Hoofdstuk 2.
Besluitvormingsprocedure


Afdeling 1.
Algemene bepalingen en beslissingsbevoegdheden


Art. 4.
Dit decreet doet geen afbreuk aan de doelstellingen en inhoudelijke verplichtingen die zijn vastgesteld bij of krachtens de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en de wetten, decreten en besluiten, vermeld in artikel 39, 40 en 41 met uitzondering van titel IV, hoofdstukken II, III en VI, afdeling III, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en met uitzondering van artikel 36ter, § 3 tot en met § 6, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu.

Art. 5.

§ 1

De volgende principes staan centraal in de procesaanpak van de besluitvormingsprocedure:
het participatiebeginsel;
open communicatie en transparantie;
maatwerk inzake de concrete invulling van het proces;
geïntegreerde en oplossingsgerichte samenwerking;
gelijktijdige en geïntegreerde aanpak van de onderzoeken en de inspraak;
procesregie die door de actoren wordt gedragen.
De Vlaamse Regering stelt een methodiek ter beschikking in de vorm van een routeplanner die de procesaanpak van de geïntegreerde besluitvormingsprocedure voor complexe projecten verduidelijkt.

§ 2

Een evolutieve en indicatieve procesnota geeft aan welke procesaanpak wordt gevolgd om invulling te geven aan de principes vermeld in paragraaf 1.
De procesnota vermeldt ook de procesverantwoordelijke en de actoren die relevant zijn bij de beoordeling van een complex project.
De procesnota wordt openbaar gemaakt.

Art. 6.

§ 1

Het nemen van de startbeslissing en het vaststellen van het voorkeursbesluit of het projectbesluit komt toe aan de Vlaamse Regering, de provincieraad of de gemeenteraad.

§ 2

De Vlaamse Regering is bevoegd voor het vaststellen van het voorkeursbesluit als het complexe project dat met het voorkeursbesluit wordt beoogd, een project betreft als vermeld in [artikel 15, § 1, eerste lid, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning].
De provincieraad is bevoegd voor het vaststellen van het voorkeursbesluit als het complexe project dat met het voorkeursbesluit wordt beoogd, een project betreft als vermeld in [artikel 15, § 1, derde lid, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning].
De gemeenteraad is bevoegd voor het vaststellen van het voorkeursbesluit in alle andere gevallen.

§ 3

Als het complexe project bestaat uit twee of meer deelprojecten, waarvoor krachtens het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning twee of meer overheden als vermeld in paragraaf 1, bevoegd zijn, wijzen ze in onderling overleg de bevoegde overheid aan die het voorkeursbesluit zal vaststellen.
Het aanwijzen van de bevoegde overheid en de eventueel daarmee gepaard gaande afspraken en voorwaarden gebeurt schriftelijk en uiterlijk op het moment waarop het ontwerp van voorkeursbesluit wordt vastgesteld.

§ 4

De Vlaamse Regering is bevoegd voor het vaststellen van het projectbesluit als het complexe project dat met het projectbesluit wordt beoogd, een project betreft als vermeld in [artikel 15, § 1, eerste lid, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning].
De provincieraad is bevoegd voor het vaststellen van het projectbesluit als het complexe project dat met het projectbesluit wordt beoogd, een project betreft als vermeld in [artikel 15, § 1, derde lid, van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning].
De gemeenteraad is bevoegd voor het vaststellen van het projectbesluit in alle andere gevallen.

§ 5

Als het complexe project bestaat uit twee of meer deelprojecten, waarvoor krachtens het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning twee of meer overheden als vermeld in paragraaf 1, bevoegd zijn, wijzen ze in onderling overleg de bevoegde overheid aan die het projectbesluit zal vaststellen.
Het aanwijzen van de bevoegde overheid en de eventueel daarmee gepaard gaande afspraken en voorwaarden gebeurt schriftelijk en uiterlijk op het moment waarop het ontwerp van projectbesluit wordt vastgesteld.

[§ 6

De bevoegde overheden kunnen de bevoegdheid voor het vaststellen van het voorkeursbesluit en het projectbesluit delegeren aan een ander bestuursniveau.
Het delegatiebesluit wordt opgenomen in het ontwerp van voorkeursbesluit of het ontwerp van projectbesluit, na schriftelijke instemming van de betrokken bestuursniveaus. Het delegatiebesluit bevat een motivering voor de delegatie van de bevoegdheid.
Bij het verlenen van de delegatie kunnen de bestuursniveaus afspraken maken die verbonden zijn aan de opmaak van het voorkeurs- en projectbesluit.
De delegatie van de bevoegdheid voor het vaststellen van het voorkeursbesluit vervalt in de volgende gevallen:
als er geen voorkeursbesluit definitief is vastgesteld, binnen de vijf jaar na de vaststelling van het ontwerp van voorkeursbesluit;
als er een voorkeursbesluit definitief is vastgesteld, vanaf de inwerkingtreding hiervan, met behoud van de mogelijkheid tot opheffing vermeld in artikel 43, tweede lid.
De delegatie van de bevoegdheid voor het vaststellen van het projectbesluit vervalt in de volgende gevallen:
als er geen projectbesluit definitief is vastgesteld, binnen de vijf jaar na de vaststelling van het ontwerp van projectbesluit;
als er een projectbesluit definitief is vastgesteld, vanaf de inwerkingtreding hiervan.
]

