Hoofdstuk IIIbis.
Geļntegreerd beheer ten behoeve van het natuurbehoud


Afdeling 1.
Algemene bepalingen


Art. 12bis. Bij het beheer van terreinen ten behoeve van het natuurbehoud, wordt gestreefd naar een geļntegreerd beheer waarbij rekening gehouden wordt met de ecologische, de economische en de sociale functie.

Afdeling 2.
De ecologische functie


Art. 12ter.

De ecologische functie heeft onder meer betrekking op:

de rol van een terrein in het kader van het natuurbehoud en in het kader van de zorg voor het behoud van de biologische diversiteit;
de milieubeschermende rol van een terrein dat beheerd wordt ten behoeve van het natuurbehoud.

Art. 12quater.

De zorg voor de ecologische functie van een terrein wordt onder meer gerealiseerd door:

het voeren van een gepast beheer voor de realisatie van de gewenste natuurstreefbeelden;
de zorg voor behoud van de biologische diversiteit, onder meer door het bevorderen van de instandhouding van populaties van inheemse dier- en plantensoorten met inbegrip van de instandhouding van hun leefgebieden;
de instandhouding van het natuurlijk milieu, inclusief een voor de natuurwaarden gunstige waterhuishouding;
het voeren van een beheer dat gericht is op het tegengaan van alle nadelige externe beļnvloeding van de natuur en het natuurlijk milieu.

Afdeling 3.
De economische functie


Art. 12quinquies. De economische functie van een terrein dat beheerd wordt ten behoeve van het natuurbehoud bestaat onder meer uit het optimaal benutten van ecosysteemdiensten, waaronder de duurzame productie van goederen of diensten, die binnen dit terrein gerealiseerd kunnen worden.

Afdeling 4.
De sociale functie


Art. 12sexies.

De sociale functie van een terrein dat beheerd wordt ten behoeve van het natuurbehoud heeft onder meer betrekking op:

de natuurbeleving en -educatie;
de toegankelijkheid van het terrein met het oog op recreatie;
de rol van het terrein voor algemene landschapszorg en het beheer van onroerend erfgoed;
de rol van het terrein voor het wetenschappelijk onderzoek.

Art. 12septies.

§ 1.

De volgende terreinen zijn toegankelijk voor voetgangers op de openbare en de private wegen:

een openbaar terrein dat beheerd wordt ten behoeve van het natuurbehoud;
een bos;
een terrein dat beheerd wordt ten behoeve van het natuurbehoud en dat werd aangekocht of waarop een zakelijk of persoonlijk recht werd verworven, in beide gevallen met financiėle tussenkomst van een administratieve overheid in uitvoering van dit decreet.

 

In afwijking van het eerste lid zijn natuurdomeinen onbeperkt toegankelijk voor voetgangers.


Met de voetganger wordt gelijkgesteld, de rolstoelgebruikers en de fietsers jonger dan 9 jaar.

 

§ 2.

Een terrein als vermeld in paragraaf 1, eerste en tweede lid, kan door de beheerder geheel of gedeeltelijk ontoegankelijk worden gesteld, met uitzondering van de openbare wegen. De ontoegankelijkheid kan van bepaalde duur of van onbepaalde duur zijn en kan betrekking hebben op een of meer categorieėn van gebruikers.


In een openbaar terrein dat beheerd wordt ten behoeve van het natuurbehoud kan de beheerder ook de minder belangrijke openbare wegen ontoegankelijk stellen. Als minder belangrijke openbare wegen worden beschouwd: alle openbare of gedeelten van openbare wegen, met uitzondering van die openbare wegen die ingericht zijn voor het gewone gemotoriseerde verkeer en die in hoofdzaak bestemd zijn als doorgangsweg.


In een openbaar terrein dat beheerd wordt ten behoeve van het natuurbehoud of in een terrein dat verworven is met financiėle tussenkomst van een administratieve overheid in uitvoering van dit decreet, kan de ontoegankelijkheid, vermeld in het eerste en het tweede lid, alleen in de volgende gevallen worden ingesteld:

als ze is opgenomen in een goedgekeurde toegankelijkheidsregeling, als vermeld in artikel 12octies;
als ze noodzakelijk is voor de openbare veiligheid, zoals bij brandgevaar, storm of andere gevaarlijke situaties;
als ze noodzakelijk is voor de bescherming van de inheemse dier- en plantensoorten;
als er beheerwerkzaamheden worden uitgevoerd waarbij de veiligheid van de bezoekers niet gegarandeerd kan worden;
als er jacht- en bestrijdingsactiviteiten worden uitgevoerd overeenkomstig de jachtregelgeving of de regelgeving inzake soortenbeheer.

 

De ontoegankelijkheid wordt op een duidelijk zichtbare wijze aangeduid. De Vlaamse Regering legt de nadere regels vast voor de aanduiding van de ontoegankelijkheid in terreinen als vermeld in paragraaf 1, eerste en tweede lid.


