Hoofdstuk 3.1.
Ijzer- en Staalproductie


Afdeling 3.1.1.
Toepassingsgebied en definities


Art. 3.1.1.1.

§1. Dit hoofdstuk is van toepassing op de inrichtingen, vermeld in rubriek 20.1.1, 20.2.1 en 20.2.2.2 van de indelingslijst. Bestaande installaties, als vermeld in artikel 3.1.1.2, 2°, voldoen uiterlijk op 8 maart 2016 aan dit hoofdstuk.

 

De overeenkomstige GPBV-activiteiten zijn de activiteiten 1.3, 2.1 en 2.2, vermeld in bijlage 1 bij dit besluit. 

 

§2. Het toepassingsgebied van dit hoofdstuk omvat de volgende processen: 

het laden, lossen en transport van bulkgrondstoffen; 

het samenvoegen en mengen van grondstoffen;

het sinteren en pelletiseren van ijzererts;

de productie van cokes uit cokeskool;

de productie van gesmolten metaal in het hoogoventraject, inclusief slakkenverwerking;

de productie en raffinage van staal met behulp van het oxystaalprocedé, inclusief panontzwaveling bij voorbewerking, panmetallurgie bij nabewerking en slakkenverwerking;

de productie van staal in vlamboogovens, inclusief panmetallurgie bij nabewerking en slakkenverwerking;

het continugieten.

 

§3. De bepalingen, vermeld in paragraaf 1, hebben geen betrekking op de volgende activiteiten:

de productie van kalk in ovens;
de terugwinning van non-ferrometalen uit reststoffen en de productie van ijzerlegeringen;
zwavelzuurfabrieken in cokesovens.

 


Art. 3.1.1.2.

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

nieuwe installatie: een installatie die op het terrein van de inrichting gebouwd wordt na 8 maart 2012 of een installatie die volledig herbouwd wordt op de bestaande fundamenten na 8 maart 2012;
bestaande installatie: een andere dan een nieuwe installatie.
de BBT-conclusies voor ijzer- en staalproductie: het uitvoeringsbesluit 2012/135/EU van de Commissie van 28 februari 2012 tot vaststelling van de BBT-conclusies (beste beschikbare technieken) op grond van Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad inzake industriële emissies voor de ijzer- en staalproductie, gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie L70 van 8 maart 2012.

 

 


Afdeling 3.1.2. Algemene bepalingen.


Art. 3.1.2.1.

Tenzij anders is vermeld, is deze afdeling algemeen van toepassing voor alle inrichtingen, vermeld in dit hoofdstuk.

 

De processpecifieke bepalingen, vermeld in de afdeling 3.1.3 tot en met 3.1.8, zijn van toepassing naast de algemene bepalingen die in deze afdeling beschreven worden.


Art. 3.1.2.2.

Er wordt een milieubeheersysteem ten uitvoer gelegd en nageleefd dat alle volgende elementen omvat:

de inzet van het management, inclusief het senior management;
het uitwerken van een milieubeleid voor de continue verbetering van de installatie door het management;
het plannen en vaststellen van noodzakelijke procedures, doelstellingen en streefcijfers, samen met een financiële planning en investeringen;
het uitvoeren van de procedures, waarbij vooral aandacht geschonken wordt aan:
  a) bedrijfsorganisatie en verantwoordelijkheid van het personeel,
  b) opleiding, bewustmaking en bekwaamheid,
  c) communicatie,
  d) betrokkenheid van de werknemers,
  e) documentatie,
 

f)

efficiënte procescontrole,
  g) onderhoudsprogramma's,
  h) noodplan en rampenbestrijding,
  i) waarborging van de naleving van de milieuwetgeving;
het controleren van de prestaties en het nemen van corrigerende maatregelen, waarbij vooral aandacht geschonken wordt aan:
  a) monitoring en meting,
  b) corrigerende en preventieve maatregelen,
  c) het bijhouden van gegevens,
  d) onafhankelijke interne of externe audit, met als doel vast te stellen of het milieubeheersysteem overeenkomt met de geplande maatregelen en op de juiste wijze wordt uitgevoerd en gehandhaafd;
het evalueren van het milieubeheersysteem door het senior management met als doel te waarborgen dat het geschikt, adequaat en doeltreffend blijft;
het volgen van de ontwikkelingen van schonere technologieën;
het rekening houden met de milieueffecten bij het ontwerp van een nieuwe installatie, tijdens de volledige levensduur en bij de latere ontmanteling ervan;
het op gezette tijden uitvoeren van een benchmarkonderzoek.

 

 


Art. 3.1.2.3. Het verbruik van thermische energie wordt beperkt door toepassing van een combinatie van de technieken vermeld in BBT 2 van de BBT-conclusies voor ijzer- en staalproductie.

Art. 3.1.2.4. Het primaire energieverbruik wordt verminderd door de energiestromen te optimaliseren en optimaal gebruik te maken van afgezogen procesgassen, zoals cokesovengas, hoogovengas en oxystaalovengas.

Art. 3.1.2.5. Ontzwaveld en ontstoft overtollig cokesovengas en ontstoft hoogovengas en oxystaalovengas (gemengd of apart) wordt in ketels of in warmtekrachtkoppelingscentrales gebruikt om stoom, elektriciteit en/of warmte te produceren, met gebruik van de overtollige afvalwarmte voor interne of externe warmteverdeelnetten.

