Hoofdstuk 3.2.
Productie van glas


Afdeling 3.2.1.
Toepassingsgebied en definities


Art. 3.2.1.1.

§1. Dit hoofdstuk is van toepassing op de inrichtingen vermeld in rubriek 20.3.4, 1°, b), en 20.3.6, 2°, van de indelingslijst. Bestaande installaties, als vermeld in artikel 3.2.1.2, 2°, voldoen uiterlijk op 8 maart 2016 aan dit hoofdstuk.

 

De overeenkomstige GPBV-activiteiten zijn de activiteiten 3.3 en 3.4, vermeld in bijlage 1 bij dit besluit.

 

§2. Paragraaf 1 heeft geen betrekking op de productie van waterglas, van polykristallijne wol of van spiegels.


Art. 3.2.1.2.

In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

nieuwe installatie: een installatie die na 8 maart 2012 op het terrein van de inrichting gebouwd wordt of een installatie die na 8 maart 2012 volledig herbouwd wordt op de bestaande fundamenten;
bestaande installatie: een andere dan een nieuwe installatie;
nieuwe oven: een oven die na 8 maart 2012 op het terrein van de installatie wordt geplaatst of een oven die na 8 maart 2012 volledig omgebouwd wordt;
de BBT-conclusies voor de productie van glas: het uitvoeringsbesluit 2012/135/EU van de Commissie van 28 februari 2012 tot vaststelling van de BBT-conclusies (beste beschikbare technieken) op grond van Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad inzake industriële emissies voor de productie van glas, gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie L70 van 8 maart 2012.

 


Art. 3.2.1.3.

Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden de conversies van concentraties naar specifieke massa-emissies, vermeld in het tweede tot en met het vijfde lid.

 

De emissiegrenswaarden die zijn uitgedrukt als specifieke massa-emissies (kg/ton gesmolten glas), zijn gebaseerd op de berekening, vermeld in het derde lid, behalve voor oxyfuel-ovens en, in een beperkt aantal gevallen, voor elektrische smelting, waarvoor de emissiegrenswaarden in kg/ton gesmolten glas werden afgeleid uit specifieke verstrekte gegevens.

 

De berekeningsprocedure die wordt gebruikt voor de omzetting van concentraties in specifieke massa-emissies is de volgende:

 

specifieke massa-emissies (kg/ton gesmolten glas) = conversiefactor × emissieconcentratie (mg/Nm3)

 

waarbij: conversiefactor = (Q/P) × 10-6,

met Q gelijk aan afgasvolume in Nm3/h en  

P gelijk aan glasafname in ton gesmolten glas/h.

 

Het afgasvolume wordt bepaald door het specifieke energieverbruik, het soort brandstof en het oxidatiemiddel, zijnde lucht, lucht verrijkt met zuurstof en zuurstof met een zuiverheidsgraad die afhankelijk is van het productieproces. Het energieverbruik is een complexe functie van voornamelijk het soort oven, het soort glas en het percentage scherven.

 

De conversiefactoren, vermeld in de onderstaande tabel zijn gebruikt om concentraties naar specifieke massa-emissies om te zetten. De conversiefactoren zijn bepaald op basis van energie-efficiënte ovens en hebben uitsluitend betrekking op lucht-brandstofgestookte ovens. De volgende indicatieve conversiefactoren worden gebruikt om mg/Nm3 om te zetten in kg/ton gesmolten glas op basis van energie-efficiënte lucht-brandstofgestookte ovens:

 

Sectoren

Conversiefactoren voor omzetting mg/Nm3 naar kg/ton gesmolten glas

Vlakglas

2,5 × 10-3

Verpakkingsglas

Algemeen geval

1,5 × 10-3

Specifieke gevallen (1)

geval per geval (vaak 3,0 × 10-3)

Continuglasvezel

4,5 × 10-3

Tafelglas

Natronkalk

2,5 × 10-3

Specifieke gevallen (2)

geval per geval (tussen 2,5 en > 10 × 10-3; vaak 3,0 × 10-3)

Minerale wol

Glaswol

2 × 10-3

Steenwol (koepeloven)

2,5 × 10-3

Speciaalglas

tv-glas (schermen)

3 × 10-3

tv-glas (trechter)

2,5 × 10-3

Borosilicaatglas (buisglas)

4 × 10-3

Glaskeramiek

6,5 × 10-3

Verlichtingsglas (natronkalkglas)

2,5 × 10-3

Fritte

geval per geval (tussen 5 – 7,5 × 10-3)

(1) De specifieke gevallen stemmen overeen met de minst gunstige gevallen, namelijk kleine speciale ovens met een productie die gewoonlijk lager ligt dan 100 t/dag en een schervenpercentage van minder dan 30%.

