdeling 3.10.3.6.
Afval


Art. 3.10.3.6.1. De hoeveelheden afgevoerd afval, afkomstig van de productie van primair en secundair koper, worden beperkt door de werkzaamheden te organiseren met het oog op een eenvoudiger hergebruik van procesresiduen of, als dat niet mogelijk is, de recyclage van procesresiduen, met inbegrip van de toepassing van één of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 54 van de BBT-conclusies voor de non- ferrometaalindustrie.

Afdeling 3.10.4.
Productie van aluminium, met inbegrip van de productie van aluminiumoxide en anoden


Subafdeling 3.10.4.1.
Productie van aluminiumoxide


Art. 3.10.4.1.1. Om bij de productie van aluminiumoxide uit bauxiet energie efficiënt te gebruiken, wordt één of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 55 van de BBT-conclusies voor de non-ferrometaalindustrie, toegepast.

Art. 3.10.4.1.2.

Stof- en metaalemissies naar de lucht, afkomstig van de calcinatie van aluminiumoxide, worden beperkt door de toepassing van een techniek, vermeld in BBT 56 van de BBT-conclusies voor de non-ferrometaalindustrie.

 

De concentratie van de stofemissies naar de lucht, vermeld in het eerste lid, wordt één keer per jaar gemeten.


Art. 3.10.4.1.3. De concentratie in het afvalwater van de parameters zwevende stoffen, Al en andere metalen, afhankelijk van de samenstelling van de gebruikte grondstoffen, wordt maandelijks gemeten.

Art. 3.10.4.1.4.

De hoeveelheden afgevoerd afval worden beperkt en de verwijdering van bauxietresiduen, afkomstig van de productie van aluminiumoxide, wordt verbeterd door de toepassing van één of beide van de technieken, vermeld in BBT 57 van de BBT- conclusies voor de non-ferrometaalindustrie.

 


Subafdeling 3.10.4.2.
Productie van anoden


Art. 3.10.4.2.1.

Voor de geloosde afgassen naar de lucht van een massa-installatie zijn de volgende emissiegrenswaarden van toepassing:

 

parameter

proces

emissiegrenswaarde (mg/Nm³)

stof

- opslag van warm pek en mengen, afkoelen en vormen van massa

- verwijdering van cokesstof, afkomstig van werkzaamheden zoals het opslaan

en malen van cokes

5

benzo(a)pyreen

opslag van warm pek en mengen, afkoelen en vormen van massa

0,01

 

De dampen, nevels en afgassen voor de processen, vermeld in het eerste lid, worden opgevangen op de plaats waar ze ontstaan, en ze worden naar een afgasbehandelingsinstallatie geleid.


Art. 3.10.4.2.2.

De stof-, zwaveldioxide-, polycyclische aromatische koolwaterstoffen- en fluoride-emissies naar de lucht, afkomstig van een bakinstallatie in een installatie voor de productie van anoden die is geïntegreerd in een smelter voor primair aluminium, worden beperkt door de toepassing van één of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 60 van de BBT-conclusies voor de non-ferrometaalindustrie.

 

Voor de geloosde afgassen naar de lucht van een bakinstallatie in een installatie voor de productie van anoden die is geïntegreerd in een smelter voor primair aluminium, zijn de volgende emissiegrenswaarden van toepassing:

 

parameter

emissiegrenswaarde (mg/Nm³)

stof

5

benzo(a)pyreen

0,01

fluor en zijn gasvormige verbindingen, uitgedrukt in HF

0,5

fluoride en zijn verbindingen, uitgedrukt in F

0,8

 

De concentratie van de SO2-emissies naar de lucht, vermeld in het eerste lid, wordt één keer per jaar gemeten.


Art. 3.10.4.2.3.

Voor de geloosde afgassen naar de lucht van een bakinstallatie in een alleenstaande installatie voor de productie van anoden zijn de volgende emissiegrenswaarden van toepassing:

 

parameter

emissiegrenswaarde (mg/Nm³)

stof

5

benzo(a)pyreen

0,01

fluor en zijn gasvormige verbindingen, uitgedrukt in  HF

1

 

De concentratie van de emissies naar de lucht van stof en fluor en zijn gasvormige verbindingen, uitgedrukt in HF, vermeld in het eerste lid, wordt continu gemeten.


Art. 3.10.4.2.4. De concentratie in het afvalwater van de parameters zwevende stoffen, Al en andere metalen, afhankelijk van de samenstelling van de gebruikte grondstoffen, wordt maandelijks gemeten.

Art. 3.10.4.2.5. De productie van afvalwater, afkomstig van het bakken van anoden, wordt beperkt door bij nieuwe installaties of bij belangrijke verbeteringen van bestaande installaties een gesloten watercyclus te gebruiken.

Art. 3.10.4.2.6. De hoeveelheden afgevoerd afval worden beperkt door koolstofdeeltjes uit de cokesfilter te recycleren als een gaswassermedium.

Subafdeling 3.10.4.3.
Productie van primair aluminium


Art. 3.10.4.3.1.

Voor de geleide emissies naar de lucht van de geloosde afgassen, afkomstig van de opslag, het overslaan en het vervoer van grondstoffen, is voor stof een emissiegrenswaarde van 10 mg/Nm³ van toepassing.

 

De dampen, nevels en afgassen voor de processen, vermeld in het eerste lid, worden opgevangen op de plaats waar ze ontstaan, en ze worden naar een afgasbehandelingsinstallatie geleid.


Art. 3.10.4.3.2.

Voor de geleide emissies naar de lucht van de geloosde afgassen, afkomstig van elektrolytische cellen, zijn de volgende emissiegrenswaarden van toepassing:

 

parameter

emissiegrenswaarde (mg/Nm³)

stof

5

fluor en zijn gasvormige verbindingen, uitgedrukt in HF

1

fluoride en zijn verbindingen, uitgedrukt in F

1,5


Art. 3.10.4.3.3.

Voor de totale emissies, dat is de som van de diffuse en de geleide emissies, naar de lucht, afkomstig van de elektrolysehal, verzameld uit de elektrolytische cellen en dakopeningen, zijn de volgende emissiegrenswaarden van toepassing:

 

parameter

emissiegrenswaarde, voortschrijdend jaargemiddelde (kg/t Al)

stof

0,6

fluoride en zijn verbindingen,

uitgedrukt in F

0,35

 

De emissiegrenswaarden, vermeld in het eerste lid, worden uitgedrukt als het voortschrijdend gemiddelde van alle daggemiddelden, genomen binnen een jaar, gewogen op basis van de dagelijkse productie, en uitgedrukt als massa van de verontreinigde stof die is uitgestoten uit de elektrolysehal, gedeeld door de massa vloeibaar aluminium die op dezelfde dag is geproduceerd.


Art. 3.10.4.3.4. Voor de geleide emissies naar de lucht, afkomstig van het smelten, de behandeling van gesmolten metaal en het gieten bij de productie van primair aluminium, is voor stof een emissiegrenswaarde van 10 mg/Nm³ van toepassing.

Art. 3.10.4.3.5.

Voor de geleide emissies naar de lucht van de geloosde afgassen, afkomstig van elektrolytische cellen, zijn voor SO2 de volgende emissiegrenswaarden van toepassing:

parameter

proces

emissiegrenswaarde, voortschrijdend

jaargemiddelde (kg/t Al)

SO2

overig

15

gebruik van een natte gaswasser

2,5

 

De emissiegrenswaarde, vermeld in het eerste lid, wordt uitgedrukt als het voortschrijdend gemiddelde van alle daggemiddelden, genomen binnen een jaar, gewogen op basis van de dagelijkse productie, en uitgedrukt als massa van de verontreinigde stof die is uitgestoten uit de elektrolysehal, gedeeld door de massa vloeibaar aluminium die op dezelfde dag is geproduceerd.

 

Bij het gebruik van zwavelarme anoden kan een massabalans worden gebruikt om de SO2-emissies te berekenen op basis van de meting van het zwavelgehalte van elke verbruikte partij anoden.


Art. 3.10.4.3.6.

De perfluorkoolstofemissies naar de lucht, afkomstig van de productie van primair aluminium, worden beperkt door de toepassing van al de volgende technieken: 

een automatische meerpuntstoevoer van aluminiumoxide;
een computerbesturing van het elektrolyseproces op basis van de database van actieve cellen en monitoring van de bedrijfsparameters van de cellen;
een automatische onderdrukking van het anode-effect.

   


Art. 3.10.4.3.7. De CO- en polycyclische aromatische koolwaterstoffen-emissies naar de lucht, afkomstig van de productie van primair aluminium aan de hand van de Søderberg- technologie, worden beperkt door het CO en de polycyclische aromatische koolwaterstoffen in het uitlaatgas van de cel te verbranden.

Art. 3.10.4.3.8. De concentratie in het afvalwater van de parameters zwevende stoffen, fluoride, Al en andere metalen, afhankelijk van de samenstelling van de gebruikte grondstoffen, wordt maandelijks gemeten.

Art. 3.10.4.3.9.

De productie van afvalwater wordt voorkomen door koelwater, het behandelde afvalwater en het niet-verontreinigde hemelwater te hergebruiken of te recycleren binnen het proces.

 

De hoeveelheid koelwater, gezuiverd afvalwater en hemelwater, die wordt hergebruikt of gerecycleerd, mag niet groter zijn dan de hoeveelheid water die nodig is voor het proces.


Art. 3.10.4.3.10. De verwijdering van verbruikte ovenbekleding wordt beperkt door de werkzaamheden ter plaatse te organiseren met het oog op een eenvoudigere externe recyclage ervan, afhankelijk van de behoeften van de eindconsument.

Subafdeling 3.10.4.4.
Productie van secundair aluminium


Art. 3.10.4.4.1. Het terugwinningsrendement van grondstoffen wordt verhoogd door niet- metallische bestanddelen en andere metalen dan aluminium te scheiden door de toepassing van één of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 74 van de BBT- conclusies voor de non-ferrometaalindustrie, afhankelijk van de bestanddelen van de behandelde materialen.

Art. 3.10.4.4.2. Energie wordt efficiënt gebruikt door de toepassing van één of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 75 van de BBT-conclusies voor de non- ferrometaalindustrie.

Art. 3.10.4.4.3.

De emissies naar de lucht worden voorkomen of beperkt door vóór de smeltfase olie en organische verbindingen uit de spanen te verwijderen door centrifugering, droging of een combinatie van beide technieken.

 

Centrifugering is alleen vóór de droging toepasbaar voor sterk met olie verontreinigde spanen.


Art. 3.10.4.4.4. De diffuse emissies naar de lucht, afkomstig van de voorbehandeling van schroot, worden voorkomen of beperkt door de toepassing van één of beide van de technieken, vermeld in BBT 77 van de BBT-conclusies voor de non-ferrometaalindustrie.

Art. 3.10.4.4.5. De diffuse emissies naar de lucht, afkomstig van het laden en lossen of aftappen van smeltovens, worden voorkomen of beperkt door de toepassing van één of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 78 van de BBT-conclusies voor de non-ferrometaalindustrie.

Art. 3.10.4.4.6. De emissies naar de lucht, afkomstig van de behandeling van schuim of slakken, worden beperkt door de toepassing van één of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 79 van de BBT-conclusies voor de non-ferrometaalindustrie.

Art. 3.10.4.4.7.

Voor stofemissies naar de lucht, afkomstig van het drogen van spanen en de verwijdering van olie en organische verbindingen uit de spanen, afkomstig van het breken, malen en droog scheiden van niet-metallische bestanddelen en andere metalen dan aluminium, en afkomstig van de opslag, het overslaan en het vervoer in de secundaire aluminiumproductie, is voor stof een emissiegrenswaarde van 5 mg/Nm³ van toepassing.

 

De dampen, nevels en afgassen voor de processen, vermeld in het eerste lid, worden opgevangen op de plaats waar ze ontstaan, en ze worden naar een afgasbehandelingsinstallatie geleid.


Art. 3.10.4.4.8. Voor ovenprocessen bij de productie van secundair aluminium is voor stof een emissiegrenswaarde van 5 mg/Nm³ van toepassing.

Art. 3.10.4.4.9.

Voor het omsmelten bij de productie van secundair aluminium is voor stof een emissiegrenswaarde van 5 mg/Nm³ van toepassing.

 

In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan van de emissiegrenswaarde voor stof, afkomstig van het omsmelten bij de productie van secundair aluminium, vermeld in het eerste lid, afgeweken worden voor ovens die zijn ontworpen om alleen niet-verontreinigde grondstoffen te gebruiken, waarvoor stofemissies minder dan 1 kg/h bedragen, met een maximum van 10 mg/Nm³.


Art. 3.10.4.4.10.

Voor emissies naar de lucht, afkomstig van de thermische behandeling van verontreinigde secundaire grondstoffen en afkomstig van de smeltoven, zijn de volgende emissiegrenswaarden van toepassing:

 

parameter

emissiegrenswaarde

totaal organische koolstof

30 mg/Nm³

dioxinen en furanen

0,1 ng I-TEQ/Nm³

 

De emissies van dioxinen en furanen naar de lucht, vermeld in het eerste lid, worden gemeten conform artikel 5.29.0.6, §1, derde lid, van titel II, van het VLAREM met een frequentie als vermeld in artikel 5.29.0.6, §1, vijfde lid, van titel II, van het VLAREM.

 

De concentratie van de emissie van totaal organische koolstof naar de lucht, vermeld in het eerste lid, wordt jaarlijks gemeten.


Art. 3.10.4.4.11.

Voor emissies naar de lucht, afkomstig van de thermische behandeling van verontreinigde secundaire grondstoffen, de smeltoven, het omsmelten en de behandeling van gesmolten metaal, zijn de volgende emissiegrenswaarden van toepassing:

 

parameter

emissiegrenswaarde (mg/Nm³)

gasvormige anorganische chloorverbindingen, chloorcyaan niet inbegrepen, uitgedrukt als HCl

10

chloor, uitgedrukt als Cl2

1

fluor en zijn gasvormige verbindingen, uitgedrukt in HF

1

 

Voor de emissies van gasvormige anorganische chloorverbindingen, chloorcyaan niet inbegrepen, uitgedrukt als HCl en chloor, uitgedrukt als Cl2, vermeld in het eerste lid, afkomstig van de raffinage die is uitgevoerd met chloorhoudende chemicaliën, verwijst de emissiegrenswaarde naar de gemiddelde concentratie tijdens de duur van de chlorering.

 

De emissiegrenswaarde voor chloor, uitgedrukt als Cl2, vermeld in het eerste lid, is alleen toepasbaar voor emissies, afkomstig van het raffinageproces dat is uitgevoerd met chloorhoudende chemicaliën.


Art. 3.10.4.4.12. De concentratie in het afvalwater van de parameters zwevende stoffen, Al en andere metalen, afhankelijk van de samenstelling van de gebruikte grondstoffen, wordt maandelijks gemeten.

Art. 3.10.4.4.13. De hoeveelheden afgevoerd afval, afkomstig van de productie van secundair aluminium, worden beperkt door de werkzaamheden ter plaatse te organiseren met het oog op een eenvoudiger hergebruik van procesresiduen of, als dat niet mogelijk is, de recyclage van procesresiduen, met inbegrip van de toepassing van één of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 85 van de BBT-conclusies voor de non- ferrometaalindustrie.

Art. 3.10.4.4.14. De hoeveelheden zoutslakken, afkomstig van de productie van secundair aluminium, worden beperkt door de toepassing van één of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 86 van de BBT-conclusies voor de non- ferrometaalindustrie.

Subafdeling 3.10.4.5.
Recyclageproces voor zoutslakken


Art. 3.10.4.5.1. De diffuse emissies naar de lucht, afkomstig van de recyclage van zoutslakken, worden voorkomen of beperkt door de toepassing van één of beide van de technieken, vermeld in BBT 87 van de BBT-conclusies voor de non-ferrometaalindustrie.

Art. 3.10.4.5.2. Voor het breken en droog malen in het kader van de terugwinning van zoutslakken is voor stof een emissiegrenswaarde van 5 mg/Nm³ van toepassing.

Art. 3.10.4.5.3.

Voor gasvormige emissies naar de lucht, afkomstig van het nat malen en uitlogen in het kader van de terugwinning van zoutslakken, zijn de volgende emissiegrenswaarden van toepassing:

 

parameter

emissiegrenswaarde (mg/Nm³)

NH3

10

fosforwaterstof

0,5

zwavelwaterstof

2

 

De concentratie van de NH3-emissies naar de lucht, vermeld in het eerste lid, wordt jaarlijks gemeten.

 

De dampen, nevels en afgassen voor de processen, vermeld in het eerste lid, worden opgevangen op de plaats waar ze ontstaan, en ze worden naar een afgasbehandelingsinstallatie geleid.


Art. 3.10.4.5.4. De concentratie in het afvalwater van de parameters zwevende stoffen, Al en andere metalen, afhankelijk van de samenstelling van de gebruikte grondstoffen, wordt maandelijks gemeten.

Afdeling 3.10.5.
Lood- of tinproductie


Subafdeling 3.10.5.1.
Luchtemissies


Art. 3.10.5.1.1. De SO2-emissies naar de lucht, afkomstig van afgassen met een hoog SO2-gehalte, worden beperkt en de productie van afval, afkomstig van het afgasreinigingssysteem, wordt vermeden bij de productie van lood door zwavel terug te winnen door middel van de productie van zwavelzuur of vloeibaar SO2.

Art. 3.10.5.1. De diffuse emissies naar de lucht, afkomstig van de voorbereiding van primaire en secundaire materialen, met uitzondering van batterijen, worden voorkomen of beperkt door de toepassing van één of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 90 van de BBT-conclusies voor de non-ferrometaalindustrie.

Art. 3.10.5.1.3. De diffuse emissies naar de lucht, afkomstig van de voorbehandeling van materiaal bij de productie van primair lood en secundair lood of tin, worden beperkt door de toepassing van één of beide van de technieken, vermeld in BBT 91 van de BBT- conclusies voor de non-ferrometaalindustrie.

Art. 3.10.5.1.4. De diffuse emissies naar de lucht, afkomstig van het laden, smelten en aftappen in de lood- of tinproductie, en afkomstig van het voorafgaande ontkoperen bij de productie van primair lood, worden voorkomen of beperkt door de toepassing van een passende combinatie van de technieken, vermeld in BBT 92 van de BBT-conclusies voor de non-ferrometaalindustrie.

Art. 3.10.5.1.5. De diffuse emissies naar de lucht, afkomstig van het omsmelten, raffineren en gieten bij de productie van primair lood en secundair lood of tin, worden beperkt of voorkomen door de toepassing van een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 93 van de BBT-conclusies voor de non-ferrometaalindustrie.

Art. 3.10.5.1.6.

Voor de voorbereiding van grondstoffen bij de productie van primair lood en secundair lood of tin is voor stof een emissiegrenswaarde van 5 mg/Nm³ van toepassing.

 

De concentratie van de emissies naar de lucht van cadmium en zijn verbindingen, lood en zijn verbindingen en andere metalen, afhankelijk van de samenstelling van de gebruikte grondstoffen, afkomstig van de processen, vermeld in het eerste lid, wordt één keer per jaar gemeten.

 

De dampen, nevels en afgassen voor de processen, vermeld in het eerste lid, worden opgevangen op de plaats waar ze ontstaan, en ze worden naar een afgasbehandelingsinstallatie geleid.


Art. 3.10.5.1.7.

Voor de voorbereiding van batterijen is voor stof een emissiegrenswaarde van 5 mg/Nm³ van toepassing.

 

De concentratie van de emissies naar de lucht van cadmium en zijn verbindingen, lood en zijn verbindingen en andere metalen, afhankelijk van de samenstelling van de gebruikte grondstoffen, afkomstig van de processen, vermeld in het eerste lid, wordt één keer per jaar gemeten.

 

De dampen, nevels en afgassen voor de processen, vermeld in het eerste lid, worden opgevangen op de plaats waar ze ontstaan, en ze worden naar een afgasbehandelingsinstallatie geleid.


Art. 3.10.5.1.8.

Voor het laden, smelten en aftappen bij de productie van primair lood en secundair lood of tin zijn de volgende emissiegrenswaarden van toepassing:

 

parameter

opmerking

emissiegrenswaarde (mg/Nm³)

stof

 

4

als de emissies hoger liggen dan de volgende niveaus: 1 mg/Nm³ voor koper, 0,05 mg/Nm³ voor

arseen, 0,05 mg/Nm³ voor cadmium

3

lood en zijn verbindingen, uitgedrukt in Pb

 

1

 

De concentratie van de emissies naar de lucht van antimoon en zijn verbindingen, arseen en zijn verbindingen, cadmium en zijn verbindingen, koper en zijn verbindingen en andere metalen, afhankelijk van de samenstelling van de gebruikte grondstoffen, afkomstig van de processen, vermeld in het eerste lid, wordt één keer per jaar gemeten.