Art. 3.1.2.6. Het elektriciteitsverbruik wordt zo laag mogelijk gehouden door middel van een of meer van de technieken vermeld in BBT 5 van de BBT-conclusies voor ijzer- en staalproductie.

Art. 3.1.2.7. Het beheer en de controle van interne materiaalstromen wordt geoptimaliseerd, met als doel verontreiniging en kwaliteitsverlies te voorkomen, een adequate kwaliteit van het ingangsmateriaal te garanderen, hergebruik en recycling mogelijk te maken en de procesefficiëntie en optimalisering van de metaalopbrengst te verbeteren.

Art. 3.1.2.8. Om een laag emissieniveau voor relevante verontreinigende stoffen te bereiken, worden schroot en andere grondstoffen met de geschikte eigenschappen gekozen. Met betrekking tot schroot wordt een passende inspectie uitgevoerd op zichtbare verontreinigingen die zware metalen, in het bijzonder kwik, kunnen bevatten of tot de vorming van dioxinen en furanen en polychloorbifenylen kunnen leiden. Om het gebruik van schroot te verbeteren, kunnen de technieken vermeld in BBT 7 van de BBT-conclusies voor ijzer- en staalproductie afzonderlijk of in combinatie worden toegepast.

Art. 3.1.2.9. Voor vaste residuen worden geïntegreerde en operationele technieken toegepast om afval tot een minimum te beperken door intern hergebruik of toepassing van gespecialiseerde recyclingprocessen.

Art. 3.1.2.10.

Vaste residuen die niet overeenkomstig artikel 3.1.2.9 gebruikt of gerecycleerd kunnen worden, worden zo veel mogelijk extern gebruikt of gerecycleerd indien dat haalbaar is en in overeenstemming is met het decreet van 23 december 2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen (Materialendecreet) en het besluit van de Vlaamse Regering van 17 februari 2012 tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen (VLAREMA). Residuen die noch vermeden noch gerecycleerd kunnen worden, worden op een gecontroleerde manier beheerd.


Art. 3.1.2.11. De beste bedrijfs- en onderhoudspraktijken worden toegepast voor het verzamelen, hanteren, opslaan en vervoeren van alle vaste residuen en voor de overkapping van overslagpunten om emissies naar de lucht en het water te voorkomen.

Art. 3.1.2.12. Diffuse stofemissies van de opslag, de hantering en het transport van materiaal worden voorkomen of verminderd door toepassing van een of meer van de technieken vermeld in BBT 11 van de BBT-conclusies voor ijzer- en staalproductie. Wanneer reductietechnieken gebruikt worden, wordt het afvangrendement en de aansluitende reiniging geoptimaliseerd door toepassing van passende technieken beschreven in BBT 11 van de BBT-conclusies voor ijzer- en staalproductie. De voorkeur gaat uit naar het afvangen van stof zo dicht mogelijk bij de bron.

Art. 3.1.2.13. Voor afvalwaterbeheer wordt afvalwater voorkomen, verzameld en de verschillende afvalwaterstromen worden gescheiden en daarbij wordt het afvalwater zo veel mogelijk intern gerecycleerd en elke eindstroom ervan adequaat behandeld. In deze context kunnen de technieken, vermeld in BBT 12 van de BBT-conclusies voor ijzer- en staalproductie, gebruikt worden wanneer aan de vermelde voorwaarden wordt voldaan.

Art. 3.1.2.14. Alle relevante parameters die voor de procesbesturing vanuit controlekamers noodzakelijk zijn, worden gemeten of ingeschat met behulp van moderne, computerondersteunde systemen om de processen voortdurend en online aan te kunnen passen en te optimaliseren, om een stabiele en vlotte verwerking te waarborgen met het oog op een grotere energie-efficiëntie, maximale opbrengst en betere onderhoudspraktijken.

Art. 3.1.2.15.

De orde van grootte van diffuse luchtemissies van relevante bronnen wordt bepaald aan de hand van de onderstaande methoden. Directe meetmethoden worden maximaal verkozen boven indirecte meetmethoden of evaluaties op basis van berekeningen met emissiefactoren:

directe meetmethoden waarbij de emissies aan de bron zelf gemeten worden. In dit geval kunnen concentraties en massastromen gemeten of bepaald worden;
indirecte meetmethoden waarbij de emissies op een bepaalde afstand van de bron gemeten worden. Een directe meting van concentraties en massastromen is daarbij niet mogelijk;
een berekening met emissiefactoren.

 

 


Art. 3.1.2.16.