(2) De specifieke gevallen stemmen overeen met de minst gunstige gevallen of niet-natronkalkglas: borosilicaatglas, glaskeramiek, kristalglas en, minder frequent, loodkristalglas.

 


Afdeling 3.2.2.
Algemene bepalingen


Art. 3.2.2.1.

Tenzij anders is vermeld, zijn de bepalingen in deze afdeling algemeen van toepassing voor alle inrichtingen, vermeld in dit hoofdstuk.

                         

De processpecifieke bepalingen, vermeld in afdeling 3.2.3 tot en met 3.2.10, zijn van toepassing naast de algemene bepalingen die in deze afdeling beschreven worden.


Art. 3.2.2.2.

Er wordt een milieubeheersysteem ten uitvoer gelegd en nageleefd dat alle volgende elementen omvat:

 

1°  de inzet van het management, inclusief het senior management; 
2°  het uitwerken van een milieubeleid voor de continue verbetering van de installatie door het management;
3°  het plannen en vaststellen van noodzakelijke procedures, doelstellingen en streefcijfers, samen met een financiële planning en investeringen;
4°  het uitvoeren van de procedures, waarbij vooral aandacht geschonken wordt aan:
  a)  bedrijfsorganisatie en verantwoordelijkheid van het personeel,
  b)  opleiding, bewustmaking en bekwaamheid,
  c)  communicatie,
  d)  betrokkenheid van de werknemers,
  e)  documentatie,
  f)  efficiënte procescontrole,
  g) onderhoudsprogramma's,
  h) noodplan en rampenbestrijding,
  i) waarborging van de naleving van de milieuwetgeving;
het controleren van de prestaties en het nemen van corrigerende maatregelen, waarbij vooral aandacht geschonken wordt aan:
  a) monitoring en meting,
  b) corrigerende en preventieve maatregelen,
  c) het bijhouden van gegevens,
  d) onafhankelijke interne of externe audit, met als doel vast te stellen of het milieubeheersysteem overeenkomt met de geplande maatregelen en op de juiste wijze wordt uitgevoerd en gehandhaafd;
het evalueren van het milieubeheersysteem door het senior management met als doel te waarborgen dat het geschikt, adequaat en doeltreffend blijft;
het volgen van de ontwikkelingen van schonere technologieën;
het rekening houden met de milieueffecten bij het ontwerp van een nieuwe installatie, tijdens de volledige levensduur en bij de latere ontmanteling ervan;
het op gezette tijden uitvoeren van een benchmarkonderzoek.

 

 


Art. 3.2.2.3. Het specifieke energieverbruik wordt beperkt door toepassing van een of meer van de technieken vermeld in BBT 2 van de BBT-conclusies voor productie van glas.

Art. 3.2.2.4. Diffuse stofemissies afkomstig van de opslag en hantering van vaste materialen worden voorkomen, of indien dat niet haalbaar is, beperkt door toepassing van een of meer van de technieken vermeld in BBT 3 van de BBT-conclusies voor productie van glas.

Art. 3.2.2.5.

Diffuse gasemissies afkomstig van de opslag en hantering van vluchtige grondstoffen worden voorkomen, of indien dat niet haalbaar is, beperkt door toepassing van een of meer van de technieken vermeld in BBT 4 van de BBT-conclusies voor productie van glas.

 


Art. 3.2.2.6. Energieverbruik en atmosferische emissies worden beperkt door een constante monitoring van de bedrijfsparameters en een geprogrammeerd onderhoud van de smeltoven. De techniek wordt vermeld in BBT 5 van de BBT-conclusies voor productie van glas.

Art. 3.2.2.7. Een zorgvuldige selectie en controle wordt uitgeoefend op alle stoffen en grondstoffen die in de smeltoven worden ingevoerd om atmosferische emissies te voorkomen of te beperken door toepassing van een of meer van de technieken vermeld in BBT 6 van de BBT-conclusies voor productie van glas.

Art. 3.2.2.8. Kritieke procesparameters om de processtabiliteit te garanderen worden continu gemeten.