Art. 3.10.5.1.9.

Voor het omsmelten, raffineren en gieten bij de productie van primair lood en secundair lood of tin zijn de volgende emissiegrenswaarden van toepassing:

parameter

opmerking

emissiegrenswaarde (mg/Nm³)

stof

 

4

als de emissies hoger liggen dan de volgende niveaus: 1 mg/Nm³ voor koper, 1 mg/Nm³ voor

antimoon, 0,05 mg/Nm³ voor arseen,

0,05 mg/Nm³ voor cadmium

3

lood en zijn verbindingen, uitgedrukt in Pb

 

1

 

De concentratie van de emissies naar de lucht van antimoon en zijn verbindingen, arseen en zijn verbindingen, cadmium en zijn verbindingen, koper en zijn verbindingen en andere metalen, afhankelijk van de samenstelling van de gebruikte grondstoffen, afkomstig van de processen, vermeld in het eerste lid, wordt één keer per jaar gemeten.

 


Art. 3.10.5.1.10.

Voor het drogen en smelten van grondstoffen bij de productie van secundair lood of tin is voor totaal organische koolstof een emissiegrenswaarde van 40 mg/Nm³ van toepassing.

 

De concentratie van de emissies van totaal organische koolstof naar de lucht, vermeld in het eerste lid, wordt jaarlijks gemeten.


Art. 3.10.5.1.11.

Voor het smelten van grondstoffen voor de productie van secundair lood of tin is voor de parameter dioxinen en furanen een emissiegrenswaarde van 0,1 ng I-TEQ/Nm³ van toepassing.

 

De emissies van dioxinen en furanen naar de lucht, vermeld in het eerste lid, worden gemeten conform artikel 5.29.0.6, §1, derde lid, van titel II, van het VLAREM met een frequentie als vermeld in artikel 5.29.0.6, §1, vijfde lid, van titel II, van het VLAREM.


Art. 3.10.5.1.12.

Voor het laden, smelten en aftappen bij de productie van primair lood en secundair lood of tin is voor SO2 een emissiegrenswaarde van 350 mg/Nm³ van toepassing.

 

In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan van de emissiegrenswaarde voor SO2, vermeld in het eerste lid, afgeweken worden als natte gaswassers niet toepasbaar zijn, met een maximum van 500 mg/Nm³.


Subafdeling 3.10.5.2.
Bodem en grondwater


Art. 3.10.5.2.1. De verontreiniging van bodem en grondwater als gevolg van het opslaan, breken, screenen en classificeren van batterijen wordt voorkomen door de toepassing van een zuurbestendig oppervlak en een systeem voor de opvang van zuurlekkage.

Art. 3.10.5.3.1.

De volgende emissiegrenswaarden zijn van toepassing op de lozing van afvalwater:

&amp;nbsp;

parameter

emissiegrenswaarde (mg/l)

totaal arseen

0,1

totaal cadmium

0,02

totaal kobalt

0,1

totaal koper

0,2

totaal kwik

0,005

totaal nikkel

0,2

totaal lood

0,2

totaal zink

1

&amp;nbsp;

De concentratie van de parameters, vermeld in het eerste lid, en bijkomend van de parameters Fe, Sb, Sn en sulfaten wordt maandelijks gemeten.


Art. 3.10.5.3.2. De productie van afvalwater, afkomstig van de alkalische uitloging, wordt voorkomen door het water van de oplossing van alkalizout van de natriumsulfaat- kristallisering te hergebruiken.

Art. 3.10.5.3.3. De emissies via het afvalwater, afkomstig van de voorbereiding van batterijen als de zure mist naar de afvalwaterzuiveringsinstallatie wordt overgebracht, worden beperkt door een goed ontworpen afvalwaterzuiveringsinstallatie te exploiteren om de verontreinigende stoffen in die stroom te verwerken.

Subafdeling 3.10.5.3.
Water en afvalwater


Art. 3.10.5.3.1.

De volgende emissiegrenswaarden zijn van toepassing op de lozing van afvalwater:

 

parameter

emissiegrenswaarde (mg/l)

totaal arseen

0,1

totaal cadmium

0,02

totaal kobalt

0,1

totaal koper

0,2

totaal kwik

0,005

totaal nikkel

0,2

totaal lood

0,2

totaal zink

1

 

De concentratie van de parameters, vermeld in het eerste lid, en bijkomend van de parameters Fe, Sb, Sn en sulfaten wordt maandelijks gemeten.


Art. 3.10.5.3.2. De productie van afvalwater, afkomstig van de alkalische uitloging, wordt voorkomen door het water van de oplossing van alkalizout van de natriumsulfaat-kristallisering te hergebruiken.

Art. 3.10.5.3.3. De emissies via het afvalwater, afkomstig van de voorbereiding van batterijen als de zure mist naar de afvalwaterzuiveringsinstallatie wordt overgebracht, worden beperkt door een goed ontworpen afvalwaterzuiveringsinstallatie te exploiteren om de verontreinigende stoffen in die stroom te verwerken. 

Subafdeling 3.10.5.4.
Afval


Art. 3.10.5.4.1. De hoeveelheden afgevoerd afval, afkomstig van de productie van primair lood, worden beperkt door de werkzaamheden ter plaatse te organiseren met het oog op een eenvoudiger hergebruik van procesresiduen of, als dat niet mogelijk is, de recyclage van procesresiduen, met inbegrip van de toepassing van één of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 104 van de BBT-conclusies voor de non-ferrometaal- industrie.

Art. 3.10.5.4.2. Om de terugwinning van het gehalte aan polypropyleen en polyethyleen uit loodbatterijen mogelijk te maken, wordt dat vóór het smelten gescheiden van de batterijen.

Art. 3.10.5.4.3. Om het zwavelzuur, dat verzameld wordt bij de terugwinning van batterijen, te hergebruiken of terug te winnen, worden de werkzaamheden ter plaatse georganiseerd met het oog op een eenvoudiger intern of extern hergebruik of een eenvoudigere recyclage, met inbegrip van de toepassing van één of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 106 van de BBT-conclusies voor de non- ferrometaalindustrie.

Art. 3.10.5.4.4. De hoeveelheden afgevoerd afval, afkomstig van de productie van secundair lood of tin, worden beperkt door de werkzaamheden ter plaatse te organiseren met het oog op een eenvoudiger hergebruik van procesresiduen of, als dat niet mogelijk is, de recyclage van procesresiduen, met inbegrip van de toepassing van één of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 107 van de BBT-conclusies voor de non- ferrometaalindustrie.

Afdeling 3.10.6.
Productie van zink of cadmium


Subafdeling 3.10.6.1.
Productie van primair zink: hydrometallurgische zinkproductie


Art. 3.10.6.1.1. Energie wordt efficiënt gebruikt door warmte terug te winnen uit de afgassen die in de roostoven worden geproduceerd door de toepassing van één of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 108 van de BBT-conclusies voor de non- ferrometaalindustrie.

Art. 3.10.6.1.2. De SO2-emissies naar de lucht, afkomstig van afgassen met een hoog SO2-gehalte, worden beperkt en de productie van afval, afkomstig van het afgasreinigingssysteem, wordt vermeden door zwavel terug te winnen door middel van de productie van zwavelzuur of vloeibaar SO2.

Art. 3.10.6.1.3. De diffuse stofemissies naar de lucht, afkomstig van de voorbereiding van de toevoer voor de roostoven en de toevoer zelf, worden beperkt door de toepassing van één of beide van de technieken, vermeld in BBT 109 van de BBT-conclusies voor de non-ferrometaalindustrie.

Art. 3.10.6.1.4. De diffuse stofemissies naar de lucht, afkomstig van het calcinatieproces, worden beperkt door de toepassing van één of beide van de technieken, vermeld in BBT 110 van de BBT-conclusies voor de non-ferrometaalindustrie.

Art. 3.10.6.1.5. De diffuse emissies naar de lucht, afkomstig van de uitloging, de scheiding van vaste en vloeibare stoffen en de zuivering, worden beperkt door de toepassing van één of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 111 van de BBT-conclusies voor de non-ferrometaalindustrie.

Art. 3.10.6.1.6. De diffuse emissies naar de lucht, afkomstig van de elektrolytische winning, worden beperkt door toevoegingsmiddelen, in het bijzonder schuimmiddelen, toe te passen in de cellen voor elektrolytische winning.

Art. 3.10.6.1.7.

Voor de opslag en overslag van grondstoffen, de voorbereiding van de droge roostoventoevoer, de droge roostoventoevoer en het calcinatieproces is voor stof een emissiegrenswaarde van 5 mg/Nm³ van toepassing.

 

De concentratie van de emissies van zink en zijn verbindingen naar de lucht, afkomstig van de processen, vermeld in het eerste lid, wordt jaarlijks gemeten.

 

De concentratie van de emissies naar de lucht van andere metalen, afhankelijk van de samenstelling van de gebruikte grondstoffen, afkomstig van de processen, vermeld in het eerste lid, wordt één keer per jaar gemeten.

 

De dampen, nevels en afgassen voor de processen, vermeld in het eerste lid, worden opgevangen op de plaats waar ze ontstaan, en ze worden naar een afgasbehandelingsinstallatie geleid.


Art. 3.10.6.1.8.

Voor de emissies van zink en zijn verbindingen en zwavelzuur naar de lucht, afkomstig van de uitloging, zuivering en elektrolyse, en voor AsH3- en SbH3- emissies, afkomstig van de zuivering, zijn de volgende emissiegrenswaarden van toepassing:

 

parameter

emissiegrenswaarde (mg/Nm³)

zink en zijn verbindingen, uitgedrukt in Zn

1

zwavelzuur

10

som van AsH3 en SbH3

0,5

 

De concentratie van de emissies naar de lucht van zink en zijn verbindingen, zwavelzuur en de som van AsH3 en SbH3, vermeld in het eerste lid, wordt jaarlijks gemeten.


Art. 3.10.6.1.9. Verontreiniging van bodem en grondwater wordt voorkomen door gebruik te maken van een waterdichte afgedamde ruimte voor tanks die worden gebruikt bij de uitloging of zuivering, alsook een secundair beheersingssysteem van de celbehuizingen.

Art. 3.10.6.1.10.

De volgende emissiegrenswaarden zijn van toepassing op de lozing van afvalwater:

 

parameter

emissiegrenswaarde (mg/l)

totaal arseen

0,1

totaal cadmium

0,02

totaal koper

0,1

totaal kwik

0,005

totaal nikkel

0,1

totaal lood

0,2

totaal zink

1

 

De concentratie van de parameters, vermeld in het eerste lid, en bijkomend van de parameters Fe en sulfaten wordt maandelijks gemeten.


Art. 3.10.6.1.11. De consumptie van water wordt beperkt en de productie van afvalwater wordt voorkomen door de toepassing van een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 116 van de BBT-conclusies voor de non-ferrometaalindustrie.

Art. 3.10.6.1.12. De hoeveelheden afgevoerd afval worden beperkt door de werkzaam- heden ter plaatse te organiseren met het oog op een eenvoudiger hergebruik van procesresiduen of, als dat niet mogelijk is, de recyclage van procesresiduen, met inbegrip van de toepassing van één of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 117 van de BBT-conclusies voor de non-ferrometaalindustrie.

Art. 3.10.6.1.13. Het afval van de uitloging wordt geschikt gemaakt voor de definitieve verwijdering door de toepassing van een van de technieken, vermeld in BBT 118 van de BBT-conclusies voor de non-ferrometaalindustrie.

Subafdeling 3.10.6.2.
Productie van primair zink: pyrometallurgische zinkproductie


Art. 3.10.6.2.1. De SO2-emissies naar de lucht, afkomstig van afgassen met een hoog SO2-gehalte, worden beperkt en de productie van afval, afkomstig van het afgasreinigingssysteem wordt vermeden door zwavel terug te winnen door middel van de productie van zwavelzuur of vloeibaar SO2.

Art. 3.10.6.2.2.

Voor de pyrometallurgische zinkproductie is voor stof een emissiegrenswaarde van 5 mg/Nm³ van toepassing.

 

In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan van de emissiegrenswaarde voor stof, vermeld in het eerste lid, afgeweken worden als een doekfilter niet toepasbaar is, met een maximum van 10 mg/Nm³.

 

De concentratie van de emissies van zink en zijn verbindingen naar de lucht, afkomstig van de processen, vermeld in het eerste lid, wordt jaarlijks gemeten.

 

De concentratie van de emissies naar de lucht van andere metalen, afhankelijk van de samenstelling van de gebruikte grondstoffen, afkomstig van de processen, vermeld in het eerste lid, wordt één keer per jaar gemeten.


Art. 3.10.6.2.3.

Voor de pyrometallurgische zinkproductie is voor SO2 een emissiegrenswaarde van 500 mg/Nm³ van toepassing.

 

De concentratie van de SO2-emissies naar de lucht, vermeld in het eerste lid, wordt continu gemeten.


Art. 3.10.6.2.4.

De volgende emissiegrenswaarden zijn van toepassing op de lozing van afvalwater:

 

parameter

emissiegrenswaarde (mg/l)

totaal arseen

0,1

totaal cadmium

0,02

totaal koper

0,1

totaal kwik

0,005

totaal nikkel

0,1

totaal lood

0,2

totaal zink

1

 

De concentratie van de parameters, vermeld in het eerste lid, en bijkomend van de parameters Fe en sulfaten wordt maandelijks gemeten.


Subafdeling 3.10.6.3.
Productie van secundair zink


Art. 3.10.6.3.1.

Voor de pelletisering en de verwerking van slakken is voor stof een emissiegrenswaarde van 5 mg/Nm³ van toepassing.

 

De concentratie van de emissies van zink en zijn verbindingen naar de lucht, afkomstig van de processen, vermeld in het eerste lid, wordt jaarlijks gemeten.

 

De concentratie van de emissies naar de lucht van andere metalen, afhankelijk van de samenstelling van de gebruikte grondstoffen, afkomstig van de processen, vermeld in het eerste lid, wordt één keer per jaar gemeten.

 

De dampen, nevels en afgassen voor de processen, vermeld in het eerste lid, worden opgevangen op de plaats waar ze ontstaan, en ze worden naar een afgasbehandelingsinstallatie geleid.


Art. 3.10.6.3.2.

Voor emissies naar de lucht, afkomstig van het smelten van metallische en gemengde metallische of oxidische stromen, en afkomstig van de slakafrookoven en de Waelzoven, zijn de volgende emissiegrenswaarden van toepassing:

 

parameter

opmerking

emissiegrenswaarde (mg/Nm³)

stof

 

5

als de emissies hoger liggen dan de volgende niveaus: 0,05 mg/Nm³ voor

arseen, 0,05 mg/Nm³ voor cadmium

3,5

 

In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan van de emissiegrenswaarde voor stof, vermeld in het eerste lid, afgeweken worden als een doekfilter niet toepasbaar is, met een maximum van 10 mg/Nm³.

 

De concentratie van de emissies van zink en zijn verbindingen naar de lucht, afkomstig van de processen, vermeld in het eerste lid, wordt jaarlijks gemeten.

 

De concentratie van de emissies naar de lucht van arseen en zijn verbindingen, cadmium en zijn verbindingen en andere metalen, afhankelijk van de samenstelling van de gebruikte grondstoffen, afkomstig van de processen, vermeld in het eerste lid, wordt één keer per jaar gemeten.


Art. 3.10.6.3.3.

Voor emissies naar de lucht, afkomstig van het smelten van metallische en gemengde metallische of oxidische stromen, en afkomstig van de slakafrookoven en de Waelzoven, zijn de volgende emissiegrenswaarden van toepassing:

 

parameter

emissiegrenswaarde

totaal organische koolstof

20 mg/Nm³

dioxinen en furanen

0,1 ng I-TEQ/Nm³

 

De emissies van dioxinen en furanen naar de lucht, vermeld in het eerste lid, worden gemeten conform artikel 5.29.0.6, §1, derde lid, van titel II, van het VLAREM met een frequentie als vermeld in artikel 5.29.0.6, §1, vijfde lid, van titel II, van het VLAREM.

 

De concentratie van de emissies van totaal organische koolstof naar de lucht, vermeld in het eerste lid, wordt jaarlijks gemeten.


Art. 3.10.6.3.4.

Voor emissies naar de lucht, afkomstig van het smelten van metallische en gemengde metallische of oxidische stromen, en afkomstig van de slakafrookoven en de Waelzoven, zijn de volgende emissiegrenswaarden van toepassing:

 

parameter

emissiegrenswaarde (mg/Nm³)

gasvormige anorganische

chloorverbindingen, chloorcyaan niet inbegrepen, uitgedrukt als HCl

1,5

fluor en zijn gasvormige verbindingen,

uitgedrukt in HF

0,3


Art. 3.10.6.3.5.

De volgende emissiegrenswaarden zijn van toepassing op de lozing van afvalwater:

 

parameter

emissiegrenswaarde (mg/l)

totaal arseen

0,1

totaal cadmium

0,02

totaal koper

0,1

totaal kwik

0,005

totaal nikkel

0,1

totaal lood

0,2

totaal zink

1

 

De concentratie van de parameters, vermeld in het eerste lid, en bijkomend van de parameters Fe en sulfaten wordt maandelijks gemeten.


Art. 3.10.6.3.6. Het verbruik van water in het proces met een Waelzoven wordt beperkt door gebruik te maken van meerfasige tegenstroomwassing.

Art. 3.10.6.3.7. Halogenide-emissies via het afvalwater, afkomstig van de wasfase in het proces met een Waelzoven, worden voorkomen of beperkt door kristallisering toe te passen.

Subafdeling 3.10.6.4.
Smelten, legeren en gieten van zinkstaven en productie van zinkpoeder


Art. 3.10.6.4.1. De diffuse stofemissies naar de lucht, afkomstig van het smelten, legeren en gieten van zinkstaven, worden beperkt door apparatuur in onderdruk toe te passen.

Art. 3.10.6.4.2.

Voor het smelten, legeren en gieten van zinkstaven en de productie van zinkpoeder is voor stof een emissiegrenswaarde van 5 mg/Nm³ van toepassing.

 

De concentratie van de emissies van zink en zijn verbindingen naar de lucht, afkomstig van de processen, vermeld in het eerste lid, wordt jaarlijks gemeten.

 

De concentratie van de emissies naar de lucht van andere metalen, afhankelijk van de samenstelling van de gebruikte grondstoffen, afkomstig van de processen, vermeld in het eerste lid, wordt één keer per jaar gemeten.


Art. 3.10.6.4.3.

De volgende emissiegrenswaarden zijn van toepassing op de lozing van afvalwater:

 

parameter

emissiegrenswaarde (mg/l)

totaal arseen

0,1

totaal cadmium

0,02

totaal koper

0,1

totaal kwik

0,005

totaal nikkel

0,1

totaal lood

0,2

totaal zink

1

 

De concentratie van de parameters, vermeld in het eerste lid, en bijkomend van de parameters Fe en sulfaten wordt maandelijks gemeten.


Art. 3.10.6.4.4. De productie van afvalwater, afkomstig van het smelten en gieten van zinkstaven, wordt beperkt door het koelwater te hergebruiken.

Art. 3.10.6.4.5. De hoeveelheden afgevoerd afval, afkomstig van het smelten van zinkstaven, wordt beperkt door de werkzaamheden ter plaatse te organiseren met het oog op een eenvoudiger hergebruik van procesresiduen of, als dat niet mogelijk is, de recyclage van procesresiduen, met inbegrip van de toepassing van een of beide van de technieken, vermeld in BBT 130 van de BBT-conclusies voor de non-ferrometaal- industrie.

Subafdeling 3.10.6.5.
Cadmiumproductie


Art. 3.10.6.5.1. De diffuse emissies naar de lucht worden beperkt door de toepassing van één of beide van de technieken, vermeld in BBT 131 van de BBT-conclusies voor de non- ferrometaalindustrie.

Art. 3.10.6.5.2.

Voor de pyrometallurgische productie van cadmium en het smelten, legeren en gieten van cadmiumstaven zijn de volgende emissiegrenswaarden van toepassing:

 

parameter

emissiegrenswaarde (mg/Nm³)

stof

3

cadmium en zijn verbindingen, uitgedrukt in Cd

0,1

 

De concentratie van de emissies van zink en zijn verbindingen naar de lucht, afkomstig van de processen, vermeld in het eerste lid, wordt jaarlijks gemeten.

 

De concentratie van de emissies naar de lucht van andere metalen, afhankelijk van de samenstelling van de gebruikte grondstoffen, afkomstig van de processen, vermeld in het eerste lid, wordt één keer per jaar gemeten.


Art. 3.10.6.5.3.

