Art. 16ter.

§ 1.

Bij het opstellen van een natuurbeheerplan, als vermeld in artikel 16bis, worden, afhankelijk van de doelstellingen die gekozen worden voor de realisatie van de ecologische functie, de volgende types terreinen onderscheiden:

type één: behouden van de aanwezige natuurkwaliteit;
type twee: bereiken van een hogere natuurkwaliteit;
type drie: bereiken van de hoogste natuurkwaliteit;
type vier: erkend natuurreservaat.

 

§ 2.

De private terreinen, waarvoor een natuurbeheerplan wordt opgemaakt, die geheel of gedeeltelijk liggen in het VEN of in een speciale beschermingszone in het Vlaamse Gewest, de natuurdomeinen alsook de openbare terreinen waarvoor een natuurbeheerplan wordt opgemaakt, moeten ten minste aan de voorwaarden voor type twee voldoen. In het geval vermeld in artikel 16septies, tweede lid, wordt daarbij maximaal gestreefd om te voldoen aan de voorwaarden voor type drie of type vier. Voor natuurdomeinen die verworven zijn met het oog op de realisatie van instandhoudingsdoelstellingen voldoet het natuurbeheerplan aan de voorwaarden voor type drie of type vier.


Voor de terreinen die niet vermeld zijn in het eerste lid kiest de beheerder van het terrein die een geïntegreerd beheer ten behoeve van het natuurbehoud wil voeren, uit de vier types, vermeld in het eerste lid. De beheerder kan alleen kiezen voor type drie of type vier als het terrein, in voorkomend geval in samenhang met de ruimtelijke omgeving ervan, voldoende oppervlakte heeft om op duurzame wijze de aanwezige of te ontwikkelen natuurstreefbeelden in stand te houden.