Onderafdeling 3.
Ontwerp van voorkeursbesluit


Art. 13.

§ 1

Een voorkeursbesluit kan afwijken van het richtinggevende en bindende gedeelte van de ruimtelijke structuurplannen.
Als de provincieraad in zijn ontwerp van voorkeursbesluit afwijkt van het bindende gedeelte van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, heeft hij daarvoor de schriftelijke instemming nodig van de Vlaamse Regering. Die instemming is er uiterlijk op het moment waarop het ontwerp van voorkeursbesluit wordt vastgesteld.
Als de gemeenteraad in zijn ontwerp van voorkeursbesluit afwijkt van het bindende gedeelte van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen of het provinciaal ruimtelijk structuurplan, heeft hij daarvoor de schriftelijke instemming nodig van de Vlaamse Regering, respectievelijk de deputatie. Die instemming is er uiterlijk op het moment waarop het ontwerp van voorkeursbesluit wordt vastgesteld.

§ 2

Een voorkeursbesluit kan afwijken van de voorschriften van plannen van aanleg en van ruimtelijke uitvoeringsplannen.
Als de provincieraad in zijn ontwerp van voorkeursbesluit afwijkt van een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan, heeft hij daarvoor de schriftelijke instemming nodig van de Vlaamse Regering. Die instemming is er uiterlijk op het moment waarop het ontwerp van voorkeursbesluit wordt vastgesteld.
Als de gemeenteraad in zijn ontwerp van voorkeursbesluit afwijkt van een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan of van een provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan, heeft hij daarvoor de schriftelijke instemming nodig van de Vlaamse Regering, respectievelijk de deputatie. Die instemming is er uiterlijk op het moment waarop het ontwerp van voorkeursbesluit wordt vastgesteld.

Art. 14.
De bevoegde overheid, vermeld in artikel 6, stelt het ontwerp van voorkeursbesluit vast.
Een ontwerp van voorkeursbesluit bevat:
een motivering waarom een initiatief tot complex project in aanmerking komt voor de door dit decreet geregelde besluitvormingsprocedure;
het op strategisch niveau gekozen alternatief, weergegeven op een grafisch plan of tekstueel omschreven;
een motivering voor de keuze van dat alternatief, in het licht van de andere redelijke alternatieven die zijn onderzocht;
een motivering van de aanwijzing van de bevoegde overheid, conform artikel 6;
een verklaring die samenvat op welke wijze milieuoverwegingen in het voorkeursbesluit worden geïntegreerd en op welke wijze rekening is gehouden met de gevoerde onderzoeken, waaronder het [ontwerp van] MER en met de in het kader van die onderzoeken uitgebrachte opmerkingen, adviezen en overwegingen;
de relatie met de relevante beleidsplannen;
in voorkomend geval, de wijze waarop zal worden afgeweken van:
a)
[de ruimtelijke beleidsplannen of het richtinggevende en bindende gedeelte van de ruimtelijke structuurplannen;]
b)
de voorschriften van plannen van aanleg en van ruimtelijke uitvoeringsplannen;
de monitoringsmaatregelen en, in voorkomend geval, de flankerende maatregelen op het detailleringsniveau van het ontwerp van voorkeursbesluit;
in voorkomend geval, de rechtsgevolgen, vermeld in de artikelen 28, 30, 31 en 34;
10°
in voorkomend geval, de aanwijzing van één of meer instrumenten als vermeld in deel 2 van het decreet van 28 maart 2014 betreffende de landinrichting die ingezet zullen worden voor het complexe project, en de hiervoor vereiste inrichtingsnota als vermeld in hetzelfde decreet.