Afdeling 2.
Doorwerking van het projectbesluit


Art. 37.

§ 1

Met toepassing van artikel 26, derde lid, bevat het definitief vastgestelde projectbesluit in voorkomend geval een herkenbaar onderdeel dat geldt als ruimtelijk uitvoeringsplan. Dat onderdeel wordt al naargelang de overheid die het projectbesluit vaststelt, beschouwd als:
een definitief vastgesteld gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan;
een goedgekeurd provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan;
een goedgekeurd gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan.
Het herkenbare onderdeel dat geldt als ruimtelijk uitvoeringsplan, vervangt, voor het grondgebied waarop het betrekking heeft, de voorschriften van de plannen van aanleg en de ruimtelijke uitvoeringsplannen, tenzij het projectbesluit het uitdrukkelijk anders bepaalt.

§ 2

Na de inwerkingtreding van het projectbesluit kunnen de overeenkomstig de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening bevoegde planningsniveaus het onderdeel dat geldt als ruimtelijk uitvoeringsplan, geheel of gedeeltelijk vervangen binnen hun eigen planningsbevoegdheden. In voorkomend geval wordt daarbij het beginsel dat lagere ruimtelijke uitvoeringsplannen niet mogen afwijken van hogere ruimtelijke uitvoeringsplannen, vermeld in [artikel 2.2.12, § 1, derde lid, en artikel 2.2.18, § 1, derde lid], van de voormelde codex, buiten toepassing gelaten.

Art. 38.
Het definitief vastgestelde projectbesluit wordt in voorkomend geval van rechtswege beschouwd als de melding, vermeld in:
artikel 106 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning;
[...]

Art. 39.
Het definitief vastgestelde projectbesluit geldt in voorkomend geval als omgevingsvergunning, vermeld in het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning.

Art. 40.
Het definitief vastgestelde projectbesluit geldt in voorkomend geval als volgende beslissingen:
de vergunningen, ontheffingen of afwijkingen, verleend bij of krachtens het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu;
de beslissing over de zaak van de wegen, vermeld in artikel 42 van het Gemeentedecreet van 15 juli 2005 en artikel 31 en 65 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning;
de beslissing tot aanleg, wijziging of opheffing van een buurtweg, vermeld in de wet van 10 april 1841 op de buurtwegen;
[de vergunningen, de machtigingen en toelatingen, vermeld in de wet van 7 augustus 1931 op het behoud van monumenten en landschappen, het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten, het decreet van 30 juni 1993 houdende bescherming van het archeologisch patrimonium, het decreet van 16 april 1996 betreffende de landschapszorg en het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013;]
de conformiteitsattesten, vermeld in artikel 50 en 58 van het decreet van 27 oktober 2006 betreffende de bodemsanering en de bodembescherming;
de machtigingen, vermeld in artikel 12, 14 en 23 van de wet van 28 december 1967 betreffende de onbevaarbare waterlopen;
de machtigingen, vermeld in artikel 16, derde lid, van het decreet van 8 mei 2009 houdende vaststelling en realisatie van de rooilijnen;
de vergunningen, machtigingen of afwijkingen, verleend bij of krachtens het Bosdecreet van 13 juni 1990, behoudens die vermeld in artikel 90bis, § 1, laatste lid;
de machtiging, vermeld in artikel 89 van het koninklijk besluit van 15 oktober 1935 houdende Algemeen reglement der scheepvaartwegen van het Koninkrijk;
10°
de afwijkingen, vermeld in artikel 7 van de koninklijke besluiten van 20 augustus 1934, 12 september 1934 en 17 oktober 1934 aangaande de bouwvrije stroken langs de rijkswegen, en vermeld in artikel 2 en 7 van het koninklijk besluit van 4 juni 1958 betreffende de vrije stroken langs de autosnelwegen;
11°
de toestemmingen of machtigingen, verleend bij of krachtens het decreet van 16 april 1996 betreffende de waterkeringen.
Het definitief vastgestelde projectbesluit geeft aan als welk van die beslissingen het geldt.

Art. 41.
Het definitief vastgesteld projectbesluit omvat in voorkomend geval:
[...]
[...]
[...]
[...]
[...]
de beslissing tot ontheffing van het verbod tot het verlenen van een omgevingsvergunning voor ontbossing of voor het verkavelen van gronden voor geheel of gedeeltelijk beboste terreinen, vermeld in artikel 90bis, § 1, laatste lid, van het Bosdecreet van 13 juni 1990;
de beslissing tot het geheel of gedeeltelijk opheffen of wijzigen van de bescherming als bosreservaat, met toepassing van het Bosdecreet van 13 juni 1990;
de beslissing tot het geheel of gedeeltelijk opheffen of wijzigen van de bescherming als natuurreservaat, met toepassing van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu;
de beslissing tot het geheel of gedeeltelijk opheffen van een volgens artikel 21 van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu vastgesteld afbakeningsplan voor een Grote Eenheid Natuur of Grote Eenheid Natuur in Ontwikkeling;
10°
[de beslissing tot de gehele of gedeeltelijke wijziging of opheffing van erkennings-, rangschikkings- en beschermingsbesluiten genomen bij toepassing van de wet van 7 augustus 1931 op het behoud van monumenten en landschappen, het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten en stads- en dorpsgezichten, het decreet van 30 juni 1993 houdende bescherming van het archeologisch patrimonium, het decreet van 16 april 1996 betreffende de landschapszorg en het Onroerenderfgoeddecreet van 12 juli 2013.]
Als de gemeenteraad of de provincieraad een projectbesluit vaststelt dat een beslissing, vermeld in het eerste lid, omvat, heeft het projectbesluit slechts uitwerking nadat de Vlaamse Regering het projectbesluit bekrachtigd heeft, onverminderd artikel 27, § 3.
Het definitief vastgestelde projectbesluit geeft aan als welk van die beslissingen het geldt.