Afdeling 2.
De oppervlaktedelfstoffennota?s


Art. 5.

De minister stelt oppervlaktedelfstoffennota’s op die uitvoering geven aan de doelstellingen, vermeld in artikel 3. De nota’s zijn gebaseerd op ontwikkelingsperspectieven voor een termijn van minimaal 25 jaar.


De oppervlaktedelfstoffennota’s worden door de minister minstens vijfjaarlijks geŽvalueerd, rekening houdend met de doelstellingen, vermeld in artikel 3.


Art. 6.

Van elke oppervlaktedelfstoffennota wordt een ontwerp opgemaakt op basis van een goed onderbouwde behoefte aan de desbetreffende oppervlaktedelfstof voor de vooropgestelde termijn. Dat gebeurt op grond van economische studies, marktverkennende onderzoeken en overleg met de betrokken administraties, instellingen en organisaties. De oppervlaktedelfstoffennota’s houden rekening met de inzet van volwaardige alternatieven, en met de in- en uitvoer van oppervlaktedelfstoffen. De oppervlaktedelfstoffennota’s bevatten een beschrijving van de acties en maatregelen die op het niveau van het Vlaamse Gewest zullen worden genomen om de doelstellingen, vermeld in artikel 3, te realiseren. De oppervlaktedelfstoffennota’s kunnen een voorstel van zoekzones bevatten die een ruimtelijke vertaling zijn van de geologische kennis, de onderbouwde behoefte aan oppervlaktedelfstoffen en de ruimtelijke context, met inbegrip van het mobiliteitsaspect.


De minister legt de oppervlaktedelfstoffennota’s vast, na advies van de Strategische Adviesraad voor Ruimtelijke Ordening (SARO) en maakt ze ter informatie over aan de Milieu- en Natuurraad van Vlaanderen (Minaraad) en de Sociaal-Economische Raad van Vlaanderen (SERV).


De minister deelt de vastlegging van de oppervlaktedelfstoffennota’s mee aan de Vlaamse Regering.