Verontreiniging bij ontmanteling wordt voorkomen door gebruik te maken van de onderstaande noodzakelijke technieken:

bij het ontwerp van een nieuwe installatie wordt rekening gehouden met het milieueffect van een eventuele ontmanteling van de installatie, waardoor de ontmanteling uiteindelijk gemakkelijker, schoner en goedkoper verloopt;
ontmanteling houdt milieurisico's in voor de verontreiniging van de bodem en het grondwater en brengt grote hoeveelheden vast afval mee. Preventieve technieken zijn processpecifiek, maar algemene overwegingen omvatten in voorkomend geval:
  a) het vermijden van ondergrondse constructies;
  b) de integratie van voorzieningen die ontmanteling vergemakkelijken;
  c) het gebruik van vloerbedekkingen die gemakkelijk gedesinfecteerd kunnen worden;
  d) het gebruik van materieel dat zo samengesteld is dat zo min mogelijk chemicaliën achterblijven en dat het laten leeglopen en de reiniging vergemakkelijkt;
  e) het ontwerp van flexibele, zelfstandige eenheden die een stapsgewijze sluiting mogelijk maken;
  f) voor zover dat mogelijk is, het gebruik van biologisch afbreekbare en recycleerbare materialen.

 

 


Art. 3.1.2.17. Geluidsemissies van relevante bronnen in de ijzer- en staalproductieprocessen worden verminderd door toepassing van een of meer van de technieken vermeld in BBT 18 van de BBT-conclusies voor ijzer- en staalproductie.

Afdeling 3.1.3.
Sinterfabrieken


Art. 3.1.3.1. Deze afdeling is van toepassing op alle sinterfabrieken.

Subafdeling 3.1.3.1.
Luchtemissies


Art. 3.1.3.1.1.

Bij het samenvoegen of mengen van materialen wordt stofverspreiding maximaal voorkomen door het vochtgehalte van fijn materiaal aan te passen waardoor het samenklontert, als de materialen vooraf niet voldoende bevochtigd zijn.

 


Art. 3.1.3.1.2.

De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op de geloosde afgassen:

 

1° emissies van de sinterband:

 

Parameter

 

Emissiegrenswaarde

stof

Nieuwe installaties

15 mg/Nm³

Bestaande installaties

40 mg/Nm³

Hg

 

0,05 mg/Nm³

SOX, uitgedrukt als SO2

Nieuwe installaties

350 mg/Nm³

Bestaande installaties

500 mg/Nm³

NOX, uitgedrukt als NO2

 

400 mg/Nm³

dioxinen en furanen

Nieuwe installaties

0,2 ng TEQ/Nm³

Bestaande installaties

0,4 ng TEQ/Nm³

 

Voor dioxinen en furanen worden de gemiddelden bepaald over een bemonsteringsperiode van minimaal zes uur en maximaal acht uur. De emissiegrenswaarde heeft betrekking op de totale concentratie van dioxinen en furanen, berekend aan de hand van het begrip “toxische equivalentie”.

 

De concentratie van de parameters, als hierboven vermeld, wordt gemeten met de volgende frequentie:

 

Parameter

Meetfrequentie

stof, SO2, NOx

continu

Hg

om de vier maanden

 

Met betrekking tot de meting van dioxinen en furanen en de evaluatie van de meetresultaten, gelden de bepalingen van de meetstrategie, vermeld in artikel 5.29.0.6, §1, van titel II van het VLAREM.

 

2° emissies van de afvoer van de sinterband, van het malen, het koelen en het zeven van sinters en de overslagpunten op transportbanden worden beperkt door de installaties te overkappen of in te kapselen. De afgassen worden efficiënt afgezogen en naar een stofverwijderingsinstallatie geleid. Er geldt een emissiegrenswaarde voor stof van 10 mg/Nm³ bij het gebruik van een doekenfilter en van 30 mg/Nm³ bij het gebruik van een andere stofverwijderingsinstallatie.


Art. 3.1.3.1.3. Voor primaire emissies van sinterbanden worden de emissies van dioxinen en furanen en polychloorbifenylen voorkomen en/of  verminderd door gebruik te maken van een of meer van de technieken vermeld in BBT 24 van de BBT-conclusies voor ijzer- en staalproductie.

Subafdeling 3.1.3.2.
Water en afvalwater


Art. 3.1.3.2.1. Het waterverbruik in sinterfabrieken wordt geminimaliseerd door koelwater zo veel mogelijk te recycleren, tenzij doorstroomkoelsystemen gebruikt worden.

Art. 3.1.3.2.2.

De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op de lozing van het afvalwater in oppervlaktewater:

 

Parameter

Emissiegrenswaarde (in mg/l)

zwevende stoffen

30,0

CZV

100

som zware metalen (As+Cd+Cr+Cu+Hg+Ni+Pb+Zn)

0,1


Subafdeling 3.1.3.3.
Productieresiduen


Art. 3.1.3.3.1. Het ontstaan van afval in sinterfabrieken wordt voorkomen door toepassing van een of meer van de technieken vermeld in BBT 29 van de BBT-conclusies voor ijzer- en staalproductie. Procesresiduen in sinterfabrieken die voorkomen noch gerecycleerd kunnen worden, worden op een gecontroleerde manier beheerd.

Art. 3.1.3.3.2. Residuen van de sinterband en van andere processen in de geïntegreerde staalfabriek die olie kunnen bevatten, zoals stof, slib en walshuid die ijzer en koolstof bevatten, worden maximaal gerecycleerd op de sinterband, rekening houdend met het respectieve oliegehalte.

Art. 3.1.3.3.3. Het koolwaterstofgehalte van het sintermengsel wordt verlaagd door de gerecycleerde procesresiduen zorgvuldig te selecteren en voor te behandelen. In alle gevallen moet het oliegehalte van de gerecycleerde procesresiduen minder zijn dan 0,5% en dat van het sintermengsel minder dan 0,1%.