Art. 6/1.
De bevoegde overheid, vermeld in artikel 6, vervult haar taken voortvloeiende uit richtlijn 2011/92/EU op objectieve wijze en ziet erop toe dat ze zich niet bevindt in een situatie die tot een belangenconflict aanleiding geeft.

Afdeling 2.
Verkenningsfase en startbeslissing


Art. 7.

§ 1

Als de Vlaamse Regering, de provincieraad of de gemeenteraad tijdens de verkenningsfase van oordeel is dat een initiatief tot complex project in aanmerking komt voor de door dit decreet geregelde besluitvormingsprocedure, neemt ze daarover een startbeslissing.
Het groot maatschappelijk en ruimtelijk strategisch belang van een project blijkt uit een of meerdere van de volgende vaststellingen:
de probleemstelling of het programma van het project is meervoudig en omvat diverse af te wegen belangen;
het project is onontbeerlijk voor een noodzakelijke verbetering van de woonkwaliteit, de milieukwaliteit, de economische ontwikkeling en/of de mobiliteit;
bij de afweging van de betrokken belangen is de maatschappelijke meerwaarde prominent;
het project is ruimtelijk structurerend voor het gebied in kwestie of wordt voorzien in een complexe omgeving;
het project heeft een grote rechtstreekse of onrechtstreekse socio-economische, ruimtelijke, leefmilieugerela-teerde of verkeerskundige impact;
het project houdt ongebruikelijke investeringen en inspanningen in op vlak van ontwikkeling en beheer.

§ 2

De overheid die een startbeslissing neemt, bezorgt een afschrift ervan aan de andere overheden, vermeld in artikel 6, § 1.
De startbeslissing wordt bekendgemaakt op een door de Vlaamse Regering te bepalen wijze.

Afdeling 3.
Onderzoeksfase en voorkeursbesluit


Onderafdeling 1.
Alternatievenonderzoeksnota


Art. 8.

§ 1

Bij de start van de onderzoeksfase wordt een alternatievenonderzoeksnota opgesteld. Die bevat een beschrijving van:
de doelstellingen en de geografische werkingssfeer van het geplande project;
de op strategisch niveau redelijkerwijs te onderzoeken alternatieven;
de wijze waarop de effecten van de redelijke alternatieven zullen worden onderzocht en beoordeeld in het licht van het te nemen voorkeursbesluit.

§ 2

De procesverantwoordelijke bezorgt de alternatievenonderzoeksnota aan de dienst bevoegd voor milieueffectrapportage en aan de door de Vlaamse Regering bepaalde adviesinstanties.
Het publiek wordt over de alternatievenonderzoeksnota geraadpleegd.
Als uit de alternatievenonderzoeksnota blijkt dat er aanzienlijke effecten kunnen zijn voor mens of milieu in andere lidstaten van de Europese Unie, of in verdragspartijen bij het Verdrag van Espoo, of in andere gewesten, of als de bevoegde autoriteiten van deze lidstaten, verdragspartijen of gewesten daarom verzoeken, legt de procesverantwoor-delijke de alternatievenonderzoeksnota samen met alle beschikbare informatie over de mogelijke (gewest)grensover-schrijdende effecten, voor advies voor aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, verdragspartijen of gewesten in kwestie, wat betreft de aanzienlijke effecten voor mens of milieu.
De Vlaamse Regering bepaalt de adviesinstanties, vermeld in het eerste lid, en kan nadere regels bepalen voor de adviesverlening door de adviesinstanties en de raadpleging van het publiek, vermeld in het eerste en het tweede lid. De Vlaamse Regering kan tevens de wijze en voorwaarden bepalen waarop de procesverantwoordelijke de alternatievenonderzoeksnota bezorgt aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, verdragspartijen of gewesten, vermeld in het derde lid.