Art. 3.2.2.9. Onder normale bedrijfsomstandigheden wordt een optimale capaciteit en beschikbaarheid van de afgasbehandelingsinstallaties gegarandeerd om de emissies te voorkomen of te beperken.

Art. 3.2.2.10. Als door omstandigheden van druk en temperatuur in de afgassen de metalen ook in gasvorm of in druppelvorm voorkomen, dan gelden de emissiegrenswaarden voor metalen in dit hoofdstuk voor de som van vaste, vloeibare en gasvormige emissies.

Art. 3.2.2.11. Voor discontinue metingen van atmosferische emissies wordt de meetwaarde bepaald als de gemiddelde waarde van drie steekproefmonsters van elk minstens 30 minuten. Voor regeneratieve ovens omvat de meetperiode minstens twee branderwisselingen van de regeneratieve kamers.

Art. 3.2.2.12.

De volgende referentieomstandigheden gelden met betrekking tot atmosferische emissies:

 

Activiteiten

Eenheid

Referentieomstandigheden

Smeltactiviteiten

Conventionele smeltoven in continue smelters

mg/Nm3

 

Zuurstofgehalte van 8 volumeprocent

Conventionele smeltoven in discontinue smelters

mg/Nm3

 

Zuurstofgehalte van 13 volumeprocent

Oxyfuelovens

 

kg/ton gesmolten glas

De uitdrukking van emissie-niveaus, gemeten als mg/Nm3 ten opzichte van een referentiezuurstofgehalte, is niet van toepassing

Elektrische ovens

 

mg/Nm3 of kg/ton gesmolten glas

De uitdrukking van emissie-niveaus, gemeten als mg/Nm3 ten opzichte van een referentiezuurstofgehalte, is niet van toepassing

Frittesmeltovens

mg/Nm3 of kg/ton gesmolten glasfritte

De concentraties zijn gebaseerd op 15 volume-procent zuurstof. Voor lucht-gasverbranding, uitgedrukt als emissieconcentratie (mg/Nm3). Als uitsluitend oxyfuelverbranding wordt toegepast, uitgedrukt als specifieke massa-emissies (kg/ton gesmolten fritte). In geval van verbranding van met zuurstof verrijkte lucht en brandstof, uitgedrukt als emissieconcentratie (mg/Nm3) of als specifieke massa-emissies (kg/ton gesmolten fritte).

Alle soorten ovens

kg/ton gesmolten glas

De specifieke massa-emissies hebben betrekking op een ton gesmolten glas.

Andere activiteiten dan smelten, inclusief nabewerkingsprocessen

Alle processen

mg/Nm³

Geen correctie voor zuurstof

Alle processen

kg/ton glas

De specifieke massa-emissies hebben betrekking op een ton geproduceerd glas

 


Art. 3.2.2.13.

De concentratie van de volgende parameters in de afgassen van de smeltovens, waarvoor in de afdelingen 3.2.3 tot en met 3.2.10 emissiegrenswaarden opgenomen zijn, wordt gemeten met de volgende frequentie:

 

Parameter

Meetfrequentie

stof, NOx en SO2

continu

gasvormige anorganische fluoriden, gasvormige anorganische chloriden, metalen

om de vier maanden

 

De continue metingen kunnen vervangen worden door continue metingen van vervangende parameters. De metingen van vervangende parameters waarborgen dat de afgasbehandelingsinstallatie naar behoren werkt en dat de emissieniveaus gehandhaafd blijven. In dat geval wordt om de zes maanden een periodieke meting uitgevoerd.


Art. 3.2.2.14. Booremissies afkomstig van de smeltoven, wanneer boorverbindingen in het gemeng worden gebruikt, worden beperkt door toepassing van een of meer van de technieken vermeld in BBT 11 van de BBT-conclusies voor productie van glas. De monitoring van booremissies dient uitgevoerd te worden volgens een specifieke methode waarmee zowel de vaste als gasvormige vormen kunnen worden gemeten en ter bepaling in welke mate deze soorten uit de rookgassen verwijderd zijn.

Art. 3.2.2.15.

De concentratie van de parameters in de afgassen van de nabewerkingsprocessen, waarvoor in de afdelingen 3.2.3 tot en met 3.2.10 emissiegrenswaarden opgenomen zijn, wordt om de vier maanden gemeten.


Art. 3.2.2.16.