Subafdeling 3.1.3.4.
Energie


Art. 3.1.3.4.1. Het verbruik van thermische energie in sinterfabrieken wordt verminderd door toepassing van een van de technieken vermeld in BBT 32 van de BBT-conclusies voor ijzer- en staalproductie.

Afdeling 3.1.4.
Pelletiseerfabrieken


Art. 3.1.4.1. Deze afdeling is van toepassing op alle pelletiseerfabrieken.

Subafdeling 3.1.4.1.
Luchtemissies


Art. 3.1.4.1.1.

De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op de geloosde afgassen:

 

Parameter

Proces

Emissiegrenswaarde (in mg/Nm³)

stof

verbrijzelen, malen en drogen van grondstoffen

20

overige processtappen of als alle afgassen samen behandeld worden

15

SOX, uitgedrukt als SO2

verhardingslijn

50

gasvormige anorganische fluoriden, uitgedrukt als HF

verhardingslijn

3

gasvormige anorganische chloriden, uitgedrukt als HCl

verhardingslijn

3

 

De concentratie van de parameters in de afgassen van de verhardingslijn, vermeld in het eerste lid, wordt gemeten met de volgende frequentie:

 

Parameter

Meetfrequentie

stof en SO2

continu

gasvormige anorganische fluoriden, gasvormige anorganische chloriden

om de vier maanden

 


Art. 3.1.4.1.2. De emissies van NOx bij het drogen en het malen en in de afgassen van verhardingslijnen worden verminderd met procesgeïntegreerde technieken. Bij nieuwe installaties worden de emissies van NOx verminderd door selectieve katalytische reductie (SCR) of een gelijkwaardige techniek toe te passen. De concentratie NOx in de afgassen van de verhardingslijn wordt continu gemeten.

Subafdeling 3.1.4.2.
Water en afvalwater


Art. 3.1.4.2.1. Voor pelletiseerfabrieken wordt het waterverbruik en de afvoer van was-, spoel- en koelwater beperkt en wordt het water zo veel mogelijk hergebruikt.

Art. 3.1.4.2.2.

De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op de lozing van het afvalwater in oppervlaktewater:

 

Parameter

Emissiegrenswaarde (in mg/l)

zwevende stoffen

50,0

CZV

160

Kjeldahl-stikstof

45

som zware metalen (As+Cd+Cr+Cu+Hg+Ni+Pb+Zn)

0,55


Subafdeling 3.1.4.3.
Productieresiduen


Art. 3.1.4.3.1. Het ontstaan van afval in pelletiseerfabrieken wordt voorkomen door een efficiënte recycling ter plaatse of het hergebruik van residuen (d.w.z. ondermaatse groene en warmtebehandelde pellets). Procesresiduen van pelletiseerfabrieken (d.w.z. slib afkomstig van de afvalwaterzuivering) die vermeden noch gerecycleerd kunnen worden, worden op een gecontroleerde manier beheerd.

Subafdeling 3.1.4.4.
Energie


Art. 3.1.4.4.1. Het verbruik van thermische energie in pelletiseerfabrieken wordt beperkt/zo laag mogelijk gehouden door toepassing van een of meer van de technieken vermeld in BBT 41 van de BBT-conclusies voor ijzer- en staalproductie.

Afdeling 3.1.5.
Cokesfabrieken


Art. 3.1.5.1. Deze afdeling is van toepassing op alle cokesfabrieken.

Subafdeling 3.1.5.1.
Luchtemissies


Art. 3.1.5.1.1. Emissies van kolenmaalinstallaties worden beperkt door de installaties in te kapselen. De afgassen worden efficiënt afgezogen en naar een stofverwijderingsinstallatie geleid. Er geldt een emissiegrenswaarde voor stof van 20 mg/Nm³.

Art. 3.1.5.1.2. Voor de opslag en behandeling van poederkool worden diffuse stofemissies voorkomen of verminderd door toepassing van een of meer van de technieken vermeld in BBT 43 van de BBT-conclusies voor ijzer- en staalproductie.

Art. 3.1.5.1.3. De cokesovenkamers worden gevuld met emissiebeperkende vulsystemen. De afgassen worden behandeld via de afgaszuiveringsinstallatie van de cokesovens of worden afzonderlijk afgezogen en geloosd. Als de afgassen van het vullen van de cokesovenkamers afzonderlijk geloosd worden, worden ze verbrand en behandeld in een stofverwijderingsinstallatie. Er geldt een emissiegrenswaarde voor stof van 25 mg/Nm³ voor de afzonderlijk geloosde afgassen.

Art. 3.1.5.1.4.

