Afdeling 1.
Rechtsgevolgen


Art. 28.
Het voorkeursbesluit kan een bouwverbod of bouwbeperkingen inhouden. Deze worden aangeduid in het grafische plan bedoeld in artikel 14, tweede lid, 2°.

Art. 29.
Een vergunning, machtiging of toestemming kan worden geweigerd als de aanvraag onverenigbaar is met het voorkeursbesluit. In de gebieden waar met toepassing van artikel 28 een bouwverbod of bouwbeperkingen opgelegd zijn, wordt een vergunning, machtiging of toestemming geweigerd als het aangevraagde valt onder dit verbod of deze beperkingen.

Art. 30.
Het voorkeursbesluit of projectbesluit kan instanties of personen aanwijzen die gemachtigd zijn om het gebied dat door het alternatief dat op strategisch niveau of op uitvoeringsniveau gekozen is, geheel of ten dele wordt bestreken, te betreden om alle nodige vaststellingen te verrichten en alle nodige onderzoeken uit te voeren. De vaststellingen of onderzoeken mogen niet de kenmerken van een huiszoeking dragen.

Art. 31.

§ 1

Elke verwerving van onroerende goederen, vereist voor de verwezenlijking van het voorkeursbesluit of het projectbesluit, kan door onteigening ten algemenen nutte tot stand worden gebracht.
[...]

§ 2

[...]

§ 3

[...]

§ 4

[...]

§ 5

[...]

Art. 32.
Als het projectbesluit een herkenbaar onderdeel bevat dat conform artikel 23 geldt als ruimtelijk uitvoeringsplan, en gelijktijdig een rooilijnplan wordt opgemaakt, wordt dit rooilijnplan tegelijk met het projectbesluit onderworpen aan de procedureregels die bepaald zijn voor de vaststelling van het projectbesluit.
Vóór de aanvang van het openbaar onderzoek over het ontwerp van projectbesluit en rooilijnplan worden de eigenaars van de onroerende goederen die gelegen zijn binnen de omtrek van de percelen in kwestie, met een beveiligde zending op de hoogte gebracht dat het ontwerp van rooilijnplan in het gemeentehuis ter inzage ligt.

Art. 33.
Als het projectbesluit een herkenbaar onderdeel bevat dat conform artikel 23 geldt als ruimtelijk uitvoeringsplan, en het instrument van de herverkaveling uit kracht van wet met planologische ruil als vermeld in deel 2 van het decreet van 28 maart 2014 betreffende de landinrichting wordt toegepast, dan bepaalt de overheid die bevoegd is voor het vaststellen van het projectbesluit het gebied dat in aanmerking komt voor een herverkaveling uit kracht van wet met planologische ruil. Zij doet dit binnen het plangebied van het herkenbaar onderdeel dat geldt als ruimtelijk uitvoeringsplan.
Het voor de herverkaveling uit kracht van wet met planologische ruil op te maken grondruilplan wordt tegelijk met het projectbesluit onderworpen aan de procedureregels die bepaald zijn voor de vaststelling van het projectbesluit.
Vóór de aanvang van het openbaar onderzoek over het ontwerp van projectbesluit en grondruilplan worden de eigenaars, vruchtgebruikers of gebruikers van onroerende goederen die deel uitmaken van het geheel van onroerende goederen in de herverkaveling, op de hoogte gebracht van zijn toestand, zoals opgenomen in het grondruilplan, en van de mogelijkheid om adviezen, opmerkingen of bezwaar in te dienen tijdens het openbaar onderzoek, overeenkomstig artikel 2.1.65, § 6, van het decreet van 28 maart 2014 betreffende de landinrichting.