De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op de geloosde afgassen van smeltovens:

 

Parameter

Emissiegrenswaarde in mg/Nm³

Opmerkingen

CO

100

 

ammoniak

30

in geval SCR- of SNCR-technieken worden toegepast


Art. 3.2.2.17. Bij toepassing van afgasbehandelingsinstallaties op basis van selectieve katalytische reductie of selectieve niet-katalytische reductie worden de emissies van NH3 in de geloosde afgassen maandelijks gemeten en geregistreerd.

Art. 3.2.2.18. Bij toepassing van primaire technieken of technieken voor chemische reductie met brandstof ter vermindering van de NOx-emissies of als onvolledige verbranding kan plaatsvinden, worden de emissies van CO in de geloosde afgassen maandelijks gemeten en geregistreerd.

Art. 3.2.2.19. Het waterverbruik wordt beperkt door toepassing van een of meer van de technieken vermeld in BBT 12 van de BBT-conclusies voor productie van glas.

Art. 3.2.2.20.

De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op de lozing van het afvalwater in oppervlaktewater:

  

Parameter

emissiegrenswaarde

eenheid

ondergrens pH

6,5

pH-eenheid

bovengrens pH

9

pH-eenheid

zwevende stoffen

30

mg/l

CZV

90

mg/l

sulfaten

1000

mg/l

totaal anorganisch gebonden fluoride

10

bij zuurpolijsten: 6

mg/l

totaal lood

loodkristalglas: 0,30

mg/l

andere sectoren: 0,05

mg/l

totaal antimoon

0,5

mg/l

totaal arseen

0,3

mg/l

totaal barium

3,0

mg/l

totaal zink

0,5

mg/l

totaal koper

0,3

mg/l

totaal chroom

0,3

mg/l

totaal cadmium

0,05

mg/l

totaal tin

0,5

mg/l

totaal nikkel

0,5

hol glas 0,2

mg/l

ammonium (NH4+)

5

spiegelglas en matglas: 10

mg/l

totaal boor

3,0

mg/l

fenol

1

hol glas: 0,4

plat glas en glasderivaten: 0,04

mg/l

perchloorethyleenextraheerbare apolaire stoffen

15

mg/l


Art. 3.2.2.21. De productie van vast afval dat verwijderd moet worden, wordt beperkt door toepassing van een of meer van de technieken vermeld in BBT 14 van de BBT-conclusies voor productie van glas.

Art. 3.2.2.22. Geluidsemissies worden beperkt door toepassing van een of meer van de technieken vermeld in BBT 15 van de BBT-conclusies voor productie van glas.

Afdeling 3.2.3.
Fabricage van verpakkingsglas


Art. 3.2.3.1. Deze afdeling is van toepassing op alle installaties voor de fabricage van verpakkingsglas.

Art. 3.2.3.2.

De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op de geloosde afgassen van smeltovens voor de fabricage van verpakkingsglas:

 

Parameter

Opmerkingen

Emissiegrenswaarde

mg/Nm³

kg/ton gesmolten glas

Stof

 

20

0,06

NOx, uitgedrukt als NO2

 

bij toevoeging van nitraten in het gemeng voor korte ovencampagnes of voor smeltovens met een capaciteit < 100 ton/dag

1000

3

in alle andere gevallen

primaire technieken voor verbrandingsproces en ovenontwerp

800

1,2

elektrisch smelten

100

0,3

oxyfuelsmelting

niet van toepassing

0,8

secundaire technieken

500

0,75

SOx, uitgedrukt als SO2

bij gebruik van aardgas

500

0,75

bij gebruik van stookolie

1200

1,8

gasvormige anorganische chloriden, uitgedrukt als HCl

bij gelijktijdige behandeling van afgassen afkomstig van hot-end coatingprocedés

20

0,03

anders

10

0,02

gasvormige anorganische fluoriden, uitgedrukt als HF

 

5

0,008

som As+Co+Ni+Cd+Se+Cr(VI)

zonder opzettelijke toevoeging van metalen aan het gemeng

0,2

0,3 x 10-3

met toevoeging van metalen aan het gemeng of bij gezamenlijke behandeling met afgassen van hot-end coatingprocedés

1

1,5 x 10-3

som As+Co+Ni+Cd+Se+Cr(VI)+Sb+Pb+Cr(III) +Cu+Mn+V+Sn

zonder opzettelijke toevoeging van metalen aan het gemeng

1

1,5 x 10-3

met toevoeging van metalen aan het gemeng of bij gezamenlijke behandeling met afgassen van hot-end coatingprocedés

5

7,5 x 10-3

 


Art. 3.2.3.3.

