Art. 44.
Met uitzondering van het herkenbare onderdeel van het projectbesluit dat geldt als ruimtelijk uitvoeringsplan en het er aan gekoppelde rooilijnplan of grondruilplan, vervalt het projectbesluit in elk van de volgende gevallen:
1
de verwezenlijking van het projectbesluit wordt niet binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van het projectbesluit gestart;
2
de werken worden gedurende meer dan drie opeenvolgende jaren onderbroken.
De overheid die het projectbesluit heeft vastgesteld, kan de termijnen van vijf en drie jaar, vermeld in het eerste lid, gemotiveerd verlengen.
De termijnen, vermeld in het eerste lid, of, in voorkomend geval, de verlengde termijnen, vermeld in het tweede lid, worden geschorst zolang een beroep tot vernietiging van het projectbesluit aanhangig is bij de Raad van State.
Als het projectbesluit uitdrukkelijk melding maakt van de verschillende fasen van het project, worden de termijnen, vermeld in het eerste en tweede lid, gerekend per fase. Voor de tweede fase en de volgende fasen worden de termijnen van verval als gevolg daarvan gerekend vanaf de aanvangsdatum van de fase in kwestie.
Het verval van een projectbesluit geldt alleen voor het niet-afgewerkte gedeelte van een project. Een gedeelte is afgewerkt als het, in voorkomend geval na sloping van de niet-afgewerkte gedeelten, kan worden beschouwd als een afzonderlijke constructie die voldoet aan de bouwfysische vereisten.