Art. 4.4.3.3.

§ 1.

Emissiegrenswaarden in de vorm van concentraties worden uitgedrukt in mg/Nm³ en hebben betrekking op geleide emissies in de volgende omstandigheden: temperatuur 273,15 K, druk 101,3 kPa, droog gas. De luchthoeveelheden die naar een onderdeel van de installatie worden toegevoerd om het afgas te verdunnen of af te koelen, blijven bij de bepaling van de emissiewaarden buiten beschouwing.

 

§ 2.

De emissiegrenswaarden gelden voor elk emissiepunt waarvoor de grensmassastroom, vermeld in bijlage 4.4.2 of in andere bepalingen van dit besluit, wordt overschreden.

Als voor de hele milieutechnische eenheid de grensmassastroom, vermeld in bijlage 4.4.2 of in andere bepalingen van dit besluit, wordt overschreden, voldoet ook de debietgewogen gemiddelde concentratie van de emissies uit de milieutechnische eenheid aan de emissiegrenswaarden.

 

Voor de bepaling van de emissies van de milieutechnische eenheid wordt er bij de start van het meetprogramma gemeten op alle emissiepunten. Hetzelfde geldt bij wijzigingen in het productieproces die een wijziging van de emissies kunnen veroorzaken.

 

Op basis van de met toepassing van het eerste lid verkregen meetresultaten kunnen voor de verdere meting deelstromen worden weggelaten die niet of niet significant bijdragen tot de emissies. Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit wordt het weglaten van de metingen op bepaalde deelstromen aanvaard in een van de volgende gevallen:

als de som van emissies van de gemeten deelstromen niet minder bedraagt dan 95% van de emissies van de betrokken verontreinigende stof voor de hele milieutechnische eenheid;
als dat vooraf is goedgekeurd door detoezichthouder.

 

De meetfrequentie, vermeld in bijlage 4.4.3, en het controleprogramma, vermeld in bijlage 4.4.4, worden toegepast op het geheel van de milieutechnische eenheid.

 

§ 3.

Tenzij anders vermeld in de omgevingsvergunning voor de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit, geldt voor de geloosde afgassen een referentiezuurstofgehalte van 18% als naverbranding gebruikt wordt als afgasreinigingstechniek.

 

§ 4.

Voor de berekening van de emissiewaarden bij het referentiezuurstofgehalte wordt de volgende omrekeningsformule gebruikt:

 

ER= EM * ((21-OR)/ (21-OM)), waarbij:

EM: gemeten emissie;
ER: emissie betrokken op referentiewaarde;
OR: referentiezuurstofgehalte;
OM: gemeten zuurstofgehalte.