De diffuse emissies uit de cokesovens worden beperkt door:

het opstellen en het uitvoeren van een systematisch onderhoudsprogramma van de cokesovenkamers, de ovendeuren, de deurafdichtingen, de klimpijpen en de vulgaten, alsook het herstellen van breuken en beschadigingen in de ovenwanden, vastgesteld tijdens het onderhoud, en het uitvoeren van het onderhoudsprogramma door speciaal getraind onderhoudspersoneel;
het vermijden van sterke temperatuurschommelingen in de oven;
het uitvoerig controleren en monitoren van het cokesproces;
het schoonmaken van deuren, deurafdichtingen, vulgaten en vulgatdeksels en klimpijpen na hantering;
het behouden van een vrije gasstroom in de oven;
het garanderen van een gepaste drukregeling tijdens het vercooksen en de toepassing van deuren met geveerde flexibele afdichtingen;
het toepassen van klimpijpen met waterslot;
het verzegelen van de vulgaten met een kleisuspensie of een ander gelijkwaardig geschikt materiaal om de zichtbare emissies uit alle gaten te verminderen;
het garanderen van een volledige vercooksing.

Art. 3.1.5.1.5.

De duur van zichtbare emissies bij het vullen van de cokesoven bedraagt minder dan 30 seconden per vulbeurt als maandelijks gemiddelde.Voor de diffuse emissies uit de cokesovens zijn de volgende lekemissiegrenswaarden van toepassing als maandgemiddelde, uitgedrukt als een lekpercentage van het totale aantal deuren of klimpijpen en deksels van de cokesovenbatterij:

 

Type opening

Lekemissiegrenswaarde (%)

deuren

10

klimpijpen en deksels

1

 

De diffuse emissies uit de cokesovens worden visueel bepaald door toepassing van de EPA 303-methode, de DMT-methode, de door de BCRA ontwikkelde methode, de methode die gebaseerd is op een telling van zichtbare lekken in de klimpijpen en vulgaten of een andere gelijkwaardige methode die is goedgekeurd door een erkend laboratorium in de discipline lucht als vermeld in artikel 6, 5°, b), van het VLAREL van 19 november 2010.


Art. 3.1.5.1.6.

De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op de geloosde afgassen, afkomstig van het stooksysteem van de cokesovens. De emissiegrenswaarden hebben betrekking op een referentiezuurstofgehalte van 5%.

  

Parameter

 

Emissiegrenswaarde (in mg/Nm³)

stof

 

20

SOX, uitgedrukt als SO2

 

500

NOx, uitgedrukt als NO2

Bestaande installaties zonder geïntegreerde lage NOx technieken

1800

Bestaande installaties met geïntegreerde lage NOx technieken

650

 

Nieuwe installaties

500

CO

 

250

 

 

De concentratie van de parameters in de afgassen van de cokesovens, vermeld in het eerste lid, wordt gemeten met de volgende frequentie:

 

Parameter

Meetfrequentie

stof, NOx, CO

continu

SOx

om de vier maanden


Art. 3.1.5.1.7. Tijdens het vercooksen wordt het cokesovengas zo veel mogelijk afgezogen.

Art. 3.1.5.1.8. De residuele waterstofsulfideconcentratie in het cokesovengas, bepaald als daggemiddelde concentratie, bedraagt minder dan 800 mg/Nm³, behalve bij stilstand van de ontzwavelingsinstallatie voor onderhoud en herstel, waarbij een richtwaarde van 2 g/Nm³ geldt.

Art. 3.1.5.1.9. Fugitieve gasemissies, afkomstig van de afgaszuiveringsinstallaties worden tot een minimum beperkt door een beperking van het aantal flenzen, door het gebruik van geschikte afdichtingen voor flenzen en kleppen, door het gebruik van gasdichte pompen, door het vermijden van emissies van drukkleppen in opslagtanks, door middel van het verbinden van de klepuitlaat met het cokesovengasverzamelsysteem of door het verzamelen en verbranden van de gassen.

Art. 3.1.5.1.10. Bij het uitdrukken van de cokes wordt gebruikgemaakt van een mobiele cokesbluswagen. De stofemissies worden afgezogen via een cokestransportmachine met vaste afzuigkap. Tijdens het volledige uitdrukproces wordt stof via de vaste afzuigkap afgezogen en worden de afgassen naar een stofverwijderingsinstallatie geleid. Voor de geloosde afgassen van het uitdrukken van cokes geldt een emissiegrenswaarde voor stof van 10 mg/Nm³ bij het gebruik van een doekenfilter, en van 20 mg/Nm³ bij het gebruik van een andere stofverwijderingsinstallatie.

Art. 3.1.5.1.11.

Bij het droog blussen van cokes, wordt de nuttige warmte teruggewonnen. Voor de geloosde afgassen van het droog blussen van cokes geldt een emissiegrenswaarde voor stof van 20 mg/Nm³.

 

Bij het nat blussen van cokes, is de blustoren voorzien van ingebouwde stofafscheiders. De emissiegrenswaarden voor stof worden uitgedrukt in gram per ton cokes. De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, voor stof zijn van toepassing op de geloosde afgassen, afkomstig van het nat blussen van cokes:

 

 

Emissiegrenswaarde (g/ton cokes)

traditioneel nat blussen

25

nat blussen met cokesstabilisatie

10

 

De emissies bij het nat blussen van cokes worden gemeten volgens de niet-isokinetische Mohrhauer-methode (VDI 2303) bij traditioneel nat blussen, volgens de isokinetische bemonsteringsmethode volgens VDI 2066 bij nat blussen met cokesstabilisatie of volgens een andere gelijkwaardige methode die is goedgekeurd door een erkend laboratorium in de discipline lucht als vermeld in artikel 6, 5°, b), van het VLAREL van 19 november 2010.