De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op de geloosde afgassen van nabewerkingsprocessen voor de fabricage van verpakkingsglas, als de afgassen afzonderlijk worden behandeld:

 

Parameter

Opmerkingen

Emissiegrenswaarde in mg/Nm³

stof

bij hot-end coatingprocedés

10

titaniumverbindingen, uitgedrukt als Ti

bij hot-end coatingprocedés

5

tinverbindingen, met inbegrip van organotinverbindingen, uitgedrukt als Sn

bij hot-end coatingprocedés

5

gasvormige anorganische chloriden, uitgedrukt als HCl

bij hot-end coatingprocedés

30

SOx, uitgedrukt als SO2

bij gebruik van SO3 voor oppervlaktebehandelingsprocessen

200

 


Afdeling 3.2.4.
Fabricage van vlakglas


Art. 3.2.4.1. Deze afdeling is van toepassing op alle installaties voor de fabricage van vlakglas.

Art. 3.2.4.2.

De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op de geloosde afgassen van smeltovens voor de fabricage van vlakglas:

 

Parameter

Opmerkingen

Emissiegrenswaarde

mg/Nm³

kg/ton gesmolten glas

Stof

 

20

0,05

NOx, uitgedrukt als NO2

 

bij toevoeging van nitraten in het gemeng voor de productie van speciaal vlakglas tijdens een beperkt aantal korte ovencampagnes

1200

3

in alle andere gevallen

primaire technieken voor verbrandings-proces

800

2

Fenix-proces

700

1,75

oxyfuelsmelting

niet van toepassing

2

secundaire technieken – geen nieuwe of normaal omgebouwde oven

700

1,75

secundaire technieken – nieuwe of normaal omgebouwde oven

400

1

SOx, uitgedrukt als SO2

bij gebruik van aardgas

500

1.25

bij gebruik van stookolie

1300

3,25

gasvormige anorganische chloriden, uitgedrukt als HCl

bij recycling van filterstof in het gemeng

25

0,0625

anders

10

0,025

gasvormige anorganische fluoriden, uitgedrukt als HF

 

4

0,010

som As+Co+Ni+Cd+Se+Cr(VI)

uitgezonderd met seleen gekleurd glas

1

2,5 x 10-3

som As+Co+Ni+Cd+Se+Cr(VI)+Sb+Pb+Cr(III) +Cu+Mn+V+Sn

uitgezonderd met seleen gekleurd glas

5

12,5 x 10-3

seleenverbindingen, uitgedrukt als Se

met seleen gekleurd glas

3

7,5 x 10-3

 


Art. 3.2.4.3.

De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op de geloosde afgassen van nabewerkingsprocessen voor de fabricage van vlakglas, als de afgassen afzonderlijk worden behandeld:

 

Parameter

emissiegrenswaarde in mg/Nm³

stof

20

gasvormige anorganische chloriden, uitgedrukt als HCl

10

gasvormige anorganische fluoriden, uitgedrukt als HF

5

SOx, uitgedrukt als SO2

200

som As+Co+Ni+Cd+Se+Cr(VI)

1

som As+Co+Ni+Cd+Se+Cr(VI)+Sb+Pb+Cr(III)+Cu+Mn+V+Sn

5

 


Afdeling 3.2.5.
Fabricage van continuglasvezel


Art. 3.2.5.1. Deze afdeling is van toepassing op alle installaties voor de fabricage van continuglasvezel.

Art. 3.2.5.2.

De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op de geloosde afgassen van smeltovens voor de fabricage van continuglasvezel:

 

Parameter

Opmerkingen

Emissiegrenswaarde

 

mg/Nm³

kg/ton gesmolten glas

stof

 

20

0,09

NOx, uitgedrukt als NO2

 

primaire technieken voor verbrandingsproces

1000

4,5

oxyfuelsmelting

niet van toepassing

1,5

SOx, uitgedrukt als SO2

bij gebruik van aardgas

800

3,6

bij gebruik van stookolie

1000

4,5

gasvormige anorganische chloriden, uitgedrukt als HCl

 

10

0,05

gasvormige anorganische fluoriden, uitgedrukt als HF

bij gebruik van fluorverbindingen in het gemeng

15

0,07

bij ander gebruik

5

0,02

som As+Co+Ni+Cd+Se+Cr(VI)

 

1

4,5 x 10-3

som As+Co+Ni+Cd+Se+Cr(VI)+Sb+Pb+Cr(III)+Cu+Mn+V+Sn

 

3

13,5 x 10-3

 


Art. 3.2.5.3.