In terreinen van type twee, type drie of type vier, vermeld in artikel 16ter, § 1, waarvoor een natuurbeheerplan is goedgekeurd overeenkomstig artikel 16octies, geldt een minimale toegankelijkheid. Dit betekent dat voor een dergelijk terrein geen volledige ontoegankelijkheid kan worden ingesteld zoals vermeld in het eerste en het tweede lid.

 

§ 3.

Het toelaten van andere categorieėn van weggebruikers dan voetgangers of het beperken van de toegankelijkheid wordt vastgesteld in een goedgekeurde toegankelijkheidsregeling als vermeld in artikel 12octies.

 

§ 4.

De Vlaamse Regering kan voor terreinen als vermeld in paragraaf 1, eerste lid, voor zover de natuurkwaliteit van het terrein niet wordt bedreigd en de vervulling van de verschillende functies niet wordt verhinderd en onder de voorwaarden die ze bepaalt, regels vaststellen voor:

het verlaten van de openbare en de private wegen in bepaalde zones of voor bepaalde activiteiten;
het gebruik van de private wegen en de minder belangrijke openbare wegen, vermeld in paragraaf 2, voor risicovolle activiteiten, door het verkrijgen van een vergunning. Met risicovolle activiteiten worden activiteiten bedoeld die door hun aard of omvang schade kunnen teweegbrengen aan fauna, flora of derden;
het toelaten van huisdieren.

 
De Vlaamse Regering bepaalt de categorieėn van andere gebruikers dan voetgangers die onder bepaalde voorwaarden toegang kunnen krijgen tot een terrein als vermeld in paragraaf 1, eerste lid. De toegankelijkheid voor andere categorieėn van gebruikers dan voetgangers wordt op een duidelijk zichtbare wijze aangeduid. De Vlaamse Regering kan nadere regels vastleggen voor de aanduiding van de toegankelijkheid.


Art. 12octies.

§ 1.

De toegankelijkheid van een terrein als vermeld in artikel 12 septies, § 1, eerste en tweede lid, wordt vastgesteld in een toegankelijkheidsregeling. Die regeling mag niet strijdig zijn met de inhoud van het natuurbeheerplan of met de bepalingen van dit decreet.


In de volgende gevallen hoeft geen toegankelijkheidsregeling te worden vastgesteld:

in een terrein als vermeld in artikel 12septies, § 1, eerste lid, waar de toegankelijkheid beperkt blijft tot het verlenen van toegang voor voetgangers op de openbare en de private wegen als vermeld in artikel 12septies, § 1;
in een privaat terrein als vermeld in artikel 12 septies, § 1, eerste lid, waar het terrein ontoegankelijk is gesteld zoals vermeld in artikel 12septies, § 2, eerste lid.
in een natuurdomein als vermeld in artikel 12septies, § 1, tweede lid, dat in zijn geheel onbeperkt toegankelijkis voor voetgangers.


In andere terreinen dan deze vermeld in artikel 12septies, § 1, eerste en tweede lid, kan een toegankelijkheidsregeling opgesteld worden als er voor dat terrein een goedgekeurd natuurbeheerplan is.

 

§ 2.

Een toegankelijkheidsregeling kan opgemaakt worden door de beheerder of een groep van beheerder, met de instemming van de eigenaars.


De procedure voor de opmaak van een toegankelijkheidsregeling heeft de volgende kenmerken:

een aanvraag voor de opmaak van een toegankelijkheidsregeling wordt ingediend door de beheerder van het terrein, met instemming van de eigenaar;
een aanvraag voor de opmaak van een toegankelijkheidsregeling kan tegelijk gebeuren met de aanvraag voor de goedkeuring van een natuurbeheerplan, vermeld in artikel 16octies, § 1;
een aanvraag voor de opmaak van een toegankelijkheidsregeling wordt onderworpen aan een advies van het agentschap.


De Vlaamse Regering of haar gemachtigde beslist over de aanvragen van de goedkeuring van een toegankelijkheidsregeling, vermeld in het tweede lid.

 

§2bis.
De beheerder van een terrein kan in een toegankelijkheidsregeling vastleggen onder welke voorwaarden gerookt mag worden en vuur gemaakt mag worden op het terrein. Als ter uitvoering van artikel 13, §9, tweede lid, de Vlaamse Regering een regeling treft, krijgt die regeling voorrang ten opzichte van wat in de toegankelijkheidsregeling voor het terrein vermeld staat.


De Vlaamse Regering kan nadere regels vastleggen voor de aanduiding van de wijze waarop kan worden bekendgemaakt hoe roken en vuur maken geregeld zijn op het terrein.

 

§ 3.

De Vlaamse Regering bepaalt nadere regels over de inhoud en de procedure voor de goedkeuring van een toegankelijkheidsregeling.


Art. 12novies.

In een terrein als vermeld in artikel 12septies, § 1, eerste en tweede lid, is geen enkele vorm van gemotoriseerd verkeer toegelaten, uitgezonderd op de openbare wegen die ingericht zijn voor het gewone gemotoriseerd verkeer en in hoofdzaak bestemd zijn als doorgangsweg.