§ 3

De dienst bevoegd voor milieueffectrapportage beslist over de reikwijdte en het detailleringsniveau van de informatie die in het MER moet worden opgenomen, in het licht van het te nemen voorkeursbesluit. De dienst bevoegd voor milieueffectrapportage houdt bij zijn beslissing rekening met de adviezen van de adviesinstanties, met de opmerkingen van het publiek en met het resultaat van de grensoverschrijdende raadpleging, vermeld in paragraaf 2. [De dienst bevoegd voor milieueffectrapportage integreert zijn beslissing in de alternatievenonderzoeksnota.]
De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de beslissing van de dienst bevoegd voor milieueffectrapportage, vermeld in het eerste lid, en voor de bekendmaking van deze beslissing.

Onderafdeling 2.
Geïntegreerd effectenonderzoek


Art. 9.
Op grond van de alternatievenonderzoeksnota, de adviezen en de opmerkingen van het publiek, vermeld in artikel 8, § 2, en de beslissing van de dienst bevoegd voor milieueffectrapportage, vermeld in artikel 8, § 3, wordt een geïntegreerd effectenonderzoek uitgevoerd.
Het geïntegreerde effectenonderzoek omvat ten minste het ruimtelijke en het milieugerelateerde effectenonderzoek op strategisch niveau.
Als het complexe project, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, betekenisvolle effecten kan hebben op een speciale beschermingszone, wordt een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor dat gebied, waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstellingen ervan. Die passende beoordeling maakt een als dusdanig herkenbaar onderdeel uit van het milieugerelateerde effectenonderzoek.
Op grond van toepasselijke regelgeving van andere beleidssectoren die relevant zijn bij de beoordeling van een complex project, kunnen andere onderzoeken, dan vermeld in het tweede en derde lid, in het onderzoek op strategisch niveau betrokken worden.
De resultaten van het milieugerelateerde effectenonderzoek worden vastgelegd in een ontwerp van MER.

Art. 10.
De inhoud van het ontwerp van MER wordt gebaseerd op de inhoudsvereisten, vermeld in [artikel 4.2.8, § 1bis], en artikel 4.3.7 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.
Het ontwerp van MER houdt rekening met het detailleringsniveau van het te nemen voorkeursbesluit en met de doelstellingen en de geografische werkingssfeer van het geplande complexe project.
De Vlaamse Regering bepaalt nadere regels om te verzekeren dat de kwaliteit van het ontwerp van MER en het definitieve MER toereikend is.

Art. 11.

§ 1

De resultaten van het geïntegreerde effectenonderzoek worden vastgelegd in effectenonderzoeksrapporten, waaronder het ontwerp van MER.
Op basis van de conclusies van de effectenonderzoeksrapporten worden een synthesenota en een voorontwerp van voorkeursbesluit opgemaakt.

§ 2

De procesverantwoordelijke bezorgt de synthesenota en het voorontwerp van voorkeursbesluit aan de adviesinstanties, vermeld in artikel 8, § 2, eerste lid, die uitgenodigd worden op een adviesvergadering.
Alle adviesinstanties geven uiterlijk op het moment van de adviesvergadering hun advies. Als de adviesinstanties geen advies uitbrengen uiterlijk op de adviesvergadering, mag aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan.
De Vlaamse Regering kan de nadere procedurele regels voor de adviesvergadering vastleggen.

Art. 12.
[...]

Onderafdeling 3.
Ontwerp van voorkeursbesluit


Art. 13.

§ 1

Een voorkeursbesluit kan afwijken van het richtinggevende en bindende gedeelte van de ruimtelijke structuurplannen.
Als de provincieraad in zijn ontwerp van voorkeursbesluit afwijkt van het bindende gedeelte van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, heeft hij daarvoor de schriftelijke instemming nodig van de Vlaamse Regering. Die instemming is er uiterlijk op het moment waarop het ontwerp van voorkeursbesluit wordt vastgesteld.
Als de gemeenteraad in zijn ontwerp van voorkeursbesluit afwijkt van het bindende gedeelte van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen of het provinciaal ruimtelijk structuurplan, heeft hij daarvoor de schriftelijke instemming nodig van de Vlaamse Regering, respectievelijk de deputatie. Die instemming is er uiterlijk op het moment waarop het ontwerp van voorkeursbesluit wordt vastgesteld.

§ 2

Een voorkeursbesluit kan afwijken van de voorschriften van plannen van aanleg en van ruimtelijke uitvoeringsplannen.
Als de provincieraad in zijn ontwerp van voorkeursbesluit afwijkt van een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan, heeft hij daarvoor de schriftelijke instemming nodig van de Vlaamse Regering. Die instemming is er uiterlijk op het moment waarop het ontwerp van voorkeursbesluit wordt vastgesteld.
Als de gemeenteraad in zijn ontwerp van voorkeursbesluit afwijkt van een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan of van een provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan, heeft hij daarvoor de schriftelijke instemming nodig van de Vlaamse Regering, respectievelijk de deputatie. Die instemming is er uiterlijk op het moment waarop het ontwerp van voorkeursbesluit wordt vastgesteld.