Art. 3.1.5.1.12. Emissies van installaties voor het sorteren en verwerken van cokes worden beperkt door de installaties in te kapselen. De afgassen worden efficiënt afgezogen en naar een stofverwijderingsinstallatie geleid. Voor de geloosde afgassen van installaties voor het sorteren en het verwerken van cokes geldt een emissiegrenswaarde voor stof van 10 mg/Nm³.

Subafdeling 3.1.5.2.
Water en afvalwater


Art. 3.1.5.2.1. Er wordt zo weinig mogelijk cokesbluswater gebruikt en het gebruikte bluswater wordt zo veel mogelijk hergebruikt.

Art. 3.1.5.2.2. Het hergebruik van proceswater met een significant gehalte organische stoffen als bluswater wordt vermeden.

Art. 3.1.5.2.3. Het afvalwater van het vercooksen en van het reinigen van cokesovengas (COG) wordt, voordat het naar een afvalwaterzuiveringsinstallatie wordt afgevoerd, behandeld met een of meer van de technieken vermeld in BBT 55 van de BBT-conclusies voor ijzer- en staalproductie.

Art. 3.1.5.2.4.

De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op de lozing van het afvalwater van een afzonderlijke cokesovenwaterzuiveringsinstallatie in oppervlaktewater:

 

Parameter

Emissiegrenswaarde

Eenheid

BZV

20,0

mg/l

CZV

220,0

mg/l

som van ammoniumstikstof (NH4 + -N), nitraatstikstof (NO3 - -N) en nitrietstikstof (NO2 - -N)

50

mg N/l

vrij cyanide

0,1

mg/l

Fenolen

0,5

mg/l

som van opgelost sulfide en in zuur milieu oplosbaar sulfide

0,1

mg S/l

Thiocyanaat

1

mg S/l

PAK’s (som van fluorantheen, benzo[b]fluorantheen, benzo[k]fluorantheen, benzo[a]pyreen, indeen[1,2,3-cd]pyreen en benzo[g,h,i]peryleen)

0,05

mg/l

 


Subafdeling 3.1.5.3.
Productieresiduen


Art. 3.1.5.3.1. Teer en andere productieresiduen uit het koolwater en stilstaand afvalwater, alsook spuislib uit de afvalwaterzuiveringsinstallatie en andere, worden naar de kolenbelading gerecycleerd.

Subafdeling 3.1.5.4.
Energie


Art. 3.1.5.4.1. Het afgezogen cokesovengas wordt als brandstof, reductiemiddel of voor de productie van chemicaliën gebruikt.

Afdeling 3.1.6.
Hoogovens


Art. 3.1.6.1. Deze afdeling is van toepassing op alle hoogovens.

Subafdeling 3.1.6.1.
Luchtemissies


Art. 3.1.6.1.1. De lucht die tijdens het laden uit de opslagbunkers van de koolinjectie-eenheid wordt verdreven, wordt afgevangen en naar een stofverwijderingsinstallatie geleid. Er geldt een emissiegrenswaarde voor stof van 20 mg/Nm³.

Art. 3.1.6.1.2. Bij de voorbereiding (samenvoegen en mengen) en aanvoer van de lading worden stofemissies tot een minimum beperkt.

Art. 3.1.6.1.3. Er worden teervrije gootbekledingen gebruikt.

Art. 3.1.6.1.4. Het vrijkomen van hoogovengas tijdens het laden wordt tot een minimum beperkt door toepassing van een of meer van de technieken vermeld in BBT 63 van de BBT-conclusies voor ijzer- en staalproductie.

Art. 3.1.6.1.5. Stofemissies van het hoogovengas worden gereduceerd door toepassing van een of meer van de technieken vermeld in BBT 64 van de BBT-conclusies voor ijzer- en staalproductie.

Art. 3.1.6.1.6. Emissies uit het ovenhuis worden beperkt door het optimaliseren van het afvangrendement voor diffuse stofemissies en dampen. De afgassen worden naar een stofverwijderingsinstallatie geleid. Er geldt een emissiegrenswaarde voor stof van 15 mg/Nm³. De concentratie stof in de afgassen van het ovenhuis wordt continu gemeten en geregistreerd.

Art. 3.1.6.1.7.

De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op de geloosde afgassen van windverhitters. De emissiegrenswaarden hebben betrekking op een referentiezuurstofgehalte van 3%.

 

Parameter

Emissiegrenswaarde (mg/Nm³)

stof

10

SOX, uitgedrukt als SO2

200

NOx, uitgedrukt als NO2

100

 

De concentratie van de parameters in de afgassen van windverhitters, vermeld in het eerste lid, wordt om de vier maanden gemeten.

 

In afwijking van de algemene emissiegrenswaarden vermeld in hoofdstuk 4.4 van titel II van het VLAREM, worden voor de reductie van de CO-emissies bij windverhitters met inwendige verbrandingskamer vuurvaste stalen platen ingewerkt in het metselwerk van de verbrandingskamer. Het vuurvaste metselwerk van de windverhitters wordt grondig hersteld tijdens een hoogovenstilstand.


Subafdeling 3.1.6.2.
Water en afvalwater


Art. 3.1.6.2.1. Bij hoogovengasreiniging wordt zo weinig mogelijk waswater gebruikt en het gebruikte waswater wordt zo veel mogelijk hergebruikt, zo nodig na behandeling met een grindbedfilter.

