Art. 4.4.3.2.

In de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit kunnen:

1 in functie van de milieukwaliteitsnormen voor de lucht strengere emissiegrenswaarden worden opgelegd;
2 bij emissies waar stoom het dragergas en hoofdbestanddeel is, in afwijking van artikel 4.4.3.3, 1, de emissiegrenswaarden met inbegrip van het watergehalte worden toegepast. Emissies met natte pluimen als gevolg van natte gaswassers zijn uitgesloten van deze bepaling; de vergunningverlenende overheid doet daarover uitspraak in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit;
3 emissiegrenswaarden voor bepaalde stoffen worden opgelegd, uitgedrukt in massastromen;
4 emissiebeperkingen worden opgelegd voor al dan niet gespecifieerde stoffen, uitgedrukt in maximale stofneerslaghoeveelheden op de bodem in de omgeving van de inrichting of in milieukwaliteitsnormen in de omgevingslucht rondom de inrichting.