Art. 14.
De bevoegde overheid, vermeld in artikel 6, stelt het ontwerp van voorkeursbesluit vast.
Een ontwerp van voorkeursbesluit bevat:
een motivering waarom een initiatief tot complex project in aanmerking komt voor de door dit decreet geregelde besluitvormingsprocedure;
het op strategisch niveau gekozen alternatief, weergegeven op een grafisch plan of tekstueel omschreven;
een motivering voor de keuze van dat alternatief, in het licht van de andere redelijke alternatieven die zijn onderzocht;
een motivering van de aanwijzing van de bevoegde overheid, conform artikel 6;
een verklaring die samenvat op welke wijze milieuoverwegingen in het voorkeursbesluit worden geïntegreerd en op welke wijze rekening is gehouden met de gevoerde onderzoeken, waaronder het [ontwerp van] MER en met de in het kader van die onderzoeken uitgebrachte opmerkingen, adviezen en overwegingen;
de relatie met de relevante beleidsplannen;
in voorkomend geval, de wijze waarop zal worden afgeweken van:
a)
[de ruimtelijke beleidsplannen of het richtinggevende en bindende gedeelte van de ruimtelijke structuurplannen;]
b)
de voorschriften van plannen van aanleg en van ruimtelijke uitvoeringsplannen;
de monitoringsmaatregelen en, in voorkomend geval, de flankerende maatregelen op het detailleringsniveau van het ontwerp van voorkeursbesluit;
in voorkomend geval, de rechtsgevolgen, vermeld in de artikelen 28, 30, 31 en 34;
10°
in voorkomend geval, de aanwijzing van één of meer instrumenten als vermeld in deel 2 van het decreet van 28 maart 2014 betreffende de landinrichting die ingezet zullen worden voor het complexe project, en de hiervoor vereiste inrichtingsnota als vermeld in hetzelfde decreet.

Onderafdeling 4.
Openbaar onderzoek


Art. 15.

§ 1

De bevoegde overheid, vermeld in artikel 6, onderwerpt het ontwerp van voorkeursbesluit [en het ontwerp van MER] aan een openbaar onderzoek.
Tijdens het openbaar onderzoek worden de volgende documenten ter inzage gelegd:
het ontwerp van voorkeursbesluit;
de synthesenota;
de effectenonderzoeksrapporten waarop de synthesenota gebaseerd is, waaronder het [ontwerp van] MER;
de beslissing, vermeld in artikel 8, § 3, en artikel 12.
De terinzagelegging vindt plaats in het gemeentehuis van elke gemeente waarvan het gebied door het ontwerp van voorkeursbesluit geheel of ten dele wordt bestreken.
De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor het openbaar onderzoek.

§ 2

Als het ontwerp van voorkeursbesluit aanzienlijke effecten kan hebben voor mens of milieu in andere lidstaten van de Europese Unie, in verdragspartijen bij het Verdrag van Espoo of in andere gewesten, of als de bevoegde autoriteiten van deze lidstaten, verdragspartijen of gewesten daarom verzoeken, bezorgt de procesverantwoordelijke de documenten, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, voor advies aan de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten, verdragspartijen of gewesten, wat betreft de aanzienlijke effecten voor mens of milieu.
De Vlaamse Regering kan de nadere regels bepalen voor de wijze waarop de bevoegde autoriteiten en de burgers van de lidstaten, verdragspartijen of gewesten hun mening over het ontwerp van voorkeursbesluit en het MER kunnen meedelen, alsook voor de wijze waarop daarover overleg wordt gepleegd.

Art. 15/1.
De dienst, bevoegd voor milieueffectrapportage, beoordeelt de kwaliteit van het ontwerp van MER en toetst het ontwerp van MER inhoudelijk aan de beslissing, vermeld in artikel 8, § 3, en aan de inhoudsvereisten, vermeld in artikel 10, eerste lid.
Voor het voorkeursbesluit vastgesteld wordt, beslist de dienst, bevoegd voor milieueffectrapportage, over de goedkeuring of afkeuring van het MER. Hij bezorgt die beslissing aan de procesverantwoordelijke en aan de instanties en bevoegde autoriteiten waaraan conform artikel 8, § 2, eerste en derde lid, om advies werd verzocht.
In geval van afkeuring geeft de dienst bevoegd voor milieueffectrapportage aan waar het MER tekortschiet. De beslissing vermeldt dat de procesverantwoordelijke een gemotiveerd verzoek tot heroverweging kan indienen tegen de afkeuringsbeslissing.
De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de procedure tot heroverweging, vermeld in het derde lid, en voor de bekendmaking van de beslissing, vermeld in het tweede lid.

Onderafdeling 5.
Voorkeursbesluit


Art. 16.