Art. 34.
Het Vlaamse Gewest, de provincies, de gemeenten, de intercommunales, de instellingen die ressorteren onder het Vlaamse Gewest, de provincies en de gemeenten, alsook de vennootschappen die een erkenning hebben van die instellingen of besturen, kunnen, ter verwezenlijking van een voorkeursbesluit of een projectbesluit, een recht van voorkoop uitoefenen bij de verkoop van een onroerend goed dat ligt in de gebieden die afgebakend zijn als gebieden waar het recht van voorkoop geldt in het grafische plan of in het herkenbare onderdeel dat geldt als ruimtelijk uitvoeringsplan.
De rechtspersonen, vermeld in het eerste lid, kunnen, ter verwezenlijking van een voorkeursbesluit of een projectbesluit, de Vlaamse Grondenbank verzoeken om in hun naam en voor hun rekening en binnen de door hen gestelde voorwaarden, het recht van voorkoop uit te oefenen bij de verkoop van onroerende goederen die liggen in de gebieden die afgebakend zijn als gebieden waar het recht van voorkoop geldt in het grafische plan of in het herkenbare onderdeel dat geldt als ruimtelijk uitvoeringsplan.
De eigenaars van de onroerende goederen die bezwaard zijn met het recht van voorkoop, worden uiterlijk op de dag van de inwerkingtreding van het voorkeursbesluit of het projectbesluit, met een beveiligde zending in hun woonplaats daarvan op de hoogte gebracht. De eigenaars worden bepaald op basis van de kadastrale gegevens. De beveiligde zending bevat de adressen van een of meer instanties die moeten worden aangeschreven voor een eventueel aanbod van het recht van voorkoop.
Titel IV, hoofdstuk I en VI, van het decreet van 16 juni 2006 betreffende het oprichten van de Vlaamse Grondenbank en houdende wijziging van diverse bepalingen zijn van toepassing op dat recht van voorkoop.
Het decreet van 25 mei 2007 houdende de harmonisering van de procedures van voorkooprechten is van toepassing op dat recht van voorkoop.

Art. 35.
Na de inwerkingtreding van het voorkeursbesluit kunnen geen besluiten tot bescherming meer genomen worden als deze bescherming de realisatie van het voorkeursbesluit kennelijk in het gedrang brengt.
Het eerste lid is van toepassing op de bescherming:
[...]
[...]
[...]
als duingebied, met toepassing van het decreet van 21 december 1994 houdende bekrachtiging van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 november 1994 betreffende de definitieve aanwijzing van de beschermde duingebieden en van de voor het duingebied belangrijke landbouwgebieden, en houdende wijziging van de wet van 12 juli 1973 op het natuurbehoud;
als bosreservaat, met toepassing van het Bosdecreet van 13 juni 1990;
als natuurreservaat, met toepassing van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu;
[als archeologische site, als monument, als cultuurhistorisch landschap of als beschermd stads- of dorpsgezicht met toepassing van de wet van 7 augustus 1931 op het behoud van monumenten en landschappen, het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten, het decreet van 30 juni 1993 houdende bescherming van het archeologisch patrimonium, het decreet van 16 april 1996 betreffende de landschapszorg en het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013.]

Art. 36.
De rechtsgevolgen die verbonden zijn aan een voorkeursbesluit, vermeld in artikel 28 tot en met 30, en artikel 35, vervallen van rechtswege:
drie jaar na de inwerkingtreding van het voorkeursbesluit;
bij de inwerkingtreding van een projectbesluit voor het gebied waarop het projectbesluit betrekking heeft;
bij het verval van een voorkeursbesluit conform artikel 43.
De rechtsgevolgen die verbonden zijn aan een voorkeursbesluit, vermeld in artikel 31 en 34, vervallen van rechtswege bij het verval van een voorkeursbesluit conform artikel 43.
Het projectbesluit kan bepalen welke rechtsgevolgen, vermeld in artikel 31 en 34, vervallen bij de inwerkingtreding van een projectbesluit voor het gebied waarop het projectbesluit betrekking heeft.
De overheid die het voorkeursbesluit heeft vastgesteld, kan de termijn van drie jaar, vermeld in het eerste lid, gemotiveerd verlengen met een bijkomende termijn van maximaal drie jaar.
De termijn, vermeld in het eerste lid, of, in voorkomend geval, de verlengde termijnen, vermeld in het vierde lid, worden geschorst zolang een beroep tot vernietiging aanhangig is bij de Raad van State.