Art. 3.1.6.2.2.

De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op de lozing van het afvalwater van de hoogovengasreiniging in oppervlaktewater:

 

Parameter

Emissiegrenswaarde (in mg/l)

zwevende stoffen

30,0

vrij cyanide

0,4

totaal ijzer

3

totaal lood

0,5

totaal zink

2,0

 


Subafdeling 3.1.6.3.
Productieresiduen


Art. 3.1.6.3.1. Het ontstaan van afval in hoogovens wordt voorkomen door toepassing van een of meer van de technieken vermeld in BBT 68 van de BBT-conclusies voor ijzer- en staalproductie. Procesresiduen afkomstig van hoogovens die vermeden noch gerecycleerd kunnen worden, worden op een gecontroleerde manier beheerd.

Subafdeling 3.1.6.4.
Grondstoffenbeheer


Art. 3.1.6.4.1. Voor grondstoffenbeheer in hoogovens wordt het cokesverbruik verminderd door direct geïnjecteerde reductiemiddelen te gebruiken.

Subafdeling 3.1.6.5.
Energie


Art. 3.1.6.5.1. De hoogoven werkt vlot, continu en stabiel om emissies tot een minimum te beperken en de kans op ladingverliezen te verminderen.

Art. 3.1.6.5.2. Het afgezogen hoogovengas wordt als brandstof gebruikt.

Art. 3.1.6.5.3. De energie-efficiëntie van de windverhitter wordt geoptimaliseerd door de toepassing van een of meer van de technieken vermeld in BBT 74 van de BBT-conclusies voor ijzer- en staalproductie.

Afdeling 3.1.7.
Oxystaalproductie en -gieten


Art. 3.1.7.1. De bepalingen in deze afdeling zijn van toepassing op alle installaties voor oxystaalproductie en -gieten.

Subafdeling 3.1.7.1.
Luchtemissies


Art. 3.1.7.1.1.

Bij de terugwinning van oxystaalovengas door onderdrukte verbranding wordt de stofconcentratie in het oxystaalovengas gereduceerd door toepassing van een stofverwijderingsinstallatie. De resterende stofconcentratie in het gereinigde oxystaalovengas, na buffering, bedraagt 50 mg/Nm³ voor bestaande installaties en 30 mg/Nm³ voor nieuwe installaties.

 

Bij de terugwinning van oxystaalovengas tijdens het zuurstofblazen door volledige verbranding wordt de stofemissie gereduceerd door toepassing van een stofverwijderingsinstallatie. Er geldt een emissiegrenswaarde voor stof van 20 mg/Nm³ voor de afgassen van de oxystaaloven. De stofconcentratie in de geloosde afgassen wordt om de vier maanden gemeten en geregistreerd.

 

Emissies, afkomstig van het overschenken van ruwijzer vanuit de rijdende menger of ruwijzermenger naar de staalpan, de voorbehandeling van ruwijzer, processen met betrekking tot de oxystaalproductie, secundaire metallurgie en continugieten worden beperkt door de installaties te overkappen of in te kapselen. De afgassen worden efficiënt afgezogen en naar een stofverwijderingsinstallatie geleid. Er geldt een emissiegrenswaarde voor stof van 10 mg/Nm³ bij het gebruik van een doekenfilter, en van 20 mg/Nm³ bij het gebruik van een andere stofverwijderingsinstallatie. De stofconcentratie in de geloosde afgassen wordt continu gemeten en geregistreerd voor het laden en het tappen van de oxystaaloven, en om de vier maanden voor de andere processen zoals voorbehandeling, secundaire metallurgie en continugieten.


Art. 3.1.7.1.2. Stofemissies uit het zuurstoflansgat worden tot een minimum beperkt door toepassing van een of meer van de technieken vermeld in BBT 77 van de BBT-conclusies voor ijzer- en staalproductie.

Art. 3.1.7.1.3. Voor slakkenverwerking ter plaatse worden stofemissies verminderd door toepassing van een of meer van de technieken vermeld in BBT 79 van de BBT-conclusies voor ijzer- en staalproductie.

Subafdeling 3.1.7.2.
Water en afvalwater


Art. 3.1.7.2.1. Het waterverbruik en de afvalwateremissies van de primaire ontstoffing van oxystaalovengas wordt voorkomen of verminderd door toepassing van een van de technieken vermeld in BBT 80 van de BBT-conclusies voor ijzer- en staalproductie.

Art. 3.1.7.2.2.

De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op de lozing van het afvalwater van continugietmachines in oppervlaktewater:

 

Parameter

Emissiegrenswaarde (in mg/l)

zwevende stoffen

20,0

totaal ijzer

3

totaal nikkel

0,5

totaal chroom

0,5

totaal zink

2

perchloorethyleenextraheerbare apolaire stoffen

5


Subafdeling 3.1.7.3.
Productieresiduen


Art. 3.1.7.3.1. Het ontstaan van afval wordt voorkomen door toepassing van een of meer van de technieken vermeld in BBT 82 van de BBT-conclusies voor ijzer- en staalproductie. Procesresiduen in oxystaalovens die vermeden noch gerecycleerd kunnen worden, worden op een gecontroleerde manier beheerd.

