Art. 17/1.

§ 1

De vervoerinstallaties moeten worden ontworpen, gebouwd, geëxploiteerd en buiten gebruik gesteld overeenkomstig de regels voorzien in artikelen 16 en 17.
De houder van een vervoervergunning bouwt, exploiteert, onderhoudt, ontwikkelt en stelt een vervoerinstallatie buiten gebruik op een economische en veilige wijze en zet de redelijke middelen in om de veiligheid van goederen en personen te verzekeren, met respect voor het milieu.

§ 2

De verplichtingen voorzien in § 1 van dit artikel worden in hoofde van de houder van een vervoervergunning als voldaan beschouwd wanneer deze laatste deze wet en de uitvoeringsbesluiten voorzien in artikelen 16 en 17 van de wet alsook de vervoervergunning(en) naleeft.
Zonder afbreuk te doen aan de verplichtingen in hoofde van de betrokkenen bij de uitvoering van werken in de nabijheid van vervoerinstallaties bedoeld in het koninklijk besluit van 21 september 1988, moeten de vervoerinstallaties aan de interne en externe belastingen kunnen weerstaan waaraan zij kunnen worden onderworpen in normale bedrijfsomstandigheden zoals beschreven in de Technische Codes. Deze verplichting van de houder van de vervoervergunning is een middelenverbintenis.