§ 1

De bevoegde overheid, vermeld in artikel 6, stelt het voorkeursbesluit definitief vast.
Als een passende beoordeling werd gemaakt als vermeld in artikel 9, en gelet op de conclusies van die beoordeling, stelt de bevoegde overheid het voorkeursbesluit pas definitief vast nadat ze de zekerheid heeft verkregen dat het voorkeursbesluit niet zal leiden tot een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van de speciale beschermingszone in kwestie.
In afwijking van het tweede lid mag de bevoegde overheid het voorkeursbesluit toch definitief vaststellen, ondanks de negatieve conclusies van de beoordeling van de gevolgen voor het gebied, als er voor de natuurlijke kenmerken van de speciale beschermingszone geen minder schadelijke alternatieve oplossingen zijn en het project om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, toch moet worden gerealiseerd. In dat geval worden alle nodige compenserende maatregelen genomen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het coherente Europese ecologische netwerk van speciale beschermingszones, Natura 2000 genaamd, bewaard blijft. Die maatregelen impliceren de actieve ontwikkeling van een evenwaardige habitat of het natuurlijk milieu ervan met minstens een gelijkaardige oppervlakte.
Als de speciale beschermingszone in kwestie of het deelgebied ervan een gebied met een prioritair type natuurlijke habitat of een prioritaire soort is, kunnen alleen argumenten die verband houden met de menselijke gezondheid, de openbare veiligheid of met effecten die wezenlijk gunstig zijn voor het milieu, dan wel, na advies van de Europese Commissie, andere dwingende redenen van groot openbaar belang worden aangevoerd. Een prioritair type natuurlijke habitat is een type natuurlijke habitat dat met een asterisk gemerkt is in bijlage I van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu. Een prioritaire soort is een soort die met een asterisk gemerkt is in bijlage II van het voormelde decreet.

§ 2

Het definitief vastgestelde voorkeursbesluit heeft dezelfde indeling als vermeld in artikel 14, tweede lid.
Bij de definitieve vaststelling van het voorkeursbesluit kunnen ten opzichte van het ontwerp van voorkeursbesluit alleen wijzigingen worden aangebracht die gebaseerd zijn op of voortvloeien uit de inspraakreacties, vermeld in artikel 15.

Onderafdeling 6.
Bekendmaking en inwerkingtreding


Art. 17.

§ 1

Het voorkeursbesluit wordt minstens bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad na de definitieve vaststelling.
De Vlaamse Regering kan andere wijzen bepalen waarop het publiek op de hoogte wordt gebracht van het definitief vastgestelde voorkeursbesluit.

§ 2

Een afschrift van het definitief vastgestelde voorkeursbesluit wordt gestuurd naar:
de Vlaamse Regering;
de provincies en de gemeenten waarvan het gebied door het voorkeursbesluit geheel of ten dele wordt bestreken;
de instanties en bevoegde autoriteiten waaraan conform artikel 8, § 2, eerste en derde lid, en artikel 11, § 2, om advies werd verzocht.
De Vlaamse Regering kan nadere regels bepalen over de kennisgeving, vermeld in het eerste lid, waaronder de termijnen en de kennisgevingswijze.

§ 3

Het voorkeursbesluit treedt in werking tien dagen na de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad.

Afdeling 4.
Uitwerkingsfase en projectbesluit


Onderafdeling 1.
Projectonderzoeksnota


Art. 18.

§ 1

Bij de start van de uitwerkingsfase wordt een projectonderzoeksnota opgesteld. Die bevat een beschrijving van:
het project en de flankerende maatregelen die opgenomen zijn in het voorkeursbesluit;
de op uitvoeringsniveau redelijkerwijs te onderzoeken alternatieven;
de wijze waarop de effecten van het project, de flankerende maatregelen en de redelijke alternatieven zullen worden onderzocht en beoordeeld in het licht van het te nemen projectbesluit.

§ 2

De procesverantwoordelijke bezorgt de projectonderzoeksnota aan de dienst bevoegd voor milieueffectrapportage en aan de door de Vlaamse Regering bepaalde adviesinstanties.
Als uit de projectonderzoeksnota blijkt dat er aanzienlijke effecten kunnen zijn voor mens of milieu in andere lidstaten van de Europese Unie, in verdragspartijen bij het Verdrag van Espoo of in andere gewesten, of als de bevoegde autoriteiten van die lidstaten, verdragspartijen of gewesten daarom verzoeken, legt de procesverantwoordelijke de projectonderzoeksnota, samen met alle beschikbare informatie over de mogelijke (gewest)grensoverschrijdende effecten, voor advies voor aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, verdragspartijen of gewesten in kwestie, wat betreft de aanzienlijke effecten voor mens of milieu.
De Vlaamse Regering bepaalt de adviesinstanties en kan nadere regels bepalen voor de adviesverlening door de adviesinstanties, vermeld in het eerste lid. De Vlaamse Regering kan tevens de wijze en voorwaarden bepalen waarop de procesverantwoordelijke de projectonderzoeksnota bezorgt aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, verdragspartijen of gewesten, vermeld in het tweede lid.