Subafdeling 3.1.7.4.
Energie


Art. 3.1.7.4.1. Bij toepassing van onderdrukte verbranding wordt het oxystaalovengas verzameld, gereinigd en gebufferd voor verder gebruik als brandstof. Bij toepassing van volledige verbranding wordt energie gerecupereerd door de opwekking van stoom.

Art. 3.1.7.4.2. Bij nieuwe installaties wordt het energieverbruik verminderd door pandekselsystemen te gebruiken. Bij bestaande installaties worden pandekselsystemen gebruikt indien het vermogen van de hefinrichtingen en het ontwerp van het hele gebouw dit toelaten.

Art. 3.1.7.4.3. Het proces wordt geoptimaliseerd en het energieverbruik wordt verminderd door de oven direct na het zuurstofblazen af te tappen.

Art. 3.1.7.4.4. Het energieverbruik wordt verminderd door continugieten van „near-net-shape”-strippen, indien dit verantwoord is op basis van de kwaliteit en het productmengsel van de geproduceerde staalsoorten en indien er voldoende ruimte beschikbaar is bij bestaande installaties.

Afdeling 3.1.8.
Elektrostaalproductie en -gieten


Art. 3.1.8.1. Deze afdeling is van toepassing op alle installaties voor elektrostaalproductie en -gieten.

Subafdeling 3.1.8.1.
Luchtemissies


Art. 3.1.8.1.1. Voor de processen van vlamboogovens (elektro-ovens) worden emissies van kwik voorkomen door grondstoffen en hulpstoffen die kwik bevatten zo veel mogelijk te vermijden.

Art. 3.1.8.1.2.

Alle emissiebronnen van de vlamboogovens worden efficiënt afgezogen en naar een stofverwijderingsinstallatie geleid.De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op de geloosde afgassen van vlamboogovens, inclusief schroot voorverwarmen, laden, smelten, tappen, panoven en secundaire metallurgie:

 

Parameter

Emissiegrenswaarde

stof

5 mg/Nm³

Hg

0,05 mg/Nm³

dioxinen en furanen

0,1 ng TEQ/Nm³

 

Voor de afgassen van het continugieten geldt er een emissiegrenswaarde voor stof van 10 mg/Nm³.

 

De stofconcentratie in de geloosde afgassen wordt continu gemeten en geregistreerd voor de vlamboogovens, de converters, het continugieten en de slijpmachines, en om de vier maanden voor de andere processen.

 

De concentratie van Hg in de geloosde afgassen wordt om de vier maanden gemeten en geregistreerd.

 

Voor dioxinen en furanen worden de gemiddelden bepaald over een bemonsteringsperiode van minimaal zes uur en maximaal acht uur. De emissiegrenswaarde heeft betrekking op de totale concentratie van dioxinen en furanen, berekend aan de hand van het begrip “toxische equivalentie”.

 

Voor de meting van dioxinen en furanen en de evaluatie van de meetresultaten gelden de bepalingen van de meetstrategie, vermeld in artikel 5.29.0.6, §1, van titel II van het VLAREM.


Art. 3.1.8.1.3. Voor slakkenverwerking ter plaatse worden stofemissies verminderd door toepassing van een of meer van de technieken vermeld in BBT 90 van de BBT-conclusies voor ijzer- en staalproductie.

Subafdeling 3.1.8.2.
Water en afvalwater


Art. 3.1.8.2.1. Het waterverbruik van processen van vlamboogovens wordt zo laag mogelijk gehouden door zo veel mogelijk gesloten waterkoelsystemen te gebruiken voor de koeling van oveninstallaties, tenzij koelsystemen met één doorloop worden gebruikt.

Art. 3.1.8.2.2.

De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op de lozing van het afvalwater van continugietmachines in oppervlaktewater:

 

Parameter

Emissiegrenswaarde (in mg/l)

zwevende stoffen

20,0

totaal ijzer

3

totaal nikkel

0,5

totaal chroom

0,5

totaal zink

2

Perchloorethyleenextraheerbare apolaire stoffen

5

 

 

 

 

 


Subafdeling 3.1.8.3.
Productieresiduen


Art. 3.1.8.3.1. Het ontstaan van afval wordt voorkomen door toepassing van een of meer van de technieken vermeld in BBT 93 van de BBT-conclusies voor ijzer- en staalproductie. Procesresiduen van vlamboogovens die vermeden noch gerecycleerd kunnen worden, worden op een gecontroleerde manier beheerd.

Subafdeling 3.1.8.4.
Energie


Art. 3.1.8.4.1. Het energieverbruik wordt verminderd door continugieten van „near-net-shape”-strippen, indien dit verantwoord is op basis van de kwaliteit en het productmengsel van de geproduceerde staalsoorten en indien er voldoende ruimte beschikbaar is bij bestaande installaties.

Subafdeling 3.1.8.5.
Geluidshinder


Art. 3.1.8.5.1. Geluidsemissies van vlamboogoveninstallaties en -processen waarbij een grote akoestische energie vrijkomt, worden verminderd door toepassing van een combinatie van de technieken vermeld in BBT 95 van de BBT-conclusies voor ijzer- en staalproductie.