De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op de geloosde afgassen van nabewerkingsprocessen voor de fabricage van continuglasvezel, als de afgassen afzonderlijk worden behandeld:

 

Parameter

Opmerkingen

Emissiegrenswaarde in mg/Nm³

stof

afkomstig van vorming en coating, snijden en malen

20

formaldehyde

afkomstig van vorming en coating

10

ammoniak

afkomstig van vorming en coating

30

vluchtige organische stoffen, uitgedrukt als totaal organische stoffen

afkomstig van vorming en coating

20

 


Afdeling 3.2.6.
Fabricage van tafelglas


Art. 3.2.6.1. Deze afdeling is van toepassing op alle installaties voor de fabricage van tafelglas.

Art. 3.2.6.2.

De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op de geloosde afgassen van smeltovens voor de fabricage van tafelglas:

 

Parameter

Opmerkingen

Emissiegrenswaarde

mg/Nm³

kg/ton gesmolten glas

stof

bij gemengsamenstellingen met aanzienlijke hoeveelheden gevaarlijke stoffen

10

0,03

bij andere samenstellingen

20

0,06

NOx, uitgedrukt als NO2

 

bij toevoeging van nitraten in het gemeng voor een beperkt aantal productiecycli of voor smeltovens met een capaciteit van < 100 ton/dag voor de productie van bijzondere soorten natronkalkglas en andere soorten speciaal tafelglas

bij conventionele lucht-brandstof-gestookte ovens

1500

3,75

elektrisch smelten

500

10

in alle andere gevallen

primaire technieken voor verbrandingsproces en ovenontwerp

1000

2,5

elektrisch smelten

100

0,3

oxyfuelsmelting

niet van toepassing

1,5

SOx, uitgedrukt als SO2

bij gebruik van aardgas

300

0,75

bij gebruik van stookolie

1000

2,5

elektrisch smelten

100

0,25

gasvormige anorganische chloriden, uitgedrukt als HCl

elektrisch smelten

10

0,03

bij gebruik van KCl of NaCl als louteringsmiddel

30

0,09

anders

20

0,06

gasvormige anorganische fluoriden, uitgedrukt als HF

productie van opaalglas, recycling van filterstof, gebruik van grote hoeveelheden externe glasscherven in het gemeng

5

0,015

elektrisch smelten

0,003

som As + Co + Ni + Cd + Se + Cr(VI)

met uitzondering van met seleen ontkleurd glas

1

3 x 10-3

som As + Co + Ni + Cd + Se + Cr(VI) + Sb + Pb + Cr(III) + Cu + Mn + V + Sn

met uitzondering van met seleen ontkleurd glas

5

15 x 10-3

seleen-verbindingen, uitgedrukt als Se

bij gebruik van seleenverbindingen om het glas te ontkleuren

1

3 x 10-3

lood-verbindingen, uitgedrukt als Pb

bij gebruik van loodverbindingen om loodkristal te vervaardigen

1

3 x 10-3

 

 

 


Art. 3.2.6.3.

De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op de geloosde afgassen van nabewerkingsprocessen voor de fabricage van tafelglas, als de afgassen afzonderlijk worden behandeld:

 

Parameter

Opmerkingen

Emissiegrenswaarde in mg/Nm³

stof

 

10

som As+Co+Ni+Cd+Se+Cr(VI)

 

1

som As+Co+Ni+Cd+Se+Cr(VI)+Sb+Pb+Cr(III)+Cu+Mn+V+Sn

 

5

loodverbindingen als Pb

nabewerkingsprocessen van loodkristal

1,5

HF

afkomstig van zuurpolijsten

5

 


Afdeling 3.2.7.
Fabricage van speciaalglas


Art. 3.2.7.1. Deze afdeling is van toepassing op alle installaties voor de fabricage van speciaalglas.

Art. 3.2.7.2.