§ 3

De dienst bevoegd voor milieueffectrapportage beslist over de reikwijdte en het detailleringsniveau van de informatie die in het MER moet worden opgenomen, in het licht van het te nemen projectbesluit. De dienst bevoegd voor milieueffectrapportage houdt bij zijn beslissing rekening met de adviezen van de adviesinstanties en met het resultaat van de grensoverschrijdende raadpleging, vermeld in paragraaf 2. [De dienst, bevoegd voor milieueffectrapportage, integreert zijn beslissing in de projectonderzoeksnota.]
De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de beslissing van de afdeling bevoegd voor milieueffectrapportage, vermeld in het eerste lid, en voor de bekendmaking van deze beslissing.

Onderafdeling 2.
Geïntegreerd effectenonderzoek


Art. 19.
Op grond van de projectonderzoeksnota, vermeld in artikel 18, § 1, de adviezen, vermeld in artikel 18, § 2, en de beslissing van de dienst bevoegd voor milieueffectrapportage, vermeld in artikel 18, § 3, wordt een geïntegreerd effectenonderzoek gevoerd.
Het geïntegreerd effectenonderzoek omvat ten minste het ruimtelijke en het milieugerelateerde effectenonderzoek op uitvoeringsniveau.
Als het complexe project, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten betekenisvolle effecten kan hebben voor een speciale beschermingszone wordt een passende beoordeling gemaakt van de gevolgen voor dat gebied, waarbij rekening wordt gehouden met de instandhoudingsdoelstellingen ervan. Die passende beoordeling maakt een als dusdanig herkenbaar onderdeel uit van het milieugerelateerde effectenonderzoek. De resultaten van het milieugerelateerde effectenonderzoek worden vastgelegd in een ontwerp van MER.
Op grond van toepasselijke regelgeving van andere beleidssectoren die relevant zijn bij de beoordeling van een complex project, kunnen andere onderzoeken, dan vermeld in het tweede en derde lid, in het onderzoek op uitvoeringsniveau betrokken worden.

Art. 20.
De inhoud van het ontwerp van MER wordt gebaseerd op de inhoudsvereisten, vermeld in [artikel 4.2.8, § 1bis], en artikel 4.3.7 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid.
Het ontwerp van MER houdt rekening met het detailleringsniveau van het te nemen projectbesluit en met de doelstellingen en de geografische werkingssfeer van het geplande project.
De Vlaamse Regering bepaalt nadere regels om te verzekeren dat de kwaliteit van het ontwerp van MER en het definitieve MER toereikend is.

Art. 21.

§ 1

De resultaten van het geïntegreerde effectenonderzoek worden vastgelegd in effectenonderzoeksrapporten, waaronder het ontwerp van MER.
Op basis van de conclusies van de effectenonderzoeksrapporten worden een synthesenota en een voorontwerp van projectbesluit opgemaakt.

§ 2

De procesverantwoordelijke bezorgt de synthesenota en het voorontwerp van projectbesluit aan de adviesinstanties, vermeld in artikel 18, § 2, eerste lid, die uitgenodigd worden op een adviesvergadering.
De bestuursorganen, entiteiten of ambtenaren die gemachtigd zijn om in voorkomend geval de beslissingen, vermeld in artikel 40 en artikel 41 te nemen behoren in elk geval ook tot de adviesinstanties, vermeld in het eerste lid.
Alle adviesinstanties geven uiterlijk op het moment van de adviesvergadering hun advies. Als de adviesinstanties geen advies uitbrengen uiterlijk op de adviesvergadering, mag aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan.
De Vlaamse Regering kan de nadere procedurele regels voor de adviesvergadering vastleggen.

Onderafdeling 3.
Ontwerp van projectbesluit


Art. 22.

§ 1

Een projectbesluit kan afwijken van het richtinggevende en bindende gedeelte van de ruimtelijke structuurplannen op de wijze die in het projectbesluit wordt aangegeven.
Als de provincieraad in zijn ontwerp van projectbesluit afwijkt van het bindende gedeelte van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, heeft hij daarvoor de schriftelijke instemming nodig van de Vlaamse Regering. Die instemming is er uiterlijk op het moment waarop het ontwerp van projectbesluit wordt vastgesteld.
Als de gemeenteraad in zijn ontwerp van projectbesluit afwijkt van het bindende gedeelte van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen of het provinciaal ruimtelijk structuurplan, heeft hij daarvoor de schriftelijke instemming nodig van de Vlaamse Regering, respectievelijk de deputatie. Die instemming is er uiterlijk op het moment waarop het ontwerp van projectbesluit wordt vastgesteld.