De volgende emissiegrenswaarden zijn van toepassing op de lozing van afvalwater:

 

parameter

emissiegrenswaarde (mg/l)

totaal arseen

0,1

totaal cadmium

0,02

totaal koper

0,1

totaal kwik

0,005

totaal nikkel

0,1

totaal lood

0,2

totaal zink

1

 

De concentratie van de parameters, vermeld in het eerste lid, en bijkomend van de parameters Fe en sulfaten wordt maandelijks gemeten.


Art. 3.10.6.5.4. De hoeveelheden afgevoerd afval, afkomstig van de hydrometallurgische cadmiumproductie, worden beperkt door de werkzaamheden ter plaatse te organiseren met het oog op een eenvoudiger hergebruik van procesresiduen of, als dat niet mogelijk is, de recyclage van procesresiduen, met inbegrip van de toepassing van één of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 133 van de BBT-conclusies voor de non- ferrometaalindustrie.

Afdeling 3.10.7.
Edelmetalen


Subafdeling 3.10.7.1.
Luchtemissies


Art. 3.10.7.1.1. De SO2-emissies naar de lucht, afkomstig van afgassen met een hoog SO2-gehalte, worden beperkt en de productie van afval, afkomstig van het afgasreinigingssysteem, wordt vermeden bij de productie van zilver door zwavel terug te winnen door middel van de productie van zwavelzuur of vloeibaar SO2.

Art. 3.10.7.1.2. De diffuse emissies naar de lucht, afkomstig van een voorbehandeling, worden beperkt door de toepassing van één of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 134 van de BBT-conclusies voor de non-ferrometaalindustrie.

Art. 3.10.7.1.3.

De diffuse emissies naar de lucht, afkomstig van het smelten, zowel Doré als niet- Doré, worden beperkt door de toepassing van al de volgende technieken:

de afsluiting van gebouwen of ruimten met smeltovens;
de uitvoering van werkzaamheden in onderdruk;
de aansluiting van ovenwerkzaamheden op stofvangers en afzuigsystemen via afzuigkappen en een leidingsysteem;
de elektrische vergrendeling van ovenapparatuur met haar stofvanger of stofafzuiging, om te waarborgen dat er geen apparatuur in werking kan worden gesteld, tenzij de stofvanger en het filtersysteem in werking zijn.

 

      


Art. 3.10.7.1.4. De diffuse emissies naar de lucht, afkomstig van de uitloging en elektrolyse van goud, worden beperkt door de toepassing van één of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 136 van de BBT-conclusies voor de non- ferrometaalindustrie.

Art. 3.10.7.1.5.

De diffuse emissies naar de lucht, afkomstig van hydrometallurgische werkzaamheden, worden beperkt door de toepassing van al de volgende technieken:

beheersingsmaatregelen;
reactievaten en -tanks, aangesloten op een gemeenschappelijk leidingsysteem met afgasafzuiging en automatische stand-by- of back-upeenheid, die beschikbaar zijn in geval van storing.

    


Art. 3.10.7.1.6.

De diffuse emissies naar de lucht, afkomstig van de verbranding, calcinatie en droging, worden beperkt door de toepassing van al de volgende technieken:

de aansluiting van alle calcineerovens, verbrandingsovens en droogovens op een leidingsysteem dat de uitlaatgassen van het proces opvangt;
het gebruik van een wasinstallatie, aangesloten op een prioritair stroomnet dat is voorzien van een noodaggregaat in geval van een stoomuitval;
het opstarten en stilleggen, verwijderen van uitgewerkt zuur en bevoorraden van gaswassers met nieuw zuur via een geautomatiseerd besturingssysteem.

 

     


Art. 3.10.7.1.7.

De diffuse emissies naar de lucht, afkomstig van het smelten van afgewerkte metaalproducten tijdens de raffinage, worden beperkt door de toepassing van de twee volgende technieken: 

een afgesloten oven in onderdruk;
een passende behuizing, omkastingen en afzuigkappen met doeltreffende afzuiging of ventilatie.

Art. 3.10.7.1.8.

Voor alle stoffige werkzaamheden is voor stof een emissiegrenswaarde van 5 mg/Nm³ van toepassing.

 

De concentratie van de emissies naar de lucht van andere metalen, afhankelijk van de samenstelling van de gebruikte grondstoffen, afkomstig van de processen, vermeld in het eerste lid, wordt één keer per jaar gemeten.


Art. 3.10.7.1.9. Voor hydrometallurgische werkzaamheden met oplossing of uitloging op basis van salpeterzuur is voor NOx, uitgedrukt als NO2, een emissiegrenswaarde van 150 mg/Nm³ van toepassing.

Art. 3.10.7.1.10. Voor smeltwerkzaamheden voor de productie van Doré-metaal, met inbegrip van de bijbehorende verbrandings-, calcinatie- en drogingswerkzaamheden, is voor SO2 een emissiegrenswaarde van 480 mg/Nm³ van toepassing.

Art. 3.10.7.1.11. Voor hydrometallurgische werkzaamheden, met inbegrip van de bijbehorende verbrandings-, calcinatie- en drogingswerkzaamheden, is voor SO2 een emissiegrenswaarde van 100 mg/Nm³ van toepassing.

Art. 3.10.7.1.12.

Voor hydrometallurgische werkzaamheden, met inbegrip van de bijbehorende verbrandings-, calcinatie- en drogingswerkzaamheden, zijn de volgende emissiegrenswaarden van toepassing: 

parameter

emissiegrenswaarde (mg/Nm³)

gasvormige anorganische chloorverbindingen, chloorcyaan niet inbegrepen, uitgedrukt als HCl

10

chloor, uitgedrukt als Cl2

2


Art. 3.10.7.1.13.

Voor hydrometallurgische werkzaamheden waarbij NH3 of ammonium- chloride wordt gebruikt, is voor NH3 een emissiegrenswaarde van 3 mg/Nm³ van toepassing.

 

De concentratie van de NH3-emissies naar de lucht, vermeld in het eerste lid, wordt jaarlijks gemeten.


Art. 3.10.7.1.14.

Voor drogingswerkzaamheden waarbij de grondstoffen organische verbindingen, halogenen of andere dioxine- en furanenprecursoren bevatten, afkomstig van verbrandingswerkzaamheden en calcinatiewerkzaamheden, is voor de parameter dioxinen en furanen een emissiegrenswaarde van 0,1 ng I-TEQ/Nm³ van toepassing.

 

De emissies van dioxinen en furanen naar de lucht, vermeld in het eerste lid, worden gemeten conform artikel 5.29.0.6, §1, derde lid, van titel II, van het VLAREM met een frequentie als vermeld in artikel 5.29.0.6, §1, vijfde lid, van titel II, van het VLAREM.


Subafdeling 3.10.7.2.
Bodem en grondwater


Art. 3.10.7.2.1. De verontreiniging van bodem en grondwater wordt voorkomen door de toepassing van een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 147 van de BBT- conclusies voor de non-ferrometaalindustrie.

Subafdeling 3.10.7.3.
Water en afvalwater


Art. 3.10.7.3.1.

De volgende emissiegrenswaarden zijn van toepassing op de lozing van afvalwater:

 

parameter

emissiegrenswaarde (mg/l)

totaal zilver

0,1

totaal arseen

0,1

totaal cadmium

0,02

totaal koper

0,3

totaal kwik

0,005

totaal nikkel

0,2

totaal lood

0,2

totaal zink

0,4

 

De concentratie van de parameters, vermeld in het eerste lid, en bijkomend van de parameters Fe en sulfaten wordt maandelijks gemeten.


Art. 3.10.7.3.2. De productie van afvalwater wordt voorkomen door de toepassing van één of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 148 van de BBT-conclusies voor de non-ferrometaalindustrie.

Subafdeling 3.10.7.4.
Afval


Art. 3.10.7.4.1. De hoeveelheden afgevoerd afval worden beperkt door de werkzaamheden ter plaatse te organiseren met het oog op een eenvoudiger hergebruik van procesresiduen of, als dat niet mogelijk is, de recyclage van procesresiduen, met inbegrip van de toepassing van één of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 149 van de BBT-conclusies voor de non-ferrometaalindustrie.

Afdeling 3.10.8.
IJzerlegeringen


Subafdeling 3.10.8.1.
Energie


Art. 3.10.8.1.1. Energie wordt efficiënt gebruikt door energie terug te winnen uit CO-rijke uitlaatgassen die in een gesloten vlamboogoven met verzonken elektroden of in een gesloten plasmastofproces worden geproduceerd door de toepassing van één of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 150 van de BBT-conclusies voor de non- ferrometaalindustrie.

Art. 3.10.8.1.2. Energie wordt efficiënt gebruikt door energie terug te winnen uit het warme uitlaatgas dat wordt geproduceerd in een halfgesloten vlamboogoven met verzonken elektroden door de toepassing van één of beide van de technieken, vermeld in BBT 151 van de BBT-conclusies voor de non-ferrometaalindustrie.

Art. 3.10.8.1.3. Energie wordt efficiënt gebruikt door energie terug te winnen uit het uitlaatgas dat wordt geproduceerd in een open vlamboogoven met verzonken elektroden door de productie van warm water.

Subafdeling 3.10.8.2.
Luchtemissies


Art. 3.10.8.2.1. De SO2-emissies naar de lucht, afkomstig van afgassen met een hoog SO2-gehalte, worden beperkt en de productie van afval, afkomstig van het afgasreinigingssysteem, wordt vermeden bij de productie van molybdeen door zwavel terug te winnen door middel van de productie van zwavelzuur of vloeibaar SO2.

Art. 3.10.8.2.2. De diffuse emissies naar de lucht, afkomstig van het aftappen en gieten, worden opgevangen en voorkomen of beperkt door de toepassing van één of beide van de technieken, vermeld in BBT 153 van de BBT-conclusies voor de non- ferrometaalindustrie.

Art. 3.10.8.2.3.

Voor de productie van ijzerlegeringen zijn de volgende emissiegrenswaarden van toepassing: 

parameter

proces

opmerking

emissiegrenswaarde (mg/Nm³)

stof

 

 

 

 

 

 

 

 

 

- opslag, overslag en vervoer van

 

5

vaste materialen

 

-

 

voorbehandelingswerkzaamheden

 

- aftappen, gieten en verpakken

 

breken, briketteren, pelletiseren

 

5

en sinteren

 

open of halfgesloten vlamboogoven met verzonken elektroden

 

 

als de emissies

hoger liggen

dan de volgende niveaus: 1 mg/Nm³ voor lood, 0,05 mg/Nm³ voor cadmium, 0,05 mg/Nm³ voor chroom VI- verbindingen,

0,05 mg/Nm³ voor thallium

3,5

overig

5

- afgesloten vlamboogoven met verzonken elektroden of afgesloten plasmastofproces

- gietkroes met vuurvaste

bekleding voor de productie van ferromolybdeen en ferrovanadium

 

5

 

In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan van de emissiegrenswaarde voor stof, voor het proces breken, briketteren, pelletiseren en sinteren, vermeld in het eerste lid, afgeweken worden als het gebruik van een doekfilter niet mogelijk is, met een maximum van 10 mg/Nm³.

 

In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kan van de emissiegrenswaarde voor stof, voor het proces open of halfgesloten vlamboogoven met verzonken elektroden, vermeld in het eerste lid, afgeweken worden voor de productie van FeMn, SiMn, CaSi door de kleverigheid van het stof die de efficiëntie van de doekfilter nadelig beïnvloedt, met een maximum van 10 mg/Nm³.

De concentratie van de emissies naar de lucht van andere metalen, afhankelijk van de samenstelling van de gebruikte grondstoffen, afkomstig van de processen, vermeld in het eerste lid, wordt één keer per jaar gemeten.

 

De concentratie van de emissies naar de lucht van cadmium en zijn verbindingen, chroom VI-verbindigen, lood en zijn verbindingen en thallium en zijn verbindingen, afkomstig van een open of halfgesloten vlamboogoven met verzonken elektroden, wordt één keer per jaar gemeten.


Art. 3.10.8.2.4.

Voor een oven waarin ijzerlegeringen worden geproduceerd, is voor de parameter dioxinen en furanen een emissiegrenswaarde van 0,05 ng I-TEQ/Nm³ van toepassing.

 

De emissies van dioxinen en furanen naar de lucht, vermeld in het eerste lid, worden gemeten conform artikel 5.29.0.6, §1, derde lid, van titel II, van het VLAREM met een frequentie als vermeld in artikel 5.29.0.6, §1, vijfde lid, van titel II, van het VLAREM.


Art. 3.10.8.2.5.

De emissies van polycyclische aromatische koolwaterstoffen en organische verbindingen naar de lucht, afkomstig van het ontvetten van titaniumspanen in draaiovens, worden beperkt door de toepassing van een thermische naverbrander.

 

De concentratie van de emissies van totaal organische koolstof naar de lucht, vermeld in het eerste lid, wordt jaarlijks gemeten.

 

De concentratie van de benzo(a)pyreenemissies naar de lucht, vermeld in het eerste lid, wordt één keer per jaar gemeten.


Subafdeling 3.10.8.3.
Water en afvalwater


Art. 3.10.8.3.1.

De volgende emissiegrenswaarden zijn van toepassing op de lozing van afvalwater:

 

parameter

emissiegrenswaarde (mg/l)

totaal arseen

0,1

totaal cadmium

0,02

totaal chroom

0,2

chroom VI

0,05

totaal koper

0,5

totaal kwik

0,005

totaal nikkel

0,2

totaal lood

0,2

totaal zink

1

 

De concentratie van de parameters, vermeld in het eerste lid, en bijkomend van de parameters Fe en andere metalen, afhankelijk van de samenstelling van de gebruikte grondstoffen, wordt maandelijks gemeten.


Subafdeling 3.10.8.4.
Afval


Art. 3.10.8.4.1. De hoeveelheden afgevoerde slakken worden beperkt door de werkzaamheden ter plaatse te organiseren met het oog op een eenvoudiger hergebruik van slakken of, als dat niet mogelijk is, de recyclage van slakken, met inbegrip van de toepassing van één of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 161 van de BBT-conclusies voor de non-ferrometaalindustrie.

Art. 3.10.8.4.2. De hoeveelheden afgevoerd filterstof en slib worden beperkt door de werkzaamheden ter plaatse te organiseren met het oog op een eenvoudiger hergebruik van filterstof en slib of, als dat niet mogelijk is, de recyclage van filterstof en slib, met inbegrip van de toepassing van één of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 162 van de BBT-conclusies voor de non-ferrometaalindustrie.

Afdeling 3.10.9.
Productie van nikkel of kobalt


Subafdeling 3.10.9.1.
Energie


Art. 3.10.9.1.1. Energie wordt efficiënt gebruikt door de toepassing van één of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 163 van de BBT-conclusies voor de non- ferrometaalindustrie.

Subafdeling 3.10.9.2.
Luchtemissies


Art. 3.10.9.2.1. De SO2-emissies naar de lucht, afkomstig van afgassen met een hoog SO2-gehalte, worden beperkt en de productie van afval, afkomstig van het afgasreinigingssysteem, wordt vermeden bij de productie van nikkel door zwavel terug te winnen door middel van de productie van zwavelzuur of vloeibaar SO2.

Art. 3.10.9.2.2. De diffuse stofemissies naar de lucht, afkomstig van het laden van een oven, worden beperkt door de toepassing van een afgesloten transportbandsystemen.

Art. 3.10.9.2.3. De diffuse stofemissies naar de lucht, afkomstig van het smelten, worden beperkt door de toepassing van afsteekgoten die van een afdekking en afzuigkap zijn voorzien en op een zuiveringssysteem zijn aangesloten.

Art. 3.10.9.2.4. De diffuse stofemissies naar de lucht, afkomstig van converteerprocessen, worden beperkt door werkzaamheden in onderdruk te verrichten en door de toepassing van afzuigkappen die op een zuiveringssysteem zijn aangesloten.

Art. 3.10.9.2.5.

De diffuse emissies naar de lucht, afkomstig van atmosferische uitloging en uitloging onder druk, worden beperkt door de toepassing van al de volgende technieken:

afgedichte of gesloten reactoren, bezinkers en drukautoclaven of drukvaten;
het gebruik van zuurstof of chloor in plaats van lucht in uitloogfasen.

 

       


Art. 3.10.9.2.6. De diffuse emissies naar de lucht, afkomstig van de raffinage op basis van extractie met oplosmiddelen, worden beperkt door de toepassing van één van de technieken, vermeld in BBT 168 van de BBT-conclusies voor de non-ferrometaalindustrie.

Art. 3.10.9.2.7. De diffuse emissies naar de lucht, afkomstig van de elektrolytische winning, worden beperkt door de toepassing van een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 169 van de BBT-conclusies voor de non-ferrometaalindustrie.

Art. 3.10.9.2.8. De diffuse emissies naar de lucht, afkomstig van de waterstofreductie tijdens de productie van nikkelpoeder en nikkelbriketten, worden beperkt door de toepassing van een afgedichte of gesloten reactor, een bezinker en een drukautoclaaf of drukvat, een poedertransportband en een productsilo.

Art. 3.10.9.2.9.

Voor de opslag en overslag van grondstoffen, de voorbehandeling van materiaal, het laden van ovens, smelten, converteren, thermisch raffineren en de productie van nikkelpoeder en -briketten bij de verwerking van zwavelhoudend erts is voor stof een emissiegrenswaarde van 5 mg/Nm³ van toepassing.

 

De concentratie van de emissies naar de lucht van andere metalen, afhankelijk van de samenstelling van de gebruikte grondstoffen, afkomstig van de processen, vermeld in het eerste lid, wordt één keer per jaar gemeten.

 

De dampen, nevels en afgassen voor de processen, vermeld in het eerste lid, worden opgevangen op de plaats waar ze ontstaan, en ze worden naar een afgasbehandelingsinstallatie geleid.


Art. 3.10.9.2.10.

Voor atmosferische uitloging of uitloging onder druk zijn de volgende emissiegrenswaarden van toepassing:

 

parameter

emissiegrenswaarde (mg/Nm³)

nikkel en zijn verbindingen, uitgedrukt in Ni

1

chloor, uitgedrukt als Cl2

1

 

De dampen, nevels en afgassen voor de processen, vermeld in het eerste lid, worden opgevangen op de plaats waar ze ontstaan, en ze worden naar een afgasbehandelingsinstallatie geleid.


Art. 3.10.9.2.11. Voor het raffinageproces van nikkelmatte door middel van ferrichloride met chloor is voor nikkel en zijn verbindingen, uitgedrukt in Ni, een emissiegrenswaarde van 1 mg/Nm³ van toepassing.

Art. 3.10.9.2.12.

De SO2-emissies naar de lucht, afkomstig van het smelten en converteren, worden beperkt door de toepassing van één van de technieken, vermeld in BBT 174 van de BBT-conclusies voor de non-ferrometaalindustrie, bij de verwerking van zwavelhoudend erts.

 

De concentratie van de SO2-emissies naar de lucht, vermeld in het eerste lid, wordt één keer per jaar gemeten.


Art. 3.10.9.2.13.

De NH3-emissies naar de lucht, afkomstig van de productie van nikkelpoeder en –briketten, worden beperkt door de toepassing van een natte gaswasser.

 

De concentratie van de NH3-emissies naar de lucht, vermeld in het eerste lid, wordt jaarlijks gemeten.


Subafdeling 3.10.9.3.
Water en afvalwater


Art. 3.10.9.3.1.

De volgende emissiegrenswaarden zijn van toepassing op de lozing van afvalwater:

 

parameter

emissiegrenswaarde (mg/l)

totaal arseen

0,3

totaal cadmium

0,02

totaal kobalt

0,5

totaal koper

0,5

totaal kwik

0,005

totaal nikkel

0,2

totaal lood

0,2

totaal zink

1

 

De concentratie van de parameters, vermeld in het eerste lid, en bijkomend van de parameters Fe en sulfaten wordt maandelijks gemeten.


Subafdeling 3.10.9.4.
Afval


Art. 3.10.9.4.1. De hoeveelheden afgevoerd afval worden beperkt door de werkzaamheden ter plaatse te organiseren met het oog op een eenvoudiger hergebruik van procesresiduen of, als dat niet mogelijk is, de recyclage van procesresiduen, met inbegrip van de toepassing van één of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 176 van de BBT-conclusies voor de non-ferrometaalindustrie.

Afdeling 3.10.10.
Productie van koolstof of grafiet


Subafdeling 3.10.10.1.
Luchtemissies


Art. 3.10.10.1.1. De diffuse polycyclische aromatische koolwaterstoffenemissies naar de lucht, afkomstig van de opslag, de overslag en het vervoer van vloeibaar pek, worden beperkt door de toepassing van één of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 177 van de BBT-conclusies voor de non-ferrometaalindustrie.

Art. 3.10.10.1.2.

Voor de opslag, de overslag en het vervoer van cokes en pek, en mechanische processen, grafitisering en bewerking zijn de volgende emissiegrens- waarden van toepassing: 

 

parameter

emissiegrenswaarde (mg/Nm³)

stof

5

benzo(a)pyreen

0,01

 

De benzo(a)pyreenemissies naar de lucht, vermeld in het eerste lid, worden alleen verwacht als vast pek wordt verwerkt.

 

De dampen, nevels en afgassen voor de processen, vermeld in het eerste lid, worden opgevangen op de plaats waar ze ontstaan, en ze worden naar een afgasbehandelingsinstallatie geleid.


Art. 3.10.10.1.3.

Voor de productie van groene massa en groene vormen zijn de volgende emissiegrenswaarden van toepassing:

 

parameter

proces

emissiegrenswaarde (mg/Nm³)

stof

 

10

gebruik van een droge gaswasser waarin cokes als adsorptiemiddel wordt gebruikt, gevolgd

door een doekenfilter

6

benzo(a)pyreen

 

0,01

 

De dampen, nevels en afgassen voor de processen, vermeld in het eerste lid, worden opgevangen op de plaats waar ze ontstaan, en ze worden naar een afgasbehandelingsinstallatie geleid.

 


Art. 3.10.10.1.4.

Voor het bakken en herbakken zijn de volgende emissiegrenswaarden van toepassing:

 

parameter

proces

emissiegrenswaarde (mg/Nm³)

stof

 

10

gebruik van een combinatie van een ESP en een regeneratieve thermische

naverbrander

6

benzo(a)pyreen

overig

0,015

gebruik van een thermische naverbrander

0,010

kathodeproductie

0,05

 

De dampen, nevels en afgassen voor de processen, vermeld in het eerste lid, worden opgevangen op de plaats waar ze ontstaan, en ze worden naar een afgasbehandelingsinstallatie geleid.


Art. 3.10.10.1.5.

Voor de impregnatie zijn de volgende emissiegrenswaarden van toepassing:

 

parameter

emissiegrenswaarde (mg/Nm³)

stof

10

benzo(a)pyreen

0,01

 

De dampen, nevels en afgassen voor de processen, vermeld in het eerste lid, worden opgevangen op de plaats waar ze ontstaan, en ze worden naar een afgasbehandelingsinstallatie geleid.


Art. 3.10.10.1.6.

De SO2-emissies naar de lucht als er zwavel is toegevoegd aan het proces, worden beperkt door de toepassing van één of beide technieken, vermeld in BBT 182 van de BBT-conclusies voor de non-ferrometaalindustrie.

 

De concentratie van de SO2-emissies naar de lucht, vermeld in het eerste lid, wordt één keer per jaar gemeten.


Art. 3.10.10.1.7.

Voor de emissies naar de lucht van totaal organische koolstof, afkomstig van het mengen, bakken en impregneren, zijn de volgende emissiegrenswaarden van toepassing:

 

parameter

proces

emissiegrenswaarde (mg/Nm³)

totaal organische koolstof

overig

40

gebruik van een ESP in combinatie met een regeneratieve thermische

naverbrander

10

 

De concentratie van de emissies van totaal organische koolstof naar de lucht, vermeld in het eerste lid, wordt jaarlijks gemeten.

 

De concentratie van de emissies naar de lucht van fenol en formaldehyde, afkomstig van de processen, vermeld in het eerste lid, wordt één keer per jaar gemeten.


Subafdeling 3.10.10.2.
Afval


Art. 3.10.10.2.1.

De hoeveelheden afgevoerd afval worden beperkt door de werkzaamheden ter plaatse te organiseren met het oog op een eenvoudiger hergebruik van procesresiduen of, als dat niet mogelijk is, de recyclage van procesresiduen, met inbegrip van het hergebruik of de recyclage van koolstof en andere residuen, afkomstig van de productieprocessen binnen het proces of in andere externe processen.

 


Afdeling 3.10.11.
Productie van andere non-ferrometalen


Subafdeling 3.10.11.1.
Luchtemissies


Art. 3.10.11.1.1.

De concentratie van de emissies naar de lucht voor de parameters, vermeld in dit artikel, bij de productie voor andere non-ferrometalen, wordt gemeten.

 

De concentratie van de stofemissies naar de lucht, afkomstig van productiefasen, zoals voorbehandelen van grondstoffen, laden, gieten, smelten en aftappen, wordt één keer per jaar gemeten.

 

De concentratie van de emissies naar de lucht van andere metalen, afhankelijk van de samenstelling van de gebruikte grondstoffen, wordt één keer per jaar gemeten.

 

De concentratie van de SO2-emissies naar de lucht, als de grondstoffen zwavel bevatten, wordt één keer per jaar gemeten.

 

De concentratie van de NOx-emissies, uitgedrukt als NO2, naar de lucht wordt één keer per jaar gemeten.

 

De concentratie van de emissies van totaal organische koolstof naar de lucht, als dat relevant is in het licht van het gehalte aan organische verbindingen van de gebruikte grondstoffen, wordt jaarlijks gemeten.

 

De emissies van dioxinen en furanen naar de lucht, als dat relevant is in het licht van factoren zoals het gehalte aan gehalogeneerde organische verbindingen van de gebruikte grondstoffen en het temperatuurprofiel, worden gemeten conform artikel 5.29.0.6, §1, derde lid, van titel II, van het VLAREM met een frequentie als vermeld in artikel 5.29.0.6, §1, vijfde lid, van titel II, van het VLAREM.


Subafdeling 3.10.11.2.
Water en afvalwater


Art. 3.10.11.2.1. De concentratie in het afvalwater bij de productie voor andere non- ferrometalen van de parameters Hg, Fe en andere metalen, afhankelijk van de samenstelling van de gebruikte grondstoffen, sulfaten, wordt maandelijks gemeten.

Hoofdstuk 3.11.
Intensieve pluimvee- of varkenshouderij


Afdeling 3.11.1.
Toepassingsgebied en definities


Art. 3.11.1.1.

§1. Dit hoofdstuk is van toepassing op de inrichtingen, vermeld in rubriek 9.3.1.d, 9.4.1.d, 9.5.d en 9.5.e van de indelingslijst van titel II van het VLAREM. Bestaande GPBV-installaties voldoen uiterlijk op 21 februari 2021 aan dit hoofdstuk.

 

De overeenkomstige GPBV-activiteiten zijn de activiteiten, vermeld in punt 6.6 van bijlage 1, die bij dit besluit is gevoegd.

 

§2. Het toepassingsgebied van dit hoofdstuk omvat de volgende processen: 

beheer van voeding voor pluimvee en varkens;
bereiding van voeder, inclusief malen, mengen en opslag;
pluimvee- en varkenshouderij, inclusief huisvesting;
verzameling en opslag van mest;
verwerking van mest;
opslag van dode dieren.

 

§3. Paragraaf 1 heeft geen betrekking op de verwijdering van dode dieren. Art. 3.11.1.2. In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

 

inrichting: een deel van de GPBV-installatie waar een van de volgende processen of activiteiten plaatsvindt of wordt verricht: huisvesting van dieren, mestopslag, mestverwerking. Een inrichting bestaat uit één enkel gebouw, of de nodige uitrusting om processen of activiteiten uit te voeren;

nieuwe inrichting: een inrichting op het terrein van de GPBV-installatie waarvoor de eerste vergunning wordt afgegeven na 21 februari 2017, of een volledige vervanging van een inrichting op bestaande funderingen na 21 februari 2017;
bestaande inrichting: een andere dan een nieuwe inrichting;
afvalwater: het verontreinigde afvloeiende hemelwater, het water dat afkomstig is van het reinigen van oppervlakken en uitrusting, alsook het water dat afkomstig is van luchtzuiveringssystemen. Hiernaar kan ook worden verwezen als vervuild water;
 totaal ammoniumstikstof: ammonium-N (NH4-N) en verbindingen daarvan, met inbegrip van urinezuur, die gemakkelijk worden afgebroken tot NH4-N;
totaal uitgescheiden stikstof: de totale hoeveelheid stikstof die door middel van urine en feces uit dierlijke metabole processen is verwijderd;
totaal uitgescheiden fosfor: de totale hoeveelheid fosfor die door middel van urine en feces uit dierlijke metabole processen is verwijderd;
dierplaats: de ruimte per dier in een stalsysteem, rekening houdend met de maximale capaciteit van de inrichting;
varken: een dier dat tot de varkenssoort behoort, van ongeacht welke leeftijd, dat voor de fokkerij of de mesterij wordt gehouden;
10° niet-gespeende biggen: de varkens vanaf de geboorte tot en met het spenen;
11°

gespeende biggen: de jonge varkens die worden gehouden vanaf het spenen tot het mesten. Ze worden meestal gehouden vanaf een levend gewicht van ongeveer 8 kg tot en met 30 kg;

12° vleesvarkens: de varkens die doorgaans worden gemest vanaf een levend gewicht van 30 kg tot de slacht of de eerste dekking. Tot die categorie behoren varkens en gelten die nog niet zijn gedekt;
13° guste zeugen: de zeugen die klaar zijn om te worden gedekt, vóór de dracht;
14° dragende zeugen: de drachtige zeugen, met inbegrip van gelten;
15° kraamzeugen: de zeugen tussen de perinatale periode en het spenen van de biggen;
16° legkippen: de volwassen vrouwelijke kippen die ouder dan 16 tot 20 weken zijn, voor de productie van eieren;
17°

poeljen: de jonge kippen die onder de leeftijd voor het leggen van eieren zijn.

Poeljen die voor de eierproductie gehouden worden, worden leghennen als ze op een leeftijd van 16 tot 20 weken eieren beginnen te leggen. Opfokhanen worden tot de leeftijd van 20 weken poeljen genoemd;

18°

vleeskuikens: de kippen die voor het vlees gefokt worden;

19°

vleeskuikenouderdieren: ouderdieren, zowel mannetjes als vrouwtjes, die worden gehouden voor het leggen van eieren voor de productie van vleeskuikens;

20° ouderdieren: zowel hennen als hanen, die worden gehouden voor het leggen van broedeieren.
21° BBT-conclusies voor intensieve pluimvee- of varkenshouderij: het uitvoeringsbesluit 2017/302/EU van de Commissie van 15 februari 2017 tot vaststelling van de BBT-conclusies (beste beschikbare technieken) op grond van Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad voor intensieve pluimvee- of varkenshouderij.

  

 

 


Afdeling 3.11.2.
Algemene bepalingen


Art. 3.11.2.1.

Het milieueffect van het productieproces wordt tot een minimum beperkt door de beginselen van goede bedrijfspraktijk toe te passen met behulp van al de onderstaande technieken:

het personeel voorlichten en opleiden, namelijk over:
  a) de relevante regelgeving, veehouderij, diergezondheid en dierenwelzijn, mestbeheer, veiligheid van werknemers;
  b) het vervoeren en uitrijden van mest;
  c) de planning van de activiteiten;
  d) noodplannen en crisisbeheer;
  e) de reparatie en het onderhoud van de uitrusting;
een noodplan opstellen voor het aanpakken van onverwachte emissies en incidenten, zoals de verontreiniging van waterlichamen. Dat noodplan omvat mogelijk:
  a) een plan van de GPBV-installatie met daarop de drainagesystemen en de oorsprong van het water en het afvalwater;
  b) actieplannen voor de reactie op bepaalde potentiële gebeurtenissen, de beschikbare uitrusting om een verontreinigingsincident aan te pakken;
het regelmatig controleren, herstellen en onderhouden van structuren en uitrusting, zoals:
  a) opslagplaatsen voor mengmest, optekenen van beschadiging, aantasting en lekkage;
  b) drijfmestpompen, -mixers, -scheiders en -irrigatoren;
  c) systemen voor de toevoer van water en voeder;
  d) ventilatiesystemen en temperatuursensoren;
  e) silo’s en transportuitrusting;
  f) luchtzuiveringssystemen;
  Hieronder kunnen ook de hygiëne van de GPBV-installatie en plaagbestrijding vallen.
het zodanig opslaan van dode dieren dat emissies worden voorkomen of verminderd.

 

 


Art. 3.11.2.2. Als mest op de inrichting wordt verwerkt, wordt om stikstof-, fosfor- en geuremissies, alsook microbiële ziekteverwekkers in de lucht en het water te verminderen, en om de opslag en het uitrijden van mest te vergemakkelijken, gebruikgemaakt van een of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 19 van de BBT-conclusies voor intensieve pluimvee- of varkenshouderij.

Art. 3.11.2.3.

De volgende procesparameters worden eenmaal per jaar bepaald:

waterverbruik: registratie door middel van geschikte meters of op basis van facturen. De belangrijkste waterverbruikende processen in de stallen kunnen afzonderlijk worden gemonitord;
elektriciteitsverbruik: registratie door middel van geschikte meters of op basis van facturen. Het elektriciteitsverbruik van nieuwe stallen wordt afzonderlijk van de andere inrichtingen gemonitord. De belangrijkste energieverbruikende processen in de stallen kunnen afzonderlijk worden gemonitord;
brandstofverbruik: registratie door middel van geschikte meters of op basis van facturen;
aantal binnenkomende en uitgaande dieren, in voorkomend geval met inbegrip van geboorten en sterfgevallen: registratie in bestaande registers;
voederconsumptie: registratie op basis van facturen of in bestaande registers;
mestproductie: registratie in bestaande registers.

 

 


Afdeling 3.11.3.
Nutritioneel management


Art. 3.11.3.1.

Voor stikstofemissies zijn de volgende milieuprestatieniveaus van toepassing voor de volgende diercategorieën:

parameter

diercategorie

milieuprestatieniveau, jaargemiddelde (in kg/dierplaats)

totaal uitgescheiden stikstof

gespeende biggen

4,0

vleesvarkens

13,0

zeugen, inclusief niet-gespeende biggen

 

30,0

legkippen

0,8

slachtkuikens

0,6

eenden

0,8

kalkoenen

2,3


Art. 3.11.3.2.

Voor fosforemissies zijn de volgende milieuprestatieniveaus van toepassing voor de volgende diercategorieën:

parameter

diercategorie

milieuprestatieniveau, jaargemiddelde (in kg/dierplaats)

totaal uitgescheiden fosfor

gespeende biggen

2,2

vleesvarkens

5,4

zeugen, inclusief niet-gespeende biggen

 

15,0

legkippen

0,45

slachtkuikens

0,25

kalkoenen

1,0


Art. 3.11.3.3. De totale excretie van stikstof en fosfor wordt bepaald door gebruik te maken van een van de technieken, met een frequentie van minstens eenmaal per jaar per diercategorie, vermeld in BBT 24 van de BBT-conclusies voor intensieve pluimvee- of varkenshouderij.

Afdeling 3.11.4.
Water en afvalwater


Art. 3.11.4.1. Het verbruik van water wordt beperkt door gebruik te maken van een of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 5 van de BBT-conclusies voor intensieve pluimvee- of varkenshouderij.

Art. 3.11.4.2. De productie van afvalwater wordt beperkt door gebruik te maken van een of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 6 van de BBT-conclusies voor intensieve pluimvee- of varkenshouderij.

Art. 3.11.4.3.

Emissies van afvalwater naar water worden beperkt door gebruik te maken van een of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 7 van de BBT-conclusies voor intensieve pluimvee- of varkenshouderij.

 


Afdeling 3.11.5.
Energie


Art. 3.11.5.1. Energie wordt efficiënt gebruikt op GPBV-installaties door gebruik te maken van een of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 8 van de BBT- conclusies voor intensieve pluimvee- of varkenshouderij.

Afdeling 3.11.6.
Geluid


Art. 3.11.6.1. Geluidshinder en trillingen worden voorkomen of, als dat niet mogelijk is, beperkt door gebruik te maken van een of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 10 van de BBT-conclusies voor intensieve pluimvee- of varkenshouderij.

Afdeling 3.11.7.
Stof-, geur- en luchtemissies


Art. 3.11.7.1. Stofemissies, afkomstig van elke stal, worden voorkomen door gebruik te maken van een of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 11 van de BBT- conclusies voor intensieve pluimvee- of varkenshouderij.

Art. 3.11.7.2. Stofemissies, afkomstig van elke stal, worden bepaald door gebruik te maken van een van de technieken, met een frequentie van eenmaal per jaar, vermeld in BBT 27 van de BBT-conclusies voor intensieve pluimvee- of varkenshouderij.

Art. 3.11.7.3. Geurhinder wordt voorkomen of, als dat niet mogelijk is, beperkt door gebruik te maken van een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 13 van de BBT- conclusies voor intensieve pluimvee- of varkenshouderij.

Art. 3.11.7.4. Ammoniakmissies naar lucht, afkomstig van de opslag van vaste mest, worden voorkomen door gebruik te maken van een of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 14 van de BBT-conclusies voor intensieve pluimvee- of varkenshouderij.

Art. 3.11.7.5. Ammoniakemissies, afkomstig uit opslagplaatsen voor mengmest, worden voorkomen door gebruik te maken van een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 16 van de BBT-conclusies voor intensieve pluimvee- of varkenshouderij.

Art. 3.11.7.6. Om een ammoniakemissiereductie van het hele productieproces voor zowel varkens als pluimvee te verwezenlijken, is de BBT om de vermindering van de ammoniakemissies uit het hele productieproces te ramen of te berekenen door de op de inrichting geïmplementeerde BBT in rekening te brengen. De emissiereductie wordt hieruit bepaald.

Art. 3.11.7.7.

Ammoniak-, stof- en geuremissies, afkomstig van elke stal die uitgerust is met een luchtwassysteem, worden gemeten door gebruik te maken van al de onderstaande technieken:

eenmalige controle van de prestaties van het luchtzuiveringssysteem door ammoniak, geur of stof onder reële bedrijfsomstandigheden te meten volgens een voorgeschreven meetprotocol, waarbij EN-standaardmethoden of andere methoden worden gebruikt die waarborgen dat gegevens van een gelijkwaardige wetenschappelijke kwaliteit worden verstrekt. Deze techniek is niet van toepassing als het luchtzuiveringssysteem is gecontroleerd in combinatie met een soortgelijk stalsysteem in soortgelijke bedrijfsomstandigheden;

dagelijkse controle van de doeltreffende werking van het luchtzuiveringssysteem.

    


Art. 3.11.7.8.

Voor ammoniakemissies naar lucht, afkomstig van elke varkensstal, zijn de volgende emissiegrenswaarden van toepassing voor de volgende diercategorieën:

diercategorie

staltype (1)

emissiegrenswaarde, jaargemiddelde (in kg

NH3/dierplaats)

gespeende biggen

nieuw

0,26

 

bestaand

0,7 (2)

kraamzeugen (met inbegrip van biggen) in

kraamboxen

nieuw

4,0

 

bestaand

7,5 (3)

guste en drachtige zeugen

nieuw

2,6

 

bestaand

4,0 (4)

vleesvarkens

nieuw

1,4

 

bestaand

3,5 (5)

(1)   In bestaande varkensstallen die niet gebouwd zijn conform een techniek die is opgenomen in de lijst van ammoniakemissiearme stallen, moeten steeds voedingsbeheertechnieken toegepast worden.

(2)   Deze emissiegrenswaarde is van toepassing voor varkensstallen met een mestkelder in combinatie met voedingsbeheertechnieken, en voor varkensstallen waar techniek a6, a7 of a8 toegepast worden, vermeld in BBT-30 van de BBT-conclusies voor intensieve pluimvee- of varkenshouderij. Voor andere varkensstallen geldt een emissiegrenswaarde van 0,53 kg NH3/dierplaats/jaar.

(3)   Deze emissiegrenswaarde is van toepassing voor varkensstallen met een mestkelder in combinatie met een aanvullende risicobeperkende maatregel, vermeld in techniek a0 in BBT-30 van de BBT-conclusies voor intensieve pluimvee- of varkenshouderij. Voor andere varkensstallen geldt een emissiegrenswaarde van 5,6 kg NH3/dierplaats/jaar.

(4)   Deze emissiegrenswaarde is van toepassing voor varkensstallen met een mestkelder in combinatie met voedingsbeheertechnieken. Voor varkensstallen waar techniek a6, a7 of a11 vermeld in BBT-30 van de BBT-conclusies voor intensieve pluimvee- of varkenshouderij toegepast wordt, geldt een emissiegrenswaarde van 5,2 kg NH3/dierplaats/jaar. Voor andere varkensstallen geldt een emissiegrenswaarde van 2,7 kg NH3/dierplaats/jaar.

(5)   Deze emissiegrenswaarde is van toepassing voor varkensstallen met een mestkelder in combinatie met voedingsbeheertechnieken, en voor varkensstallen waar techniek a6, a7, a8 of a16 toegepast worden, vermeld in BBT-30 van de BBT- conclusies voor intensieve pluimvee- of varkenshouderij. Voor andere varkensstallen geldt een emissiegrenswaarde van 2,6 kg NH3/dierplaats/jaar.

 

Voor biolandbouwbedrijven kan in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit bepaald worden dat ze niet hoeven te voldoen aan de emissiegrenswaarden, vermeld in het eerste lid.


Art. 3.11.7.9. Ammoniakemissies in de lucht uit elke stal voor legkippen, vleeskuikenouderdieren en poeljen worden voorkomen door gebruik te maken van een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 31 van de BBT-conclusies voor intensieve pluimvee- of varkenshouderij.

Art. 3.11.7.10.

Voor ammoniakemissies naar lucht, afkomstig van elke stal voor legkippen, zijn de volgende emissiegrenswaarden van toepassing voor de volgende diercategorieën:

diercategorie

staltype

emissiegrenswaarde, jaargemiddelde (in kg NH3/dierplaats)

kooi opfokpoeljen

legkippen

nieuw

0,02

bestaand

0,045

kooilegkippen

nieuw

0,035

bestaand

0,08

niet-kooiopfokpoeljen legkippen

nieuw

0,086

bestaand

0,17 (1)

niet-kooilegkippen

nieuw

0,125

bestaand

0,25 (1)

(1) Deze emissiegrenswaarden zijn van toepassing voor stallen met een mechanisch ventilatiesysteem en onregelmatige mestverwijdering, in combinatie met een maatregel die zorgt voor een hoog drogestofgehalte van de mest. Voor andere stallen geldt een emissiegrenswaarde van 0,13 kg NH3/dierplaats/jaar.

 

Voor biolandbouwbedrijven kan in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit bepaald worden dat ze niet hoeven te voldoen aan de emissiegrenswaarden, vermeld in het eerste lid.


Art. 3.11.7.11.

Voor ammoniakemissies naar lucht, afkomstig van elke stal voor vleeskuikens met een uiteindelijk gewicht van maximaal 2,5 kg, zijn de volgende emissiegrenswaarden van toepassing:

diercategorie

staltype

emissiegrenswaarde, jaargemiddelde (in kg NH3/dierplaats)

vleeskuikens

nieuw

0,045

bestaand

0,08

 

De emissiegrenswaarden, vermeld in het eerste lid, zijn niet van toepassing op de volgende soorten landbouw, zoals gedefinieerd in de verordening (EG) 543/2008 van de Commissie van 16 juni 2008 houdende uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad wat betreft de handelsnormen voor vlees van pluimvee:

1°      „Scharrel … binnengehouden”;

2°      „Scharrel … met uitloop”;

3°      „Boerenscharrel … met uitloop”;

4°      „Hoeve … met uitloop”;

5°      „Boerenscharrel … met vrije uitloop”;

6°      „Hoeve … met vrije uitloop”.

 

Voor biolandbouwbedrijven kan in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit bepaald worden dat ze niet hoeven te voldoen aan de emissiegrenswaarden, vermeld in het eerste lid.


Art. 3.11.7.12.

Ammoniakemissies als vermeld in artikel 3.11.7.8, 3.11.7.10 en 3.11.7.11, worden bepaald door toepassing van een van de technieken en de bijbehorende frequentie, vermeld in BBT 25 van de BBT-conclusies voor intensieve pluimvee- of varkenshouderij.


Art. 3.11.7.13. Ammoniakemissies naar lucht, afkomstig van elke eendenstal, worden voorkomen door gebruik te maken van een of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 33 van de BBT-conclusies voor intensieve pluimvee- of varkenshouderij.

Art. 3.11.7.14. Ammoniakemissies naar lucht, afkomstig van elke kalkoenstal, worden voorkomen door gebruik te maken van een of een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 34 van de BBT-conclusies voor intensieve pluimvee- of varkenshouderij.

Afdeling 3.11.8.
Emissies naar bodem, water en grondwater


Art. 3.11.8.1. Emissies, afkomstig van de opslag van vaste mest, naar bodem, water en grondwater worden voorkomen of, als dat niet mogelijk is, beperkt door gebruik te maken van een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 15 van de BBT-conclusies voor intensieve pluimvee- of varkenshouderij.

Art. 3.11.8.2. Emissies naar bodem en water, afkomstig van het verzamelen van drijfmest, het transport ervan via leidingen of de lekkage uit een reservoir, worden voorkomen of, als dat niet mogelijk is, beperkt door gebruik te maken van een combinatie van de technieken, vermeld in BBT 18 van de BBT-conclusies voor intensieve pluimvee- of varkenshouderij.

Deel 4.
Wijzigings- en slotbepalingen


Hoofdstuk 4.1.
Wijzigingsbepalingen


Afdeling 4.1.1.
Wijzigingen van titel I van het VLAREM


Art. 4.1.1.1.

In artikel 1, 13°, c), van het besluit van de Vlaamse Regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt de zinsnede “en artikel 4.1.13.3, 2° van titel II van het VLAREM” opgeheven.


Art. 4.1.1.2.

In artikel 5, §7, 1°, h), van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 januari 1999 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt de zinsnede “43ter” vervangen door de zinsnede “2.1.1 van titel III van het VLAREM”.


Art. 4.1.1.3.

In artikel 30, §1, vijfde lid, 3°, van hetzelfde besluit, toegevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

 

1° de zinsnede “1.2.2bis.4 van titel II van het VLAREM” wordt vervangen door de zinsnede “1.4 van titel III van het VLAREM”;

 

2° de zinsnede “1.2.2bis.3, 1°, van titel II van het VLAREM” wordt vervangen door de zinsnede “1.4, derde lid, van titel III van het VLAREM”.

 


Art. 4.1.1.4.

In artikel 30bis van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 januari 1999 en het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

 

1° in paragraaf 2, punt 13° wordt de zinsnede “43ter” vervangen door de zinsnede “2.1.1 van titel III van het VLAREM”;

 

2° in paragraaf 6 wordt de zinsnede “afdeling 1.2.2bis van titel II van het VLAREM” vervangen door de zinsnede “artikel 1.4 van titel III van het VLAREM”;

 

3° in paragraaf 8 wordt de zinsnede “afdeling 1.2.2bis van titel II van het VLAREM” vervangen door de zinsnede “artikel 1.4 van titel III van het VLAREM”;

 

4° in paragraaf 11 wordt de zinsnede “43ter, 1° en 1°bis” vervangen door de zinsnede “2.1.1, 1° en 2° van titel III van het VLAREM”.


Art. 4.1.1.5.

In artikel 41bis van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 januari 1999, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

 

1° in punt 2° wordt de zinsnede “afdeling 1.2.2bis van titel II van het VLAREM” vervangen door de zinsnede “artikel 1.4 van titel III van het VLAREM”;

 

2° in punt 5° wordt de zinsnede “afdeling 1.2.2.bis van titel II van het VLAREM” vervangen door de zinsnede “artikel 1.4 van titel III van het VLAREM” en wordt de zinsnede

“1.2.2bis.3 van titel II van het VLAREM” vervangen door de zinsnede “1.4, derde lid, van titel III van het VLAREM”.


Art. 4.1.1.6.

Artikel 43ter van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 12 januari 1999 en vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt opgeheven.


Art. 4.1.1.7.

Artikel 43quater van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt opgeheven.


Art. 4.1.1.8.

in bijlage 4 B, 1, h) van hetzelfde besluit, vervangen bij het besluit van de Vlaamse Regering van 24 april 2009 en het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt de zinsnede “43ter” vervangen door de zinsnede “2.1.1 van titel III van het VLAREM”.


Afdeling 4.1.2.
Wijzigingen van titel II van het VLAREM


Art. 4.1.2.1.

In het besluit van de Vlaamse Regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 17 januari 2014, wordt afdeling 1.2.2bis, die bestaat uit artikel 1.2.2bis.1 tot en met 1.2.2bis.4, opgeheven.


Art. 4.1.2.2.

In afdeling 1.2.2ter van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt de zinsnede “1.2.2bis.4” telkens vervangen door de zinsnede “1.4, vierde lid, van titel III van het VLAREM”.


Art. 4.1.2.3.

In hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 17 januari 2014, wordt afdeling 4.1.13, die bestaat uit artikel 4.1.13.1 tot en met 4.1.13.5, opgeheven.


Art. 4.1.2.4.

In onderafdeling 4.4.7.2 van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 januari 2013, wordt een artikel 4.4.7.2.2bis ingevoegd, dat luidt als volgt:

 

“Art. 4.4.7.2.2bis. Silo’s voor de opslag van stuivende stoffen van stuifcategorie SC1 en SC2 worden uitgerust met een stofverwijderingsinstallatie. Er geldt een emissiegrenswaarde voor stof van 10 mg/Nm³.

 

Voor installaties vergund voor 1 juli 2014, geldt deze bepaling vanaf 1 juli 2017.”.


Art. 4.1.2.5.

In hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 17 januari 2014, wordt afdeling 5.20.3, die bestaat uit artikel 5.20.3.1 tot en met 5.20.3.10, opgeheven.


Art. 4.1.2.6.

In artikel 5.29.0.4, §3, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 januari 2013, wordt het tweede lid vervangen door wat volgt:

 

“Deze bepalingen gelden tot 1 juli 2017.”.

 


Art. 4.1.2.7.

In artikel 5.29.0.6 van hetzelfde besluit, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse regering van 7 juni 2013, worden de volgende wijzigingen aangebracht:

 

1° in paragraaf 1 wordt het dertiende lid opgeheven;

 

2° in paragraaf 2, wordt punt 1° opgeheven.

 


Art. 4.1.2.8.

Aan artikel 5.30.0.4, §4, van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 19 september 2008 en gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 18 januari 2013, wordt een tweede lid toegevoegd, dat luidt als volgt:

 

“Deze bepalingen gelden tot 1 juli 2017.”.


Art. 4.1.2.9.

Bijlage 1.2.2bis van hetzelfde besluit, ingevoegd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt opgeheven.


Afdeling 4.1.3.
Wijzigingen van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid


Art. 4.1.3.1.

Aan het besluit van de Vlaamse Regering van 12 december 2008 tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, het laatst gewijzigd bij het besluit van de Vlaamse Regering van 7 juni 2013, wordt een bijlage XXXIV toegevoegd, die als bijlage 3 bij dit besluit is gevoegd.


Hoofdstuk 4.2.
Slotbepalingen


Art. 4.2.1.

Dit besluit wordt aangehaald als: titel III van het VLAREM van 16 mei 2014.


Art. 4.2.2. De Vlaamse minister, bevoegd voor het leefmilieu en het waterbeleid, is belast met de uitvoering van dit besluit.

Bijlagen.


Bijlage 1. Lijst van GPBV-activiteiten, conform bijlage I van de richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging)

De hieronder genoemde drempelwaarden hebben in het algemeen betrekking op de productiecapaciteit of op het vermogen. Wanneer in dezelfde installatie verscheidene, onder dezelfde beschrijving vallende activiteiten met drempelwaarde, worden uitgeoefend, worden de capaciteiten van de activiteiten bij elkaar opgeteld. Voor afvalbeheeractiviteiten is deze berekeningsmethode van toepassing op de activiteitenniveaus 5.1 en 5.3, onder a) en b).

 

1. Energie-industrieën 
  1.1.

Het stoken in installaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van 50 MW of meer.

  1.2.

Het raffineren van aardolie en gas.

  1.3. De productie van cokes.
  1.4.

Het vergassen of vloeibaar maken van:

    a)

steenkool;

    b)

andere brandstoffen in installaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van 20 MW of meer.

       
2. Productie en verwerking van metalen
  2.1.

Het roosten of sinteren van ertsen, met inbegrip van zwavelhoudend erts.

  2.2.

De productie van ijzer of staal (primaire of secundaire smelting), met inbegrip van continugieten met een capaciteit van meer dan 2,5 t per uur.

  2.3.

De verwerking van ferrometalen door: 

    a) warmwalsen met een capaciteit van meer dan 20 t ruwstaal per uur;
    b)

smeden met hamers met een slagarbeid van meer dan 50 kilojoule per hamer, wanneer een thermisch vermogen van meer dan 20 MW wordt gebruikt; 

    c)

het aanbrengen van deklagen van gesmolten metaal, met een verwerkingscapaciteit van meer dan 2 t ruwstaal per uur.

  2.4.

Het smelten van ferrometalen met een productiecapaciteit van meer dan 20 t per dag. 

  2.5. De verwerking van non-ferrometalen:
    a)

de winning van ruwe non-ferrometalen uit erts, concentraat of secundaire grondstoffen met metallurgische, chemische of elektrolytische procedés;

    b)

het smelten, met inbegrip van het legeren van non-ferrometalen, inclusief terugwinningsproducten en het gieten van non-ferrometalen met een smeltcapaciteit van meer dan 4 t per dag voor lood en cadmium of 20 t per dag voor alle andere metalen.

  2.6.

Oppervlaktebehandeling van metalen of kunststoffen door middel van een elektrolytisch of chemisch procedé, wanneer de inhoud van de gebruikte behandelingsbaden meer dan 30 m3 bedraagt. 

       
3. Minerale industrie
  3.1. De productie van cement, ongebluste kalk en magnesiumoxide:
    a)

productie van cementklinkers in draaiovens met een productiecapaciteit van meer dan 500 t per dag, of in andere ovens met een productiecapaciteit van meer dan 50 t per dag;

    b)

productie van ongebluste kalk in ovens met een productiecapaciteit van meer dan 50 t per dag;

    c) productie van magnesiumoxide in ovens met een productiecapaciteit van meer dan 50 t per dag.
  3.2. De winning van asbest of de fabricage van asbestproducten.
  3.3.

De fabricage van glas, met inbegrip van de fabricage van glasvezels, met een smeltcapaciteit van meer dan 20 t per dag.

  3.4.

Het smelten van minerale stoffen, met inbegrip van de fabricage van mineraalvezels, met een smeltcapaciteit van meer dan 20 t per dag.

  3.5. Het fabriceren van keramische producten door middel van verhitting, met name dakpannen, bakstenen, vuurvaste stenen, tegels, aardewerk of porselein, met een productiecapaciteit van meer dan 75 t per dag en/of met een ovencapaciteit van meer dan 4 m3 en met een plaatsingsdichtheid per oven van meer dan 300 kg/m3.
       
4.

Chemische industrie

Voor de doeleinden van dit deel wordt onder fabricage in de zin van de categorieën activiteiten in dit deel verstaan de fabricage van de in 4.1 tot en met 4.6 genoemde stoffen of groepen stoffen op industriële schaal door chemische of biologische omzetting.    

  4.1. De fabricage van organisch-chemische producten, zoals:
    a)

eenvoudige koolwaterstoffen (lineaire of cyclische, verzadigde of onverzadigde, alifatische of aromatische),

    b)

zuurstofhoudende koolwaterstoffen, zoals alcoholen, aldehyden, ketonen, carbonzuren, esters en mengsels van esters, acetaten, ethers, peroxiden en epoxyharsen;

    c)

zwavelhoudende koolwaterstoffen;

    d)

stikstofhoudende koolwaterstoffen, zoals aminen, amiden, nitroso-, nitro- en nitraatverbindingen, nitrillen, cyanaten, isocyanaten; 

    e)

fosforhoudende koolwaterstoffen; 

    f)

halogeenhoudende koolwaterstoffen; 

    g)

organometaalverbindingen; 

    h) kunststof materialen (polymeren, kunstvezels, cellulosevezels);
    i)

synthetische rubber; 

    j)

kleurstoffen en pigmenten;

    k)

tensioactieve stoffen en tensiden. 

  4.2.

De fabricage van anorganisch-chemische producten zoals: 

    a)

gassen zoals ammoniak, chloor of chloorwaterstof, fluor of fluorwaterstof, kooloxiden, zwavelverbindingen, stikstofoxiden, waterstof, zwaveldioxide, carbonylchloride;

    b)

zuren zoals chroomzuur, fluorwaterstofzuur, fosforzuur, salpeterzuur, zoutzuur, zwavelzuur, oleum, zwaveligzuur; 

    c) basen zoals ammoniumhydroxide, kaliumhydroxide, natriumhydroxide;
    d)

zouten zoals ammoniumchloride, kaliumchloraat, kaliumcarbonaat, natriumcarbonaat, perboraat, zilvernitraat; 

    e)

niet-metalen, metaaloxiden of andere anorganische verbindingen, zoals calciumcarbide, silicium, siliciumcarbide. 

  4.3. De fabricage van fosfaat-, stikstof- of kaliumhoudende meststoffen (enkelvoudige of samengestelde meststoffen).
  4.4. De fabricage van producten voor gewasbescherming of van biociden.
  4.5.

De fabricage van farmaceutische producten met inbegrip van tussenproducten.

  4.6.

De fabricage van explosieven.

       
5. Afvalbeheer
  5.1.

De verwijdering of nuttige toepassing van gevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van meer dan 10 t per dag door middel van een of meer van de volgende activiteiten: 

    a)

biologische behandeling;

    b) fysisch-chemische behandeling;
    c)

mengen of vermengen, voorafgaand aan een van de onder 5.1 en 5.2 vermelde behandelingen;

    d)

herverpakking, voorafgaand aan een van de onder 5.1 en 5.2 vermelde behandelingen; 

    e) terugwinning/regeneratie van oplosmiddelen;
    f)

recycling/terugwinning van andere anorganische materialen dan metalen of metaalverbindingen; 

    g)

regeneratie van zuren of basen; 

    h)

terugwinning van bestanddelen die worden gebruikt om vervuiling tegen te gaan; 

    i)

terugwinning van bestanddelen uit katalysatoren; 

    j) herraffinage van olie en ander hergebruik van olie;
    k)

opslag in waterbekkens. 

  5.2.

De verwijdering of nuttige toepassing van afvalstoffen in afvalverbrandings- of afvalmeeverbrandingsinstallaties voor:

    a)

ongevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van meer dan 3 t per uur;

    b)

gevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van meer dan 10 t per dag. 

  5.3. a)

de verwijdering van ongevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van meer dan 50 t per dag door middel van een of meer van de volgende activiteiten, met uitzondering van de activiteiten, bedoeld in Richtlijn 91/271/EEG van de Raad van 21 mei 1991 inzake de behandeling van stedelijk afvalwater :

      i) biologische behandeling;
     

ii) fysisch-chemische behandeling; 

     

iii) voorbehandeling van afval voor verbranding of meeverbranding; 

     

iv) behandeling van slakken en as; 

      v) behandeling in shredders van metaalafval, met inbegrip van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur en autowrakken en de onderdelen daarvan; 
    b)

nuttige toepassing of een combinatie van nuttige toepassing en verwijdering van ongevaarlijke afvalstoffen met een capaciteit van meer dan 75 t per dag door middel van een of meer van de volgende activiteiten, met uitzondering van activiteiten die onder richtlijn 91/271/EEG inzake de behandeling van stedelijk afvalwater vallen:

     

i) biologische behandeling;

     

ii) voorbehandeling van afval voor verbranding of meeverbranding;

     

iii) behandeling van slakken en as;

     

iv) behandeling in shredders van metaalafval, met inbegrip van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur en autowrakken en de onderdelen daarvan. 

     

Indien de behandeling van het afval beperkt blijft tot anaërobe vergisting, bedraagt de maximale capaciteit voor deze activiteit 100 t per dag. 

  5.4.

Stortplaatsen, als gedefinieerd in artikel 2, onder g), van Richtlijn 1999/31/EG van de Raad van 26 april 1999 betreffende het storten van afvalstoffen, die meer dan 10 t afval per dag ontvangen of een totale capaciteit van meer dan 25000 t hebben, met uitzondering van stortplaatsen voor inerte afvalstoffen.

  5.5.

Tijdelijke opslag van niet onder punt 5.4 vallende gevaarlijke afvalstoffen, in afwachting van een van de onder de punten 5.1, 5.2, 5.4 en 5.6 vermelde behandelingen, met een totale capaciteit van meer dan 50 t, met uitsluiting van tijdelijke opslag, voorafgaande aan inzameling, op de plaats van productie. 

  5.6.

Ondergrondse opslag van gevaarlijke afvalstoffen met een totale capaciteit van meer dan 50 t.

       
6. Andere activiteiten 
  6.1.

De fabricage, in industriële installaties van:

    a) papierpulp uit hout of uit andere vezelstoffen; 
    b)

papier of karton met een productiecapaciteit van meer dan 20 t per dag;

    c) 

een of meer van de volgende platen en panelen van hout: oriented strand board (OSB), spaanplaat of vezelplaat met een productiecapaciteit van meer dan 600 m³ per dag. 

  6.2.

De voorbehandeling (zoals wassen, bleken, merceriseren) of het verven van textiel vezels of textiel met een verwerkingscapaciteit van meer dan 10 t per dag. 

  6.3. Het looien van huiden met een verwerkingscapaciteit van meer dan 12 t eindproducten per dag.
  6.4. a)

De exploitatie van slachthuizen met een productiecapaciteit van meer dan 50 t per dag geslachte dieren;

    b)

De bewerking en verwerking, behalve het uitsluitend verpakken, van de volgende grondstoffen, al dan niet eerder bewerkt of onbewerkt, voor de fabricage van levensmiddelen of voeder van: 

     

i) uitsluitend dierlijke grondstoffen (andere dan uitsluitend melk) met een productiecapaciteit van meer dan 75 t per dag eindproducten;

     

ii) uitsluitend plantaardige grondstoffen met een productiecapaciteit van meer dan 300 t per dag eindproducten of 600 t per dag eindproducten indien de installatie gedurende een periode van niet meer dan 90 opeenvolgende dagen in om het even welk jaar in bedrijf is; 

     

iii) dierlijke en plantaardige grondstoffen, zowel in gecombineerde als in afzonderlijke producten, met een productiecapaciteit in ton per dag van meer dan:

     - 75 indien A gelijk is aan of hoger dan 10, of;

     - [300- (22,5 × A)] in alle andere gevallen,

waarin "A" het aandeel dierlijk materiaal is (in gewichtspercentage) van de productiecapaciteit in eindproducten.

   

De verpakking is niet inbegrepen in het eindgewicht van het product.

     

 

   

Deze onderafdeling is niet van toepassing wanneer de grondstof uitsluitend melk is;

 

 

 

    c)

De bewerking en verwerking van uitsluitend melk, met een hoeveelheid ontvangen melk van meer dan 200 t per dag (gemiddelde waarde op jaarbasis).

  6.5.

De destructie of verwerking van kadavers of dierlijk afval met een verwerkingscapaciteit van meer dan 10 t per dag. 

  6.6.

Intensieve pluimvee- of varkenshouderij: 

    a) met meer dan 40000 plaatsen voor pluimvee;
    b)

met meer dan 2000 plaatsen voor mestvarkens (van meer dan 30 kg), of; 

    c)

met meer dan 750 plaatsen voor zeugen.

  6.7.

De oppervlaktebehandeling van stoffen, voorwerpen of producten met behulp van organische oplosmiddelen, in het bijzonder voor het appreteren, bedrukken, het aanbrengen van een laag, het ontvetten, het vochtdicht maken, lijmen, verven, reinigen of impregneren, met een verbruikscapaciteit van meer dan 150 kg organisch oplosmiddel per uur of meer dan 200 t per jaar. 

  6.8.

De fabricage van koolstof (harde gebrande steenkool) of elektrografiet door verbranding of grafitisering.

  6.9.

Het afvangen van CO2-stromen van onder richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) vallende installaties voor geologische opslag overeenkomstig Richtlijn 2009/31/EG. 

  6.10.

De conservering van hout en houtproducten met behulp van chemische stoffen met een productiecapaciteit van meer dan 75 m3 per dag, met uitzondering van de behandeling die uitsluitend gericht is op het voorkomen van sapvlekken. 

  6.11.

Een niet onder het toepassingsgebied van Richtlijn 91/271/EEG vallende zelfstandig geëxploiteerde behandeling van afvalwater dat door een GPBV-installatie is geloosd. 


Bijlage 2. Maximale emissiegrenswaarden voor de individuele afwijkingen op de BBT-GEN voor GPBV-installaties als vermeld in artikel 1.4, conform de richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging), hierna Richtlijn Industriële Emissies (EU) nr. 2010/75 genoemd.

 

1.

Technische bepalingen inzake afvalverbrandingsinstallaties en afvalmeeverbrandingsinstallaties, ingedeeld in rubrieken 2.3.4.1.b, c, e, f, g, h, j, k, l, m, 2.3.4.2.b, c, d, e, f, g, en 2.3.5 van de indelingslijst.

 

DEEL 1. Grenswaarden voor emissies naar de lucht voor afvalverbrandingsinstallaties

 

1. Alle emissiegrenswaarden worden berekend bij een temperatuur van 273,15 K, een druk van 101,3 kPa en na correctie voor het waterdampgehalte van de afgassen. Zij worden gestandaardiseerd op 11 % zuurstof in afgas, behalve bij verbranding van afgewerkte minerale olie zoals gedefinieerd in artikel 3, lid 3, van Richtlijn 2008/98/EG, die wordt gestandaardiseerd op 3 % zuurstof, en in de in deel 6, punt 2.7, bedoelde gevallen.
  1.1

Gemiddelde dagelijkse emissiegrenswaarden voor de volgende verontreinigende stoffen (mg/Nm3)

   

 

Totaal stof 10
Gas-en dampvormige organische stoffen, uitgedrukt in totale organische koolstof (TOC) 10
Waterstofchloride (HCl) 10
Waterstoffluoride (HF) 1
Zwaveldioxide (SO2) 50
Stikstofmonoxide (NO) en stikstofdioxide (NO2), uitgedrukt in NO2 voor bestaande afvalverbrandingsinstallaties met een nominale capaciteit van meer dan 6t per uur of nieuwe afvalverbrandingsinstallaties 200
Stikstofmonoxide (NO) en stikstofdioxide (NO2), uitgedrukt in NO2voor bestaande afvalverbrandingsinstallaties met een nominale capaciteit van 6t per uur of minder 400

  

   1.2

Gemiddelde halfuurlijkse emissiegrenswaarden voor de volgende verontreinigende stoffen (mg/Nm3)

   
  (100 %) A (97 %) B
Totaal stof  30  10
Gas-en dampvormige organische stoffen, uitgedrukt in totale organische koolstof (TOC) 20  10
Waterstofchloride (HCl) 60  10
Waterstoffluoride (HF) 4  2
Zwaveldioxide (SO2)  200  50
Stikstofmonoxide (NO) en stikstofdioxide (NO2), uitgedrukt in NO2 voor bestaande afvalverbrandingsinstallaties met een nominale capaciteit van meer dan 6t per uur of nieuwe afval verbrandingsinstallaties 400  200
  1.3

Gemiddelde emissiegrenswaarden (mg/Nm3) voor de volgende zware metalen over een bemonsteringsperiode van minimaal 30 minuten en maximaal acht uur 

     
Cadmium en de verbindingen daarvan, uitgedrukt als cadmium (Cd) Totaal: 0,05
Thallium en de verbindingen daarvan, uitgedrukt als thallium (Tl)
Kwik en kwikverbindingen, uitgedrukt als kwik (Hg) 0,05
Antimoon en antimoonverbindingen, uitgedrukt in antimoon (As)  Totaal: 0,5
Arseen en de verbindingen daarvan, uitgedrukt als arseen (As)
Lood en loodverbindingen, uitgedrukt als lood (Pb)
Chroom en de verbindingen daarvan, uitgedrukt als chroom (Cr)
Kobalt en kobaltverbindingen, uitgedrukt als kobalt (Co) 
Koper en de verbindingen daarvan, uitgedrukt als koper (Cu)
Mangaan en mangaanverbindingen, uitgedrukt in mangaan (Mn) 
Nikkel en de verbindingen daarvan, uitgedrukt als nikkel (Ni)
Vanadium en vanadiumverbindingen, uitgedrukt in vanadium (V)
 

Deze gemiddelden omvatten eveneens de gas-en dampvormige emissies van de betrokken zware metalen en de verbindingen daarvan.  

     
   1.4

Gemiddelde emissiegrenswaarden (ng/Nm3) voor dioxines en furanen over een bemonsteringsperiode van minimaal zes en maximaal acht uur. De emissiegrenswaarde heeft betrekking op de totale concentratie dioxinen en furanen, berekend overeenkomstig deel 2 van bijlage VI van de Richtlijn Industriële Emissies (EU) nr. 2010/75. 

   
Dioxinen en furanen 0,1
  1.5 

De emissiegrenswaarden (mg/Nm3) voor koolmonoxide (CO) in de afgassen:

  a)

een daggemiddelde van 50;

  b)

een halfuurgemiddelde van 100;

  c)

een 10-minutengemiddelde van 150. 

 

 

De bevoegde autoriteit kan vrijstelling verlenen van de in dit punt vermelde emissiegrenswaarden voor afvalverbrandingsinstallaties die de wervelbedtechnologie gebruiken, mits in de vergunning een emissiegrenswaarde voor koolmonoxide (CO) van niet meer dan 100mg/Nm3 als uurgemiddelde is bepaald. 

   

 

2.

Emissiegrenswaarden die van toepassing zijn in de in artikel 46, lid 6, en artikel 47 van de Richtlijn Industriële Emissies (EU) nr. 2010/75, vermelde omstandigheden.

De totale stof concentratie van de emissies in de atmosfeer van een afval verbrandingsinstallatie overschrijdt onder geen enkele voorwaarde een halfuurgemiddelde van 150 mg/Nm3. De in de punten 1.2 en 1.5 b) vermelde grenswaarden voor TOC en CO voor emissies in de lucht mogen niet worden overschreden.

   
3. 

De lidstaten kunnen regels stellen voor de vrijstellingen waarin dit deel voorziet. 

   

 

DEEL 2. Grenswaarden voor emissies naar de lucht voor afvalmeeverbrandingsinstallaties

 

1.

Wanneer een specifieke totale emissiegrenswaarde„C” niet in een tabel in dit deel is opgenomen, moet de volgende formule (mengregel) worden toegepast.

 

De emissiegrenswaarde voor elke relevante verontreinigende stof en voor CO in het afgas dat ontstaat bij de meeverbranding van afvalstoffen wordt als volgt berekend:

 

   

  

Vafval:  

Het volume afgas uitsluitend ten gevolge van de verbranding van afvalstoffen, bepaald op basis van de in de vergunning gespecificeerde afvalstof met de laagste calorische waarde en herleid tot de in de Richtlijn Industriële Emissies (EU) nr. 2010/75 vastgestelde condities.

Indien de warmte die vrijkomt bij de verbranding van gevaarlijke afvalstoffen minder dan 10 % bedraagt van de totale in de installatie vrijkomende warmte, moet Vafval worden berekend op basis van een (theoretische) hoeveelheid afvalstoffen die bij verbranding, bij een vastgestelde totale vrijkomende warmte, 10 % van de vrijkomende warmte zou opleveren

Cafvalstoffen:

De emissiegrenswaarde voor de in deel 3 vermelde afval verbrandingsinstallaties

Vproces:

Het volume afgas ten gevolge van het in de installatie plaatsgrijpend proces, met inbegrip van de verbranding van de toegestane normaal in de verbrandingsinstallatie gebruikte brandstoffen (geen afvalstoffen), bepaald op basis van het zuurstofgehalte waartoe de emissies herleid moeten worden, zoals vastgesteld in de wetgeving van de Unie of de nationale wetgeving. Ingeval er geen wetgeving voor dit soort installaties bestaat, moet het werkelijke zuurstofgehalte in het afgas, zonder verdunning door toevoeging van voor het verbrandingsproces onnodige lucht, worden gebruikt.

Cproces:

De emissiegrenswaarde die in dit deel voor bepaalde industriële activiteiten is vastgesteld, of, indien een dergelijke waarde ontbreekt, de emissiegrenswaarde voor verbrandingsinstallaties die aan de voor die installaties geldende wettelijke en bestuursrechtelijke nationale bepalingen voldoen, wanneer daarin de normaal toegestane brandstoffen (geen afvalstoffen) worden gestookt. Bij ontbreken van dergelijke bepalingen wordt de in de vergunning vermelde emissiegrenswaarde gebruikt. Indien in de vergunning geen grenswaarde wordt vermeld, wordt de werkelijke massaconcentratie gebruikt. 

C: 

De totale emissiegrenswaarde bij een zuurstofgehalte dat in dit deel voor bepaalde industriële activiteiten en bepaalde verontreinigende stoffen is vastgesteld, of, indien een dergelijke waarde ontbreekt, de totale emissiegrenswaarde die de in specifieke bijlagen bij de Richtlijn Industriële Emissies (EU) nr. 2010/75genoemde emissiegrenswaarde vervangt. Het totale zuurstofgehalte dat het zuurstofgehalte voor de herleiding vervangt, wordt berekend op basis van bovenstaand gehalte, rekening houdend met de partiële volumes.

Alle emissiegrenswaarden worden berekend bij een temperatuur van 273,15 K, een druk van 101,3 kPa en na correctie voor het waterdampgehalte van de afgassen.

De lidstaten kunnen regels stellen voor de vrijstellingen waarin dit deel voorziet.

   

 

2. 

Bijzondere voorschriften voor cementovens waarin afval wordt meeverbrand

 

 2.1

De in de punten 2.2 en 2.3 vastgestelde emissiegrenswaarden gelden als totale daggemiddelden voor stof, HCl, HF, NOx, SO2 en TOC (voor continumetingen), als gemiddelden gedurende de bemonsteringsperiode van minimum 30 minuten en maximum 8 uur voor zware metalen en als gemiddelden voor een bemonsteringsperiode van minimum 6 uur en maximum 8 uur voor dioxinen en furanen.

 

Alle waarden worden herleid tot een zuurstofgehalte van 10 %.

 

Halfuurgemiddelden zijn enkel nodig voor de berekening van de daggemiddelden. 

 

2.2

C - Totale emissiegrenswaarden (mg/Nm3 behalve voor dioxinen en furanen) voor de volgende verontreinigende stoffen 

 

 

 

 Verontreinigende stof
 Totaal stof  30
 HCl  10
 HF  1
 NOx  500 (1)
 Cd + Tl  0,05
 Hg  0,05
 Sb + As + Pb + Cr + Co + Cu + Mn + Ni + V  0,5
 Dioxinen en furanen (ng/Nm3)  0,1
(1) Tot 1 januari 2016 kunnen de bevoegde autoriteiten uitzonderingen op de NOx- grenswaarde voor Lepol-ovens en lange draaiovens   toestaan, mits in de vergunning een totale emissiegrenswaarde voor NOx van ten hoogste 800 mg/Nm3 bepaald is. 
 

2.3

C -Totale emissiegrenswaarden (mg/Nm3) voor SO2 en TOC 

 

 

 

Verontreinigende stof C
SO2 50
TOC 10
 

 

De bevoegde instantie mag voor de in dit punt vastgestelde emissiegrenswaarden vrijstellingen toekennen ingeval de TOC en SO2 niet het gevolg zijn van de meeverbranding van afvalstoffen. 

 

2.4

C -  Totale emissiegrenswaarden voor CO 

 

De bevoegde autoriteiten mogen emissiegrenswaarden voor CO vaststellen.  

 

 

 

3. Bijzondere voorschriften voor stookinstallaties waarin afval wordt meeverbrand
 

 3.1

Als daggemiddelde uitgedrukt Cproces (mg/Nm3); geldig tot de in artikel 82, lid 5, van de Richtlijn Industriële Emissies (EU) nr. 2010/75, genoemde datum.

 

Het totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van een stookinstallatie wordt bepaald aan de hand van de in artikel 29 van de Richtlijn Industriële Emissies (EU) nr. 2010/75 vastgestelde samentellingsregels. Halfuurgemiddelden zijn enkel nodig voor de berekening van de daggemiddelden.

 

Cproces voor vaste brandstoffen, uitgezonderd biomassa (O2-gehalte 6 %):

  

Verontreinigende stof  < 50 MWth   50-100 MWth  100 tot 300 MWth  > 300 MWth
 SO2  -  850  200  200
 NOx  -  400  200  200
Stof 50 50 30 30

 

 

Cproces voor biomassa (O2-gehalte 6 %):

  

Verontreinigende stof < 50 MWth 50-100 MWth 100 tot 300 MWth > 300 MWth
SO2 - 200 200 200
NOx - 350 300 200
Stof 50 50 30 30

  

 

Cproc voor vloeibare brandstoffen (O2-gehalte 3 %):

 

Verontreinigende stof < 50 MWth 50-100 MWth 100 tot 300 MWth > 300 MWth
SO2 - 850

400 to 200

(lineaire

afname in bereik 100 tot 300 MWh)

200
NOx - 400 200 200
Stof 50 50 30 30

  

 

 3.2.

Als daggemiddelde uitgedrukt Cproc (mg/Nm3), geldig vanaf de in artikel 82, lid 6, van de Richtlijn Industriële Emissies (EU) nr. 2010/75, genoemde datum

 

Het totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van een stookinstallatie wordt bepaald aan de hand van de in artikel 29 van de Richtlijn Industriële Emissies (EU) nr. 2010/75 vastgestelde samentellingsregels. Halfuurgemiddelden zijn enkel nodig voor de berekening van de daggemiddelden.

 

 3.2.1

Cproc voor stookinstallaties als bedoeld in artikel 30, lid 2,van de Richtlijn Industriële Emissies (EU) nr. 2010/75, met uitzondering van gasturbines en gasmotoren

 

Cproc voor vaste brandstoffen, uitgezonderd biomassa (O2-gehalte 6 %):

  

Verontreinigende stof < 50 MWth 50-100 MWth 100 tot 300 MWth > 300 MWth
SO2 -

400

voor turf: 300

200 200
NOx -

300

bruinkoolstof:

400

200 200
Stof 50 30

25

voor turf: 20

20

 

 

Cproc voor biomassa (O2-gehalte 6 %):

  

Verontreinigende stof < 50 MWth 50-100 MWth 100 tot 300 MWth > 300 MWth
SO2 - 200 200 200
NOx - 300 250 200
Stof 50 30 20 20

 

 

 Cproc voor vloeibare brandstoffen (O2-gehalte 3 %):

 

Verontreinigende stof < 50 MWth 50-100 MWth 100 tot 300 MWth > 300 MWth
SO2 - 350 250 200
NOx - 400 200 150
Stof 50 30 25 20

 

 

 3.2.2

Cproc voor stookinstallaties als bedoeld in artikel 30, lid 3, van de Richtlijn Industriële Emissies (EU) nr. 2010/75, met uitzondering van gasturbines en gasmotoren

 

Cproc voor vaste brandstoffen, uitgezonderd biomassa (O2-gehalte 6 %):

 

Verontreinigende stof < 50 MWth 50-100 MWth 100 tot 300 MWth > 300 MWth
SO2 -

400

voor turf: 300

200

voor turf: 300, behalve bij wervelbed-verbranding: 250

150

bij circulerende wervelbedverbranding of wervelbedverbranding onder druk of, bij turfverbranding, voor alle vormen van wervelbedverbranding: 200
NOx -

300

voor turf: 250
200

150

voor de verbranding van bruinkoolstof: 200
Stof 50 20 20

10

voor turf: 20

 

 

Cproc voor biomassa (O2-gehalte 6 %):

 

Verontreinigende stof < 50 MWth 50-100 MWth 100 tot 300 MWth > 300 MWth
SO2 - 200 200 150
NOx - 250 200 150
Stof 50 20 20 20

 

 

Cproc voor vloeibare brandstoffen (O2-gehalte 3 %): 

 

Verontreinigende stof < 50 MWth 50-100 MWth 100 tot 300 MWth > 300 MWth
SO2 - 350 200 150
NOx - 300 150 100
Stof 50 20 20 10

 

 

 3.3

C - Totale emissiegrenswaarden voor zware metalen (mg/Nm3) uitgedrukt in gemiddelden berekend over een bemonsteringsperiode van minimaal 30 minuten en maximaal 8 uur (O2-gehalte 6 % voor vaste brandstoffen, 3 % voor vloeibare brandstoffen).

 

 Verontreinigende stof
 Cd + Tl  0,05
 Hg  0,05
Sb + As + Pb + Cr + Co + Cu + Mn + Ni + V

 0,5

 

 

 3.4

C - Totale emissiegrenswaarde (ng/Nm3) voor dioxinen en furanen uitgedrukt in gemiddelden berekend over een bemonsteringsperiode van minimaal zes uur en maximaal acht uur (O2-gehalte 6 % voor vaste brandstoffen, 3 % voor vloeibare brandstoffen).

 

Verontreinigende stof C
Dioxinen en furanen 0,1
 

 

 

 4.

Bijzondere voorschriften voor meeverbrandingsafvalinstallaties in industriële sectoren die niet onder de punten 2 en 3 van dit deel vallen. 

 

4.1 

C - Totale emissiegrenswaarden (ng/Nm3) voor dioxinen en furanen uitgedrukt in gemiddelden berekend over een bemonsteringsperiode van minimaal 6 uur en maximaal 8 uur:

 

Verontreinigende stof 
 Dioxinen en furanen  0,1
 

4.2

C - Totale emissiegrenswaarden (ng/Nm3) zware metalen uitgedrukt in gemiddelden berekend over een bemonsteringsperiode van minimaal 30 minuten en maximaal 8 uur:

 

 

 

Verontreinigende stof C
Cd + Tl 0,05
Hg 0,05

 

DEEL 3. Emissiegrenswaarden voor lozingen van afvalwater van de reiniging van afgassen 

 

 

 Verontreinigende stof

Emissiegrenswaarden voor niet-

gefiltreerde monsters (mg/l behalve

voor dioxinen en furanen)  

1. Totale hoeveelheid zwevende deeltjes als omschreven in bijlage I van Richtlijn 91/271/EEG

95 %

30

100 %

45

2. Kwik en kwikverbindingen, uitgedrukt als kwik (Hg) 0,03 
3. Cadmium en de verbindingen daarvan, uitgedrukt als cadmium (Cd) 0,05 
4. Thallium en de verbindingen daarvan, uitgedrukt als thallium (Tl) 0,05 
5. Arseen en de verbindingen daarvan, uitgedrukt als arseen (As) 0,15 
6. Lood en loodverbindingen, uitgedrukt als lood (Pb) 0,2 
7. Chroom en de verbindingen daarvan, uitgedrukt als chroom (Cr) 0,5 
8. Koper en de verbindingen daarvan, uitgedrukt als koper (Cu) 0,5 
9. Nikkel en de verbindingen daarvan, uitgedrukt als nikkel (Ni)  0,5 

10.

Zink en de verbindingen daarvan, uitgedrukt als zink (Zn)

1,5
11. Dioxinen en furanen  0,3 ng/l

  

2.

Technische bepalingen voor installaties die titaandioxide produceren, ingedeeld in rubriek 7.11.2°, e), van de indelingslijst.

  

DEEL 1. Emissiegrenswaarden voor emissies in water

 

1.

Installaties die van het sulfaatproces gebruikmaken (jaarlijks gemiddelde): 

 

550 kg sulfaat per geproduceerde ton titaandioxide.  

 

 

 

2.

Installaties die van het chlorideproces gebruikmaken (jaarlijks gemiddelde): 

 

a)

130 kg chloride per geproduceerde ton titaandioxide bij gebruik van natuurlijk rutiel,

 

b)

228 kg chloride per geproduceerde ton titaandioxide bij gebruik van synthetisch rutiel,

 

c)

330 kg chloride per geproduceerde ton titaandioxide bij gebruik van slakken, Voor in zout water (in estuaria, langs de kust, in volle zee) lozende installaties mag een emissiegrenswaarde gelden van 450 kg chloride per geproduceerde ton titaandioxide bij gebruik van slakken. 

 

 

 

3. 

Voor installaties die van het chlorideproces gebruikmaken en die meer dan één soort erts gebruiken, gelden de waarden in punt 2 naar rata van de hoeveelheden waarin deze ertsen worden gebruikt.  

 

 

4.

Voor installaties die van het chlorideproces gebruikmaken en die meer dan één soort erts gebruiken, gelden de waarden in punt 2 naar rata van de hoeveelheden waarin deze ertsen worden gebruikt.

 

 

DEEL 2. Emissiegrenswaarden voor lucht

 

1.

De emissiegrenswaarden, uitgedrukt als massaconcentratie per kubieke meter (Nm3), worden berekend bij een temperatuur van 273,15 K en een druk van 101,3 kPa. 

 

 

2.

Voor stof: een uurgemiddelde van 50 mg/Nm3 uit de voornaamste bronnen en een uurgemiddelde van 150 mg/Nm3 uit andere bronnen. 

 

 

3.

Voor lozingen van gasvormig zwaveldioxide en zwaveltrioxide afkomstig van ontsluiting en roosting, met inbegrip van zuurdruppels, berekend als SO2-equivalent,

 

a)

een jaargemiddelde van 6 kg per geproduceerde ton titaandioxide;

 

b)

een uurgemiddelde van 500 mg/Nm3 voor de concentratie van afvalzuren. 

 

 

 

4.

Voor chloor in het geval van installaties die gebruikmaken van het chlorideproces:

 

a)

een dagelijkse gemiddelde van 5 mg/Nm3;

 

b)

tot een momentane waarde van 40 mg/Nm3.

 

 

 

3. 

Technische bepalingen voor installaties en activiteiten waarbij organische oplosmiddelen worden gebruikt, ingedeeld in rubriek 59 van de indelingslijst.

 

 

 

DEEL 1. Drempelwaarden en emissiegrenswaarden

  

De emissiegrenswaarden in afgassen worden gemeten bij een temperatuur van 273,15 Kelvin, en een druk van 101,3 kPa. 

 

 

Activiteit

(drempelwaardevoor verbruik oplosmiddelen in ton/jaar) 
Drempelwaarde (drempelwaarde voor verbruik oplosmiddelen in ton/ jaar)  

 Emissie-

grenswaarde in afgassen (mg C/Nm3

Diffuse-emissiegrenswaarde(percentage oplosmiddeleninput) Totale emissiegrenswaarde Bijzondere bepalingen  
   Nieuwe installaties  Bestaande installaties  Nieuwe installaties Bestaande installaties 
1. 

Heatsetrotatie-offsetdruk

(> 15)

15-25

 

> 25

100

 

20

30 (1)

 

30 (1)
  

(1) Resten oplosmiddelen in eindproduct worden niet als onderdeel van de diffuse emissie beschouwd.

2. 

Illustratiediepdruk

(> 25) 
   75  10  15      
3. 

Andere rotatiediepdruk, flexografie, rotatiezeefdruk, lamineer- of lakeenheden,

(> 15)   rotatiezeefdruk op textiel/karton (> 30)

15-25

 

> 25

 

> 30 (1)

100

 

100

 

100

25

 

20

 

20
   (1) Drempel voor rotatiezeefdruk op textiel en karton.
4. 

Oppervlaktereiniging met de in artikel 59, lid 5, van deRichtlijn Industriële Emissies (EU) nr. 2010/75 vermelde stoffen

(> 1)

1-5

 

> 5

20 (1)

 

20 (1)

15

 

10

   (1) Grenswaarde in massa van de verbindingen in mg/nm3en niet in totale massa koolstof.
5. 

Overige oppervlaktereiniging

(> 2)

2-10

 

> 10

75 (1)

 

75 (1)

20 (1)

 

15 (1)

   (1) Wanneer aan de bevoegde instantie wordt aangetoond dat het gemiddelde gehalte aan organische oplosmiddelen van al het in een installatie gebruikte reinigingsmateriaal niet hoger ligt dan 30 gewichtsprocenten, gelden deze waarden niet voor die installatie.
6.  Coating van voertuigen (< 15) en overspuiten van voertuigen > 0,5  50 (1)   25    (1) Naleving overeenkomstig punt 2 van deel 8 van bijlage VII van de Richtlijn Industriële Emissies (EU) nr. 2010/75moet worden aangetoond op basis van metingen om de 15 minuten.
7. 

Bandlakken

(> 25)
   50 (1)  5 10    (1) Voor installaties die technieken gebruiken waarbij hergebruik van teruggewonnen oplosmiddelen mogelijk is, geldt een emissiegrenswaarde van 150.
8.

Andere coatingprocessen, waaronder metaal-, kunststof-, textiel- (5), stoffen, film- en papiercoating

(> 5)

5-15

 

> 15

 

100 (1)(4)

 

50/75 (2)(3) (4)

25 (4)

 

20 (4)

 

 

(1) Deze emissiegrenswaarde geldt voor coating- en droogprocessen in een gesloten systeem.

(2) De eerste emissiegrenswaarde geldt voor droogprocessen, de tweede voor coatingprocessen.

(3) Voor installaties die genitrogeneerde   oplosmiddelen   gebruiken met technieken waarbij hergebruik van teruggewonnen oplosmiddelen mogelijk is, geldt een gecombineerde grenswaarde voor coating- en droogproces van 150.

(4) Voor coatingwerk dat niet kan worden uitgevoerd in een gesloten systeem (zoals in de scheepsbouw, schilderen van vliegtuigrompen) kan   overeenkomstig artikel 59, lid 3, van de Richtlijn Industriële Emissies (EU) nr. 2010/75van deze waarden worden afgeweken.

9.

Coating van wikkeldraad

(>5)
     

10 g/kg (1)

5 g/kg (2)

(1)   Geldt   voor   installaties   met een gemiddelde     draaddiameter

≤ 0,1 mm.

(2) Geldt voor alle andere installaties.
10.

Coating van houten oppervlakken

(>15)

15-25

>25

100 (1)

50/75 (2)

25

20
 

(1) Deze emissiegrenswaarde geldt voor coating- en droogprocessen in een gesloten systeem.

(2) De eerste waarde geldt voor droogprocessen, de tweede voor coatingprocessen.
11. Chemisch reinigen       20 g/kg (1) (2)

(1) Uitgedrukt in massa uitgestoten oplosmiddel per kilogram gereinigd en gedroogd product.

(2) De in punt 2 van deel 4 vermelde emissiegrenswaarde geldt niet voor deze activiteit.
12.

Impregneren van hout

(>25)
  100 (1) 45 11kg/m3 (1)   De   emissiegrenswaarde geldt niet voor impregneren met creosoot.
13.

Coating van leer

(>10)

10-25

>25

>10 (1)
   

85g/m2

75g/m2

150g/m2

De emissiegrenswaarden zijn uitgedrukt in gram uitgestoten oplosmiddel per vierkante meter vervaardigd product.

(1) Voor coating van leer voor meubelen en bepaalde lederen goederen die worden gebruikt als kleine consumptiegoederen zoals tassen,riemen,portefeuilles enz.
14.

Fabricage van schoeisel

(> 5)

 

   

25 g per paar 

De totale emissiegrenswaarde is uitgedrukt in gram uitgestoten op­ losmiddel per vervaardigd paar compleet schoeisel.

15.

Lamineren van hout en kunststof

 

 

   

30 g/m2 

 

16.

Aanbrengen van lijmlagen

(> 5)

5-15

> 15

50 (1)

50 (1)

25

20

 

(1) Als technieken worden gebruikt waarbij hergebruik van terug­gewonnen oplosmiddelen mogelijk is, geldt voor afgassen een emissie­ grenswaarde van 150.

17.

Vervaardiging van coating mengsels, lak, inkt en kleefstoffen

(> 100)

100-1000

 

> 1 000

150

 

150

5

 

3

5 % van de oplosmiddeleninput

3 % van de oplosmiddeleninput

Onder de diffuse-emissiegrenswaarde vallen niet de oplosmiddelen die als bestanddeel van een coatingmengsel in een gesloten container worden verkocht.
18.

Bewerking van rubber

(> 15)
  20 (1)  25 (2)  25 % van de oplosmiddeleninput (1) Als technieken worden gebruikt waarbij hergebruik van terug­gewonnen oplosmiddelen mogelijk is, geldt voor afgassen een emissiegrenswaarde van 150.(2) Onder de diffuse-emissiegrenswaarde vallen niet de oplosmiddelen die als bestanddeel van een coating mengsel in een gesloten container worden verkocht
19.

Extractie van plantaardige oliën en van dierlijke vetten en raffinage van plantaardige oliën

(> 10)
     

Dierlijk vet: 1,5 kg/ton Ricinus: 3 kg/ton

Raapzaad: 1 kg/ton Zonnebloemzaad: 1 kg/ton

Sojabonen (normale     maling): 0,8 kg/ton

Sojabonen (witte       vlokken): 1,2 kg/ton

Overige zaden en ander plantaardig materiaal: 3 kg/ton (1) 1,5 kg/ ton (2) 4 kg/ton (3)
(1) De totale emissiegrenswaarden voor installaties voor de verwerking van losse partijen zaden en ander plantaardig materiaal moeten door de bevoegde autoriteit per geval worden vastgesteld, met toepassing van de beste beschikbare technieken.

(2) Geldt voor alle fractioneringsprocessen   met   uitzondering   van ontgommen (het verwijderen van gom uit de olie).

(3) Geldt voor ontgommen.
20.

Vervaardigingvan geneesmiddelen

(>50)
  20 (1)  5 (2)  15 (2) 

5 % van de oplosmiddelen

input

15 % van de oplosmiddelen

input

(1)

Als technieken worden gebruikt waarbij hergebruik van terug­ gewonnen oplosmiddelen mogelijk is, geldt voor afgassen een emissiegrenswaarde van 150.

(2) Onder de diffuse-emissiegrens waarde vallen niet de oplosmiddelen die als bestanddeel van een coating mengsel in een gesloten container worden verkocht.

  

DEEL 2. Emissiegrenswaarden voor installaties in de voertuigcoatingindustrie

  

 1.

De totale emissiegrenswaarden zijn uitgedrukt in gram uitgestoten organisch oplosmiddel per m2 vervaardigd product en in kilogram uitgestoten organisch oplosmiddel per carrosserie.

 

 

 

 2.

Het oppervlak van de in de tabel onder punt 3 vermelde producten wordt als volgt gedefinieerd: het berekende oppervlak van het totale elektroforetisch coatingvlak en het oppervlak van delen die eventueel in latere fasen van het coatingproces worden toegevoegd en met dezelfde coating worden bekleed als voor het desbetreffende product wordt gebruikt, of het totale oppervlak van het in de installatie gecoate product.

 

Het oppervlak van het elektroforetisch coatingvlak wordt berekend met de volgende formule:

 

Deze methode wordt ook gebruikt voor andere gecoate onderdelen van metaalplaat.

 

Voor de berekening van het oppervlak van de andere toegevoegde delen of het totale in de installatie gecoate oppervlak wordt gebruikgemaakt van CAD (computergesteund ontwerp) of andere gelijkwaardige methoden.

 

 

 

 

 3.

De totale emissiegrenswaarden in onderstaande tabel hebben betrekking op alle procesfasen die in dezelfde installatie worden uitgevoerd vanaf elektroforetische coating of een ander soort coatingproces tot en met het uiteindelijke in de was zetten en polijsten van de toplaag, alsmede de oplosmiddelen die bij het reinigen van procesapparatuur worden gebruikt, met inbegrip van spuitcabines en andere vaste apparatuur, zowel tijdens als buiten de productiefase.

 

Activiteit (drempelwaarde voor verbruik oplosmiddelen in ton/jaar)    

Drempelwaarde productie

(geldt voor de jaarlijkse productie van gecoat materiaal) 
  Totale emissiegrenswaarde
Nieuwe installaties   Bestaande installaties
 Coating nieuwe auto’s (> 15)   >5000  45g/m2 of 1,3kg/auto + 33g/m2  60g/m2 of 1,9kg/auto + 41g/m2
 ≤5000 zelfdragend of >3500 met chassis  90g/m2 of 1,5kg/auto + 70g/m2  90g/m2 of 1,5kg/auto + 70g/m2
    Totale emissiegrenswaarde (g/m2)  
 Coating   van   nieuwe   vrachtwagencabine

 (> 15)

≤ 5000 65 85
> 5000   55  75
 Coating   van   nieuwe  

 bestelwagens en vrachtwagens (> 15)

 
 ≤ 2500  90  120
 > 2500  70  90
Coating nieuwe bussen (> 15)  ≤ 2000  210  290
 > 2000  150  225

 

 

 

 

4.

Installaties voor de coating van voertuigen die de in de tabel onder punt 3 opgenomen drempelwaarden voor het oplosmiddelenverbruik niet overschrijden, moeten voldoen aan de in deel 1 vermelde eisen voor de sector overspuiten van voertuigen. 

 

 

 

DEEL 3. Emissiegrenswaarden voor vluchtige organische stoffen met bijzondere risicozinnen

  

1.

Voor emissies van de in artikel 58 van de Richtlijn Industriële Emissies (EU) nr. 2010/75 vermelde vluchtige organische stoffen, waarbij de massastroom van de stoffen waarvoor de in dat artikel vermelde etikettering verplicht is, in totaal 10 g/uur of meer bedraagt, moet een emissiegrenswaarde van 2 mg/Nm3 in acht worden genomen. De emissiegrenswaarde geldt voor de totale massa van de betrokken stoffen. 

 

 

2.

Voor emissies van gehalogeneerde vluchtige organische stoffen waaraan de gevaaraanduidingen H341 of H351 zijn toegekend of die van deze aanduidingen of zinnen moeten zijn voorzien, waarbij de massastroom van de stoffen waarvoor de gevaaraanduiding H341 of H351 verplicht is, in totaal 100 g/uur of meer bedraagt, moet een emissiegrenswaarde van 20 mg/Nm3 in acht worden genomen. De emissiegrenswaarde geldt voor de totale massa van de betrokken stoffen.   

 

 

 

 4.

Technische bepalingen inzake grote stookinstallaties, ingedeeld in rubriek 43.3.2 van de indelingslijst.

 

 

 

DEEL 1. Emissiegrenswaarden voor de installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is aangevraagd vóór 7 januari 2013 of die vóór 7 januari 2014 in gebruik worden genomen

 

1. 

Alle emissiegrenswaarden worden berekend bij een temperatuur van 273,15 K, een druk van 101,3 kPa en na correctie voor het waterdampgehalte van de afgassen en bij een gestandaardiseerd O2-gehalte van 6% voor vaste brandstoffen, 3% voor stookinstallaties, met uitzondering van gasturbines en gasmotoren die vloeibare en gasvormige brandstoffen gebruiken, en 15% voor gasturbines en gasmotoren. 

 

 

2.

Emissiegrenswaarden (mg/Nm3) voor SO2 voor stookinstallaties die vaste of vloeibare brandstoffen gebruiken, met uitzondering van gasturbines en gasmotoren:

 

Totaal nominaal thermisch ingangsvermogen  (MW) Steenkool en bruinkool en andere vaste brandstoffen  Biomassa  Turf  Vloeibare brandstoffen 
50-100 400 200 300 350 
100-300 250 200 300 250
> 300 200 200 200 200

 

Voor stookinstallaties die vaste brandstoffen gebruiken waarvoor vóór 27 november 2002 een vergunning is verleend of waarvoor de exploitant vóór die datum een volledige aanvraag voor een vergunning heeft ingediend, mits de installatie uiterlijk op 27 november 2003 in gebruik is genomen, en die niet meer dan 1.500 bedrijfsuur per jaar in bedrijf zijn (voortschrijdend gemiddelde over een periode van vijf jaar) geldt een SO2-emissiegrenswaarde van 800 mg/Nm3.

 

Voor stookinstallaties die vloeibare brandstoffen gebruiken waarvoor vóór 27 november 2002 een vergunning is verleend of waarvoor de exploitant vóór die datum een volledige aanvraag voor een vergunning heeft ingediend, mits de installatie uiterlijk op 27 november 2003 in gebruik is genomen, en die niet meer dan 1.500 bedrijfsuur per jaar in bedrijf zijn, als voortschrijdend gemiddelde over een periode van vijf jaar, geldt een SO2-emissiegrenswaarde van 850 mg/Nm3 in het geval van installaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van maximaal 300 MW en van 400 mg/Nm3 in het geval van installaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 300 MW.

 

Delen van een stookinstallatie waarvan de afgassen via een of meer afzonderlijke afgaskanalen in een gemeenschappelijke schoorsteen worden uitgestoten en die niet meer dan 1 500 bedrijfsuur per jaar in bedrijf zijn (als voortschrijdend gemiddelde over een periode van vijf jaar), kunnen worden onderworpen aan de in de twee vorige alinea’s vastgestelde emissiegrenswaarden in verhouding tot het totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van de gehele stookinstallatie. In zulke gevallen worden de via elk betrokken afgaskanaal uitgestoten emissies apart gecontroleerd. 

 

 

3.

Emissiegrenswaarden (mg/Nm3) voor SO2 voor stookinstallaties die gasvormige brandstoffen gebruiken, met uitzondering van gasturbines en gasmotoren:

Algemeen

35

Vloeibaar gemaakt gas

5

Gassen met lage calorische waarde uit cokesovens

400

Gassen met lage calorische waarde uit hoogovens

200

 

Voor stookinstallaties die gassen met lage calorische waarde gebruiken, verkregen door vergassing van raffinaderijresiduen, waarvoor vóór 27 november 2002 vergunning is verleend of waarvan de exploitant vóór die datum een volledige aanvraag voor een vergunning heeft ingediend, op voorwaarde dat de installatie uiterlijk 27 november 2003 operationeel was, geldt een SO2-emissiegrenswaarde van 800 mg/Nm3.  

 

 

4.