De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op de geloosde afgassen van smeltovens voor de fabricage van speciaalglas:

 

 

Parameter

Opmerkingen

Emissiegrenswaarde

mg/Nm³

kg/ton gesmolten glas

stof

bij gemengsamenstellingen met aanzienlijke hoeveelheden gevaarlijke stoffen

10

0,065

andere

20

0,13

NOx, uitgedrukt als NO2

 

als het gemeng nitraten bevat

elektrisch smelten

500

1

anders

1000

6

als het gemeng geen nitraten bevat

primaire technieken voor verbrandingsproces

800

3,2

elektrisch smelten

100

0,4

oxyfuelsmelting

niet van toepassing

1

oxyfuelsmelting: productie van speciaal borosilicaat-buisglas voor farmaceutisch gebruik

3

secundaire technieken

500

3

SOx, uitgedrukt als SO2

bij gebruik van elektrisch smelten en gemengsamenstellingen zonder sulfaten

30

0,08

bij gebruik van aardgas

200

0,5

bij gebruik van stookolie

800

2

gasvormige anorganische chloriden, uitgedrukt als HCl

bij gebruik van chloorhoudende grondstoffen in het gemeng

20

0,05

bij ander gebruik

10

0,03

gasvormige anorganische fluoriden, uitgedrukt als HF

 

5

0,04

som As+Co+Ni+Cd+Se+Cr(VI)

zonder opzettelijke toevoeging van metalen aan het gemeng

0,1

0,3 x 10-3

met toevoeging van metalen aan het gemeng

1

3 x 10-3

som As+Co+Ni+Cd+Se+Cr(VI)+Sb+Pb+Cr(III) +Cu+Mn+V+Sn

zonder opzettelijke toevoeging van metalen aan het gemeng

1

3 x 10-3

met toevoeging van metalen aan het gemeng

5

15 x 10-3

 


Art. 3.2.7.3.

De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op de geloosde afgassen van nabewerkingsprocessen voor de fabricage van speciaalglas, als de afgassen afzonderlijk worden behandeld:

 

Parameter

Opmerkingen

Emissiegrenswaarde in mg/Nm³

stof

 

10

som As+Co+Ni+Cd+Se+Cr(VI)

 

1

som As+Co+Ni+Cd+Se+Cr(VI)+Sb+Pb+Cr(III)+Cu+Mn+V+Sn

 

5

gasvormige anorganische fluoriden, uitgedrukt als HF

afkomstig van zuurpolijsten

5

 


Afdeling 3.2.8.
Fabricage van minerale wol


Art. 3.2.8.1. Deze afdeling is van toepassing op alle installaties voor de fabricage van minerale wol.

Art. 3.2.8.2.

De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op de geloosde afgassen van smeltovens voor de fabricage van minerale wol:

 

Parameter

Opmerkingen

Emissiegrenswaarde

mg/Nm³

kg/ton gesmolten glas

stof

 

20

0,05

NOx, uitgedrukt als NO2

 

 

bij glaswolproductie, als het gemeng geen nitraten bevat

lucht-brandstofgestookte ovens en elektrische ovens

500

1

oxyfuelsmelting

niet van toepassing

0,5

bij glaswolproductie, als het gemeng nitraten bevat

oxyfuelsmelting als het gemeng nitraten bevat

500

1

andere, als het gemeng nitraten bevat

700

1,4

bij steenwolproductie

500

1,25

SOx, uitgedrukt als SO2

 

bij glaswolproductie

elektrisch smelten

50

0,1

bij gebruik van aardgas

150

0,3

bij steenwolproductie

gasgestookte en elektrische ovens

350

0,9

 

koepelovens, geen briketten of recycling van slakken, voorrang SOx-reductie

400

1

 

koepelovens, met cementbriketten of recycling van slakken, voorrang afvalbeperking

1400

3,5

gasvormige anorganische chloriden, uitgedrukt als HCl

 

bij glaswolproductie

10

0,02

bij steenwolproductie

30

0,075

gasvormige anorganische fluoriden, uitgedrukt als HF

 

5

0,013

H2S

bij steenwolproductie

2

0,005

som As + Co + Ni + Cd + Se + Cr(VI)

fabricage van steenwol in koepelovens

1

2,5 x 10-3

andere

0,2

0,4 x 10-3

som As + Co + Ni + Cd + Se + Cr(VI) + Sb + Pb + Cr(III) + Cu + Mn + V + Sn

fabricage van steenwol in koepelovens

2

5 x 10-3

andere

1

2 x 10-3

 


Art. 3.2.8.3.

De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op de geloosde afgassen van de vormingszone voor de fabricage van minerale wol, als de afgassen afzonderlijk worden behandeld. De emissiegrenswaarden hebben betrekking op de totale emissies van vorming, uitharding en afkoeling:

 

Parameter

Emissiegrenswaarde in mg/Nm³

totaal vaste deeltjes

50

fenol

10

formaldehyde

5

ammoniak

60

amines

3

vluchtige organische stoffen, uitgedrukt als totaal organische koolstof

30

 


Art. 3.2.8.4.

De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op de geloosde afgassen van de uithardingsovens voor de fabricage van minerale wol, als de afgassen afzonderlijk worden behandeld:

 

Parameter

Emissiegrenswaarde

mg/Nm³

kg/ton gesmolten glas

totaal vaste deeltjes

30

0,2

fenol

5

0,03

formaldehyde

5

0,03

ammoniak

60

0,4

amines

2

0,01

vluchtige organische stoffen, uitgedrukt als totaal organische koolstof

10

0,065

NOx, uitgedrukt als NO2

200

1

 

 


Afdeling 3.2.9.
Fabricage van hittebestendige isolatiewol


Art. 3.2.9.1. Deze afdeling is van toepassing op alle installaties voor de fabricage van hittebestendige isolatiewol.

Art. 3.2.9.2.

De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op de geloosde afgassen van smeltovens voor de fabricage van hittebestendige isolatiewol:

 

Parameter

Opmerkingen

Emissiegrenswaarde
in mg/Nm³

stof

 

20

NOx, uitgedrukt als NO2

 

smeermiddelverbrandingsovens

200

SOx, uitgedrukt als SO2

 

 

50

gasvormige anorganische chloriden, uitgedrukt als HCl

 

10

gasvormige anorganische fluoriden, uitgedrukt als HF

 

5

som As+Co+Ni+Cd+Se+Cr(VI)

 

1

som As+Co+Ni+Cd+Se+Cr(VI)+Sb+Pb+Cr(III)+ Cu+Mn+V+Sn

 

5

vluchtige organische stoffen, uitgedrukt als totaal organische koolstof

smeermiddelverbrandingsovens

20

 


Art. 3.2.9.3.

De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op de geloosde afgassen van de nabewerkingsprocessen voor de fabricage van hittebestendige isolatiewol, als de afgassen afzonderlijk worden behandeld:

 

Parameter

Opmerkingen

Emissiegrenswaarde in mg/Nm³

stof

bij emissies van aluminiumsilicaatwol en vuurvaste keramische vezels

1

andere

5

SOx, uitgedrukt als SO2

 

 

50

som As+Co+Ni+Cd+Se+Cr(VI)

 

1

som As+Co+Ni+Cd+Se+Cr(VI)+Sb+Pb+Cr(III) +Cu+Mn+V+Sn

 

5

 


Afdeling 3.2.10.
Fabricage van fritte


Art. 3.2.10.1. Deze afdeling is van toepassing op alle installaties voor de fabricage van fritte.

Art. 3.2.10.2.

De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op de geloosde afgassen van smeltovens voor de fabricage van fritte:

 

Parameter

Opmerkingen

Emissiegrenswaarde

mg/Nm³

kg/ton gesmolten glas

stof

 

20

0,15

NOx, uitgedrukt als NO2

 

zuurstof-brandstofverbranding, zonder nitraten

niet van toepassing

5

zuurstof-brandstofverbranding, met nitraten

niet van toepassing

10

verbranding van brandstof en lucht of van brandstof en met zuurstof verrijkte lucht, zonder nitraten

1000

7,5

verbranding van brandstof en lucht of van brandstof en met zuurstof verrijkte lucht, met nitraten

1600

12

SOx, uitgedrukt als SO2

 

 

200

1,5

gasvormige anorganische chloriden, uitgedrukt als HCl

 

10

0,05

gasvormige anorganische fluoriden, uitgedrukt als HF

 

5

0,03

som As+Co+Ni+Cd+Se+Cr(VI)

 

1

7,5 x 10-3

som As+Co+Ni+Cd+Se+Cr(VI)+Sb+Pb+Cr(III) +Cu+Mn+V+Sn

 

5

37 x 10-3

 


Art. 3.2.10.3.

De emissiegrenswaarden, vermeld in de volgende tabel, zijn van toepassing op de geloosde afgassen van de nabewerkingsprocessen voor de fabricage van fritte, als de afgassen afzonderlijk worden behandeld:

 

Parameter

Emissiegrenswaarde in mg/Nm³

stof

10

som As+Co+Ni+Cd+Se+Cr(VI)

1

som As+Co+Ni+Cd+Se+Cr(VI)+Sb+Pb+Cr(III)+Cu+Mn+V+Sn

5