§ 2

Een projectbesluit kan afwijken van de voorschriften van plannen van aanleg en van ruimtelijke uitvoeringsplannen.
Als de provincieraad in zijn ontwerp van projectbesluit afwijkt van een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan, heeft hij daarvoor de schriftelijke instemming nodig van de Vlaamse Regering. Die instemming is er uiterlijk op het moment waarop het ontwerp van projectbesluit wordt vastgesteld.
Als de gemeenteraad in zijn ontwerp van projectbesluit afwijkt van een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan of van een provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan, heeft hij daarvoor de schriftelijke instemming nodig van de Vlaamse Regering, respectievelijk de deputatie. Die instemming is er uiterlijk op het moment waarop het ontwerp van projectbesluit wordt vastgesteld.

Art. 23.
De bevoegde overheid, vermeld in artikel 6, stelt het ontwerp van projectbesluit vast.
Het ontwerp van projectbesluit geeft invulling aan het definitief vastgestelde voorkeursbesluit.
Een ontwerp van projectbesluit bevat:
het op uitvoeringsniveau gekozen alternatief, weergegeven op grafische plannen of tekstueel omschreven;
een motivering voor de keuze van dat alternatief, in het licht van de andere redelijke alternatieven die zijn onderzocht;
een motivering van de aanwijzing van de bevoegde overheid conform artikel 6;
een verklaring die samenvat op welke wijze milieuoverwegingen in het projectbesluit worden geïntegreerd en op welke wijze rekening is gehouden met de gevoerde onderzoeken, waaronder het ontwerp van MER, en met de opmerkingen, adviezen en overwegingen die in het kader van die onderzoeken zijn uitgebracht [met inbegrip van een samenvatting van deze opmerkingen, adviezen en overwegingen];
de relatie met de relevante beleidsplannen;
in voorkomend geval, de wijze waarop zal worden afgeweken van:
a)
[de ruimtelijke beleidsplannen of het richtinggevende en bindende gedeelte van de ruimtelijke structuurplannen;]
b)
de voorschriften van plannen van aanleg en ruimtelijke uitvoeringsplannen;
de opgave als welke beslissingen vermeld in artikel 40 en 41 het projectbesluit geldt en, in voorkomend geval, de wijze waarop toepassing gemaakt wordt van artikel 41;
in voorkomend geval, een herkenbaar onderdeel dat geldt als ruimtelijk uitvoeringsplan als vermeld in [artikel 2.2.5 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, en dat de gegevens, vermeld in artikel 2.2.5, § 1], van de voormelde codex, bevat;
in voorkomend geval, de acties, maatregelen, voorwaarden, lasten of instrumenten bij het alternatief dat gekozen is op uitvoeringsniveau [met inbegrip van een beschrijving van alle kenmerken van het ontwerp van projectbesluit en/of de geplande maatregelen om aanzienlijke nadelige effecten op het milieu te vermijden, te voorkomen of te beperken en, als dat mogelijk is, te compenseren];
10°
de monitoringsmaatregelen en, in voorkomend geval, de flankerende maatregelen op het detailleringsniveau van het ontwerp van projectbesluit;
11°
in voorkomend geval, de rechtsgevolgen, vermeld in de artikelen 30, 31, 32, 33 en 34;
12°
in voorkomend geval, de aanwijzing van één of meer instrumenten als vermeld in deel 2 van het decreet van 28 maart 2014 betreffende de landinrichting die ingezet zullen worden voor het complex project, en de hiervoor vereiste inrichtingsnota als vermeld in hetzelfde decreet;
13°
in voorkomend geval, de verschillende fasen van de uitvoering van het projectbesluit en de aanvangsdatum van elke fase.
Als het alternatief dat in het voorkeursbesluit op strategisch niveau gekozen is, resulteert in verschillende concrete projecten, geeft het ontwerp van projectbesluit ter informatie de stand van verwezenlijking van het voorkeursbesluit en de andere projectbesluiten die daaraan gekoppeld zijn.

Onderafdeling 4.
Openbaar onderzoek


Art. 24.

§ 1

De bevoegde overheid, vermeld in artikel 6, onderwerpt het ontwerp van projectbesluit en het ontwerp van MER aan een openbaar onderzoek.
Tijdens het openbaar onderzoek worden de volgende documenten ter inzage gelegd:
het ontwerp van projectbesluit;
de synthesenota;
de effectenonderzoeksrapporten waarop de synthesenota gebaseerd is, waaronder het ontwerp van MER;
de beslissing, vermeld in artikel 18, § 3.
Deze terinzagelegging vindt plaats in het gemeentehuis van elke gemeente waarvan het gebied door het ontwerp van projectbesluit geheel of ten dele wordt bestreken.
Inspraakreacties die vragen om terug te komen op het voorkeursbesluit, zijn onontvankelijk.
De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor het openbaar onderzoek.