Emissiegrenswaarden (mg/Nm3) voor NOx voor stookinstallaties die vaste of vloeibare brandstoffen gebruiken, met uitzondering van gasturbines en gasmotoren: 

 

Totaal nominaal thermisch ingangsvermogen (MW)

Steenkool en bruinkool en andere vaste brandstoffen

Biomassa en turf

Vloeibare brandstoffen

50-100

300

450 bij verbranding van poederbruinkool

300

450

100-300

200

250

200 (1)

> 300

200

200

150 (1)

(1)   Voor stookinstallaties die distillatie- en omzettingsresiduen afkomstig van het raffineren van ruwe aardolie zelf verbruiken, met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van ten hoogste 500 MWth, en waarvoor vóór 27 november 2002 vergunning is verleend of waarvan de exploitant vóór die datum een volledige aanvraag voor een vergunning heeft ingediend, geldt een emissiegrenswaarde van 450 mg/Nm3, op voorwaarde dat de installatie uiterlijk 27 november 2003 operationeel was.

  

Voor stookinstallaties in chemische installaties die zelf vloeibare productieresiduen als niet-commerciële brandstof verbruiken, met een nominaal thermisch ingangsvermogen van niet meer dan 500 MWth, waarvoor vóór 27 november 2002 een vergunning is verleend of waarvan de exploitant vóór die datum een volledige vergunningaanvraag heeft ingediend, geldt voor NOx-emissiegrenswaarde van 450 mg/Nm3, op voorwaarde dat de installatie uiterlijk 27 november 2003 operationeel was.

 

Voor stookinstallaties die vaste of vloeibare brandstoffen gebruiken met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van niet meer dan 500 MW waarvoor vóór 27 november 2002 vergunning is verleend of die vóór die datum een volledige aanvraag voor een vergunning hebben ingediend, op voorwaarde dat de installatie uiterlijk 27 november 2003 operationeel was, en die niet meer dan 1.500 bedrijfsuur per jaar in bedrijf zijn, als voortschrijdend gemiddelde over een periode van vijf jaar, geldt een emissiegrenswaarde voor NOx van 450 mg/Nm3.

 

Voor stookinstallaties die vaste brandstoffen gebruiken met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 500 MW waarvoor vóór 1 juli 1987 vergunning is verleend en die niet meer dan 1.500 bedrijfsuur per jaar in bedrijf zijn (voortschrijdend gemiddelde over een periode van vijf jaar), geldt een emissiegrenswaarde voor NOx van 450 mg/Nm3.

 

Voor stookinstallaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen groter dan 500 MW die vloeibare brandstoffen gebruiken, waarvoor vóór 27 november 2002 vergunning is verleend of waarvan de exploitanten vóór die datum een volledige aanvraag voor een vergunning hebben ingediend, op voorwaarde dat de installatie uiterlijk 27 november 2003 operationeel was, en die niet meer dan 1.500 bedrijfsuur per jaar in bedrijf zijn, als voortschrijdend gemiddelde over een periode van vijf jaar, geldt een NOx-emissiegrenswaarde van 400 mg/Nm3.

 

Delen van een stookinstallatie waarvan de afgassen via één of meer afzonderlijke afgaskanalen in een gemeenschappelijke schoorsteen worden uitgestoten en die niet meer dan 1.500 bedrijfsuur per jaar in bedrijf zijn, als voortschrijdend gemiddelde over een periode van vijf jaar, kunnen aan de in de drie voorgaande alinea’s genoemde emissiegrenswaarden worden onderworpen voor het totale nominale thermisch ingangsvermogen van de volledige stookinstallatie. In zulke gevallen worden de via elk betrokken afgaskanaal uitgestoten emissies apart gecontroleerd. 

5.

Voor gasturbines (met inbegrip van STEG) die als vloeibare brandstof lichte of halfzware distillaten gebruiken, geldt een NOx-emissiegrenswaarde van 90 mg/Nm3 en een CO-emissiegrenswaarde van 100 mg/Nm3.

 

De in dit punt genoemde emissiegrenswaarden gelden niet voor gasturbines die, voor noodgevallen, minder dan 500 bedrijfsuur per jaar in bedrijf zijn. De exploitant van dergelijke installaties registreert de uren gedurende welke deze in bedrijf zijn.

 

 

6.

Emissiegrenswaarden (mg/Nm3) voor NOx en CO voor met gas gestookte installaties:

 

 

NOx

CO

Met aardgas gestookte installaties, uitgezonderd gasturbines en gasmotoren

100

100

Met hoogovengas, cokesovengas of gassen met lage calorische waarde verkregen door vergassing van raffinaderijresiduen gestookte installaties, uitgezonderd gasturbines en gasmotoren

200 (4)

Met andere gassen gestookte installaties, uitgezonderd gasturbines en gasmotoren

200 (4)

Gasturbines (met inbegrip van STEG) die met aardgas worden gestookt (1)

50 (2) (3)

100

Gasturbines (met inbegrip van STEG) die met andere gassen worden gestookt

120

Gasmotoren

100

100

(1)  Onder aardgas wordt verstaan in de natuur voorkomend methaan met maximaal 20 % (v/v) inerte en andere bestanddelen.

(2)  75 mg/Nm3 in de volgende gevallen, waarin het rendement van de gasturbine vastgesteld wordt in ISO-basisbelastingsomstandigheden:

   i)  gasturbines die in een systeem met warmte-krachtkoppeling worden gebruikt met een totaal rendement van meer dan 75%;

  ii)  gasturbines die in een warmtekrachtcentrale worden gebruikt met een gemiddeld jaarlijks totaal elektriciteitsrendement van meer dan 55%;

 iii)  gasturbines voor mechanische aandrijving.

(3)  Voor single-cyclus gasturbines die niet onder een van de in opmerking 2) genoemde categorieën vallen, maar een rendement hebben dat hoger is dan 35 % (bepaald in ISO-basisbelastingsomstandigheden), wordt de emissiegrenswaarde voor NOx vastgesteld op 50xη/35, waarbij η het in ISO-basisbelastingsomstandigheden, in procenten uitgedrukte rendement van de gasturbine is.

(4)  300 mg/Nm3 voor stookinstallaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van niet meer dan 500 MW waarvoor vóór 27 november 2002 vergunning is verleend of waarvan de exploitant vóór die datum een volledige aanvraag voor een vergunning heeft ingediend, op voorwaarde dat de installatie uiterlijk 27 november 2003 operationeel was.

 

Voor gasturbines (met inbegrip van STEG), zijn de in de tabel in dit punt vermelde NOx- en CO-emissiegrenswaarden slechts van toepassing bij een belading van meer dan 70%.

 

Voor gasturbines (met inbegrip van STEG) waarvoor vóór 27 november 2002 een vergunning is verleend of waarvan de exploitant vóór die datum een volledige aanvraag voor een vergunning heeft ingediend, op voorwaarde dat de installatie uiterlijk 27 november 2003 operationeel was, en die niet meer dan 1.500 bedrijfsuur per jaar in bedrijf zijn, als voortschrijdend gemiddelde over een periode van vijf jaar, geldt een NOx-emissiegrenswaarde van 150 mg/Nm3 in het geval van met aardgas gestookte turbines, en van 200 mg/Nm3 in het geval van met andere gassen of met vloeibare brandstoffen gestookte turbines.

 

Delen van een stookinstallatie waarvan de afgassen via één of meer afzonderlijke afgaskanalen in een gemeenschappelijke schoorsteen worden uitgestoten en die niet meer dan 1.500 bedrijfsuur per jaar in bedrijf zijn, als voortschrijdend gemiddelde over een periode van vijf jaar, kunnen aan de in de voorgaande alinea genoemde emissiegrenswaarden worden onderworpen voor het totale nominale thermisch ingangsvermogen van de volledige stookinstallatie. In zulke gevallen worden de via elk betrokken afgaskanaal uitgestoten emissies apart gecontroleerd.

 

De in dit punt vermelde emissiegrenswaarden zijn niet van toepassing op gasturbines en gasmotoren die, voor noodgevallen, minder dan 500 bedrijfsuur per jaar in bedrijf zijn. De exploitant van dergelijke installaties registreert de uren gedurende welke deze in bedrijf zijn. 

 

 

 

7.

Emissiegrenswaarden (mg/Nm3) voor stof voor stookinstallaties die vaste of vloeibare brandstoffen gebruiken, met uitzondering van gasturbines en gasmotoren:

 

Totaal nominaal thermisch ingangsvermogen  (MW)

Steenkool en bruinkool en andere vaste brandstoffen

Biomassa en turf

Vloeibare brandstoffen (1)

50-100

30

30

30

100-300

25

20

25

> 300

20

20

20

(1)  Voor stookinstallaties die distillatie- en omzettingsresiduen, afkomstig van het raffineren van ruwe aardolie, zelf verbruiken en waarvoor vóór 27 november 2002 vergunning is verleend of waarvan de exploitant vóór die datum een volledige aanvraag voor een vergunning heeft ingediend, geldt een emissiegrenswaarde voor stof van 50 mg/Nm3, op voorwaarde dat de installatie uiterlijk op 27 november 2003 operationeel was.

 

 

 

8.

Emissiegrenswaarden (mg/Nm3) voor stof voor stookinstallaties die gasvormige brandstoffen gebruiken, met uitzondering van gasturbines en gasmotoren: 

Algemeen

5

Hoogovengas

10

Door de ijzer- en staalindustrie geproduceerd gas dat elders kan worden gebruikt

30

 

 

 

DEEL 2. Emissiegrenswaarden voor de installaties waarvoor de eerste vergunning tot exploitatie is aangevraagd op of na 7 januari 2013 of die na 7 januari 2014 in gebruik worden genomen

 

1.

Alle emissiegrenswaarden worden berekend bij een temperatuur van 273,15 K, een druk van 101,3 kPa en na correctie voor het waterdampgehalte van de afgassen en bij een gestandaardiseerd O2-gehalte van 6% voor vaste brandstoffen, 3% voor stookinstallaties, met uitzondering van gasturbines en gasmotoren, die vloeibare en gasvormige brandstoffen gebruiken en 15% voor gasturbines en gasmotoren. 

 

Voor gecombineerde-cyclus gasturbines met aanvullende verbranding, kan het gestandaardiseerde O2-gehalte door de bevoegde autoriteit worden gedefinieerd met inachtneming van de bijzondere kenmerken van de betrokken installatie.

 

 

2.

Emissiegrenswaarden (mg/Nm3) voor SO2 voor stookinstallaties die vaste of vloeibare brandstoffen gebruiken, met uitzondering van gasturbines en gasmotoren:

 

Totaal nominaal thermisch ingangsvermogen (MW)

Steenkool en bruinkool en andere vaste brandstoffen

Biomassa

Turf

Vloeibare brandstoffen

50-100

400

200

300

350

100-300

200

200          

300

250 bij wervelbedverbranding

200

> 300

150

200 bij circulerende wervelbedverbranding of wervelbedverbranding onder druk

150

150

200 bij wervelbedverbranding

150

 

 

3. 

Emissiegrenswaarden (mg/Nm3) voor SO2 voor stookinstallaties die gasvormige brandstoffen gebruiken, met uitzondering van gasturbines en gasmotoren: 

 

Algemeen

35

Vloeibaar gemaakt gas

5

Gassen met lage calorische waarde uit cokesovens

400

Gassen met lage calorische waarde uit hoogovens

200

 

 

4. 

Emissiegrenswaarden (mg/Nm3) voor NOx voor stookinstallaties die vaste of vloeibare brandstoffen gebruiken, met uitzondering van gasturbines en gasmotoren:

  

Totaal nominaal thermisch ingangsvermogen  (MW)

Steenkool en bruinkool en andere vaste brandstoffen

Biomassa en turf

Vloeibare brandstoffen

50-100

300

400 bij verbranding van poederbruinkool

250

300

100-300

200

200

150

> 300

150

200 bij verbranding van poederbruinkool

150

100

 

 

5.

Voor gasturbines (met inbegrip van STEG) die als vloeibare brandstof lichte of halfzware distillaten gebruiken, geldt een NOx-emissiegrenswaarde van 50 mg/Nm3 en een CO-emissiegrenswaarde van 100 mg/Nm3.

De in dit punt genoemde emissiegrenswaarden gelden niet voor gasturbines die, voor noodgevallen, minder dan 500 bedrijfsuur per jaar in bedrijf zijn. De exploitant van dergelijke installaties registreert de uren gedurende welke deze in bedrijf zijn.

 

 

 

6.

Emissiegrenswaarden (mg/Nm3) voor NOx en CO voor met gas gestookte installaties

  

 

NOx

CO

Stookinstallaties, andere dan gasturbines en gasmotoren

100

100

Gasturbines (met inbegrip van STEG)

50 (1)

100

Gasmotoren

75

100

(1)   Voor single-cyclus gasturbines die een rendement hebben dat hoger is dan 35 % (bepaald in ISO-basisbelastingsomstandigheden), is de emissiegrenswaarde voor NOx 50xη/35, waarbij η het in procenten uitgedrukte rendement van de gasturbine is, in

ISO-basisbelastingsomstandigheden.

Voor gasturbines (met inbegrip van STEG), zijn de in de tabel in dit punt vermelde NOx- en CO-emissiegrenswaarden slechts van toepassing bij een belading van meer dan 70%.

 

De in dit punt vermelde emissiegrenswaarden zijn niet van toepassing op gasturbines en gasmotoren die, voor noodgevallen, minder dan 500 bedrijfsuur per jaar in bedrijf zijn. De exploitant van dergelijke installaties registreert de uren gedurende welke deze in bedrijf zijn.

 

 

7.

Emissiegrenswaarden (mg/Nm3) voor stof voor stookinstallaties die vaste of vloeibare brandstoffen gebruiken, met uitzondering van gasturbines en gasmotoren 

 

Totaal nominaal thermisch ingangsvermogen  (MW)

 

50- 300

20

> 300

10

20 voor biomassa en turf

 

 

8.

Emissiegrenswaarden (mg/Nm3) voor stof voor stookinstallaties die gasvormige brandstoffen gebruiken, met uitzondering van gasturbines en gasmotoren 

 

Algemeen

5

Hoogovengas

10

Door de ijzer- en staalindustrie geproduceerd gas dat elders kan worden gebruikt

30

  

 

 

 

DEEL 3. Gemiddelde emissiegrenswaarden voor gemengde stookinstallaties

  

Gemiddelde SO2-emissiegrenswaarden (mg/Nm3) voor gemengde stookinstallaties in een raffinaderij, met uitzondering van gasturbines en gasmotoren, die distillatie- en omzettingsresiduen, afkomstig van het raffineren van ruwe aardolie, alleen of in combinatie met andere brandstoffen zelf verbruiken: 

 

a)

voor stookinstallaties waarvoor vóór 27 november 2002 een vergunning is verleend of waarvoor de exploitant vóór die datum een volledige aanvraag voor een vergunning heeft ingediend, op voorwaarde dat de installatie uiterlijk op 27 november 2003 operationeel was: 1000 mg/Nm3

 

b)

voor overige stookinstallaties: 600 mg/Nm3

Deze emissiegrenswaarden worden berekend bij een temperatuur van 273,15 K, een druk van 101,3 kPa en na aftrek van het waterdampgehalte van de afvalgassen, en bij een genormaliseerde O2-inhoud van 6% voor vaste brandstoffen en van 3% voor vloeibare of gasvormige brandstoffen. 

 


Bijlage 3.

Bijlage XXXIV

 

Lijst van de milieu-inbreuken, in uitvoering van de artikelen 16.1.2, 1°, f), en 16.4.27, derde lid, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.

 

Enig artikel. Het niet voldoen aan de hiernavolgende wettelijke verplichtingen als vermeld in het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014 houdende bijkomende algemene en sectorale milieuvoorwaarden voor GPBV-installaties, wordt beschouwd als milieu-inbreuk.

 

 

Artikel

Wettelijke verplichting

2.3.2

De exploitant bezorgt aan de vergunningverlenende overheid die in eerste aanleg bevoegd is ten minste jaarlijks een overzicht van de resultaten van de monitoring van emissies, met dezelfde periode en onder dezelfde referentieomstandigheden, zoals bepaald is voor de beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus, zodat een vergelijking mogelijk is met die BBT-GEN.

2.3.3

De exploitant brengt de toezichthouder regelmatig en ten minste jaarlijks op de hoogte van de informatie die wordt verkregen op basis van de resultaten van de monitoring van emissies, die door dit besluit of de omgevingsvergunning werd opgelegd,en van andere vereiste gegevens aan de hand waarvan de toezichthouder de naleving van de milieuvoorwaarden kan toetsen.

[...]

[...]

 


Bijlage 4. Informatie over de technieken voor geïntegreerd emissiebeheer in aardolie- en gasraffinaderijen

1. Informatie over het toepassingsgebied van de technieken voor geïntegreerd emissiebeheer en de toepasselijke emissiegrenswaarden
  1.1. Lijst en beschrijving van de stook- en proceseenheden waarop de technieken voor geïntegreerd emissiebeheer voor NOx en SO2 van toepassing zijn, namelijk:
    a)  soort eenheid (verbrandingseenheid, FCC-eenheid, zwavelterugwinningseenheid);
    b)  nominaal thermisch ingangsvermogen (voor verbrandingseenheden);
    c)  soort(en) gestookte brandstof (voor verbrandingseenheden);
    d) nieuwe of bestaande eenheid;
  1.2. Informatie voor de vaststelling van de toepasselijke emissiegrenswaarden voor NOx en SO2 in het kader van de technieken voor geïntegreerd emissiebeheer, waarbij het volgende wordt gespecificeerd:
    a)  welke emissieconcentraties voor elke betrokken eenheid zijn onderzocht in verband met artikel 3.7.19.1, §1, en in vergelijking met de afzonderlijke BBT-GEN’s en het zwavelterugwinningsrendement voor zwavelterugwinningseenheden;
    b) welk rookgasdebiet (of andere factoren) als wegingsfactor voor elke eenheid gebruikt wordt en hoe dat is bepaald;
    c) welke andere elementen of factoren voor de vaststelling van de grenswaarden gebruikt worden.
2.

Informatie over het monitoringsysteem:

    a) 

beschrijving van het monitoringsysteem dat bij de toepassing van de technieken voor geïntegreerd emissiebeheer voor de bepaling van de emissies gebruikt zal worden;

    b) bijzonderheden over de te meten en de te berekenen parameters, de soort (directe, indirecte) metingen en meetmethoden, de berekeningsfactoren (en redenen daarvoor) en de monitoringfrequentie die gebruikt zal worden.

Bijlage 5. Rapportering over de toepassing van de technieken voor geïntegreerd emissiebeheer in aardolie- en gasraffinaderijen

1. Algemene informatie
  1.1. Naam van de installatie
  1.2. Naam van de exploitant
  1.3. Adres van de installatie: straat en nummer, postnummer, gemeente en land.
2.

Informatie over het toepassingsgebied van de technieken voor geïntegreerd emissiebeheer en de toepasselijke emissiegrenswaarden

Lijst en beschrijving van de stook- en proceseenheden waarop de technieken voor geïntegreerd emissiebeheer voor NOx en SO2 van toepassing zijn, namelijk:

    a) soort eenheid (verbrandingseenheid, FCC-eenheid, zwavelterugwinningseenheid);
    b) nominaal thermisch ingangsvermogen (voor verbrandingseenheden);
    c) soort(en) gestookte brandstof (voor verbrandingseenheden);
    d) nieuwe of bestaande eenheid;
    e) aanzienlijke en structurele veranderingen, bijvoorbeeld in de werking of het brandstofgebruik, tijdens de verslagperiode, die van invloed waren op de toepasselijke met de BBT geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN's).
3.

Informatie over het monitoringsysteem

  3.1. beschrijving van het monitoringsysteem dat bij de toepassing van de technieken voor geïntegreerd emissiebeheer voor de bepaling van de emissies wordt gebruikt;
  3.2. bijzonderheden over de gemeten en berekende parameters, de gebruikte soort (directe, indirecte) metingen en meetmethoden, de gebruikte berekeningsfactoren (en redenen daarvoor) en de monitoringfrequentie.
4. Informatie over de resultaten van de monitoring:
overzicht van de resultaten van de monitoring om aan te tonen dat aan de toepasselijke in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, conform artikel 3.7.19.1, §1, vastgelegde emissiegrenswaarden is voldaan en dat de daaruit voortvloeiende emissies gelijk zijn aan of lager zijn dan de emissies bij de toepassing van de toepasselijke BBT-GEN’s en het zwavelterugwinningsrendement voor zwavelterugwinningseenheden op het niveau van de afzonderlijke eenheid, waarin in elk geval het volgende moet worden vermeld:
    a) gemiddelde concentratie van de emissies in alle betrokken eenheden (mg/Nm3, alle maandelijkse gemiddelden over een heel jaar);
    b) totale maandelijkse emissie in alle betrokken eenheden (ton/maand);
    c) gemiddelde concentratie van de emissies per betrokken eenheid (mg/Nm3, alle maandelijkse gemiddelden over een heel jaar);
    d) rookgasdebiet per betrokken eenheid (Nm3/uur, alle maandelijkse gemiddelden over een heel jaar).