Het verbod, vermeld in het eerste lid, geldt niet voor gemotoriseerd verkeer dat nodig is voor:

het uitvoeren van beheeractiviteiten, inclusief jacht- en bestrijdingsactiviteiten overeenkomstig de jachtregelgeving of de regelgeving inzake soortenbeheer;
het uitoefenen van toezicht en opsporing;
het garanderen van de veiligheid van de bezoekers;
bijzondere omstandigheden die vastgesteld zijn in een toegankelijkheidsregeling of een natuurbeheerplan;
het gebruik van toegangswegen door de beheerder van het terrein of zijn genodigden in functie van de bereikbaarheid van onroerende goederen.

Afdeling 5.
Technisch beheer van openbare terreinen


Atrikel 12decies.

§1.
In deze paragraaf wordt verstaan onder besturen:

1. een gemeente;
2. een gemeentebedrijf;
3. een vereniging van gemeenten;
4. een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn;
5. een intercommunaal centrum voor maatschappelijk welzijn;
6. een vereniging van openbare centra voor maatschappelijk welzijn;
7. een provincie;
8. een provinciebedrijf;
9. een polder;
10. een watering;
11. een vereniging van polders en wateringen;
12. een kerkfabriek en elke andere rechtspersoon die voor de uitoefening van een openbare eredienst of voor verenigingen van vrijzinnigen onroerende goederen beheert.

 

 

De besturen die eigenaar zijn van een openbaar terrein dat beheerd wordt of zal worden in het kader van natuurbehoud, kunnen het agentschap verzoeken om het technische beheer van dat terrein uit te voeren. De besturen geven in een schriftelijke mededeling aan dat ze de intentie hebben om een natuurbeheerplan als vermeld in artikel 16bis, op te maken. De Vlaamse Regering bepaalt de taken die vallen onder het technische beheer wat slaat op uitvoerende en coördinerende taken die nodig zijn om het beheer van het terrein binnen gestelde doelstellingen uit te voeren. Het technische beheer wordt stopgezet nadat het voormelde natuurbeheerplan is goedgekeurd conform artikel 16octies.

 


De besturen die eigenaar zijn van een openbaar terrein dat beheerd wordt of zal worden in het kader van natuurbehoud, kunnen met een overeenkomst het volledige beheer aan het agentschap overdragen op voorwaarde dat er een goedgekeurd natuurbeheerplan is als vermeld in artikel 16octies, of dat het bestuur de intentie heeft om een natuurbeheerplan als vermeld in artikel 16bis op te maken. Bij de beslissing tot overname van het beheer verleent het agentschap geen subsidies meer als vermeld in artikel 16sedecies. Dit volledige beheer onderscheidt zich van het technische beheer door ook het stellen van de doelstellingen voor het natuurtechnische beheer en de volledige financiėle verantwoordelijkheid voor het beheer te omvatten.


§2.
In afwijking van paragraaf 1 kunnen de eigenaars van alle andere openbare terreinen die beheerd worden of zullen worden in het kader van natuurbehoud schriftelijk laten weten aan het agentschap om het technische beheer te laten uitvoeren door het agentschap.


§3.
In afwijking van paragraaf 1 en 2 kan een publiekrechtelijke rechtspersoon die eigenaar is van een openbaar terrein dat beheerd wordt of zal worden in het kader van natuurbehoud, een derde het technische beheer laten uitvoeren. Als van die mogelijkheid wordt gebruikgemaakt, voert de derde in kwestie het volledige takenpakket uit dat wordt bepaald krachtens paragraaf 1, tweede lid. Het is niet mogelijk om alleen bepaalde taken van het voormelde takenpakket door de derde te laten uitvoeren terwijl het agentschap nog andere taken van het voormelde takenpakket uitvoert.


Een publiekrechtelijk rechtspersoon die gebruik maakt van de mogelijkheid, vermeld in het eerste lid, sluit daarvoor een overeenkomst met de derde. De publiekrechtelijke rechtspersoon deelt het agentschap schriftelijk mee welke derde het technische beheer uitvoert, binnen dertig dagen na de dag van de ondertekening van de overeenkomst.


In voorkomend geval worden tussen enerzijds het agentschap en anderzijds de publiekrechtelijke rechtspersoon en de derde die de beheertaken op zich zal nemen, afspraken gemaakt over het tijdstip waarop de derde de taken overneemt die het agentschap voorheen uitvoerde. De taken worden uiterlijk negentig dagen na de dag van de ondertekening van de overeenkomst, vermeld in het tweede lid, overgedragen. Het agentschap zal de taken die het voorheen uitvoerde in elk geval niet meer uitvoeren nadat de voormelde termijn van negentig dagen is verstreken.


§4.
Het beheer van een openbaar terrein dat beheerd wordt of zal worden in het kader van natuurbehoud, kan met een overeenkomst tussen de partijen in kwestie worden overgedragen aan een derde.


De publiekrechtelijke rechtspersoon bezorgt een afschrift van de overeenkomst, vermeld in het eerste lid, aan het agentschap binnen dertig dagen na de dag van de ondertekening van de overeenkomst. De terreinen in kwestie behouden de status van openbaar terrein.