§ 2

Als het ontwerp van projectbesluit aanzienlijke effecten kan hebben voor mens of milieu in andere lidstaten van de Europese Unie, in verdragspartijen bij het Verdrag van Espoo of in andere gewesten, of als de bevoegde autoriteiten van die lidstaten, verdragspartijen of gewesten daarom verzoeken, bezorgt de procesverantwoordelijke de documenten, vermeld in paragraaf 1, tweede lid, voor advies aan de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten, verdragspartijen of gewesten, wat betreft de aanzienlijke effecten voor mens of milieu.
De Vlaamse Regering kan de nadere regels bepalen voor de wijze waarop de bevoegde autoriteiten en de burgers van de lidstaten, verdragspartijen of gewesten hun mening over het ontwerp van MER en het ontwerp van projectbesluit kunnen meedelen, alsook voor de wijze waarop daarover overleg wordt gepleegd.

Art. 25.
De dienst bevoegd voor milieueffectrapportage beoordeelt de kwaliteit van het ontwerp van MER en toetst het ontwerp van MER inhoudelijk aan de beslissing, vermeld in artikel 18, § 3, en aan de inhoudsvereisten, vermeld in artikel 20, eerste lid.
Voor het projectbesluit definitief vastgesteld wordt, beslist de dienst bevoegd voor milieueffectrapportage over de goedkeuring of afkeuring van het MER. Hij bezorgt die beslissing aan de procesverantwoordelijke en aan de instanties en bevoegde autoriteiten waaraan conform artikel 18, § 2, en artikel 21, § 2, om advies werd verzocht.
In geval van afkeuring geeft de dienst bevoegd voor milieueffectrapportage aan waar het MER tekortschiet. De beslissing vermeldt dat de procesverantwoordelijke een gemotiveerd verzoek tot heroverweging kan indienen tegen de afkeuringsbeslissing.
De Vlaamse Regering bepaalt de nadere regels voor de procedure tot heroverweging, vermeld in het derde lid. Ze kan de nadere regels bepalen voor de bekendmaking van de beslissing, vermeld in het tweede lid.

Onderafdeling 5.
Projectbesluit


Art. 26.
De bevoegde overheid, vermeld in artikel 6, stelt het projectbesluit definitief vast.
De bepalingen van artikel 16, § 1, tweede tot en met vierde lid, zijn van overeenkomstige toepassing bij de beslissing over de definitieve vaststelling van het projectbesluit.
Het definitief vastgestelde projectbesluit heeft dezelfde indeling als vermeld in artikel 23, derde lid [en bevat bovendien een gemotiveerde conclusie over de aanzienlijke effecten van het project op het milieu. Bij het nemen van de gemotiveerde conclusie wordt rekening gehouden met de beslissing over de goedkeuring van het MER van de dienst die bevoegd is voor milieueffectrapportage, en met de adviezen en de inspraak in het kader van het projectbesluit.]
Als het alternatief dat in het voorkeursbesluit op strategisch niveau gekozen is, resulteert in verschillende concrete projecten, geeft het projectbesluit ter informatie de stand van verwezenlijking van het voorkeursbesluit en van de andere projectbesluiten die eraan gekoppeld zijn.
Bij de definitieve vaststelling van het projectbesluit kunnen ten opzichte van het ontwerp van projectbesluit alleen wijzigingen worden aangebracht die gebaseerd zijn op of voortvloeien uit het goedgekeurde MER of op de inspraakreacties, vermeld in artikel 24.

Onderafdeling 6.
Bekendmaking en inwerkingtreding


Art. 27.

§ 1

Het projectbesluit wordt minstens bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad na de definitieve vaststelling.
De Vlaamse Regering kan andere wijzen bepalen waarop het publiek op de hoogte wordt gebracht van het definitief vastgestelde projectbesluit.

§ 2

Een afschrift van het definitief vastgestelde projectbesluit wordt gestuurd naar:
de Vlaamse Regering;
de provincies en de gemeenten waarvan het gebied door het projectbesluit geheel of ten dele wordt bestreken;
de instanties en bevoegde autoriteiten waaraan conform artikel 18, § 2, en artikel 21, § 2, om advies werd verzocht.
De Vlaamse Regering kan nadere regels over de kennisgeving, vermeld in het eerste lid, waaronder de termijnen en de kennisgevingswijze bepalen.

§ 3

Het projectbesluit treedt in werking tien dagen na de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad.